Is er plaats voor het huidige Israel in Gods heilsplan? – een longread

Neemt het huidige Joodse volk nog altijd een bijzondere plaats in binnen Gods heilsplan? In deze openingsbrief start ds. Ernst Leeftink een theologische briefwisseling met prof. dr. Jan Hoek over deze veelbesproken vraag. De briefwisseling bestaat uit zes brieven, drie van elke auteur, en wordt de komende weken vervolgd. De openings-brief van de Nederlandse gereformeerde predikant nodigt hopelijk uit een verdiepend gesprek over een actueel en belangrijk onderwerp binnen de christelijke wereld.

‘Huidige Joodse volk is niet Gods volk’

BRIEF 1 van Ernst aan Jan (13-01-2026)

Dag Jan,

Het is me een genoegen om aan het begin van dit nieuwe jaar met jou in een briefwisseling van gedachten te mogen wisselen over de vraag of het huidige Joodse volk nog altijd een bijzondere plaats inneemt in Gods heilsplan met heel de wereld. Dat is een interessante vraag waar de meningen sterk over verdeeld zijn.

Als ik het Nieuwe Testament serieus neem, moet mijn antwoord op die vraag zijn: nee, het huidige Joodse volk neemt binnen Gods heilsplan met heel de wereld geen bijzondere plaats meer in. Het is nog wel van betekenis, namelijk als waarschuwend voorbeeld en als teken van hoop.

Maar voordat ik dat verder onderbouw, wil ik eerst proberen jouw visie zo goed mogelijk te verwoorden. Die heb je in de afgelopen maanden op verschillende plaatsen uiteengezet. Bij jou staat voorop, als ik het goed begrijp: “De HEERE laat zijn volk niet vallen. De weg van God met Israël is niet vervangen door de kerk, maar in Christus juist verdiept en verbreed.” Daar zeg ik van harte ja en amen op.

Mijn hoogleraar ethiek, prof. dr. Jochem Douma (1931–2020), huldigde hetzelfde standpunt. Gods volk heeft na Pinksteren een enorme uitbreiding ondergaan. Naast Joden krijgen ook heidenen een volwaardige plaats binnen Gods volk. Dat gebeurde in het Oude Testament al sporadisch. Denk bijvoorbeeld aan Rachab, Ruth en Naäman.

Tijdens zijn leven op aarde bracht Jezus dit met woord en daad in praktijk. Denk aan de Romeinse hoofdman (Lukas 7), de vrouw uit de regio Tyrus (Mattheüs 15) en de Samaritaanse vrouw (Johannes 4). En denk aan de woorden van onze Heer dat Hij Herder zal zijn van één kudde, samengesteld uit twee groepen schapen die naar zijn stem horen (Johannes 10).

Vanaf Pinksteren doorbreekt de Geest alle grenzen. Wat je geslacht, je nationaliteit of je maatschappelijke status ook is, alle mensen die Jezus aannemen als hun Verlosser vormen samen het ene volk van God. Zowel Petrus (Handelingen 10:34 en 15:9) als Paulus (Romeinen 2:11, 3:22 en 10:12) maken duidelijk dat God daarbij geen enkel onderscheid maakt tussen Joden die Jezus al eeuwenlang als de beloofde Messias erkennen en heidenen die nu pas tot geloof komen. De eersten waren al burgers van Gods volk en blijven dat. De laatsten ontvangen dit burgerschap nu pas.

Vanaf Pinksteren delen beide groepen in het burgerschap van Israël (Efeziërs 2:12 en 19). Dat uitgebreide en verbrede Israël is vanaf Pinksteren het ene volk van God, Ammi, waarover Hij zich opnieuw ontfermd heeft: Ruchama. Zij mogen zich kinderen van de levende God noemen en dat ook weten. Zo gaat de profetie van Hosea over Lo Ammi dat weer Ammi wordt en Lo Ruchama die weer Ruchama wordt in vervulling. Paulus (Romeinen 9:24–26) en Petrus (1 Petrus 2:9–10) zeggen dat nadrukkelijk.

De weg van God met zijn volk is dus inderdaad in Christus verdiept en verbreed, zoals jij schrijft. Vanaf Pinksteren bestaat Gods Israël uit alle gelovigen die hun vertrouwen stellen op de naam van Jezus Christus. Zij delen samen en op gelijke wijze in het heil dat God in het Oude Testament aan Abraham en zijn nakomelingen beloofd heeft. Die redding komt bij de Joden vandaan, zegt Jezus tegen de Samaritaanse vrouw. Dat moet iedere niet-Joodse christen bescheiden maken. Het vraagt om eerbied voor de wortel waaruit wij leven, namelijk Gods verbond met Abraham, zoals jij het ergens treffend verwoordde.

Maar dan begrijp ik niet hoe je tegelijk kunt zeggen dat het huidige Joodse volk ook nog steeds Gods volk is, zij het op paradoxale wijze, namelijk gebroken en onder aanvechting. Je baseert dat op Romeinen 11:1, waar Paulus zegt dat God zijn volk niet verstoten heeft. Ook lees je in het Oude Testament dat Gods verkiezing van Israël eeuwig is en dat zijn verbond onverbrekelijk is. Daarom is het huidige ongelovige fysieke Joodse volk volgens jou nog steeds door God uitverkoren en is een aantal beloften nog niet volledig vervuld. Vanuit die gedachte zie jij het ontstaan van de staat Israël als een bijzonder teken van Gods trouw en verwacht je dat Hij nog grootse plannen heeft met wat jij noemt “zijn volk”.

Eerlijk gezegd kan ik je hierin niet volgen. Waar lees jij in het Nieuwe Testament dat God nog steeds twee volken heeft? Een verbreed geestelijk Israël én een etnisch Joods Israël? En waar lees jij in het Nieuwe Testament dat Israël naar het vlees, zoals Paulus zijn volksgenoten noemt in 1 Korintiërs 10:18, die Jezus verworpen hebben, nog steeds Gods volk of Gods oogappel wordt genoemd?

Ik lees in Mattheüs 8 dat Jezus zegt dat veel gelovigen uit alle volken het Koninkrijk van God zullen binnengaan omdat zij in Hem geloven. Tegelijk zegt Hij dat veel kinderen en erfgenamen van datzelfde Koninkrijk die niet in Hem geloven, worden geworpen in de buitenste duisternis. Daarmee doelt onze Heer op zijn eigen joodse volk dat Hem heeft afgewezen en voor een groot deel nog steeds afwijst.

Paulus zegt in Romeinen 11:17 dat zij de afgehouwen takken van de edele olijfboom zijn. Dat zijn de Joden uit Paulus’ dagen die Jezus hebben verworpen. In Romeinen 11:28 noemt Paulus hen zelfs vijanden vanwege het Evangelie. Dat ongelovige deel kun je volgens mij onmogelijk blijven beschouwen als onderdeel van de edele olijfboom Israël. Ook kun je er geen tweede boom van maken die op een of andere manier toch nog aan de wortel verbonden zou zijn.

Daarom geloof ik niet dat het huidige Joodse volk nog steeds Gods volk is. Ook niet op paradoxale wijze. En ik geloof al helemaal niet dat het ontstaan van de Joodse staat Israël in 1948 een teken is van Gods trouw. De vraag is dan immers: trouw waaraan? In het hele Nieuwe Testament kom ik geen enkele aanwijzing tegen dat Jezus ooit nog een aards rijk zal stichten voor alle Joden die niet in Hem geloven, met Israël als heilig land, Jeruzalem als heilige stad en een herstelde offerdienst in de tempel. Waarom zijn zoveel christenen daar dan toch zo sterk op gefocust?

De focus op het Joodse volk als tweede volk van God met eigen beloften kom ik in het Nieuwe Testament nergens tegen. Zij zijn het overblijfsel van de afgehouwen takken, omdat zij vijanden van het Evangelie zijn, zegt Paulus in Romeinen 11:28. Dat maakt hen tot een waarschuwend voorbeeld. Zonder geloof in Jezus hoor je niet bij Gods volk en kom je het Koninkrijk niet binnen.

Tegelijk zijn zij ook een teken van hoop. God schrijft niemand definitief af. Want ieder uit het Joodse volk die zich bekeert en zijn ongeloof opgeeft, zal door God opnieuw worden ingeënt op de edele olijfboom, schrijft Paulus in Romeinen 11:23. Zo wordt een verloren oudste broer of zus opnieuw ingeschreven als burger van Israël. Dat geldt net zo goed voor moslims die Jezus niet erkennen als Zoon van God en voor gedoopte christenen die met God en Jezus hebben gebroken.

Ik wil afsluiten met twee vragen waarop jij misschien een antwoord kunt geven.

  1. Waarom slaan veel christenen het hele Nieuwe Testament over door beloften uit het Oude Testament rechtstreeks te betrekken op het huidige Joodse volk en op het aardse Israël en Jeruzalem? Wordt daarmee niet een fundamentele regel van bijbeluitleg genegeerd, namelijk dat alles vanuit Christus moet worden verstaan? Augustinus verwoordde het kernachtig: “In het Oude Testament ligt het Nieuwe Testament verborgen. In het Nieuwe Testament wordt het Oude Testament onthuld.”
  2. Waarom focussen veel christenen zich bij de plaats van het huidige Joodse volk in Gods heilsplan vooral op enkele moeilijk te interpreteren teksten, zoals Handelingen 1:6 en Romeinen 11:26, in plaats van het hele Nieuwe Testament te laten meewegen? Worden daarbij niet twee belangrijke regels van gereformeerde bijbeluitleg vergeten, namelijk dat je Schrift met Schrift moet vergelijken en dat je moeilijke passages uit de Bijbel moet verklaren vanuit de gedeeltes die makkelijker uit te leggen zijn?

    Tot zover mijn openingsbrief.

Hartelijke groet en in alles Gods nabijheid en wijsheid toegebeden,

Ernst


‘Gods weg met Israël is geen tijdelijk intermezzo’  

BRIEF 1 van Jan aan Ernst (15-01-2026)

Dag Ernst,

Een gesprek met een evangelische theoloog als prof. dr. Willem Ouweneel zou zeker over andere discussiepunten en meningsverschillen gaan dan de vragen die tussen ons spelen. Zo zijn we het er samen over eens dat het genadeverbond dat God met Abraham en zijn nageslacht heeft opgericht, nog altijd geldig is. Het nieuwe verbond van Jeremia 31 is het vernieuwde verbond. Dat betekent dat er continuïteit is in de discontinuïteit.

Gedeelde overtuiging
In doopdiensten zingen we dankbaar met Psalm 105 dat God het verbond met Abraham, Zijn vriend, bevestigt van kind tot kind. Ook zingen we met Psalm 87 dat het blijde nageslacht van heidenen geteld wordt als in Israël ingelijfd, om zo de naam van Sions kinderen te dragen. Broeder Ouweneel zou deze toepassing van de betreffende psalmen kwalificeren als vervangingstheologie.

Je geeft aan het begin van je brief mijn visie zorgvuldig weer en zegt tot mijn vreugde ja en amen op de uitspraak dat de Heere Zijn volk niet laat vallen en dat de weg van God met Israël niet is vervangen door de kerk, maar in Christus juist is verdiept en verbreed. Gezien deze gedeelde overtuiging staan we dicht bij elkaar.

Het is inderdaad een goede zaak om op een rustige en respectvolle wijze met elkaar door te denken over de plaats van het huidige Joodse volk in de weg die de Heere gaat door de geschiedenis, de grote Toekomst van Christus tegemoet. Fijn dat je daartoe bereid bent. Wij kennen elkaar niet persoonlijk, maar weten op voorhand van elkaar dat we eerbiedig willen luisteren naar het Woord van God en dat wij ons beiden bewegen binnen de kaders van de gereformeerde theologie.

Ik zou het ook zo willen formuleren: de God en Vader van Jezus Christus is onverminderd de God van Israël, ook sinds Pinksteren. Ten overvloede merk ik op dat ik daarmee niet de staat Israël bedoel, maar het volk van Israël, ook wel aangeduid als de Joden, zonder de tien stammen uit te sluiten.

Christus: Messias van Israël en Licht voor de volken
Jezus is de Messias van Israël, de Knecht des Heeren van wie Jesaja profeteert dat het voor Hem te gering zou zijn om alleen de stammen van Jakob op te richten. Hij is gegeven tot een licht voor de heidenvolken, om Gods heil te zijn tot aan het einde van de aarde (Jes. 49:6).

Bijzonder is hoe Simeon hierbij aansluit in zijn lofzang: een licht om de heidenen te verlichten en tot heerlijkheid van Gods volk Israël (Luk. 2:32). Dat in het rijk van Christus de lijnen van het koningschap van David worden doorgetrokken, maakt de engel Gabriël duidelijk in zijn woorden tot Maria (Luk.1:32-33) en zingt Zacharias er vol vreugde over (Luk. 1: 68-79). Ook de engel boven de velden van Efratha verkondigt grote blijdschap voor heel het volk (Luk.2:10). Daarmee wordt in de eerste plaats het volk Israël bedoeld. De Redder is allereerst tot Israël gekomen.

Geen tijdelijk intermezzo
Gods weg met Israël is geen tijdelijk intermezzo geweest en heeft niet slechts pedagogische betekenis gehad. Met eerbied gesproken was Israël voor God geen opstapje om tot iets anders te komen. In Christus zet Hij Zijn inzet met het volk Israël op verbrede wijze voort.

Sinds Pinksteren is de stroom van Gods heil buiten de bedding van het volk Israël getreden. De uitstorting van de Geest in Handelingen 2 blijft nog beperkt tot Joden en jodengenoten, pas later worden ook heidenen bereikt. Wij kunnen er niet dankbaar genoeg voor zijn dat wij als heidenen volledig bij het volk van God mogen horen.

Toch is hiermee niet alles gezegd. Hier ligt waarschijnlijk een verschil tussen jou en mij. De geestelijke eenheid in Christus betekent geen nivellering. Denk aan Galaten 3:28. De eenheid van man en vrouw in Christus heft onderlinge verschillen niet op. Zo geldt dat ook voor de eenheid van Jood en Griek.

Binnen het ene huisgezin van Christus erkennen wij Messiasbelijdende Joden met respect als onze oudste broers en zussen. Zij mogen hun eigen gebruiken behouden, zolang deze niet als verdienstelijk of zaligmakend worden gezien. God bemint variatie en diversiteit. Eenheid sluit verscheidenheid niet uit.

Eén volk van God, geen twee wegen tot zaligheid

Je vraagt waar ik in het Nieuwe Testament lees dat God twee volken zou hebben. Mijn antwoord is dat ik dit nergens lees en ook niet leer. God heeft één volk. Dat volk is de ene kerk die van Adam af bestaat tot aan de jongste dag.

Toch wordt in zowel evangelische als reformatorische kring vaak gesproken over de Joden als Gods volk of Gods oude verbondsvolk. Dat kan verwarrend en gevaarlijk zijn. Er zijn geen twee wegen tot zaligheid. Jood en heiden worden alleen behouden door het geloof in Christus.

Toch kunnen we met Paulus Israël blijven aanduiden als Gods volk dat Hij niet heeft verstoten (Rom. 11:1-2). In navolging van de Hongaarse theoloog István Tatai spreek ik van een paradoxale existentie van Israël. Israël dat de Messias verwerpt, is te vergelijken met afgerukte takken van de edele olijfboom. Die takken zijn niet verbrand. Ze liggen er nog. Gods verbond is niet opgeheven. Daarom mogen wij hopen dat God deze takken opnieuw zal inenten, zodat geheel Israël zalig zal worden (Rom.11:26).

Oudtestamentische beloften en de hoop van Israël

En, Ernst, hier kom ik bij mijn vraag aan jou. Hoe doe jij recht aan de vele oudtestamentische beloften die weliswaar in Christus principieel zijn vervuld, maar nog niet finaal, nog niet volkomen? Delen wij als kerk niet in de aan Israël geschonken verwachting van het koninkrijk van God?

Paulus zegt immers dat hij in Rome gevangen zit om de hoop van Israël (Hand. 28:20, zie ook Hand. 26:6-7). Die hoop is niet los verkrijgbaar van de beloften aan het volk Israël zelf. De profetieën en de psalmen zijn onmiskenbaar tot dit volk gericht. Hoe zou de uiteindelijke vervulling daarvan dan grotendeels buiten Israël om kunnen gaan?

Paulus zelf kon met zo’n gedachte niet leven. Hij worstelde intens met God, totdat hem duidelijk werd dat de genadegaven en de roeping van God onberouwelijk zijn. God heeft allen in ongehoorzaamheid opgesloten, om Zich over allen te ontfermen (Rom. 11:32). Ontferming heeft het laatste woord. En daarop past uiteindelijk alleen aanbidding.

De staat Israël in het licht van Gods voorzienigheid

Vanuit deze hoop kijk ik ook naar de oprichting van de staat Israël in 1948. Die staat is geen rechtstreekse vervulling van specifieke Bijbelse beloften. Het is een seculiere staat die onder Gods voorzienigheid een plaats heeft gekregen tussen de volken.

Maar wie had, na de moord op zes miljoen Joden, durven denken dat dit volk opnieuw een nationale bestaansvorm zou krijgen? Geeft deze wederopstanding uit de dood ons niet te denken? Mogen we dit, ondanks alle menselijke en zondige kanten, voorzichtig duiden als een aanwijzing dat de God van Israël nog bijzondere plannen heeft met dit volk?

Daarbij past grote terughoudendheid. De Bijbel is geen puzzelboek. We mogen de rechten van Palestijnen nooit negeren of onrecht rechtvaardigen met een beroep op de Schrift. Evenmin mogen we het koninkrijk van God vereenzelvigen met nationalistische belangen of geweld. Dat staat haaks op de verkondiging van Jezus zelf.

Alle reden om door te praten. Ik zie uit naar jouw reactie.

Met broederlijke groet,

Jan


‘Vanaf Pinksteren heeft geen enkel volk meer een streepje voor’  

BRIEF 2 van Ernst aan Jan (20-01-2026)

Beste Jan,

Hartelijk dank voor jouw eerste brief. Ik vind het ook prettig om op deze manier met elkaar van gedachten te wisselen over de plaats van het Joodse volk in Gods heilsplan met heel de wereld. Waar ik vooral blij mee ben, is ons gezamenlijke uitgangspunt: de Bijbel als Gods betrouwbare Woord.

Daarin laat Hij ons zien hoe Hij na de zondeval zijn verlossingsplan voorbereidt, hoe Hij op de door Hem bestemde tijd dat plan door Jezus Christus ten uitvoer heeft gebracht, en hoe Hij vanaf Pinksteren door zijn Geest wereldwijd gaat om ‘een onafzienbare menigte, die niemand tellen kon, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het lam. Luid riepen ze: ‘De redding komt van onze God, die op de troon zit, en van het Lam!’” (Openbaring 7:9-10).

Schriftvervulling en de reikwijdte van het heil

Hierin zie ik, net als jij, Jesaja 49 en Psalm 87 in vervulling gaan. Daarbij gaat het niet over de toekomst van het land Israël of de stad Jeruzalem, maar over de manier waarop God zijn machtige naam over heel de aarde zal uitbreiden. Het heil is uit de Joden, maar bestemd voor heel de wereld.

Ik ben blij dat we samen constateren dat deze Bijbelse opvatting niets van doen heeft met wat velen ons beiden denigrerend en diskwalificerend als ‘vervangingstheologie’ in de schoenen proberen te schuiven.

Voor ik verder op je brief inga, wil ik nog even stilstaan bij Psalm 87. Deze psalm lees ik als bijbelgetrouw christen met het oog op de komst van Christus. In Psalm 87 valt mij op dat de ‘stad van God’ daar consequent ‘Sion’ genoemd wordt en niet ‘Jeruzalem’. Daaruit mag je volgens mij afleiden dat Psalm 87 niet over het aardse Jeruzalem gaat, maar over de plaats waar God woont.

Dat was tot de komst van Jezus in zijn tempel. Vanaf het moment dat Jezus op het toneel verschijnt, is Hij de tempel. En vanaf Pinksteren zijn alle gelovigen over heel de wereld Gods tempel, zowel persoonlijk als wanneer zij samenkomen als gemeente.

Gods volk na Pinksteren

Psalm 87 gaat dus over de vraag waar je God kunt loven en prijzen en wie God mogen loven en prijzen. Na Pinksteren is dat overal waar gelovigen samenkomen in de naam van Jezus. Er is dan geen onderscheid meer tussen “Grieken of Joden, besnedenen of onbesnedenen, barbaren, Skythen, slaven of vrijen, maar dan is Christus alles in allen” (Kolossenzen 3:11).

En waar Christus alles in allen is, hoor je bij Gods volk. Dan heeft God je uitgekozen en hoor je bij de heiligen die Hij liefheeft (Kolossenzen 3:12).

De gelovige rest binnen Israël

Nu over jouw brief. Volgens mij trek je iets te snel de conclusie dat wij het eens zijn over het volgende: dat de weg van God met Israël in Christus verdiept en verbreed is, doordat God na Pinksteren onverminderd de God van het Joodse volk Israël blijft. Dat laatste vind ik te algemeen gesteld.

Natuurlijk is God trouw aan zijn volk Israël. Maar is uit heel het Oude Testament niet duidelijk dat de HERE daarbij de gelovige ‘rest’ op het oog heeft? Dat blijkt bijvoorbeeld uit Jesaja 10:21 en 22 en wordt door Paulus in Romeinen 9:27 nadrukkelijk onderstreept.

Dat ‘overblijfsel’ zal weer terugkeren tot hun God en weer talrijk worden als zandkorrels aan de zee. Zij zullen weer ‘Ammi’, mijn volk, genoemd worden. Want God heeft Zich weer over hen ontfermd door hen te verzamelen onder één Leider. Zij zullen Hem weer aanspreken met ‘mijn God’ (Hosea 2:1-3 en 3:23-25).

Israël na Pinksteren en Paulus’ uitleg

Jij schrijft: ‘Gods weg met Israël was geen tijdelijk intermezzo en geen opstapje om tot het eigenlijke te komen.’ Mijn vraag aan jou is of je hier het Israël van God, dat na Pinksteren bestaat uit iedereen die in de door God beloofde Leider gelooft, niet uitspeelt tegen het Joodse Israël dat tot Pinksteren Gods volk was, maar daarna tot op de dag van vandaag is afgesneden van de edele olijfboom en geen deel meer uitmaakt van de ware wijnstok.

Zij hebben immers voor het overgrote deel hun eigen Messias verworpen. Jij zult dan zeggen dat Paulus toch duidelijk aangeeft dat God zijn volk niet verstoten heeft. Dat klopt. Maar Paulus vat dat niet collectief op. Integendeel, hij verwijst naar zijn eigen geloof: “Ik ben zelf een Israëliet die in Jezus gelooft.” Ook wijst hij op de 7.000 gelovigen die in de tijd van Elia overgebleven waren.

“En zo is er ook nu een klein deel, een rest, een overblijfsel, over dat God uit genade uitgekozen heeft” (Romeinen 11:5). Op die manier blijft God trouw aan zijn volk. Hij verstoot niemand. Mensen plaatsen zichzelf buiten Gods genade en daarmee buiten zijn volk door niet te geloven.

Paulus en Petrus betrekken in Romeinen 9:24-26 en 1 Petrus 2:10 de woorden van Hosea over ‘Lo-Ammi’ en ‘Lo-Ruchama’, die dankzij Gods ontferming weer tot Gods kinderen aangenomen worden, op de toeloop van de heidenchristenen. Maar zou je er dan ook niet eerlijk bij moeten zeggen dat de enorme verbreding van Gods volk na Pinksteren ook tot een versmalling heeft geleid? Van het Joodse volk maken nu alleen de Joden die Jezus Christus geloven nog deel uit.

Israël als trechter en het oude verbondsvolk

Zou je niet mogen zeggen dat het etnische volk Israël in Gods heilsplan met de wereld als een trechter heeft gefunctioneerd? God liet tot de komst van de Messias de volken grotendeels links liggen om na Pinksteren weer voluit wereldwijd te gaan.

Het deel van het Joodse volk dat niet in Jezus gelooft, wordt door velen ‘Gods oude verbondsvolk’ genoemd. Jij merkt terecht op dat we zorgvuldig moeten onderscheiden wat we daarmee bedoelen. Ik zie het zo en gebruik daarbij deze vergelijking.

Vierhonderd jaar geleden vestigden een aantal Nederlanders zich in Zuid-Afrika. Na verloop van tijd noemden zij zich Afrikaners. Zij bleven zich nauw verbonden voelen met Nederland en omgekeerd was dat lange tijd ook het geval. Maar na vier eeuwen kun je niet meer volhouden dat zij daar en wij hier één volk vormen.

Verwantschap en afgebroken takken

Het zijn twee volken met een duidelijke verwantschap geworden. Wanneer een Afrikaner naar Nederland emigreert, zal hij zich enerzijds snel thuis voelen, maar anderzijds ook moeten wennen aan de gang van zaken hier.

Vanaf het Nieuwe Testament tot op de dag van vandaag zie ik hetzelfde patroon. Joden die Jezus verwerpen, zijn niet meer Gods volk. De verwantschap is echter overduidelijk nog aanwezig. Dat geldt ook voor moslims, die in een later stadium van de geschiedenis van Gods ene volk op aarde Jezus hebben afgewezen als Gods beloofde Verlosser. Zij vormen een tweede stapel afgebroken takken.

En dat geldt ook voor de gedoopte Nederlandse natie die vanaf de jaren zestig massaal God en Jezus de rug heeft toegekeerd. Dat is stapel drie. Het hartzeer van Paulus over die eerste stapel takken is hetzelfde als dat van MBB-christenen (Muslim Backgrond Believers) over hun familie en landgenoten die nog moslim zijn.

En hetzelfde als het verdriet dat de ons beider bekende theoloog Henk de Jong had over zijn eigen generatie.

Verdriet, betrokkenheid en beloften

Mijn vraag aan jou is of voor jou de doorgaande lijn van Gods trouw anders ligt bij de eerste stapel afgehouwen takken, de ongelovige Joden vanaf Pinksteren tot vandaag, dan bij later afgebroken takken, zoals moslims vanaf het jaar 600 en Nederlanders sinds 1960 tot in het derde en vierde geslacht.

Moeten alle christenen in 2025 over het ongeloof van het Joodse volk op dezelfde intense wijze verdriet hebben als Paulus dat had? Of mag ik vooral verdriet hebben over al die gedoopte Nederlanders die niets meer met Jezus hebben? En mijn Syrische schoonzus over haar landgenoten die Mohammed boven Jezus plaatsen?

Je vraagt mij ook hoe ik aankijk tegen de vele beloften uit het Oude Testament die, zoals jij het zegt, wel ten principale maar nog niet finaal in Christus vervuld zijn. Volgens mij kent de Bijbel dit onderscheid niet. Daarom stel ik jou een wedervraag. Welke beloften uit het Oude Testament moeten volgens jou nog letterlijk in vervulling gaan?

Heb ik het goed dat jij, met een slag om de arm, de stichting van de staat Israël daaronder schaart? Je zegt dat het geen rechtstreekse vervulling is van specifieke Bijbelse beloften. Maar op grond van welke indirecte verwachtingen dan wel? Ligt er volgens jou nog een derde tempel in het verschiet?

Of moeten we dat geestelijk verstaan, omdat Ezechiël en Johannes in Openbaring het kubisme als kunstvorm weliswaar niet kenden, maar het wel in hun visioenen gezien hebben?

Waar ik vooral benieuwd naar ben, is of je deze indirecte verwachting ook vanuit het Nieuwe Testament kunt onderbouwen. Ik lees bij Jezus en bij alle apostelen dat het aardse Jeruzalem met zijn tempel er niet meer toe doet. Wij hebben immers in de hemel een altaar en verwachten vandaaruit het nieuwe Jeruzalem.

Eén volk of meerdere trajecten

Wanneer jij met ‘finaal’ bedoelt dat er nog beloften van God uitstaan, kan ik daarin meegaan. Nog niet al Gods beloften zijn vervuld. Jezus moet bijvoorbeeld nog terugkomen op de wolken. De vraag is alleen voor wie die beloften uitstaan. Zijn zij bestemd voor Gods gelovige volk op aarde? Of is er na Pinksteren nog een apart traject voor het etnische oude verbondsvolk Israël? Daarnaast vraag ik mij af hoe die beloften uitstaan.

In mijn optiek zitten veel christenen vast in een te concreet denken als het om het Joodse volk gaat. Net als de apostelen in Handelingen 1, Petrus in Handelingen 8 en de Joodse christenen in Handelingen 15. Na Pinksteren kostte het hen grote moeite om de gedachte los te laten dat Gods beloften aan een aards Israël verbonden waren. Zij moesten leren om anders te denken.

Niet: zij worden pas gered als zij bij ons komen. Maar: wij worden op dezelfde manier gered als zij, alleen door de genade van de Here Jezus, zoals Petrus zegt in Handelingen 15:11.

Eerst de Jood en dan de Griek

Ik zie het ‘eerst de Jood en dan de Griek’ daarom als een fase vlak na Pinksteren. Net zoals Jezus vlak voor zijn hemelvaart zei: “Jullie zullen mijn getuigen zijn, te beginnen in Jeruzalem, Judea en Samaria, tot aan de einden der aarde.” Inmiddels zijn we bijna tweeduizend jaar verder en heeft geen enkel volk meer een streepje voor.

Tot zover. Het is een lange tweede brief geworden, met veel gedachten en weinig concrete vragen aan jouw adres. Hopelijk vind je voldoende aanknopingspunten om hierover verder door te praten.

Een hartelijke, christelijke groet,

Ernst


‘Ook na Pinksteren blijft Israël Gods verkoren volk’   

BRIEF 2 van Jan aan Ernst (22-01-2026)

Beste Ernst,

Ons gesprek komt goed op stoom. Je schrijft in je tweede brief over wederzijdse herkenning, maar geeft ook aan dat we niet te snel moeten concluderen dat we het eens zijn. Ik waardeer het dat je zo helder aangeeft op welke punten onze wegen uiteengaan en waarom een voortgezette dialoog zinvol is.

Er komt veel aan de orde. Om ons gesprek te stroomlijnen, reageer ik puntsgewijs op jouw overwegingen.

  1. Openbaring 7 en Psalm 87

Wat is dat een geweldig visioen van de ontelbare menigte gezaligden in Openbaring 7:9-17. Het is een rijke bemoediging voor de gemeente van Christus, die ook in de tijd dat Johannes dit mocht doorgeven een kleine minderheid vormde in een vijandige wereld.

Aan dit visioen gaat dat van de 144.000 verzegelden vooraf, ‘uit alle stammen van de Israëlieten’ (verzen 1-8). Die stammen worden ook met name genoemd: Juda, Ruben, Gad, Aser, Naftali, Manasse, Simeon, Levi, Issaschar, Zebulon, Jozef en Benjamin. Pas nadat deze stammen zijn opgesomd, volgt: ‘Hierna zag ik, en zie, een grote menigte die niemand tellen kon.’

Dit onderscheid en deze volgorde bevestigen mij in de gedachte dat er ook na Pinksteren een heilshistorisch reliëf is tussen Jood en Griek, tussen Israël en de volkeren. Een reliëf binnen de in Christus gegeven eenheid.

Dat in Psalm 87 Jeruzalem consequent met Sion wordt aangeduid, vloeit voort uit het gegeven dat de psalm zich concentreert op de eredienst in de tempel. Psalm 122 maakt bijvoorbeeld duidelijk dat er net zo goed ‘Jeruzalem’ had kunnen staan. Sion was het kloppend hart van Jeruzalem en wordt in Psalm 87 wel onderscheiden van ‘alle woningen van Jakob’ (vers 2), maar niet van de stad zelf.

Het gaat dus te ver om te stellen dat deze psalm helemaal niet over het aardse Jeruzalem gaat. Ik zing met vrijmoedigheid psalmen als 87 en 122 met toepassing op de eredienst in de gemeente van Christus, maar zonder de oorspronkelijke betekenis en setting van deze liederen uit het oog te verliezen. We mogen als christenen de Psalmen delen met Israël, maar niet stelen van Israël.

  • De rest en de volheid

Ernst, ik vraag me af waarom je niet voluit voor je rekening kunt nemen dat de HEERE, de trouwe Verbondsgod, onverminderd de God van het Joodse volk Israël blijft. Je vindt dat te algemeen gesteld, hoewel je ook zegt: ‘Natuurlijk is God trouw aan zijn volk Israël.’

Je verbindt die trouw aan de restgedachte, zoals in Jesaja 10:21: ‘Die rest zal terugkeren, de rest van Jakob, naar de sterke God.’ In deze scherpe oordeelsprediking wordt duidelijk dat de God van Israël hevig kan toornen op zijn volk en dat het volk daardoor zelfs gedecimeerd zal worden. Tegelijkertijd is in de terugkeer van de rest een nieuwe toekomst voor heel het volk gewaarborgd. Gods oordeel is niet het laatste woord.

Al ging het volk Israël de weg van geestelijke hoererij, de afgodendienst, toch zegt de Heere: ‘Ik zal u voor eeuwig tot Mijn bruid nemen’ (Hosea 2:18).

Kun je nu zeggen dat deze beloften van een nieuwe, hoopvolle toekomst hun uiteindelijke vervulling hebben gevonden in het feit dat slechts een kleine minderheid van het Joodse volk tot Christus is gekomen? De apostel Paulus dacht daar kennelijk anders over. Hij was ongetwijfeld blij met iedere Jood die tot bekering kwam en het evangelie aanvaardde, maar hij lag er wakker van dat de grote meerderheid van zijn volk de Messias Jezus afwees.

In die worsteling gaf de rest, waartoe hij zelf behoorde, hem zicht op de volheid die nog zal volgen. De Joden die, net als Paulus, Jezus als Messias belijden, zijn de regendruppels die de stortbui aankondigen wanneer uiteindelijk de massale bekering van Joden tot de Heiland zal plaatsvinden. Deze verwachting speelt voor mij mee wanneer ik bid: ‘Uw koninkrijk kome.’

  • Geen tijdelijk intermezzo

Ik besef dat ik duidelijker moet zijn over de bedoeling van mijn zin in de vorige brief: ‘Gods weg met Israël was geen tijdelijk intermezzo en geen opstapje om tot het eigenlijke te komen.’ Als ik jou goed begrijp, zie jij dat juist wel zo.

Je gebruikt in dit verband zelfs een zakelijk en technisch beeld wanneer je schrijft dat het etnische volk Israël in Gods heilsplan met de wereld als een trechter heeft gefunctioneerd. Maar het Oude Testament spreekt niet op deze afstandelijke manier over Gods verhouding tot zijn verkoren volk Israël.

Ik citeer de door jou genoemde en door ons beiden gewaardeerde Henk de Jong: ‘Verkiezen is het in vrijheid aangaan en beleven van een exclusieve relatie van genegenheid en waardering, waarbij opties in andere richting bewust worden uitgesloten.’ De HEERE heeft liefde opgevat voor dit volk. Het heeft uit pure genade een bijzondere plek gekregen in Gods hart (Deuteronomium 7:6-8).

Omdat het hier een tere liefdesrelatie betreft, doet het God ook zo veel wanneer zijn bruid Hem ontrouw is. Hij kan dit volk dan ook niet terzijde leggen als een instrument dat zijn functie heeft vervuld. In de diepste wegen van toorn en oordeel blijft God hartstochtelijk bewogen met dit volk, waarvan Hij niet los kan komen. Lees Hosea 11:8-9 en zie daar Gods hart.

Nooit zal Hij zijn Israël definitief prijsgeven. Hij zal, ondanks alles, ‘Sion nog troosten en Jeruzalem nog verkiezen’ (Zacharia 1:17). Zo is onze God, zo kennen wij Hem.

  • De olijfboom en de losse takken

Voortbordurend op Paulus’ beeldspraak over de olijfboom en de takken zie jij, naast de afgehouwen Joodse takken, nog andere stapels liggen. Je noemt Arabische takken, moslims, en Nederlandse takken. Je vraagt je af of we niet vooral daarover verdriet moeten hebben, zoals Paulus dat had over zijn eigen volk.

Ik vind het creatief hoe je met dit beeld omgaat, maar acht het exegetisch en Bijbels theologisch onhoudbaar. Met de olijfboom bedoelt Paulus Gods verbond met Abraham en zijn nageslacht. Dit verbond is niet gesloten met Ismaël en diens nageslacht, en evenmin met het Nederlandse volk, al waren er ooit theologen die meenden dat Nederland ‘het Israël van het westen’ was.

Het verschil tussen Jood en heiden is dat de Jood uit de olijfboom wordt afgehouwen omdat hij Christus verwerpt, terwijl de heiden wordt ingeënt zodra hij Christus in geloof aanneemt.

Ook ik heb meer verdriet over familieleden die met een gedoopt voorhoofd God de rug hebben toegekeerd dan over Joodse ongelovigen die ik niet persoonlijk ken. Dat is menselijk en ik denk niet dat de Heere mij dat kwalijk neemt. Tegelijkertijd zou het onjuist zijn wanneer ik het diepe verdriet van Paulus niet meer zou meevoelen, vanuit de gedachte dat de verwerping van de Messias al zo vele eeuwen duurt. Ik moet die pijn blijven voelen, juist omdat het ‘de Zijnen’ zijn die Hem niet aangenomen hebben (Johannes 1:11).

Ook de vergelijking met de Afrikaners gaat naar mijn overtuiging niet op. Emigranten gaan na verloop van tijd behoren tot het volk waarbij zij zich hebben gevoegd. Zij worden Canadees, Amerikaan of Australiër. Het Joodse volk is echter niet geassimileerd als een druppel in de oceaan van de volken. Het heeft zijn eigenheid behouden. Dat is een groot wonder en heeft alles te maken met Gods bijzondere zorg voor deze specifieke afgehouwen natuurlijke takken.

  • Vervulde en nog niet vervulde beloften?

Een volgend belangrijk gesprekspunt is de vraag of we kunnen spreken van nog niet vervulde beloften naast beloften die in Christus zijn vervuld. Zo’n tweedeling acht ik onjuist. Ik stel daartegenover dat alle beloften uit het Oude Testament in Christus zijn vervuld.

De Opgestane maakt het zijn discipelen duidelijk dat ‘alles vervuld moest worden wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de Psalmen’. Daarna ‘opende Hij hun verstand, zodat zij de Schriften begrepen’ (Lukas 24:44-45). Zij zagen ineens hoe alle Schriften van Jezus getuigden. Er blijft dus geen gedeelte over dat niet op Hem wijst.

Door de komst en het volbrachte werk van Christus is het koninkrijk van God doorgebroken. Tegelijk blijft er een spanning tussen vervulling en voleinding, tussen het gekomen en het komende Rijk. Dat is te vergelijken met de status van gelovigen. Zij zijn met Christus opgewekt en in de hemel gezet, maar leven tegelijk nog in gebrokenheid en vergankelijkheid.

Zo kunnen we ook naar de geschiedenis kijken. Sinds Pasen en Pinksteren is deze een aflopende zaak. Het ene grote heilsfeit waarnaar wij uitzien, is de glorieuze wederkomst van Christus. Toch gebeurt er nog veel, zoals het boek Openbaring laat zien. Nu in de hemel het pleit is beslecht, voert de duivel een gewelddadig schrikbewind op aarde.

Tegelijk is er ook een ander perspectief, zoals Openbaring 20 laat zien. Christus regeert. Daarom is de geschiedenis niet alleen kommer en kwel. Tussen de stormen door zijn er opklaringen. Voor de wederkomst van de Heere mogen we goede ontwikkelingen verwachten van de Heilige Geest. Iets van Christus’ heerschappij licht nu al op, zij het in flitsen en fragmenten. Denk aan opwekkingen en reformaties in de kerken, maar ook aan geestelijke omkeer onder Joden.

De principiële vervulling van de beloften in Christus voedt juist de verwachting van voortgaande vervulling, totdat alles uitloopt op de finale vervulling. Dat is de voleinding van de wereld en de komst van een nieuwe hemel en aarde.

  • Hoe lezen we de profetieën?

Het laatste punt dat ik kort wil aanstippen, is zeer omvangrijk en hangt samen met het voorgaande. Je vraagt mij welke beloften uit het Oude Testament volgens mij nog letterlijk in vervulling moeten gaan en of ik daar de stichting van de staat Israël onder reken.

Nee, dat gebeuren is als zodanig geen vervulling van een oudtestamentische belofte. Ook komt er geen derde tempel, ondanks de uitvoerige beschrijving daarvan door de profeet Ezechiël (40-48). Jouw opmerking over kubisme als kunstvorm vind ik treffend.

Wel zal de Heere op ongedachte wijze ‘voor Israël het koninkrijk weer herstellen’, zoals de apostelen na veertig dagen onderwijs van Jezus hadden begrepen (Handelingen 1:6). Niet als een politieke entiteit met wereldse macht, want Jezus’ koninkrijk is van een andere orde. Dat hebben de apostelen ingezien en anders zou Jezus hen zeker hebben gecorrigeerd.

Als voorbeeld van beloften die hoop geven, noem ik het visioen van Ezechiël 37. Eerst worden de dorre doodsbeenderen tot skeletten gevormd. Daarna worden zij met vlees en huid bekleed. Vervolgens worden zij opnieuw levend gemaakt. In het licht van dit visioen is het niet uitgesloten dat de stichting van de staat Israël een eerste stap in die richting is.

Ik zie uit naar de afsluitende ronde van ons gesprek.

Met broederlijke groet,

Jan


‘Geen speciale beloften meer voor één volk’  

BRIEF 3 van Ernst aan Jan (27-01-2026)

Dag Jan,

We naderen het einde van onze briefwisseling over de plaats van het Joodse volk in Gods heilsplan met heel de wereld. Ik ben blij dat we het over veel dingen eens zijn. Vooral over het feit dat er geen tweede weg of manier is om Gods Koninkrijk binnen te gaan dan via Jezus Christus.

Toch blijf ik op één punt met een vraag zitten. Namelijk: waarom blijf jij zo volhardend vasthouden aan de gedachte dat de beloften van onze God in het Oude Testament over Israël nog steeds gedeeltelijk gelden voor een religieus-etnische groep mensen die zich Joods noemen en waarvan 45 procent in de staat Israël woont?

Het mysterie van Christus en de uitbreiding van Israël

Terwijl diezelfde God in het hele Nieuwe Testament laat weten: mijn ene volk Israël heeft sinds Pinksteren een geweldige uitbreiding ondergaan. De apostel Paulus noemt dit het ‘mysterie van Christus. Het is onder vorige generaties niet aan de mensen onthuld, maar nu door de Geest geopenbaard aan zijn heilige apostelen en profeten: de heidenen delen door Christus Jezus ook in de erfenis, maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben ook deel aan dezelfde belofte, op grond van het evangelie’ (Efeziërs 3:4b-6).

Aan de christenen in Efeze had Paulus net daarvoor namelijk geschreven: ‘Bedenk dat u – u die eigenlijk door uw afkomst heidenen bent – destijds niet verbonden was met Christus en geen deel had aan het burgerschap van Israël (…) en de beloften die daarbij hoorden’ (Efeziërs 2:11-12). En dan zegt Paulus in het vervolg van hoofdstuk 2 nadrukkelijk dat vanaf Pinksteren bij dat ene Israël nu iedereen mag horen die door het bloed van Christus en dankzij de Heilige Geest weer in vrede met God leeft.

Eén lichaam, één tempel, één volk

Dat ene Israël bestaat, zegt Paulus, uit joodse christenen die vanouds dichtbij waren en uit heidenchristenen die eens ver weg waren. Samen zijn ze nu verzoend tot één lichaam en zijn ze ‘burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten met Christus Jezus Zelf als hoeksteen. Vanuit Hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel, die gewijd is aan Hem, de Heer, in wie ook u samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door de Geest’ (Efeziërs 2:19b-22).

Als ik dit op mij laat inwerken, Jan, dan snap ik niet hoe volgens jou de profetieën en de psalmen van het Oude Testament toch nog deels betrekking hebben op en vervuld moeten worden in wat we vandaag ‘het Joodse volk’ noemen. Zie je dan niet hoe Psalm 87 na Pinksteren volgens Paulus in vervulling is gegaan? De Filistijnen, Tyriërs en Moren delen nu in de burgerrechten van Israël. Samen zijn zij de tempel van God die in Psalm 87 bezongen wordt.

En Openbaring 7 laat dan toch zien dat de twaalf stammen van Israël de oudtestamentische onderbouw zijn en dat de onafzienbare, niet te tellen menigte uit alle landen en volken en talen de nieuwtestamentische bovenbouw vormt van Gods ene volk?

Geen etnisch voorrecht

Dat is een samengestelde eenheid. Dat ben ik met je eens. Dat laat ook Openbaring 21 ons zien. Het nieuwe Jeruzalem is gefundeerd op de namen van de twaalf apostelen en haar poorten dragen de naam van de twaalf stammen van Israël.

Maar het reliëf zit volgens mij niet in afkomst, maar in de heilshistorische volgorde. Van Abraham tot Pinksteren bestond het Israël van God grotendeels uit Joden met enkele toetreders van buiten. Vanaf Pinksteren volgt een grote toevloed van heidenen. Daardoor verandert de etnische samenstelling van Gods ene volk ingrijpend.

Hoe kun je dan zeggen dat christenen de psalmen niet meer met het joodse volk delen maar van hen stelen, wanneer zij die lezen als heenwijzing naar Christus? Is het niet juist omgekeerd dat christenen in dialoog met religieuze Joden met diep respect en in alle bescheidenheid eerlijk zouden moeten zeggen dat er ‘tot op de dag van vandaag bij jullie een sluier ligt over het lezen van het Oude Testament die alleen in Christus kan worden weggenomen’ (2 Korintiërs 3:14)?

Dezelfde vermenging van Gods ene volk Israël en het huidige joodse volk zie ik bij jouw uitleg van Zacharia 1:17. Daar lees jij een blijvende verkiezing van het etnische joodse volk in. Met die manier van Bijbellezen heb ik moeite. Dan lees je het Oude Testament los van het Nieuwe Testament en verlaat je een fundamentele gereformeerde leesregel, want ‘de Schriften getuigen over Mij’, zegt Jezus in Johannes 5:39.

Trechter of terzijdestelling?

Ik snap ook niet zo goed waarom jij het beeld van de trechter opvat als een terzijdestelling van het joodse volk. Het is toch zonneklaar dat God vanaf Abraham tot Pinksteren zijn heil via ‘het kleinste van al de volken’ (Deuteronomium 7:7) liet laten lopen en dat Hij na Pinksteren weer wereldwijd gaat? Wat is er op tegen om voor die tijdelijke versmalling het beeld van een trechter of een zandloper te gebruiken?

Hetzelfde geldt voor jouw uitleg van Jesaja 10 en Hosea 2. Jij ziet daarin een waarborg van de HERE van een nieuwe toekomst voor het joodse volk Israël, omdat God in Hosea 2:18 beloofd heeft dat Hij hen voor eeuwig tot zijn bruid zal aannemen. Dus moeten er volgens jou nog heel veel Joden tot geloof komen. Want in de tweeduizend jaar tussen Pinksteren en 2026 is maar ‘een kleine minderheid van het Joodse volk tot Christus gekomen’, zeg je.

Jij verbindt daaraan de verwachting van een nog komende massale bekering van het joodse volk. Met respect, maar dat vind ik wishful thinking. Ik vind het ook miskenning van het feit dat de christelijke kerk tot op de dag van vandaag gedragen wordt door de duizenden joodse christenen die eerst in Jeruzalem en daarna in het hele Romeinse rijk tot geloof in Christus kwamen.

Hun kinderen en kleinkinderen vormen de basis en ‘tot in het duizendste geslacht’ zijn hun nakomelingen vandaag nog te vinden. Alleen: niet meer herkenbaar als joods-christelijk.

Mijn broer die in Libanon theologie gestudeerd heeft, sprak daar met een christen uit Bethlehem. Hij zei: mijn stamboom gaat terug tot 400 na Christus en zo lang zijn wij ook al christen. Ik denk dan: pak er nog dik 350 jaar bij en het is aannemelijk dat zijn voorouders bij de 3.000 Joden hoorden die zich op de eerste Pinksterdag in de naam van Jezus lieten dopen.

En in de negentiende eeuw zijn er relatief veel Joden tot geloof in Jezus gekomen. Denk bijvoorbeeld aan Isaac da Costa. Stel dat veel van hun nakomelingen in de vijfde generatie oprecht christenen zijn. Als die via de moederlijn geboren zijn, zijn ze vandaag volgens de rabbijnse traditie nog Joods. Maar de kans lijkt mij heel aannemelijk dat die vijfde generatie zich vooral gewoon ‘christen’ noemt.

Net zoals Willem-Alexader zich gewoon Nederlander voelt, ook al waren zowel zijn vader, zijn grootvader, zijn overgrootvader en zijn betovergrootmoeder Duits.

Pinksteren geen regendruppel

Het is dus geen ‘kleine minderheid’ van de christenen die joodse wortels heeft. Doe je de Heilige Geest niet te kort door zijn Pinksterwerk, waarmee Hij ontelbaar veel Joden door de eeuwen heen tot geloof gebracht heeft en tot in het zoveelste geslacht bij de HERE bewaard heeft, als ‘regendruppels’ te betitelen? Verwijt je Hem daarmee niet indirect dat het met Pinksteren niet massaal genoeg was, zodat Hij eigenlijk Zichzelf nog een keer in de overtreffende trap als ‘stortbui’ over het Joodse volk in het laatst der dagen moet uitstorten?

Ook ik hoop en bid om bekering van velen. Ik hoop echt dat Gods genade veel groter zal zijn dan ik ooit zal kunnen bevatten. Maar nergens in de Bijbel lees ik de belofte dat er voor één groep mensen die Jezus verworpen heeft, op het laatste nippertje voor zijn terugkomst nog een massale bekering beloofd is. Hebben alle niet-christelijke Joden tussen Pinksteren en de jongste dag dan pech gehad?

Voor je het weet kom je zomaar uit bij een partiële alverzoening, zoals de Christenen voor Israël-dominee Henk Poot dat verwoordt: ‘En of geheel Israël dan ook werkelijk geheel Israël is? Waarom niet? (…) Ontfermt God zich dan soms alleen over een deel van hen die ongehoorzaam geweest zijn, bijvoorbeeld alleen hen die het geluk hebben om te zullen leven als de Messias op aarde verschijnen zal? (…) Waarom zou het totale verharde deel van Israël niet gerechtvaardigd kunnen worden bij de komst van de Messias’ (De Koning der Joden, blz. 88-89).

Oude Testament gelezen door het Nieuwe

Jan, zou het niet goed zijn om van dit onbijbelse geluid afstand te nemen? Dat kan alleen door het Oude Testament consequent te lezen door de bril van het Nieuwe Testament. Sinds Pinksteren delen gelovigen uit de hele wereld in het burgerschap van Israël. Dat is de ware verbreding.

Er staan geen speciale beloften voor een volk of staat meer uit. Voor iedereen geldt dezelfde belofte: geloof in Jezus Christus. Hij is de hoop van Israël en het licht voor de wereld.

Straks zal elk oog Hem zien.

Een hartelijke groet, in Christus verbonden,

Ernst


‘Eenheid van de Kerk nivelleert Israël niet’   

BRIEF 3 van Jan aan Ernst (29-01-2026)

Beste Ernst,

Het is waardevol om openhartig met elkaar van gedachten te wisselen bij een open Bijbel. Daarom ben ik je dankbaar voor je drie brieven. De uitkomst van onze briefwisseling is zeker niet dat we het in alles eens zijn geworden. Dat hadden we beiden ook niet verwacht. Maar we hebben oprecht geprobeerd elkaars gedachten goed te begrijpen en elkaars motieven te peilen.

Christenen hebben heel verschillende visies op Gods weg met het volk Israël. Helaas leiden gesprekken daarover maar al te vaak tot onderlinge verwijdering, met hete hoofden en koude harten. Er vallen harde woorden wanneer men elkaar enerzijds beschuldigt van verblinding en van verloochening van Christus als de enige Weg tot behoud, en anderzijds van antisemitische tendensen. Ik vind dat beschamend en denk dat de Heilige Geest erdoor bedroefd wordt. Wij beiden hebben in elk geval oprecht geprobeerd niet tot dat niveau af te dalen.

In jouw laatste brief onderstreep je sterk de eenheid van de Kerk in Christus. Op dat punt verschillen we niet van opvatting. Ik stem helemaal met je in dat we diep dankbaar mogen zijn voor de geweldige uitbreiding sinds Pinksteren. Als heidenen van afkomst mogen we er door Gods genade in Christus helemaal bij horen. In die zin is Psalm 87 zeker vervuld in de christelijke gemeente, waarbinnen de scheidingsmuren tussen Israël en de volken zijn neergehaald. Efeze 2 zegt daar heerlijke dingen over die uitnodigen tot lofprijzing van onze drie ene God.

Gelaagdheid van Gods beloften

Juist omdat we het op dit punt zo eens zijn, kun je niet begrijpen waarom ik, en ik citeer, “volhardend blijf vasthouden aan de gedachte dat de beloften van onze God in het Oude Testament over Israël nog steeds gedeeltelijk gelden voor een religieus etnische groep mensen die zich Joods noemen en waarvan 45 procent in de staat Israël woont”.

Deze weergave van mijn positie is niet geheel correct. Het is niet mijn bedoeling om binnen de beloften van het Oude Testament te selecteren, door sommige beloften te labelen als uitsluitend voor het Joodse volk bestemd en andere als op de christelijke kerk gericht. Er zijn heel wat Israël-theologieën waarin dat wel gebeurt, met als gevolg dat Israël en de kerk van elkaar worden gescheiden als twee naast elkaar bestaande volken van God. Zoals ik al eerder heb geschreven, kan ik in die gedachtegang niet meegaan. God heeft maar één Kerk, die uit Joden en Grieken, dat wil zeggen niet-Joden, bestaat.

Wat ik wel bedoel, is dat we bij alle beloften van God zouden moeten openstaan voor de voortgaande realisering ervan, hoewel ze in Christus ten principale vervuld zijn. Prof. dr. Mart Jan Paul onderscheidt mijns inziens terecht een viervoudige vervulling van Gods beloften:

  1. in de oudtestamentische tijd, bijvoorbeeld de intocht in het beloofde land en de terugkeer uit de ballingschap
  2. in Christus en de gemeente sinds Pinksteren
  3. in de tijd die nog rest tot de jongste dag
  4. in de voleinding, het eschaton

Deze onderscheiding kan niet klakkeloos op elke belofte worden toegepast, maar is een goed hulpmiddel om verschillende dimensies in Gods beloften te herkennen. De oudtestamentische beloften kennen onmiskenbaar een zekere gelaagdheid.

Dubbele volheid

In de vorige ronde van onze briefwisseling kwam Openbaring 7 aan de orde. We zijn het erover eens dat het in dit visioen gaat om een samengestelde eenheid. De 144.000 verzegelden zijn niet dezelfde als de grote menigte die niemand tellen kon. Het is ook duidelijk dat de 144.000 uit de twaalf stammen van Israël afkomstig zijn.

Dat het hier zou gaan om een oudtestamentische onderbouw en een nieuwtestamentische bovenbouw staat echter niet in de tekst en is dus een kwestie van interpretatie. Mijn uitleg zou eerder zijn dat hier twee keer een volheid wordt aangeduid: de volheid van Israël naast de volheid van de gelovigen uit de volkeren. Deze twee worden niet genivelleerd, maar zijn niettemin in Christus één, omdat allen hun gewaden gewassen en wit gemaakt hebben in het bloed van het Lam (Openbaring 7:14).

Van deze dubbele volheid zal pas sprake zijn wanneer de geschiedenis ten einde is gekomen. De Geest is nog volop bezig met het binnenhalen van deze oogst.

Gestolen psalmen?

Ernst, ik snap wel dat je met onbegrip reageert op mijn formulering dat wij de Psalmen wel mogen delen met Israël, maar niet stelen van Israël. Het is inderdaad een scherpe uitdrukking. Maar is het niet zo dat in vele eeuwen christelijke exegese van de Psalmen vaak vergeten is dat contemporaine gelovige Joden deze liederen hartelijk liefhadden en er hun verhouding tot Jahwe in verwoord vonden? Denk bijvoorbeeld aan de vreugde van de wet, vertolkt in Psalm 119.

Dat geldt niet voor moslims, voor aanhangers van andere religies of voor atheïsten. Orthodox-gereformeerde theologen gingen graag bij rabbijnen te rade over de exegese van de Psalmen. Het is zeker waar dat er een sluier ligt over Joodse lezers die de Messias Jezus niet in de Psalmen ontdekken. Daarover zal het getuigend gesprek tussen Joden en christenen moeten gaan. Het betreft dan echter wel een bron die we samen delen.

Juist deze verbondenheid, ondanks de scheiding, is in vele eeuwen kerkgeschiedenis buiten beeld geweest. Met als verschrikkelijk gevolg de verguizing van het jodendom en zelfs dat het zaad van antisemitisme binnen een gekerstende cultuur wortel kon schieten en welig kon tieren. Wie met recht de kwalificatie vervangingstheologie afwijst, zal expliciet afstand nemen van deze eeuwenoude traditie van verguizing van de Joden.

Gereformeerde leesregel

Ik verhaspel Gods ene volk, de Kerk, en het huidige Joodse volk niet als ik uit Zacharia 1:17 de conclusie trek dat God het Joodse volk nooit zal prijsgeven, omdat het nog steeds Zijn bruid en Zijn Israël is. Opnieuw geldt dat mijn positie genuanceerder is dan jouw weergave.

Ik meen dat de HEERE niet los is van Zijn oude verbondsvolk, hoewel er in dit verbond een diepe kloof en crisis is gekomen door de verwerping van de Messias. Ten onrechte verwijt je mij dat ik een gereformeerde leesregel zou verlaten door het Oude Testament buiten het Nieuwe Testament om te lezen. Het moet je toch te denken geven dat ik mij in het gezelschap bevind van vele onverdacht gereformeerde theologen uit verleden en heden.

Je weet net zo goed als ik dat vele vertegenwoordigers van het puritanisme en van de Nadere Reformatie hebben gesproken over een bijzondere verwachting voor het volk van Israël. Zie hiervoor het proefschrift van dr. Theo van Campen, Gans Israël. Hoe zou dat toch komen? Is dat een vreemd insluipsel in hun gereformeerde theologie? Dat lijkt onwaarschijnlijk, omdat het zoveel uitnemende representanten van die theologie betreft.

Ik denk eerder dat deze verwachting voortvloeit uit de kern van het gereformeerd belijden: de HEERE is de God van het ene verbond en Hij is de verkiezende God die trouw blijft aan wat Zijn hand begon. Langs ongedachte wegen licht Gods trouw telkens weer op. Daar moeten we het allemaal van hebben.

Trechter of zandloper

Op zichzelf genomen kan het beeld van een trechter of zandloper gebruikt worden om aan te geven hoe de Schepper van hemel en aarde in Zijn heilsgeschiedenis te werk gaat, vanaf de universele inzet via versmalling naar opnieuw wereldwijde uitbreiding. Maar die weg betekent niet dat het volk Israël zelf als een gebruikte trechter terzijde kan worden gelegd.

Als je het zo ziet, misken je dat de HEERE niet afstandelijk een plan uitvoert waarin het door Hem verkoren volk slechts binnen een tijdelijk experiment figureert en vervolgens grotendeels van het toneel verdwijnt. Ik heb al gewezen op de hartstochtelijke taal van God in de profetie van Hosea en Zijn liefdesverklaring in Deuteronomium. Door heel het Oude Testament heen worstelt de HEERE om het hart van Zijn volk.

Zou Hij dan tegelijkertijd een plan uitvoeren dat inhoudt dat verreweg het grootste deel van dit volk buiten het heil valt?

Ik verwijt de Heilige Geest niet dat Hij te weinig Joden tot bekering heeft gebracht. Hoe zou ik zoiets durven? Nooit mogen we tekortdoen aan het machtige werk dat de Geest door de eeuwen heen heeft verricht. En laten we ook de factor van menselijke verantwoordelijkheid, in dit geval de verharding van Joodse kant, niet uit het oog verliezen.

Paulus, die ongetwijfeld diep dankbaar was voor iedere Jood die tot Christus kwam, bleef niettemin worstelen met de prangende vraag waarom het grootste deel van zijn volk zich verhardde. Dat hij uitzicht krijgt op een toekomst waarin geheel Israël zalig zal worden, betekent niet dat hij zich tevreden stelt met wishful thinking. Wat hem troost en tot aanbidding brengt, is een gegronde verwachting.

Overigens deel ik graag in jouw wishful thinking naar aanleiding van Romeinen 2:12 tot 16. Persoonlijk ken ik dat ook bij het lezen van Zacharia 12:9 tot 13:1. Het zal toch een geweldig wonder zijn wanneer generaties Joden die de Messias Jezus niet hebben aangenomen, op de jongste dag met Hem geconfronteerd worden die zij doorstoken hebben. Dat zij zich dan met diep verdriet zullen bekeren en alsnog gereinigd worden in de Bron van Jezus, om met terugwerkende kracht te delen in de verzoening die Hij heeft bewerkt. Als het toch zo eens mocht zijn.

Geen alverzoening

Met jou verwerp ik de gedachte van potentiële alverzoening. Ik las ooit een beeld waarin de plaats van de huidige Joden wordt vergeleken met een slapend kind in de auto. Die auto komt op zijn bestemming aan zonder dat het kind weet heeft van de weg erheen. Zo zouden de Joden zalig worden zonder kennis van de weg van de verzoening in Christus.

Dit beeld is verwerpelijk en in strijd met het nieuwtestamentisch getuigenis, bijvoorbeeld met Handelingen 4:12. Collega Henk Poot kan het beste zelf aangeven hoe de van hem aangehaalde uitspraak geïnterpreteerd moet worden. Hij stelt de vraag waarom het totale verharde deel van Israël niet gerechtvaardigd zou kunnen worden bij de komst van de Messias. Bedoelt hij dat als wishful thinking?

Laten we in elk geval duidelijk stellen dat rechtvaardiging alleen mogelijk is in de weg van het geloof in de gekruisigde en opgestane Christus. Hoe dan ook, de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE. Jood en niet Jood zullen eenstemmig het lied zingen van het Lam van God, tot eer van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

In die verwachting trekken we samen voort, Ernst. Wij kennen nog ten dele en wij profeteren nog ten dele. Maar dan zullen wij kennen zoals wij gekend zijn, tot oneindige verwondering en aanbidding.

Sjaloom, in christelijke verbondenheid,

Jan

Dit is het einde van een briefwisseling tussen Jan Hoek en Ernst Leeftink. De drie brieven van beide heren zijn in dit dossier terug te vinden.

BACH WIL VOLLEYBAL

Uit het leven van een van de stichters van het volleybalspel: Johann Sebastian (Volley) Bach (1685-1750). Een volleybalsprookje uit NETNIEUWS – de krant waarbij je nooit achter het net vist (18e PVT – 1985)

U ziet het reeds. Dit jaar geen traditioneel sprookje. In het kader van de herdenking van 300 Bach willen wij in deze krant aandacht schenken aan deze muzikant en sportliefhebber, J.S.B. Toen Johan 300 jaar geleden geboren werd, vermoedde niemand hoeveel invloed deze man in de wereldgeschiedenis zou hebben. De muzikale kant is reeds in vele bladen belicht zodat wij daar niet veel aandacht aan willen besteden. Zijn minder bekende, sportieve kant is ons van meer belang.

Al op 7-jarige leeftijd waren er twee dingen in Johanns leven van belang. De volleybal en het orgel. Vader Bach was zeer gecharmeerd door het orgelspel van Johann en vond dat dit voor Johann de toekomst was. Johann zelf wou veel liever volleyballen en hij en de volleybal waren dan ook onafscheidelijk. Elke middag na school moest Johann in de grote kerk oefenen op het orgel. Johann schrijft hierover in zijn overigens niet erg bekende dagboek: ‘Door het spelen op het orgel staalde ik de spieren van mijn vingers. Alleen zo kon ik trainen om topspeler te worden.’

’s Avonds was Johann altijd te vinden in de kaatsbaan waar hij met de jeugd aan het volleyballen was. Door zijn orgelspel waren zijn vingerspieren zo gestaald dat hij dé vedette was. Hierdoor ontving hij zijn bijnaam ‘Volleybach’.

In 1703 trad Johann in het huwelijk met een van zijn mede-volleybalsters: Anne Tenne. Het was een kort maar gelukkig huwelijk (tot 1705). De liefde van Johann blijkt heden ten dage nog uit het feit dat de naam Anne Tenne uit het volleybalspel niet meer weg te denken is. Na haar dood werd Johann depressief en begon door Duitsland te trekken. Dit duurde tot 1723. Toen kwam hij in Leipzig. Hier kreeg hij een baan als organist in de Thomaskerk. Deze baan kreeg hij slechts op voorwaarde dat hij zich van volleyballen zou onthouden. Omdat Johann toch al 38 was stemde hij toe. In zijn dagboek schrijft hij: ‘7-4-1723. De baan in de Thomaskerk heb ik gekregen. Maar ik moet stoppen met volleybal, moet zelfs mijn volleybalconcert vernietigen. Maar de wereld zal weten dat ik van volleybal hou en zal blijven houden.’

De bekende Duitse muziekspecialist Walter T. Fuga schrijft hierover: ‘Diepgaand onderzoek heeft uitgewezen dat de bekende afkorting op elk muziekstuk van Bach B.W.V. niet betekent Bachs Werke Verzeignis, maar slaat op de noodkreet uit zijn dagboek. Zeer waarschijnlijk moeten we hier lezen Bach Wil Volleybal. De ware betekenis hiervan zal wel onduidelijk blijven.’

Door twee gelukkige zaken kon Bach zijn volleybal toch voortzetten. Ten eerste werd het gezin Bach in de loop van de jaren uitgebreid met 16 kleine Bachjes. De oplettende lezer weet genoeg. Precies twee teams en elk team twee reserves.

Het tweede kwam door een intensieve briefwisseling met een ander sluimerend volleybal-enthousiast: Georg Friedrich Händel (spreek uit: hendel) (1685-1750). Deze leeftijdgenoot van Bach was ook in zijn jeugd in aanraking gekomen met het volleybalspel. Toen Bach hem schreef dat hij zijn volleybal moest staken in opdracht van de kerkmeester von Lär, reageerde Händel hierop door het bekende werk van Largo te schrijven. Vaak wordt gedacht aan de muziekterm Largo, wat ‘groot’ betekent. Toch is het beter dit te zien in het licht van Händels Engelse periode. Dan wordt het Lar-Go, of te wel: Heer von Lär, ga toch weg. Händel zag heel goed dat volleybal en muziek eigenlijk bij elkaar horen als de linker en de rechter pijp van een broek. Gesterkt door de wetenschap dat Händel achter hem stond ging Bach door met het illegaal trainen van zijn kinderen. Het resultaat is bekend. Vier zoons zijn door het volleybal befaamde componisten geworden. Door hun rugnummers zijn zij bekend als Bach One [1], Bach Two, Bach Three en Bach Four. Dat dit Engels werd was een dankbetoon aan Händel.

Door de zijdelingse betrokkenheid van Bach bij het volleybalspel werd zijn weerstand tegen de besluiten van von Lär groter. Steeds openlijker liet Johann blijken dat he volleybal niet uit zijn leven wilde bannen. Dit begon met het schrijven van het scheidsrechter-fluit-concert in C groot. Dit accepteerde von Lär nog. De spannende rondedans voor supporters was echter de druppel die de emmer deed overlopen. Vooral het nu nog veel gezongen Olé ole … enz. vond von Lär zo afschuwelijk, dat hij Bach op 65-jarige leeftijd ontsloeg.

De lezer kan nu denken dat het nu alleen nog maar goed af kan lopen met Bach, maar niets is minder waar. Al snel raakte Johann aan lager wal. Door de anti-propaganda van von Lär kon hij zijn muziekstukken alleen voor zeer lage bedragen kwijt. De Spaanse rondedans (BWV 291 bis) bracht 7 schilling op; andere werken van hem werden ne zo geboycot. Zo kreeg hij voor de volgende muziekstukken slechts ƒ 75,– (omgerekend in hedendaagse munt):  * Canon voor 3 koren (BWV 302), beter bekend als het Na na na – lied; * Sonate in F (BWV 309) en * zijn Canon in C ‘Sie läufen niemals allein’. Dit is altijd onbekend gebleven. Veel bekender is Händels cover ‘You never walk alone’. Dit hoort men heden ten dage nog in stadion en volleybalzaal.

Zo stierf Bach in 1750 in grote armoede. Een man van karakter die voor zijn mening durfde uit te komen, ook al was dit ten koste van hemzelf. Laat ons dat in het jaar van de muziek en het jaar van de jeugd tot nadenken stemmen. Wanneer men Bach op de draaitafel legt, herinner u wat hij voor het volleybal in het prilste stadium betekend heeft.

SESAM


[1] Bach-One spreekt men wel uit als ‘Bach Wan’, maar hij dient niet verward te worden met Baghwan

57e PVT in ASSEN 2026 – een christelijk volleybalfestijn

PVT logo

Een week lang volleyballen en  plezier maken op het PVT. Dat doen al sinds 1968 gereformeerd-evangelische (vroeger: vrijgemaakte) scholieren en studenten uit heel het land in de voorjaarsvakantie in Assen. (OK: de belangstellende volger van het PVT die in de jaren ’70 meespeelde, in de jaren ’80 mee-organiseerde en nu als tientallen jaren gastouder is, zal ogenblikkelijk opmerken dat er de eerste 25 niet in de voorjaarsvakantie, maar in de paasvakantie gevolleybald werd).

PVT 2015 - Twente

De zondag vóór het PVT is gebeden om een fijne PVT-week. Niet voor niets vindt de opening op woensdagmorgen ook altijd plaats in de grootste NGK-kerk van Assen, De Kandelaar. Op de feestavond wordt de laatste jaren geprobeerd er een serieus christelijk accent aan te geven. En op zaterdag wordt bij de prijsuitreiking midden in de sporthal God ook hardop  bedankt voor het gehouden toernooi.

PVT 2012 - Twente collage
PVT 2014 dames finale

Prachtig vind ik dat. Want daarmee geef je aan, dat je samen als christenen een sportief feestje kunt en wilt bouwen. Dat past helemaal bij het beeld dat God heeft van jongeren. Tenminste, dat lees ik in Prediker 11. Daarin schrijft Salomo: “Geniet dus, beste vriend, van je jonge jaren, haal je hart op aan de dagen van je jeugd. Volg de wegen die je hart wil gaan, gun je ogen wat ze wensen. En onthoud bij alles wat je doet dat God je aan zijn oordeel onderwerpt. Belast je hart niet met verdriet en houd je lichaam vrij van kwalen, want je jeugd en jonge jaren zijn al snel voorbij. Gedenk daarom je Schepper in de dagen van je jeugd.”

Geniet mét God. Geniet als christen van het hele PVT. Dan kun je, zeg maar, je Schepper en ook Jezus je Redder recht in de ogen kijken bij al het plezier tijdens vier dagen Assen.

PVT 2015 - Nijmegen 2

Natuurlijk, er gebeuren ook altijd wel dingen waarvan je denkt: moet dat nou? En dan bedoel ik niet de berichten uit de rubriek ‘Wat-dacht-je-wat’  van Netnieuws, zoals die oprjochte Fries uit één van de studententeams van een paar jaar geleden die bij zijn pleegouders elke morgen een liter melk met Brinta naar binnen werkte. Het gaat dan meer over wat vroeger van de Witter Brug gezegd werd: ‘een brug te ver’ of ‘bridge over troubled water’. Rond de millennium-wisseling hebben die zorgen zich verplaatst naar De Pimpelaar, waar volgens sommigen de gereformeerde jongeren behoorlijk aan de pimpel sloeg.  Tegenwoordig verspreidt met zich wat meer over diverse gelegenheden in de stad, heb ik begrepen. En of iedereen op de feestavond voor die duidelijk christelijke inbreng wel de juiste eerbied weet op te brengen, is in de afgelopen jaren ook wel eens de vraag geweest.

PVT 2014 finale
PVT logo

Er zal best wel een kern van waarheid zitten in dat soort kritiek. Maar de vraag is dan: hoe ga je daar als ouders en ouderen mee om? Wat dat betreft vind ik, als ik voor mezelf mag spreken,  Job een mooi voorbeeld. In zijn gezin bouwden de 10 kinderen ook regelmatig een feestje. En Job was daar niet bij – dat moet je als ouders meestal ook niet willen. Maar hij vroeg na afloop wel altijd aan zijn 7 zonen en 3 dochters, hoe het geweest was. En bracht dan een offer voor elk van hen, “want hij dacht bij zichzelf: misschien hebben mijn kinderen wel gezondigd en God in hun hart vervloekt.” Dit deed Job na elk feest weer, staat er in Job 1.

Die betrokkenheid van veel ouders en ouderen is er hoop ik ook bij het PVT. Een fijn sportfestijn. Een christelijke happening. Om God voor te bedanken, en dus omringd door gebed, zonder daar zweverig over te doen.

Foto’s: Karla Leeftink 2012 / 2014 / 2015

Mijn gelukkig lot

Vorig jaar viel de 59,7 miljoen van de Postcodeloterij in ons mooie dorp Balkbrug. Een week later was ik aan de beurt voor de korte overdenking in ons plaatselijk blaadje “De Reestdalpost”. Die column ging, hoe kan het anders, over ‘Mijn gelukkig lot.’ Hieronder te lezen als terugblik.

“Nieuwjaarsdag 2025 was in Balkbrug en 7707-omstreken een dag om niet gauw te vergeten.

Wij hadden geen lot. Iemand vroeg me: ‘Vind je dat nu niet jammer?’ Ik geef op die vraag altijd het Cruijffiaanse antwoord: Andermans voordeel is niet mijn nadeel. Gelukkig zie ik in ons dorp bij iedereen een gunnende nuchterheid richting de gelukkigen.

Vroeger deden veel christenen niet mee aan loterijen, want een visje van een tientje uitwerpen om een dikke snoek van vele duizendjes te vangen was een vorm van gokken. Het is weggegooid geld – behalve als je een keer ongelooflijk veel geluk hebt.

Meedoen met de middenstandsverloting in december mocht daarentegen wel. Want dan kocht je geen loten, maar hoefde je alleen maar je kassabon met naam en adres in één van de tonnen bij de bakker, de bloemist of de boekhandel achter te laten.

Zo won mijn schoonmoeder ooit een prachtige naaimachine. Die accepteerde ze zonder gewetensbezwaren, terwijl ze haar hele leven nooit één lot gekocht heeft, ook niet als er kinderen aan de deur kwamen voor de Grote Club Actie. Die kregen gewoon een paar guldens of euro’s mee.

Ten diepste is de vraag: waar wordt een mens echt gelukkig van? Het antwoord op die vraag haal ik uit een mooi psalmvers: Maar dit is mijn gelukkig lot: te mogen schuilen bij mijn God.

Dominee Ernst Leeftink”

 BalkbrugBijbelChristen zijnethiekgeldgokkenhebzuchtJezus ChristusloterijPaulusPostcodeloterij

Kerstbrief van Jezus

Hallo jij!

Zoals je wel weet komt mijn verjaardag dichterbij. Elk jaar wordt dat uitgebreid gevierd. Ik denk dat dat dit jaar ook wel weer zo zal zijn. Veel mensen zijn alweer druk bezig met het kopen van kado’s. Ja, je merkt echt dat dat mijn verjaardag dichterbij komt. Langzaamaan komt iedereen in de feeststemming.

Ik vind het echt mooi om te weten dat tenminste één keer per jaar zoveel mensen aan mij denken. Zoals je weet begon de viering van mijn verjaardag lang geleden. In het begin waren de mensen blij met mij en dankbaar voor alles wat ik voor hen gedaan had. Maar tegenwoordig lijkt het of niemand nog de reden van het feest weet.

Ik weet nog dat er vorig jaar ergens een groot feestmaal werd georganiseerd ter ere van mij. De tafel was gedekt, vol met heerlijke gerechten, toetjes, fruit, noten, chocola en wijn. De versieringen waren super-de-luxe, met veel engeltjes. En er waren veel, heel veel ingepakte kadootjes.

Maar weet je, niemand had eraan gedacht om mij uit te nodigen. Het feest was voor mij, maar toen de grote dag kwam, lieten ze me buiten staan. Ze deden de deur voor m’n neus dicht. En ik wilde nog wel zo graag bij hen aan tafel zitten. Maar eigenlijk was ik helemaal niet verbaasd, want de jaren ervoor ging dat bijna overal ook al zo.

Omdat ik niet uitgenodigd was, besloot ik stilletjes via de achterdeur naar naar binnen te gaan. Zonder een geluid te maken, onopvallend, bleef ik in een hoekje staan toekijken. Het feest was in volle gang en ze hadden het erg gezellig met elkaar. Op een gegeven moment kwam er ook nog een grote dikke man met een witte baard binnen. Hij had rode kleren aan en riep aldoor ‘Ho! Ho! Ho!’ Het leek wel of hij dronken was. Hij ging op de bank zitten en alle kinderen renden naar hem toe en riepen: “Kerstman, Kerstman”. Alsof het feest ter ere van hem was! Daarna gingen ze de kadootjes uitdelen. Vol verwachting openden ze één voor één de pakjes. Ik keek of er misschien ook eentje voor de jarige bij zat – voor mij dus. Niet  dus.

Hoe zou jij je voelen als op jouw verjaardag iedereen kadootjes aan elkaar geeft, behalve aan jou? Ik begreep toen dat mijn aanwezigheid op het feest niet op prijs werd gesteld, dus verliet ik stilletjes de zaal. En ieder jaar wordt het erger. Mensen denken alleen aan gezelligheid en harmonie. Aan eten en drinken. Aan kadootjes onder een versierde kerstboom. Maar bijna niemand staat stil bij mij. Bij mijn verjaardag.

Weet je wat ik mooi zou vinden? Als jij MIJ bij het komende Kerstfeest uitnodigt. Zodat ik echt in jouw leven kom. Ja, ik zou het zo gaaf vinden als jij er blij mee bent dat nu alweer 2000 jaar geleden ik naar deze wereld kwam om mijn leven te geven voor alle mensen. Aan het kruis. Ook voor jou! Om jou te redden. En ik hoef echt geen kadootjes op mijn verjaardag wil. Ik heb alles al. Het enige wat heel graag wil is, dat jij dit echt gelooft, met je hart.

Ik wil nog iets met je delen. Omdat niemand mij meer uitnodigt, ga ik zelf een feest geven. Een huge feest, zo geweldig dat niemand het zich echt kan voorstellen. Een spectaculaire party. Ik ben nog bezig om de laatste dingen te regelen.

Maar ik heb de uitnodigingen al klaar. Er is er ook een voor jou bij. Je plaats is gereserveerd! Wat denk je, wil je er graag bij zijn? Laat het me even weten. Dan schrijf ik jouw naam met gouden letters in het gastenboek. Dan laat ik je binnen , wanneer het zover is. Ik zie er naar uit om je te ontvangen! Ja, ik hoop echt dat jij er bij zult zijn!

Tot gauw!

Liefs, Jezus

Ook hier te beluisteren (minuut 52:15 t/m 56:16)

De breuk in de CGK: de Rijnsburggroep begint een nieuw top-down-kerkverband

Een kerk die de drieslag ‘Schrift, belijdenis, kerkorde’ uitbreidt met een vierde element: strikte binding aan alle synodebesluiten totdat op een volgende synode het tegendeel blijkt, heeft de zelfstandigheid van plaatselijke gereformeerde kerken ingewisseld voor het ideaal van één landelijke hervormde kerk met plaatselijke afdelingen.

Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken kiezen de ongeveer 70 kerken van de Rijnsburggroep voor deze manier van kerk-zijn. Dat is hun goed recht, maar daarmee breken ze met de CGK en beginnen een nieuw kerkverband. Daarin zijn ze eerlijk: ze vinden dat er geen basis meer is om samen met een ander deel van de 181 CGK-kerken door één bijbelgetrouwe deur te kunnen.

Helaas doet de Rijnsburggroep dat met slaande deuren. Alle oproepen om het op een kerkrechtelijk zuivere manier te doen slaat men in de wind.

Unaniem adviseerden alle hoogleraren ruim een jaar geleden: wijs een nieuwe synode aan, want anders ga je tegen je eigen kerkrecht in. Maar de meerderheid van de synode sloeg die waarschuwing in de wind en sloot zich na sluiting van de synode bij ‘Rijnsburg’ aan.

Twee kerkrechtdeskundigen die binnen de CGK hoog in aanzien staan gaven in opdracht van de Theologische Universiteit van Apeldoorn aan: “Het staat plaatselijke kerken in beginsel vrij om zich aan de bestaande vergaderstructuur te onttrekken en eigen vergaderstructuren te organiseren. Maar als zij besluiten dat te doen, maken zij zich daarmee los van het bestaande landelijk kerkverband van de CGK.” Toch was dit voor ‘Rijnsburg’ geen reden om op de ingeslagen weg voort te gaan.

Na sluiting van de synode ging het oud-moderamen verder als ‘deputaatschap vertegenwoordiging’ om, zoals gebruikelijk, in alle lopende zaken de CGK van advies te dienen of te vertegenwoordigen tot aan een nieuwe synode. Alle vijf de leden van het oud-moderamen aanvaardden die benoeming en zagen zichzelf nog steeds als wettige vertegenwoordigers van de hele CGK. Op nadrukkelijk verzoek van de wereldlijke rechter wezen ze toch de CGK Hoogeveen aan als samenroepende kerk voor een nieuwe synode. Maar meteen daarna stapten vier van de vijf oud-moderamenleden op. Alle andere taken die hen waren toevertrouwd, vonden ze minder belangrijk dan de moeite die ze hadden met het terugdraaien van een kerkrechtelijke dwaling door één kerk te laten doen wat ze zelf niet hoefden organiseren. Als ik het zo inschat, stonden zeker drie van hen al achter de door ‘Rijnsburg’ ingeslagen weg toen ze nog wel deputaat waren.

Op donderdag 30 oktober deed het inmiddels weer voltallige deputaatschap vertegenwoordiging een oproep aan de Rijnsburggroep om een broederlijk gesprek over de ontstane situatie. “De bereidheid tot een gesprek is er wederzijds”, was de in het Reformatorisch Dagblad uitgesproken verwachting. Maar nog geen tien dagen later, op zaterdag 8 november, nodigde ‘Rijnsburg’ de 70 CGK-kerken die in Veenendaal aanwezig waren op het verontrusten-convent uit voor een volgende bijeenkomst op 29 november. De insteek daarvan zal zijn om een “roepende kerk” aan te wijzen om “algemene vergadering die hetzelfde gezag heeft als een synode” voor te bereiden. Die algemene vergadering heeft dan als doel “om te komen tot het herstel van de synodale structuur, inclusief een classicale herindeling.” (citaten uit RD 10 november).

Hier kondigt zich de geboorte van een nieuw kerkverband aan. En dat snap ik. Een meerderheid binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken wil van de visie op de vrouw in het ambt geen breekpunt maken. Al 1998 is door de generale synode uitgesproken dat wie op bijbelse gronden vóór vrouwelijke ambtsdragers is, ten volle ambtsdrager kan blijven binnen de CGK. Ter wille van de eenheid is toen ook besloten om er landelijk geen ruimte voor te geven. Dat besluit wordt door steeds meer plaatselijke CGK-gemeentes genegeerd, omdat men binnen de eigen gemeente die ruimte wel ziet én een kwart eeuw later ook neemt. Daarmee brengen die kerken de rechterflank in gewetensnood, die zich nooit heeft kunnen vinden in de tolerantie van 1998, maar elke visie die vóór de vrouw in het ambt is, als onschriftuurlijk en niet gereformeerd beschouwt. Nu die visie ook door zo’n 30 CGK-gemeentes gepraktiseerd wordt, is de grens bereikt. De meerderheid van de 181 CGK-kerken gemeentes wil echter de vrouw-in-het-ambt-gemeentes niet uit het kerkverband zetten. Dus stapt de Rijnsburggroep er nu zelf uit.

De manier waarop men dat doet verdient echter geen schoonheidsprijs. Aan alle kanten roept ‘Rijnsburg’ (vooral bij monde van het CGBeraad) dat er geen kerkverband meer is en dat alles van onderaf moet worden opgebouwd. Dat lijkt mij volstrekt onjuist. Er is nog wel een kerkverband, maar een (grote) minderheid wil niet meer verder met de meerderheid. Sterker nog: men geeft sinds 8 november openlijk aan, van onderop een parallel kerkverband te willen opbouwen.

Een parellel kerkverband is, als het oude kerkverband nog funktioneert, een nieuw kerkverband. Zo ging dat ten tijde van de Afscheiding van 1834, de Doleantie van 1886 en de Vrijmaking van 1944. Het zou de Rijnsbruggroep sieren om in deze zelfde lijn ook een oproep tot wederkeer te doen uitgaan aan de in hun ogen dwalende meerderheid. Maar dat doet men niet. Men beweert in grote bewoordingen dat er geen CGK meer is en dat hun groepering van 70 met de wederopbouw van de CGK gaat beginnen.

Naar interne pretentie mag men zichzelf zien als de voortzetting van het afgedwaalde kerkverband, maar men is dat niet. De bovengenoemde kerkjuristen schreven in hun notitie dat je het vergelijken kunt met mannenkoor Asaf dat 100 leden telt. Als daarvan 40 leden op een andere avond gaan zingen en beweren: ‘Wij zijn Asaf en die andere groep is dat niet’, is dat onjuist. Want in een vereniging -en een gereformeerd kerkverband is een vereniging van zelfstandige plaatselijke kerken- bepaalt de meerderheid de koers. De opmerking van een andere jurist die het opneemt voor de Rijnsburggroep, dat als 40 van de 100 leden van mannenkoor Asaf zich afsplitsen, er geen ‘Asaf’ meer is, maar dat de meerderheid zich dan maar ‘Ethan’ en de minderheid zich ‘Jeduthun’ moet noemen, raakt echt kant noch wal.

Eén ding is nog opmerkelijk bij de stichting van dit nieuwe kerkverband: men noemt zich gereformeerd, maar als eerste kerkverband dat uit de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886 ontstaan is, voegt men aan de drieslag ‘Schrift – belijdenis – kerkorde’ een vierde criterium toe, nl. ‘synodebesluiten’. Oftewel: als de landelijke synode gesproken heeft, moeten alle kerken zich daar onverkort aan houden. Daarmee wordt het gereformeerd kerkrecht de nek omgedraaid. Want binnen het gereformeerde kerkrecht is een synode niet het hoogste orgaan, maar blijft dat altijd de plaatselijke kerk. Dus mag volgens gereformeerd kerkrecht de ene kerk niet over een andere heersen en houden plaatselijke kerken zich in alles aan synodebesluiten tenzij bewezen wordt dat zij in strijd zijn met Gods Woord, de belijdenis en de aangenomen kerkorde.

‘Tenzij’ betekent hier: wanneer een plaatselijke kerk dat zelf goed onderbouwd kan doen. Dan is er binnen het gereformeerde kerkrecht een ruimte mate van christelijke vrijheid, in het vertrouwen dat een plaatselijke kerk daar geen misbruik van maakt door independentistisch z’n eigen gang te gaan.

‘Tenzij’ betekent niet: totdat een volgende synode een besluit terugdraait. Dat laatste is kenmerkend voor een top-down-kerk zoals de PKN en de HHK. Die heten landelijk ook niet voor niet ‘Protestantse KERK’ en ‘Hersteld Hervormde KERK’, want de landelijke organisatie is de kerk en de plaatselijke gemeentes zijn afdelingen. Die kant wil de Rijnsburggroep nu ook op. Daarmee wordt, zoals ik zei ooit in een diskussie met ds. P. van Gurp, de predikant die mij doopte en in het ambt bevestigde, naast Schrift en belijdenis ook de traditie bindend van bovenaf opgelegd.

Wat ik dan niet snap van de bezwaarde broeders die nu de CGK verlaten en bezig zijn een eigen, nieuw kerkverband op te richten: waarom niet meteen aansluiting bij de HHK gezocht als je toch de gereformeerde drieslag uitbreidt met een vierde element? Aan de andere kant: als je eerst zelf een redelijk stabiel nieuw kerkverband gevormd hebt, kun je ook beter en op gelijkwaardige basis het gesprek aangaan met een kerkverband dat dicht tegen jouw kerkvisie aanligt. Want, om positief af te sluiten: in de afgelopen twee jaar is niet alleen de CGK uit elkaar gevallen, maar hebben er ook twee kerkenfusies plaatsgevonden (NGK+GKV in 2023, DGK+GKN in 2024). ‘Opdat zij allen één zijn’ en als mannenkoor Asaf Psalm 133 zingen kan dus wel.

Strategisch stemmen, je krijgt er geheid spijt van – kies met je hart, niet met je rekenmachine –

Een strategische stem is een verloren stem. Dat vindt Ad de Boer, Nederlands journalist, politicus en 13 jaar lang directeur van de Evangelische Omroep. Hij schreef een opinie-artikel dat ik met zijn toestemming hier mag plaatsen. Het verscheen ook op 24 oktober in het Nederlands Dagblad. Hier volgt het artikel.

Kies met je hart, niet met je rekenmachine

Het lijkt bij elke verkiezing sterker te worden: de drang om strategisch te stemmen. Politieke voorkeur wordt ingeruild voor kansberekening, de eigen overtuiging wordt achtergesteld bij de optelsom. In talkshows, kranten en peilingen draait het wekenlang om één vraag: wie wordt de grootste? Alsof politiek een wedstrijd is met maar één winnaar. En ondertussen schuiven kiezers heen en weer van het CDA naar de ChristenUnie of juist omgekeerd, van de SP naar PvdA/GL, van de VVD naar de PVV, allemaal in de hoop dat hun stem daar net wat zwaarder telt.  

Strategisch stemmen: niet stemmen op de partij waar je het meeste mee eens bent, maar op je tweede keus: de partij die je groter dan een ander wilt maken. Daarin spelen de peilingen en de rekenarij op grond daarvan een grote rol. Strategisch stemmen is een betrekkelijk nieuw fenomeen. Voor pakweg 2000 stemden kiezers gewoon op de partij die hun hart had, op hun eerste en vaak enige keus op grond van het verkiezingsprogramma en de politieke praktijk. Door dik en dun, in goede en kwade tijden. Het zijn de media die daarin verandering hebben gebracht. Die creëerden steeds vaker een tweestrijd tussen twee partijen – wie wordt de grootste? – of twee lijsttrekkers – wie wordt de premier? Zo’n tweestrijd met de peilingen als brandstof maakt het spannend, is goed voor de kijk- en oplagecijfers en je kunt het er tot de laatste dag mee volhouden.

Ik heb de afgelopen 25 jaar veel mensen gesproken die via zo’n strategische stem een keer een uitstapje naar een andere partij hadden gemaakt. Zelden was er iemand bij die achteraf blij was met zijn of haar keus. Ze waren vooral teleurgesteld over hoe het had uitgepakt. En dat is niet zo vreemd.

Mijn bijdrage is een soort preek met als thema: Strategisch stemmen, je krijgt er geheid spijt van. Want 1. Het is zinloos. 2. Het is nodeloos. 3. Het is niet kosteloos.

STRATEGISCH STEMMEN IS ZINLOOS

Nederland is Amerika niet. Daar wint altijd één van de twee partijen of kandidaten. Er is een echte tweestrijd met altijd een winnaar en een verliezer. Maar in ons ingewikkelde veelpartijenstelsel werkt het heel anders. De grootste partij heeft niet altijd het voortouw bij de kabinetsformatie en komt ook lang niet altijd in een nieuw kabinet terecht, zoals de PvdA in 1977 ervoer en zoals nu de PVV vanwege alle uitsluitingen door andere partijen te wachten staat. En de lijsttrekker van de grootste partij wordt lang niet altijd de minister president. Politici als Willem Drees, Barend Biesheuvel en Ruud Lubbers werden premier, zonder dat hun partij de grootste was. Nederland is een coalitieland en hoe zo’n coalitie er uit komt te zien, is afhankelijk van veel meer factoren dan wie de grootste wordt. Strategisch stemmen is dus in ons systeem zinloos.

STRATEGISCH STEMMEN IS NODELOOS

In de tweede plaats is strategisch stemmen ook nodeloos, onnodig. Het is in ons politieke bestel evenmin zo dat de grootste partij in een kabinet het meeste te zeggen heeft. Alle partijen, ook de kleinere, moeten instemmen met het regeerakkoord en hebben daar dus een beslissende invloed op. Het ‘nee’ van een kleine partij is net zozeer een veto als het ‘nee’ van een grote partij. Toen de ChristenUnie in 2022 nee zei tegen de VVD-eis dat bij asielmigratie de gezinshereniging geschrapt moest worden, viel het kabinet, ook al was de ChristenUnie klein en de VVD groot. Je kunt zelfs zeggen dat de grootste partij relatief minder invloed heeft in een kabinet dan de kleinere partijen. Zeker de premier, niet zelden de leider van de grootste partij, voelt zich verantwoordelijk voor het bij elkaar houden van de boel en zeilt daarom met zijn partij minder scherp aan de wind dan de kleinere partijen op de flanken. Die drukken vaak een groter stempel op het kabinetsbeleid dan de grote.

Wat bij kabinetsdeelname geldt, geldt ook als een partij buiten het kabinet blijft, zeker in de huidige politieke verhoudingen. Daarin is een kabinet dat gebaseerd is op een grote Kamermeerderheid uitgesloten. Een kleine Kamerfractie met drie of vier zetels kan ook buiten het kabinet een doorslaggevende invloed hebben op het beleid via coalities met andere Kamerfracties. De afgelopen jaren is dat op tal van momenten zichtbaar geworden. Ook in kwaliteit verslaan kleine fracties grote fracties soms met lichtjaren, blijkt uit onafhankelijk onderzoek. De ChristenUnie-fractie kreeg in de afgelopen jaren met drie zetels veel meer voor elkaar dan de PVV-fractie met 37 zetels. Juist kleine fracties maken vaak het verschil.

STRATEGISCH STEMMEN IS NIET KOSTELOOS

En dan het derde punt. Strategisch stemmen is niet kosteloos. Een strategische stem op het CDA (‘alleen voor deze ene keer maar’ …) ten koste van de ChristenUnie garandeert dus niets, maar levert wel grote risico’s op. Het zou zomaar kunnen dat daardoor de onbekende en onervaren nummer 24 of 25 van het CDA wordt gekozen ten koste van Don Ceder, de nummer drie van de ChristenUnie. Dat zou deze ervaren parlementariër (volgens de Nationale Politieke Index het beste en meest effectieve Kamerlid van het afgelopen jaar) met grote inzet voor daklozen, mensen met schulden, jongeren in de jeugdzorg en vervolgden wereldwijd, de politieke kop kosten. Maar het zou ook de omvang van de fractie en van het ondersteunende team en daarmee hun slagkracht en invloed met maar liefst een derde reduceren. Die amputatie kan de dure prijs zijn van een strategische stem.

Veel kiezers die overwegen strategisch te stemmen, beseffen niet dat wat zij ermee denken te winnen elders tot pijnlijk verlies lijdt. Ontrouw worden aan de liefde van je hart, misschien zelfs je eerste liefde, kost wat. Niet doen, is mijn advies. Je krijgt er spijt van. Kies met je hart, niet met de rekenmachine. Laat je hoofd niet op hol brengen door de wedstrijd die de media ervan maken. Ga voor je eerste, niet voor je tweede keus. Een partij die past bij jouw diepste overtuiging, bij jouw hart. Die opstaat voor gerechtigheid én barmhartigheid, voor de vrijheid om te geloven en je geloof te beleven – thuis, op straat en op school, voor de zwaksten onder Gods schepselen in en buiten Nederland, voor de o zo kwetsbare schepping van God.

Ga op 29 oktober niet voor de grootste, maar voor de beste. Nergens in mijn Bijbel vind ik een voorkeur van God voor groot, groter, grootst, maar juist voor het kleine of de kleine: een kind in een kribbe, een mosterdzaadje, een stukje zuurdeeg, een Gideonsbende. Die strategie van Gods Koninkrijk in het stemhokje toepassen leidt pas echt tot een strategische stem.

Geef als christen stem aan je geloof – ook op 29 oktober

Je hebt van die programma’s, daar kijkt heel Nederland naar. ‘Wie is de mol?’ is daar één van. Het leuke aan dat programma vind ik, dat alle deelnemers bondjes sluiten met elkaar, maar die ook weer even snel verbreken als het hun uitkomt. Want uiteindelijk gaat iedereen voor zichzelf.

In de tijd van Jezus sluiten de Farizeeërs en de Herodianen een monsterverbond. Ze willen, vanuit volstrekt tegengestelde belangen, Jezus mollen (meer uitleg in de preek over Markus 12:13-17). Dus stellen ze Hem deze vraag: ‘Moeten we als gelovige Joden belasting aan de keizer betalen of niet?’ En Jezus geeft als antwoord: ‘Geef aan de keizer wat van de keizer is. En geef aan God wat God toebehoort.’

Als je als christen niet op een christelijke partij stemt, moet je ook niet klagen dat Nederland zo onchristelijk wordt.

Dat van de keizer, dat snapten ze wel. Betaal die belasting nou maar gewoon. Want de manier waarop God voor je zorgen wil, dat doet Hij ook door jou en mij een plek te geven in de samenleving, in de maatschappij, door middel van onze regering (Prediker 8:2, Romeinen 13:1-7, 1 Petrus 2:13-17). Dus als je zegt dat je in God gelooft, geef daar dan ook vorm aan in het gewone leven. Ook door te doen wat de overheid van je vraagt. Behalve als dat echt tegen Gods geboden ingaat.

Voor ons gevoel een antwoord waarmee Jezus de kool en de geit spaart. linksom of rechtsom. Geef ze allebei een beetje – de overheid en God. Maar zo hebben de eerste hoorders het niet opgevat. Ze voelen zich schaakmat gezet. Waarom? Omdat ze heel goed begrijpen dat Jezus hiermee niet alleen iets over de keizer en over God zegt, maar ook iets over Zichzelf.

‘Deelnemen aan de samenleving met een open oog voor het publieke belang behoort voor een christen heel gewoon te zijn.’

Het lijkt alsof Jezus het vooral heeft over belasting betalen. Maar de toepassing is breder. Op woensdag 29 oktober zijn er weer verkiezingen voor de Tweede Kamer. We leven in een vrij land. Die vrijheid betekent voor christenen ook een grote verantwoordelijkheid. Kars Veling, samen met Tim Keller één van de meest wijze en zachtmoedige christenen die ik ooit gekend heb, zei eens: ‘Deelnemen aan de samenleving met een open oog voor het publieke belang behoort voor een christen heel gewoon te zijn.’

Dat deelnemen aan de samenleving begint met de oproep van de overheid om je stem te laten horen als het gaat om de vraag: hoe wil jij dat Nederland bestuurd wordt? Als Jezus jouw Heer is en Hij zegt tegen jou: ‘Geef aan de keizer wat van de keizer is’, betekent dat volgens mij vandaag dat Hij van jou vraagt om die stem ook echt uit te brengen. Wie niet naar de stembus gaat maar thuis blijft, wordt niet alleen een roeptoeter aan de zijlijn, maar is ook ongehoorzaam aan God.

Maar Jezus zegt er nog iets bij: ‘En geef aan God wat God toekomt.’ Oftewel: stem niet alleen als burger, maar geef ook je geloof een stem. Breng ook als christen je stem uit. Laat zien dat onze God het goede zoekt voor ons land en voor heel de samenleving. Dat doe je volgens mij het best door als christenen op een medechristen te stemmen. Want dan weet je zeker dat ook in de Tweede Kamer de Naam van de HERE genoemd wordt. Natuurlijk kun je ook op een niet-christelijke partij stemmen die zegt jouw persoonlijke belangen of het belang van onze kultuur of van onze welvaart of van onze samenleving of van het klimaat te behartigen. Maar heeft zo’n partij ook de eer van God op het oog? Laten die zich samen motiveren door de Bijbel? Bidden zij om de wijsheid van de Heilige Geest om het goede voor stad en land te zoeken, zoals de HERE in Jeremia 29 vers 7 alle gelovigen opdraagt?

Als ik als christen mijn geloof geen stem meer geef, moet ik als christen ook niet klagen dat Nederland steeds onchristelijker wordt. Dus geef stem aan je geloof op woensdag 29 oktober! Stem op een medechristen in wie jij vertrouwen hebt. Een Daniël of Daniëlla die in de politiek opkomt voor het belang van alle burgers én voor de eer van God!

‘Doop hem en hang hem op!’ – Over Charlie Kirk, zijn moordenaar en Paulus

Er is veel ophef ontstaan rondom de moord op Charlie Kirk, de conservatieve jonge Amerikaan met nogal stevige eigen standpunten. Toch ging hij altijd het gesprek aan met andersdenkenden. Vooral op universiteiten leidde dat vaak tot stevige debatten. Totdat iemand hem vermoordde. Ik kende Charlie Kirk niet voordat ik dat laatste hoorde. Dus ik begrijp niet waarom veel christenen van hem een tweede Stefanus maken. Die vergelijking  gaat helemaal niet op. Stefanus was de eerste christelijke martelaar, die voor Jezus opkwam in een zaal vol Joodse geleerden die hem vanwege godslastering stenigden. Het publiek waar Charlie voor sprak, waren welwillende luisteraars die het óf helemaal met hem eens waren óf graag met hem diskussieerden.  Zelfs als ze het totaal met hem oneens waren, piekerden ze er niet over om hem te stenigen.

Het zijn de emoties van het moment, denk ik, bij veel Amerikaanse en ook Nederlandse christenen, waardoor ze nu massaal overgaan tot de heiligverklaring van Charlie Kirk. Bijna 20 jaar geleden ging er eenzelfde schok én eenzelfde reaktie door Nederland na de moord op Pim Fortuyn.

Waar ik echt van geschrokken ben is de onverdraagzaamheid van een aantal orthodoxe christenen als het gaat over de vraag: wat moeten er met de moordenaar van Charlie Kirk gebeuren? Velen roepen: ‘Die man verdient de doodstraf!’ Dat zou binnen het Amerikaanse rechtssysteem best kunnen. Maar daar gaat de rechter over. Niet het publiek.

Ik kwam een bericht op Twitter tegen, waarin Joel Webbon de vraag stelt: “What would I say, if Charlie Kirk’s killer repented and put his faith in Christ?” Zijn antwoord is: “He is now my brother in Christ. Bring water and rope. Baptize him, and then hang him.” Dat bericht werd in Nederland instemmend gedeeld door Daniël van Deutekom, iemand die zichzelf ‘Evangelist, man met mening’ noemt en die op zijn YouTube-kanaal ‘God First’ zegt: “Na de moord op Charlie Kirk is ALLES veranderd”. Daniël herhaalt niet alleen de woorden “Doop hem en hang hem”, maar schrijft er instemmend bij: “Amen. Genade voor de ziel én gerechtigheid voor het lichaam.”

Ik vind dit ontluisterend. Het getuigt op geen enkele manier van de milde vergevingsgezindheid van Jezus Christus. Sterker nog: wie denkt dat dit het Evangelie is, heeft met deze stelling ‘Doop hem en hang hem op’ de belangrijkste evangelist van het Nieuwe Testament monddood gemaakt, namelijk Paulus. Want wie was Paulus? Dat was, toen hij nog Saulus heette, degene die van harte instemde met de moord op Stefanus. Hij wilde daar dolgraag ook zijn steentje aan bijdragen, maar hij was te jong. Dus droeg hij de jassen van de leden van het Joodse Raad toen zij de doodstraf op Stefanus voltrokken. En daarna ging hij als eerste christenvervolger zo fanatiek achter alle aanhangers van Jezus aan, dat iedereen de gruwelijkheden ervan hoorde.

Totdat Jezus ingreep. Saulus was op weg Damaskus om ook daar die christelijke ketters hun huizen uit te slepen. Maar vlak voor de poort zag hij opeens een licht zo fel, dat hij er blind van werd. En hij hoorde de stem van Jezus: “Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?” Drie dagen later werd Saulus genezen van zijn blindheid en, belangrijker nog, van zijn ongeloof. Hij werd gedoopt. En daarna …. NIET opgehangen omdat hij medeplichtig was aan de moord op Stefanus en zelf ook misdaden tegen de menselijkheid begaan had door op gruwelijke wijze christenen te vervolgen. Integendeel: hij werd een krachtig instrument in de hand van de Heer om de naam van Jezus uit te dragen onder alle volken en al de Israelieten.

Wie nu roept dat als de moordenaar van Charlie Kirk zich bekeert, hij na zijn doop zo snel mogelijk moet worden opgehangen, keurt daarmee de keus van Jezus af om van Paulus de dertiende apostel te maken.

Verdient de moordenaar van Charlie Kirk dan niet de doodstraf? Daar gaan wij niet over. Als hij die wél krijgt, moet hij die ondergaan als gevolg van zijn daden. Of hij nu christen geworden is of niet. Want Jezus maakte ook niet de doodstraf van de ene moordenaar aan het kruis ongedaan nadat die aan het kruis tot geloof gekomen was in de Man die naast hem hing. Maar als hij in plaats van de doodstraf levenslang krijgt, of hij nu christen geworden is of niet, is dat ook een prima straf. Dan ondervindt hij ook de gevolgen van zijn daden, namelijk levenslange opsluiting. Dat is vergelijkbaar met David. Die kreeg na zijn overspel met Batseba en de liquidatie van Uria niet de doodstraf, maar moest wel levenslang de gevolgen ervan dragen.

Het oordeel is niet aan ons. Dat is aan de rechter. En het is ook niet aan ons om dat oordeel aan te vechten als we het er niet mee eens zijn. Dat geldt naar twee kanten toe. ‘Doop hem en hang hem op’ komt eerder op uit wraakzucht dan uit de drang naar gerechtigheid. Omgekeerd werd er een paar jaar geleden in Amerika juist onder conservatieve evangelicals een pleidooi gevoerd om de doodstraf van een veroordeelde om te zetten in levenslang, omdat hij in zijn dodencel tot geloof in Jezus gekomen was en daar ook openlijk van getuigde. In beide gevallen bepaalt dan de emotionele binding met iemand het standpunt met betrekking tot de straf: omdat iemand Charlie Kirk vermoordde, moet en zal hij de doodstraf krijgen; en omdat iemand zo’n goed christen is geworden nadat hij ter dood veroordeeld is, moet dat worden omgezet tot levenslang.

Beter is het, om als christen de gevolgen van je daden te accepteren. Dat deed één van de beulen van het regime van Pol Pot in Cambodja in de jaren ’75-’79 van de vorige eeuw. Dertig jaar later werd hij berecht. Hij was in de jaren ervoor christen geworden. Hij bekende alles en liet de rechtbank weten: ‘U hoeft geen genade voor mij te hebben. Er zijn geen verzachtende omstandigheden voor mij. Ik verdien de doodstraf.’ Het feit dat hij nu christen was, voerde hij niet aan als reden voor een mildere straf.

Mild voor jezelf of voor de personen die jouw geloofsgenoten zijn en hard voor een ander die niet tot jouw geloofsgenoten behoort of iemand uit jouw kring iets heel ergs heeft aangedaan: het klopt niet. God beoordeelt iedereen zonder aanzien des persoon. Laten we het daarbij en vooral bij Hem laten.

Al Gods beloften aan en over Israel zijn alleen in Christus ja en amen

1. Aanleiding

Dr. Arjan van den Os en dr. Michael Mulder schreven in het Nederlands Dagblad van 3 september 2025 een artikel getiteld ‘Gods beloften over Israël worden nooit ingetrokken’. Het was een reactie op ons artikel ‘Het is fout om het Joodse volk Israël Gods volk te noemen’ in het ND van 29 augustus jl.  Dat artikel schreven wij naar aanleiding van een ingezonden stuk ‘Koos God Abraham op grond van zijn geloof?’ van dr. Jan Hoek in het ND van 26 augustus, die de Joden blijvend als ‘Gods volk’ en de staat Israël als een ‘teken’ van Gods trouw ziet. Zie ook Hoeks artikel Op ondoorgrondelijke wijze gaat Gods weg met Israel door in het Reformatorisch Dagblad van 6 september, waar hij de vraag ‘Is Israël Gods volk?’, bevestigend beantwoordt, zij het ‘op paradoxale wijze’.

Arjan van den Os, Michael Mulder en ook Jan Hoek menen dat wij geen recht doen aan de volgens hen blijvende verkiezing van Israël en zij stellen dat God nog grootse plannen heeft met het Joodse Israël. Zij geven echter niet aan wat de concrete basis is van hun afwijzing van onze tegengestelde opvatting. Maar als nieuwtestamentici zouden zij toch moeten weten dat geen enkel boek van het Nieuwe Testament ruimte laat om in theologische zin het bestaan van een staat Israël te onderbouwen, of om te denken dat Gods heilsplan nog steeds een aparte plaats en taak voor het etnische volk Israël impliceert. Waarom zou zo’n voortgezette status aparte ook nodig zijn? Die gedachte is zelfs strijdig met de centrale boodschap van het Nieuwe Testament. Ook Paulus’ brief aan de Romeinen geeft die ruimte niet, want in Romeinen 11:26 gaat het over het behoud van Joden en niet-Joden die Jezus Christus als Verlosser hebben aangenomen. Dat is immers uit de metafoor van de edele olijfboom af te leiden. Het gaat daarin niet over een aparte positie van het etnische volk Israël. Bovendien, bij wedergeboren mensen heeft etniciteit geen enkele betekenis.

Uiteraard erkennen wij dat God Abraham riep en dat uit zijn natuurlijke nakomelingen het etnische volk Israël is ontstaan. Dat had als ‘volk van God’ onder het Oude Verbond tot aan de komst van Jezus Christus de taak om de wereld te laten zien wie God is en wat Zijn bedoeling is met de mensheid.

2. Simplistisch?

Heel vreemd is het dat Van den Os en Mulder ons standpunt ‘simplistisch’ noemen. Waarom zou het simplistisch zijn om de Bijbel te zien als Gods in Christus gecentreerde Liefdesboodschap vanaf Genesis aan een gevallen wereld? En waarom zou het verkeerd zijn om te zeggen dat oudtestamentisch Israël niet meer en niet minder was dan een instrument, dat door het alles omvattende vervullende werk van Christus zijn bijzondere taak heeft afgerond? Wat kunnen verwachtingen voor een modern etnisch en geografisch Israël daaraan nog toevoegen, behalve dat ze de klem ontnemen aan de unieke enige heilsweg in Hem voor alle volken?

Arjan van den Os en Michael Mulder willen het Nieuwe Testament lezen met de lens van het Vroege Jodendom (het judaïsme van de tweede tempelperiode), omdat die de religieuze, culturele en politieke wereld vormde waarin Jezus leefde en de eerste christelijke gemeenten ontstonden. Inderdaad kan het helpen om die Joodse context mee te nemen bij het lezen en onderzoeken van het Nieuwe Testament. Dan functioneert die context als heenwijzing naar de ware tempel, Christus (Johannes 2:21). Dat is wat anders dan het bij sommige theologen modieuze luisteren naar Joodse stemmen die Jezus bewust buitensluiten en verwerpen. Het is (uiteraard) vooral van belang dat we ons bij het verstaan van de bedoeling van het Nieuwe Testament laten leiden door de Auteur, de Heilige Geest. Hij is de Geest der waarheid, die ons in de volle waarheid van Christus wil leiden.

Wat Van den Os en Mulder over het hoofd lijken te zien, is dat al Gods beloften alleen ja en amen zijn in Christus (2 Korinthe 1:20), dus in het licht van Jezus hun betekenis ontvangen. De opdracht om dat te geloven, geldt voor zowel Jood als niet-Jood. Dat blijkt ook uit wat Paulus schrijft in Galaten 3:29: “Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen”. In Galaten 3:7 schrijft Paulus dat degenen die uit het geloof zijn, dus in Christus geloven, kinderen van Abraham zijn geworden en dus gezegend worden, tezamen met de gelovige Abraham (Galaten 3:9). Dat slaat op de gelovige (geestelijke) nakomelingen van Abraham (dus zowel alle wedergeboren Joden en alle wedergeboren niet-Joden) en dus niet op de ongelovige natuurlijke nakomelingen van Abraham!

God is in het bijzonder alleen verbonden met die Joden en niet-Joden die in Zijn Zoon Jezus Christus geloven en daardoor kinderen van God zijn geworden (Johannes 1:12). Zij zijn Gods oogappel. Dat geldt dus niet voor dat deel van etnisch ‘Israël’ ofwel het Joodse volk dat niets van Jezus wil weten. Het gaat in Gods geopenbaarde heilsplan niet om een herstel van Israël in het beloofde land Israël, maar om verlossing en herstel van een in zonden verloren mensheid. Het land Kanaän is daarbij een metafoor van het toekomstige wereldomvattende Koninkrijk van God (zie Wat en waar is het beloofde land?). Denk ook aan Efeze 6:2-3, waar Paulus de belofte voor een lang leven in Kanaän uitbreidt tot een lang leven op aarde.

3. Tegendeel

Frappant is dat Van den Os en Mulder menen dat Paulus met het bovengenoemde vers, Galaten 3:29, de blijvende verkiezing van Israël onderstreept. Maar wie Galaten 3 goed leest, ontdekt dat het tegendeel waar is! Want om welk Israël gaat het?  Niet om het etnische volk maar om het ware Israël, namelijk alle Joden en niet-Joden die Jezus als hun Verlosser hebben aangenomen. God is trouw aan Zijn heilsbelofte, dat blijkt in het bijzonder bij iedereen die in Zijn Zoon gelooft (Johannes 3:16). Van den Os en Mulder suggereren ten onrechte dat God volgens ons Zijn heilsbeloften heeft ingetrokken of er geen betekenis meer aan hecht. Het tegendeel is waar. Wij zijn ervan overtuigd dat in Christus al Gods beloften ‘ja en amen’ zijn voor elke Jood en niet-Jood!

Drs. Piet Guijt, drs. Ernst Leeftink, Kees Maljaars, dr. Steven Paas, dr. Jos Strengholt