De crisis in de CGK uitgelegd in Jip-en-Janneke-taal

Vandaag verkeren de Christelijke Gereformeerde Kerken in een crisis. Twee groepen bestrijden elkaar als het gaat om wie de ware voortzetting van de CGK is. Elk met een eigen, tamelijk ingewikkelde poster om het eigen gelijk aan te tonen.

Hoe leg je aan een buitenstaander uit waar het eigenlijk om gaat? Vier jaar geleden zijn we verhuisd van Assen naar Balkbrug. Ik bracht toen heel wat spullen naar de kringloop. Ook een paar brochures over ’50 jaar Vrijmaking in Assen’. De man bij de inname zei toen: “Wat leuk, mag ik van allebei eentje? Ik vroeg me altijd al af waarom jullie vrijgemaakt heten.” Ik heb hem toen de gang van zaken rond de Vrijmaking uitgelegd in Jip-en-Janneke-taal. Klik hier

Ik stel me zo voor dat de man van de kringloopwinkel in Assen me nu zou vragen, als ik weer eens zou binnenlopen: “Vertel mee eens, hoe zit dat nou precies met die ruzie binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken? Kun je me dat even snel en begrijpelijk uitleggen?”

Ik denk dat ik het zo zou zeggen:

“De ruzie in de christelijke gereformeerde kerken kun je een beetje vergelijken met de discussie binnen de KNVB over elftallen die op zondag voetballen en elftallen die op zaterdag voetballen.

Stel je voor dat er volgens de statuten van de KNVB alleen op zaterdag gevoetbald mag worden. Alle clubs houden zich aan die afspraak. En dat gaat lang goed. Maar op een dag vragen 10 van de 180 clubs of ze ook op zondag hun wedstrijden mogen spelen. Het hoofdbestuur van de KNVB zegt dan: ‘Nee, dat staan we niet toe.’ Toch besluiten een aantal clubs om in de competitie op zondag te gaan spelen, maar alleen tegen andere clubs die inmiddels ook al op zondag speelden. En uiteindelijk zijn er rond de 30 van de 180 clubs die hun thuiswedstrijden op zondag spelen tegen een club die daar ook geen bezwaar tegen heeft.

Veel andere clubs vinden dat maar niets. Ze vragen de KNVB om de clubs die op zondag voetbalden, hierop aan te spreken. Een aantal van hen stelt zelfs voor om die zondagclubs uit de competitie te halen. Dat eerste doet het hoofdbestuur jarenlang, maar dat laatste vindt men toch telkens te ver gaan. Het regent, om het in voetbaltermen te zeggen, gele kaarten tegen de zondagclubs, maar er wordt nooit een rode kaart getrokken.

Na de zoveelste discussie op de landelijke vergadering treedt heel het hoofdbestuur van de KNVB af. Maar ze benoemen, in strijd met hun eigen reglement, geen commissie om een nieuw bestuur te vinden. Er komt alleen een raad van advies om de lopende zaken af te handelen. In die raad van advies zitten alle leden van het afgetreden bestuur.

Ondertussen gaan de competities gewoon door. Maar hoe moet het verder met de KNVB nu het landelijk bestuur is afgetreden en er geen vervanging geregeld is? De meeste voetbalclubs vragen aan de raad van advies: ‘Willen jullie het voortouw nemen om een nieuw landelijk bestuur te krijgen?’ Maar de raad van advies zegt telkens: ‘Nee, dat gaan wij niet doen, want de vorming van een nieuw hoofdbestuur staat niet in onze opdracht.’

Dus stapt op een gegeven moment een plaatselijke voetbalclub naar de rechter. Die spreekt uit, dat het voormalige bestuur ten onrechte geen commissie benoemd had om een nieuw hoofdbestuur te vinden. Die fout moet de raad van advies van hem herstellen.  En zo gebeurt het ook. De raad van advies stelt een commissie aan die een landelijke vergadering gaat uitschrijven waarvoor alle voetbalclubs uitgenodigd worden.  

De meeste zaterdagclubs zijn blij dat er een nieuw landelijk bestuur komt met maar één opdracht: moeten we als KNVB accepteren dat sommige clubs op zondag spelen zonder dat andere clubs daartoe verplicht worden? Of handhaven we onverkort het voetballen op zaterdag en royeren we de clubs die tegen de afspraken in op zondag blijven voetballen? En als de verschillen onoverbrugbaar zijn, kies dan niet langer voor pappen en nathouden, maar hak knopen door.

Ondertussen hebben 33 van de 180 plaatselijke clubs de koppen al bij elkaar gestoken en gezegd: er is geen hoofdbestuur meer, dus wij gaan nu als echte zaterdagclubs samen verder. Ze trekken hun teams terug uit de reguliere KNVB-competities, omdat daar nog steeds tegen de regels in door sommige andere clubs ook op zondag wedstrijden gespeeld werden. En ze beginnen alvast met het op poten zetten van een eigen landelijke competitie voor het volgende seizoen.

Het lijkt er dus op, dat er volgend seizoen twee competities van start gaan, georganiseerd door twee afzonderlijke landelijke voetbalbonden.

Zo is het nu ook binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken: 33 plaatselijke kerken hebben het initiatief genomen om een nieuw landelijk kerkverband te stichten, omdat ze het niet eens zijn met de koers van het oude kerkverband. En dan gaat het niet om voetballen op zaterdag of zondag natuurlijk (hoewel: dat is in christelijk Nederland ook nog wel een dingetje 😊), maar om de vraag of je als plaatselijke kerk ook vrouwen in je kerkbestuur mag benoemen.  Officieel is al 30 jaar geleden besloten dat dat niet mag, maar sinds een jaar of 10  gebeurt het steeds vaker. Het landelijk bestuur vermaande die kerken wel elke keer, maar heeft ze nooit uit het kerkverband willen zetten. Men tolereerde dus deze afwijking van de landelijke afspraken.

Omdat de kwestie in 2025 muurvast zat, heeft het landelijk bestuur besloten om af te treden en geen nieuwe landelijke vergadering uit te schrijven. Dat laatste was in strijd met de eigen statuten. De commissie die de lopende zaken moest afwikkelen, wilde deze fout niet herstellen, totdat de rechter hen daartoe opriep. Toen hebben ze dat alsnog gedaan. Maar ondertussen waren 33 kerken al bezig om een eigen organisatie op te zetten, met nog 22 andere kerken die er als waarnemer bij betrokken zijn.”

Dit verhaal zou ik bij de kringloop vertellen om de crisis in de CGK in Jip-en-Janneke-taal uit te leggen. Mijn gesprekspartner zou dan zeggen: “Dat is een duidelijk verhaal. Maar waarom lopen die 33 zo op de zaken vooruit? Want die komende landelijke vergadering zal nu toch wel eindelijk spijkers met koppen slaan?

Dan zou ik antwoorden: “Dat snap ik ook niet zo goed. Het komt, denk ik, omdat deze 33 kerken de oproep van de commissie om nog één keer als 180 kerken bij elkaar te komen, niet erkent. Dus zeggen ze: er is geen landelijke organisatie meer. Daarom zetten wij die nu opnieuw op. En iedereen die alleen op zaterdag wil voetballen (om bij het voorbeeld te blijven) – dus elke kerk die geen vrouwelijke bestuurders heeft aangesteld, mag zich bij ons aansluiten.”

De man bij de kringloop zou dan zeggen: “Dat is jammer, want geduld is een schone zaak. En samen netjes uit elkaar gaan ook. Maar eh … mag ik je nog één ding vragen: hoe is het trouwens met die commissie afgelopen, toen ze alsnog een nieuwe landelijke vergadering hebben uitgeschreven?”

Daarop zou mijn reaktie zijn: “Nou, je gelooft het niet, maar die commissie is op één persoon na opgestapt, want ze wilden niet verantwoordelijk zijn voor de organisatie van een nieuwe landelijke vergadering. Maar het gekke is: de andere vier zijn meteen overgestapt naar de club van 33 kerken en helpen daar nu aktief mee om dat andere kerkverband op te richten.”

“Da’s inderdaad raar,” zou mijn gesprekspartner zeggen, “dan hadden ze toch al eerder moeten opstappen? Nu hebben ze zelf een nieuwe landelijke vergadering uitgeschreven en piepen er voortijdig tussen uit zonder bezwaar te maken bij de vergadering waar ze zelf verantwoordelijk voor zijn dat die er komt. Da’s niet zo netjes.”

Duidelijkheid én eerlijkheid gewenst bij breuk CGK

Het christelijk gemengd koor Soli Deo Gloria zingt al jarenlang klassieke geestelijke liederen. Vaak meerstemmig, soms met een solist, altijd begeleid door orgel, dwarsfluit, trompet en andere klassieke muziekinstrumenten. Maar sinds enige tijd wil een kwart van de zanglustige leden graag meer eigentijdse liederen onder begeleiding van gitaar en drumstel. Dat zorgt voor zoveel onrust dat het bestuur opstapt en een commissie aanwijst om de lopende zaken af te handelen. Die commissie besluit als eerste om de wekelijkse repetities door te laten gaan. Ook houdt ze een enquête onder de leden. En als blijkt dat 75% van de leden de klassieke geestelijke liederen wil blijven zingen, schrijft ze nieuwe bestuursverkiezingen uit. De andere 25% wil toch graag de populaire richting inslaan en richt gospelkoor Praise the Lord op. Omdat niemand uit is op scheve gezichten, krijgen ze een kwart van de verenigingskas mee en blijven ze gewoon in hetzelfde gebouw oefenen – uiteraard wel op een andere avond.

Duidelijkheid en eerlijkheid gaan hier samen.

Binnen de CGK is nu ook duidelijkheid. Ongeveer een kwart van de kerken kan zich niet langer verenigingen met de koers van de meerderheid. De Rijnsburggroep heeft zich op 21 maart jl. officieel afgesplitst van het CGK-kerkverband. Dat geeft duidelijkheid. Naar alle kanten toe. In de verslagen van het RD en het ND is te lezen dat de Rijsburg-kerken verdrietig zijn over de breuk, maar dat het hen ook rust en hoop en perspectief geeft.

Wat mij echter verbaasd heeft is, dat de broeders van ‘Rijnsburg’ niet eerlijk zijn over het feit dat zij uit de CGK stappen. Ze durven zelfs te stellen dat de synode van Hoogeveen, die door het oud-moderamen van de vorige synode is uitgeschreven, “kerkrechtelijk en inhoudelijk gezien (…) geen wettige vergadering is”, om het met de woorden van ds. H.C. Bezemer te zeggen.

Ik snap niet hoe men dit met droge ogen kan beweren. Alle kerkrechtdeskundigen én de wereldlijke rechter hebben duidelijk gemaakt dat de vorige synode in strijd met de eigen kerkorde geen opvolger heeft aangewezen. Daartegen in appèl gaan was niet mogelijk, want dat kan kerkrechtelijk alleen maar bij een volgende synode. Dus moest, gedwongen door de wereldlijke rechter, het oud-moderamen een nieuwe synode bijeenroepen. Dat heeft men in september 2025 ook gedaan door de kerk van Hoogeveen aan te wijzen als samenroepende kerk voor de volgende synode. Meteen daarna besloten vier van de vijf leden, de predikanten P.D.J. Buijs, A.D. Fokkema, W.J. van Gent en A. van der Zwan, om af te treden.

Alle vier deze predikanten zijn nu, heb ik begrepen, aktief binnen de Rijnsburggroep. Hoe kan het bestaan dat ze eerst als leden van het oud-moderamen de verantwoordelijkheid genomen hebben om een nieuwe synode bijeen te roepen, en nog geen half jaar later hun eigen besluit als ‘onwettig’ bestempelen?

Eerlijk is dat niet. Wel dubbel. Namelijk schaken op twee borden. Het was eerlijk geweest om de kerkelijke weg te gaan door op de door henzelf uitgeschreven synode een bezwaarschrift in te dienen

Net zo dubbel is het optreden van de kerk van Urk Eben-Haëzer binnen de classis Zwolle. Die weigerde als samenroepende kerk consequent een nieuwe classisvergadering uit te schrijven, ook al vroegen volgens de eigen classikale regeling drie kerken daar om. Pas toen de Partikuliere Synode van het Noorden daar om vroeg, werd de classis op 19 maart jl. door Urk-EH bijeengeroepen. Maar na de opening en de verkiezing van het moderamen verlieten de afgevaardigden van Urk-EH de classis, omdat ze de classis als niet-wettig beschouwden.

Alweer geen eerlijke manier van handelen. Zuiverder was het geweest om ook hier de kerkelijke weg te volgen door op de classis die Urk-EH zelf uitgeschreven had, een voorstel in te dienen om zich aan te sluiten bij ‘Rijnsburg’. Of om al veel eerder de opdracht om een classis samen te roepen van een kerkverband dat in de ogen van Urk-EH niet meer bestond over te dragen aan een andere kerk die wel loyaal CGK wilde blijven.

Maar zowel de vier oud-moderamenleden van de vorige synode als de samenroepende kerk van Urk-EH namen een andere beslissing. Namelijk om het gereformeerd kerkrecht te buigen naar eigen inzicht en interpretatie. Zo probeerde men zo lang mogelijk invloed uit te oefenen binnen het geheel van de CGK. Tegelijk trok men een eigen spoor door een parallel kerkverband op te richten. En nu dat in de steigers staat, verklaart men de aanstaande synode van Hoogeveen, die men zelf bijeengeroepen hebt, onwettig. En verlaat men demonstratief de classis, die men zelf bijeengeroepen heeft, omdat men die niet als CGK-vergadering erkent.

Ik word hier erg verdrietig van. En ook verontwaardigd. Want het gaat er niet om wie principieel gezien gelijk heeft. Dat twee groeperingen binnen de CGK niet meer met elkaar door één deur kunnen, is overduidelijk. En hoe jammer het ook is dat men elkaar niet meer kan vasthouden, het is goed dat die duidelijkheid nu ook echt gegeven wordt: 33 CGK-gemeentes willen niet verder met de andere 148, 22 andere gemeentes denken er serieus over na om ook het kerkverband te verlaten en nog eens 10 kerken sympathiseren met ‘Rijnsburg’.

Maar zeg dan niet dat het kerkverband niet meer bestaat en dat nog volstrekt onduidelijk is wie van de twee de wettige voortzetting van de Christelijke Gereformeerde Kerken is. Zelfs de hoogleraar kerkrecht aan de Theologische Universiteit van Apeldoorn heeft overtuigend aangetoond dat wie zichzelf als minderheid afsplitst van de meerderheid, volgens het gereformeerd kerkrecht geen deel meer uitmaakt van het kerkverband. Dat zegt een kerkrechtdeskundige die zelf predikant binnen de Gereformeerde Gemeenten is en dus inhoudelijk het volledig eens is met de verontruste Rijnsburggroep!

Duidelijkheid én eerlijkheid.

Het zou fijn zijn wanneer ‘Rijnsburg’ ook dat laatste betracht in plaats van een mistgordijn op te trekken over wie nu de ware CGK is. Zeg eerlijk: wij stappen eruit, want we kunnen het tegenover de HERE en omwille van ons geweten meer verantwoorden langer lid te blijven van een kerkgenootschap dat zaken tolereert die in onze ogen volstrekt onbijbels, zondig en tuchtwaardig zijn. En zet daarna naar interne pretentie de Christelijke Gereformeerde Kerken voort onder een andere naam. Zo’n 80 jaar geleden deden de vrijgemaakte kerken hetzelfde. Handel naar eer en geweten.

De breuk in de CGK: de Rijnsburggroep begint een nieuw top-down-kerkverband

Een kerk die de drieslag ‘Schrift, belijdenis, kerkorde’ uitbreidt met een vierde element: strikte binding aan alle synodebesluiten totdat op een volgende synode het tegendeel blijkt, heeft de zelfstandigheid van plaatselijke gereformeerde kerken ingewisseld voor het ideaal van één landelijke hervormde kerk met plaatselijke afdelingen.

Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken kiezen de ongeveer 70 kerken van de Rijnsburggroep voor deze manier van kerk-zijn. Dat is hun goed recht, maar daarmee breken ze met de CGK en beginnen een nieuw kerkverband. Daarin zijn ze eerlijk: ze vinden dat er geen basis meer is om samen met een ander deel van de 181 CGK-kerken door één bijbelgetrouwe deur te kunnen.

Helaas doet de Rijnsburggroep dat met slaande deuren. Alle oproepen om het op een kerkrechtelijk zuivere manier te doen slaat men in de wind.

Unaniem adviseerden alle hoogleraren ruim een jaar geleden: wijs een nieuwe synode aan, want anders ga je tegen je eigen kerkrecht in. Maar de meerderheid van de synode sloeg die waarschuwing in de wind en sloot zich na sluiting van de synode bij ‘Rijnsburg’ aan.

Twee kerkrechtdeskundigen die binnen de CGK hoog in aanzien staan gaven in opdracht van de Theologische Universiteit van Apeldoorn aan: “Het staat plaatselijke kerken in beginsel vrij om zich aan de bestaande vergaderstructuur te onttrekken en eigen vergaderstructuren te organiseren. Maar als zij besluiten dat te doen, maken zij zich daarmee los van het bestaande landelijk kerkverband van de CGK.” Toch was dit voor ‘Rijnsburg’ geen reden om op de ingeslagen weg voort te gaan.

Na sluiting van de synode ging het oud-moderamen verder als ‘deputaatschap vertegenwoordiging’ om, zoals gebruikelijk, in alle lopende zaken de CGK van advies te dienen of te vertegenwoordigen tot aan een nieuwe synode. Alle vijf de leden van het oud-moderamen aanvaardden die benoeming en zagen zichzelf nog steeds als wettige vertegenwoordigers van de hele CGK. Op nadrukkelijk verzoek van de wereldlijke rechter wezen ze toch de CGK Hoogeveen aan als samenroepende kerk voor een nieuwe synode. Maar meteen daarna stapten vier van de vijf oud-moderamenleden op. Alle andere taken die hen waren toevertrouwd, vonden ze minder belangrijk dan de moeite die ze hadden met het terugdraaien van een kerkrechtelijke dwaling door één kerk te laten doen wat ze zelf niet hoefden organiseren. Als ik het zo inschat, stonden zeker drie van hen al achter de door ‘Rijnsburg’ ingeslagen weg toen ze nog wel deputaat waren.

Op donderdag 30 oktober deed het inmiddels weer voltallige deputaatschap vertegenwoordiging een oproep aan de Rijnsburggroep om een broederlijk gesprek over de ontstane situatie. “De bereidheid tot een gesprek is er wederzijds”, was de in het Reformatorisch Dagblad uitgesproken verwachting. Maar nog geen tien dagen later, op zaterdag 8 november, nodigde ‘Rijnsburg’ de 70 CGK-kerken die in Veenendaal aanwezig waren op het verontrusten-convent uit voor een volgende bijeenkomst op 29 november. De insteek daarvan zal zijn om een “roepende kerk” aan te wijzen om “algemene vergadering die hetzelfde gezag heeft als een synode” voor te bereiden. Die algemene vergadering heeft dan als doel “om te komen tot het herstel van de synodale structuur, inclusief een classicale herindeling.” (citaten uit RD 10 november).

Hier kondigt zich de geboorte van een nieuw kerkverband aan. En dat snap ik. Een meerderheid binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken wil van de visie op de vrouw in het ambt geen breekpunt maken. Al 1998 is door de generale synode uitgesproken dat wie op bijbelse gronden vóór vrouwelijke ambtsdragers is, ten volle ambtsdrager kan blijven binnen de CGK. Ter wille van de eenheid is toen ook besloten om er landelijk geen ruimte voor te geven. Dat besluit wordt door steeds meer plaatselijke CGK-gemeentes genegeerd, omdat men binnen de eigen gemeente die ruimte wel ziet én een kwart eeuw later ook neemt. Daarmee brengen die kerken de rechterflank in gewetensnood, die zich nooit heeft kunnen vinden in de tolerantie van 1998, maar elke visie die vóór de vrouw in het ambt is, als onschriftuurlijk en niet gereformeerd beschouwt. Nu die visie ook door zo’n 30 CGK-gemeentes gepraktiseerd wordt, is de grens bereikt. De meerderheid van de 181 CGK-kerken gemeentes wil echter de vrouw-in-het-ambt-gemeentes niet uit het kerkverband zetten. Dus stapt de Rijnsburggroep er nu zelf uit.

De manier waarop men dat doet verdient echter geen schoonheidsprijs. Aan alle kanten roept ‘Rijnsburg’ (vooral bij monde van het CGBeraad) dat er geen kerkverband meer is en dat alles van onderaf moet worden opgebouwd. Dat lijkt mij volstrekt onjuist. Er is nog wel een kerkverband, maar een (grote) minderheid wil niet meer verder met de meerderheid. Sterker nog: men geeft sinds 8 november openlijk aan, van onderop een parallel kerkverband te willen opbouwen.

Een parellel kerkverband is, als het oude kerkverband nog funktioneert, een nieuw kerkverband. Zo ging dat ten tijde van de Afscheiding van 1834, de Doleantie van 1886 en de Vrijmaking van 1944. Het zou de Rijnsbruggroep sieren om in deze zelfde lijn ook een oproep tot wederkeer te doen uitgaan aan de in hun ogen dwalende meerderheid. Maar dat doet men niet. Men beweert in grote bewoordingen dat er geen CGK meer is en dat hun groepering van 70 met de wederopbouw van de CGK gaat beginnen.

Naar interne pretentie mag men zichzelf zien als de voortzetting van het afgedwaalde kerkverband, maar men is dat niet. De bovengenoemde kerkjuristen schreven in hun notitie dat je het vergelijken kunt met mannenkoor Asaf dat 100 leden telt. Als daarvan 40 leden op een andere avond gaan zingen en beweren: ‘Wij zijn Asaf en die andere groep is dat niet’, is dat onjuist. Want in een vereniging -en een gereformeerd kerkverband is een vereniging van zelfstandige plaatselijke kerken- bepaalt de meerderheid de koers. De opmerking van een andere jurist die het opneemt voor de Rijnsburggroep, dat als 40 van de 100 leden van mannenkoor Asaf zich afsplitsen, er geen ‘Asaf’ meer is, maar dat de meerderheid zich dan maar ‘Ethan’ en de minderheid zich ‘Jeduthun’ moet noemen, raakt echt kant noch wal.

Eén ding is nog opmerkelijk bij de stichting van dit nieuwe kerkverband: men noemt zich gereformeerd, maar als eerste kerkverband dat uit de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886 ontstaan is, voegt men aan de drieslag ‘Schrift – belijdenis – kerkorde’ een vierde criterium toe, nl. ‘synodebesluiten’. Oftewel: als de landelijke synode gesproken heeft, moeten alle kerken zich daar onverkort aan houden. Daarmee wordt het gereformeerd kerkrecht de nek omgedraaid. Want binnen het gereformeerde kerkrecht is een synode niet het hoogste orgaan, maar blijft dat altijd de plaatselijke kerk. Dus mag volgens gereformeerd kerkrecht de ene kerk niet over een andere heersen en houden plaatselijke kerken zich in alles aan synodebesluiten tenzij bewezen wordt dat zij in strijd zijn met Gods Woord, de belijdenis en de aangenomen kerkorde.

‘Tenzij’ betekent hier: wanneer een plaatselijke kerk dat zelf goed onderbouwd kan doen. Dan is er binnen het gereformeerde kerkrecht een ruimte mate van christelijke vrijheid, in het vertrouwen dat een plaatselijke kerk daar geen misbruik van maakt door independentistisch z’n eigen gang te gaan.

‘Tenzij’ betekent niet: totdat een volgende synode een besluit terugdraait. Dat laatste is kenmerkend voor een top-down-kerk zoals de PKN en de HHK. Die heten landelijk ook niet voor niet ‘Protestantse KERK’ en ‘Hersteld Hervormde KERK’, want de landelijke organisatie is de kerk en de plaatselijke gemeentes zijn afdelingen. Die kant wil de Rijnsburggroep nu ook op. Daarmee wordt, zoals ik zei ooit in een diskussie met ds. P. van Gurp, de predikant die mij doopte en in het ambt bevestigde, naast Schrift en belijdenis ook de traditie bindend van bovenaf opgelegd.

Wat ik dan niet snap van de bezwaarde broeders die nu de CGK verlaten en bezig zijn een eigen, nieuw kerkverband op te richten: waarom niet meteen aansluiting bij de HHK gezocht als je toch de gereformeerde drieslag uitbreidt met een vierde element? Aan de andere kant: als je eerst zelf een redelijk stabiel nieuw kerkverband gevormd hebt, kun je ook beter en op gelijkwaardige basis het gesprek aangaan met een kerkverband dat dicht tegen jouw kerkvisie aanligt. Want, om positief af te sluiten: in de afgelopen twee jaar is niet alleen de CGK uit elkaar gevallen, maar hebben er ook twee kerkenfusies plaatsgevonden (NGK+GKV in 2023, DGK+GKN in 2024). ‘Opdat zij allen één zijn’ en als mannenkoor Asaf Psalm 133 zingen kan dus wel.

Hoe nu verder als CGK nu moderamen en synode het kerkverband hebben opgegeven?

De synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken is gesloten. Maar in strijd met de kerkorde wou het moderamen geen volgende synode aanwijzen. En met de kleinst mogelijke meerderheid (27 van de 52) en tegen het nadrukkelijke advies van alle professoren uit Apeldoorn in vond de rechterhelft van de synode ook dat er geen volgende synode hoefde te worden aangewezen. Men laat het aan de plaatselijke kerken over om een uitweg uit de crisis te vinden.

Prof. dr. Arnold Huijgen, zelf een vooraanstaande, invloedrijke CGK-dominee, die tot voor kort professor aan de Theologische Universiteit was, schreef op 7 juni: “Dit kan kerkordelijk helemaal niet. Kerkordelijk is de synode verplicht alle agendapunten af te handelen, en ook om een volgende roepende kerk aan te wijzen. Door dit niet te doen, richt de synode nog veel meer schade aan: het hele kerkelijk samenleven lijkt men op te geven.”

Een paar dingen vallen mij op. Allereerst dit: hoe bestaat het dat een moderamen en een zeer krappe meerderheid van de synode z’n verantwoordelijkheid plompverloren uit handen laat vallen door te zeggen: ‘plaatselijke kerken, we laten het initatief aan jullie’? Dat klopt kerkrechtelijk van geen kant. Want juist die plaatselijke kerken hebben deze synode bij elkaar geroepen en het de opdracht gegeven om namens hen te regelen wat nodig is. Dan kun je niet opeens de boel de boel laten door je opdracht terug te geven aan diezelfde kerken.

Waar ging het dan fout? Ten diepste denk ik hier: het moderamen en de 27 afgevaardigden die er nu voor gekozen hebben om de Christelijke Gereformeerde Kerken ongecontroleerd uit elkaar te laten vallen, hebben niet het lef gehad om volgens de kerkorde en het kerkelijke recht de crisis in hun kerken op te lossen.

Voortdurend hebben zeer behoudende plaatselijke kerken gezegd: CGK-kerken die vrouwen toelaten in het ambt gaan in tegen Gods Woord en tegen de gemaakte kerkelijke afspraken om dat niet te doen. En ook al is dat al drie keer zo uitgesproken, ze keren niet terug op hun schreden. En ze zijn ook niet zo consequent om uit de CGK te stappen en NGK of PKN te worden.

De behoudende kerken hebben een punt. Als je echt vindt dat een praktijk binnen jouw kerkverband in strijd is met Schrift en belijdenis, kun je dat niet blijven accepteren. Maar … men heeft er geen kerkelijke conclusies aan verbonden. Namelijk: een plaatselijke kerk die volgens de meerderheid van de kerken op een belangrijk punt volhardend afwijkt van wat duidelijk in Gods Woord geschreven staat, moet je als ongehoorzame kerk buiten het kerkverband plaatsen.

Die stap zou kerkrechtelijk een zuivere stap geweest zijn. Ook heel pijnlijk. Met grote gevolgen, zoals onze gezamenlijke NGK-geschiedenis in de jaren ’60 van de vorige eeuw heeft laten zien. Toen waren, volgens de behoudende meerderheid van de GKV, Schrift en belijdenis ook in het geding. Een grote progressieve minderheid dacht daar anders over. Dus ontstonden er twee groepen kerken: zij die binnen het kerkverband bleven (en dus GKV) en zij die buiten het kerkverband kwamen te staan (en zich daarna NGK noemden). Soms was een classis in meerderheid progressief en organiseerden de behoudende kerken een tegen-classis. Dan werd die classis door de provinciale synode erkend en de oude classis collectief buiten het kerkverband geplaatst (classis Kampen – PS Overijssel). En in Noord-Holland ontstonden zelfs twee PS-en: de oude PS was in meerderheid progressief en de behoudende minderheid organiseerde zich in een tegen-PS. De afgevaardigden van de nieuwe PS werden door de Generale Synode van Hoogeveen 1969/1970 geaccepteerd, die van de oude PS als synodelid geweigerd.

Een hele pijnlijke periode, maar kerkrechtelijk stukken zuiverder dan wat nu in de CGK gebeurd is: eerst als behoudende deel van de CGK niet durven doorpakken en daarna uit teleurstelling en frustratie het kerkschip laten stranden door alle verantwoordelijkheden die de kerken jou hebben  toevertrouwd, uit je handen te laten vallen, zonder diezelfde kerken enig perspectief te bieden.

Het wordt nog erger als binnen drie dagen na het sluiten van de synode die geen nieuwe synode bijeen wilde roepen, de CGK van Rijnsbrug met het plan komt om op 27 juni alle 181 CGK-kerken uit te nodigen voor een bijeenkomst (een nieuw convent) om over de toekomst van de CGK te praten. Let wel: de kerk van Rijnsburg is de kerk die deze synode heeft samengeroepen en waarvan de predikant. Ds. L.A. den Butter, adviseur van de synode was. Maar aan de uitnodiging is wel een voorwaarde verbonden: alleen plaatselijke kerken zijn welkom “die zich vanouds, in woord en in daad, willen houden aan de vierslag Schrift, belijdenis, kerkorde en synodale besluiten.” Met dat laatste worden vooral de synodebesluiten over de vrouw in het ambt bedoeld. Als er CGK-kerken naar dit nieuwe convent komen die wel vrouwelijke ambtdragers hebben, “ligt het natuurlijk in de rede dat we elkaar daarover vooraf vragen gaan stellen”, aldus ds. Den Butter. Want volgens hem kan “de breedte van onze kerken”  elkaar alleen vasthouden “op basis van de genoemde vierslag.” (citaten RD 7 juni – internet).

Bij de voordeur wordt dus door één CGK, de van Rijnsbrug (met waarschijnlijk een aantal andere kerken achter zich die dit nieuwe convent mede organiseren), geselecteerd welke van de andere 180 CGK-kerken nog wel of niet meer tot ‘de breedte van de kerken’ behoren. Elke afgevaardiging wordt, om het cryptisch-bijbels te zeggen, ge-mene-tekel-d en zwaar genoeg of te licht bevonden om nog bij de ware CGK te mogen horen.

Dat bepaalt dus niet een classis of een synode, die daar al sinds de allereerste landelijke synode van 1571 de bevoegdheid toe heeft. Maar dat bepaalt een zelfbenoemde groep binnen de CGK. Dit is onkerkelijk handelen in optima forma! Van onderaf wil men met een groep gelijkgezinden de regie overnemen. In de politiek heet dat: een coup plegen. In het kerkrecht heet dat: scheurmakerij. Bijbels gezien noemen we dat: een zware zonde. Met deze aktie balanceren de initiatiefnemers niet op de grens van kerk en sekte, maar gaan erover, zoals prof. Huijgen op X (voorheen Twitter) terecht opmerkte.

In zijn artikel in CVandaag roept Huijgen CGK-kerkenraden op niet argeloos in te gaan op een uitnodiging voor een bijeenkomst waar alleen kerken die zich aan alle synodebesluiten gehouden hebben welkom zijn. “Houd afstand,” schrijft hij. Ik denk juist dat het goed zou zijn als alle 181 CGK-kerken een afvaardiging naar die bijeenkomst sturen. Dat wordt dan net zo’n convent als vorig jaar gehouden is, waar 180 van de 181 kerken aanwezig waren. Die werd toen georganiseerd door landelijke deputaten. Het zou goed zijn als de kerk van Rijnsburg deze bijeenkomst laat organiseren door het ‘deputaatschap vertegenwoordiging’, want die heeft het mandaat om een aantal zaken af te wikkelen en te begeleiden zonder zelf inhoudelijk sturing te geven.

Als alle 181 kerken zich inderdaad aanmelden, zal duidelijk worden wat de ware intentie van de organisatoren is. Wordt elke CGK toegelaten tot de vergadering? Dan wordt duidelijk op welke manier de meerderheid van de CGK het kerkverband voort wil zetten. En dat zou, gezien het vorige convent, wel eens anders kunnen uitpakken dan de behoudende kerken zouden willen. Toen wilden zo’n 120 van de 180 kerken met elkaar verder. De optie voor de andere 60 is dan: wij kunnen niet langer blijven, dus wij richten een nieuw, behoudend kerkgenootschap op of zoeken aansluiting bij andere reformatorische kerken. Of de behoudende organisatoren houden aan de voordeur alle CGK-kerken tegen die vrouwen in het ambt hebben of, ook al hebben ze die niet zelf, daar geen bezwaar tegen hebben. Dan kan een meerderheid van de aanwezige kerken uitspreken dat ze zichzelf beschouwen als de wettige voortzetting van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Maar dat kan alleen maar door eerst een aanzienlijk deel van de zusterkerken op voorhand buiten te sluiten.  En dan niet volgens het gereformeerd kerkrecht, want die kerkelijke weg via een volgende synode heeft men bewust geblokkeerd, maar door een separatische aktie waarbij de eigen overtuiging zwaarder weegt dan de eenheid in Christus op basis van Schrift, belijdenis en kerkorde die de meerderheid van de CGK-kerken graag bewaren wil.

De derde oplossing voor de CGK wordt door Selderhuis niet genoemd

Dat de Christelijke Gereformeerde Kerken in een crisis verkeren is voor iedereen wel duidelijk. Eerst werd een voorstel om samen verder te gaan in een A-afdeling en een B-afdeling met een meerderheid van 60% (31 – 21) afgeschoten, omdat men de drempel op 80% gelegd had. Daarna stelden 31 broeders voor om de synode dan maar helemaal te sluiten, tenzij de ‘ongehoorzame’ kerken die al vrouwen in het ambt hadden bevestigd, zich massaal zouden bekeren. Een onmogelijke en ook onwaarachtige eis. Met dit besluit kondigde men, zoals het Reformatorisch Dagblad het in een hoofdredaktioneel kommentaar omschreef, ‘als het ware een ultimatum af’, waarmee men niet alleen de ‘ongehoorzame’ kerken enorm voor het blok heeft gezet, maar ook de middengroep van kerken die in 2024 op het Convent en begin 2025 via een oproep aan de synode in overgrote meerderheid hebben aangegeven ondanks verschillende visies én praktijk als het om vrouwen in de ambten gaat, toch de onderlinge eenheid te willen bewaren.

In het Reformatorisch Dagblad van 7 april schreef prof. dr. Herman Selderhuis een artikel over de ontstane situatie. Ook hij vond, dat “iedereen wel snapt dat de oplossing dat kerken terugkeren op hun schreden wel principieel maar niet zo heel reëel is.” Dus ging hij in op de vraag:  hoe nu verder?

Hij kwam uit bij twee mogelijke oplossingen. De eerste heeft duidelijk zijn voorkeur, namelijk “een kerkmodel waarin gemeenten ruimte krijgen voor vrouwelijke ambtsdragers, maar dan zo geregeld dat gemeenten die zich wel aan synodebesluiten houden daardoor niet in de moeite komen. Daar is op basis van de belijdenis best wat voor te bedenken, ook zonder congregationalistisch model (een kerkgenootschap waarin de plaatselijke gemeente centraal staat, zonder bestuurlijke hiërarchie). Gereformeerd kerkrecht is binnen die confessionele grens flexibel.”

Wat Selderhuis hier zegt is, kort geformuleerd: je kunt landelijk op basis van de gereformeerde belijdenis en het gereformeerde kerkrecht samen kerk blijven als je dat echt wilt. En dat is wat de grote meerderheid van de Christelijke Gereformeerde Kerken wil, blijkt uit het Convent van 2024 en de Oproep van 2025.

Maar er is nog een tweede mogelijkheid, aldus Selderhuis. En dat is, dat alle CGK-kerken met vrouwen in de ambten en “zich niet aan het CGK-beleid houden, zich aansluiten bij de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK). Dat is nog steeds een kerk op gereformeerde grondslag en een kerk waar al heel lang samenwerking mee is. Zo’n overgang is dan ook geen scheuring maar een herschikking van kerken. Die tweede mogelijkheid opper ik niet om van lastige kerken af te zijn, maar wel om ieder van veel werk, moeite en frustratie af te helpen, zodat we weer toekomen aan het eigenlijke werk van de kerk.” Inderdaad, dat is ook een optie. Onwenselijk wat Selderhuis en mij betreft.

MAAR … wat mij dan bevreemdt is, dat Selderhuis niet in alle eerlijkheid erbij zegt: er is ook nog een derde mogelijkheid, net zo ongewenst, maar misschien nog wel realistischer dan de tweede optie,  namelijk dat de CGK-kerken op de rechterflank zich aansluiten bij de Hersteld Hervormde Kerk, en dat niet om van die lastige broeder af te zijn, maar om als meerderheid van de CGK-kerken die elkaar wel wil verdragen, ook als het om vrouwen in de ambten gaat, weer toe te komen aan het eigenlijke werk van de kerk.

Want laten we wel zijn: de 31 afgevaardigden op de synode die aan de achterban van de andere 21 afgevaardigden een ultimatum stellen, spreken niet namens het gevoel van de meerderheid van de CGK. Die meerderheid wil namelijk de eenheid bewaren en ruimte bieden aan zowel de vooruitstrevende als de behoudende flank. Zoals een Bewaar-het-Pand-collega mij vertelde: “Er is geen meerderheid voor synodale tucht.”  Als het klopt wat Selderhuis zegt, dat 70% van de CGK-gemeentes zich loyaal houdt aan de uitspraak dat vrouwen niet in het ambt mogen, vergeet hij erbij te zeggen, dat er een grote middengroep is, die desalniettemin toch die 30% ‘ongehoorzame’ gemeentes als plaatselijke kerken van Christus wil blijven erkennen, omdat de CGK-synode in 1998 al uitgesproken heeft dat je vanuit een gelovig gereformeerd bijbellezen ook vóór vrouwen in de ambten kunt zijn. Toendertijd is er geen ambtsdrager om geschorst of afgezet en vandaag ziet een gerespecteerd predikant als ds. D.J. Steensma, die volgens mij echt midden in het midden van de CGK staat, daar ook alle ruimte voor binnen de kaders van de gereformeerde belijdenis.

De vraag is dus niet, zoals Selderhuis suggereert: als we er samen niet uitkomen (optie 1), waarom gunnen die 30% CGK-gemeentes die vóór vrouwen in het ambt zijn de andere 70% niet de rust en de ruimte om klassiek-orthodox-gereformeerd te blijven door zelf NGK te worden (optie 2)? Want een groot deel van die andere 70% gunt juist die vooruitstrevende 30% wel de ruimte en hoopt zo de rust en de eenheid te bewaren.

De vraag die Selderhuis beter had kunnen stellen is: als we er samen niet uitkomen (optie 1), en de pak ‘m beet 40% van de CGK-kerken die tot het midden behoren willen graag beide flanken binnen boord houden, waarom gunnen die 30% CGK-gemeenten die het toelaten van vrouwen in de ambten op bijbelse en kerkrechtelijke gronden als een grote zonde beschouwen die andere 70% niet de rust en de ruimte om eigentijd-orthodox-gereformeerd te blijven door zelf HHK te worden?

Waar is de trouwe vriend die de CGK kan helpen?

Euodia en Syntyche, ik dring er bij u op aan eensgezind te zijn in de Heer.  En u, trouwe vriend, vraag ik hen te helpen. Ze hebben samen met mij voor het evangelie gestreden, evenals Clemens en mijn overige medewerkers, van wie de namen in het boek van het leven staan.

Dit zijn woorden van Paulus uit de brief aan de christelijke gemeente in Filippi (Fil. 4:2-3). Twee gelovige zusters leven in onmin met elkaar. Samen komen ze er niet uit. Het dreigt ook de gemeente te verdelen, want als twee mensen ruzie hebben, trekken anderen al heel snel partij. Dus vraagt Paulus aan een wijze broeder om te bemiddelen en te proberen tot een oplossing te komen, waardoor de vrede tussen beide zusters in de Heer weer hersteld wordt. Want, zegt Paulus nadrukkelijk, ondanks het hoog oplopende meningsverschil tussen beiden hebben Euodia en Syntyche zich beiden ingezet voor Jezus Christus en staan ze allebei ook bij God in de hemel opgetekend als zijn kinderen.

Aan dit gedeelte heb ik voortdurend moeten denken sinds er een komplete patstelling ontstaan is op de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken. De meest progressieve afgevaardigden hebben de optie van een duo-kerkverband met A-gemeentes en B-gemeentes afgestemd. In dat voorstel stond namelijk dat de behoudende groep ‘zich in alles wil houden aan Schrift en belijdenis’, terwijl van de vooruitstrevende groep gezegd werd dat die ‘zich willen baseren op Schrift en belijdenis’. Dat vonden 12 van de 52 afgevaardigden onaanvaardbaar, want een twee-onder-een-kapwoning kap met eenzelfde fundament of een huis met een tijdelijke tussenwand is echt wat anders dan dat je al een verschil in het fundament formuleert en daarop verder wilt bouwen, zoals een CGK-predikant het onder woorden bracht. Doordat deze 12 synodeleden tegen het kerkmodel ‘Witzier’ stemden, zoals ik het maar even noem, werd niet voldaan aan de voorwaarde dat minstens 80% van de synodeleden vóór deze oplossing uit de impasse moest stemmen. Uiteindelijk waren slechts 31 van de 52 synodeleden vóór, omdat 9 andere tegenstemmers zich door de synodepreses lieten overhalen om blanco te stemmen (want dan telde hun stem niet mee voor die 80%).

Een dag later kwamen nagenoeg dezelfde 31 synodeleden die vóór het kerkmodel ‘Witzier’ gestemd hadden met een voorstel om de synode definitief te sluiten, omdat het kerkverband niet meer te redden valt.  Maar, werd erbij gezegd, de synode kan nog wel weer bij elkaar komen “wanneer kerken in groten getale aangeven terug te zullen keren binnen de bedding vd genomen synodale besluiten die vast en bondig zijn, wanneer zij eerst daarvan zijn afgeweken.” Oftewel: alle CGK-kerken die nu vrouwen in de ambten bevestigd hebben, moeten nadrukkelijk beloven om dat alsnog terug te draaien.

De patstelling is hiermee kompleet. Het meest progressieve deel van de synode torpedeert het laatste reddingsplan. En de behoudende meerderheid kaatst daarna de bal terug en legt die neer bij de meest progressieve kerken.

De partij van Euodia en de partij van Syntyche kunnen en willen elkaar op geen enkele manier meer bereiken.

Maar op alle synodezittingen zijn alle 52 afgevaardigden toch elke keer met een open Bijbel, gevouwen handen en een loflied op de lippen de vergadering begonnen?

Waar was dan de  trouwe vriend om beide zusters weer bij elkaar te brengen? Het moderamen zag het niet zitten om die rol te spelen en wierp de handdoek in de ring.

Was er dan niemand die zei: beste 12 progressieve broeders die niet op deze voorwaarden het kerkmodel van A-kerken en B-kerken accepteren. Kunnen jullie er echt niet mee leven dat je het gevoel hebt door de behoudende broeders slechts getolereerd te worden in plaats van volwaardig geaccepteerd? Waarom nemen jullie geen voorbeeld aan de Gereformeerde Bond binnen de PKN, die in dezelfde situatie zit, maar er bewust voor kiest om binnen de PKN te blijven? Is het zo moeilijk voor jullie, progressieve broeders, om de minste te zijn en om zo de CGK met haar Theologische Universiteit in Apeldoorn en haar zendingswerk wereldwijd te redden? Jullie strijden toch samen voor het Evangelie? Jezus Christus heeft toch van jullie allemaal met zijn bloed de namen in het levensboek van God geschreven?

Was er dan niemand die zei: beste 31 behoudende broeders die nu aan plaatselijke CGK-kerken een ultimatum stellen. Zijn jullie zo teleurgesteld dat het uiterste bod om samen verder te gaan gesneuveld is, dat jullie de schuld voor de dreigende breuk nu bij die plaatselijke kerken neerleggen? Zijn jullie werkelijk niet bereid om nog één mijl met de 21 progressieve broeders mee te gaan door een allerlaatste oproep te doen om alsnog in te stemmen met het kerkmodel CGK-A / CGK-B? Jullie strijden toch samen voor het Evangelie? Jezus Christus heeft toch van jullie allemaal met zijn bloed de namen in het levensboek van God geschreven?

Ondertussen zien de plaatselijke Christelijke Gereformeerde Kerken het met verbijstering aan en blijven ze in verwarring achter. Op het Convent in 2024, waar 180 van de 181 kerken aanwezig waren, wilde 2/3 niet ontvlechten, maar elkaar vasthouden. Na de synodevergadering in 2025, waar een eerder interim-model sneuvelde, deden in elk geval 90 van de 181 kerken + tientallen ambtsdragers (predikanten, ouderlingen, diakenen, emeriti en professoren) een dringende oproep aan de synode om geen verdere stappen te nemen die zouden leiden tot ontvlechting van het kerkverband, maar om een weg te zoeken om samen verder te gaan.

Samen. Maar samen komen Euodia en Syntyche er op de synode niet uit. Euodia wil eerst volledige erkenning dat haar visie op een aantal zaken legitiem en gelijkwaardig is aan de visie van Syntyche. En Syntyche wil eerst de royale erkenning van Euodia dat ze ongehoorzaam is geweest aan de gemaakte afspraken.

Here Jezus, wilt U als trouwe Helper zorgen voor trouwe vrienden, opdat die twee zusters in de Heer samen één kunnen en willen blijven. Ze staan immers voor hetzelfde Evangelie? Hun namen staan immers in hetzelfde boek?

“Het is heel, heel erg” – de CGK dreigt van bovenaf te scheuren

Eens trok er een scheur van bovenaf waardoor mensen in hun geweten vrij gezet werden voor God door het bloed van het Lam.

Nu dreigt er van bovenaf een scheur door de Christelijke Gereformeerde Kerken getrokken te worden omdat een minderheid binnen de CGK de gewetens van alle plaatselijke kerken wil binden aan hun eigen visie op wat wel of niet bijbelgetrouw gereformeerd is. Men is zelfs bereid om daar de eenheid van het kerkverband en het voortbestaan van het prachtige zendingswerk en de Theologische Universiteit te Apeldoorn voor in de waagschaal te stellen.

Het zou van moed getuigen wanneer deze minderheid met een zuiver geweten vrijwillig het CGK-kerkverband verlaat en zelfstandig verder gaat of zich aansluit bij de Hersteld Hervormde Kerk.

Dat de CGK in een diepe crisis verkeerd is al jaren duidelijk. De kwestie van vrouwen in de ambten is daarbij het springende punt. De vorige synode bevestigde in 2022 met 2/3 meerderheid het synodebesluit van 1998 dat op basis van de Bijbel het ambt van predikant, ouderling en diaken voor vrouwen niet openstaat. Maar in tegenstelling tot de synode van 1998 voegde ze daar de oproep aan toe om als kerkverband “vermaan (vanwege zonde tegen ten diepste de liefde) toe te passen als kerken op het gebied van ‘vrouw en ambt’ eigen wegen gaan.”

Met name deze laatste uitspraak zorgde ervoor dat 46 van de 181 CGK-kerken (en 3 CGK-gemeenteleden) een revisieverzoek indiende bij de huidige synode. Die wees op 29 januari 2025 met 31 tegen 18 stemmen alle revisieverzoeken over ‘vrouw en ambt’ af.

Ik denk dat de synode kerkrechtelijk een beslissing nam die je deels kunt verdedigen. Eén van de twee voorwaarden om een synodebesluit te herzien is namelijk: er moeten nieuwe argumenten aangedragen worden. En die waren er niet. Alle voors en tegens zijn in 2022 al gewogen. Een andere weging van de argumenten op een volgende synode is geen  reden om tot een ander besluit te komen. Want dan zou de willekeurige samenstelling van een volgende synode bepalen of besluiten gehandhaafd of veranderd worden. Dat is kerkelijke jojo-beleid en geen geestelijk leidinggeven. Een andere vraag die terecht gesteld wordt is, dat die 50 revisieverzoeken wél behandeld hadden moeten worden omdat er inhoudelijke bezwaren ingebracht zijn tegen de synode-uitspraak. Dat is volgens de CGK-kerkorde een tweede voorwaarde om een revisieverzoek te mogen indienen. Dat aspekt is, als ik CGK-er J.R. Bügel, jurist en advocaat, geloven mag (klik hier), ten onrechte door de synode helemaal niet meegewogen in het afwijzen van de revisieverzoeken.

Maar … en dat is wat een diep bedroefde collega uit het midden van de CGK mij mailde: deze redenering over revisieverzoeken zal wellicht formeel kloppen. Maar formalisme is het laatste dat nu nodig is. Als meer dan een kwart van de kerken (46 van de 181) een revisieverzoek indient en zich dus kennelijk niet gehoord acht in het genomen besluit ben je onverstandig als je dat gesprek blokkeert met een beroep op de regeltjes van het kerkrecht.

Ik snap dat. Zeker als je weet dat in 2024 maar liefst 179 van de 181 CGK-kerken bij elkaar kwamen en ongeveer 120 “CGK-kerkenraden elkaar meer ruimte wil geven, desnoods ook om vrouwen in het ambt van diaken of ouderling te hebben” en er dus “minstens twee keer zo veel kerkenraden voor meer vrijheid in het kerkverband zijn dan dat daar kerkenraden tegen zijn.” (RD 24-04-2024).

Toch snap ik wel dat de revisieverzoeken zijn afgewezen. Maar dan moet je als synode jezelf wel de volgende vraag stellen: hoe bewaren we de eenheid als we weten dat 2/3 van de kerken elkaar wil vasthouden, terwijl wij als synode met 2/3 uitspreken dat plaatselijke kerken die vrouwen in het ambt bevestigen vermaand moeten worden vanwege hun zondige besluiten?

Daarom was voor velen het volgende agendapunt op de synode nog spannender: is een synode die dit uitspreekt bereid om 2/3 van de plaatselijke kerken die er anders over denkt, te verdragen of is men bereid om van bovenaf een scheur te trekken waar slechts 1/3 van de plaatselijke kerken toe oproept?

De kritiek van vele synodeleden op het voorstel om tot twee soorten classes te komen en de eis die het synode-bestuur vooraf stelde dat er een draagvlak van 80% moest zijn voor dit voorstel doen het laatste vermoeden. Geen wonder dat de commissie die met deze mogelijke oplossing om een kerkscheuring te voorkomen dit voorstel introk. Niemand die weet hoe het nu verder moet.

“Het is heel, heel erg. De Here moet zich over ons ontfermen en ons bekeren van onze dwaasheid.” Dat was het gevoelen van mijn CGK-collega.

Hoe kon het zover komen? Al veel langer leeft binnen de CGK-kring het gevoelen “dat de afgevaardigden naar de synode ‘rechtser’ zijn dan de Christelijke Gereformeerde Kerken als geheel” (ND 24-04-2024), of, zoals het RD van 24-04-2024 dat n.a.v. het CGK-convent onder woorden bracht: “Zie je wel, die generale synodes van ons geven geen representatief beeld van hoe er in de breedte van onze kerken over gevoelige thema’s gedacht wordt.”

Ik denk dat deze constatering klopt. En wat, helaas, steeds duidelijker wordt: de rechterflank van de CGK ligt op ramkoers en is bereid om de eenheid van de CGK op te offeren voor de eigen overtuiging die ze aan alle plaatselijke kerken wil opleggen. Ik was er vorig jaar al bang voor – zie mijn blog.

Daarmee brengt dit smaldeel niet alleen de kerken die vóór de vrouw in het ambt zijn in gewetensnood (ongeveer 1/3 van de CGK), maar ook de zogenaamde ‘middenkerken’ die zelf geen vrouwen in het ambt kennen, maar elkaar als kerken wel willen vasthouden (ook ongeveer 1/3 van de CGK). De rechterflank spreekt vooral over eigen gewetensnood vanwege aantasting van het Schriftgezag binnen het kerkverband door andere voorgangers en kerken. Men doet dat met een onterecht en door eerdere CGK-synodes afgewezen beroep op art. 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Merkwaardig is daarbij trouwens, dat binnen diezelfde rechterflank men wel kanselruil toestaat met predikanten uit de Gereformeerde Bond en dus zelf voorgaat in de Protestantse Kerk – een kerkverband waar zelfs de meest vrijzinnige opvattingen over het lijden en sterven van onze Heer en Heiland verkondigd mogen worden. Een merkwaardige inconsequentie.

Hoe moet het nu verder binnen de CGK als de rechterflank bewust op het ravijn afkoerst? Het synodebestuur komt over een paar maanden met een plan om een ongecontroleerd uiteenvallen te voorkomen. Ik hoop dat het in de lijn ligt van het voorstel van ds. Arjan Witzier in 2022 lanceerde en dat veel lijkt op het federatieve kerkmodel dat wijlen prof. W. van ’t Spijker ooit lanceerde: twee deelsynodes ‘licht’ en ‘zwaar’ die samen regelmatig op een landelijke synode besluiten nemen over de gezamenlijke verantwoordelijkheden zoals het zendingswerk, de Theologische Universiteit, de emeritkas, de kerkelijke rechtspraak en het gereformeerde karakter van de kerken. Ook binnen de huidige CGK-synode kwamen ds. W.E. Klaver, oud. J. Mauritz en ds. G.J. Post met een vergelijkbaar voorstel. Ik ben alleen zo bang, dat daar in de rechterflank geen draagvlak meer voor is.

Het zou van moed getuigen wanneer de rechterflank met een zuiver geweten vrijwillig het CGK-kerkverband verlaat en zelfstandig verder gaat of zich aansluit bij de Hersteld Hervormde Kerk.

De 2/3 meerderheid van CGK-kerken die de eenheid wil bewaren kan dan samen verder. Het alternatief is een rampzalige kerkscheuring waarbij niet alleen kerken, maar ook complete classes en misschien wel een particuliere synode uit het kerkverband gezet worden. Dat gebeurde in de jaren ’60 in onze eigen NGK-kerken. Gevolg: 25% van het kerkvolk en 40% van de predikanten raakte ‘buitenverband’, maar slechts een klein deel van hen stapte over naar de toen steeds vrijzinnig wordende synodaal-gereformeerde kerken. Want, zoals meestal, liep de breuklijn niet langs de principiële lijn, maar langs de lijn van de tolerantie. Het duurde 56 jaar voordat in 2023 de breuk van 1967 hersteld werd.

De schade binnen de CGK bij een harde scheuring zal, vrees ik, nog groter zijn wanneer op een volgende synode de rechterflank weer oververtegenwoordigd is én op ramkoers blijft liggen. Dan wordt met meerderheid van stemmen 2/3 van de Christelijke Gereformeerde Kerken uit het kerkverband gezet.

Een scheur van bovenaf. Quis non fleret – wie zou dan niet wenen?

Terwijl die andere scheur van bovenaf Gods kinderen in hun geweten vrij zet door het bloed van het Lam.

Laat er, binnen en buiten de Christelijke Gereformeerde Kerken, veel gebeden worden om wijsheid van Boven.

Formulieren kinderdoop NGK in drievoud als PPP-presentatie

De Nederlandse Gereformeerde Kerken kennen drie verschillende formulieren voor de kinderdoop. Ze komen alle drie uit de oude GKV: het klassieke doopformulier, een formulier dat samen met de CGK is opgesteld en wat meer ingaat op de bijbelse fundering van de kinderdoop, en een derde formulier met een iets andere insteek. Ze zijn te vinden in de beide Gereformeerde Kerkboeken van 2006 en 2017. Na een taalkundige revisie in 2023 zijn ze nu als word-document en als PDF te vinden op de NGK-site. Ook de Christelijke Gereformeerde Kerken hebben, in iets andere bewoordingen, dezelfde drie formulieren (zie CGK-site).

Op de NGK staat ook vermeld: “De formulieren hebben het karakter van een handreiking. Om die reden worden er geen beamerversies van de formulieren meer aangeboden.” Dat laatste is jammer. Veel kerken beamen de de tekst van de formulieren wel. Daarom staan hieronder de teksten van alle drie de formulieren als PPP. Zelfs nog met een vierde formulier erbij, nl. een kort doopformulier, zoals we dat ook kennen bij het avondmaal. Het is niet officieel vastgesteld door de landelijke synode, maar wordt wel her en der gebruikt.

Alle vier de formulieren staan er in drie versies op, namelijk met drie verschillende doopvragen. De NGK-synode van 2023 heeft namelijk besloten de vragen bij de kinderdoop te moderniseren en te uniformeren. Dat heeft voor de eerste doopvraag nogal wat gevolgen. Zowel de klassieke eerste doopvraag als de gezamenlijk met de CGK-gedeelde eerste doopvraag zijn daarbij afgeschaft. Wel met een kleine escape erbij: “Bij de [doop]vragen mogen alleen andere formuleringen gebruikt worden met goedkeuring van de kerkenraad en met instemming van de betrokkenen (art. C8.2 KO).”

Ik kan me voorstellen dat er in veel NGK-kerken en door veel doopouders gehecht wordt aan de al ruim 450 jaar oude formulering, dat onze kinderen ‘zondig en schuldig ter wereld gekomen zijn en daarom aan allerlei ellende en zelfs aan het eeuwig oordeel onderworpen zijn, maar toch in Christus voor God heilig zijn en daarom als lid van zijn gemeente gedoopt behoren te zijn’. Dat sommige kerkgangers dat in onze tijd iets te zwaar aangezet vinden, lijkt me onterecht (zie hier). En dat we als NGK mede daarom een andere formulering voorstellen, is op zich niet verkeerd. Maar waarom dan niet, net als bij de CGK en net zoals in het Gereformeerde Kerkboek 2006, de keus te laten aan de plaatselijke kerken? Ik denk dat het komt door de invloed die de vrijgemaakte Deputaten Eredienst (nu opgegaan in de Commissie Liturgische Ondersteuning) jarenlang heeft uitgeoefend. Zij streefden naar meer liturgische uniformiteit en opereerden daarin nogal autonoom door ongevraagd de verschillende vragen en beloften in de liturgische formulieren te harmoniseren en zelfs een inhoudelijk betwistbare zin in de eerste doopvraag op te nemen in het Gereformeerde Kerkboek 2017. Dat eigenmachtig optreden is door de GKV-synode van Goes 2020 alsnog teruggedraaid, zodat vanaf toen weer de klassieke eerste doopvraag zoals die door de GKV-synode van Harderwijk 2011 gebruikt kon worden.

Dat mag nu nog steeds, maar wel als uitzondering. Dat vind ik jammer. Terwijl de tendens binnen onze kerken is, om elkaar veel christelijke ruimte en vrijheid te geven, blijft de neiging bestaan om op een paar liturgische punten elkaar strakker te binden dan we ooit gedaan hebben. Beter is het om aan te blijven sluiten bij de praktijk van de Christelijke Gereformeerde Kerken, zoals de GKV in het verleden ook al deed. Daarom staan hieronder de drie verschillende versies aan doopvragen, zowel in word-document als in PDF, en vier verschillende doopformulieren in drievoud als PPP om in de kerkdienst te gebruiken. Inclusief de mogelijkheid om een paar mooie foto’s van het nieuwste gemeentelid in te voegen ;-).

Doopformulier 1 – vragen klassiek; Doopformulier 1 – vragen nieuw; Doopformulier 1 – vragen met CGK.

Doopformulier 2 – vragen klassiek; Doopformulier 2 – vragen nieuw; Doopformulier 2 – vragen met CGK.

Doopformulier 3 – vragen klassiek; Doopformulier 3 – vragen nieuw; Doopformulier 3 – vragen met CGK.

Doopformulier kort – vragen klassiek; Doopformulier kort – vragen nieuw; Doopformulier 3 – vragen met CGK.

Doopformulier kort – word-doc; Doopformulier kort – PDF; Doopvragen drievoud – word-doc; Doopvragen drievoud – PDF.

CGK volgens gereformeerd kerkrecht niet ten allen tijde strikt gebonden aan landelijke besluiten

De landelijke synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken is eind juni in Rijnsburg op donderdag 20 juni met een bidstond geopend en hield op vrijdag 21 juni haar eerste vergadering (foto: RD). Een spannende vraag zal zijn: hoe strikt bindt men elkaar aan kerkelijke uitspraken?

De predikant die mij begin 1965 gedoopt heeft en op 5 april 1992 in het ambt bevestigde, zei eens tegen mij: “Als de plaatselijke kerken, samengekomen in de generale synode, een besluit nemen, moeten alle kerken zich daaraan houden en kan het alleen maar veranderd worden als een volgende synode op inhoudelijke bijbelse of kerkrechtelijke gronden tot een ander besluit komt. Een synode kan nooit zeggen: we nemen een ander besluit omdat we hier nu, zoveel jaar later, anders over denken.” Mijn reactie was toen: “Oom Piet, dit klinkt mij wat rooms-katholiek in de oren, want hiermee stelt u Schrift en traditie op één lijn.”

Hetzelfde gevoel bekroop mij toen ik in het Reformatorisch Dagblad de voorbeschouwing op de CGK-synode las. Wie geen vreemdeling in Jeruzalem is weet, dat het erom spannen gaat binnen de CGK. De verdeeldheid is enorm, met name op het punt van vrouwelijke ambtsdragers. In 1998 sprak de CGK-synode uit, dat de bijbelse gronden onder de bestaande praktijk van alleen maar mannelijke ambtsdragers sterker zijn dan de uitleg dat er ook vrouwelijke predikanten en ouderlingen mogen zijn. Dus handhaafde de synode die eerste lijn. Alle kerken werden opgeroepen om zich daaraan te houden en zo de eenheid van het kerkverband te bewaren. Tegelijk sprak men uit dat visie van de minderheid die vóór de vrouw in het ambt was, niet principieel te veroordelen was.

De CGK-deputaten kerkorde en kerkrecht schreven daarom terecht in 2019: “De vraag of er binnen de gereformeerde hermeneutiek sprake kan zijn van verschillende schriftuitleg op dit punt ligt dus sinds 1998 nog open.” Dat betekent, dat niet zozeer de kijk op de Bijbel als het gezaghebbende Woord van God is veranderd, als wel de verhouding tussen voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt. Dat is even slikken als je altijd in de meerderheid geweest bent, maar nu ziet dat je links (en niet rechts) wordt ingehaald door kerken die een andere conclusie trekken, maar in 1998 nog in de minderheid waren.

De keus om bij verschil van mening exclusief voor één lijn te kiezen is terecht. Ook de vrijgemaakt-gereformeerde kerken hebben zich altijd unaniem en con amore gehouden aan het niet-toelaten van vrouwen in de ambten tot de landelijke GKV-synode daar in 2017 wel ruimte voor gaf. Waarom deed die synode dat? Omdat ze, in tegenstelling tot de CGK-synode van 1998, twee meningen die allebei niet principieel te veroordelen zijn, tot vrije kwestie bestempelde. En waarom bestempelde de GKV-synode het tot vrije kwestie? Dat was niet omdat er andere bijbelse argumenten naar voren kwamen, maar puur omdat men dit onderwerp niet meer zo belangrijk vond dat alle plaatselijke kerken hier gelijk over moesten denken. Want, en dat is een belangrijk principe in het gereformeerd kerkrecht: plaatselijke kerken mogen niet over elkaar heersen, en dus bind je elkaar alleen maar aan besluiten die strikt noodzakelijk zijn op basis van de Bijbel of die voor een goed functionerend kerkverband noodzakelijk zijn. In het overige geldt: hierin gunnen we elkaar de christelijke vrijheid, zoals Paulus voorschrijft in Romeinen 14 en zoals iemand als Marnix van Sint Aldegonde al in 1568 indringend betoogde. Volgens Marnix zijn kerkenraden en synodes slechts ambassadeurs van Christus, die alleen maar bindend op mogen leggen wat Koning Christus aan zijn onderdanen beveelt. Voor het overige mogen ze adviezen geven met de wijsheid die ze van Christus ontvangen hebben, maar als die adviezen in beton gegoten worden, ontneemt een kerkenraad de gelovigen en ontneemt een kerkverband de plaatselijke kerken hun christelijke vrijheid en brengt hen in gewetensnood.

Dus klonk het mij wat rooms in de oren, toen het Reformatorisch Dagblad de spanningen in de Christelijke Gereformeerde Kerken als volgt samenvatte: “Wil men elkaar, op basis van het aloude presbyteriaal-synodale stelsel, strikt gaan houden aan het eerder (en bij herhaling) genomen besluit dat vrouwen in de CGK geen ambtsdrager kunnen zijn? Of kiest men in meerderheid voor een ander, meer congregationalistisch organisatiemodel, waarbij de lidkerken elkaar op diverse punten veel vrijer laten? Dat is op deze synode de hamvraag.”

Hier wordt een valse tegenstelling geschapen. Want de hamvraag is niet: ‘Moet je volgens het aloude gereformeerde kerkrecht je altijd houden aan elke landelijke uitspraak?’ De hamvraag is: ‘Hoe belangrijk vind je een onderwerp om, als je er van mening over verschilt, één visie bindend op te leggen aan alle kerken?’ Sinds de allereerste nationale synode van 1571 hebben de gereformeerde kerken er altijd voor gekozen om elkaar vrijheid te gunnen in zaken die men niet strikt noodzakelijk vond.

Dat je in ‘het aloude presbyteriaal-synodale stelsel’ per definitie strikt gebonden bent aan genomen besluiten is een hiërarchisch frame, waarbij men aan de synode het gezag van een soort superkerkenraad toekent die, na raadpleging van de kerken, besluiten neemt die bindend zijn en alleen maar veranderd mogen worden als er nieuwe bijbelse argumenten aangedragen worden. Want ‘afspraak = afspraak’ en wie het daar niet mee eens is, moet maar vertrekken.

Als je zo tegen samen kerk-zijn aankijkt, krijgt een kerkverband roomse trekjes. Dat zie je in de vroeger Hervormde Kerk en in de huidige Protestantse Kerk en de Hersteld Hervormde Kerk. Die vormen landelijk één kerk met lokale plaatselijke afdelingen die slecht ‘gemeente’ heten. Het zijn, kerkrechtelijk gezien, filialen van de landelijke organisatie die zowel de regels bepaalt als de ruimte die een plaatselijke afdeling vergunt wordt om ervan af te wijken.

Maar binnen alle gereformeerde kerkverbanden die sinds 1834 ontstaan zijn, is dit de omgekeerde volgorde. Ruimte gun je elkaar niet bij de gratie van een synode. Ruimte geef je elkaar omdat je niet over elkaar wilt heersen. Je maakt alleen afspraken over wat tot de kern van de Bijbel hoort en over wat noodzakelijk is voor een goed functionerend kerkverband. Bij al het andere laat je je leiden door het principe van de christelijke vrijheid, waartoe Paulus in Romeinen 14 oproept: “Aanvaard elkaar, zoals Christus u aanvaard heeft.”

Wat betekent dat nu in voor de komende synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken? Op die enkele vreemdeling in Jeruzalem na snapt iedereen dat er een grens bereikt is en dat er knopen doorgehakt moeten worden.

Als de synode opnieuw, voor de derde keer in 26 jaar, het besluit handhaaft dat vanwege het belang van de zaak en vanwege de eenheid binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken ‘de klassieke gereformeerde ambtsopvatting geen plaats toekent aan vrouwelijke ambtsdragers’, moeten de kerken die daar anders over denken zo eerlijk zijn om het kerkverband te verlaten. Je kunt niet blijvend zo’n uitspraak negeren en daarmee de eenheid binnen het kerk ondermijnen. Aansluiting bij het kerkverband van de Nederlandse Gereformeerde Kerken ligt dan voor de hand.

Als de synode besluit dat plaatselijke kerken de christelijke vrijheid krijgen om wel of geen vrouwelijke ambtsdragers aan te stellen om zo de eenheid binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken te handhaven, moeten de kerken op de rechterflank zich afvragen of ze andere CGK-kerken de ruimte gunnen om hun eigen afweging te maken op dit punt. Als ze dat vanwege hun geweten niet kunnen, moeten ze net zo eerlijk zijn en afzonderlijk verder gaan. Helaas ligt aansluiting bij de Gereformeerde Bond niet voor de hand vanwege de ruimte die de PKN aan vrijzinnigheid biedt. En een fusie van, als men daartoe besluit, het uitgetreden CGK-smaldeel met de HHK ligt kerkrechtelijk ingewikkeld.

Ik bid de Christelijke Gereformeerd Kerken Gods wijsheid toe met Jakobus 3:17-18: De wijsheid die van boven is, is ten eerste rein, vervolgens vreedzaam, welwillend, voor rede vatbaar, vol barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig en ongeveinsd. En de vrucht van de gerechtigheid wordt in vrede gezaaid voor hen die vrede stichten.

Deze blog verscheen eerder als opinie-artikel op CVandaag

Samenwonende homo’s als ambtsdrager: op z’n minst een slechte timing

De Nederlandse Christelijke Gereformeerde Kerk van Hilversum heeft besloten het ambt van ouderling en diaken ook open te stellen voor homoseksuele broers en zussen met een relatie.

Sommigen noemen het een moedig besluit, dat integer en met pastorale wijsheid genomen is. Anderen vinden het een zorgelijke ontwikkeling die christenen steeds verder laat afdwalen van de Bijbel en het volgen van  Jezus onder druk van de maatschappelijke ontwikkelingen.

Ik ben geneigd de laatsten gelijk te geven. In het boek ‘Tim Keller – zijn geestelijke en intellectuele vorming’ schrijft Collin Hansen, dat Keller zelf ervaren heeft dat hij in 2017 juist op dit punt als voorheen gerespecteerd eigentijds gereformeerd theoloog gecanceld werd,  terwijl een aantal jaren eerder zijn kerk, de Redeemer Presbyterian Church, nog geroemd werd omdat in hun orthodoxe kerk iedereen welkom was en geholpen werd, of je nou man of vrouw, blank of zwart, homo of hetero was. Maar in 2017 werd de prestigieuze Kuyper Prize die al aan Keller was toegekend, na protest weer ingetrokken, omdat “Kellers opvattingen over de vrouw in het ambt en over homoseksualiteit indruisten de heersende normen (…) van de cultuur.” Kellers biograafkwam met een scherpe analyse: “In minder dan tien jaar was de [westerse] cultuur (…) verschoven van tolerantie van homoseksualiteit naar intolerantie van iedereen die homeseksualiteit niet bevestigde.” (beide citaten blz. 237). Volgens Tim Keller zelf ziet het seculiere Westen zichzelf als een tolerant toevluchtsoord tegen het beperkende christelijke verleden, maar gebruikt ze haar macht om precies hetzelfde te doen door bijbelgetrouwe christenen op allerlei terreinen uit te sluiten. Mede daardoor is er sprake van toenemende vijandigheid en polarisatie in de samenleving, zowel cultureel als politiek. (blz. 241).

Wat heeft dit met het besluit van de NCGK Hilversum te maken? Zonder de plaatselijke kerkenraad hiervan te beschuldigen, zie ik het besluit op zich als een te grote knieval richting de seculiere samenleving. Volgens Keller is het geen optie om je gelovig terug te trekken uit de samenleving of om je stevig tegenover de samenleving te profileren of om je open en relevant naar de samenleving op te stellen, maar moet je ‘gelovig present’ willen zijn door je eigen bijbelse uitgangspunten voluit serieus te nemen en je tegelijk met de hedendaagse cultuur te verbinden. Keller verwijst daarbij naar 1 Petrus 2:12.

In mijn optiek betekent dit, dat we de heiligheid van het bijbelse huwelijk tussen man en vrouw hooghouden, terwijl we mild tegemoetkomend zijn tegenover andere relatievormen die zich vanuit de samenleving aan ons opdringen en die dus ook onder christenen steeds meer normaal gevonden worden. Want als het regent in de wereld, druppelt het in de kerk. En elke generatie christenen ademt vooral de lucht in van de eigen cultuur, en dus word je daardoor beïnvloed en ga je daarin mee, of je het wilt of niet. Maar niet tegen elke prijs, want dan wordt de kerk een club van bleke christenen. Anderen zullen dat ‘veelkleurig’ noemen, maar ik denk eerder dat het een onherkenbare potpourri van kleuren wordt – een verwaterd christendom.

Op het punt van homo-relaties betekent dat, dat ik het eens ben met het rapport dat op de huidige synode nog besproken moet worden, dat we homoseksuele broers en lesbische zusters die in een monogame relatie van liefde, trouw en gedeeld geloof leven, voluit accepteren als mede-christen, en dat als het onderdeel ‘geloof’ mist, ze daar op dezelfde wijze over worden aangesproken als elke christen die een relatie met een niet-gelovige aangaat.

Maar het is volgens mij bijbels gezien een brug te ver om te stellen, zoals men in Hilversum doet, dat “het hebben van een homoseksuele relatie geen belemmering vormt voor het vervullen van een ambt” (citaat in RD), omdat er alleen gekeken wordt naar “geschiktheid en gerichtheid op Christus” (citaat in ND). Het bekleden van een ambt vraagt ook een bepaalde levenswijze en voorbeeld in geloof en levenswandel. Paulus somt in 1 Timoteüs 3:1-7 en in Titus 1:5-9 een aantal vereisten op waar ouderlingen aan moeten voldoen. In beide gevallen wordt het hebben van één vrouw als eerste voorwaarde gesteld. In die tijd was zo’n bepaling nodig omdat sommige christen-mannen meerdere vrouwen hadden. Ze waren volwaardig lid van de gemeente, bekleedden verschillende funkties, werden toegelaten tot het avondmaal, maar waren als ambtsdrager niet geschikt, omdat het huwelijk volgens Gods eigen instelling een relatie tussen één man en één vrouw is.

Ook in onze tijd vinden we als gereformeerde kerken nog steeds, dat het huwelijk volgens Gods bedoeling een relatie voor het leven is tussen één man en één vrouw. Het rapport dat nu op de synode dienst, geeft ook nadrukkelijk aan dat het bijbelse huwelijk uniek is en niet één van de vele relatievormen die naast elkaar mogen bestaan, zoals onze seculiere maatschappij doet geloven.

Het onbegrijpelijk van het synoderapport is dan ook, dat ze zonder ook één zin te wijden aan 1 Timoteüs 2 en Titus 1 en zonder er verder ook maar een woord aan te wijden, vindt dat iedere plaatselijke kerk zelf moet afwegen of er plaatselijk genoeg draagvlak is om samenlevende homoseksuele broers en zussen tot ouderling of diaken te benoemen. Als je met de mond belijdt dat het huwelijk volgens Gods bedoeling de unieke, levenslange, exclusieve, alomvattende levenseenheid van één man en één vrouw is, en dat er bijbels gezien dus een onderscheid blijft bestaan tussen het huwelijk en een homo-verbintenis, moet je dat principe als kerk ook hoog houden in de keus van je ambtsdragers, net zoals de christelijke gemeenten in de tijd van Paulus dat ook deden.

Daarom is in mijn ogen het besluit van Hilversum een stap in de verkeerde richting. Het houdt te weinig rekening met de hogere normen en waarden die de Heilige Geest in Gods Woord voorhoudt aan volgelingen van Jezus die geroepen worden om met woord én daad een voorbeeld te zijn voor de gemeente en de wereld.

Het besluit van Hilversum getuigt ook van onwijs ongeduld. Binnen de CGK liggen er duidelijke uitspraken over homo-relaties in het algemeen: daar moet na vele gesprekken tucht op toegepast worden. Die harde lijn deel ik niet, maar met zo’n uitspraak moet je als samenwerkingsgemeente wel rekening houden. Vandaar dat deze zaak nu opnieuw op de landelijke synode van de CGK ligt. Binnen de oude NGK heeft men hier in 2016 een landelijke uitspraak over gedaan, namelijk: homoseksuele relaties in liefde en trouw worden geaccepteerd, maar men kan dan geen ambt bekleden. En binnen de oude GKV is in 2017 het studiedeputaatschap aangesteld dat nu, zeven jaar later, met een eindrapport komt.

Het klopt dus niet wat de huidige synodevoorzitter in het RD zegt, dat er voor de NCGK er geen kerkrechtelijke belemmeringen waren om dit besluit te nemen. Want, zei hij, de oud-NGK-uitspraken van vóór de fusie zijn niet overgenomen en de oude GKV had nog niets uitgesproken. Dat is wat flauw, want ten eerste liggen er wel CGK-uitspraken waaraan Hilversum gebonden is en ten tweede geven zowel de uitspraken van 2016 en het rapport dat nu op de synode ligt aan, dat het om een gevoelig onderwerp gaat, waar je graag samen tot een afgewogen oordeel wilt komen. Dan is het onwijs ongeduld om een half jaar voordat dat oordeel er komt, voor de muziek uit te gaan lopen. Vergelijk het met de vrouw in het ambt binnen de GKV: ook al was een meerderheid al jaren vóór de vrouw in het ambt en stond nergens in de kerkorde of de belijdenis dat het niet mocht, toch hebben nagenoeg alle GKV-kerken gewacht tot in 2017 de landelijke synode groen licht gaf om vrouwen in het ambt te bevestigen. Dat is de koninklijke weg. En die had, m.i. ook Hilversum moeten volgen, in plaats van licht provocerend een eigen koers uit te zetten waarmee men het ene kerkverband tegen de schenen schopt en het andere kerkverband in verlegenheid brengt.

Tenslotte: ik hoop en bid van harte dat dit najaar de landelijk synode ruimte geeft voor homo-relaties in liefde en trouw en tegelijk richting geeft door ook aan te geven waar bijbels gezien de grenzen liggen. Eén daarvan is volgens mij, op grond van Genesis 2 en 1 Timoteüs 2 + Titus 1, dat er geen ruimte is voor samenlevende homo’s om het ambt te bekleden. Daarin zijn zij niet anders dan gemeenteleden na een ongeoorloofde scheiding of gemeenteleden in een relatie met een niet-gelovige of leden (of, om iets anders te noemen: die bewust hun kinderen niet willen laten dopen). Ook die zijn en blijven doorgaans volwaardig lid, vervullen allerlei functies en taken, maar komen uit en in principe niet in aanmerking voor het ambt.

Zie verder voor informatie en beoordeling van het synoderapport: Een zee van ruimte zonder veel richting