BACH WIL VOLLEYBAL

Uit het leven van een van de stichters van het volleybalspel: Johann Sebastian (Volley) Bach (1685-1750). Een volleybalsprookje uit NETNIEUWS – de krant waarbij je nooit achter het net vist (18e PVT – 1985)

U ziet het reeds. Dit jaar geen traditioneel sprookje. In het kader van de herdenking van 300 Bach willen wij in deze krant aandacht schenken aan deze muzikant en sportliefhebber, J.S.B. Toen Johan 300 jaar geleden geboren werd, vermoedde niemand hoeveel invloed deze man in de wereldgeschiedenis zou hebben. De muzikale kant is reeds in vele bladen belicht zodat wij daar niet veel aandacht aan willen besteden. Zijn minder bekende, sportieve kant is ons van meer belang.

Al op 7-jarige leeftijd waren er twee dingen in Johanns leven van belang. De volleybal en het orgel. Vader Bach was zeer gecharmeerd door het orgelspel van Johann en vond dat dit voor Johann de toekomst was. Johann zelf wou veel liever volleyballen en hij en de volleybal waren dan ook onafscheidelijk. Elke middag na school moest Johann in de grote kerk oefenen op het orgel. Johann schrijft hierover in zijn overigens niet erg bekende dagboek: ‘Door het spelen op het orgel staalde ik de spieren van mijn vingers. Alleen zo kon ik trainen om topspeler te worden.’

’s Avonds was Johann altijd te vinden in de kaatsbaan waar hij met de jeugd aan het volleyballen was. Door zijn orgelspel waren zijn vingerspieren zo gestaald dat hij dé vedette was. Hierdoor ontving hij zijn bijnaam ‘Volleybach’.

In 1703 trad Johann in het huwelijk met een van zijn mede-volleybalsters: Anne Tenne. Het was een kort maar gelukkig huwelijk (tot 1705). De liefde van Johann blijkt heden ten dage nog uit het feit dat de naam Anne Tenne uit het volleybalspel niet meer weg te denken is. Na haar dood werd Johann depressief en begon door Duitsland te trekken. Dit duurde tot 1723. Toen kwam hij in Leipzig. Hier kreeg hij een baan als organist in de Thomaskerk. Deze baan kreeg hij slechts op voorwaarde dat hij zich van volleyballen zou onthouden. Omdat Johann toch al 38 was stemde hij toe. In zijn dagboek schrijft hij: ‘7-4-1723. De baan in de Thomaskerk heb ik gekregen. Maar ik moet stoppen met volleybal, moet zelfs mijn volleybalconcert vernietigen. Maar de wereld zal weten dat ik van volleybal hou en zal blijven houden.’

De bekende Duitse muziekspecialist Walter T. Fuga schrijft hierover: ‘Diepgaand onderzoek heeft uitgewezen dat de bekende afkorting op elk muziekstuk van Bach B.W.V. niet betekent Bachs Werke Verzeignis, maar slaat op de noodkreet uit zijn dagboek. Zeer waarschijnlijk moeten we hier lezen Bach Wil Volleybal. De ware betekenis hiervan zal wel onduidelijk blijven.’

Door twee gelukkige zaken kon Bach zijn volleybal toch voortzetten. Ten eerste werd het gezin Bach in de loop van de jaren uitgebreid met 16 kleine Bachjes. De oplettende lezer weet genoeg. Precies twee teams en elk team twee reserves.

Het tweede kwam door een intensieve briefwisseling met een ander sluimerend volleybal-enthousiast: Georg Friedrich Händel (spreek uit: hendel) (1685-1750). Deze leeftijdgenoot van Bach was ook in zijn jeugd in aanraking gekomen met het volleybalspel. Toen Bach hem schreef dat hij zijn volleybal moest staken in opdracht van de kerkmeester von Lär, reageerde Händel hierop door het bekende werk van Largo te schrijven. Vaak wordt gedacht aan de muziekterm Largo, wat ‘groot’ betekent. Toch is het beter dit te zien in het licht van Händels Engelse periode. Dan wordt het Lar-Go, of te wel: Heer von Lär, ga toch weg. Händel zag heel goed dat volleybal en muziek eigenlijk bij elkaar horen als de linker en de rechter pijp van een broek. Gesterkt door de wetenschap dat Händel achter hem stond ging Bach door met het illegaal trainen van zijn kinderen. Het resultaat is bekend. Vier zoons zijn door het volleybal befaamde componisten geworden. Door hun rugnummers zijn zij bekend als Bach One [1], Bach Two, Bach Three en Bach Four. Dat dit Engels werd was een dankbetoon aan Händel.

Door de zijdelingse betrokkenheid van Bach bij het volleybalspel werd zijn weerstand tegen de besluiten van von Lär groter. Steeds openlijker liet Johann blijken dat he volleybal niet uit zijn leven wilde bannen. Dit begon met het schrijven van het scheidsrechter-fluit-concert in C groot. Dit accepteerde von Lär nog. De spannende rondedans voor supporters was echter de druppel die de emmer deed overlopen. Vooral het nu nog veel gezongen Olé ole … enz. vond von Lär zo afschuwelijk, dat hij Bach op 65-jarige leeftijd ontsloeg.

De lezer kan nu denken dat het nu alleen nog maar goed af kan lopen met Bach, maar niets is minder waar. Al snel raakte Johann aan lager wal. Door de anti-propaganda van von Lär kon hij zijn muziekstukken alleen voor zeer lage bedragen kwijt. De Spaanse rondedans (BWV 291 bis) bracht 7 schilling op; andere werken van hem werden ne zo geboycot. Zo kreeg hij voor de volgende muziekstukken slechts ƒ 75,– (omgerekend in hedendaagse munt):  * Canon voor 3 koren (BWV 302), beter bekend als het Na na na – lied; * Sonate in F (BWV 309) en * zijn Canon in C ‘Sie läufen niemals allein’. Dit is altijd onbekend gebleven. Veel bekender is Händels cover ‘You never walk alone’. Dit hoort men heden ten dage nog in stadion en volleybalzaal.

Zo stierf Bach in 1750 in grote armoede. Een man van karakter die voor zijn mening durfde uit te komen, ook al was dit ten koste van hemzelf. Laat ons dat in het jaar van de muziek en het jaar van de jeugd tot nadenken stemmen. Wanneer men Bach op de draaitafel legt, herinner u wat hij voor het volleybal in het prilste stadium betekend heeft.

SESAM


[1] Bach-One spreekt men wel uit als ‘Bach Wan’, maar hij dient niet verward te worden met Baghwan

57e PVT in ASSEN 2026 – een christelijk volleybalfestijn

PVT logo

Een week lang volleyballen en  plezier maken op het PVT. Dat doen al sinds 1968 gereformeerd-evangelische (vroeger: vrijgemaakte) scholieren en studenten uit heel het land in de voorjaarsvakantie in Assen. (OK: de belangstellende volger van het PVT die in de jaren ’70 meespeelde, in de jaren ’80 mee-organiseerde en nu als tientallen jaren gastouder is, zal ogenblikkelijk opmerken dat er de eerste 25 niet in de voorjaarsvakantie, maar in de paasvakantie gevolleybald werd).

PVT 2015 - Twente

De zondag vóór het PVT is gebeden om een fijne PVT-week. Niet voor niets vindt de opening op woensdagmorgen ook altijd plaats in de grootste NGK-kerk van Assen, De Kandelaar. Op de feestavond wordt de laatste jaren geprobeerd er een serieus christelijk accent aan te geven. En op zaterdag wordt bij de prijsuitreiking midden in de sporthal God ook hardop  bedankt voor het gehouden toernooi.

PVT 2012 - Twente collage
PVT 2014 dames finale

Prachtig vind ik dat. Want daarmee geef je aan, dat je samen als christenen een sportief feestje kunt en wilt bouwen. Dat past helemaal bij het beeld dat God heeft van jongeren. Tenminste, dat lees ik in Prediker 11. Daarin schrijft Salomo: “Geniet dus, beste vriend, van je jonge jaren, haal je hart op aan de dagen van je jeugd. Volg de wegen die je hart wil gaan, gun je ogen wat ze wensen. En onthoud bij alles wat je doet dat God je aan zijn oordeel onderwerpt. Belast je hart niet met verdriet en houd je lichaam vrij van kwalen, want je jeugd en jonge jaren zijn al snel voorbij. Gedenk daarom je Schepper in de dagen van je jeugd.”

Geniet mét God. Geniet als christen van het hele PVT. Dan kun je, zeg maar, je Schepper en ook Jezus je Redder recht in de ogen kijken bij al het plezier tijdens vier dagen Assen.

PVT 2015 - Nijmegen 2

Natuurlijk, er gebeuren ook altijd wel dingen waarvan je denkt: moet dat nou? En dan bedoel ik niet de berichten uit de rubriek ‘Wat-dacht-je-wat’  van Netnieuws, zoals die oprjochte Fries uit één van de studententeams van een paar jaar geleden die bij zijn pleegouders elke morgen een liter melk met Brinta naar binnen werkte. Het gaat dan meer over wat vroeger van de Witter Brug gezegd werd: ‘een brug te ver’ of ‘bridge over troubled water’. Rond de millennium-wisseling hebben die zorgen zich verplaatst naar De Pimpelaar, waar volgens sommigen de gereformeerde jongeren behoorlijk aan de pimpel sloeg.  Tegenwoordig verspreidt met zich wat meer over diverse gelegenheden in de stad, heb ik begrepen. En of iedereen op de feestavond voor die duidelijk christelijke inbreng wel de juiste eerbied weet op te brengen, is in de afgelopen jaren ook wel eens de vraag geweest.

PVT 2014 finale
PVT logo

Er zal best wel een kern van waarheid zitten in dat soort kritiek. Maar de vraag is dan: hoe ga je daar als ouders en ouderen mee om? Wat dat betreft vind ik, als ik voor mezelf mag spreken,  Job een mooi voorbeeld. In zijn gezin bouwden de 10 kinderen ook regelmatig een feestje. En Job was daar niet bij – dat moet je als ouders meestal ook niet willen. Maar hij vroeg na afloop wel altijd aan zijn 7 zonen en 3 dochters, hoe het geweest was. En bracht dan een offer voor elk van hen, “want hij dacht bij zichzelf: misschien hebben mijn kinderen wel gezondigd en God in hun hart vervloekt.” Dit deed Job na elk feest weer, staat er in Job 1.

Die betrokkenheid van veel ouders en ouderen is er hoop ik ook bij het PVT. Een fijn sportfestijn. Een christelijke happening. Om God voor te bedanken, en dus omringd door gebed, zonder daar zweverig over te doen.

Foto’s: Karla Leeftink 2012 / 2014 / 2015

Mijn gelukkig lot

Vorig jaar viel de 59,7 miljoen van de Postcodeloterij in ons mooie dorp Balkbrug. Een week later was ik aan de beurt voor de korte overdenking in ons plaatselijk blaadje “De Reestdalpost”. Die column ging, hoe kan het anders, over ‘Mijn gelukkig lot.’ Hieronder te lezen als terugblik.

“Nieuwjaarsdag 2025 was in Balkbrug en 7707-omstreken een dag om niet gauw te vergeten.

Wij hadden geen lot. Iemand vroeg me: ‘Vind je dat nu niet jammer?’ Ik geef op die vraag altijd het Cruijffiaanse antwoord: Andermans voordeel is niet mijn nadeel. Gelukkig zie ik in ons dorp bij iedereen een gunnende nuchterheid richting de gelukkigen.

Vroeger deden veel christenen niet mee aan loterijen, want een visje van een tientje uitwerpen om een dikke snoek van vele duizendjes te vangen was een vorm van gokken. Het is weggegooid geld – behalve als je een keer ongelooflijk veel geluk hebt.

Meedoen met de middenstandsverloting in december mocht daarentegen wel. Want dan kocht je geen loten, maar hoefde je alleen maar je kassabon met naam en adres in één van de tonnen bij de bakker, de bloemist of de boekhandel achter te laten.

Zo won mijn schoonmoeder ooit een prachtige naaimachine. Die accepteerde ze zonder gewetensbezwaren, terwijl ze haar hele leven nooit één lot gekocht heeft, ook niet als er kinderen aan de deur kwamen voor de Grote Club Actie. Die kregen gewoon een paar guldens of euro’s mee.

Ten diepste is de vraag: waar wordt een mens echt gelukkig van? Het antwoord op die vraag haal ik uit een mooi psalmvers: Maar dit is mijn gelukkig lot: te mogen schuilen bij mijn God.

Dominee Ernst Leeftink”

 BalkbrugBijbelChristen zijnethiekgeldgokkenhebzuchtJezus ChristusloterijPaulusPostcodeloterij

Kerstbrief van Jezus

Hallo jij!

Zoals je wel weet komt mijn verjaardag dichterbij. Elk jaar wordt dat uitgebreid gevierd. Ik denk dat dat dit jaar ook wel weer zo zal zijn. Veel mensen zijn alweer druk bezig met het kopen van kado’s. Ja, je merkt echt dat dat mijn verjaardag dichterbij komt. Langzaamaan komt iedereen in de feeststemming.

Ik vind het echt mooi om te weten dat tenminste één keer per jaar zoveel mensen aan mij denken. Zoals je weet begon de viering van mijn verjaardag lang geleden. In het begin waren de mensen blij met mij en dankbaar voor alles wat ik voor hen gedaan had. Maar tegenwoordig lijkt het of niemand nog de reden van het feest weet.

Ik weet nog dat er vorig jaar ergens een groot feestmaal werd georganiseerd ter ere van mij. De tafel was gedekt, vol met heerlijke gerechten, toetjes, fruit, noten, chocola en wijn. De versieringen waren super-de-luxe, met veel engeltjes. En er waren veel, heel veel ingepakte kadootjes.

Maar weet je, niemand had eraan gedacht om mij uit te nodigen. Het feest was voor mij, maar toen de grote dag kwam, lieten ze me buiten staan. Ze deden de deur voor m’n neus dicht. En ik wilde nog wel zo graag bij hen aan tafel zitten. Maar eigenlijk was ik helemaal niet verbaasd, want de jaren ervoor ging dat bijna overal ook al zo.

Omdat ik niet uitgenodigd was, besloot ik stilletjes via de achterdeur naar naar binnen te gaan. Zonder een geluid te maken, onopvallend, bleef ik in een hoekje staan toekijken. Het feest was in volle gang en ze hadden het erg gezellig met elkaar. Op een gegeven moment kwam er ook nog een grote dikke man met een witte baard binnen. Hij had rode kleren aan en riep aldoor ‘Ho! Ho! Ho!’ Het leek wel of hij dronken was. Hij ging op de bank zitten en alle kinderen renden naar hem toe en riepen: “Kerstman, Kerstman”. Alsof het feest ter ere van hem was! Daarna gingen ze de kadootjes uitdelen. Vol verwachting openden ze één voor één de pakjes. Ik keek of er misschien ook eentje voor de jarige bij zat – voor mij dus. Niet  dus.

Hoe zou jij je voelen als op jouw verjaardag iedereen kadootjes aan elkaar geeft, behalve aan jou? Ik begreep toen dat mijn aanwezigheid op het feest niet op prijs werd gesteld, dus verliet ik stilletjes de zaal. En ieder jaar wordt het erger. Mensen denken alleen aan gezelligheid en harmonie. Aan eten en drinken. Aan kadootjes onder een versierde kerstboom. Maar bijna niemand staat stil bij mij. Bij mijn verjaardag.

Weet je wat ik mooi zou vinden? Als jij MIJ bij het komende Kerstfeest uitnodigt. Zodat ik echt in jouw leven kom. Ja, ik zou het zo gaaf vinden als jij er blij mee bent dat nu alweer 2000 jaar geleden ik naar deze wereld kwam om mijn leven te geven voor alle mensen. Aan het kruis. Ook voor jou! Om jou te redden. En ik hoef echt geen kadootjes op mijn verjaardag wil. Ik heb alles al. Het enige wat heel graag wil is, dat jij dit echt gelooft, met je hart.

Ik wil nog iets met je delen. Omdat niemand mij meer uitnodigt, ga ik zelf een feest geven. Een huge feest, zo geweldig dat niemand het zich echt kan voorstellen. Een spectaculaire party. Ik ben nog bezig om de laatste dingen te regelen.

Maar ik heb de uitnodigingen al klaar. Er is er ook een voor jou bij. Je plaats is gereserveerd! Wat denk je, wil je er graag bij zijn? Laat het me even weten. Dan schrijf ik jouw naam met gouden letters in het gastenboek. Dan laat ik je binnen , wanneer het zover is. Ik zie er naar uit om je te ontvangen! Ja, ik hoop echt dat jij er bij zult zijn!

Tot gauw!

Liefs, Jezus

Ook hier te beluisteren (minuut 52:15 t/m 56:16)

De breuk in de CGK: de Rijnsburggroep begint een nieuw top-down-kerkverband

Een kerk die de drieslag ‘Schrift, belijdenis, kerkorde’ uitbreidt met een vierde element: strikte binding aan alle synodebesluiten totdat op een volgende synode het tegendeel blijkt, heeft de zelfstandigheid van plaatselijke gereformeerde kerken ingewisseld voor het ideaal van één landelijke hervormde kerk met plaatselijke afdelingen.

Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken kiezen de ongeveer 70 kerken van de Rijnsburggroep voor deze manier van kerk-zijn. Dat is hun goed recht, maar daarmee breken ze met de CGK en beginnen een nieuw kerkverband. Daarin zijn ze eerlijk: ze vinden dat er geen basis meer is om samen met een ander deel van de 181 CGK-kerken door één bijbelgetrouwe deur te kunnen.

Helaas doet de Rijnsburggroep dat met slaande deuren. Alle oproepen om het op een kerkrechtelijk zuivere manier te doen slaat men in de wind.

Unaniem adviseerden alle hoogleraren ruim een jaar geleden: wijs een nieuwe synode aan, want anders ga je tegen je eigen kerkrecht in. Maar de meerderheid van de synode sloeg die waarschuwing in de wind en sloot zich na sluiting van de synode bij ‘Rijnsburg’ aan.

Twee kerkrechtdeskundigen die binnen de CGK hoog in aanzien staan gaven in opdracht van de Theologische Universiteit van Apeldoorn aan: “Het staat plaatselijke kerken in beginsel vrij om zich aan de bestaande vergaderstructuur te onttrekken en eigen vergaderstructuren te organiseren. Maar als zij besluiten dat te doen, maken zij zich daarmee los van het bestaande landelijk kerkverband van de CGK.” Toch was dit voor ‘Rijnsburg’ geen reden om op de ingeslagen weg voort te gaan.

Na sluiting van de synode ging het oud-moderamen verder als ‘deputaatschap vertegenwoordiging’ om, zoals gebruikelijk, in alle lopende zaken de CGK van advies te dienen of te vertegenwoordigen tot aan een nieuwe synode. Alle vijf de leden van het oud-moderamen aanvaardden die benoeming en zagen zichzelf nog steeds als wettige vertegenwoordigers van de hele CGK. Op nadrukkelijk verzoek van de wereldlijke rechter wezen ze toch de CGK Hoogeveen aan als samenroepende kerk voor een nieuwe synode. Maar meteen daarna stapten vier van de vijf oud-moderamenleden op. Alle andere taken die hen waren toevertrouwd, vonden ze minder belangrijk dan de moeite die ze hadden met het terugdraaien van een kerkrechtelijke dwaling door één kerk te laten doen wat ze zelf niet hoefden organiseren. Als ik het zo inschat, stonden zeker drie van hen al achter de door ‘Rijnsburg’ ingeslagen weg toen ze nog wel deputaat waren.

Op donderdag 30 oktober deed het inmiddels weer voltallige deputaatschap vertegenwoordiging een oproep aan de Rijnsburggroep om een broederlijk gesprek over de ontstane situatie. “De bereidheid tot een gesprek is er wederzijds”, was de in het Reformatorisch Dagblad uitgesproken verwachting. Maar nog geen tien dagen later, op zaterdag 8 november, nodigde ‘Rijnsburg’ de 70 CGK-kerken die in Veenendaal aanwezig waren op het verontrusten-convent uit voor een volgende bijeenkomst op 29 november. De insteek daarvan zal zijn om een “roepende kerk” aan te wijzen om “algemene vergadering die hetzelfde gezag heeft als een synode” voor te bereiden. Die algemene vergadering heeft dan als doel “om te komen tot het herstel van de synodale structuur, inclusief een classicale herindeling.” (citaten uit RD 10 november).

Hier kondigt zich de geboorte van een nieuw kerkverband aan. En dat snap ik. Een meerderheid binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken wil van de visie op de vrouw in het ambt geen breekpunt maken. Al 1998 is door de generale synode uitgesproken dat wie op bijbelse gronden vóór vrouwelijke ambtsdragers is, ten volle ambtsdrager kan blijven binnen de CGK. Ter wille van de eenheid is toen ook besloten om er landelijk geen ruimte voor te geven. Dat besluit wordt door steeds meer plaatselijke CGK-gemeentes genegeerd, omdat men binnen de eigen gemeente die ruimte wel ziet én een kwart eeuw later ook neemt. Daarmee brengen die kerken de rechterflank in gewetensnood, die zich nooit heeft kunnen vinden in de tolerantie van 1998, maar elke visie die vóór de vrouw in het ambt is, als onschriftuurlijk en niet gereformeerd beschouwt. Nu die visie ook door zo’n 30 CGK-gemeentes gepraktiseerd wordt, is de grens bereikt. De meerderheid van de 181 CGK-kerken gemeentes wil echter de vrouw-in-het-ambt-gemeentes niet uit het kerkverband zetten. Dus stapt de Rijnsburggroep er nu zelf uit.

De manier waarop men dat doet verdient echter geen schoonheidsprijs. Aan alle kanten roept ‘Rijnsburg’ (vooral bij monde van het CGBeraad) dat er geen kerkverband meer is en dat alles van onderaf moet worden opgebouwd. Dat lijkt mij volstrekt onjuist. Er is nog wel een kerkverband, maar een (grote) minderheid wil niet meer verder met de meerderheid. Sterker nog: men geeft sinds 8 november openlijk aan, van onderop een parallel kerkverband te willen opbouwen.

Een parellel kerkverband is, als het oude kerkverband nog funktioneert, een nieuw kerkverband. Zo ging dat ten tijde van de Afscheiding van 1834, de Doleantie van 1886 en de Vrijmaking van 1944. Het zou de Rijnsbruggroep sieren om in deze zelfde lijn ook een oproep tot wederkeer te doen uitgaan aan de in hun ogen dwalende meerderheid. Maar dat doet men niet. Men beweert in grote bewoordingen dat er geen CGK meer is en dat hun groepering van 70 met de wederopbouw van de CGK gaat beginnen.

Naar interne pretentie mag men zichzelf zien als de voortzetting van het afgedwaalde kerkverband, maar men is dat niet. De bovengenoemde kerkjuristen schreven in hun notitie dat je het vergelijken kunt met mannenkoor Asaf dat 100 leden telt. Als daarvan 40 leden op een andere avond gaan zingen en beweren: ‘Wij zijn Asaf en die andere groep is dat niet’, is dat onjuist. Want in een vereniging -en een gereformeerd kerkverband is een vereniging van zelfstandige plaatselijke kerken- bepaalt de meerderheid de koers. De opmerking van een andere jurist die het opneemt voor de Rijnsburggroep, dat als 40 van de 100 leden van mannenkoor Asaf zich afsplitsen, er geen ‘Asaf’ meer is, maar dat de meerderheid zich dan maar ‘Ethan’ en de minderheid zich ‘Jeduthun’ moet noemen, raakt echt kant noch wal.

Eén ding is nog opmerkelijk bij de stichting van dit nieuwe kerkverband: men noemt zich gereformeerd, maar als eerste kerkverband dat uit de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886 ontstaan is, voegt men aan de drieslag ‘Schrift – belijdenis – kerkorde’ een vierde criterium toe, nl. ‘synodebesluiten’. Oftewel: als de landelijke synode gesproken heeft, moeten alle kerken zich daar onverkort aan houden. Daarmee wordt het gereformeerd kerkrecht de nek omgedraaid. Want binnen het gereformeerde kerkrecht is een synode niet het hoogste orgaan, maar blijft dat altijd de plaatselijke kerk. Dus mag volgens gereformeerd kerkrecht de ene kerk niet over een andere heersen en houden plaatselijke kerken zich in alles aan synodebesluiten tenzij bewezen wordt dat zij in strijd zijn met Gods Woord, de belijdenis en de aangenomen kerkorde.

‘Tenzij’ betekent hier: wanneer een plaatselijke kerk dat zelf goed onderbouwd kan doen. Dan is er binnen het gereformeerde kerkrecht een ruimte mate van christelijke vrijheid, in het vertrouwen dat een plaatselijke kerk daar geen misbruik van maakt door independentistisch z’n eigen gang te gaan.

‘Tenzij’ betekent niet: totdat een volgende synode een besluit terugdraait. Dat laatste is kenmerkend voor een top-down-kerk zoals de PKN en de HHK. Die heten landelijk ook niet voor niet ‘Protestantse KERK’ en ‘Hersteld Hervormde KERK’, want de landelijke organisatie is de kerk en de plaatselijke gemeentes zijn afdelingen. Die kant wil de Rijnsburggroep nu ook op. Daarmee wordt, zoals ik zei ooit in een diskussie met ds. P. van Gurp, de predikant die mij doopte en in het ambt bevestigde, naast Schrift en belijdenis ook de traditie bindend van bovenaf opgelegd.

Wat ik dan niet snap van de bezwaarde broeders die nu de CGK verlaten en bezig zijn een eigen, nieuw kerkverband op te richten: waarom niet meteen aansluiting bij de HHK gezocht als je toch de gereformeerde drieslag uitbreidt met een vierde element? Aan de andere kant: als je eerst zelf een redelijk stabiel nieuw kerkverband gevormd hebt, kun je ook beter en op gelijkwaardige basis het gesprek aangaan met een kerkverband dat dicht tegen jouw kerkvisie aanligt. Want, om positief af te sluiten: in de afgelopen twee jaar is niet alleen de CGK uit elkaar gevallen, maar hebben er ook twee kerkenfusies plaatsgevonden (NGK+GKV in 2023, DGK+GKN in 2024). ‘Opdat zij allen één zijn’ en als mannenkoor Asaf Psalm 133 zingen kan dus wel.

Strategisch stemmen, je krijgt er geheid spijt van – kies met je hart, niet met je rekenmachine –

Een strategische stem is een verloren stem. Dat vindt Ad de Boer, Nederlands journalist, politicus en 13 jaar lang directeur van de Evangelische Omroep. Hij schreef een opinie-artikel dat ik met zijn toestemming hier mag plaatsen. Het verscheen ook op 24 oktober in het Nederlands Dagblad. Hier volgt het artikel.

Kies met je hart, niet met je rekenmachine

Het lijkt bij elke verkiezing sterker te worden: de drang om strategisch te stemmen. Politieke voorkeur wordt ingeruild voor kansberekening, de eigen overtuiging wordt achtergesteld bij de optelsom. In talkshows, kranten en peilingen draait het wekenlang om één vraag: wie wordt de grootste? Alsof politiek een wedstrijd is met maar één winnaar. En ondertussen schuiven kiezers heen en weer van het CDA naar de ChristenUnie of juist omgekeerd, van de SP naar PvdA/GL, van de VVD naar de PVV, allemaal in de hoop dat hun stem daar net wat zwaarder telt.  

Strategisch stemmen: niet stemmen op de partij waar je het meeste mee eens bent, maar op je tweede keus: de partij die je groter dan een ander wilt maken. Daarin spelen de peilingen en de rekenarij op grond daarvan een grote rol. Strategisch stemmen is een betrekkelijk nieuw fenomeen. Voor pakweg 2000 stemden kiezers gewoon op de partij die hun hart had, op hun eerste en vaak enige keus op grond van het verkiezingsprogramma en de politieke praktijk. Door dik en dun, in goede en kwade tijden. Het zijn de media die daarin verandering hebben gebracht. Die creëerden steeds vaker een tweestrijd tussen twee partijen – wie wordt de grootste? – of twee lijsttrekkers – wie wordt de premier? Zo’n tweestrijd met de peilingen als brandstof maakt het spannend, is goed voor de kijk- en oplagecijfers en je kunt het er tot de laatste dag mee volhouden.

Ik heb de afgelopen 25 jaar veel mensen gesproken die via zo’n strategische stem een keer een uitstapje naar een andere partij hadden gemaakt. Zelden was er iemand bij die achteraf blij was met zijn of haar keus. Ze waren vooral teleurgesteld over hoe het had uitgepakt. En dat is niet zo vreemd.

Mijn bijdrage is een soort preek met als thema: Strategisch stemmen, je krijgt er geheid spijt van. Want 1. Het is zinloos. 2. Het is nodeloos. 3. Het is niet kosteloos.

STRATEGISCH STEMMEN IS ZINLOOS

Nederland is Amerika niet. Daar wint altijd één van de twee partijen of kandidaten. Er is een echte tweestrijd met altijd een winnaar en een verliezer. Maar in ons ingewikkelde veelpartijenstelsel werkt het heel anders. De grootste partij heeft niet altijd het voortouw bij de kabinetsformatie en komt ook lang niet altijd in een nieuw kabinet terecht, zoals de PvdA in 1977 ervoer en zoals nu de PVV vanwege alle uitsluitingen door andere partijen te wachten staat. En de lijsttrekker van de grootste partij wordt lang niet altijd de minister president. Politici als Willem Drees, Barend Biesheuvel en Ruud Lubbers werden premier, zonder dat hun partij de grootste was. Nederland is een coalitieland en hoe zo’n coalitie er uit komt te zien, is afhankelijk van veel meer factoren dan wie de grootste wordt. Strategisch stemmen is dus in ons systeem zinloos.

STRATEGISCH STEMMEN IS NODELOOS

In de tweede plaats is strategisch stemmen ook nodeloos, onnodig. Het is in ons politieke bestel evenmin zo dat de grootste partij in een kabinet het meeste te zeggen heeft. Alle partijen, ook de kleinere, moeten instemmen met het regeerakkoord en hebben daar dus een beslissende invloed op. Het ‘nee’ van een kleine partij is net zozeer een veto als het ‘nee’ van een grote partij. Toen de ChristenUnie in 2022 nee zei tegen de VVD-eis dat bij asielmigratie de gezinshereniging geschrapt moest worden, viel het kabinet, ook al was de ChristenUnie klein en de VVD groot. Je kunt zelfs zeggen dat de grootste partij relatief minder invloed heeft in een kabinet dan de kleinere partijen. Zeker de premier, niet zelden de leider van de grootste partij, voelt zich verantwoordelijk voor het bij elkaar houden van de boel en zeilt daarom met zijn partij minder scherp aan de wind dan de kleinere partijen op de flanken. Die drukken vaak een groter stempel op het kabinetsbeleid dan de grote.

Wat bij kabinetsdeelname geldt, geldt ook als een partij buiten het kabinet blijft, zeker in de huidige politieke verhoudingen. Daarin is een kabinet dat gebaseerd is op een grote Kamermeerderheid uitgesloten. Een kleine Kamerfractie met drie of vier zetels kan ook buiten het kabinet een doorslaggevende invloed hebben op het beleid via coalities met andere Kamerfracties. De afgelopen jaren is dat op tal van momenten zichtbaar geworden. Ook in kwaliteit verslaan kleine fracties grote fracties soms met lichtjaren, blijkt uit onafhankelijk onderzoek. De ChristenUnie-fractie kreeg in de afgelopen jaren met drie zetels veel meer voor elkaar dan de PVV-fractie met 37 zetels. Juist kleine fracties maken vaak het verschil.

STRATEGISCH STEMMEN IS NIET KOSTELOOS

En dan het derde punt. Strategisch stemmen is niet kosteloos. Een strategische stem op het CDA (‘alleen voor deze ene keer maar’ …) ten koste van de ChristenUnie garandeert dus niets, maar levert wel grote risico’s op. Het zou zomaar kunnen dat daardoor de onbekende en onervaren nummer 24 of 25 van het CDA wordt gekozen ten koste van Don Ceder, de nummer drie van de ChristenUnie. Dat zou deze ervaren parlementariër (volgens de Nationale Politieke Index het beste en meest effectieve Kamerlid van het afgelopen jaar) met grote inzet voor daklozen, mensen met schulden, jongeren in de jeugdzorg en vervolgden wereldwijd, de politieke kop kosten. Maar het zou ook de omvang van de fractie en van het ondersteunende team en daarmee hun slagkracht en invloed met maar liefst een derde reduceren. Die amputatie kan de dure prijs zijn van een strategische stem.

Veel kiezers die overwegen strategisch te stemmen, beseffen niet dat wat zij ermee denken te winnen elders tot pijnlijk verlies lijdt. Ontrouw worden aan de liefde van je hart, misschien zelfs je eerste liefde, kost wat. Niet doen, is mijn advies. Je krijgt er spijt van. Kies met je hart, niet met de rekenmachine. Laat je hoofd niet op hol brengen door de wedstrijd die de media ervan maken. Ga voor je eerste, niet voor je tweede keus. Een partij die past bij jouw diepste overtuiging, bij jouw hart. Die opstaat voor gerechtigheid én barmhartigheid, voor de vrijheid om te geloven en je geloof te beleven – thuis, op straat en op school, voor de zwaksten onder Gods schepselen in en buiten Nederland, voor de o zo kwetsbare schepping van God.

Ga op 29 oktober niet voor de grootste, maar voor de beste. Nergens in mijn Bijbel vind ik een voorkeur van God voor groot, groter, grootst, maar juist voor het kleine of de kleine: een kind in een kribbe, een mosterdzaadje, een stukje zuurdeeg, een Gideonsbende. Die strategie van Gods Koninkrijk in het stemhokje toepassen leidt pas echt tot een strategische stem.

Geef als christen stem aan je geloof – ook op 29 oktober

Je hebt van die programma’s, daar kijkt heel Nederland naar. ‘Wie is de mol?’ is daar één van. Het leuke aan dat programma vind ik, dat alle deelnemers bondjes sluiten met elkaar, maar die ook weer even snel verbreken als het hun uitkomt. Want uiteindelijk gaat iedereen voor zichzelf.

In de tijd van Jezus sluiten de Farizeeërs en de Herodianen een monsterverbond. Ze willen, vanuit volstrekt tegengestelde belangen, Jezus mollen (meer uitleg in de preek over Markus 12:13-17). Dus stellen ze Hem deze vraag: ‘Moeten we als gelovige Joden belasting aan de keizer betalen of niet?’ En Jezus geeft als antwoord: ‘Geef aan de keizer wat van de keizer is. En geef aan God wat God toebehoort.’

Als je als christen niet op een christelijke partij stemt, moet je ook niet klagen dat Nederland zo onchristelijk wordt.

Dat van de keizer, dat snapten ze wel. Betaal die belasting nou maar gewoon. Want de manier waarop God voor je zorgen wil, dat doet Hij ook door jou en mij een plek te geven in de samenleving, in de maatschappij, door middel van onze regering (Prediker 8:2, Romeinen 13:1-7, 1 Petrus 2:13-17). Dus als je zegt dat je in God gelooft, geef daar dan ook vorm aan in het gewone leven. Ook door te doen wat de overheid van je vraagt. Behalve als dat echt tegen Gods geboden ingaat.

Voor ons gevoel een antwoord waarmee Jezus de kool en de geit spaart. linksom of rechtsom. Geef ze allebei een beetje – de overheid en God. Maar zo hebben de eerste hoorders het niet opgevat. Ze voelen zich schaakmat gezet. Waarom? Omdat ze heel goed begrijpen dat Jezus hiermee niet alleen iets over de keizer en over God zegt, maar ook iets over Zichzelf.

‘Deelnemen aan de samenleving met een open oog voor het publieke belang behoort voor een christen heel gewoon te zijn.’

Het lijkt alsof Jezus het vooral heeft over belasting betalen. Maar de toepassing is breder. Op woensdag 29 oktober zijn er weer verkiezingen voor de Tweede Kamer. We leven in een vrij land. Die vrijheid betekent voor christenen ook een grote verantwoordelijkheid. Kars Veling, samen met Tim Keller één van de meest wijze en zachtmoedige christenen die ik ooit gekend heb, zei eens: ‘Deelnemen aan de samenleving met een open oog voor het publieke belang behoort voor een christen heel gewoon te zijn.’

Dat deelnemen aan de samenleving begint met de oproep van de overheid om je stem te laten horen als het gaat om de vraag: hoe wil jij dat Nederland bestuurd wordt? Als Jezus jouw Heer is en Hij zegt tegen jou: ‘Geef aan de keizer wat van de keizer is’, betekent dat volgens mij vandaag dat Hij van jou vraagt om die stem ook echt uit te brengen. Wie niet naar de stembus gaat maar thuis blijft, wordt niet alleen een roeptoeter aan de zijlijn, maar is ook ongehoorzaam aan God.

Maar Jezus zegt er nog iets bij: ‘En geef aan God wat God toekomt.’ Oftewel: stem niet alleen als burger, maar geef ook je geloof een stem. Breng ook als christen je stem uit. Laat zien dat onze God het goede zoekt voor ons land en voor heel de samenleving. Dat doe je volgens mij het best door als christenen op een medechristen te stemmen. Want dan weet je zeker dat ook in de Tweede Kamer de Naam van de HERE genoemd wordt. Natuurlijk kun je ook op een niet-christelijke partij stemmen die zegt jouw persoonlijke belangen of het belang van onze kultuur of van onze welvaart of van onze samenleving of van het klimaat te behartigen. Maar heeft zo’n partij ook de eer van God op het oog? Laten die zich samen motiveren door de Bijbel? Bidden zij om de wijsheid van de Heilige Geest om het goede voor stad en land te zoeken, zoals de HERE in Jeremia 29 vers 7 alle gelovigen opdraagt?

Als ik als christen mijn geloof geen stem meer geef, moet ik als christen ook niet klagen dat Nederland steeds onchristelijker wordt. Dus geef stem aan je geloof op woensdag 29 oktober! Stem op een medechristen in wie jij vertrouwen hebt. Een Daniël of Daniëlla die in de politiek opkomt voor het belang van alle burgers én voor de eer van God!

‘Doop hem en hang hem op!’ – Over Charlie Kirk, zijn moordenaar en Paulus

Er is veel ophef ontstaan rondom de moord op Charlie Kirk, de conservatieve jonge Amerikaan met nogal stevige eigen standpunten. Toch ging hij altijd het gesprek aan met andersdenkenden. Vooral op universiteiten leidde dat vaak tot stevige debatten. Totdat iemand hem vermoordde. Ik kende Charlie Kirk niet voordat ik dat laatste hoorde. Dus ik begrijp niet waarom veel christenen van hem een tweede Stefanus maken. Die vergelijking  gaat helemaal niet op. Stefanus was de eerste christelijke martelaar, die voor Jezus opkwam in een zaal vol Joodse geleerden die hem vanwege godslastering stenigden. Het publiek waar Charlie voor sprak, waren welwillende luisteraars die het óf helemaal met hem eens waren óf graag met hem diskussieerden.  Zelfs als ze het totaal met hem oneens waren, piekerden ze er niet over om hem te stenigen.

Het zijn de emoties van het moment, denk ik, bij veel Amerikaanse en ook Nederlandse christenen, waardoor ze nu massaal overgaan tot de heiligverklaring van Charlie Kirk. Bijna 20 jaar geleden ging er eenzelfde schok én eenzelfde reaktie door Nederland na de moord op Pim Fortuyn.

Waar ik echt van geschrokken ben is de onverdraagzaamheid van een aantal orthodoxe christenen als het gaat over de vraag: wat moeten er met de moordenaar van Charlie Kirk gebeuren? Velen roepen: ‘Die man verdient de doodstraf!’ Dat zou binnen het Amerikaanse rechtssysteem best kunnen. Maar daar gaat de rechter over. Niet het publiek.

Ik kwam een bericht op Twitter tegen, waarin Joel Webbon de vraag stelt: “What would I say, if Charlie Kirk’s killer repented and put his faith in Christ?” Zijn antwoord is: “He is now my brother in Christ. Bring water and rope. Baptize him, and then hang him.” Dat bericht werd in Nederland instemmend gedeeld door Daniël van Deutekom, iemand die zichzelf ‘Evangelist, man met mening’ noemt en die op zijn YouTube-kanaal ‘God First’ zegt: “Na de moord op Charlie Kirk is ALLES veranderd”. Daniël herhaalt niet alleen de woorden “Doop hem en hang hem”, maar schrijft er instemmend bij: “Amen. Genade voor de ziel én gerechtigheid voor het lichaam.”

Ik vind dit ontluisterend. Het getuigt op geen enkele manier van de milde vergevingsgezindheid van Jezus Christus. Sterker nog: wie denkt dat dit het Evangelie is, heeft met deze stelling ‘Doop hem en hang hem op’ de belangrijkste evangelist van het Nieuwe Testament monddood gemaakt, namelijk Paulus. Want wie was Paulus? Dat was, toen hij nog Saulus heette, degene die van harte instemde met de moord op Stefanus. Hij wilde daar dolgraag ook zijn steentje aan bijdragen, maar hij was te jong. Dus droeg hij de jassen van de leden van het Joodse Raad toen zij de doodstraf op Stefanus voltrokken. En daarna ging hij als eerste christenvervolger zo fanatiek achter alle aanhangers van Jezus aan, dat iedereen de gruwelijkheden ervan hoorde.

Totdat Jezus ingreep. Saulus was op weg Damaskus om ook daar die christelijke ketters hun huizen uit te slepen. Maar vlak voor de poort zag hij opeens een licht zo fel, dat hij er blind van werd. En hij hoorde de stem van Jezus: “Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?” Drie dagen later werd Saulus genezen van zijn blindheid en, belangrijker nog, van zijn ongeloof. Hij werd gedoopt. En daarna …. NIET opgehangen omdat hij medeplichtig was aan de moord op Stefanus en zelf ook misdaden tegen de menselijkheid begaan had door op gruwelijke wijze christenen te vervolgen. Integendeel: hij werd een krachtig instrument in de hand van de Heer om de naam van Jezus uit te dragen onder alle volken en al de Israelieten.

Wie nu roept dat als de moordenaar van Charlie Kirk zich bekeert, hij na zijn doop zo snel mogelijk moet worden opgehangen, keurt daarmee de keus van Jezus af om van Paulus de dertiende apostel te maken.

Verdient de moordenaar van Charlie Kirk dan niet de doodstraf? Daar gaan wij niet over. Als hij die wél krijgt, moet hij die ondergaan als gevolg van zijn daden. Of hij nu christen geworden is of niet. Want Jezus maakte ook niet de doodstraf van de ene moordenaar aan het kruis ongedaan nadat die aan het kruis tot geloof gekomen was in de Man die naast hem hing. Maar als hij in plaats van de doodstraf levenslang krijgt, of hij nu christen geworden is of niet, is dat ook een prima straf. Dan ondervindt hij ook de gevolgen van zijn daden, namelijk levenslange opsluiting. Dat is vergelijkbaar met David. Die kreeg na zijn overspel met Batseba en de liquidatie van Uria niet de doodstraf, maar moest wel levenslang de gevolgen ervan dragen.

Het oordeel is niet aan ons. Dat is aan de rechter. En het is ook niet aan ons om dat oordeel aan te vechten als we het er niet mee eens zijn. Dat geldt naar twee kanten toe. ‘Doop hem en hang hem op’ komt eerder op uit wraakzucht dan uit de drang naar gerechtigheid. Omgekeerd werd er een paar jaar geleden in Amerika juist onder conservatieve evangelicals een pleidooi gevoerd om de doodstraf van een veroordeelde om te zetten in levenslang, omdat hij in zijn dodencel tot geloof in Jezus gekomen was en daar ook openlijk van getuigde. In beide gevallen bepaalt dan de emotionele binding met iemand het standpunt met betrekking tot de straf: omdat iemand Charlie Kirk vermoordde, moet en zal hij de doodstraf krijgen; en omdat iemand zo’n goed christen is geworden nadat hij ter dood veroordeeld is, moet dat worden omgezet tot levenslang.

Beter is het, om als christen de gevolgen van je daden te accepteren. Dat deed één van de beulen van het regime van Pol Pot in Cambodja in de jaren ’75-’79 van de vorige eeuw. Dertig jaar later werd hij berecht. Hij was in de jaren ervoor christen geworden. Hij bekende alles en liet de rechtbank weten: ‘U hoeft geen genade voor mij te hebben. Er zijn geen verzachtende omstandigheden voor mij. Ik verdien de doodstraf.’ Het feit dat hij nu christen was, voerde hij niet aan als reden voor een mildere straf.

Mild voor jezelf of voor de personen die jouw geloofsgenoten zijn en hard voor een ander die niet tot jouw geloofsgenoten behoort of iemand uit jouw kring iets heel ergs heeft aangedaan: het klopt niet. God beoordeelt iedereen zonder aanzien des persoon. Laten we het daarbij en vooral bij Hem laten.

Al Gods beloften aan en over Israel zijn alleen in Christus ja en amen

1. Aanleiding

Dr. Arjan van den Os en dr. Michael Mulder schreven in het Nederlands Dagblad van 3 september 2025 een artikel getiteld ‘Gods beloften over Israël worden nooit ingetrokken’. Het was een reactie op ons artikel ‘Het is fout om het Joodse volk Israël Gods volk te noemen’ in het ND van 29 augustus jl.  Dat artikel schreven wij naar aanleiding van een ingezonden stuk ‘Koos God Abraham op grond van zijn geloof?’ van dr. Jan Hoek in het ND van 26 augustus, die de Joden blijvend als ‘Gods volk’ en de staat Israël als een ‘teken’ van Gods trouw ziet. Zie ook Hoeks artikel Op ondoorgrondelijke wijze gaat Gods weg met Israel door in het Reformatorisch Dagblad van 6 september, waar hij de vraag ‘Is Israël Gods volk?’, bevestigend beantwoordt, zij het ‘op paradoxale wijze’.

Arjan van den Os, Michael Mulder en ook Jan Hoek menen dat wij geen recht doen aan de volgens hen blijvende verkiezing van Israël en zij stellen dat God nog grootse plannen heeft met het Joodse Israël. Zij geven echter niet aan wat de concrete basis is van hun afwijzing van onze tegengestelde opvatting. Maar als nieuwtestamentici zouden zij toch moeten weten dat geen enkel boek van het Nieuwe Testament ruimte laat om in theologische zin het bestaan van een staat Israël te onderbouwen, of om te denken dat Gods heilsplan nog steeds een aparte plaats en taak voor het etnische volk Israël impliceert. Waarom zou zo’n voortgezette status aparte ook nodig zijn? Die gedachte is zelfs strijdig met de centrale boodschap van het Nieuwe Testament. Ook Paulus’ brief aan de Romeinen geeft die ruimte niet, want in Romeinen 11:26 gaat het over het behoud van Joden en niet-Joden die Jezus Christus als Verlosser hebben aangenomen. Dat is immers uit de metafoor van de edele olijfboom af te leiden. Het gaat daarin niet over een aparte positie van het etnische volk Israël. Bovendien, bij wedergeboren mensen heeft etniciteit geen enkele betekenis.

Uiteraard erkennen wij dat God Abraham riep en dat uit zijn natuurlijke nakomelingen het etnische volk Israël is ontstaan. Dat had als ‘volk van God’ onder het Oude Verbond tot aan de komst van Jezus Christus de taak om de wereld te laten zien wie God is en wat Zijn bedoeling is met de mensheid.

2. Simplistisch?

Heel vreemd is het dat Van den Os en Mulder ons standpunt ‘simplistisch’ noemen. Waarom zou het simplistisch zijn om de Bijbel te zien als Gods in Christus gecentreerde Liefdesboodschap vanaf Genesis aan een gevallen wereld? En waarom zou het verkeerd zijn om te zeggen dat oudtestamentisch Israël niet meer en niet minder was dan een instrument, dat door het alles omvattende vervullende werk van Christus zijn bijzondere taak heeft afgerond? Wat kunnen verwachtingen voor een modern etnisch en geografisch Israël daaraan nog toevoegen, behalve dat ze de klem ontnemen aan de unieke enige heilsweg in Hem voor alle volken?

Arjan van den Os en Michael Mulder willen het Nieuwe Testament lezen met de lens van het Vroege Jodendom (het judaïsme van de tweede tempelperiode), omdat die de religieuze, culturele en politieke wereld vormde waarin Jezus leefde en de eerste christelijke gemeenten ontstonden. Inderdaad kan het helpen om die Joodse context mee te nemen bij het lezen en onderzoeken van het Nieuwe Testament. Dan functioneert die context als heenwijzing naar de ware tempel, Christus (Johannes 2:21). Dat is wat anders dan het bij sommige theologen modieuze luisteren naar Joodse stemmen die Jezus bewust buitensluiten en verwerpen. Het is (uiteraard) vooral van belang dat we ons bij het verstaan van de bedoeling van het Nieuwe Testament laten leiden door de Auteur, de Heilige Geest. Hij is de Geest der waarheid, die ons in de volle waarheid van Christus wil leiden.

Wat Van den Os en Mulder over het hoofd lijken te zien, is dat al Gods beloften alleen ja en amen zijn in Christus (2 Korinthe 1:20), dus in het licht van Jezus hun betekenis ontvangen. De opdracht om dat te geloven, geldt voor zowel Jood als niet-Jood. Dat blijkt ook uit wat Paulus schrijft in Galaten 3:29: “Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen”. In Galaten 3:7 schrijft Paulus dat degenen die uit het geloof zijn, dus in Christus geloven, kinderen van Abraham zijn geworden en dus gezegend worden, tezamen met de gelovige Abraham (Galaten 3:9). Dat slaat op de gelovige (geestelijke) nakomelingen van Abraham (dus zowel alle wedergeboren Joden en alle wedergeboren niet-Joden) en dus niet op de ongelovige natuurlijke nakomelingen van Abraham!

God is in het bijzonder alleen verbonden met die Joden en niet-Joden die in Zijn Zoon Jezus Christus geloven en daardoor kinderen van God zijn geworden (Johannes 1:12). Zij zijn Gods oogappel. Dat geldt dus niet voor dat deel van etnisch ‘Israël’ ofwel het Joodse volk dat niets van Jezus wil weten. Het gaat in Gods geopenbaarde heilsplan niet om een herstel van Israël in het beloofde land Israël, maar om verlossing en herstel van een in zonden verloren mensheid. Het land Kanaän is daarbij een metafoor van het toekomstige wereldomvattende Koninkrijk van God (zie Wat en waar is het beloofde land?). Denk ook aan Efeze 6:2-3, waar Paulus de belofte voor een lang leven in Kanaän uitbreidt tot een lang leven op aarde.

3. Tegendeel

Frappant is dat Van den Os en Mulder menen dat Paulus met het bovengenoemde vers, Galaten 3:29, de blijvende verkiezing van Israël onderstreept. Maar wie Galaten 3 goed leest, ontdekt dat het tegendeel waar is! Want om welk Israël gaat het?  Niet om het etnische volk maar om het ware Israël, namelijk alle Joden en niet-Joden die Jezus als hun Verlosser hebben aangenomen. God is trouw aan Zijn heilsbelofte, dat blijkt in het bijzonder bij iedereen die in Zijn Zoon gelooft (Johannes 3:16). Van den Os en Mulder suggereren ten onrechte dat God volgens ons Zijn heilsbeloften heeft ingetrokken of er geen betekenis meer aan hecht. Het tegendeel is waar. Wij zijn ervan overtuigd dat in Christus al Gods beloften ‘ja en amen’ zijn voor elke Jood en niet-Jood!

Drs. Piet Guijt, drs. Ernst Leeftink, Kees Maljaars, dr. Steven Paas, dr. Jos Strengholt

Je loopt vast met twee volken van God

Broeder Jan Hoek heeft via LinkedIn gereageerd op een opinie-artikel van ondergetekenden in het Nederlands Dagblad van vrijdag 29 augustus 2025 dat stuk reageerden wij naar aanleiding van zijn afkeurende commentaar op een interview met dr. Hans van Oort, die daarin zijn nieuwe boek ‘Israël?’ aankondigde.

Hoek meent dat wij een vorm van vervangingstheologie aanhangen. Dat is een vaak en graag gebruikte term om andersdenkenden zonder motivatie te ‘framen’. Wij herkennen ons er niet in. Wat wordt er dan vervangen? Het Joodse volk is gewoon een etnisch volk, dat deels in een staat woont die de naam ‘Israël’ draagt. Etnisch Israël kan geenszins worden vervangen door Gods volk op aarde, want dat bestaat van ouds al alleen uit Joden en niet-Joden die vanaf Adam en Eva uitkeken naar Jezus als hun Verlosser en Hem sinds Zijn komst hebben aangenomen en daarom kinderen van God zijn (Johannes 1:12).

Hoek meent ook dat wij ‘zover gaan’ dat we hem ‘buiten het geloof’ plaatsen. Dat is een totaal ongegronde conclusie. Wij spraken niet over Joden in het algemeen, die in meerderheid Jezus verwerpen, maar over het essentiële gegeven dat Joden en niet-Joden zonder onderscheid alleen door geloof in Jezus Christus en wedergeboorte Gods Koninkrijk zijn binnengegaan (Johannes 3:5). Dat is de kern van het Nieuwe Testament waarop wij doelden. Er zijn daarin geen verschillende posities voor Joden en niet-Joden (Romeinen 3:22; 10:12; Colossenzen 3:11). Desondanks wil Hoek helaas nog steeds een onderscheid tussen Joodse en niet-Joodse christenen in de kerk en in Gods heilsplan blijven maken. Echter, wij zijn allen “erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking” (Romeinen 8:17).

Het Oude Testament spreekt uiteraard over o.a. de God van Abraham en de God van Israël. Maar voor een christen die dankzij de door God beloofde komst van Jezus mag leven onder het Nieuwe Verbond, is God nu vooral de Vader van Jezus Christus en ook onze hemelse Vader. Het is een vreemde en onterechte conclusie van Hoek dat wij zouden menen dat de weg van de Heer met Israël een mislukt experiment is. Met het oog op de komst van onze Here Jezus heeft God immers dit volk apart gezet? Maar nu sinds Pinksteren al bijna 2000 jaar gelovigen uit alle volken worden toegevoegd aan ‘het Israël van God’ (Galaten 6:16), is het een terechte vraag: Waarom zou het belijden van de ‘God van Israël’ een voortgaande unieke positie voor het moderne, grotendeels seculier-Joodse Israël moeten inhouden? Is God in Christus niet de God van/voor alle volken?

Hoek beschouwt zowel de gemeente/kerk als ‘Israël’ als ‘volk van God’. Dat is vreemd. Heeft God dan twee unieke volken, de ene met en de andere zonder Christus? Waar staat die dualiteit in het Oude Testament en in het Nieuwe Testament?

Hoek noemt de vraag van de discipelen in Handelingen 1:6 over het herstel van het koningschap voor Israël. Hij meent dat die vraag terecht was. Maar die conclusie is onjuist, hetgeen uit de context blijkt. Jezus “beval hun dat zij niet uit Jeruzalem weg zouden gaan, maar de belofte van de Vader zouden verwachten, die u, zei Hij, van Mij gehoord hebt” (Handelingen 1:4). Het blijkt dat dit slaat op de Heilige Geest, waardoor “u kracht zult ontvangen”, en waardoor “u Mijn getuigen zult zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde. (Handelingen 1:8). Dus, de belofte waar Jezus in Handelingen 1:4 en 5 over sprak (zie ook Lukas 24:49), is niet het herstel van het koningschap voor Israël, maar is de uitstorting van de Heilige Geest (Handelingen 1: 5,8). Bovendien moet bedacht worden dat met de komst van Jezus het Koninkrijk Góds nabijgekomen is, en dus niet het koninkrijk Israël! Zie de tientallen teksten (65!) in het Nieuwe Testament over het ‘Koninkrijk Gods’. Twee bekende teksten als voorbeeld: “Onze Vader die in de hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd; Uw Koninkrijk kome; Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde” (Mattheüs 6:9,10). Jezus bad niet voor het koningschap voor Israël maar voor het Koninkrijk van God Zijn Vader. En “zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden” (Mattheüs 6:33). Dus, christenen zoeken Góds Koninkrijk en niet een soort van ‘koningschap’ voor/van Israël.

Er moet dus bedacht worden waaróver Jezus sprak na Zijn opstanding, zelfs veertig dagen lang! In Handelingen 1:3 lezen wij: “veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft”. Jezus sprak over het Koninkrijk van God en niet over het koningschap voor (over) Israël of het koninkrijk Israël. Handelingen 1:6 gebruiken om te proberen het herstel van het vermeende koningschap voor Israël ‘aan te tonen’, is naar ons inzicht niets anders dan een verkeerde en misleidende uitleg, waarmee ook Hoek denkt aan Israël een aparte huidige positie en toekomstige rol te moeten toebedelen.

Helaas moet worden geconstateerd dat Hoek de moderne staat Israël roemt als ‘teken’ van Gods trouw. De grondslag van die staat reikt echter niet verder dan het internationale recht. De Bijbel spreekt van het kruis van Christus als het teken van Gods trouw. Paulus wil zich ‘volstrekt niet beroemen op iets anders’ (Galaten 6:14) en de Jood Isaac Da Costa sprak daarvan in het lied ‘In het kruis zal ik eeuwig roemen, geen wet zal mij verdoemen’, enz.  Jezus Christus is onze Redder, niet omdat Hij een Jood is of omdat de staat Israël zicht op Hem geeft, maar omdat Hij de Heiland van de wereld is (Johannes 4:42; 1 Johannes 4:13-16).

Drs. Piet Guijt, drs. Ernst Leeftink, Kees Maljaars, dr. Steven Paas, dr. Jos Strengholt.