God verwacht geen perfecte christenen – over dagelijkse bekering

Een aantal jaren geleden kwam ik een oude bekende tegen. Hij was jarenlang vrijgemaakt geweest, maar ergerde zich aan de lauwheid in onze inmiddels NGK kerken. Uiteindelijk werd hij, samen met zijn vrouw, baptist. Maar ook daar liep hij tegen hetzelfde aan. Dus is hij nu zelfbenoemd voorganger van zijn eigen huisgemeente. Want daar werkt de Geest wel volop. 

Misschien is dit een extreem voorbeeld. Maar ik vind het wel herkenbaar. Er leeft bij veel christenen een sterk verlangen naar meer. We mogen van de Geest van Christus veel verwachten en daar moeten we ons ook naar uitstrekken. Want je mag nooit te klein van God denken. Met groot enthousiasme wordt iedere christen daarom opgeroepen zich helemaal open te stellen voor de werking van de Heilige Geest. Hij geeft je een volheid van nieuwe krachten. Regelmatig hoor ik dan uitdrukkingen als: ‘Ga staan in de overwinning van Christus!’ En: ‘De Heer wil je meer geven dan je tot nu toe van Hem ontvangen hebt’.

Als gevolg daarvan wordt de levensheiliging een heel belangrijk criterium waaraan wordt afgemeten of iemand echt ‘in de Heer’ is. Jezus Christus wil je immers MEER geven! Dan moet je dat ook in geloof aanpakken en oppakken. Dit is een hele optimistisch benadering van het leven als christen. Maar tegelijk stelt het ook hele hoge eisen aan je. Je hoeft immers niet meer te zondigen als je echt door de Heilige Geest Jezus als Redder en Heer aanvaard hebt.

In de Bijbel tref ik een heel andere toon aan. Een christen moet je niet beoordelen op zijn daden, maar op zijn motivatie. God kijkt niet naar hoe perfect jij bent, maar kijkt naar je hart. Want wat je voor God bent (een totaal nieuw mens dankzij het bloed van Jezus) zul je in dit leven steeds meer worden (een groeiend christen dankzij de Geest van Jezus).

Je wordt als christen in dit leven ‘hoe langer hoe meer’ wat je in de ogen van God al bent.

Die woorden staan verschillende keren in de Heidelberge Catechismus. Ik wil ze graag even noemen:

Zd. 26:70 ‘Wij zijn door de Heilige Geest vernieuwd en tot leden van Christus geheiligd, zodat wij hoe langer hoe meer van de zonde afsterven en godvrezend leven en onberispelijk leven.’

Zd. 30:81 ‘Het avondmaal van de Here is ingesteld voor hen die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te versterken en hun leven te beteren.’

Zd. 32:89 ‘Het afsterven van de oude mens houdt ook in dat wij onze zonden hoe langer hoe meer haten en ontvluchten.

En ook in het avondmaalsformulier dat we in onze NGK-kerken gebruiken komen deze woorden voor:

Form. 1 H.A. ‘Geef ons door uw Heilige Geest dat wij ons hoe langer hoe meer vol vertrouwen aan uw Zoon Jezus Christus overgeven. (…) Laat ons steeds meer groeien in het nieuwe verbond in Christus’ bloed.

Hierin zie ik een hele realistische benadering van het leven als christen.

Ook in andere passages kom je heel duidelijk tegen, dat de HERE ons niet beoordeelt op de invulling van ons geloofsleven, maar op de geloofshouding waarmee wij in het leven staan. Ik noem er nog een paar:

Zd 1:1 ’Door zijn Heilige Geest maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven.’

Zd 44:115 ‘Wij bidden God om de genade van de Heilige Geest, om steeds meer naar het beeld van God vernieuwd te worden, totdat wij na dit leven het doel, namelijk de volmaaktheid, bereiken.’

D.L. III/IV 16 ‘Nu begint door de Geest een gewillige en oprechte gehoorzaamheid de overhand te krijgen.’

D.L. V 10 ‘De gelovigen leggen zich met heilige ernst toe op een goed geweten en goede werken..’

N.G.B. 24 ‘Het geloof, dat door de liefde werkt, beweegt de mens ertoe, zich te oefenen in de werken die God in zijn Woord geboden heeft.’

Form. Doop Volwassenen ‘Verklaart u, dat u van harte begeert altijd godvrezend te leven en te breken met de wereldse begeerten, zoals het leden van Christus en zijn gemeente past?’

Form. Geloofs-Belijdenis ‘Verklaart u, dat u van harte begeert God de Here lief te hebben en te dienen naar zijn Woord, te breken met de wereldse begeerten, uw oude natuur te doden en godvrezend te leven?’

Form. H.A. ‘De zelfbeproeving eist, dat ieder zichzelf afvraagt of hij gezind is voortaan uit dankbaarheid met heel zijn leven God de Here te dienen en of hij zich ernstig voorneemt, voortaan in liefde en vrede met zijn naaste te leven.’

Form. H.A. ‘Wij begeren tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven.’

De grote reformator Maarten Luther zei eens: ‘Ongelovigen lopen achter de zonde aan en gelovigen worden door de zonde achterna gezeten. En soms zie je amper het verschil.’

Niet wat ik ervan maak geeft in dit leven de doorslag. God kijkt naar mijn verlangen: om van Jezus Christus te zijn, voor Jezus Christus te leven en straks bij Jezus Christus te zijn. Deze gereformeerde visie op het christelijke leven krijgt van J.I. Packer (1926-2020), een van de meest bekende bijbelgetrouwe theologen van onze tijd, in zijn boek ‘Wandelen door de Geest’ het positieve kenmerk mee van ‘realisme’.

Het is een benadering die rust geeft. Ik hoef mijzelf als christen niet te beoordelen op mijn eigen geloofsprestaties. Ik mag rust vinden bij wat ik bij Paulus op verschillende plaatsen lees, dat God een goed werk bij en in mij begonnen is. En dat zal Hij ook af maken, zodat ik op de dag van de terugkomst van Jezus zuiver, onberispelijk en helemaal vol van Christus zal zijn (Fil. 1:6-11). En dat geloof deel ik met mijn broers en zussen, zodat we samen, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, volledig toegroeien naar Hem die ons Hoofd is: Christus. Zo bouwen we elkaar op door de liefde (Ef. 4:15-16).

Geloven is allereerst: bij Jezus tot rust komen. ‘Kom bij Mij als je vermoeid bent en onder lasten gebukt gaat. Dan zal Ik je rust geven, werkelijk rust voor je ziel.’ (Mat. 11:28-30)

Rust. Daar begint het mee. Die rust geeft kracht. Kracht om hoe langer hoe meer als christen te leven.

‘TE VROEG OF TE LAAT, MAAR NIET DUBBEL’

– over één doop tot vergeving van zonden –

“Eén van de ongelukkigste kerkscheidingen heeft te maken met de doop.” Dat is de zin waarmee de Amerikaanse theoloog J.I. Packer in zijn boek Groeien in Christus  het onderwerp ‘De doop en kleine kinderen’ behandelt (blz. 112-114). Een half jaar geleden gaf ik op mijn weblog  weer, wat Packer over het verband tussen doop en belijdenis schreef. Voor wie het nog eens lezen wil: https://ernstleeftink.wordpress.com/2013/10/23/waarom-zou-ik-belijdenis-doen/

Op die blog kreeg ik verschillende reakties. Een aantal ging over de vraag over waarom sommige christenen de kinderdoop niet erkennen en daarom die doop vaak zelfs nog een keer over doen. Wat Packer daarover zegt vind ik zo waardevol, dat ik het (iets ingekort en deels in eigen woorden) hier weergeef, met tussen vierkante haken soms wat aanvullende opmerkingen en aan het van deze blog nog wat eigen gedachten.

WEL OF GEEN KINDEREN DOPEN?

Niemand zal beweren dat alle kinderen gedoopt moeten worden, maar in de meeste kerkgenootschappen worden kinderen van gedoopte ouders [in de meeste gereformeerde kerken: die zelf belijdenis van hun geloof hebben afgelegd] gedoopt. Voor de baptisten is dit echter geen doop (want kleine kinderen kunnen immers de vereiste geloofsbelijdenis niet uitspreken) of zij zien het als een onrechtmatige doop (want, zo zeggen zij, het is niet duidelijk apostolisch en ook pastoraal gezien niet verstandig). Door alle baptisten wordt erop aangedrongen de doop uit te stellen totdat er sprake is van bewust geloof. Anderzijds hebben sommigen uit de verbondstheologie afgeleid, dat God heeft bevolen dat de baby’s van gelovigen allemaal gedoopt moeten worden. Velen zijn van mening dat, hoewel de kinderdoop door de kerk zelf is ingesteld, deze toch een betere theologische, historische en pastorale grond heeft dan wat de baptisten willen. Dus moet men volgens hen de kinderdoop waarderen als ‘beter passend bij de instelling van Christus’. [In veel gereformeerde kerken stemmen de ouders in met de uitspraak dat een kind van gelovige ouders ‘in Christus voor God heilig is en daarom als lid van zijn gemeente gedoopt behoort te zijn’.]

VOOR KINDERDOOP – MAAR GEEN GODDELIJK BEVEL

De besnijdenis van de jongetjes onder het oude verbond op Gods bevel (in Gen. 17:9-14), gekoppeld aan Paulus’ verzekering (in 1 Kor. 7:14) dat onder het nieuwe verbond de kinderen van de gelovigen samen met de ouders ‘geheiligd’ (toegewijd aan God en aangenomen door Hem) zijn, geeft vele bijbelgetrouwe christenen de overtuiging dat de kinderdoop juist is. Als de ouder-en-kind-saamhorigheid onder Gods verbond een onveranderlijk feit is, waarop Gods vroegere bevel van de besnijdenis (het toenmalige verbondsteken voor jongetjes) was gebaseerd, hoe kan men dan nu de doop (het teken van het nieuwe verbond) aan kinderen onthouden?

Bovendien is het wel bijna zeker dat de apostelen de kinderdoop praktiseerden. De ‘huizen’ (dat wil zeggen huishoudingen met uitgebreide gezinnen) van Lydia, van de gevangenisbewaarder in Filippi en van Stefanas werden gedoopt (Hand. 16:15, 16:33 en 1 Kor. 1:16). Het is moeilijk te geloven dat Lukas en Paulus ‘huis’ gezegd zouden hebben zonder verdere aanduiding, als ze ons hadden willen doen begrijpen dat baby’s principieel van de doop uitgesloten waren.

Hierdoor is de kinderdoop van tegenwoordig zeker gerechtvaardigd. Toch moet ook worden toegegeven, dat nergens in de Schrift staat, dat het dopen van kinderen een goddelijk bevel is.  We mogen ervan uitgaan, dat de goddelijke Auteur, die de menselijke schrijvers bestuurde, dat ook niet heeft willen doen.

TEGEN KINDERDOOP – MAAR NIET DOORSLAGGEVEND

Tegelijkertijd kunnen ook de argumenten tegen de kinderdoop niet doorslaggevend genoemd worden. 

*1* Er wordt beweerd dat het belijden van het geloof deel uitmaakt van de doop. Maar het Nieuwe Testament zegt dit nergens; het is een aanvechtbare gevolgtrekking uit feit dat in het Nieuwe Testament, maar ook later, volwassenen nooit werden gedoopt zonder zo’n belijdenis te hebben afgelegd. 

*2* Er wordt als argument aangevoerd, dat van gedoopte kinderen nooit geëist kan worden dat ze belijdenis van hun geloof zullen doen. Maar gelovige ouders die hun kinderen lieten dopen, wijzen hun kinderen op de noodzaak van persoonlijke bekering en op persoonlijk geloof; zij sporen ze aan om zelf en oprecht hun zonden en geloof te belijden als ze daar oud genoeg voor zijn. Om als volwassene een volwaardig lid van de kerk te kunnen worden, staat de persoonlijke belijdenis centraal. Met andere woorden, de kinderdoop eist bekering van de volwassene die als kind gedoopt is.  

*3* Er wordt beweerd dat de kinderdoop de leer van de veronderstelde wedergeboorte en verlossing zonder geloof aanmoedigt. De baptisten schudden hun hoofd als ze bij de doop horen hoe dit kind door zijn doop een lid van Christus en een kind van God en mede-erfgenaam van het Koninkrijk der hemelen is geworden. Maar hiermee wordt alleen maar gezegd, dat God van zijn kant deze geestelijke zegeningen en voorrechten ook aan de kinderen van de gelovigen belooft. Willen ze ooit werkelijk ontvangen worden, dan moeten ze eerst bevestigd worden door het geloof in Christus. Zoals een Anglicaanse aartsbisschop lang geleden schreef: ‘Ik heb er alleen profijt en voordeel van als ik begrijp welk geschenk God in de doop voor mij heeft verzegeld en als ik er inderdaad mijn hand op leg in het geloof.’

VOOR DE EEN TE VROEG – VOOR DE ANDER TE LAAT …

De baptisten dragen kinderen op (een ‘droge doop’ in de ogen van de kinderdopers) en dopen later met water. Protestanten, gereformeerden en katholieken dopen de kinderen die later belijdenis van hun geloof afleggen (een ‘droge doop’ in de ogen van de baptisten). Het zou niet moeilijk moeten zijn voor kinderdopers en voor volwassendopers om in wederzijds respect elkaar hierin te vinden, want bijbels en pastoraal gezien zijn beide praktijken (Gode zij dank) parallel van betekenis.

…DUS WAAROM DAN TOCH DUBBEL?

Met bovenstaande zinnen eindigt Packer zijn hoofdstuk. Het zou mij heel wat waard zijn, als evangelischen/baptisten en gereformeerden in elk geval van elkaar zouden accepteren, dat we het bij één doop houden. De eenheid die de Geest ons geeft bestaat ook uit één doop, zegt Paulus in Efeziërs 4:5 en dat spreken christenen wereldwijd ook uit met de geloofsbelijdenis van Nicea: ‘Wij belijden één doop tot vergeving van zonden.’ Dan kun je van elkaar vinden dat de doop te vroeg of te laat bediend wordt, maar een dubbele doop, dat kan en mag bijbels gezien niet.

Helaas is mijn optimisme dat we elkaar in één doop kunnen vinden, er in de ruim 30 jaar dat ik predikant ben, niet groter op geworden. Alle ‘kinderdopers’ (om de term van Packer te gebruiken) hebben geen moeite met de volwassendoop. Ze dopen immers zelf ook volwassenen die op latere leeftijd tot geloof komen. Vaak kunnen ze zelfs wel accepteren dat andere christenen hun kinderen de keus laten om zich pas bij hun geloofsbelijdenis als volwassene te laten dopen. Dat is dan weliswaar ‘te laat’, omdat je God zo’n twintig jaar laat wachten voor Hij zijn beloften, die Hij zo graag aan de gelovigen én hun kinderen wil geven, op iemand mag zetten. Maar uiteindelijk komen Gods keus voor mij (in de doop) en mijn keus voor God (in mijn belijdenis) bij elkaar.

PACKER TE OPTIMISTISCH

Maar Packer is te optimistisch als hij denkt dat baptisten zich omgekeerd ook in de praktijk van de kinderdoop kunnen vinden, ook al passen ze die niet toe in hun eigen gemeente. Want veel baptisten zien de doop niet, zoals Packer wel doet, als teken van Gods beloften die een leven lang gelden en meegaan. Ze vinden echt dat “de doop een teken van jouw antwoord op Gods aanbod van vergeving van zonden en eeuwig leven. Dáárvan leg je getuigenis af in de doop.” (citaat uit het boek ‘Dopen en laten dopen’ van E.W. van der Poll, p. 130)

Ja, dan wordt het natuurlijk onmogelijk om de kinderdoop als een echte doop te aanvaarden, ook al vind je dat die twintig jaar ‘te vroeg’ plaatsvond, omdat het beter is om Gods beloften en de gelovige aanvaarding daarvan dichter op elkaar te laten aansluiten. Want de doop ís voor veel baptisten niet God tastbare belofte aan jou. En dus is de kinderdoop, met alle respect voor de bedoeling van de gelovige ouders, geen echte doop, maar een jammerlijke dwaling, zoals een baptistenvoorganger mij eens vertelde.

WAT GOD BELOOFT VRAAGT OM GELOOF

Dat laatste vind ik ook, maar dan juist omgekeerd. Als God zijn stempel al op mijn leven gezet heeft, hoef ik bij mijn belijdenis God niet nog een keer te laten uitspreken dat Hij mij werkelijk op zijn Drie-Enige Naam zet. Natuurlijk vraagt de doop om persoonlijk geloof. Of je nu als volwassene of als kind gedoopt wordt. Maar in de kern van de zaak gaat het om de vraag: waar zet de doop een streep onder? Onder wat God belooft of onder wat jij gelooft? Volgens mij is de Bijbel daar in grote lijnen vrij duidelijk over. De doop is Gods ‘getuigenis’ aan mij: Hij neemt mij dankzij het offer van Jezus Christus weer aan tot zijn kind. En wat Hij beloofd heeft, blijft van kracht, mijn leven lang. Dat hoeft dus nooit opnieuw te gebeuren. Er is maar één doop tot vergeving van zonden. God vraagt niet aan zijn kinderen of ze zich nog een keer willen laten dopen. Hij vraagt of ze hun leven lang erop willen vertrouwen dat Hij hun Vader, Verlosser en Vernieuwer is. De doop vraagt om geloof. Bij je belijdenis. En telkens weer. Voel maar aan je voorhoofd als je als kind gedoopt bent. Herinner je hoe je ondergedompeld of besprenkeld werd toen je als volwassene gedoopt werd. God heeft zijn Naam op jouw leven gezet en jouw naam in zijn handpalm gegrift. Dat zegt je doop!

Over de kinderdoop schreef ik nog een paar blogs:
Wanneer laat je je kind dopen?
Sela over de doop
Kinderdoop normaal – uitstel soms – herdoop nooit

WAAROM ZOU IK BELIJDENIS DOEN?

zit er iets of niets tussen Doop en Avondmaal?

Marjella 07

Foto: Philip Roorda

“Waarom zou ik belijdenis doen in de kerk? Mijn geloof is toch iets persoonlijks?” Die geluiden kom je in onze tijd steeds meer tegen. In zijn boek ‘Groeien in Christus’ behandelt de Amerikaanse theoloog J.I. Packer heel praktisch de Twaalf Artikelen; het onderwerp ‘Doop en Bekering’; het Onze Vader; en tenslotte de Tien Geboden. Als hij het over ‘Doop en Bekering’ heeft, schrijft hij een apart hoofdstuk over belijdenis doen (blz. 115-117). Dat vind ik een heel waardevol stuk, dus ik geef het, deels in eigen woorden, hieronder weer.

In de meeste traditionele kerken worden mensen die als kind gedoopt zijn, later na een bevestigende plechtigheid toegelaten tot het Heilig Avondmaal. Kenmerkend daarbij is dat de dominee de meestal jong-volwassen leden de hand oplegt en de Heilige Geest bidt om hun kracht te geven. Wat betekent dit?

WAT BELIJDENIS NIET IS

Om te beginnen betekent het niet, dat tot op dat moment de Heilige Geest niet persoonlijk bij deze kerkleden zou hebben ingewoond, of dat de gaven en vruchten van de Heilige Geest tot op dat moment niet werkzaam zouden zijn geweest.

Belijdeniskaart summer-morning-belijdenis-cbc1

Prachtige belijdeniskaarten zijn te bestellen via http://www.karlaleeftink.com/kaarten

Het wil ook niet zeggen, dat we alleen door belijdenis en handoplegging de Heilige Geest en de daaraan verbonden gaven zouden kunnen ontvangen. Belijdenis doen is immers geen sacrament, zoals sommigen denken. Het Nieuwe Testament kent maar twee sacramenten als door God gegeven tekenen, die de bijzondere zegeningen voor de gelovigen waarborgen, namelijk de Doop en het Avondmaal. En zelfs bij de sacramenten is het zo, dat de genadegaven die door Doop en Avondmaal aan de gelovigen worden voorgesteld en verzekerd, ook los van de sacramenten ontvangen kunnen worden. De vergeving van de zonden, die deel uit maakt van de rechtvaardiging, is daarvan een overduidelijk voorbeeld, zoals blijkt uit Romeinen 5:1 en voorafgaande verzen en uit Galaten 3:26 en heel dat hoofdstuk.

Tegelijk zie je in Handelingen 2:38 en 22:16, dat wie gelooft in de vergeving van zonden, ook opgeroepen wordt zich te laten dopen. Want het Nieuwe Testament laat zien, dat christen worden hetzelfde is als lid van de gemeente worden. Er bestaat niet zoiets als ‘op je eentje vluchten naar de Enige’; óf we zijn met elkaar verlost als leden van het lichaam van Christus óf we zijn niet verlost. Natuurlijk heeft het schriftuurlijke christen-worden alles te maken met het ondervonden en beleden geloof, maar het doen van belijdenis als bevestiging van de gave van de Heilige Geest is geen bijbelse inzetting.

TOCH ‘JA’ ZEGGEN

Belijdenis flyerMaar als belijdenis doen alleen maar een kerkelijke traditie is, waarom blijven we het we het dan doen? Is het wel zinvol? Ja! En wel om twee redenen, een theologische en een pastorale.

Om te beginnen is er bij de inlijving in het lichaam van Christus een element, dat ontbreekt bij de kinderdoop, namelijk de persoonlijke geloofsbelijdenis in de gemeente. We mogen dan de doop van de kinderen van de gelovigen zien als Gods wil, maar het belijden van het geloof, als men daar oud genoeg voor is, is net zo goed de wil van God, zoals duidelijk blijkt uit Romeinen 10:9, 1 Korintiërs 12:3 en 1 Timoteüs 6:12. De persoonlijke geloofsbelijdenis laat zien, dat we ‘het lichaam kunnen onderscheiden’, namelijk dat we de betekenis en het belang inzien van de woorden van Jezus bij het Avondmaal: ‘Dit is mijn lichaam voor u’ (1 Korintiërs 11:24+29). De persoonlijke belijdenis van het geloof maakt de weg vrij voor deelname aan het Heilig Avondmaal, dat uitsluitend bedoeld is voor gelovigen. Het openlijk doen van belijdenis maakt duidelijk, dat men geschikt is om deel te nemen aan deze centrale handeling van aanbidding.

Packer Groeien in Christus (2)De tweede reden is dat het afleggen van belijdenis hét moment is in de ontwikkeling van een christen, waarop het dooplid een zelfstandig volwassen lidmaatschap krijgt, dat gebaseerd is op de persoonlijke aanvaarding van datgene, wat zijn ouders namens hem hadden beloofd, namelijk te geloven in en te leven voor de Drie-Enige God en met de duivel en het zondige in de wereld en in jezelf te breken. In de Anglicaanse Kerk wordt bijvoorbeeld gevraagd: ‘Vernieuwt u hier, in de tegenwoordigheid van God en van deze gemeente de plechtige belofte die namens u gedaan is bij uw doop, door hem nu persoonlijk te bekrachtigen en te bevestigen?’ Het voorgeschreven antwoord is ‘JA’ en dat spreekt, mits in oprechtheid uitgesproken, boekdelen. De gemeente, die de kandidaten hun geloof hoorde belijden, bidt met de predikant om de bevestiging en versterking door Gods Geest voor de vervulling van de belofte die zij net uitgesproken hebben.

Is openlijk belijdenis doen opbouwend? Is dit van betekenis en heeft het waarde? Wat denk jij ervan? Als dit heel serieus gedaan wordt, is het een diepgaande gebeurtenis van toewijding en hernieuwde toewijding, waarin wij getuigens geven van het reddende werk van Christus dat in geloof wordt omhelsd.

belijdenis is doenTot zover J.I. Packer over het belang van de persoonlijke belijdenis. Hij verwijst voor verdere bijbelstudie nog naar 1 Timoteüs 6:11-21 en 2 Timoteüs 1:8-14.

Voor ieder ouder dooplid én voor iedereen die ooit belijdenis heeft gedaan, vind ik vooral 1 Timoteüs 6 vers 12+13 en 2 Timoteüs 1 vers 8 erg bemoedigend. Durf het aan om in je eigen kerk in aanwezigheid van velen een krachtig getuigenis af te leggen (zoals Timoteüs eens als verlegen jongen deed), want je weet toch jouw voorbeeld is: Jezus, die voor Pontius Pilatus een krachtig getuigenis heeft afgelegd. En blijf het steeds weer doen, elke keer als je er voor komt te staan: Schaam je er dus niet voor om van onze Heer te getuigen.