STUDENT en KERK – wil dat nog een beetje mixen?

LEO

Zes jaar lang ben ik parttime studentenpastor geweest. Dat was in de tijd dat ik dominee van de GKV van Nijmegen was. Ongeveer 20% van onze gemeente bestond uit studenten. De meesten van hen waren vooral actief binnen de VGSN-tq (toen zeker en nu nog steeds een van de leukste christelijke studentenverenigingen van Nederland). Zo’n grote populatie studenten in een kerkelijke gemeente is ontzettend waardevol. Wederzijds. Maar dan moet je de verwachtingen wel goed op elkaar afstemmen.

De studententijd als zoektocht

VGS landelijk

Niet alle christelijke studenten zijn lid van een kerkelijke gemeente in hun studentenstad. Dat vind ik echt jammer. Allereerst omdat het studentenleven een hele hektische periode is. Als je gaat studeren, krijg je 4 tot 7 jaar de tijd om van alles te ontdekken. In sneltreinvaart leer je jezelf een eigen mening te vormen en op eigen benen te staan. Ook op het gebied van geloof en kerk krijg je alle ruimte om je eigen overtuiging te ontwikkelen. Daarbij is kerk waarin je bent opgegroeid aan de ene kant de thuishaven waarin je als jongere bent opgegroeid en de HERE hebt leren kennen en als christen gevormd bent. Dat kan een gevoel geven van stabiliteit en rust, want je hoeft niet alles wat met het geloof te maken heeft, zelf te ontdekken: de ‘basic’ heeft de HERE je al lang geleden bijgebracht dankzij een christelijke opvoeding in een gereformeerd milieu, en bij het doen van je belijdenis heb je ook van harte Jezus Christus (want Hij is die ‘basic’) persoonlijk aanvaard. Anderzijds is kerk een kritische tegeninstantie waaraan je als student jezelf spiegelt en waaraan je nieuwe geestelijke inzichten toetst. En dat allemaal op een hele kritische manier – studenten eigen. Dan gaat het om vragen als: is alles wat ik in de kerk van mijn ouders geleerd heb, wel in overeenstemming met de Bijbel? Hebben andere christenen en andere geloven het allemaal bij het verkeerde eind? En als onze kerkelijke papieren (binnen de NGK: de gereformeerde belijdenisgeschriften) inderdaad het beste de bijbelse leer weergeven, hoe funktioneert dat dan in de praktijk? Waarom is er soms zo’n  grote kloof tussen leer en leven?

Wederzijdse stimulans

Student en kerk

Ik heb ook gemerkt dat studenten  vooral positief-kritisch betrokken zijn en blijven op geloof en kerk, als ze in hun eerste jaar een goede band opbouwen met de kerkelijke gemeente in hun studentenstad. Wat dat betreft is het heel goed om pas in je studententijd belijdenis van je geloof te doen. Dan kun je in je studentenstad nog een jaar catechisatie volgen, vaak met medestudenten die dezelfde vragen over het christelijke geloof hebben. Dat kan heel
vormend zijn voor het persoonlijke geloof. Bovendien raak je zo betrokken bij je nieuwe kerkelijke gemeente. Veel studenten zijn graag bereid om een bijdrage te leveren aan konkrete, meer kleinschalige aktiviteiten van de gemeente. Rond de eredienst, bij diakonale hulp, bij het vertalen van preken, bij het clubwerk met kinderen en jongeren. En studenten zorgen er vaak ook voor, dat de leden van een christelijke kerk betrokken raken bij allerlei projekten in de stad, zowel op evangelisatiegebied (AiA) als op diakonaal gebied (Happetaria).

Als het om ‘student en kerk gaat’, zijn er dus drie dingen belangrijk.

  • Allereerst is de houding van de student van groot belang: hoeveel krediet heeft de kerk van je jeugd en het geloof van je ouders bij je?
  • Daarnaast heeft ook de sfeer binnen een christelijke studentenvereniging veel invloed: hoe wordt er tegen het instituut ‘kerk’ in het algemeen en tegen de plaatselijke kerk(en) in de stad aangekeken?
  • Tenslotte speelt tenslotte de houding van die plaatselijke kerk(en) een grote rol: hoe betrokken en aktief is men als kerk bij alles wat studenten op geloofsgebied bezig houdt?

Een alternatieve gemeenschap der heiligen

VGST lezing

De dynamiek tussen student en gemeente zit ‘m ook in het feit dat de eerste kring waarbinnen studenten zich bewegen meestal niet de kerkelijke gemeente is (ook al ben je er lid van), maar de christelijke studentenvereniging. Daar doe je samen aan bijbelstudie, daar bezoek je de thema-avonden, daar krijgt je sociale leven vorm. Zo funktioneert een studentenvereniging in de praktijk als een parallelle ‘gemeenschap der heiligen’. En dat vind ik echt prima. Want dat is nu juist de bedoeling van de ‘gemeenschap der heiligen’, dat je vooral in eigen kring elkaar ondersteunt en help en vormt. Tegelijk beseft bijna iedereen, dat een studentenvereniging geen kerkelijke gemeente is en het ook niet wil zijn. En dus blijft ook de kerkelijke gemeente een belangrijke rol spelen, al was het alleen maar, omdat studenten regelmatig bezoek krijgen van een ouderling, een diaken of een (studenten)pastor. Daarmee heb je meteen een spanningsveld te pakken. Principieel gezien is de kerkelijke gemeente in je studentenstad het belangrijkste, terwijl je als student in de praktijk de meeste tijd en inzet binnen je christelijke studentenvereniging spendeert. Zie dat maar eens, zowel van de kant van de student als van de kant van de kerkelijke gemeente een goede balans in te krijgen!

Spannend & Uitdagend

De dynamiek tussen student en gemeente kent volgens mij ook z’n eigen  problematiek. Zowel praktisch als principieel.  Praktisch lijkt er vaak zo weinig struktureels van de grond te komen als het om de plaats van de studenten in de kerkelijk gemeente gaat. Het blijft allemaal zo ‘hap-snap’ lijkt het wel. Een vlot doorstromende stadskerk en een nog vlotter doorstromende studentengemeenschap zijn daar vaak mede de oorzaak van. Toch zit het probleem volgens mij wel wat dieper: in heel de samenleving zie je dat mensen zich niet meer gebonden voelen aan instituten waar ze niks meer mee hebben. Dat geldt ook voor student en gemeente: wat voor toegevoegde waarde hebben we tegenover elkaar? Als de kerkelijke gemeente denkt het zonder studenten ook wel te kunnen en de studenten denken dat de vereniging hen wel genoeg te bieden heeft, blijven de kontakten op het ‘hap-snap’-nivo steken. Een gemiste kans!

Bewust kiezen voor elkaar

Problematischer vind ik de ontwikkeling, dat in de studententijd zomaar afstand genomen kan worden van het geloof in Jezus Christus en van zijn gemeente. Sommige studenten maken zich los van elke vorm van gezamenlijk geloven. Andere studenten maken de overstap naar hippe evangelisch-georiënteerde gemeentes. In beide gevallen lijkt het erop, dat de persoonlijke ervaring de doorslag geeft bij de keuzes die men maakt. Dat vind ik een goede ontwikkeling, want het geloof moet ook een persoonlijke keus zijn van iedere individuele gelovige. Maar ik vind het erg jammer als men bij de keuzes die men maakt niet meer aanspreekbaar is op wat we sámen geloven en op wat men eens ook zélf geloofd heeft. Het is mij dan te gemakkelijk om te zeggen: ‘daar denk ik nu anders over en daar kijk ik nu anders tegenaan.’ Juist binnen de kerkelijke gemeente ben je aan elkaar gegeven om ook samen God te dienen en Jezus te volgen. En om elkaar voor uitglijders en eenzijdigheden te behoeden. Ook de christelijke studentenvereniging als parellel-gemeenschap der heiligen zou zo’n plaats moeten zijn, waar je elkaar stimuleert én probeert te bewaren bij het christelijke, gereformeerde geloof. Ik denk dat zowel de plaatselijke kerk als de studentenvereniging daar niet altijd even goed in is. De kerk niet, omdat die soms te weinig inlevingsvermogen heeft en te massief of kritische vragen van studenten reageer. De studentenvereniging niet, omdat iedereen daar elkaars gelijke is, dus is het al snel ‘not-done’ om je een oordeel aan te matigen over wat je toch echt als een zorgelijke ontwikkeling in iemands geloofsleven ziet. Maar misschien denk ik wel teveel dat we elkaars geloofsontwikkeling als mensen kunnen beheersen en bijsturen. En is het van veel meer belang om ieder op z’n plaats gewoon christen te zijn en het voor de rest maar gelovig aan de Geest van Christus over te laten, hoe studenten zich in deze mooie periode van hun  leven als christen ontwikkelen. Als schapen van de Herder komen ze na de nodige omzwervingen wel weer op hun pootjes in de kudde van Christus terecht.

‘The best place to be’

VGSN-tq

Toen ik in Nijmegen begon als predikant, had ik het volgende ideaal voor wat betreft de plaats van studenten in de gemeente: laat onze gemeente  aan het eind van de studie ´the best place to be´ geweest zijn voor elke student. Zo van: ik heb als student in de afgelopen zes jaar veel heen en weer gependeld tussen mijn studentenkamer, mijn ouderlijk huis, dat van mijn vriend(in) en nog vele andere plaatsen in het weekend, maar uiteindelijk voelde ik me in Nijmegen het meeste thuis, ook wat betreft de kerkelijke gemeente,  geloofsgroei en geestelijke ontwikkeling. Ik geloof nog steeds dat het in de praktijk ook zo werkt. Uiteraard geldt dat niet voor iedereen. En dat geeft ook niet. Maar ik ben er nog steeds van overtuigd, dat het goed voor iedere student, dat ´ie een geestelijke uitvalsbasis heeft om als kind van God in het wereldje van Universiteit, HBO en studentikositeit te funktioneren.

Novitiaat: ontdek ook je kerk!

LEO

Het liefst zou ik zien, dat christelijke studentenverenigingen zich meer verbinden aan de plaatselijke gemeentes in hun stad. Als je jezelf als club ‘gereformeerd’ of ‘christelijk’ of ‘evangelisch’ of ‘reformatorisch’ noemt, zweef je niet ergens in het luchtledige rond in je stad. Bij een christen hoort een gemeente. Bij een christenstudent ook. Ik zou dus graag willen dat iedere student die lid wordt van een studentenvereniging ook een geestelijke thuisbasis vindt in een kerkelijke gemeente. Uiteraard is dat de keus van iedere student zelf, maar gezien haar grondslag en doelstelling zou iedere christelijke studentenvereniging die persoonlijke betrokkenheid bij een kerkelijke gemeente moeten  stimuleren i.p.v. zich daarin neutraal op te stellen uit angst voor – ja, voor wat eigenlijk? Heel konkreet pleit ik er dan ook voor, dat tijdens het novitiaat alle eerstejaars ook minstens twee bezoekjes afleggen bij leden van een plaatselijke gemeente. Voor gereformeerde studenten dus bij leden van een NGK of CGK in hun nieuwe stad, voor evangelische studenten bij een evangelische of baptistengemeente, voor protestantse studenten bij leden van de PKN.

‘De leeuw heeft gebruld’

God verwacht geen perfecte christenen – over dagelijkse bekering

Een aantal jaren geleden kwam ik een oude bekende tegen. Hij was jarenlang vrijgemaakt geweest, maar ergerde zich aan de lauwheid in onze inmiddels NGK kerken. Uiteindelijk werd hij, samen met zijn vrouw, baptist. Maar ook daar liep hij tegen hetzelfde aan. Dus is hij nu zelfbenoemd voorganger van zijn eigen huisgemeente. Want daar werkt de Geest wel volop. 

Misschien is dit een extreem voorbeeld. Maar ik vind het wel herkenbaar. Er leeft bij veel christenen een sterk verlangen naar meer. We mogen van de Geest van Christus veel verwachten en daar moeten we ons ook naar uitstrekken. Want je mag nooit te klein van God denken. Met groot enthousiasme wordt iedere christen daarom opgeroepen zich helemaal open te stellen voor de werking van de Heilige Geest. Hij geeft je een volheid van nieuwe krachten. Regelmatig hoor ik dan uitdrukkingen als: ‘Ga staan in de overwinning van Christus!’ En: ‘De Heer wil je meer geven dan je tot nu toe van Hem ontvangen hebt’.

Als gevolg daarvan wordt de levensheiliging een heel belangrijk criterium waaraan wordt afgemeten of iemand echt ‘in de Heer’ is. Jezus Christus wil je immers MEER geven! Dan moet je dat ook in geloof aanpakken en oppakken. Dit is een hele optimistisch benadering van het leven als christen. Maar tegelijk stelt het ook hele hoge eisen aan je. Je hoeft immers niet meer te zondigen als je echt door de Heilige Geest Jezus als Redder en Heer aanvaard hebt.

In de Bijbel tref ik een heel andere toon aan. Een christen moet je niet beoordelen op zijn daden, maar op zijn motivatie. God kijkt niet naar hoe perfect jij bent, maar kijkt naar je hart. Want wat je voor God bent (een totaal nieuw mens dankzij het bloed van Jezus) zul je in dit leven steeds meer worden (een groeiend christen dankzij de Geest van Jezus).

Je wordt als christen in dit leven ‘hoe langer hoe meer’ wat je in de ogen van God al bent.

Die woorden staan verschillende keren in de Heidelberge Catechismus. Ik wil ze graag even noemen:

Zd. 26:70 ‘Wij zijn door de Heilige Geest vernieuwd en tot leden van Christus geheiligd, zodat wij hoe langer hoe meer van de zonde afsterven en godvrezend leven en onberispelijk leven.’

Zd. 30:81 ‘Het avondmaal van de Here is ingesteld voor hen die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te versterken en hun leven te beteren.’

Zd. 32:89 ‘Het afsterven van de oude mens houdt ook in dat wij onze zonden hoe langer hoe meer haten en ontvluchten.

En ook in het avondmaalsformulier dat we in onze NGK-kerken gebruiken komen deze woorden voor:

Form. 1 H.A. ‘Geef ons door uw Heilige Geest dat wij ons hoe langer hoe meer vol vertrouwen aan uw Zoon Jezus Christus overgeven. (…) Laat ons steeds meer groeien in het nieuwe verbond in Christus’ bloed.

Hierin zie ik een hele realistische benadering van het leven als christen.

Ook in andere passages kom je heel duidelijk tegen, dat de HERE ons niet beoordeelt op de invulling van ons geloofsleven, maar op de geloofshouding waarmee wij in het leven staan. Ik noem er nog een paar:

Zd 1:1 ’Door zijn Heilige Geest maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven.’

Zd 44:115 ‘Wij bidden God om de genade van de Heilige Geest, om steeds meer naar het beeld van God vernieuwd te worden, totdat wij na dit leven het doel, namelijk de volmaaktheid, bereiken.’

D.L. III/IV 16 ‘Nu begint door de Geest een gewillige en oprechte gehoorzaamheid de overhand te krijgen.’

D.L. V 10 ‘De gelovigen leggen zich met heilige ernst toe op een goed geweten en goede werken..’

N.G.B. 24 ‘Het geloof, dat door de liefde werkt, beweegt de mens ertoe, zich te oefenen in de werken die God in zijn Woord geboden heeft.’

Form. Doop Volwassenen ‘Verklaart u, dat u van harte begeert altijd godvrezend te leven en te breken met de wereldse begeerten, zoals het leden van Christus en zijn gemeente past?’

Form. Geloofs-Belijdenis ‘Verklaart u, dat u van harte begeert God de Here lief te hebben en te dienen naar zijn Woord, te breken met de wereldse begeerten, uw oude natuur te doden en godvrezend te leven?’

Form. H.A. ‘De zelfbeproeving eist, dat ieder zichzelf afvraagt of hij gezind is voortaan uit dankbaarheid met heel zijn leven God de Here te dienen en of hij zich ernstig voorneemt, voortaan in liefde en vrede met zijn naaste te leven.’

Form. H.A. ‘Wij begeren tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven.’

De grote reformator Maarten Luther zei eens: ‘Ongelovigen lopen achter de zonde aan en gelovigen worden door de zonde achterna gezeten. En soms zie je amper het verschil.’

Niet wat ik ervan maak geeft in dit leven de doorslag. God kijkt naar mijn verlangen: om van Jezus Christus te zijn, voor Jezus Christus te leven en straks bij Jezus Christus te zijn. Deze gereformeerde visie op het christelijke leven krijgt van J.I. Packer (1926-2020), een van de meest bekende bijbelgetrouwe theologen van onze tijd, in zijn boek ‘Wandelen door de Geest’ het positieve kenmerk mee van ‘realisme’.

Het is een benadering die rust geeft. Ik hoef mijzelf als christen niet te beoordelen op mijn eigen geloofsprestaties. Ik mag rust vinden bij wat ik bij Paulus op verschillende plaatsen lees, dat God een goed werk bij en in mij begonnen is. En dat zal Hij ook af maken, zodat ik op de dag van de terugkomst van Jezus zuiver, onberispelijk en helemaal vol van Christus zal zijn (Fil. 1:6-11). En dat geloof deel ik met mijn broers en zussen, zodat we samen, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, volledig toegroeien naar Hem die ons Hoofd is: Christus. Zo bouwen we elkaar op door de liefde (Ef. 4:15-16).

Geloven is allereerst: bij Jezus tot rust komen. ‘Kom bij Mij als je vermoeid bent en onder lasten gebukt gaat. Dan zal Ik je rust geven, werkelijk rust voor je ziel.’ (Mat. 11:28-30)

Rust. Daar begint het mee. Die rust geeft kracht. Kracht om hoe langer hoe meer als christen te leven.

De ChristenUnie en de dominee

Wie kent dat liedje over ‘de dominee van Amersfoort’ nog? Boudewijn de Groot bezong hem in 1977. Het was niet zo’n beste man, want hij versleet eerst drie vrouwen en na zijn dood ging nummer vier van tierelierelier met de voorzitter van het kerkbestier.

Een dominee in de gemeenteraad?

Amersfoort is ook de plaats waar van 2014-20218 Ron van der Spoel als protestants-gereformeerd predikant vier jaar lang namens de ChristenUnie in de gemeenteraad zat. Nu, met nieuwe gemeenteraadsverkiezingen voor de deur, laait de diskussie weer op of dat wel kan: predikanten die politiek aktief zijn voor één bepaalde partij. Nogal uitgesproken was de hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad, Nico de Fijter. Hij verkondigde in het ND van 14 maart 2026 vanaf de journalistieke kansel heel stellig: Een dominee op de kandidatenlijst maakt van de preekstoel een politieke plek.

Afgezien van het feit dat De Fijter dit niet als persoonlijke opvatting, maar als de mening van heel het Nederlands Dagblad aan de lezers meegaf, valt er nogal wat af te dingen op deze stelling. George Harinck, hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Theologische Universiteit Utrecht, wees er in het ND van 13 maart 2026 terecht op, dat in de neocalvinistische tak van het gereformeerd protestantisme heel sterk de gedachte leeft dat je als christen in de breedte van de samenleving aktief hoort te zijn. Er is ‘geen duimbreed’ (aldus Abraham Kuyper die zowel dominee als kamerlid als de eerste gereformeerde minister-president was) waarop Jezus Christus via zijn volgelingen geen invloed hoeft te hebben. En ook de bevindelijk-gereformeerde traditie kent sinds de oprichting van de SGP in 1918 door dominee én kamerlid Henri Kersten veel politiek aktieve predikanten.

Zelf sta ik sinds 2002 elke vier jaar (behalve in 2006, toen ik net verhuisd was) als één van de lijstduwers op de plaatselijke ChristenUnie-lijst – één keer in Nijmegen, vier keer in Assen en nu in Hardenberg.

Indertijd gaf Ron van der Spoel in een interview met het ND aan, dat hij door de week graag in de praktijk wilde brengen wat hij op zondag preekte. In de Bijbel staat immers dat je als christen niet alleen voor de samenleving moet bidden, maar je er ook aktief voor moet inzetten. Die opdracht gaf Jeremia namens God al aan de gelovigen in Babel: “Bid tot de HEER voor de stad en zet je in voor haar bloei, want de bloei van de stad is ook jullie bloei.”

Christen ben je altijd en overal

Voor mij is dat ook een belangrijke reden om de lijst van de ChristenUnie in Hardenberg een duwtje te geven. Want ik draag de christelijke politiek een warm hart toe en wil me daar op eigen plaats en manier graag voor inzetten. Een symbolische plaats op de lijst van de ChristenUnie past daar wel goed bij. Iemand noemde mij één van de ‘hekkensluiters’ van de lijst. Met die typering ben ik niet zo blij. Ik hoop juist, dat mijn bescheiden plaats op de ChristenUnie-lijst (#28) voor mensen niet het hek dicht doet om op de ChristenUnie te stemmen, maar juist een stimulans kan zijn om dat juist wel te doen.

Bovendien: als dominee word ik niet politiek aktief. Ik blijft me voor de volle 100% op mijn roeping als predikant concentreren. Maar als burger van Hardenberg en als inwoner van Balkbrug wil ik wel graag aktief betrokken zijn op wat er in onze gemeente en in ons dorp speelt. Mijn manier om daar uiting aan te geven is o.a. door politiek betrokken te zijn. Want kerk en samenleving zijn geen twee gescheiden circuits. De aanwezigheid van één of enkele predikanten op de lijst van de ChristenUnie geeft dat juist aan. Misschien dat dat sommige kiezers het laatste duwtje kan geven om bij de komende gemeenteraadsverkiezingen op de ChristenUnie te stemmen.

Geen stemadvies vanaf de kansel …

En of ik dan zondags in de kerk voor de ChristenUnie bid?  Nee, dat doe ik niet. Op de preekstoel is partijpolitiek uit de boze. Wel bid ik in de weken voor deze verkiezingen voor christenen die als een Daniël of Daniëlla in de plaatselijke politiek aktief zijn en roep ik iedereen op: breng als christen je stem uit. En ik durf ook wel te zeggen: geef je geloof een stem door op een medechristen te stemmen. Want als dat niet meer gebeurt, waar wordt dan in de politiek nog gehoord en getoond dat Gods adviezen goed zijn voor alle mensen, ook in jouw burgerlijke gemeente?

… maar wel vanaf hier!

Vanaf deze plek zeg ik er uit volle overtuiging bij: doe dat door in Hardenberg op de ChristenUnie te stemmen. Dat is een partij die er al jaren openlijk voor uitkomt én het ook waar maakt met zeven raadsleden en één wethouder, dat we opstaan voor het goede. Daar geef ik op 18 maart graag mijn stem aan. In de hoop dat velen dat met mij doen, zodat de ChristenUnie straks weer met 7 of misschien zelfs wel 8 heel geschikte én gelovige mensen in de gemeenteraad van onze prachtige gemeente tussen Reest en Vecht zit.

Mijn gelukkig lot

Vorig jaar viel de 59,7 miljoen van de Postcodeloterij in ons mooie dorp Balkbrug. Een week later was ik aan de beurt voor de korte overdenking in ons plaatselijk blaadje “De Reestdalpost”. Die column ging, hoe kan het anders, over ‘Mijn gelukkig lot.’ Hieronder te lezen als terugblik.

“Nieuwjaarsdag 2025 was in Balkbrug en 7707-omstreken een dag om niet gauw te vergeten.

Wij hadden geen lot. Iemand vroeg me: ‘Vind je dat nu niet jammer?’ Ik geef op die vraag altijd het Cruijffiaanse antwoord: Andermans voordeel is niet mijn nadeel. Gelukkig zie ik in ons dorp bij iedereen een gunnende nuchterheid richting de gelukkigen.

Vroeger deden veel christenen niet mee aan loterijen, want een visje van een tientje uitwerpen om een dikke snoek van vele duizendjes te vangen was een vorm van gokken. Het is weggegooid geld – behalve als je een keer ongelooflijk veel geluk hebt.

Meedoen met de middenstandsverloting in december mocht daarentegen wel. Want dan kocht je geen loten, maar hoefde je alleen maar je kassabon met naam en adres in één van de tonnen bij de bakker, de bloemist of de boekhandel achter te laten.

Zo won mijn schoonmoeder ooit een prachtige naaimachine. Die accepteerde ze zonder gewetensbezwaren, terwijl ze haar hele leven nooit één lot gekocht heeft, ook niet als er kinderen aan de deur kwamen voor de Grote Club Actie. Die kregen gewoon een paar guldens of euro’s mee.

Ten diepste is de vraag: waar wordt een mens echt gelukkig van? Het antwoord op die vraag haal ik uit een mooi psalmvers: Maar dit is mijn gelukkig lot: te mogen schuilen bij mijn God.

Dominee Ernst Leeftink”

 BalkbrugBijbelChristen zijnethiekgeldgokkenhebzuchtJezus ChristusloterijPaulusPostcodeloterij

Strategisch stemmen, je krijgt er geheid spijt van – kies met je hart, niet met je rekenmachine –

Een strategische stem is een verloren stem. Dat vindt Ad de Boer, Nederlands journalist, politicus en 13 jaar lang directeur van de Evangelische Omroep. Hij schreef een opinie-artikel dat ik met zijn toestemming hier mag plaatsen. Het verscheen ook op 24 oktober in het Nederlands Dagblad. Hier volgt het artikel.

Kies met je hart, niet met je rekenmachine

Het lijkt bij elke verkiezing sterker te worden: de drang om strategisch te stemmen. Politieke voorkeur wordt ingeruild voor kansberekening, de eigen overtuiging wordt achtergesteld bij de optelsom. In talkshows, kranten en peilingen draait het wekenlang om één vraag: wie wordt de grootste? Alsof politiek een wedstrijd is met maar één winnaar. En ondertussen schuiven kiezers heen en weer van het CDA naar de ChristenUnie of juist omgekeerd, van de SP naar PvdA/GL, van de VVD naar de PVV, allemaal in de hoop dat hun stem daar net wat zwaarder telt.  

Strategisch stemmen: niet stemmen op de partij waar je het meeste mee eens bent, maar op je tweede keus: de partij die je groter dan een ander wilt maken. Daarin spelen de peilingen en de rekenarij op grond daarvan een grote rol. Strategisch stemmen is een betrekkelijk nieuw fenomeen. Voor pakweg 2000 stemden kiezers gewoon op de partij die hun hart had, op hun eerste en vaak enige keus op grond van het verkiezingsprogramma en de politieke praktijk. Door dik en dun, in goede en kwade tijden. Het zijn de media die daarin verandering hebben gebracht. Die creëerden steeds vaker een tweestrijd tussen twee partijen – wie wordt de grootste? – of twee lijsttrekkers – wie wordt de premier? Zo’n tweestrijd met de peilingen als brandstof maakt het spannend, is goed voor de kijk- en oplagecijfers en je kunt het er tot de laatste dag mee volhouden.

Ik heb de afgelopen 25 jaar veel mensen gesproken die via zo’n strategische stem een keer een uitstapje naar een andere partij hadden gemaakt. Zelden was er iemand bij die achteraf blij was met zijn of haar keus. Ze waren vooral teleurgesteld over hoe het had uitgepakt. En dat is niet zo vreemd.

Mijn bijdrage is een soort preek met als thema: Strategisch stemmen, je krijgt er geheid spijt van. Want 1. Het is zinloos. 2. Het is nodeloos. 3. Het is niet kosteloos.

STRATEGISCH STEMMEN IS ZINLOOS

Nederland is Amerika niet. Daar wint altijd één van de twee partijen of kandidaten. Er is een echte tweestrijd met altijd een winnaar en een verliezer. Maar in ons ingewikkelde veelpartijenstelsel werkt het heel anders. De grootste partij heeft niet altijd het voortouw bij de kabinetsformatie en komt ook lang niet altijd in een nieuw kabinet terecht, zoals de PvdA in 1977 ervoer en zoals nu de PVV vanwege alle uitsluitingen door andere partijen te wachten staat. En de lijsttrekker van de grootste partij wordt lang niet altijd de minister president. Politici als Willem Drees, Barend Biesheuvel en Ruud Lubbers werden premier, zonder dat hun partij de grootste was. Nederland is een coalitieland en hoe zo’n coalitie er uit komt te zien, is afhankelijk van veel meer factoren dan wie de grootste wordt. Strategisch stemmen is dus in ons systeem zinloos.

STRATEGISCH STEMMEN IS NODELOOS

In de tweede plaats is strategisch stemmen ook nodeloos, onnodig. Het is in ons politieke bestel evenmin zo dat de grootste partij in een kabinet het meeste te zeggen heeft. Alle partijen, ook de kleinere, moeten instemmen met het regeerakkoord en hebben daar dus een beslissende invloed op. Het ‘nee’ van een kleine partij is net zozeer een veto als het ‘nee’ van een grote partij. Toen de ChristenUnie in 2022 nee zei tegen de VVD-eis dat bij asielmigratie de gezinshereniging geschrapt moest worden, viel het kabinet, ook al was de ChristenUnie klein en de VVD groot. Je kunt zelfs zeggen dat de grootste partij relatief minder invloed heeft in een kabinet dan de kleinere partijen. Zeker de premier, niet zelden de leider van de grootste partij, voelt zich verantwoordelijk voor het bij elkaar houden van de boel en zeilt daarom met zijn partij minder scherp aan de wind dan de kleinere partijen op de flanken. Die drukken vaak een groter stempel op het kabinetsbeleid dan de grote.

Wat bij kabinetsdeelname geldt, geldt ook als een partij buiten het kabinet blijft, zeker in de huidige politieke verhoudingen. Daarin is een kabinet dat gebaseerd is op een grote Kamermeerderheid uitgesloten. Een kleine Kamerfractie met drie of vier zetels kan ook buiten het kabinet een doorslaggevende invloed hebben op het beleid via coalities met andere Kamerfracties. De afgelopen jaren is dat op tal van momenten zichtbaar geworden. Ook in kwaliteit verslaan kleine fracties grote fracties soms met lichtjaren, blijkt uit onafhankelijk onderzoek. De ChristenUnie-fractie kreeg in de afgelopen jaren met drie zetels veel meer voor elkaar dan de PVV-fractie met 37 zetels. Juist kleine fracties maken vaak het verschil.

STRATEGISCH STEMMEN IS NIET KOSTELOOS

En dan het derde punt. Strategisch stemmen is niet kosteloos. Een strategische stem op het CDA (‘alleen voor deze ene keer maar’ …) ten koste van de ChristenUnie garandeert dus niets, maar levert wel grote risico’s op. Het zou zomaar kunnen dat daardoor de onbekende en onervaren nummer 24 of 25 van het CDA wordt gekozen ten koste van Don Ceder, de nummer drie van de ChristenUnie. Dat zou deze ervaren parlementariër (volgens de Nationale Politieke Index het beste en meest effectieve Kamerlid van het afgelopen jaar) met grote inzet voor daklozen, mensen met schulden, jongeren in de jeugdzorg en vervolgden wereldwijd, de politieke kop kosten. Maar het zou ook de omvang van de fractie en van het ondersteunende team en daarmee hun slagkracht en invloed met maar liefst een derde reduceren. Die amputatie kan de dure prijs zijn van een strategische stem.

Veel kiezers die overwegen strategisch te stemmen, beseffen niet dat wat zij ermee denken te winnen elders tot pijnlijk verlies lijdt. Ontrouw worden aan de liefde van je hart, misschien zelfs je eerste liefde, kost wat. Niet doen, is mijn advies. Je krijgt er spijt van. Kies met je hart, niet met de rekenmachine. Laat je hoofd niet op hol brengen door de wedstrijd die de media ervan maken. Ga voor je eerste, niet voor je tweede keus. Een partij die past bij jouw diepste overtuiging, bij jouw hart. Die opstaat voor gerechtigheid én barmhartigheid, voor de vrijheid om te geloven en je geloof te beleven – thuis, op straat en op school, voor de zwaksten onder Gods schepselen in en buiten Nederland, voor de o zo kwetsbare schepping van God.

Ga op 29 oktober niet voor de grootste, maar voor de beste. Nergens in mijn Bijbel vind ik een voorkeur van God voor groot, groter, grootst, maar juist voor het kleine of de kleine: een kind in een kribbe, een mosterdzaadje, een stukje zuurdeeg, een Gideonsbende. Die strategie van Gods Koninkrijk in het stemhokje toepassen leidt pas echt tot een strategische stem.

Geef als christen stem aan je geloof – ook op 29 oktober

Je hebt van die programma’s, daar kijkt heel Nederland naar. ‘Wie is de mol?’ is daar één van. Het leuke aan dat programma vind ik, dat alle deelnemers bondjes sluiten met elkaar, maar die ook weer even snel verbreken als het hun uitkomt. Want uiteindelijk gaat iedereen voor zichzelf.

In de tijd van Jezus sluiten de Farizeeërs en de Herodianen een monsterverbond. Ze willen, vanuit volstrekt tegengestelde belangen, Jezus mollen (meer uitleg in de preek over Markus 12:13-17). Dus stellen ze Hem deze vraag: ‘Moeten we als gelovige Joden belasting aan de keizer betalen of niet?’ En Jezus geeft als antwoord: ‘Geef aan de keizer wat van de keizer is. En geef aan God wat God toebehoort.’

Als je als christen niet op een christelijke partij stemt, moet je ook niet klagen dat Nederland zo onchristelijk wordt.

Dat van de keizer, dat snapten ze wel. Betaal die belasting nou maar gewoon. Want de manier waarop God voor je zorgen wil, dat doet Hij ook door jou en mij een plek te geven in de samenleving, in de maatschappij, door middel van onze regering (Prediker 8:2, Romeinen 13:1-7, 1 Petrus 2:13-17). Dus als je zegt dat je in God gelooft, geef daar dan ook vorm aan in het gewone leven. Ook door te doen wat de overheid van je vraagt. Behalve als dat echt tegen Gods geboden ingaat.

Voor ons gevoel een antwoord waarmee Jezus de kool en de geit spaart. linksom of rechtsom. Geef ze allebei een beetje – de overheid en God. Maar zo hebben de eerste hoorders het niet opgevat. Ze voelen zich schaakmat gezet. Waarom? Omdat ze heel goed begrijpen dat Jezus hiermee niet alleen iets over de keizer en over God zegt, maar ook iets over Zichzelf.

‘Deelnemen aan de samenleving met een open oog voor het publieke belang behoort voor een christen heel gewoon te zijn.’

Het lijkt alsof Jezus het vooral heeft over belasting betalen. Maar de toepassing is breder. Op woensdag 29 oktober zijn er weer verkiezingen voor de Tweede Kamer. We leven in een vrij land. Die vrijheid betekent voor christenen ook een grote verantwoordelijkheid. Kars Veling, samen met Tim Keller één van de meest wijze en zachtmoedige christenen die ik ooit gekend heb, zei eens: ‘Deelnemen aan de samenleving met een open oog voor het publieke belang behoort voor een christen heel gewoon te zijn.’

Dat deelnemen aan de samenleving begint met de oproep van de overheid om je stem te laten horen als het gaat om de vraag: hoe wil jij dat Nederland bestuurd wordt? Als Jezus jouw Heer is en Hij zegt tegen jou: ‘Geef aan de keizer wat van de keizer is’, betekent dat volgens mij vandaag dat Hij van jou vraagt om die stem ook echt uit te brengen. Wie niet naar de stembus gaat maar thuis blijft, wordt niet alleen een roeptoeter aan de zijlijn, maar is ook ongehoorzaam aan God.

Maar Jezus zegt er nog iets bij: ‘En geef aan God wat God toekomt.’ Oftewel: stem niet alleen als burger, maar geef ook je geloof een stem. Breng ook als christen je stem uit. Laat zien dat onze God het goede zoekt voor ons land en voor heel de samenleving. Dat doe je volgens mij het best door als christenen op een medechristen te stemmen. Want dan weet je zeker dat ook in de Tweede Kamer de Naam van de HERE genoemd wordt. Natuurlijk kun je ook op een niet-christelijke partij stemmen die zegt jouw persoonlijke belangen of het belang van onze kultuur of van onze welvaart of van onze samenleving of van het klimaat te behartigen. Maar heeft zo’n partij ook de eer van God op het oog? Laten die zich samen motiveren door de Bijbel? Bidden zij om de wijsheid van de Heilige Geest om het goede voor stad en land te zoeken, zoals de HERE in Jeremia 29 vers 7 alle gelovigen opdraagt?

Als ik als christen mijn geloof geen stem meer geef, moet ik als christen ook niet klagen dat Nederland steeds onchristelijker wordt. Dus geef stem aan je geloof op woensdag 29 oktober! Stem op een medechristen in wie jij vertrouwen hebt. Een Daniël of Daniëlla die in de politiek opkomt voor het belang van alle burgers én voor de eer van God!

Ook christelijk Balkbrug blij met de Postcodeloterij?

Op 1 januari stond in Balkbrug plotseling de grote truck van de Postcodeloterij geparkeerd voor de pas geopende kringloopwinkel. Die was net stroopwafels aan het bakken en draaiden onverwacht een super omzet. De truck kwam aangereden omdat de PostcodeKanjer 2025 van 59,7 miljoen Euro op postcode 7707 was gevallen. Laat dat nou net heel ons dorp + omgeving zijn! Bijna 30 miljoen viel op de even nummers van één straat. De andere 30 miljoen mogen de overige gelukkigen met een winnend lot verdelen.

Verschillende mensen vroegen mij: ‘Zijn jullie nu ook miljonair?’ En: ‘Mag je als christen meedoen aan zoiets als de Postcodeloterij?’

Op die eerste vraag geef ik steevast als antwoord: ‘Nee, wij hebben nog nooit meegedaan. Maar dat geeft niet. Andermans voordeel is niet ons nadeel. We gunnen de mensen in onze straat het mooie bedrag dat ze binnenkort ontvangen.’

De tweede vraag vind ik lastiger te beantwoorden. Vanouds wordt in protestants-gereformeerde kring een loterij beschouwd als gokken. Het past niet bij een christelijke levensstijl om daaraan mee te doen. Het bevordert de hebzucht. Dat is volgens de Bijbel de wortel van alle kwaad. Jezus zei een: “Je kunt niet én God én de geldgod Mammon tegelijk dienen.”

Maar er zijn wel wat nuanceringen aan te brengen als het om zoiets als de Postcodeloterij gaat. Allereerst is het een goede-doelen-loterij. Minstens 40% van de inleg wordt uitgekeerd aan organisaties als Artsen zonder Grenzen, Natuurmonumenten, Vluchtelingenwerk Nederland en het Wereld Natuur Fonds. Veel mensen vinden dat een sympathieke gedachte en spelen daarom mee, want de kans om de PostcodeKanjer is minimaal. Verder is de Postcodeloterij een soort nationale bingo geworden. Er doen 3,5 miljoen Nederlanders aan mee. Bijna niemand rekent erop om ooit de hoofdprijs te winnen.

Nu zijn er altijd christenen geweest die om principiële redenen zelfs niet meedoen met de bingo op de camping of van de senioren, die nooit lootjes kopen als kinderen voor hun sport- of muziekvereniging aan de deur komen en die ook de decemberactie van de middenstand aan zich voorbij laten gaan. Toen ooit in een behoorlijk gereformeerd dorp op 31 december de vrouw van de vrijgemaakte dominee het winnende lot met als hoofdprijs een Fiat Panda bleek te hebben, vonden sommigen dat ze die prijs niet moest komen afhalen. Maar doorgaans zien veel christenen zulke kleinere kansspelen niet als bezwaarlijk.

Maar is zoiets groots als de Postcodeloterij wel te vergelijken met die gezellige bingo van de buurtvereniging? Ik twijfel. Er zijn 14 trekkingen per jaar en daarvoor moet je iedere keer een lot van € 15,50 kopen. Dat is € 217 per jaar. Doordat wij al ruim 34 jaar niet meespelen, hebben we als inwoner van Balkbrug toch het mooie bedrag van € 7.400 ‘gewonnen’.

Je kunt ook terecht de vraag stellen of men echt vanwege al die goede doelen aan de Postcodeloterij meedoen. Zit er bij de meeste deelnemers misschien toch niet een kiemetje van hebzucht achter, zo van: je weet maar nooit? Een aantal jaren geleden claimde een vrouw bij de rechter dat ze ‘psychische schade’ had opgelopen doordat de straatprijs op haar postcode was gevallen terwijl zij niet meespeelde. Doordat die grote truck ongevraagd haar straat binnenreed,  was ze tegen haar wil bij deze happening betrokken, vond ze. De rechter ging daar niet in mee, maar gaf toe dat hierdoor wel een tegenstelling gecreëerd kan worden binnen kleine gemeenschappen. De hebzucht zit namelijk ook bij de ‘verliezers’ die het maar slecht kunnen hebben dat zij een enorm geldbedrag zijn misgelopen.

‘Mag je als christen meedoen aan zoiets als de Postcodeloterij?’ was dus de vraag die ik in de eerste twee dagen van 2025 het meest te horen kreeg. Als kerkleden uit mijn gemeente me dat vragen, keer ik het om en vraag hun: ‘Doe je mee aan de Postcodeloterij? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?’

Zelf doe ik niet mee, want volgens mij wijzen Jezus en Paulus mij op iets anders. Jezus zei ooit: “Geven maakt gelukkiger dan ontvangen.” En Paulus schreef in één van zijn brieven: “Stel je hoop niet op zoiets onzekers als rijkdom, maar op God, die ons rijkelijk van alles voorziet om ervan te genieten. En draag hen op om goed te doen, rijk te zijn aan goede daden, vrijgevig, en bereid om te delen.”  

Als ik die woorden op me laat inwerken, denk ik maar zo: als iemand in Balkbrug meedeed aan de Postcodeloterij om daarmee al die goede doelen te steunen, heeft hij nu de kans om dat echt heel royaal te doen!

Ook verschenen als opiniebijdrage in het Nederlands Dagblad en in De Stentor

Ren als de atleet die wint – de Olympische Spelen van Eric Liddell in 1924

De Olympische Spelen staan voor de deur. Het is het grootste sportevenement ter wereld. Vanaf 26 juli tot 11 augustus strijden meer dan 10.000 sporters in 32 verschillende takken van sport om 329 medailles. Er zal heel wat sporthistorie geschreven worden en misschien ook indrukwekkende verhalen die men zich over 50 jaar nog herinnert. Kan Novak Djokovic eindelijk de gouden medaille voor zich opeisen, de enige titel die hij in zijn glansrijke tenniscarrière nog niet gewonnen heeft? Wordt Sifan Hassan met drie gouden Olympische medailles erbij de succesvolste Nederlandse olympiër op de Zomerspelen ooit? Wordt het Femke Bol of Sydney Mc Laughlin op de 400 meter horden, of worden ze beiden door een outsider verslagen? En welk land zal bij de estafette-race op knullige wijze het stokje laten vallen? Hoe dan ook, de krantenkoppen zullen drie weken lang vol staan met weergaloze prestaties, onverwachte successen en dramatische verliezers.

Op de eerste Olympische Spelen van Parijs – precies 100 jaar geleden, in 1924, gebeurde iets heel bijzonders, waar we als christenen veel van kunnen leren als het om doorzettingsvermogen en geloofsvertrouwen gaat. Je kunt er bijna 1 op 1 de tekst van Paulus op plakken: “Ren als de atleet die wint.” Op die Olympische Spelen van 1924 won namelijk Eric Liddell voor Engeland goud op de 400 meter in een nieuwe wereldrecord. Eric was een overtuigd christen. Hij werd in 1902 in China geboren. Zijn vader en moeder werkten daar als zendingsechtpaar. Ze stuurden hem en zijn oudere broer rond 1910 naar een kostschool in Zuid-London (Eltham College – waar de sportzaal nu naar hem vernoemd is) en daarna ging hij studeren in Edingburgh in Schotland. Daar blonk hij uit in rugby en hardlopen. Hij speelde tussen 1921 en 1923 zeven keer voor het Schotse rugbyteam. Ook liep hij in 1923 een Brits nationaal record op de 100 yard (= 91,5 meter) dat 35 jaar lang zou staan. Omdat beide sporten niet te combineren waren, koos hij in 1923 definitief voor de atletiek, ook vanwege de Spelen van 1924 in Parijs.

Eric Liddell stond bekend om zijn unieke manier van rennen. Hij gooide altijd zijn hoofd naar achteren en rende met de mond wijd open en zwaaiend met zijn armen. Maar goed … hij werd dus geselecteerd om voor de Olympische Spelen van 1924. Zijn grootste kans voor een gouden medaille lag op de 100 meter. Alleen: die werd op een zondag gehouden. Dat was een groot probleem voor hem, want, geloofde hij, de zondag is een rustdag om aan God te denken, om de opstanding van Jezus te vieren, om geen slaaf te worden van je werk en om samen met andere christenen bij elkaar te komen om naar de Bijbel te luisteren, te zingen en te bidden. En dus … omdat de Tien Geboden door God gegeven waren als blijvende regels voor een gezond geloofsleven, zei Eric Liddell: ik maak zelfs voor de Olympische Spelen geen uitzondering om dit gebod van de Heer na te leven. De hele Engelse sportbond en zelfs de Prins van Wales, de latere koning Edward VIII, pushten hem om zijn standpunt te herzien en de eer van Engeland hoog te houden. Dus er werd best veel druk op hem als uitgeoefend om tegen zijn geloofsprincipes in te gaan. Net als vandaag. Maar steeds was zijn antwoord: I’m no runnin’. Niemand kon hem op andere gedachten brengen.

Ik denk dat we daar vandaag, 100 jaar later, als christen nog veel van deze christelijke atleet kunnen leren. Namelijk: Getuig met liefde, maar ook met overtuiging. Eric Liddel combineerde zachtmoedigheid met vastberadenheid. Als je alleen maar zachtmoedig bent, kun je makkelijk compromissen sluiten. Je zwakt je eigen standpunt wat af om het geloof in Jezus aantrekkelijker te maken voor anderen. Als dat je uitgangspunt is wanneer je voor je geloof uitkomt, zul je merken dat er steeds weer een volgende stap van je gevraagd wordt om je principes af te zwakken. Want als je één keer toegeeft, waarom dan ook niet een volgende keer? En uiteindelijk denken anderen: die christenen roepen wel heel hard dat ze principes hebben, maar ze staan eigenlijk nergens voor, want in de praktijk doen ze overal aan mee. Je wordt dan een kleurloze christen. En dat heeft ook gevolgen voor je eigen geloof: van dicht bij God en Jezus glij je langzaam naar beneden tot je misschien net zo’n algemeen geloof hebt als heel veel mensen: ‘Ik geloof wel dat er een God bestaat, maar verder doe ik er niet zoveel mee.’

Eric Liddell hield vast aan zijn geloofsprincipes. Hij wilde rennen als de atleet die maar voor één belangrijk doel gaat: goud winnen op de Olympische Spelen. Maar hij wilde vooral rennen als de christen die maar voor één nog groter doel gaat: het eeuwige leven winnen! En de trainingsadviezen (de Tien Geboden) die Jezus, zijn coach, hem gaf, die waren cruciaal voor hem. Dus hield hij vast aan zijn christelijke principes – ook al kostte hem dat een bijna zekere medaille. Maar – hij deed het in alle vriendelijkheid. Hij legde zijn standpunt niet op aan anderen. Hij zei ook niet: ik doe aan heel die Oympische Spelen niet mee, want er zijn ook wedstrijden op zondag. Hij bleef trainen, hij bleef zijn mede-atleten steunen. Tegelijk was hij wel standvastig in zijn eigen keuzes: als Jezus iets van mij vraagt en dat kost me een gouden medaille of dat levert me bergen van kritiek van andere mensen op – dan kies ik er toch voor om te luisteren en te doen wat de Heer me opgedragen heeft. Want ik leef wel in de wereld – ik trek me er niet uit terug. Toch ben ik niet van de wereld – als ik moet kiezen, kies ik ervoor om God te eren en Jezus een plezier te doen. En dus ging Eric Liddell op die zondag in Parijs naar de Schotse Kerk in plaats van de 100 meter te lopen. En hij zou wel zien wat de andere afstanden zouden brengen.

Met dat vertrouwen op de Heer kwam hij niet bedrogen uit. Een paar dagen later ging hij als een speer door de 200 meter races en won hij de bronzen medaille op die afstand. En weer een paar dagen later kwalificeerde hij zich als laatste atleet voor de finale van de 400 meter. Het was niet zijn favoriete afstand en hij moest starten in de buitenbaan. Maar wat gebeurde er? Eric stormde in dat sterke veld naar de overwinning met een paar meter voorsprong op de nummer twee en vestigde een nieuw wereldrecord in 47,6 (wat vandaag de dag het wereldrecord bij de vrouwen is trouwens). Na afloop werd hem gevraagd: “Hoe verklaar je deze superrace?” Toen zei Eric dit: “Het geheim van mijn succes is, dat ik de eerste 200 meter zo snel liep als ik kan. Daarna bleef ik met Gods hulp nog steeds snel lopen.” En er was nog iets heel opmerkelijks. Voordat Liddell de finale ging lopen, gaf één van zijn masseurs (het moet ook wel een christen geweest zijn) hem namelijk een klein papiertje met daarop een heel kort citaat uit de bijbel: “Ik zal eren wie Mij eren – zegt de HERE”. Is dat toeval? Of mag je zeggen: zijn inspiratie voor deze gouden 400 meter race kreeg hij ook zeker van God? Ik denk het laatste.

Daar zit een tweede les in voor vandaag: God belooft jou te eren als je Hem eert. Het is maar een voorbeeld, deze gebeurtenis op de Olympische Spelen van 1924. En iedereen maakt andere dingen in het leven mee. Toch durf ik wel te zeggen: omdat Eric Liddell niet toegaf aan de druk om op zijn favoriete afstand, de 100 meter, te lopen op zondag, maar God wilde eren en als christen voor zijn geloofsstandpunten bleef staan, eerde God hem door hem onverwacht een veel mooiere overwinning te geven.

Zo’n direkte bemoediging van God is best wel bijzonder. Dat maakt niet iedereen van ons als christen me. Maar je kunt je er wel aan optrekken. Ook vandaag kom je als christen lastige situaties tegen en kom je voor moeilijke beslissingen te staan. En je voelt de druk om compromissen te sluiten, om toe te geven aan de druk van mensen die zeggen: is het echt nodig dat je dit doet of dat laat vanwege je geloof in God? En wie is er doof voor zulke geluiden, voor zulke beïnvloeding? Hoe kun je dan trouw blijven aan de Heer? Nou, geloof in wat God belooft: ‘Ik zal eren wie Mij eren.’ Dat wist Jezus ook, toen Hij eerst bewust vijf stappen terug zette en daarmee diepe ellende over zich heen haalde. Want Hij wist het en vertrouwde erop, dat er daarna weer vier stappen omhoog zouden volgen, vol glorie en eer. In Hebreeën 12 staat: Jezus ‘is voor ons aan het kruis gestorven. Hij vond het niet erg dat hij op die manier vernederd werd. Want hij dacht aan de beloning die hij in de hemel zou krijgen. En nu zit hij naast God, aan de rechterkant van Gods troon.’ Snap je nu, waarom er in Hebreeën bij staat, dat we vastberaden en geconcentreerd de wedstrijd van het geloof moeten lopen? Met al die gelovigen die al in de hemel op de tribune die als één grote wand ons aanmoedigen? Met de oproep erbij om vooral te letten op onze coach, die Zelf ons grootste voorbeeld is? “Laten we daarbij steeds blijven denken aan Jezus. Hij zorgde ervoor dat we gingen geloven, en Hij maakt ons geloof volmaakt” En dat Paulus juist daarom zegt: “Ren als de atleet die wint!” Niet voor gouden medailles op de Spelen, of voor nog meer bonussen of voor een nog grotere populariteit. Nee, zegt Paulus: ‘Doe er alles aan om anderen de spelregels van het geloof uit te leggen, zodat ze ook de wedstrijd van het geloof gaan lopen – en vergeet ook zelf niet om die wedstrijd zo goed mogelijk te lopen, zonder gediskwalificeerd te worden.”

Nog even terug naar Eric Liddell. Hij keerde als een held terug naar Schotland en stopte meteen met topsport. Hij ging afstuderen en deed daarna wat zijn ouders ook gedaan hadden: werken als arts én predikant in China. Op zijn eigen karakteristieke manier: voor een gezonde geest heb je ook een gezond lichaam nodig, dus hij stimuleerde de mensen in zijn omgeving ook om te sporten. ‘Probeer me er maar uit te lopen op de 100 meter.’ Want, zei hij: ‘God heeft mensen ook een lichaam gegeven om Hem mee te eren.’ Over zichzelf zei hij: ‘God heeft me snel gemaakt, en als ik ren, voel ik zijn plezier.’ Juist omdat hij God wilde dienen, bleef hij bij de mensen in China toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak.

Hij stuurde zijn zwangere vrouw en zijn twee kinderen vlak daarvoor naar Canada (daar kwam zijn vrouw vandaan, geloof ik). Zelf bleef hij in China en werd al vrij snel door de Japanners in een kamp opgesloten. Daar leed hij aan chronische vermoeidheid en ondervoeding. Toen hij ook nog een ongeneeslijke, niet te opereren hersentumor kreeg, overleed hij in 1945, nog maar 43 jaar oud. De jongste van zijn drie dochters heeft hij na haar geboorte nooit mogen zien. Zijn laatste woorden waren, volgens de mensen die erbij waren: ‘Volledige overgave’. Je leven overgeven aan God. En jezelf volledig geven in dienst van God.

Dat is het derde wat we uit dit verhaal kunnen leren: Doe God een plezier met alles wat je doet. Ergens, denk ik, is Eric Liddell een ultiem voorbeeld van wat Paulus aan de Korintiërs schrijft. ‘Ik doe alles voor het evangelie om ook zelf aan de beloften ervan deel te krijgen.’ Hij wist heel goed, dat een gouden medaille in Parijs mooi is, maar dat een andere prijs veel belangrijker is, namelijk, zoals het Paulus het al zei: ‘Weet u niet dat van de atleten die in het stadion een wedloop houden er maar één de prijs kan winnen? Atleten doen het voor een vergankelijke erekrans, maar wij doen het om een krans die onverwelkelijk is.’ Dat laatste zie je aan de rest van het leven van Eric Liddell. Hij vond zijn sportprestaties niet het belangrijkste wat hij in zijn leven kon bereiken of bereikt had. Na zijn gouden en bronzen medaille stopte hij met atletiek en ging als zendingsarts naar China om daar mensen te helpen, lichamelijk, incl. sporten, en geestelijk, door ze tot geloof in Jezus te willen brengen.

Natuurlijk heeft sport ook z’n donkere kanten. Zoals alle gaven van God kan ook sport een afgod worden. Als je ziet hoeveel mensen over hebben voor hun favoriete team of sportheld – ze aanbidden die echt. Wijsheid is niet alleen nodig om die grens te bewaken, maar ook bij welke soort supporters je in gezelschap wilt zijn. Of – en dat is de andere kant: je kunt ook je eigen sportprestaties verafgoden en zondig trots te zijn op je eigen prestaties. Of zoveel tijd in de sportschool of op het sportveld doorbrengen, dat er geen tijd voor God, Jezus en de Bijbel en voor vrienden, familie en kerk meer over is. En veel sport schuift ook steeds meer op naar de zondag – zodat het niet meer die ene dag wordt waarop God centraal staat, maar de dag waarop iedereen z’n eigen leuke dingen doet.

En toch: ook van de gewone dingen in het leven mag je genieten. En als jij ervan geniet, doet God dat ook. Tegen de christenen in Korinte zegt Paulus: ‘Verheerlijk God met je lichaam’ (1 Kor. 6:20). En hij haalt sporten als atletiek en boksen en de trainingsuren die je daarin steekt aan als voorbeelden van hoe je ook geloven kunt (1 Kor. 9:24-27). Even verder zegt hij: ‘Dus wat je ook doet, doe het ter ere van God’ (1 Kor. 10:31). Ja, schrijft hij later aan Timoteüs: Alles wat God geschapen heeft is goed. Niets daarvan hoeft verworpen te worden, als het onder dank wordt aangenomen, want het is geheiligd door het woord van God en het gebed (1 Tim. 4:4+5).

Het geloof en vrije tijd zijn geen concurrenten! Als God en Jezus op de eerste plaats staan in je leven, zul je merken dat je echt plezier beleeft aan sport – of muziek – of wat dan ook. Als je Gods koninkrijk op de eerste plaats zet, zul je merken dat sport geen strik of bron van verleiding voor je wordt.

Sterker nog: dan weet je dat geloven ook topsport is. Maar dan geestelijk. Een wedstrijd die je lopen moet. Maar er is wel een verschil. In de sport kan maar één persoon of één team de gouden medaille winnen. In het geloof is dat niet zo. Jij en ik en iedereen – iedereen die weet: aan de finish staat Jezus, en die zal mij een gouden medaille uitreiken als ik juichend over de eindstreep ga – als je dat gelooft, dan blijf je rennen als de atleet die weet dat ‘ie gaat winnen. Want bij Jezus wint iedereen de prijs. De krans van gerechtigheid. De kroon van heerlijkheid.

Eric Liddell genoot van sport – rugby en atletiek. Veel christenen vandaag genieten nog steeds van sport. Niets mis mee. Maak er een mooie sportzomer van. Tegelijk ging Eric Liddell vooral voor God. In alle keuzes die hij maakte, qua sport en qua carrière. En hij won ook nog goud. Voor welke prijs loop jij als christen de race van je leven?

Deze blog is hier iets uitgebreider als preek over 1 Korintiërs 9:24b terug te vinden, incl. kindmoment en liturgie en preekverwerking. Over Eric Liddell en zijn gouden race in 1924 is later de film ‘Chariots of Fire’ gemaakt, die vier Oscars ontving, o.a. voor beste film.

Durf te genieten en weet je gedragen door God

-zomervakantietips van Prediker-

De zomer van 2024 is weer begonnen. Het weer is nog niet altijd wat het zijn moet, maar de scholen zijn of gaan dicht, de bouwvak staat voor de deur en in de kerk nemen we even pauze als het gaat om de meeste door-de-weekse aktiviteiten.

Veel mensen zijn er echt aan toe. We leven in een maatschappij waarin bijna iedereen het druk heeft met van alles en zich druk maakt over van alles. Het is echt moeilijk om je aan die druk te ontworstelen.

Daarom is het goed dat er elke zomer een periode is waarin we tot rust kunnen komen en alle dagelijkse dingen even mogen loslaten. Even afstand nemen van alle drukte. Even bijkomen na een druk seizoen.

Niet voor iedereen

Toch is de vakantieperiode niet voor iedereen een fijne tijd. Soms lukt het niet om los te komen van de situatie waar je in zit. Soms is er geen mogelijkheid om er op uit te gaan. Soms lukt het niet om zelf de knop om te zetten.

Salomo, de waarschijnlijke schrijver van het boek Prediker, benoemt het allebei. Durf te genieten en weet je gedragen, schrijft hij. Want je hebt dagen dat je kunt genieten van de zon. En je hebt dagen waarin alles alleen maar donker is. Salomo zegt erbij: vergeet niet om te genieten mét God. En weet je gedragen dóór God.

Het eerste vergeten we gemakkelijk. Welvaart is een verleidelijke ziekte voor het geloofsleven van veel mensen. Neem jezelf voor en herinner elkaar er aan dat je op vakantie God niet thuis laat (de les van Prediker 11:9).

Het tweede is net zo’n beproeving voor je geloof. Het zuigt alle energie uit je weg en je durft voor de toekomst nergens meer op te hopen. Laat er oprechte aandacht en gebed zijn voor iedereen die te maken heeft met slechte dagen en jaren waarin maar weinig vreugde te vinden is (zoals Prediker 12:1).

Bijbel mee op vakantie

In de zomerperiode krijg je de tijd om te genieten. Dat is een geschenk van onze goede God. Of je nu afdaalt richting de Middellandse Zee om zoveel mogelijk zon-uren te scoren of je stijgt op naar het hoge noorden van Scandinavië waar de zon in de maand juli niet ondergaat: laat je bijbel niet in Nederland achter. God laat Zich nl. op twee manieren kennen. Allereerst zie je in zijn schepping (de natuur, de wetenschap en de techniek) iets van Gods eeuwige kracht en goddelijkheid. Maar door het lezen van de Bijbel worden al die indrukken aangescherpt tot een nog duidelijker beeld van wie God is. Het is de combi van schepping en Bijbel die het geloof in God volkomener maakt en ons doet uitkomen bij Hem als meer dan Schepper, nl. als hemelse Vader, dankzij Jezus Christus, zijn Zoon en onze Verlosser.

Elk jaar bieden kun je kiezen tussen verschillende vakantie-bijbel-boekjes.

*1* Het vakantiebijbelboekje van de GZB heeft als titel ‘Ga! Iedereen is geroepen’. Het bevat 14 bijbelgedeeltes + een korte overdenking met elke keer ook een verhaal over iemand die ergens in de wereld gegaan is als christen. https://www.gzb.nl/toolbox/vakantiebijbelboekje

* 2* Het vakantiedagboek van het Nederlands Bijbelgenootschap heeft als titel ‘Op weg gaan en thuiskomen’. In 21 dagen komen bijbelse figuren aan bod die onderweg zijn met God en Jezus en bij Hen schuilen. https://www.bijbelgenootschap.nl/zomerleesplan-2024/

*3* Het zomergezinsboekje ‘Handig’ is speciaal voor kinderen uitgegeven door de GZB, HGJB en IZB. Informatie vind je op https://www.zomergezinsboekje.nl.

Zo kom je de zomer wel door als christen.

Je kind bewust niet laten vaccineren is schuldige nalatigheid

Het is weer helemaal terug van eigenlijk nooit weggeweest: de discussie of de overheid mensen mag verplichten zichzelf of hun kinderen te laten vaccineren. Ging het een paar jaar geleden vooral over de inentingen tegen het corona-virus, nu gaat het over kinderziektes zoals mazelen en kinkhoest.

Gelukkig heeft het overgrote deel van de kinderen in Nederland de BKPT-prik (difterie, kinkhoest, tetanus, polio) en de BMR-prik (bof, mazelen, rode hond) gekregen. Daardoor zijn tussen 1953 en 1992 rond de 10.000 sterfgevallen voorkomen. Om tot deze groepsbescherming te komen is een inentingsgraad van 95% nodig. Daardoor zijn ongevaccineerde baby’s en kwetsbare kinderen die om gezondheidsredenen niet kunnen worden ingeënt, bijvoorbeeld door leukemie, ook beschermd. Want kinkhoest kan voor baby’s tot één jaar zeer ernstige gevolgen hebben, en mazelen voor alle kinderen. Helaas kunnen ze pas na 11 (DKTP) of 14 maanden (BMR) volledig ingeënt zijn en dus beschermd zijn tegen de gevolgen van deze kinderziektes.

De beide vaccins tegen deze kinderziektes worden al meer dan een halve eeuw gebruikt. Ze zijn absoluut veilig. Ze voorkomen ziekenhuisopnames en sterfgevallen bij baby’s en kinderen. En heel veel ouders snapten dat heel goed. Tot 2015 lag de vaccinatiegraad boven de 95%. Maar vanaf die tijd daalt ‘ie langzaam maar zeker. In 2023 had nog maar 88% van alle kinderen de DKPT-prik gehad en 89,4% de BMR-prik. Dus slaan de zorginstanties alarm. Er dreigen meer uitbraken van met name mazelen en kinkhoest. De gevolgen van beiden kunnen dodelijk zijn, zoals de uitzending van Op1 op donderdag 21 maart liet zien. En sinds 1963 is het niet meer voorgekomen dat er in één jaar vier baby’s overleden zijn aan kinkhoest.

Vooral vanwege dat laatste bericht laaide de discussie over wel of niet verplicht vaccineren weer op. De VVD stelde voor om niet-gevaccineerde kinderen uit de kinderopvang te mogen weren. Meteen was Nederland te klein en een meerderheid in de politiek was niet voor dit plan, want vaccinatieplicht is uit den boze.

Ook de christelijke partijen waren tegen het VVD-voorstel. Ik begrijp daar echt niets van. Nu ben ik niet voor een vaccinatieplicht om deze kinderziektes te voorkomen, al is die gedachte zo gek nog niet als je weet dat 15 Europese landen hier wel voor gekozen hebben.  Het punt is: in het voorstel van de VVD gaat het helemaal niet over een vaccinatieplicht. Het gaat om de maximale bescherming van baby’s tot bijna een jaar die nog niet ingeënt kunnen worden. Die bescherming is voorhanden, want we hebben al meer dan 60 jaar een goed werkend vaccin zonder schadelijke bijwerkingen waardoor dit soort kinderziektes bijna niet meer voorkomen in Nederland. Wanneer er ouders zijn die op grond van hun geloofsovertuiging (die waren er al langer) of vanwege wazig antroposofisch gedachtengoed (dat komt steeds meer voor) of uit argwaan tegen de overheid (dat is sinds corona flink toegenomen) besluiten om hun eigen kind niet in te laten enten, verhogen ze daarmee bewust het risico voor alle baby’s in de kinderopvang om toch kinkhoest of mazelen te krijgen. En dat, terwijl er al 60 jaar lang geen enkel bewijs is dat deze kinderprikken schadelijk zijn voor de ontwikkeling van je kind.

Dat je voor je eigen kind de gok neemt dat het ernstig ziek kan worden of zelfs kan overlijden aan mazelen of kinkhoest is nog tot daar aan toe. Want, eerlijk is eerlijk, dat risico is relatief klein. En dat er nu toevallig vier baby’s in één jaar aan kinkhoest overleden zijn, lijkt mij eerder te verklaren als een logische schommeling dan de start van een strukturele toename. Dat laatste is pas zo als er twee of drie jaar achter elkaar meerdere kinderen aan kinkhoest overlijden. Maar dat ouders hun kind vier jaar lang (van 0 t/m 3) lang ongevaccineerd laten rondlopen in de kinderopvang, zodat het alle baby’s die daar ook zijn, aan besmetting bloot stelt, lijkt mij ethisch onverantwoord. Zeker voor christenouders.

Dus ik snap kinderdagverblijven wel die ongevaccineerde kinderen van boven de 1 jaar en baby’s van ongevaccineerde ouders willen weigeren. Want voorkomen is beter dan genezen. Dan is er geen sprake van vaccinatieplicht of vaccinatiedwang, maar worden ouders geconfronteerd met de consequentie van hun eigen principiële keuze. Als het goed is, heeft men het er dan voor over dat hun kind niet toegelaten wordt bij een kinderdagverblijf waar men kiest voor een vaccinatiegraad van 95%. En vindt men het niet erg om 10 kilometer verderop hun zoon of dochter naar een opvang te brengen waar 80% van de kinderen ongevaccineerd is. Een goed voorbeeld daarvan is kinderopvangorganisatie ‘Berend Botje’ in Noord-Holland. Daar worden geen ongevaccineerde kinderen die ouder zijn dan 14 maanden toegelaten op locaties waar ook baby’s tot 14 maanden opgevangen worden.

Dat beleid zou algemeen moeten worden ingevoerd. Want ook al geeft volgens het RIVM een vaccinatiegraad van 95% alleen maar groepsbescherming binnen grote mensenmassa’s en is het geen garantie voor kleinere groepen mensen zoals binnen de kinderopvang – iedereen begrijpt dat, wanneer er steeds meer ongevaccineerde ouders en kinderen rondlopen, de periodes van grotere uitbraken steeds korter zullen worden, ook binnen kleinere groepen kinderen.

Daarom lijkt het mij onjuist om te zeggen, zoals bv. het Nederlands Dagblad op 22 maart als mening van de hele krant poneerde, dat er sprake is van “een ramkoers vanuit de overheid” wanneer men, zoals de VVD voorstelt, “mensen de vrije vaccinatiekeuze wil ontnemen, als zij hun kind tenminste naar de opvang willen brengen.” Jammer dat ook de ChristenUnie en de SGP deze opvatting zijn toegedaan, waarbij Mirjam Bikker zelfs woorden als “liberale dwingelandij” gebruikte.

Wat je leest en hoort is, dat veel ouders hun kinderen de eerste 14 maanden thuishouden, omdat ze bang zijn dat er teveel niet-gevaccineerde kinderen naar de opvang gaan. Die laatste categorie (11% van de ouders) wordt nu in bescherming genomen tegen een grote meerderheid (89% van de ouders) die graag hun kinderen zo veilig mogelijk naar de opvang laten gaan. Dat is omgekeerde wereld. Jammer dat er zoveel begrip is voor ouders die op basis van een algemeen gevoel van onbehagen het bewezen effect van kindervaccinaties ontkennen en gedreven door een gevoel van egoïstische autonomie geen rekening willen houden met de zorgen die andere ouders zich maken.

Ik preek regelmatig op zondagmiddag uit de Heidelbergse Catechismus. Daar staat in Zondag 40: ‘Ik mag mijzelf (en anderen) geen letsel toebrengen en evenmin mijzelf (en anderen) moedwillig in gevaar begeven, maar ik zal mijn naaste liefhebben en zijn schade zoveel mogelijk voorkomen.’ Bewust je kind niet laat vaccineren is daarom schuldige nalatigheid.

Deze blog verscheen eerder als opiniestuk onder de titel “Onbegrijpelijk dat christenen zich verzetten tegen een vaccinatieplicht’ op CVandaag. Die kop gaf de redactie aan mijn artikel. Zelf ben ik er minder gelukkig mee, omdat er geen sprake is van een afgedwongen vaccinatieplicht als kinderdagverblijven (in mijn ogen terecht) alleen gevaccineerde kinderen willen toelaten.

Twee andere blogs over hoe christenen in het verre en in het recente verleden over vaccinatie dachten:

Christenen over vaccineren – drie posities en iemand die van ‘nee’ naar ‘ja’ging

Vaccinatie – een geloofskeus zonder (overheids)dwang