Neemt het huidige Joodse volk nog altijd een bijzondere plaats in binnen Gods heilsplan? In deze openingsbrief start ds. Ernst Leeftink een theologische briefwisseling met prof. dr. Jan Hoek over deze veelbesproken vraag. De briefwisseling bestaat uit zes brieven, drie van elke auteur, en wordt de komende weken vervolgd. De openings-brief van de Nederlandse gereformeerde predikant nodigt hopelijk uit een verdiepend gesprek over een actueel en belangrijk onderwerp binnen de christelijke wereld.
‘Huidige Joodse volk is niet Gods volk’
BRIEF 1 van Ernst aan Jan (13-01-2026)
Dag Jan,
Het is me een genoegen om aan het begin van dit nieuwe jaar met jou in een briefwisseling van gedachten te mogen wisselen over de vraag of het huidige Joodse volk nog altijd een bijzondere plaats inneemt in Gods heilsplan met heel de wereld. Dat is een interessante vraag waar de meningen sterk over verdeeld zijn.
Als ik het Nieuwe Testament serieus neem, moet mijn antwoord op die vraag zijn: nee, het huidige Joodse volk neemt binnen Gods heilsplan met heel de wereld geen bijzondere plaats meer in. Het is nog wel van betekenis, namelijk als waarschuwend voorbeeld en als teken van hoop.
Maar voordat ik dat verder onderbouw, wil ik eerst proberen jouw visie zo goed mogelijk te verwoorden. Die heb je in de afgelopen maanden op verschillende plaatsen uiteengezet. Bij jou staat voorop, als ik het goed begrijp: “De HEERE laat zijn volk niet vallen. De weg van God met Israël is niet vervangen door de kerk, maar in Christus juist verdiept en verbreed.” Daar zeg ik van harte ja en amen op.
Mijn hoogleraar ethiek, prof. dr. Jochem Douma (1931–2020), huldigde hetzelfde standpunt. Gods volk heeft na Pinksteren een enorme uitbreiding ondergaan. Naast Joden krijgen ook heidenen een volwaardige plaats binnen Gods volk. Dat gebeurde in het Oude Testament al sporadisch. Denk bijvoorbeeld aan Rachab, Ruth en Naäman.
Tijdens zijn leven op aarde bracht Jezus dit met woord en daad in praktijk. Denk aan de Romeinse hoofdman (Lukas 7), de vrouw uit de regio Tyrus (Mattheüs 15) en de Samaritaanse vrouw (Johannes 4). En denk aan de woorden van onze Heer dat Hij Herder zal zijn van één kudde, samengesteld uit twee groepen schapen die naar zijn stem horen (Johannes 10).
Vanaf Pinksteren doorbreekt de Geest alle grenzen. Wat je geslacht, je nationaliteit of je maatschappelijke status ook is, alle mensen die Jezus aannemen als hun Verlosser vormen samen het ene volk van God. Zowel Petrus (Handelingen 10:34 en 15:9) als Paulus (Romeinen 2:11, 3:22 en 10:12) maken duidelijk dat God daarbij geen enkel onderscheid maakt tussen Joden die Jezus al eeuwenlang als de beloofde Messias erkennen en heidenen die nu pas tot geloof komen. De eersten waren al burgers van Gods volk en blijven dat. De laatsten ontvangen dit burgerschap nu pas.
Vanaf Pinksteren delen beide groepen in het burgerschap van Israël (Efeziërs 2:12 en 19). Dat uitgebreide en verbrede Israël is vanaf Pinksteren het ene volk van God, Ammi, waarover Hij zich opnieuw ontfermd heeft: Ruchama. Zij mogen zich kinderen van de levende God noemen en dat ook weten. Zo gaat de profetie van Hosea over Lo Ammi dat weer Ammi wordt en Lo Ruchama die weer Ruchama wordt in vervulling. Paulus (Romeinen 9:24–26) en Petrus (1 Petrus 2:9–10) zeggen dat nadrukkelijk.
De weg van God met zijn volk is dus inderdaad in Christus verdiept en verbreed, zoals jij schrijft. Vanaf Pinksteren bestaat Gods Israël uit alle gelovigen die hun vertrouwen stellen op de naam van Jezus Christus. Zij delen samen en op gelijke wijze in het heil dat God in het Oude Testament aan Abraham en zijn nakomelingen beloofd heeft. Die redding komt bij de Joden vandaan, zegt Jezus tegen de Samaritaanse vrouw. Dat moet iedere niet-Joodse christen bescheiden maken. Het vraagt om eerbied voor de wortel waaruit wij leven, namelijk Gods verbond met Abraham, zoals jij het ergens treffend verwoordde.
Maar dan begrijp ik niet hoe je tegelijk kunt zeggen dat het huidige Joodse volk ook nog steeds Gods volk is, zij het op paradoxale wijze, namelijk gebroken en onder aanvechting. Je baseert dat op Romeinen 11:1, waar Paulus zegt dat God zijn volk niet verstoten heeft. Ook lees je in het Oude Testament dat Gods verkiezing van Israël eeuwig is en dat zijn verbond onverbrekelijk is. Daarom is het huidige ongelovige fysieke Joodse volk volgens jou nog steeds door God uitverkoren en is een aantal beloften nog niet volledig vervuld. Vanuit die gedachte zie jij het ontstaan van de staat Israël als een bijzonder teken van Gods trouw en verwacht je dat Hij nog grootse plannen heeft met wat jij noemt “zijn volk”.
Eerlijk gezegd kan ik je hierin niet volgen. Waar lees jij in het Nieuwe Testament dat God nog steeds twee volken heeft? Een verbreed geestelijk Israël én een etnisch Joods Israël? En waar lees jij in het Nieuwe Testament dat Israël naar het vlees, zoals Paulus zijn volksgenoten noemt in 1 Korintiërs 10:18, die Jezus verworpen hebben, nog steeds Gods volk of Gods oogappel wordt genoemd?
Ik lees in Mattheüs 8 dat Jezus zegt dat veel gelovigen uit alle volken het Koninkrijk van God zullen binnengaan omdat zij in Hem geloven. Tegelijk zegt Hij dat veel kinderen en erfgenamen van datzelfde Koninkrijk die niet in Hem geloven, worden geworpen in de buitenste duisternis. Daarmee doelt onze Heer op zijn eigen joodse volk dat Hem heeft afgewezen en voor een groot deel nog steeds afwijst.
Paulus zegt in Romeinen 11:17 dat zij de afgehouwen takken van de edele olijfboom zijn. Dat zijn de Joden uit Paulus’ dagen die Jezus hebben verworpen. In Romeinen 11:28 noemt Paulus hen zelfs vijanden vanwege het Evangelie. Dat ongelovige deel kun je volgens mij onmogelijk blijven beschouwen als onderdeel van de edele olijfboom Israël. Ook kun je er geen tweede boom van maken die op een of andere manier toch nog aan de wortel verbonden zou zijn.
Daarom geloof ik niet dat het huidige Joodse volk nog steeds Gods volk is. Ook niet op paradoxale wijze. En ik geloof al helemaal niet dat het ontstaan van de Joodse staat Israël in 1948 een teken is van Gods trouw. De vraag is dan immers: trouw waaraan? In het hele Nieuwe Testament kom ik geen enkele aanwijzing tegen dat Jezus ooit nog een aards rijk zal stichten voor alle Joden die niet in Hem geloven, met Israël als heilig land, Jeruzalem als heilige stad en een herstelde offerdienst in de tempel. Waarom zijn zoveel christenen daar dan toch zo sterk op gefocust?
De focus op het Joodse volk als tweede volk van God met eigen beloften kom ik in het Nieuwe Testament nergens tegen. Zij zijn het overblijfsel van de afgehouwen takken, omdat zij vijanden van het Evangelie zijn, zegt Paulus in Romeinen 11:28. Dat maakt hen tot een waarschuwend voorbeeld. Zonder geloof in Jezus hoor je niet bij Gods volk en kom je het Koninkrijk niet binnen.
Tegelijk zijn zij ook een teken van hoop. God schrijft niemand definitief af. Want ieder uit het Joodse volk die zich bekeert en zijn ongeloof opgeeft, zal door God opnieuw worden ingeënt op de edele olijfboom, schrijft Paulus in Romeinen 11:23. Zo wordt een verloren oudste broer of zus opnieuw ingeschreven als burger van Israël. Dat geldt net zo goed voor moslims die Jezus niet erkennen als Zoon van God en voor gedoopte christenen die met God en Jezus hebben gebroken.
Ik wil afsluiten met twee vragen waarop jij misschien een antwoord kunt geven.
- Waarom slaan veel christenen het hele Nieuwe Testament over door beloften uit het Oude Testament rechtstreeks te betrekken op het huidige Joodse volk en op het aardse Israël en Jeruzalem? Wordt daarmee niet een fundamentele regel van bijbeluitleg genegeerd, namelijk dat alles vanuit Christus moet worden verstaan? Augustinus verwoordde het kernachtig: “In het Oude Testament ligt het Nieuwe Testament verborgen. In het Nieuwe Testament wordt het Oude Testament onthuld.”
- Waarom focussen veel christenen zich bij de plaats van het huidige Joodse volk in Gods heilsplan vooral op enkele moeilijk te interpreteren teksten, zoals Handelingen 1:6 en Romeinen 11:26, in plaats van het hele Nieuwe Testament te laten meewegen? Worden daarbij niet twee belangrijke regels van gereformeerde bijbeluitleg vergeten, namelijk dat je Schrift met Schrift moet vergelijken en dat je moeilijke passages uit de Bijbel moet verklaren vanuit de gedeeltes die makkelijker uit te leggen zijn?
Tot zover mijn openingsbrief.
Hartelijke groet en in alles Gods nabijheid en wijsheid toegebeden,
Ernst
‘Gods weg met Israël is geen tijdelijk intermezzo’
BRIEF 1 van Jan aan Ernst (15-01-2026)
Dag Ernst,
Een gesprek met een evangelische theoloog als prof. dr. Willem Ouweneel zou zeker over andere discussiepunten en meningsverschillen gaan dan de vragen die tussen ons spelen. Zo zijn we het er samen over eens dat het genadeverbond dat God met Abraham en zijn nageslacht heeft opgericht, nog altijd geldig is. Het nieuwe verbond van Jeremia 31 is het vernieuwde verbond. Dat betekent dat er continuïteit is in de discontinuïteit.
Gedeelde overtuiging
In doopdiensten zingen we dankbaar met Psalm 105 dat God het verbond met Abraham, Zijn vriend, bevestigt van kind tot kind. Ook zingen we met Psalm 87 dat het blijde nageslacht van heidenen geteld wordt als in Israël ingelijfd, om zo de naam van Sions kinderen te dragen. Broeder Ouweneel zou deze toepassing van de betreffende psalmen kwalificeren als vervangingstheologie.
Je geeft aan het begin van je brief mijn visie zorgvuldig weer en zegt tot mijn vreugde ja en amen op de uitspraak dat de Heere Zijn volk niet laat vallen en dat de weg van God met Israël niet is vervangen door de kerk, maar in Christus juist is verdiept en verbreed. Gezien deze gedeelde overtuiging staan we dicht bij elkaar.
Het is inderdaad een goede zaak om op een rustige en respectvolle wijze met elkaar door te denken over de plaats van het huidige Joodse volk in de weg die de Heere gaat door de geschiedenis, de grote Toekomst van Christus tegemoet. Fijn dat je daartoe bereid bent. Wij kennen elkaar niet persoonlijk, maar weten op voorhand van elkaar dat we eerbiedig willen luisteren naar het Woord van God en dat wij ons beiden bewegen binnen de kaders van de gereformeerde theologie.
Ik zou het ook zo willen formuleren: de God en Vader van Jezus Christus is onverminderd de God van Israël, ook sinds Pinksteren. Ten overvloede merk ik op dat ik daarmee niet de staat Israël bedoel, maar het volk van Israël, ook wel aangeduid als de Joden, zonder de tien stammen uit te sluiten.
Christus: Messias van Israël en Licht voor de volken
Jezus is de Messias van Israël, de Knecht des Heeren van wie Jesaja profeteert dat het voor Hem te gering zou zijn om alleen de stammen van Jakob op te richten. Hij is gegeven tot een licht voor de heidenvolken, om Gods heil te zijn tot aan het einde van de aarde (Jes. 49:6).
Bijzonder is hoe Simeon hierbij aansluit in zijn lofzang: een licht om de heidenen te verlichten en tot heerlijkheid van Gods volk Israël (Luk. 2:32). Dat in het rijk van Christus de lijnen van het koningschap van David worden doorgetrokken, maakt de engel Gabriël duidelijk in zijn woorden tot Maria (Luk.1:32-33) en zingt Zacharias er vol vreugde over (Luk. 1: 68-79). Ook de engel boven de velden van Efratha verkondigt grote blijdschap voor heel het volk (Luk.2:10). Daarmee wordt in de eerste plaats het volk Israël bedoeld. De Redder is allereerst tot Israël gekomen.
Geen tijdelijk intermezzo
Gods weg met Israël is geen tijdelijk intermezzo geweest en heeft niet slechts pedagogische betekenis gehad. Met eerbied gesproken was Israël voor God geen opstapje om tot iets anders te komen. In Christus zet Hij Zijn inzet met het volk Israël op verbrede wijze voort.
Sinds Pinksteren is de stroom van Gods heil buiten de bedding van het volk Israël getreden. De uitstorting van de Geest in Handelingen 2 blijft nog beperkt tot Joden en jodengenoten, pas later worden ook heidenen bereikt. Wij kunnen er niet dankbaar genoeg voor zijn dat wij als heidenen volledig bij het volk van God mogen horen.
Toch is hiermee niet alles gezegd. Hier ligt waarschijnlijk een verschil tussen jou en mij. De geestelijke eenheid in Christus betekent geen nivellering. Denk aan Galaten 3:28. De eenheid van man en vrouw in Christus heft onderlinge verschillen niet op. Zo geldt dat ook voor de eenheid van Jood en Griek.
Binnen het ene huisgezin van Christus erkennen wij Messiasbelijdende Joden met respect als onze oudste broers en zussen. Zij mogen hun eigen gebruiken behouden, zolang deze niet als verdienstelijk of zaligmakend worden gezien. God bemint variatie en diversiteit. Eenheid sluit verscheidenheid niet uit.
Eén volk van God, geen twee wegen tot zaligheid
Je vraagt waar ik in het Nieuwe Testament lees dat God twee volken zou hebben. Mijn antwoord is dat ik dit nergens lees en ook niet leer. God heeft één volk. Dat volk is de ene kerk die van Adam af bestaat tot aan de jongste dag.
Toch wordt in zowel evangelische als reformatorische kring vaak gesproken over de Joden als Gods volk of Gods oude verbondsvolk. Dat kan verwarrend en gevaarlijk zijn. Er zijn geen twee wegen tot zaligheid. Jood en heiden worden alleen behouden door het geloof in Christus.
Toch kunnen we met Paulus Israël blijven aanduiden als Gods volk dat Hij niet heeft verstoten (Rom. 11:1-2). In navolging van de Hongaarse theoloog István Tatai spreek ik van een paradoxale existentie van Israël. Israël dat de Messias verwerpt, is te vergelijken met afgerukte takken van de edele olijfboom. Die takken zijn niet verbrand. Ze liggen er nog. Gods verbond is niet opgeheven. Daarom mogen wij hopen dat God deze takken opnieuw zal inenten, zodat geheel Israël zalig zal worden (Rom.11:26).
Oudtestamentische beloften en de hoop van Israël
En, Ernst, hier kom ik bij mijn vraag aan jou. Hoe doe jij recht aan de vele oudtestamentische beloften die weliswaar in Christus principieel zijn vervuld, maar nog niet finaal, nog niet volkomen? Delen wij als kerk niet in de aan Israël geschonken verwachting van het koninkrijk van God?
Paulus zegt immers dat hij in Rome gevangen zit om de hoop van Israël (Hand. 28:20, zie ook Hand. 26:6-7). Die hoop is niet los verkrijgbaar van de beloften aan het volk Israël zelf. De profetieën en de psalmen zijn onmiskenbaar tot dit volk gericht. Hoe zou de uiteindelijke vervulling daarvan dan grotendeels buiten Israël om kunnen gaan?
Paulus zelf kon met zo’n gedachte niet leven. Hij worstelde intens met God, totdat hem duidelijk werd dat de genadegaven en de roeping van God onberouwelijk zijn. God heeft allen in ongehoorzaamheid opgesloten, om Zich over allen te ontfermen (Rom. 11:32). Ontferming heeft het laatste woord. En daarop past uiteindelijk alleen aanbidding.
De staat Israël in het licht van Gods voorzienigheid
Vanuit deze hoop kijk ik ook naar de oprichting van de staat Israël in 1948. Die staat is geen rechtstreekse vervulling van specifieke Bijbelse beloften. Het is een seculiere staat die onder Gods voorzienigheid een plaats heeft gekregen tussen de volken.
Maar wie had, na de moord op zes miljoen Joden, durven denken dat dit volk opnieuw een nationale bestaansvorm zou krijgen? Geeft deze wederopstanding uit de dood ons niet te denken? Mogen we dit, ondanks alle menselijke en zondige kanten, voorzichtig duiden als een aanwijzing dat de God van Israël nog bijzondere plannen heeft met dit volk?
Daarbij past grote terughoudendheid. De Bijbel is geen puzzelboek. We mogen de rechten van Palestijnen nooit negeren of onrecht rechtvaardigen met een beroep op de Schrift. Evenmin mogen we het koninkrijk van God vereenzelvigen met nationalistische belangen of geweld. Dat staat haaks op de verkondiging van Jezus zelf.
Alle reden om door te praten. Ik zie uit naar jouw reactie.
Met broederlijke groet,
Jan
‘Vanaf Pinksteren heeft geen enkel volk meer een streepje voor’
BRIEF 2 van Ernst aan Jan (20-01-2026)
Beste Jan,
Hartelijk dank voor jouw eerste brief. Ik vind het ook prettig om op deze manier met elkaar van gedachten te wisselen over de plaats van het Joodse volk in Gods heilsplan met heel de wereld. Waar ik vooral blij mee ben, is ons gezamenlijke uitgangspunt: de Bijbel als Gods betrouwbare Woord.
Daarin laat Hij ons zien hoe Hij na de zondeval zijn verlossingsplan voorbereidt, hoe Hij op de door Hem bestemde tijd dat plan door Jezus Christus ten uitvoer heeft gebracht, en hoe Hij vanaf Pinksteren door zijn Geest wereldwijd gaat om ‘een onafzienbare menigte, die niemand tellen kon, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het lam. Luid riepen ze: ‘De redding komt van onze God, die op de troon zit, en van het Lam!’” (Openbaring 7:9-10).
Schriftvervulling en de reikwijdte van het heil
Hierin zie ik, net als jij, Jesaja 49 en Psalm 87 in vervulling gaan. Daarbij gaat het niet over de toekomst van het land Israël of de stad Jeruzalem, maar over de manier waarop God zijn machtige naam over heel de aarde zal uitbreiden. Het heil is uit de Joden, maar bestemd voor heel de wereld.
Ik ben blij dat we samen constateren dat deze Bijbelse opvatting niets van doen heeft met wat velen ons beiden denigrerend en diskwalificerend als ‘vervangingstheologie’ in de schoenen proberen te schuiven.
Voor ik verder op je brief inga, wil ik nog even stilstaan bij Psalm 87. Deze psalm lees ik als bijbelgetrouw christen met het oog op de komst van Christus. In Psalm 87 valt mij op dat de ‘stad van God’ daar consequent ‘Sion’ genoemd wordt en niet ‘Jeruzalem’. Daaruit mag je volgens mij afleiden dat Psalm 87 niet over het aardse Jeruzalem gaat, maar over de plaats waar God woont.
Dat was tot de komst van Jezus in zijn tempel. Vanaf het moment dat Jezus op het toneel verschijnt, is Hij de tempel. En vanaf Pinksteren zijn alle gelovigen over heel de wereld Gods tempel, zowel persoonlijk als wanneer zij samenkomen als gemeente.
Gods volk na Pinksteren
Psalm 87 gaat dus over de vraag waar je God kunt loven en prijzen en wie God mogen loven en prijzen. Na Pinksteren is dat overal waar gelovigen samenkomen in de naam van Jezus. Er is dan geen onderscheid meer tussen “Grieken of Joden, besnedenen of onbesnedenen, barbaren, Skythen, slaven of vrijen, maar dan is Christus alles in allen” (Kolossenzen 3:11).
En waar Christus alles in allen is, hoor je bij Gods volk. Dan heeft God je uitgekozen en hoor je bij de heiligen die Hij liefheeft (Kolossenzen 3:12).
De gelovige rest binnen Israël
Nu over jouw brief. Volgens mij trek je iets te snel de conclusie dat wij het eens zijn over het volgende: dat de weg van God met Israël in Christus verdiept en verbreed is, doordat God na Pinksteren onverminderd de God van het Joodse volk Israël blijft. Dat laatste vind ik te algemeen gesteld.
Natuurlijk is God trouw aan zijn volk Israël. Maar is uit heel het Oude Testament niet duidelijk dat de HERE daarbij de gelovige ‘rest’ op het oog heeft? Dat blijkt bijvoorbeeld uit Jesaja 10:21 en 22 en wordt door Paulus in Romeinen 9:27 nadrukkelijk onderstreept.
Dat ‘overblijfsel’ zal weer terugkeren tot hun God en weer talrijk worden als zandkorrels aan de zee. Zij zullen weer ‘Ammi’, mijn volk, genoemd worden. Want God heeft Zich weer over hen ontfermd door hen te verzamelen onder één Leider. Zij zullen Hem weer aanspreken met ‘mijn God’ (Hosea 2:1-3 en 3:23-25).
Israël na Pinksteren en Paulus’ uitleg
Jij schrijft: ‘Gods weg met Israël was geen tijdelijk intermezzo en geen opstapje om tot het eigenlijke te komen.’ Mijn vraag aan jou is of je hier het Israël van God, dat na Pinksteren bestaat uit iedereen die in de door God beloofde Leider gelooft, niet uitspeelt tegen het Joodse Israël dat tot Pinksteren Gods volk was, maar daarna tot op de dag van vandaag is afgesneden van de edele olijfboom en geen deel meer uitmaakt van de ware wijnstok.
Zij hebben immers voor het overgrote deel hun eigen Messias verworpen. Jij zult dan zeggen dat Paulus toch duidelijk aangeeft dat God zijn volk niet verstoten heeft. Dat klopt. Maar Paulus vat dat niet collectief op. Integendeel, hij verwijst naar zijn eigen geloof: “Ik ben zelf een Israëliet die in Jezus gelooft.” Ook wijst hij op de 7.000 gelovigen die in de tijd van Elia overgebleven waren.
“En zo is er ook nu een klein deel, een rest, een overblijfsel, over dat God uit genade uitgekozen heeft” (Romeinen 11:5). Op die manier blijft God trouw aan zijn volk. Hij verstoot niemand. Mensen plaatsen zichzelf buiten Gods genade en daarmee buiten zijn volk door niet te geloven.
Paulus en Petrus betrekken in Romeinen 9:24-26 en 1 Petrus 2:10 de woorden van Hosea over ‘Lo-Ammi’ en ‘Lo-Ruchama’, die dankzij Gods ontferming weer tot Gods kinderen aangenomen worden, op de toeloop van de heidenchristenen. Maar zou je er dan ook niet eerlijk bij moeten zeggen dat de enorme verbreding van Gods volk na Pinksteren ook tot een versmalling heeft geleid? Van het Joodse volk maken nu alleen de Joden die Jezus Christus geloven nog deel uit.
Israël als trechter en het oude verbondsvolk
Zou je niet mogen zeggen dat het etnische volk Israël in Gods heilsplan met de wereld als een trechter heeft gefunctioneerd? God liet tot de komst van de Messias de volken grotendeels links liggen om na Pinksteren weer voluit wereldwijd te gaan.
Het deel van het Joodse volk dat niet in Jezus gelooft, wordt door velen ‘Gods oude verbondsvolk’ genoemd. Jij merkt terecht op dat we zorgvuldig moeten onderscheiden wat we daarmee bedoelen. Ik zie het zo en gebruik daarbij deze vergelijking.
Vierhonderd jaar geleden vestigden een aantal Nederlanders zich in Zuid-Afrika. Na verloop van tijd noemden zij zich Afrikaners. Zij bleven zich nauw verbonden voelen met Nederland en omgekeerd was dat lange tijd ook het geval. Maar na vier eeuwen kun je niet meer volhouden dat zij daar en wij hier één volk vormen.
Verwantschap en afgebroken takken
Het zijn twee volken met een duidelijke verwantschap geworden. Wanneer een Afrikaner naar Nederland emigreert, zal hij zich enerzijds snel thuis voelen, maar anderzijds ook moeten wennen aan de gang van zaken hier.
Vanaf het Nieuwe Testament tot op de dag van vandaag zie ik hetzelfde patroon. Joden die Jezus verwerpen, zijn niet meer Gods volk. De verwantschap is echter overduidelijk nog aanwezig. Dat geldt ook voor moslims, die in een later stadium van de geschiedenis van Gods ene volk op aarde Jezus hebben afgewezen als Gods beloofde Verlosser. Zij vormen een tweede stapel afgebroken takken.
En dat geldt ook voor de gedoopte Nederlandse natie die vanaf de jaren zestig massaal God en Jezus de rug heeft toegekeerd. Dat is stapel drie. Het hartzeer van Paulus over die eerste stapel takken is hetzelfde als dat van MBB-christenen (Muslim Backgrond Believers) over hun familie en landgenoten die nog moslim zijn.
En hetzelfde als het verdriet dat de ons beider bekende theoloog Henk de Jong had over zijn eigen generatie.
Verdriet, betrokkenheid en beloften
Mijn vraag aan jou is of voor jou de doorgaande lijn van Gods trouw anders ligt bij de eerste stapel afgehouwen takken, de ongelovige Joden vanaf Pinksteren tot vandaag, dan bij later afgebroken takken, zoals moslims vanaf het jaar 600 en Nederlanders sinds 1960 tot in het derde en vierde geslacht.
Moeten alle christenen in 2025 over het ongeloof van het Joodse volk op dezelfde intense wijze verdriet hebben als Paulus dat had? Of mag ik vooral verdriet hebben over al die gedoopte Nederlanders die niets meer met Jezus hebben? En mijn Syrische schoonzus over haar landgenoten die Mohammed boven Jezus plaatsen?
Je vraagt mij ook hoe ik aankijk tegen de vele beloften uit het Oude Testament die, zoals jij het zegt, wel ten principale maar nog niet finaal in Christus vervuld zijn. Volgens mij kent de Bijbel dit onderscheid niet. Daarom stel ik jou een wedervraag. Welke beloften uit het Oude Testament moeten volgens jou nog letterlijk in vervulling gaan?
Heb ik het goed dat jij, met een slag om de arm, de stichting van de staat Israël daaronder schaart? Je zegt dat het geen rechtstreekse vervulling is van specifieke Bijbelse beloften. Maar op grond van welke indirecte verwachtingen dan wel? Ligt er volgens jou nog een derde tempel in het verschiet?
Of moeten we dat geestelijk verstaan, omdat Ezechiël en Johannes in Openbaring het kubisme als kunstvorm weliswaar niet kenden, maar het wel in hun visioenen gezien hebben?
Waar ik vooral benieuwd naar ben, is of je deze indirecte verwachting ook vanuit het Nieuwe Testament kunt onderbouwen. Ik lees bij Jezus en bij alle apostelen dat het aardse Jeruzalem met zijn tempel er niet meer toe doet. Wij hebben immers in de hemel een altaar en verwachten vandaaruit het nieuwe Jeruzalem.
Eén volk of meerdere trajecten
Wanneer jij met ‘finaal’ bedoelt dat er nog beloften van God uitstaan, kan ik daarin meegaan. Nog niet al Gods beloften zijn vervuld. Jezus moet bijvoorbeeld nog terugkomen op de wolken. De vraag is alleen voor wie die beloften uitstaan. Zijn zij bestemd voor Gods gelovige volk op aarde? Of is er na Pinksteren nog een apart traject voor het etnische oude verbondsvolk Israël? Daarnaast vraag ik mij af hoe die beloften uitstaan.
In mijn optiek zitten veel christenen vast in een te concreet denken als het om het Joodse volk gaat. Net als de apostelen in Handelingen 1, Petrus in Handelingen 8 en de Joodse christenen in Handelingen 15. Na Pinksteren kostte het hen grote moeite om de gedachte los te laten dat Gods beloften aan een aards Israël verbonden waren. Zij moesten leren om anders te denken.
Niet: zij worden pas gered als zij bij ons komen. Maar: wij worden op dezelfde manier gered als zij, alleen door de genade van de Here Jezus, zoals Petrus zegt in Handelingen 15:11.
Eerst de Jood en dan de Griek
Ik zie het ‘eerst de Jood en dan de Griek’ daarom als een fase vlak na Pinksteren. Net zoals Jezus vlak voor zijn hemelvaart zei: “Jullie zullen mijn getuigen zijn, te beginnen in Jeruzalem, Judea en Samaria, tot aan de einden der aarde.” Inmiddels zijn we bijna tweeduizend jaar verder en heeft geen enkel volk meer een streepje voor.
Tot zover. Het is een lange tweede brief geworden, met veel gedachten en weinig concrete vragen aan jouw adres. Hopelijk vind je voldoende aanknopingspunten om hierover verder door te praten.
Een hartelijke, christelijke groet,
Ernst
‘Ook na Pinksteren blijft Israël Gods verkoren volk’
BRIEF 2 van Jan aan Ernst (22-01-2026)
Beste Ernst,
Ons gesprek komt goed op stoom. Je schrijft in je tweede brief over wederzijdse herkenning, maar geeft ook aan dat we niet te snel moeten concluderen dat we het eens zijn. Ik waardeer het dat je zo helder aangeeft op welke punten onze wegen uiteengaan en waarom een voortgezette dialoog zinvol is.
Er komt veel aan de orde. Om ons gesprek te stroomlijnen, reageer ik puntsgewijs op jouw overwegingen.
- Openbaring 7 en Psalm 87
Wat is dat een geweldig visioen van de ontelbare menigte gezaligden in Openbaring 7:9-17. Het is een rijke bemoediging voor de gemeente van Christus, die ook in de tijd dat Johannes dit mocht doorgeven een kleine minderheid vormde in een vijandige wereld.
Aan dit visioen gaat dat van de 144.000 verzegelden vooraf, ‘uit alle stammen van de Israëlieten’ (verzen 1-8). Die stammen worden ook met name genoemd: Juda, Ruben, Gad, Aser, Naftali, Manasse, Simeon, Levi, Issaschar, Zebulon, Jozef en Benjamin. Pas nadat deze stammen zijn opgesomd, volgt: ‘Hierna zag ik, en zie, een grote menigte die niemand tellen kon.’
Dit onderscheid en deze volgorde bevestigen mij in de gedachte dat er ook na Pinksteren een heilshistorisch reliëf is tussen Jood en Griek, tussen Israël en de volkeren. Een reliëf binnen de in Christus gegeven eenheid.
Dat in Psalm 87 Jeruzalem consequent met Sion wordt aangeduid, vloeit voort uit het gegeven dat de psalm zich concentreert op de eredienst in de tempel. Psalm 122 maakt bijvoorbeeld duidelijk dat er net zo goed ‘Jeruzalem’ had kunnen staan. Sion was het kloppend hart van Jeruzalem en wordt in Psalm 87 wel onderscheiden van ‘alle woningen van Jakob’ (vers 2), maar niet van de stad zelf.
Het gaat dus te ver om te stellen dat deze psalm helemaal niet over het aardse Jeruzalem gaat. Ik zing met vrijmoedigheid psalmen als 87 en 122 met toepassing op de eredienst in de gemeente van Christus, maar zonder de oorspronkelijke betekenis en setting van deze liederen uit het oog te verliezen. We mogen als christenen de Psalmen delen met Israël, maar niet stelen van Israël.
- De rest en de volheid
Ernst, ik vraag me af waarom je niet voluit voor je rekening kunt nemen dat de HEERE, de trouwe Verbondsgod, onverminderd de God van het Joodse volk Israël blijft. Je vindt dat te algemeen gesteld, hoewel je ook zegt: ‘Natuurlijk is God trouw aan zijn volk Israël.’
Je verbindt die trouw aan de restgedachte, zoals in Jesaja 10:21: ‘Die rest zal terugkeren, de rest van Jakob, naar de sterke God.’ In deze scherpe oordeelsprediking wordt duidelijk dat de God van Israël hevig kan toornen op zijn volk en dat het volk daardoor zelfs gedecimeerd zal worden. Tegelijkertijd is in de terugkeer van de rest een nieuwe toekomst voor heel het volk gewaarborgd. Gods oordeel is niet het laatste woord.
Al ging het volk Israël de weg van geestelijke hoererij, de afgodendienst, toch zegt de Heere: ‘Ik zal u voor eeuwig tot Mijn bruid nemen’ (Hosea 2:18).
Kun je nu zeggen dat deze beloften van een nieuwe, hoopvolle toekomst hun uiteindelijke vervulling hebben gevonden in het feit dat slechts een kleine minderheid van het Joodse volk tot Christus is gekomen? De apostel Paulus dacht daar kennelijk anders over. Hij was ongetwijfeld blij met iedere Jood die tot bekering kwam en het evangelie aanvaardde, maar hij lag er wakker van dat de grote meerderheid van zijn volk de Messias Jezus afwees.
In die worsteling gaf de rest, waartoe hij zelf behoorde, hem zicht op de volheid die nog zal volgen. De Joden die, net als Paulus, Jezus als Messias belijden, zijn de regendruppels die de stortbui aankondigen wanneer uiteindelijk de massale bekering van Joden tot de Heiland zal plaatsvinden. Deze verwachting speelt voor mij mee wanneer ik bid: ‘Uw koninkrijk kome.’
- Geen tijdelijk intermezzo
Ik besef dat ik duidelijker moet zijn over de bedoeling van mijn zin in de vorige brief: ‘Gods weg met Israël was geen tijdelijk intermezzo en geen opstapje om tot het eigenlijke te komen.’ Als ik jou goed begrijp, zie jij dat juist wel zo.
Je gebruikt in dit verband zelfs een zakelijk en technisch beeld wanneer je schrijft dat het etnische volk Israël in Gods heilsplan met de wereld als een trechter heeft gefunctioneerd. Maar het Oude Testament spreekt niet op deze afstandelijke manier over Gods verhouding tot zijn verkoren volk Israël.
Ik citeer de door jou genoemde en door ons beiden gewaardeerde Henk de Jong: ‘Verkiezen is het in vrijheid aangaan en beleven van een exclusieve relatie van genegenheid en waardering, waarbij opties in andere richting bewust worden uitgesloten.’ De HEERE heeft liefde opgevat voor dit volk. Het heeft uit pure genade een bijzondere plek gekregen in Gods hart (Deuteronomium 7:6-8).
Omdat het hier een tere liefdesrelatie betreft, doet het God ook zo veel wanneer zijn bruid Hem ontrouw is. Hij kan dit volk dan ook niet terzijde leggen als een instrument dat zijn functie heeft vervuld. In de diepste wegen van toorn en oordeel blijft God hartstochtelijk bewogen met dit volk, waarvan Hij niet los kan komen. Lees Hosea 11:8-9 en zie daar Gods hart.
Nooit zal Hij zijn Israël definitief prijsgeven. Hij zal, ondanks alles, ‘Sion nog troosten en Jeruzalem nog verkiezen’ (Zacharia 1:17). Zo is onze God, zo kennen wij Hem.
- De olijfboom en de losse takken
Voortbordurend op Paulus’ beeldspraak over de olijfboom en de takken zie jij, naast de afgehouwen Joodse takken, nog andere stapels liggen. Je noemt Arabische takken, moslims, en Nederlandse takken. Je vraagt je af of we niet vooral daarover verdriet moeten hebben, zoals Paulus dat had over zijn eigen volk.
Ik vind het creatief hoe je met dit beeld omgaat, maar acht het exegetisch en Bijbels theologisch onhoudbaar. Met de olijfboom bedoelt Paulus Gods verbond met Abraham en zijn nageslacht. Dit verbond is niet gesloten met Ismaël en diens nageslacht, en evenmin met het Nederlandse volk, al waren er ooit theologen die meenden dat Nederland ‘het Israël van het westen’ was.
Het verschil tussen Jood en heiden is dat de Jood uit de olijfboom wordt afgehouwen omdat hij Christus verwerpt, terwijl de heiden wordt ingeënt zodra hij Christus in geloof aanneemt.
Ook ik heb meer verdriet over familieleden die met een gedoopt voorhoofd God de rug hebben toegekeerd dan over Joodse ongelovigen die ik niet persoonlijk ken. Dat is menselijk en ik denk niet dat de Heere mij dat kwalijk neemt. Tegelijkertijd zou het onjuist zijn wanneer ik het diepe verdriet van Paulus niet meer zou meevoelen, vanuit de gedachte dat de verwerping van de Messias al zo vele eeuwen duurt. Ik moet die pijn blijven voelen, juist omdat het ‘de Zijnen’ zijn die Hem niet aangenomen hebben (Johannes 1:11).
Ook de vergelijking met de Afrikaners gaat naar mijn overtuiging niet op. Emigranten gaan na verloop van tijd behoren tot het volk waarbij zij zich hebben gevoegd. Zij worden Canadees, Amerikaan of Australiër. Het Joodse volk is echter niet geassimileerd als een druppel in de oceaan van de volken. Het heeft zijn eigenheid behouden. Dat is een groot wonder en heeft alles te maken met Gods bijzondere zorg voor deze specifieke afgehouwen natuurlijke takken.
- Vervulde en nog niet vervulde beloften?
Een volgend belangrijk gesprekspunt is de vraag of we kunnen spreken van nog niet vervulde beloften naast beloften die in Christus zijn vervuld. Zo’n tweedeling acht ik onjuist. Ik stel daartegenover dat alle beloften uit het Oude Testament in Christus zijn vervuld.
De Opgestane maakt het zijn discipelen duidelijk dat ‘alles vervuld moest worden wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de Psalmen’. Daarna ‘opende Hij hun verstand, zodat zij de Schriften begrepen’ (Lukas 24:44-45). Zij zagen ineens hoe alle Schriften van Jezus getuigden. Er blijft dus geen gedeelte over dat niet op Hem wijst.
Door de komst en het volbrachte werk van Christus is het koninkrijk van God doorgebroken. Tegelijk blijft er een spanning tussen vervulling en voleinding, tussen het gekomen en het komende Rijk. Dat is te vergelijken met de status van gelovigen. Zij zijn met Christus opgewekt en in de hemel gezet, maar leven tegelijk nog in gebrokenheid en vergankelijkheid.
Zo kunnen we ook naar de geschiedenis kijken. Sinds Pasen en Pinksteren is deze een aflopende zaak. Het ene grote heilsfeit waarnaar wij uitzien, is de glorieuze wederkomst van Christus. Toch gebeurt er nog veel, zoals het boek Openbaring laat zien. Nu in de hemel het pleit is beslecht, voert de duivel een gewelddadig schrikbewind op aarde.
Tegelijk is er ook een ander perspectief, zoals Openbaring 20 laat zien. Christus regeert. Daarom is de geschiedenis niet alleen kommer en kwel. Tussen de stormen door zijn er opklaringen. Voor de wederkomst van de Heere mogen we goede ontwikkelingen verwachten van de Heilige Geest. Iets van Christus’ heerschappij licht nu al op, zij het in flitsen en fragmenten. Denk aan opwekkingen en reformaties in de kerken, maar ook aan geestelijke omkeer onder Joden.
De principiële vervulling van de beloften in Christus voedt juist de verwachting van voortgaande vervulling, totdat alles uitloopt op de finale vervulling. Dat is de voleinding van de wereld en de komst van een nieuwe hemel en aarde.
- Hoe lezen we de profetieën?
Het laatste punt dat ik kort wil aanstippen, is zeer omvangrijk en hangt samen met het voorgaande. Je vraagt mij welke beloften uit het Oude Testament volgens mij nog letterlijk in vervulling moeten gaan en of ik daar de stichting van de staat Israël onder reken.
Nee, dat gebeuren is als zodanig geen vervulling van een oudtestamentische belofte. Ook komt er geen derde tempel, ondanks de uitvoerige beschrijving daarvan door de profeet Ezechiël (40-48). Jouw opmerking over kubisme als kunstvorm vind ik treffend.
Wel zal de Heere op ongedachte wijze ‘voor Israël het koninkrijk weer herstellen’, zoals de apostelen na veertig dagen onderwijs van Jezus hadden begrepen (Handelingen 1:6). Niet als een politieke entiteit met wereldse macht, want Jezus’ koninkrijk is van een andere orde. Dat hebben de apostelen ingezien en anders zou Jezus hen zeker hebben gecorrigeerd.
Als voorbeeld van beloften die hoop geven, noem ik het visioen van Ezechiël 37. Eerst worden de dorre doodsbeenderen tot skeletten gevormd. Daarna worden zij met vlees en huid bekleed. Vervolgens worden zij opnieuw levend gemaakt. In het licht van dit visioen is het niet uitgesloten dat de stichting van de staat Israël een eerste stap in die richting is.
Ik zie uit naar de afsluitende ronde van ons gesprek.
Met broederlijke groet,
Jan
‘Geen speciale beloften meer voor één volk’
BRIEF 3 van Ernst aan Jan (27-01-2026)
Dag Jan,
We naderen het einde van onze briefwisseling over de plaats van het Joodse volk in Gods heilsplan met heel de wereld. Ik ben blij dat we het over veel dingen eens zijn. Vooral over het feit dat er geen tweede weg of manier is om Gods Koninkrijk binnen te gaan dan via Jezus Christus.
Toch blijf ik op één punt met een vraag zitten. Namelijk: waarom blijf jij zo volhardend vasthouden aan de gedachte dat de beloften van onze God in het Oude Testament over Israël nog steeds gedeeltelijk gelden voor een religieus-etnische groep mensen die zich Joods noemen en waarvan 45 procent in de staat Israël woont?
Het mysterie van Christus en de uitbreiding van Israël
Terwijl diezelfde God in het hele Nieuwe Testament laat weten: mijn ene volk Israël heeft sinds Pinksteren een geweldige uitbreiding ondergaan. De apostel Paulus noemt dit het ‘mysterie van Christus. Het is onder vorige generaties niet aan de mensen onthuld, maar nu door de Geest geopenbaard aan zijn heilige apostelen en profeten: de heidenen delen door Christus Jezus ook in de erfenis, maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben ook deel aan dezelfde belofte, op grond van het evangelie’ (Efeziërs 3:4b-6).
Aan de christenen in Efeze had Paulus net daarvoor namelijk geschreven: ‘Bedenk dat u – u die eigenlijk door uw afkomst heidenen bent – destijds niet verbonden was met Christus en geen deel had aan het burgerschap van Israël (…) en de beloften die daarbij hoorden’ (Efeziërs 2:11-12). En dan zegt Paulus in het vervolg van hoofdstuk 2 nadrukkelijk dat vanaf Pinksteren bij dat ene Israël nu iedereen mag horen die door het bloed van Christus en dankzij de Heilige Geest weer in vrede met God leeft.
Eén lichaam, één tempel, één volk
Dat ene Israël bestaat, zegt Paulus, uit joodse christenen die vanouds dichtbij waren en uit heidenchristenen die eens ver weg waren. Samen zijn ze nu verzoend tot één lichaam en zijn ze ‘burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten met Christus Jezus Zelf als hoeksteen. Vanuit Hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel, die gewijd is aan Hem, de Heer, in wie ook u samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door de Geest’ (Efeziërs 2:19b-22).
Als ik dit op mij laat inwerken, Jan, dan snap ik niet hoe volgens jou de profetieën en de psalmen van het Oude Testament toch nog deels betrekking hebben op en vervuld moeten worden in wat we vandaag ‘het Joodse volk’ noemen. Zie je dan niet hoe Psalm 87 na Pinksteren volgens Paulus in vervulling is gegaan? De Filistijnen, Tyriërs en Moren delen nu in de burgerrechten van Israël. Samen zijn zij de tempel van God die in Psalm 87 bezongen wordt.
En Openbaring 7 laat dan toch zien dat de twaalf stammen van Israël de oudtestamentische onderbouw zijn en dat de onafzienbare, niet te tellen menigte uit alle landen en volken en talen de nieuwtestamentische bovenbouw vormt van Gods ene volk?
Geen etnisch voorrecht
Dat is een samengestelde eenheid. Dat ben ik met je eens. Dat laat ook Openbaring 21 ons zien. Het nieuwe Jeruzalem is gefundeerd op de namen van de twaalf apostelen en haar poorten dragen de naam van de twaalf stammen van Israël.
Maar het reliëf zit volgens mij niet in afkomst, maar in de heilshistorische volgorde. Van Abraham tot Pinksteren bestond het Israël van God grotendeels uit Joden met enkele toetreders van buiten. Vanaf Pinksteren volgt een grote toevloed van heidenen. Daardoor verandert de etnische samenstelling van Gods ene volk ingrijpend.
Hoe kun je dan zeggen dat christenen de psalmen niet meer met het joodse volk delen maar van hen stelen, wanneer zij die lezen als heenwijzing naar Christus? Is het niet juist omgekeerd dat christenen in dialoog met religieuze Joden met diep respect en in alle bescheidenheid eerlijk zouden moeten zeggen dat er ‘tot op de dag van vandaag bij jullie een sluier ligt over het lezen van het Oude Testament die alleen in Christus kan worden weggenomen’ (2 Korintiërs 3:14)?
Dezelfde vermenging van Gods ene volk Israël en het huidige joodse volk zie ik bij jouw uitleg van Zacharia 1:17. Daar lees jij een blijvende verkiezing van het etnische joodse volk in. Met die manier van Bijbellezen heb ik moeite. Dan lees je het Oude Testament los van het Nieuwe Testament en verlaat je een fundamentele gereformeerde leesregel, want ‘de Schriften getuigen over Mij’, zegt Jezus in Johannes 5:39.
Trechter of terzijdestelling?
Ik snap ook niet zo goed waarom jij het beeld van de trechter opvat als een terzijdestelling van het joodse volk. Het is toch zonneklaar dat God vanaf Abraham tot Pinksteren zijn heil via ‘het kleinste van al de volken’ (Deuteronomium 7:7) liet laten lopen en dat Hij na Pinksteren weer wereldwijd gaat? Wat is er op tegen om voor die tijdelijke versmalling het beeld van een trechter of een zandloper te gebruiken?
Hetzelfde geldt voor jouw uitleg van Jesaja 10 en Hosea 2. Jij ziet daarin een waarborg van de HERE van een nieuwe toekomst voor het joodse volk Israël, omdat God in Hosea 2:18 beloofd heeft dat Hij hen voor eeuwig tot zijn bruid zal aannemen. Dus moeten er volgens jou nog heel veel Joden tot geloof komen. Want in de tweeduizend jaar tussen Pinksteren en 2026 is maar ‘een kleine minderheid van het Joodse volk tot Christus gekomen’, zeg je.
Jij verbindt daaraan de verwachting van een nog komende massale bekering van het joodse volk. Met respect, maar dat vind ik wishful thinking. Ik vind het ook miskenning van het feit dat de christelijke kerk tot op de dag van vandaag gedragen wordt door de duizenden joodse christenen die eerst in Jeruzalem en daarna in het hele Romeinse rijk tot geloof in Christus kwamen.
Hun kinderen en kleinkinderen vormen de basis en ‘tot in het duizendste geslacht’ zijn hun nakomelingen vandaag nog te vinden. Alleen: niet meer herkenbaar als joods-christelijk.
Mijn broer die in Libanon theologie gestudeerd heeft, sprak daar met een christen uit Bethlehem. Hij zei: mijn stamboom gaat terug tot 400 na Christus en zo lang zijn wij ook al christen. Ik denk dan: pak er nog dik 350 jaar bij en het is aannemelijk dat zijn voorouders bij de 3.000 Joden hoorden die zich op de eerste Pinksterdag in de naam van Jezus lieten dopen.
En in de negentiende eeuw zijn er relatief veel Joden tot geloof in Jezus gekomen. Denk bijvoorbeeld aan Isaac da Costa. Stel dat veel van hun nakomelingen in de vijfde generatie oprecht christenen zijn. Als die via de moederlijn geboren zijn, zijn ze vandaag volgens de rabbijnse traditie nog Joods. Maar de kans lijkt mij heel aannemelijk dat die vijfde generatie zich vooral gewoon ‘christen’ noemt.
Net zoals Willem-Alexader zich gewoon Nederlander voelt, ook al waren zowel zijn vader, zijn grootvader, zijn overgrootvader en zijn betovergrootmoeder Duits.
Pinksteren geen regendruppel
Het is dus geen ‘kleine minderheid’ van de christenen die joodse wortels heeft. Doe je de Heilige Geest niet te kort door zijn Pinksterwerk, waarmee Hij ontelbaar veel Joden door de eeuwen heen tot geloof gebracht heeft en tot in het zoveelste geslacht bij de HERE bewaard heeft, als ‘regendruppels’ te betitelen? Verwijt je Hem daarmee niet indirect dat het met Pinksteren niet massaal genoeg was, zodat Hij eigenlijk Zichzelf nog een keer in de overtreffende trap als ‘stortbui’ over het Joodse volk in het laatst der dagen moet uitstorten?
Ook ik hoop en bid om bekering van velen. Ik hoop echt dat Gods genade veel groter zal zijn dan ik ooit zal kunnen bevatten. Maar nergens in de Bijbel lees ik de belofte dat er voor één groep mensen die Jezus verworpen heeft, op het laatste nippertje voor zijn terugkomst nog een massale bekering beloofd is. Hebben alle niet-christelijke Joden tussen Pinksteren en de jongste dag dan pech gehad?
Voor je het weet kom je zomaar uit bij een partiële alverzoening, zoals de Christenen voor Israël-dominee Henk Poot dat verwoordt: ‘En of geheel Israël dan ook werkelijk geheel Israël is? Waarom niet? (…) Ontfermt God zich dan soms alleen over een deel van hen die ongehoorzaam geweest zijn, bijvoorbeeld alleen hen die het geluk hebben om te zullen leven als de Messias op aarde verschijnen zal? (…) Waarom zou het totale verharde deel van Israël niet gerechtvaardigd kunnen worden bij de komst van de Messias’ (De Koning der Joden, blz. 88-89).
Oude Testament gelezen door het Nieuwe
Jan, zou het niet goed zijn om van dit onbijbelse geluid afstand te nemen? Dat kan alleen door het Oude Testament consequent te lezen door de bril van het Nieuwe Testament. Sinds Pinksteren delen gelovigen uit de hele wereld in het burgerschap van Israël. Dat is de ware verbreding.
Er staan geen speciale beloften voor een volk of staat meer uit. Voor iedereen geldt dezelfde belofte: geloof in Jezus Christus. Hij is de hoop van Israël en het licht voor de wereld.
Straks zal elk oog Hem zien.
Een hartelijke groet, in Christus verbonden,
Ernst
‘Eenheid van de Kerk nivelleert Israël niet’
BRIEF 3 van Jan aan Ernst (29-01-2026)
Beste Ernst,
Het is waardevol om openhartig met elkaar van gedachten te wisselen bij een open Bijbel. Daarom ben ik je dankbaar voor je drie brieven. De uitkomst van onze briefwisseling is zeker niet dat we het in alles eens zijn geworden. Dat hadden we beiden ook niet verwacht. Maar we hebben oprecht geprobeerd elkaars gedachten goed te begrijpen en elkaars motieven te peilen.
Christenen hebben heel verschillende visies op Gods weg met het volk Israël. Helaas leiden gesprekken daarover maar al te vaak tot onderlinge verwijdering, met hete hoofden en koude harten. Er vallen harde woorden wanneer men elkaar enerzijds beschuldigt van verblinding en van verloochening van Christus als de enige Weg tot behoud, en anderzijds van antisemitische tendensen. Ik vind dat beschamend en denk dat de Heilige Geest erdoor bedroefd wordt. Wij beiden hebben in elk geval oprecht geprobeerd niet tot dat niveau af te dalen.
In jouw laatste brief onderstreep je sterk de eenheid van de Kerk in Christus. Op dat punt verschillen we niet van opvatting. Ik stem helemaal met je in dat we diep dankbaar mogen zijn voor de geweldige uitbreiding sinds Pinksteren. Als heidenen van afkomst mogen we er door Gods genade in Christus helemaal bij horen. In die zin is Psalm 87 zeker vervuld in de christelijke gemeente, waarbinnen de scheidingsmuren tussen Israël en de volken zijn neergehaald. Efeze 2 zegt daar heerlijke dingen over die uitnodigen tot lofprijzing van onze drie ene God.
Gelaagdheid van Gods beloften
Juist omdat we het op dit punt zo eens zijn, kun je niet begrijpen waarom ik, en ik citeer, “volhardend blijf vasthouden aan de gedachte dat de beloften van onze God in het Oude Testament over Israël nog steeds gedeeltelijk gelden voor een religieus etnische groep mensen die zich Joods noemen en waarvan 45 procent in de staat Israël woont”.
Deze weergave van mijn positie is niet geheel correct. Het is niet mijn bedoeling om binnen de beloften van het Oude Testament te selecteren, door sommige beloften te labelen als uitsluitend voor het Joodse volk bestemd en andere als op de christelijke kerk gericht. Er zijn heel wat Israël-theologieën waarin dat wel gebeurt, met als gevolg dat Israël en de kerk van elkaar worden gescheiden als twee naast elkaar bestaande volken van God. Zoals ik al eerder heb geschreven, kan ik in die gedachtegang niet meegaan. God heeft maar één Kerk, die uit Joden en Grieken, dat wil zeggen niet-Joden, bestaat.
Wat ik wel bedoel, is dat we bij alle beloften van God zouden moeten openstaan voor de voortgaande realisering ervan, hoewel ze in Christus ten principale vervuld zijn. Prof. dr. Mart Jan Paul onderscheidt mijns inziens terecht een viervoudige vervulling van Gods beloften:
- in de oudtestamentische tijd, bijvoorbeeld de intocht in het beloofde land en de terugkeer uit de ballingschap
- in Christus en de gemeente sinds Pinksteren
- in de tijd die nog rest tot de jongste dag
- in de voleinding, het eschaton
Deze onderscheiding kan niet klakkeloos op elke belofte worden toegepast, maar is een goed hulpmiddel om verschillende dimensies in Gods beloften te herkennen. De oudtestamentische beloften kennen onmiskenbaar een zekere gelaagdheid.
Dubbele volheid
In de vorige ronde van onze briefwisseling kwam Openbaring 7 aan de orde. We zijn het erover eens dat het in dit visioen gaat om een samengestelde eenheid. De 144.000 verzegelden zijn niet dezelfde als de grote menigte die niemand tellen kon. Het is ook duidelijk dat de 144.000 uit de twaalf stammen van Israël afkomstig zijn.
Dat het hier zou gaan om een oudtestamentische onderbouw en een nieuwtestamentische bovenbouw staat echter niet in de tekst en is dus een kwestie van interpretatie. Mijn uitleg zou eerder zijn dat hier twee keer een volheid wordt aangeduid: de volheid van Israël naast de volheid van de gelovigen uit de volkeren. Deze twee worden niet genivelleerd, maar zijn niettemin in Christus één, omdat allen hun gewaden gewassen en wit gemaakt hebben in het bloed van het Lam (Openbaring 7:14).
Van deze dubbele volheid zal pas sprake zijn wanneer de geschiedenis ten einde is gekomen. De Geest is nog volop bezig met het binnenhalen van deze oogst.
Gestolen psalmen?
Ernst, ik snap wel dat je met onbegrip reageert op mijn formulering dat wij de Psalmen wel mogen delen met Israël, maar niet stelen van Israël. Het is inderdaad een scherpe uitdrukking. Maar is het niet zo dat in vele eeuwen christelijke exegese van de Psalmen vaak vergeten is dat contemporaine gelovige Joden deze liederen hartelijk liefhadden en er hun verhouding tot Jahwe in verwoord vonden? Denk bijvoorbeeld aan de vreugde van de wet, vertolkt in Psalm 119.
Dat geldt niet voor moslims, voor aanhangers van andere religies of voor atheïsten. Orthodox-gereformeerde theologen gingen graag bij rabbijnen te rade over de exegese van de Psalmen. Het is zeker waar dat er een sluier ligt over Joodse lezers die de Messias Jezus niet in de Psalmen ontdekken. Daarover zal het getuigend gesprek tussen Joden en christenen moeten gaan. Het betreft dan echter wel een bron die we samen delen.
Juist deze verbondenheid, ondanks de scheiding, is in vele eeuwen kerkgeschiedenis buiten beeld geweest. Met als verschrikkelijk gevolg de verguizing van het jodendom en zelfs dat het zaad van antisemitisme binnen een gekerstende cultuur wortel kon schieten en welig kon tieren. Wie met recht de kwalificatie vervangingstheologie afwijst, zal expliciet afstand nemen van deze eeuwenoude traditie van verguizing van de Joden.
Gereformeerde leesregel
Ik verhaspel Gods ene volk, de Kerk, en het huidige Joodse volk niet als ik uit Zacharia 1:17 de conclusie trek dat God het Joodse volk nooit zal prijsgeven, omdat het nog steeds Zijn bruid en Zijn Israël is. Opnieuw geldt dat mijn positie genuanceerder is dan jouw weergave.
Ik meen dat de HEERE niet los is van Zijn oude verbondsvolk, hoewel er in dit verbond een diepe kloof en crisis is gekomen door de verwerping van de Messias. Ten onrechte verwijt je mij dat ik een gereformeerde leesregel zou verlaten door het Oude Testament buiten het Nieuwe Testament om te lezen. Het moet je toch te denken geven dat ik mij in het gezelschap bevind van vele onverdacht gereformeerde theologen uit verleden en heden.
Je weet net zo goed als ik dat vele vertegenwoordigers van het puritanisme en van de Nadere Reformatie hebben gesproken over een bijzondere verwachting voor het volk van Israël. Zie hiervoor het proefschrift van dr. Theo van Campen, Gans Israël. Hoe zou dat toch komen? Is dat een vreemd insluipsel in hun gereformeerde theologie? Dat lijkt onwaarschijnlijk, omdat het zoveel uitnemende representanten van die theologie betreft.
Ik denk eerder dat deze verwachting voortvloeit uit de kern van het gereformeerd belijden: de HEERE is de God van het ene verbond en Hij is de verkiezende God die trouw blijft aan wat Zijn hand begon. Langs ongedachte wegen licht Gods trouw telkens weer op. Daar moeten we het allemaal van hebben.
Trechter of zandloper
Op zichzelf genomen kan het beeld van een trechter of zandloper gebruikt worden om aan te geven hoe de Schepper van hemel en aarde in Zijn heilsgeschiedenis te werk gaat, vanaf de universele inzet via versmalling naar opnieuw wereldwijde uitbreiding. Maar die weg betekent niet dat het volk Israël zelf als een gebruikte trechter terzijde kan worden gelegd.
Als je het zo ziet, misken je dat de HEERE niet afstandelijk een plan uitvoert waarin het door Hem verkoren volk slechts binnen een tijdelijk experiment figureert en vervolgens grotendeels van het toneel verdwijnt. Ik heb al gewezen op de hartstochtelijke taal van God in de profetie van Hosea en Zijn liefdesverklaring in Deuteronomium. Door heel het Oude Testament heen worstelt de HEERE om het hart van Zijn volk.
Zou Hij dan tegelijkertijd een plan uitvoeren dat inhoudt dat verreweg het grootste deel van dit volk buiten het heil valt?
Ik verwijt de Heilige Geest niet dat Hij te weinig Joden tot bekering heeft gebracht. Hoe zou ik zoiets durven? Nooit mogen we tekortdoen aan het machtige werk dat de Geest door de eeuwen heen heeft verricht. En laten we ook de factor van menselijke verantwoordelijkheid, in dit geval de verharding van Joodse kant, niet uit het oog verliezen.
Paulus, die ongetwijfeld diep dankbaar was voor iedere Jood die tot Christus kwam, bleef niettemin worstelen met de prangende vraag waarom het grootste deel van zijn volk zich verhardde. Dat hij uitzicht krijgt op een toekomst waarin geheel Israël zalig zal worden, betekent niet dat hij zich tevreden stelt met wishful thinking. Wat hem troost en tot aanbidding brengt, is een gegronde verwachting.
Overigens deel ik graag in jouw wishful thinking naar aanleiding van Romeinen 2:12 tot 16. Persoonlijk ken ik dat ook bij het lezen van Zacharia 12:9 tot 13:1. Het zal toch een geweldig wonder zijn wanneer generaties Joden die de Messias Jezus niet hebben aangenomen, op de jongste dag met Hem geconfronteerd worden die zij doorstoken hebben. Dat zij zich dan met diep verdriet zullen bekeren en alsnog gereinigd worden in de Bron van Jezus, om met terugwerkende kracht te delen in de verzoening die Hij heeft bewerkt. Als het toch zo eens mocht zijn.
Geen alverzoening
Met jou verwerp ik de gedachte van potentiële alverzoening. Ik las ooit een beeld waarin de plaats van de huidige Joden wordt vergeleken met een slapend kind in de auto. Die auto komt op zijn bestemming aan zonder dat het kind weet heeft van de weg erheen. Zo zouden de Joden zalig worden zonder kennis van de weg van de verzoening in Christus.
Dit beeld is verwerpelijk en in strijd met het nieuwtestamentisch getuigenis, bijvoorbeeld met Handelingen 4:12. Collega Henk Poot kan het beste zelf aangeven hoe de van hem aangehaalde uitspraak geïnterpreteerd moet worden. Hij stelt de vraag waarom het totale verharde deel van Israël niet gerechtvaardigd zou kunnen worden bij de komst van de Messias. Bedoelt hij dat als wishful thinking?
Laten we in elk geval duidelijk stellen dat rechtvaardiging alleen mogelijk is in de weg van het geloof in de gekruisigde en opgestane Christus. Hoe dan ook, de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE. Jood en niet Jood zullen eenstemmig het lied zingen van het Lam van God, tot eer van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
In die verwachting trekken we samen voort, Ernst. Wij kennen nog ten dele en wij profeteren nog ten dele. Maar dan zullen wij kennen zoals wij gekend zijn, tot oneindige verwondering en aanbidding.
Sjaloom, in christelijke verbondenheid,
Jan
Dit is het einde van een briefwisseling tussen Jan Hoek en Ernst Leeftink. De drie brieven van beide heren zijn in dit dossier terug te vinden.





