STUDENT en KERK – wil dat nog een beetje mixen?

LEO

Zes jaar lang ben ik parttime studentenpastor geweest. Dat was in de tijd dat ik dominee van de GKV van Nijmegen was. Ongeveer 20% van onze gemeente bestond uit studenten. De meesten van hen waren vooral actief binnen de VGSN-tq (toen zeker en nu nog steeds een van de leukste christelijke studentenverenigingen van Nederland). Zo’n grote populatie studenten in een kerkelijke gemeente is ontzettend waardevol. Wederzijds. Maar dan moet je de verwachtingen wel goed op elkaar afstemmen.

De studententijd als zoektocht

VGS landelijk

Niet alle christelijke studenten zijn lid van een kerkelijke gemeente in hun studentenstad. Dat vind ik echt jammer. Allereerst omdat het studentenleven een hele hektische periode is. Als je gaat studeren, krijg je 4 tot 7 jaar de tijd om van alles te ontdekken. In sneltreinvaart leer je jezelf een eigen mening te vormen en op eigen benen te staan. Ook op het gebied van geloof en kerk krijg je alle ruimte om je eigen overtuiging te ontwikkelen. Daarbij is kerk waarin je bent opgegroeid aan de ene kant de thuishaven waarin je als jongere bent opgegroeid en de HERE hebt leren kennen en als christen gevormd bent. Dat kan een gevoel geven van stabiliteit en rust, want je hoeft niet alles wat met het geloof te maken heeft, zelf te ontdekken: de ‘basic’ heeft de HERE je al lang geleden bijgebracht dankzij een christelijke opvoeding in een gereformeerd milieu, en bij het doen van je belijdenis heb je ook van harte Jezus Christus (want Hij is die ‘basic’) persoonlijk aanvaard. Anderzijds is kerk een kritische tegeninstantie waaraan je als student jezelf spiegelt en waaraan je nieuwe geestelijke inzichten toetst. En dat allemaal op een hele kritische manier – studenten eigen. Dan gaat het om vragen als: is alles wat ik in de kerk van mijn ouders geleerd heb, wel in overeenstemming met de Bijbel? Hebben andere christenen en andere geloven het allemaal bij het verkeerde eind? En als onze kerkelijke papieren (binnen de NGK: de gereformeerde belijdenisgeschriften) inderdaad het beste de bijbelse leer weergeven, hoe funktioneert dat dan in de praktijk? Waarom is er soms zo’n  grote kloof tussen leer en leven?

Wederzijdse stimulans

Student en kerk

Ik heb ook gemerkt dat studenten  vooral positief-kritisch betrokken zijn en blijven op geloof en kerk, als ze in hun eerste jaar een goede band opbouwen met de kerkelijke gemeente in hun studentenstad. Wat dat betreft is het heel goed om pas in je studententijd belijdenis van je geloof te doen. Dan kun je in je studentenstad nog een jaar catechisatie volgen, vaak met medestudenten die dezelfde vragen over het christelijke geloof hebben. Dat kan heel
vormend zijn voor het persoonlijke geloof. Bovendien raak je zo betrokken bij je nieuwe kerkelijke gemeente. Veel studenten zijn graag bereid om een bijdrage te leveren aan konkrete, meer kleinschalige aktiviteiten van de gemeente. Rond de eredienst, bij diakonale hulp, bij het vertalen van preken, bij het clubwerk met kinderen en jongeren. En studenten zorgen er vaak ook voor, dat de leden van een christelijke kerk betrokken raken bij allerlei projekten in de stad, zowel op evangelisatiegebied (AiA) als op diakonaal gebied (Happetaria).

Als het om ‘student en kerk gaat’, zijn er dus drie dingen belangrijk.

  • Allereerst is de houding van de student van groot belang: hoeveel krediet heeft de kerk van je jeugd en het geloof van je ouders bij je?
  • Daarnaast heeft ook de sfeer binnen een christelijke studentenvereniging veel invloed: hoe wordt er tegen het instituut ‘kerk’ in het algemeen en tegen de plaatselijke kerk(en) in de stad aangekeken?
  • Tenslotte speelt tenslotte de houding van die plaatselijke kerk(en) een grote rol: hoe betrokken en aktief is men als kerk bij alles wat studenten op geloofsgebied bezig houdt?

Een alternatieve gemeenschap der heiligen

VGST lezing

De dynamiek tussen student en gemeente zit ‘m ook in het feit dat de eerste kring waarbinnen studenten zich bewegen meestal niet de kerkelijke gemeente is (ook al ben je er lid van), maar de christelijke studentenvereniging. Daar doe je samen aan bijbelstudie, daar bezoek je de thema-avonden, daar krijgt je sociale leven vorm. Zo funktioneert een studentenvereniging in de praktijk als een parallelle ‘gemeenschap der heiligen’. En dat vind ik echt prima. Want dat is nu juist de bedoeling van de ‘gemeenschap der heiligen’, dat je vooral in eigen kring elkaar ondersteunt en help en vormt. Tegelijk beseft bijna iedereen, dat een studentenvereniging geen kerkelijke gemeente is en het ook niet wil zijn. En dus blijft ook de kerkelijke gemeente een belangrijke rol spelen, al was het alleen maar, omdat studenten regelmatig bezoek krijgen van een ouderling, een diaken of een (studenten)pastor. Daarmee heb je meteen een spanningsveld te pakken. Principieel gezien is de kerkelijke gemeente in je studentenstad het belangrijkste, terwijl je als student in de praktijk de meeste tijd en inzet binnen je christelijke studentenvereniging spendeert. Zie dat maar eens, zowel van de kant van de student als van de kant van de kerkelijke gemeente een goede balans in te krijgen!

Spannend & Uitdagend

De dynamiek tussen student en gemeente kent volgens mij ook z’n eigen  problematiek. Zowel praktisch als principieel.  Praktisch lijkt er vaak zo weinig struktureels van de grond te komen als het om de plaats van de studenten in de kerkelijk gemeente gaat. Het blijft allemaal zo ‘hap-snap’ lijkt het wel. Een vlot doorstromende stadskerk en een nog vlotter doorstromende studentengemeenschap zijn daar vaak mede de oorzaak van. Toch zit het probleem volgens mij wel wat dieper: in heel de samenleving zie je dat mensen zich niet meer gebonden voelen aan instituten waar ze niks meer mee hebben. Dat geldt ook voor student en gemeente: wat voor toegevoegde waarde hebben we tegenover elkaar? Als de kerkelijke gemeente denkt het zonder studenten ook wel te kunnen en de studenten denken dat de vereniging hen wel genoeg te bieden heeft, blijven de kontakten op het ‘hap-snap’-nivo steken. Een gemiste kans!

Bewust kiezen voor elkaar

Problematischer vind ik de ontwikkeling, dat in de studententijd zomaar afstand genomen kan worden van het geloof in Jezus Christus en van zijn gemeente. Sommige studenten maken zich los van elke vorm van gezamenlijk geloven. Andere studenten maken de overstap naar hippe evangelisch-georiënteerde gemeentes. In beide gevallen lijkt het erop, dat de persoonlijke ervaring de doorslag geeft bij de keuzes die men maakt. Dat vind ik een goede ontwikkeling, want het geloof moet ook een persoonlijke keus zijn van iedere individuele gelovige. Maar ik vind het erg jammer als men bij de keuzes die men maakt niet meer aanspreekbaar is op wat we sámen geloven en op wat men eens ook zélf geloofd heeft. Het is mij dan te gemakkelijk om te zeggen: ‘daar denk ik nu anders over en daar kijk ik nu anders tegenaan.’ Juist binnen de kerkelijke gemeente ben je aan elkaar gegeven om ook samen God te dienen en Jezus te volgen. En om elkaar voor uitglijders en eenzijdigheden te behoeden. Ook de christelijke studentenvereniging als parellel-gemeenschap der heiligen zou zo’n plaats moeten zijn, waar je elkaar stimuleert én probeert te bewaren bij het christelijke, gereformeerde geloof. Ik denk dat zowel de plaatselijke kerk als de studentenvereniging daar niet altijd even goed in is. De kerk niet, omdat die soms te weinig inlevingsvermogen heeft en te massief of kritische vragen van studenten reageer. De studentenvereniging niet, omdat iedereen daar elkaars gelijke is, dus is het al snel ‘not-done’ om je een oordeel aan te matigen over wat je toch echt als een zorgelijke ontwikkeling in iemands geloofsleven ziet. Maar misschien denk ik wel teveel dat we elkaars geloofsontwikkeling als mensen kunnen beheersen en bijsturen. En is het van veel meer belang om ieder op z’n plaats gewoon christen te zijn en het voor de rest maar gelovig aan de Geest van Christus over te laten, hoe studenten zich in deze mooie periode van hun  leven als christen ontwikkelen. Als schapen van de Herder komen ze na de nodige omzwervingen wel weer op hun pootjes in de kudde van Christus terecht.

‘The best place to be’

VGSN-tq

Toen ik in Nijmegen begon als predikant, had ik het volgende ideaal voor wat betreft de plaats van studenten in de gemeente: laat onze gemeente  aan het eind van de studie ´the best place to be´ geweest zijn voor elke student. Zo van: ik heb als student in de afgelopen zes jaar veel heen en weer gependeld tussen mijn studentenkamer, mijn ouderlijk huis, dat van mijn vriend(in) en nog vele andere plaatsen in het weekend, maar uiteindelijk voelde ik me in Nijmegen het meeste thuis, ook wat betreft de kerkelijke gemeente,  geloofsgroei en geestelijke ontwikkeling. Ik geloof nog steeds dat het in de praktijk ook zo werkt. Uiteraard geldt dat niet voor iedereen. En dat geeft ook niet. Maar ik ben er nog steeds van overtuigd, dat het goed voor iedere student, dat ´ie een geestelijke uitvalsbasis heeft om als kind van God in het wereldje van Universiteit, HBO en studentikositeit te funktioneren.

Novitiaat: ontdek ook je kerk!

LEO

Het liefst zou ik zien, dat christelijke studentenverenigingen zich meer verbinden aan de plaatselijke gemeentes in hun stad. Als je jezelf als club ‘gereformeerd’ of ‘christelijk’ of ‘evangelisch’ of ‘reformatorisch’ noemt, zweef je niet ergens in het luchtledige rond in je stad. Bij een christen hoort een gemeente. Bij een christenstudent ook. Ik zou dus graag willen dat iedere student die lid wordt van een studentenvereniging ook een geestelijke thuisbasis vindt in een kerkelijke gemeente. Uiteraard is dat de keus van iedere student zelf, maar gezien haar grondslag en doelstelling zou iedere christelijke studentenvereniging die persoonlijke betrokkenheid bij een kerkelijke gemeente moeten  stimuleren i.p.v. zich daarin neutraal op te stellen uit angst voor – ja, voor wat eigenlijk? Heel konkreet pleit ik er dan ook voor, dat tijdens het novitiaat alle eerstejaars ook minstens twee bezoekjes afleggen bij leden van een plaatselijke gemeente. Voor gereformeerde studenten dus bij leden van een NGK of CGK in hun nieuwe stad, voor evangelische studenten bij een evangelische of baptistengemeente, voor protestantse studenten bij leden van de PKN.

‘De leeuw heeft gebruld’

God verwacht geen perfecte christenen – over dagelijkse bekering

Een aantal jaren geleden kwam ik een oude bekende tegen. Hij was jarenlang vrijgemaakt geweest, maar ergerde zich aan de lauwheid in onze inmiddels NGK kerken. Uiteindelijk werd hij, samen met zijn vrouw, baptist. Maar ook daar liep hij tegen hetzelfde aan. Dus is hij nu zelfbenoemd voorganger van zijn eigen huisgemeente. Want daar werkt de Geest wel volop. 

Misschien is dit een extreem voorbeeld. Maar ik vind het wel herkenbaar. Er leeft bij veel christenen een sterk verlangen naar meer. We mogen van de Geest van Christus veel verwachten en daar moeten we ons ook naar uitstrekken. Want je mag nooit te klein van God denken. Met groot enthousiasme wordt iedere christen daarom opgeroepen zich helemaal open te stellen voor de werking van de Heilige Geest. Hij geeft je een volheid van nieuwe krachten. Regelmatig hoor ik dan uitdrukkingen als: ‘Ga staan in de overwinning van Christus!’ En: ‘De Heer wil je meer geven dan je tot nu toe van Hem ontvangen hebt’.

Als gevolg daarvan wordt de levensheiliging een heel belangrijk criterium waaraan wordt afgemeten of iemand echt ‘in de Heer’ is. Jezus Christus wil je immers MEER geven! Dan moet je dat ook in geloof aanpakken en oppakken. Dit is een hele optimistisch benadering van het leven als christen. Maar tegelijk stelt het ook hele hoge eisen aan je. Je hoeft immers niet meer te zondigen als je echt door de Heilige Geest Jezus als Redder en Heer aanvaard hebt.

In de Bijbel tref ik een heel andere toon aan. Een christen moet je niet beoordelen op zijn daden, maar op zijn motivatie. God kijkt niet naar hoe perfect jij bent, maar kijkt naar je hart. Want wat je voor God bent (een totaal nieuw mens dankzij het bloed van Jezus) zul je in dit leven steeds meer worden (een groeiend christen dankzij de Geest van Jezus).

Je wordt als christen in dit leven ‘hoe langer hoe meer’ wat je in de ogen van God al bent.

Die woorden staan verschillende keren in de Heidelberge Catechismus. Ik wil ze graag even noemen:

Zd. 26:70 ‘Wij zijn door de Heilige Geest vernieuwd en tot leden van Christus geheiligd, zodat wij hoe langer hoe meer van de zonde afsterven en godvrezend leven en onberispelijk leven.’

Zd. 30:81 ‘Het avondmaal van de Here is ingesteld voor hen die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te versterken en hun leven te beteren.’

Zd. 32:89 ‘Het afsterven van de oude mens houdt ook in dat wij onze zonden hoe langer hoe meer haten en ontvluchten.

En ook in het avondmaalsformulier dat we in onze NGK-kerken gebruiken komen deze woorden voor:

Form. 1 H.A. ‘Geef ons door uw Heilige Geest dat wij ons hoe langer hoe meer vol vertrouwen aan uw Zoon Jezus Christus overgeven. (…) Laat ons steeds meer groeien in het nieuwe verbond in Christus’ bloed.

Hierin zie ik een hele realistische benadering van het leven als christen.

Ook in andere passages kom je heel duidelijk tegen, dat de HERE ons niet beoordeelt op de invulling van ons geloofsleven, maar op de geloofshouding waarmee wij in het leven staan. Ik noem er nog een paar:

Zd 1:1 ’Door zijn Heilige Geest maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven.’

Zd 44:115 ‘Wij bidden God om de genade van de Heilige Geest, om steeds meer naar het beeld van God vernieuwd te worden, totdat wij na dit leven het doel, namelijk de volmaaktheid, bereiken.’

D.L. III/IV 16 ‘Nu begint door de Geest een gewillige en oprechte gehoorzaamheid de overhand te krijgen.’

D.L. V 10 ‘De gelovigen leggen zich met heilige ernst toe op een goed geweten en goede werken..’

N.G.B. 24 ‘Het geloof, dat door de liefde werkt, beweegt de mens ertoe, zich te oefenen in de werken die God in zijn Woord geboden heeft.’

Form. Doop Volwassenen ‘Verklaart u, dat u van harte begeert altijd godvrezend te leven en te breken met de wereldse begeerten, zoals het leden van Christus en zijn gemeente past?’

Form. Geloofs-Belijdenis ‘Verklaart u, dat u van harte begeert God de Here lief te hebben en te dienen naar zijn Woord, te breken met de wereldse begeerten, uw oude natuur te doden en godvrezend te leven?’

Form. H.A. ‘De zelfbeproeving eist, dat ieder zichzelf afvraagt of hij gezind is voortaan uit dankbaarheid met heel zijn leven God de Here te dienen en of hij zich ernstig voorneemt, voortaan in liefde en vrede met zijn naaste te leven.’

Form. H.A. ‘Wij begeren tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven.’

De grote reformator Maarten Luther zei eens: ‘Ongelovigen lopen achter de zonde aan en gelovigen worden door de zonde achterna gezeten. En soms zie je amper het verschil.’

Niet wat ik ervan maak geeft in dit leven de doorslag. God kijkt naar mijn verlangen: om van Jezus Christus te zijn, voor Jezus Christus te leven en straks bij Jezus Christus te zijn. Deze gereformeerde visie op het christelijke leven krijgt van J.I. Packer (1926-2020), een van de meest bekende bijbelgetrouwe theologen van onze tijd, in zijn boek ‘Wandelen door de Geest’ het positieve kenmerk mee van ‘realisme’.

Het is een benadering die rust geeft. Ik hoef mijzelf als christen niet te beoordelen op mijn eigen geloofsprestaties. Ik mag rust vinden bij wat ik bij Paulus op verschillende plaatsen lees, dat God een goed werk bij en in mij begonnen is. En dat zal Hij ook af maken, zodat ik op de dag van de terugkomst van Jezus zuiver, onberispelijk en helemaal vol van Christus zal zijn (Fil. 1:6-11). En dat geloof deel ik met mijn broers en zussen, zodat we samen, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, volledig toegroeien naar Hem die ons Hoofd is: Christus. Zo bouwen we elkaar op door de liefde (Ef. 4:15-16).

Geloven is allereerst: bij Jezus tot rust komen. ‘Kom bij Mij als je vermoeid bent en onder lasten gebukt gaat. Dan zal Ik je rust geven, werkelijk rust voor je ziel.’ (Mat. 11:28-30)

Rust. Daar begint het mee. Die rust geeft kracht. Kracht om hoe langer hoe meer als christen te leven.

ADVENT – van wie ben jij er eentje?

Eén van mijn leraren van de middelbare school had een achternaam die niet zo heel veel voorkwam. Hij hield zich ook bezig met genealogie. Zonder de digitale mogelijkheden van vandaag had hij zijn stamboom al tot ongeveer het jaar 900 na Christus weten terug te herleiden. Op een dag kwam hij iemand tegen met dezelfde achternaam. Hij vroeg: “Uit welke familie kom jij? Wie waren je grootvader en overgrootvader?” Zijn naamgenoot antwoordde hem: “Mijn grootvader is in een kindertehuis opgevoed omdat mijn overgrootvader als bankovervaller jaren in de gevangenis gezeten heeft.” Waarop mijn leraar antwoordde: “Dan zijn wij geen familie, want in onze stamboom komen geen bankovervallers voor.”

Van wie is Jezus er eentje?

Op weg naar Kerst denken christenen tijdens de vier Adventsweken aan de komst van Jezus Christus (en ook aan zijn terugkomst, maar dat terzijde). Naar zijn geboorte, ruim 2000 jaar geleden, werd door veel mensen uitgekeken. Zijn komst was ook al lang van te voren aangekondigd. Hij is de beloofde Immanuel, Zoon van de Allerhoogste, die God als reddende kracht zal geven om tot in eeuwigheid op de troon van zijn vader David te zitten en koning te zijn over het volk van Jakob. Dat klinkt goed! Met Jezus Zelf is niets mis.

Maar als je vervolgens zijn stamboom eens wat beter bekijkt, denk je al snel: je moet er maar eentje willen zijn van zo’n familie! De eerste biografie van Jezus Christus, het Evangelie van Matteüs, begint met een ‘Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham’ (Mat. 1:1). In die stamboom worden vijf vrouwen genoemd, Tamar, Rachab, Ruth, Batseba en Maria. Vaak worden die vijf vrouwen met ere genoemd. En terecht. Ze worden in de Bijbel geprezen om hun geloof. Ze komen op voor hun recht. Ze doen een beroep op Gods beloften. Ze laten zich inschakelen in Gods plan.

Iedereen rotzooit maar wat aan

Er zit ook een andere kant aan de vermelding van deze vijf vrouwen. Namelijk: zou jij er eentje van zo’n familie willen zijn? Bij minstens twee van hen ontkom je niet aan de gedachte: wat maken Gods kinderen er toch altijd weer een puinhoop van. Ze rotzooien maar wat aan. 

Tamar die met haar schoonvader Juda het bed in duikt omdat die haar geen recht doet (Gen. 38). Batseba, die in de stamboom van Jezus half-anoniem ‘de vrouw van Uria’ genoemd wordt, omdat David de verleiding niet kon weerstaan om haar eerst zwanger te maken en daarna zijn buurman liet vermoorden om de sporen van overspel uit te wissen (2 Sam. 11). En als derde is daar ook nog Maria, van onbesproken gedrag, maar wel zwanger ‘door de Heilige Geest’ (Mat. 1:18+20, Luk. 35). Dat gelooft niemand als je er niet van overtuigd bent dat God wonderen kan doen. Ook Jozef komt er niet achter of ze in de drie maanden dat ze bij haar oom en tante in Judea was, vreemdgegaan of door iemand verkracht is. En de andere twee namen, die van Rachab en Ruth, zijn vanwege hun afkomst ook nogal omstreden. Rachab was een hoer uit Jericho die twee Israëlitische spionnen onderdak bood en zo haar eigen leven redde (Joz. 2:1). Ruth was een gelukzoekster uit het gehate Moab, het volk dat uit een incestrelatie ontstaan was (de dochters van Lot gingen allebei met hun vader naar bed, Gen. 19:30-38) en waarvan God gezegd had: ‘Ammonieten en Moabieten zullen nooit ofte nimmer tot de dienst van de HEER worden toegelaten’ (Deut. 23:3).

It’s all about people

Goeiedag hé, denk ik dan, je moet er maar eentje willen zijn van zo’n familie! Precies! Dat is wat Jezus wil! Iemand van hetzelfde soort als jij en ik. Wij rommelen allemaal maar wat aan in het leven en maken er regelmatig een puinhoop van. En toch gebruikt God dat allemaal om stug door te werken aan zijn eigen plan om via Jezus Christus iedereen die in Hem gelooft, niet verloren te laten gaan, maar te redden en uitzicht te geven op een eeuwig leven in vrede met God en met elkaar. Dat is Gods grote verlangen. Zoals Bill Hybels een keer zei: It’s all about people!Het gaat God om ons! Jezus voelt zich niet te goed om Zelf mens te worden. En het is Hem ook niet te min om een stamboom te hebben waar ieder ander zich voor zou schamen. Hij poetst niets van al die onvolkomenheden weg. Integendeel, je zou haast kunnen zeggen: Jezus is er trots op dat al zijn voorouders van die paupers waren. Daarvoor wilde Hij komen en is Hij gekomen met Kerst. Ja, daarom moest en zou Hij Jezus heten, om zijn volk te bevrijden van hun zonden (Mat. 1:21). Daarvoor gaf Hij zijn leven en liet Hij zijn bloed vloeien op Goede Vrijdag. Daarom is Hij opgestaan met Pasen en laat Hij vanaf Pinksteren zijn Geest royaal over heel de wereld uitwaaieren. Dankzij Hem weet ik mij weer kind van God (Rom. 8:16). En weet ik dat Jezus mijn grote Broer is (Rom. 8:29). Dus hoef ik niet langer naar mezelf te kijken en vol schaamte en schuld te denken: ‘Ben ik er zo eentje?’ Ik mag juist dankbaar omhoog kijken en blij zeggen: ‘U bent me er eentje, Heer Jezus! En ik ben er eentje van U!’

Ds. Ernst Leeftink

(Voor wie het interessant vindt: op www.cbgfamilienamen.nl kun je vinden hoe vaak jouw en in welke regio jouw familienaam in 1947 en in 2007 voorkwam).

Een geloofsgesprek aan de keukentafel (de engel Gabriël op bezoek bij Maria)

De beste gesprekken vinden meestal plaats aan de keukentafel. Zo stel ik me ook het gesprek tussen Gabriël en Maria voor. Bij mij zit het plaatje in het hoofd van Gabriël die plotseling in de deuropening staat en Maria, die net aan haar rondje huis begonnen is, aanspreekt. Niet persé zoals in dit plaatje, maar wel in die trant. Na de begroeting zijn Gabriël en Maria ergens gaan zitten, stel ik me zo voor. Misschien wel aan de keukentafel. Want ja, daar vinden meestal de beste gesprekken plaats.

Nu was dit wel een heel bijzonder gesprek. Maria krijgt van Gabriël te horen dat zij ‘bij God in de gunst staat’ (NBV), genade gevonden heeft bij God’ (HSV), ‘door God is uitgekozen voor iets moois’ (BGT). Want Maria zal de moeder worden van de lang verwachte Verlosser van Israel, de grote Zoon van God , die voor altijd als Koning op de troon van David zal regeren over al Gods kinderen.

MARIA

Drie keer reageert Maria hierop. Drie keer heel gelovig. Eerst denkt ze lang  na over deze mededeling. Dat is gelovige reaktie 1. En als ze het allemaal verwerkt heeft stelt ze maar één vraag. Dat is gelovige reaktie 2. Ze neemt,  lijkt het haast, zonder meer aan dat zij de moeder van de beloofde Messias mag worden. Ze vraagt zich alleen af: ‘Hoe zal ik zwanger worden? Want om een kind te krijgen heb je ook een man nodig en zo ver zijn Jozef en ik nog niet gegaan.’ Ook op die vraag geeft Gabriël een antwoord. En hij geeft er een hint bij:  ‘Wist je dat tante Elisabeth op haar 65e ook nog een kind krijgt?’ Maria begrijpt wat Gabriël daarmee zeggen wil, want ze reist meteen af van Nazareth naar de heuvels van Judea. Want dit nieuws is te groot om met iemand anders over te praten. Ze kan als dochter van 16 toch niet thuiskomen met: ‘Mama! Je zult het niet geloven, maar vanmorgen stond er een engel in de deuropening. Het was Gabriël. En aan de keukentafel hadden we toch een bijzonder gesprek!’ Nee, inderdaad … dat zou Maria’s moeder niet geloven. Laat staan dat ze ’s avonds aan Jozef voorstelt om een wandelingetje te maken en hem dan bij het meer van Galilea vertelt: ‘Zeg Josh,  je zult het wel een apart verhaal vinden, maar binnenkort krijgen we een kindje. Nee, ’t is niet van iemand anders, maar van God. Zullen we er even bij gaan zitten? Dan leg ik het je wel even uit.’ Nou, dat is inderdaad zo apart, Maria weet niet eens hoe ze het geloofwaardig aan Jozef kan vertellen. Dus wijst Gabriël haar op Elisabeth, die geen kinderen kon krijgen, maar nu ook zo wonderlijk, tegen alle verwachting in, al dik zes maanden zwanger is.

Maar eerst zegt Maria nog: ‘De Heer wil ik dienen. Laat er met mij gebeuren wat u gezegd hebt.’ Deze gelovige reaktie 3 is helemaal in lijn met de eerste twee. Ze gelooft wat Gabriël net gezegd heeft: ‘Want niets is voor God onmogelijk.’ Ze zet een stap in het geloof waarvan ze de gevolgen totaal niet kan overzien.

EEN STAP IN GELOOF

Een stap in het geloof zetten. Omdat God het van je vraagt. Wanneer gebeurt dat? Wanneer kun je dat? Als de Heilige Geest over je komt en de kracht van God je overschaduwt. Dat zal bij Maria op een bijzondere manier gebeuren, zegt de engel Gabriël. Zo werd zij de moeder van Jezus, haar Heer.

Maar de Heilige Geest was al op een gewone manier over Maria gekomen. Ze had de kracht van God al in zich. Want ze geloofde. Dat is ook een wonder trouwens, want het geloof ontstaat volgens Jezus op de manier van een geboorte. Je wordt opnieuw geboren als de Heilige Geest in jou het geloof verwekt.

En als dát gebeurt … sta je versteld van wat dat uitwerkt. Bij Maria – 16 jaar oud en bijna zwanger. Bij anderen. Maar ook bij jezelf: ‘Wat U in uw Woord tegen mij zegt, Heer, ik ben bereid om dat te doen.’

Wat wil God vandaag van jou? Stel je die vraag en denk daarbij aan Maria. Die reageerde drie keer vanuit een gelovige houding. Als God iets tegen je zegt – hoe luister je dan? Als God iets van je wil – hoe reageer je dan? Als God iets van je vraagt – wat doe je dan?

Denk bij deze vraag ook aan Jezus onze Heer. Toen God tegen Jezus zei: ‘Leg je glorie af’ – zei Jezus: ‘Ik ben bereid om te gaan, Vader.’  Toen God tegen Jezus zei: ‘Nu wil Ik dat je gaat’– zei Jezus: ‘Hier ben Ik om uw wil te doen.’ Toen God tegen Jezus zei: ‘Drink de beker tot  de laatste druppel leeg’ – zei Jezus: ‘Laat uw plan doorgaan.’

DE HEER IS MET JE

En vergeet tenslotte het meest onbekende zinnetje dat Gabriël tegen Maria sprak niet: ‘Maria, de Heer is met je.’ Dat is God altijd. Maar Hij zegt het nog eens extra duidelijk als er iets bijzonders van je gevraagd wordt. Ja, Jezus heeft het gezegd toen Hij naar de hemel ging. Want Hij wist toen al, dat  gelovigen vandaag zich zo vaak afvragen: ‘Hoe hou ik het vol als christen? Waarom sta ik er voor mijn gevoel zo vaak alleen voor? Ik twijfel zo vaak en m’n geloof wordt zo gemakkelijk onderuit gehaald.’  Herinner je je dan de famous last words van onze Heer: ‘Ik ben bij jullie, van dag tot dag, tot aan de voltooiing van de wereld.’

Je hoeft geen Maria te zijn om daar op te vertrouwen. Vraag de Heilige Geest alleen wel om hetzelfde geloof als Maria. ‘Heer, hier ben ik om uw wil te doen.’ En hoor dan de Heilige Geest fluisteren: ‘Ga maar, want de Heer is met je.’

Over student&vereniging, kerk en U-bocht-christenen

In het ND van 3 augustus benadrukte Dirk de Bree de waarde christelijke studentenverenigingen, maar wees ook op het risico van versnelde secularisatie als daarbij de kerk uit beeld verdwijnt. Een goede klik tussen student en kerk is daarom ontzettend waardevol. Dat geldt wederzijds. Maar dan moeten de verwachtingen wel goed op elkaar afgestemd zijn.

De studententijd als zoektocht

Niet alle christelijke studenten zijn lid van een kerkelijke gemeente in hun studentenstad. Dat is bijzonder jammer. In mijn tijd als dominee in een studentenstad en als vader van vier studerende kinderen heb ik gemerkt dat studenten vooral positief-kritisch betrokken zijn en blijven op geloof en kerk als ze in hun eerste jaar een goede band opbouwen met de kerkelijke gemeente in hun studentenstad. Wat dat betreft is het goed om pas in je studententijd belijdenis van je geloof te doen met medestudenten die dezelfde vragen over het christelijke geloof hebben. Bovendien raak je zo meteen betrokken bij je nieuwe kerkelijke gemeente.

Als het om ‘student en kerk gaat’ zijn er drie dingen belangrijk. Allereerst is de houding van de student van groot belang: hoe heeft de kerk waar iemand is opgegroeid en het voorbeeld van de ouders het geloof van de aankomende student gevormd? Daarnaast heeft ook de sfeer binnen een christelijke studentenvereniging veel invloed: hoe wordt er tegen het instituut ‘kerk’ in het algemeen en tegen de plaatselijke kerken in de stad aangekeken? Tenslotte speelt de houding van die plaatselijke kerken een grote rol: hoe betrokken en actief is men daar bij alles wat studenten op geloofsgebied bezig houdt?

Een parallelle gemeenschap der heiligen

De dynamiek tussen student en kerk zit ‘m volgens mij vooral in het feit dat de eerste kring waarbinnen studenten zich bewegen meestal de christelijke studentenvereniging is. Die functioneert in de praktijk als een parallelle ‘gemeenschap der heiligen’. En dat is prima, want het is juist de bedoeling dat je vooral in eigen kring elkaar ondersteunt en help en vormt. Tegelijk beseft bijna iedereen, dat een studentenvereniging geen kerkelijke gemeente is en het ook niet kan en wil zijn. Dat laat meteen een spanningsveld zien. Principieel gezien is de kerkelijke gemeente in de studentenstad het belangrijkste, terwijl studenten in de praktijk zich vooral inzetten binnen hun christelijke studentenvereniging. Zie dat maar eens, zowel van de kant van de student als van de kant van de kerkelijke gemeente een goede balans in te krijgen!

Spannend & Uitdagend

De dynamiek tussen student en gemeente kent ook z’n eigen problematiek. In heel de samenleving zie je dat mensen zich niet meer gebonden voelen aan instituten waar ze niks meer mee hebben. Als de plaatselijke kerk denkt het zonder studenten ook wel te kunnen en studenten denken dat de vereniging hen wel genoeg te bieden heeft, is dat voor allebei een gemiste kans. Soms lijkt de bijdrage van studenten in de kerkelijk gemeente allemaal zo ‘hap-snap’ te zijn. Maar hoe erg is dat? Veel studenten zijn graag bereid zich in te zetten voor concrete, kleinschalige, incidentele activiteiten van de plaatselijke gemeente. Ze zorgen er ook vaak voor dat de kerkleden betrokken raken bij allerlei projecten in de stad, zowel op evangelisatiegebied (AiA of Passionweek) als op diakonaal gebied (Happetaria).

 

U-bocht-christenen

Dirk de Bree stelt, dat een christelijke studentenvereniging kan leiden tot versnelde secularisatie. Ik denk dat als een christenenstudent nergens lid van wordt, die kans minstens tien keer zo groot is. Maar hij heeft wel een punt. Als christelijke jongeren tijdens hun studententijd afstand nemen van de plaatselijke kerk, vallen na hun afstuderen vaak in een gat. Ze zijn student af, zijn los van de kerk van hun jeugd, maar hebben geen enkele band opgebouwd met een kerkelijke gemeente in hun studentenstad. Gelukkig breekt dan regelmatig het besef door: dit is niet goed, ik moet me weer ergens bij aansluiten. Met een U-bocht keren na enkele jaren ze toch weer terug. Maar hoeveel oud-studenten lukt dat niet? Veel vaker gaan ze, als ze lid-af zijn van christelijke studentenvereniging, in hun eentje verder met hun geloof. Dat is erg riskant, want de Heilige Geest noemt noemt de plaatselijke kerk niet voor niets ‘de kring van mensen die gered willen worden’ (Hand. 2:47).

‘The best place to be’

Mijn ideale plaatje als het om student en kerk gaat is deze: laat de kerk in de stad waar iemand studeerde aan het eind van de studie ´the best place to be´ geweest zijn voor elke student. Zo van: ik heb als student in de afgelopen zes jaar veel heen en weer gependeld tussen allerlei plaatsen, maar uiteindelijk voelde ik me qua geloofsgroei en geestelijke ontwikkeling het meeste thuis in de kerkelijke gemeente van mijn studentenstad.

 

Ontdek ook je kerk!

Het liefst zou ik zien, dat christelijke studentenverenigingen zich meer verbinden aan de plaatselijke gemeentes in hun stad. Christenen zweven namelijk niet ergens in het luchtledige rond. Bij elke christen hoort een plaatselijke kerk. Bij een christenstudent ook. Iedere christelijke studentenvereniging zou die persoonlijke betrokkenheid bij een kerkelijke gemeente moeten stimuleren i.p.v. zich daarin neutraal op te stellen uit angst voor – ja, voor wat eigenlijk? Heel concreet pleit ik er dan ook voor, dat tijdens de introductieperiode alle eerstejaars minstens twee bezoekjes afleggen bij leden van een plaatselijke gemeente die overeenkomt met hun eigen achtergrond of voorkeur. Dan zijn de eerste contacten gelegd en ontstaat er een goede mix tussen student en kerk.

Zekerheid diep van binnen

“Ons bestaan op aarde is als een schaduw, zonder enige zekerheid.” Ergens in de Bijbel kwam ik deze uitspraak tegen. Het klinkt misschien gek, maar zo’n Bijbeltekst grijpt mij aan, meer dan voorheen. Of misschien is het ook wel niet zo gek.

‘Ons bestaan op aarde is als een schaduw’: daar zijn we in de afgelopen anderhalf jaar wel achter gekomen. Ondanks al onze medische kennis en kunde krijgen we het grillige corona-virus maar slecht onder controle. Terwijl we dachten dat we alles onder controle hadden, worden we keihard met onze kwetsbaarheid geconfronteerd.

Zoek de zonzijde- de les van de zonnebloem
Een jonge zonnebloem begint de dag kijkend naar het oosten. In de loop van de dag draait zij naar het westen. In de nacht draait ze terug naar het oosten… Zo doet ze energie op voor de groei.
Als de bloem volgroeid is, blijft ze naar het oosten gericht – want insecten houden van warme bloemen en de oostelijke richting vangt de meeste zon vanaf het begin van de dag. Hoe onvoorstelbaar wonderlijk!    
Foto en tekst bij de foto: Karla Leeftink-Huizinga

‘Ons bestaan op aarde is zonder enige zekerheid’: ook daar lopen we steeds meer tegen aan. Of het nu in het groot om het klimaat of om de vluchtelingencrisis gaat. Of in ons eigen land om de gevolgen van de stikstofcrisis of de vastgelopen woningmarkt. Ondanks onze welvaartsstaat neemt de onzekerheid toe. Is er nog ruimte voor boeren, tuinders en vissers in Nederland? Hoe lang moet ik als werkende jongere noodgedwongen bij mijn ouders blijven wonen of als jong gezin op een te klein appartementje vier hoog?

Als christen geloof ik dat God ‘in control’ is. Maar tegelijk maak ik mij vaak zorgen en slaat de onzekerheid toe.  Hoe ga ik daarmee om?  In de Bijbel laat God mij weten dat die twee tegenstrijdige gevoelens er allebei zijn mogen. Neem Psalm 107. Die psalm begint en eindigt met de zekerheid dat God goed is en dat zijn trouw eeuwig duurt. Wie wijs is, weet dat en looft de HERE daarom. (vers 1 en 43)

Daar tussen in gaat het in Psalm 107 juist heel vaak over de angst en de onzekerheid die mensen wereldwijd bij de keel grijpt, uit alle landen, uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden. (vers 3)Is dat niet vreselijk actueel? Wereldwijde angst en onzekerheid?

In de rest van de psalm gaat het om vier verschillende situaties, waarin de angst mensen in de greep heeft.

Eén situatie past heel goed bij onze moderne samenleving. Het gaat dan over schepen die de zeeën bevaren om handel te drijven met verre landen. Economie en welvaart zijn de pijlers waarop wij vandaag onze zekerheid bouwen.

Maar dan, zegt Psalm 107: Op Gods bevel ging het stormen, hoog verhieven zich de golven. Schepen werden opgetild tot de hemel en vielen weer neer in de diepte. Iedereen verging van ellende. Ze zwaaiden op hun benen alsof ze dronken waren. Ze waren ten einde raad. (vers 25-27)

Dat zijn pittige uitspraken. God heeft dus de hand in hoe de dingen lopen in de wereld, in de politiek, in de samenleving en in mijn leven. Maar op welke manier?

Ik zie het vooral zo: God roept mensen steeds weer bij de les.

Hoeveel mensen leven in onze tijd niet aan God voorbij?

Hoeveel mensen vertrouwen op andere dingen dan op God?

Hoeveel mensen zoeken hun zekerheid bij de wetenschap in plaats van bij God?

En hoe vaak geldt dat ook voor mij?

En dan plotseling … waait er een virus uit China over heel de wereld; … neemt de polarisatie in de samenleving toe; … zorgen nieuwe regels en plannen van overheid voor veel verwarring en onduidelijkheid.  Meteen is het zelfvertrouwen weg. De onzekerheid slaat toe.

Wat doe je dan als christen? In Psalm 107 staat: Zij riepen in hun angst tot de HERE en Hij redde hen uit vele gevaren. Hij bracht de storm tot zwijgen, de golven gingen liggen. Groot was hun blijdschap dat de zee tot rust kwam. De HEER bracht hen naar een veilige haven. (vers 28-30)

Later, in het Nieuwe Testament, laat Jezus weten, dat Hij in de storm erbij is. Zelfs als Hij slaapt, heeft Hij alles maximaal onder controle. Als Hij afwezig lijkt, komt Hij op het cruciale moment toch aanlopen.

Is dat een zekerheid die we in de hand hebben? Nee, tenminste, ik ervaar dat lang niet altijd zo. Maar ik geloof wel, dat als je Jezus kent en op God vertrouwt, je anders met angst en onzekerheid omgaat. Want dan weet je: In U, Heer, heeft mijn hart zijn zekerheid. Dat is vers 5 uit de berijming van Psalm 57. David heeft die psalm gedicht toen hij voor Saul op de vlucht was. Hij was zijn leven niet zeker. Wat hij dan doet is zich steeds weer tot God keren: Wees mij genadig, God, wees mij genadig, want bij U is mijn leven geborgen. In de schaduw van uw vleugels zal ik schuilen, tot het doodsgevaar geweken is. Ik roep tot God, de Allerhoogste, tot God, die mij beschermt. Uit de hemel zal Hij hulp sturen. Ja, God stuurt mij zijn liefde en trouw.

En omdat hij God zo kent, kan hij zelfs in die situatie zingen: Mijn hart is gerust, o God, mijn hart is gerust, ik wil voor U zingen en spelen. Ontwaak, mijn ziel, ontwaak met harp en lier, ik wil het morgenrood wekken.

De ene keer kan ik mij daar gemakkelijk aan overgeven. De andere keer gaat dat stukken moeilijker. Dat zal bij jou niet anders zijn. Laat je dan bemoedigen door wat Johannes schrijft: Wij kunnen ons vol vertrouwen tot God wenden, in de zekerheid dat Hij naar ons luistert als we Hem iets vragen. (1 Joh. 5:14)

Dan doe je hetzelfde als de zonnebloem. Die is aan het begin van de dag altijd gericht op het oosten. Ze ‘wekt het morgenrood’, want ze weet dat daar de zon opkomt, die voor warmte en energie zorgt.

Zonder zon is er geen licht en geen groei. Zonder geloof in God is ons bestaan als een schaduw, zonder enige zekerheid. Schep in mij, God, een hart dat leeft in ’t licht, geef mij een vaste geest, die diep van binnen, zonder onzekerheid U blijft beminnen. (Psalm 51:5 berijmd).

Zoek de zonzijde- de les van de zonnebloem
Een jonge zonnebloem begint de dag kijkend naar het oosten. In de loop van de dag draait zij naar het westen. In de nacht draait ze terug naar het oosten… Zo doet ze energie op voor de groei.
Als de bloem volgroeid is, blijft ze naar het oosten gericht – want insecten houden van warme bloemen en de oostelijke richting vangt de meeste zon vanaf het begin van de dag. Hoe onvoorstelbaar wonderlijk!    

Eerder verschenen in Verbinding – informatiemagazine van Christen Contact Agrarisch (CCA) en CGMV agrariërs, 6e jaargang, nr. 3, oktober 2021

LEVEN MET VRAAGTEKENS -Zacharias en de engel Gabriël

Wat merk je in het dagelijkse leven van Gods aanwezigheid? Hoezo is Hij een God die gebeden verhoort?

Neem nu Zacharias en Elisabeth. Zij leefden in de tijd van koning Herodes, die weer onder het gezag van keizer Augustus stond. Het was een tijd van vrede en welvaart. Maar ook een tijd waarin de Edomiet Herodes, een afstammeling van Ezau, een schrikbewind onder de Joden voerde en iedereen die een bedreiging voor zijn macht vormde, uit de weg ruimde. De kindermoord in Bethlehem is het gruwelijke bewijs van zijn goddeloosheid.

En is het in onze tijd anders? We leven al meer dan 70 jaar in vrede. De welvaart is alleen maar toegenomen. Maar de kerk krimpt in Nederland. Steeds minder mensen geloven oprecht in God. Steeds meer mensen leggen Gods geboden en regels naast zich neer. Geloven doe je achter de voordeur, daar mag je anderen niet mee lastig vallen. Zeker niet in het publieke domein. Hoezo regeert God? Hoezo merk je zijn aanwezigheid?

Voor Zacharias en Elisabeth kwam daar nog een tweede heel persoonlijke moeite bij. Ze konden geen kinderen krijgen. Wat voor een groot verdriet geeft dat! Ook vandaag nog. Je loopt er niet mee te koop. Maar het is een groot gemis. Dus bid je. En hoop je. En ga je ervoor naar het ziekenhuis. Want er kan gelukkig veel tegenwoordig. Maar dan kan er nog niet altijd iets aan gedaan worden. Soms is het vanwege de eigen gezondheid onverantwoord om kinderen te krijgen. Vaker is één van de twee, net zoals Elisabeth, onvruchtbaar. Hoe ga je daar als christen mee om? Wat doet dat met je geloof? Leven met vraagtekens. Leven met zo’n grote teleurstelling. Wat heb je dan aan je geloof? Wat bereik je dan met bidden?

Zacharias en Elisabeth hebben in deze hopeloze situatie (politiek, kerkelijk en persoonlijk) God vaarwel hebben gezegd. Integendeel. Ze blijven God opzoeken en zich heel precies aan zijn regels houden. Niet omdat het moet, maar omdat ze op God vertrouwen, juist ín hun moeiten, zorgen en verdriet.

Je mag blijven bidden. Want God luistert wel. Gebeden blijven bij Hem lang staan. De vraag is alleen: blijven wij wel bidden? Voor onze persoonlijke dingen. En voor de grote zaak van God?

Zacharias en Elizabeth deden beide. Hun kinderwens brachten ze jarenlang bij God. En daarna vertelden ze God over hun verdriet omdat Hij hun gebed niet verhoord had. En ze baden om de komst van de Messias. Of er geloof gevonden mocht worden bij de mensen, bij iedereen die uitzag naar de bevrijding van Jeruzalem. Niet uit de macht van de Romeinen, maar uit de greep van het ongeloof dat de samenleving teisterde.

Die twee gebeden vallen samen. Want bij God valt het grote plaatje en de persoonlijke situatie altijd samen. God voert zijn grote verlossingsplan uit zoals Hij wil. En tegelijk schakelt Hij jou en mij daarbij in, jij in jouw klein hoekje en ik in ’t mijn.

Op een dag mag Zacharias in het heilige gedeelte van de tempel, vlak voor het heilige der heiligen, het dagelijkse reukoffer brengen. Daar, in de tempel, bidt hij als priester namens het volk.Zulke gebeden stijgen op als het reukwerk van de tempel naar boven toe en komen dan bij God aan. Daar blijven ze staan. Zo bidt David dat in Psalm 141: Laat mijn gebed als reukoffer voor uw aangezicht staan. En in Openbaring 8 staat, dat de rook van de wierook met de gebeden van de heiligen opstijgt naar God.

Uitgesproken gebeden verwaaien niet en verdampen niet in de lucht, maar staan en blijven staan pal voor het gezicht van God! De gebeden om Gods koninkrijk en zijn gerechtigheid. En de persoonlijke gebeden van ieder van ons.

En dan, in de tempel, is daar plotseling Gabriël. Hij zegt: ‘God heeft je gebed verhoord, Zacharias!’ En meteen zie je, dat die twee soorten gebeden niet van elkaar te scheiden zijn. Zacharias, jullie zullen alsnog een zoon krijgen – net als Abraham en Sara. Maar hij zal er niet alleen voor jullie zijn, want jullie hebben niet alleen maar voor jezelf om kinderen gebeden  … nee, jullie wilden graag kinderen om ze gelovig op te voeden, zodat ook zij dicht bij God gaan leven en tot een zegen voor anderen zijn. En nu zullen jullie zo’n zoon krijgen. Op een hele bijzondere manier. Want jullie zoon zal de tweede Elia zijn, die Maleachi al heeft aangekondigd. Hij zal heel veel mensen blij maken, omdat hij mag vertellen dat de echte Messias eindelijk komen zal. Hij zal generaties verbinden en mensen hun zonden laten inzien, en zo zal hij de mensen er klaar voor maken om de Messias, de grote Koning, te ontvangen.

Dat is dus Gods bedoeling! Dat je blij bent met Jezus Christus. Zoals Gabriël later tegen de herders zegt, als Jezus geboren is: ‘Ik verkondig jullie grote blijdschap die voor alle mensen bestemd is: vandaag is jullie Redder geboren, Christus de Heer!’

Hoe blij ben jij met Hem? Laat het dan zien door Hem elke keer weer op te zoeken.

Maar God opzoeken gaat niet vanzelf. Dat merk je bij Zacharias. Hij kent de Bijbel op z’n duimpje. Hij weet dat eens de tweede Elia komen zal. Maar dat het zíjn zoon zal zijn? Dat kan niet waar zijn! Ons persoonlijke gebed is immers tot ons grote verdriet niet verhoord? En nu zijn we te oud.

Het goede nieuws ontmoet ongeloof. Niet bij een hardcore heiden. Maar bij een vrome, oprechte, gelovige priester. Zacharias kan het niet geloven. Maar hij verpakt zijn twijfel in een vrome vraag: ‘Hoe kan ik zeker weten dat het zal gebeuren?’

Persoonlijke moeiten kunnen je vertrouwen in God heel gemakkelijk aan het wankelen brengen. Hoe intenser je wensen, hoe groter de teleurstelling wanneer God gebeden niet verhoord.Of anders verhoord.

Je kunt er begrip voor hebben. Want wie zijn wij? En als het goed is, heb je er zeker begrip voor de worsteling van je mede-broer of zus als hun moeiten zo groot zijn. Of het nu om kinderloosheid gaat. Of een ernstige ziekte. Of een gebroken huwelijk. Of een beperking waar je mee moet leren leven.

Maar Gabriël heeft geen begrip voor de tegenwerpingen van Zacharias. Hij legt, voor straf, Zacharias negen maanden het zwijgen op. Dat lijkt hard. Maar weet je … ongeloof heeft geen recht van spreken.

Je hoort wel eens iemand zeggen: ‘Kreeg ik maar een teken of zag ik maar een engel uit de hemel, dán zou ik wel geloven.’ Maar dat gaat niet op. Zelfs als iemand uit de dood zou terugkeren, laten mensen zich niet overtuigen, zegt Jezus later, in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus.

En dus moet Zacharias zwijgen. Negen maanden lang. Ongeloof heeft geen recht van spreken.

De mensen op het tempelplein denken dat wat Zacharias gezien heeft, hem doofstom gemaakt heeft. Maar dat was het niet! Wat hij in zijn ongeloof gezegd heeft, is de oorzaak van zijn tijdelijke handicap. En dat terwijl hij als vrome priester dienst deed in de tempel! Dat detail is veelbetekenend: niemand kan ‘priester zonder zonde’ zijn!  De zwakheid van Zacharias is zwakheid van ons allemaal.

Meteen in het begin van Lukas zie je al hoe nodig de komst van Jezus Christus is! De grote blijdschap voor heel veel mensen wordt pas echt veilig gesteld door Hem.

In Lukas 1 moet een machteloze priester op de trappen van het heiligdom de mensen ongezegend naar huis laten gaan. Maar Lukas eindigt zijn evangelie met de unieke Hogepriester Jezus die zijn volgelingen een volle zegen meegeeft op het moment dat Hij naar het hemelse heiligdom gaat.

En hoe reageren zijn volgelingen dan? Met grote blijdschap! Het zijn dezelfde woorden als de engel Gabriël gebruikte toen hij de herders vertelde over de geboorte van Jezus Christus.

Grote blijdschap! Diepe vreugde!

Hoe blij ben jij vandaag met je geloof in God? In een wereld die Hem niet lijkt te kennen. In je persoonlijke leven waarin je misschien veel strijd ervaart. Durf je dan nog op God te vertrouwen? Als het leven vol vraagtekens is? Durf je dan je gebeden nog op te laten stijgen naar de hemel? Doe het maar. Ze blijven lang staan voor de troon van God. Lang genoeg voor God om er echt iets mee te doen.

Een reis door de hemelsferen – over ‘Hemels’

“Er loopt een optocht door de tijd van de schepping tot de eeuwigheid”, zong cabaratier Paul van Vliet ooit. Tijdens mijn vakantie las ik de boeken ‘Oer’ en ‘Hemels’. ‘Oer’ gaat over de tijd vanaf de schepping tot nu. ‘Hemels’ gaat over iemand die een tijd lang de hemelse eeuwigheid heeft ervaren.

Hemels Marietta Davis (2)Marietta Davis leefde van 1823 – 1849 in New York. Ze is christelijk opgevoed, maar als twintiger gelooft ze niet meer in een hiernamaals. Totdat ze in de zomer van 1848 in een coma raakt die negen dagen duurt. Als ze bij komt vertelt ze aan familie, vrienden en haar predikant dat Jezus haar zowel de hemel als de hel als de aarde heeft laten zien, maar dan vanuit een geestelijk perspectief.

Hemels Marietta David ScenesZe leeft nog ruim een half jaar. Dominee J.L. Scott publiceert haar verhaal in 1854 in boekvorm onder de naam Scenes beyond the grave – Trance of Marietta Davis. Vanaf het eerste moment is het een bestseller in Amerika. In 1999 verscheen een nieuwe Engelse vertaling onder te titel Caught up into heaven. Sinds begin 2020 is het boek in het Nederlands vertaald door Willem de Vink en door hemzelf uitgegeven onder de titel Hemels – Mijn reis van negen dagen voorbij de dood. Via de website www.hemelsboek.nl is het zo lang de voorraad strekt gratis Hemels MAriette Davis Caught upte bestellen (je betaald wel verzendkosten). Op 12 augustus waren er al bijna 16.500 boeken verzonden en de lezer waarderen het boek met een 9+.

Wat is het geheim van het boek? Nou, zonder dat het ergens zo genoemd wordt (ook niet door Willem de Vink in zijn inleiding), heeft Marietta Davis een Bijna-Dood-Ervaring gehad. Daar is de laatste jaren steeds meer aandacht voor. Het komt ook steeds vaker voor dan vroeger, alleen al omdat door de vooruitgang van de medische techniek steeds meer mensen een hartinfarct of een coma overleven.

Bijna-Dood-Ervaringen heb je in soorten en maten. Heel bekend is het verhaal van Colton Burpo uit 2010, de kleuter die in coma raakte vanwege een blindedarmontsteking en daarna vertelde wat Jezus hem allemaal in de hemel had laten zien. Het boek Heaven is for real is in 2011 in het Nederlands verschenen onder de titel De jongen die in de hemel was.

In Hemels beschrijft Marietta hoe een engel haar rondleidt in de hemel en haar meeneemt naar de hel. Ook laat de engel haar zien hoe groot de geestelijke strijd rond het sterven van Jezus is geweest. En ze kreeg van boven een kijkje naar hoe mensen op aarde leven – met of zonder geloof in Jezus.

Persoonlijk vond ik het boek geen 9+. Dat komt niet alleen door de moeilijke stijl. De vertalers geven eerlijk toe dat ze het boek eigenlijk in alledaags Nederlands herschreven hebben en “zijn daarbij zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst gebleven.” (blz. 9) Maar het komt ook omdat er eigenlijk drie lijnen door het hele boek heenlopen. Lijn 1 is die van het baby-paradijs. Lijn 2 is de beschrijving van de hel. Lijn 3 is het belang van het offer van Jezus dat als enige genoeg is om mensen met God te verzoenen. Die drie lijnen lopen door elkaar heen. En, vind ik, twee van die drie lijnen zijn volgens mij niet erg goed bijbels te onderbouwen.

Vooral in het eerste deel van het boek wordt veel aandacht besteed aan baby’s en kinderen in de hemel. Engelen blazen de baby’s hemels leven in en de kinderen krijgen hemels onderwijs, onder andere doordat ze veel taferelen uit de bijbelse geschiedenis krijgen te zien en door engelen soms meegenomen worden naar de aarde om te zien hoeveel zorgen, pijn en dood daar is. Zo groeien ze in geloofskennis en beseffen ze dat ook zij uit genade gered zijn, hoe jong gestorven ze ook zijn. Een belangrijke tekst daarbij is Matteüs 18:10. Daar zegt Jezus: Kijk niet neer op één van deze kleinen. Ik vraag mij af of het terecht is om dit letterlijk op vroeggestorven kinderen te betrekken. Ik snap die aandacht wel, want in 1848 kwam kindersterfte heel vaak voor. In het baby-paradijs zegt een jongen die als baby gestorven is tegen Marietta, dat ze aan zijn ouders moet vertellen, dat hij en zijn ook zusje die ook vlak na de geboorte is overleden hier in de hemel thuis zijn en vrede hebben. En een vrouw die drie keer een dode baby in de armen hield, zegt tegen Marietta: “Als mijn geloof in die verdrietige tijd gesterkt was met wat ik nu weet, had ik veel meer vrede gehad. Want een baby die de zorgelijke wereld van zijn ouders verlaat, krijgt zoveel meer geluk terug.” Dat zijn de mooie passages uit dit eerste deel, vind ik. Maar verder blijft het naar mijn mening allemaal wat spekulatief.

In het tweede deel van het boeg geeft Marietta vooral een beschrijving van de hel. Die kent een aantal afdelingen. Er is een donkere plaats waar zielen van mensen zich helemaal overgeven aan zichzelf, maar daar geen enkele voldoening in vinden. Er is een nog donkerder plaats waar een verzameling zielen van mensen die het bestaan van God en Jezus voortdurend bekritiseren. En in de hel bevindt zich ook de huichelachtige kerk, met een voorganger en gemeenteleden bij wie het, net als tijdens hun leven op aarde, nooit om Gods liefde voor mensen draaide, maar alleen maar om hun eigen belangen. En dus eindigt nu elke ontmoeting in een gigantische ruzie, want in de hel is de ware aard van iedereen zichtbaar. Ook hiervan geldt: of dit allemaal echt zo is, kun je uit de Bijbel zelf niet afleiden. Wel wordt heel erg realistisch beschreven, dat de hel ‘de buitenste duisternis’ is voor mensen die hun leven nooit aan Jezus gegeven hebben. En, ook niet onaardig, ik begrijp nu waar C.S. Lewis zijn beschrijving van de hel in De grote scheiding aan ontleend heeft.

Het derde deel laat mooi zien hoe belangrijk het offer van Christus aan het kruis is. Marietta ontmoet in de hemel de twee personen Recht en Genade. De één benadrukt dat alle mensen vanwege hun zonden eeuwig straf verdiend hebben. De ander wijst voortdurend op Jezus als de enige die die straf kan overnemen. Vanuit dat perspektief wordt het leven van Jezus op aarde, en vooral zijn lijdensweg, beschreven. Mooi is daarbij, dat er ook een ander tafereel een paar keer terugkomt, namelijk iemand die op sterven ligt en liefdevol door zijn familie omringd wordt, maar die pas rustig kan sterven als iemand hem op Christus wijst.

Tot zover mijn weergave van de hoofdlijnen van Hemels. Het boek spreekt veel mensen aan omdat bijna elke christen wel momenten heeft dat hij of zij graag een blik in de hemel wil werpen. Johannes schrijft in zijn brief: Wanneer Hij zal verschijnen, zullen we Jezus zien zoals Hij is. (1 Joh. 3:2) Vanuit dat verlangen is het niet verkeerd om ook nu al intensief betrokken te zijn op het leven in de hemelse heerlijkheid.  Door verhalen van mensen met een Bijna-Dood-Ervaring kun je je daar als christen misschien iets meer bij voorstellen.

Over het boek Hemels zou je, net als het boek over Colton Burpo, goed met elkaar kunnen doorpraten. Het biedt genoeg stof voor een mooi gesprek. Het nadeel is, dat je het dan over één ervaring hebt van iemand die zegt iets van de hemel gezien te hebben. Burke HemelZelf vind ik het interessanter om met elkaar een boek te bespreken waarin BDE’s getoetst worden aan wat de Bijbel ons over de hemel vertelt. Dat laatste doet John Burke, een Amerikaans theoloog, in zijn boek Stel je de hemel eens voor.  Hij heeft honderden BDE-verhalen gehoord en gelezen en die getoetst aan de Bijbel. Zijn startpunt is nadrukkelijk: “De BDE-ervaringen zijn geen vervanging of verdringing van wat de Bijbel zegt; ze voegen alleen kleur toe aan het bijbelse beeld.” Hij is zich ervan bewust dat veel mensen “net als bij ieder geschenk van God (…) niet  zien wat God hen wil laten begrijpen; dat ze de ervaring verkeerd interpreteren of dat ze zelfs de gave gaan aanbidden in plaats van de Gever.” (blz. 25). Oftewel: wat God in de Bijbel zegt is niet waar, omdat Marietta Davis een inkijkje in de hemel heeft gehad. Het is juist andersom: een inkijkje in de hemel is een extraatje waar je blij mee mag zijn, maar die voor waarheid van de Bijbel en mijn geloof in Jezus niet persé noodzakelijk is.

Over Bijna-Dood-Ervaringen schreef ik al eerder een aantal blogs:
12 juni 2013  In de hemel is de Heer en Colton heeft Jezus daar gezien 
24 mei 2014  Vol verlangen zingen op weg naar die grote dag
11 januari 2015  Heaven is for real – een oppervlakkige film en een aardig dagboek over Colton Burpos bezoek aan de hemel
20 maart 2015  Herkenning in de hemel – maar hoe?
22 november 2016 Paulus – de man die in de hemel was (over BDE – Bijna-Dood-Ervaring)
6 mei 2017 Zicht op de hemel – een christelijke kijk op bijna-dood-ervaringen
28 februari 2020 Zicht op de hemel – over bijna-dood-ervaringen (artikel in magazine Elisabeth met verwerkingsvragen)

Digitaal Avondmaal vieren – ja of nee?

Sinds 15 maart hebben we in Nederland kerkloze zondagen. En dat gaat nog wel even duren, minstens tot 31 mei, de zondag van Pinksteren. Het gemis aan verbondenheid, zowel met God en Jezus als met elkaar, doet zich bij veel mensen voelen.

En dan is het op 10 en 12 april ook nog Goede Vrijdag en Pasen. Juist als je het moet missen, besef je dat dat echt twee hoogtepunten voor het christelijk geloof zijn. Geen wonder dat de vraag naar boven komt: kunnen we met Goede Vrijdag en/of Pasen toch het Avondmaal met elkaar vieren, ja of nee?

Daar wordt in de pers stevig over gediskussieerd. Wie zich in wil lezen, vindt hier vier artikelen, twee van voorstanders en twee van tegenstanders van een Avondmaalsviering waarbij de meeste gemeenteleden het thuis mee vieren.

Een van de tegenstanders is Miranda Klomp. docent liturgiewetenschap aan de Protestantse Theologische Universiteit in Amsterdam. Zij is tegenstander van digitaal Avondmaal vieren. ‘Daarmee slaat u de plank mis’ is de ondertitel van haar opiniestuk in het dagblad Trouw. Op Groot Nieuws Radio (vanaf 2:16:40 – 2:48:00) ging ze er in een interview nog wat dieper op in.

Ik heb er met stijgende verbazing naar geluisterd. Volgens Klomp verliest het Avondmaal als sakrament zijn kracht als je het digitaal viert. Het is eigenlijk een onmogelijkheid, want de kern van het Avondmaal is volgen haar, dat het ene brood, dat staat voor het lichaam van Christus, gebroken en gedeeld wordt. Dat gebeurt niet als iedereen thuis z’n eigen stukje brood en glaasje wijn of druivensap klaarzet. De interviewer vraag nog: Moet je dat ene brood echt zo letterlijk opvatten?  Ja, zegt Klomp, want de eenheid bij het Avondmaal zit niet alleen in de verzamelde gemeente, maar ook in het ene brood dat je heel reëel met elkaar deelt. Dat brood kun je niet eten van een scherm. Want virtueel is wel echt, maar dat is wat anders dan reëel. We moeten het materiële teken van het sakrament niet minder belangrijk maken, dus je kunt het ene brood en de ene beker die verwijzen naar het konkrete lichaam en bloed van Christus niet zomaar weglaten. Bovendien is het Avondmaal een sakrament, en dat neem je, net als bij de Doop, niet tot je, maar dat ontvang je van een ander (de voorganger) namens de Ander (God/Jezus).  Dat kan bij de Doop ook niet digitaal. Je kunt het Avondmaal ook niet zomaar als gezin vieren wanneer jouw gereformeerde, protestantse of katholieke kerk dat niet doet, vindt Klomp. Het is namelijk in alle kerkelijke stromingen, op de evangelisch-baptistische kerken na, gebruikelijk dat het Avondmaal door de voorganger bediend wordt. Thuis zijn er volgens haar wel andere manieren te bedenken dan met je eigen brood en wijn digitaal klaar te zitten om heel konkreet stil te staan bij de betekenis van Goede Vrijdag en Pasen. Dat kan door het bijbelgedeelte over het laatste Avondmaal samen te lezen of samen bidden en een kaars aan te steken. Je moet als kerk dus geen digitale viering willen aanbieden. Als je het al doet, zou een voorganger wél het brood kunnen breken en de wijn kunnen uitschenken, maar niet kunnen eten en drinken. Zo voel je de pijn van de crisis en de gebrokenheid waar we nu samen inzitten en hou je het verlangen naar betere tijden levend. En je moet ook niet vergeten dat in bv. vluchtelingenkampen christenen helemaal geen Avondmaal kunnen vieren. Dus ook met hen ben je solidair als je geen Avondmaal viert.       

Ik schreef al, dat ik met stijgende verbazing naar dit interview heb geluisterd.  Ik ben zeker geen voorstander van ‘thuisvieringen’. Het Avondmaal is geen individueel feestje, maar de geloofsmaaltijd van de plaatselijke gemeente. Dat kun je al uit Handelingen 2 afleiden, en nog duidelijker uit 1 Korintiërs 11. Maar als dan, door de nood van deze tijd, er geen kerkdiensten meer belegd kunnen worden waar alle gemeenteleden lijfelijk aanwezig zijn, dan is een live-dienst die bijna alle gemeenteleden via internet kunnen volgen, een uitkomst. Ook als het om Avondmaal vieren gaat. Of je het moet willen, is punt twee. Maar het gaat mij om het principe. Bij het verhaal van Miranda Klomp heb ik dan ook een aantal kritische vragen.

Ze heeft een erg ‘hoge’ Avondmaalsvisie die grenst aan de rooms-katholieke visie op de aanwezigheid van onze Heer Jezus Christus in de tekenen van brood en wijn. Het Avondmaal wordt zo iets heiligs, dat als je het virtueel viert, het wel echt is, maar niet reëel. Je moet als gemeente fysiek aanwezig zijn om van hetzelfde ene brood te eten en van dezelfde ene beker met wijn te drinken. Dat lijkt bij Klomp een absolute voorwaarde om het Avondmaal te mogen vieren. Ze zegt het niet met zoveel woorden, maar het lijkt alsof bij haar Christus reëel in de tekenen van het brood en de wijn die de voorganger in handen heeft, aanwezig is – de lutherse en rooms-katholieke opvatting. Maar in de gereformeerd-protestantse traditie is het zo dat we in het Avondmaal met de mond van het geloof Christus als geestelijk voedsel ontvangen.  Trouwens, waarom maakt Klomp dan wel een uitzondering met glutenvrij brood maakt voor individuele gelovigen. En zou ze het dan ook verkeerd vinden dat in veel kerken er deels wijn, deels druivensap uitgereikt wordt?

Ook de opmerking dat gelovigen, net als bij de Doop, het Avondmaal ontvangt en niet tot je neemt klopt niet. De Doop onderga je passief: mensen laten zich dopen. Het Avondmaal vier je aktief. Brood en wijn neem je zelf aan uit de hand van de dienaar, staat in Zondag 28:75 van de Heidelbergse Catechismus. Sterker nog, Jezus onze Heer heeft niet gezegd: ‘Ontvang het brood en de wijn’, maar ‘Neem, eet en drink tot mijn gedachtenis.’

Verder vind ik het een raar idee dat je thuis wel allerlei creatieve ideeën mag bedenken om symbolisch vorm te geven aan de behoefte om je geloof in deze bijzondere tijd extra te laten voeden, maar dat dat niet kan door bewust samen, weliswaar op afstand, hét symbool van verbondenheid met Jezus Christus en met elkaar te vieren. Waarom thuis wél het verhaal over hoe Jezus het Avondmaal ingesteld heeft samen lezen – en het dan niet vanuit de kerk digitaal als gemeente met elkaar vieren? Waarom thuis wel zien hoe de predikant het brood breekt en de beker volschenkt – maar er dan niet van eten en drinken? Omdat Christus niet reëel aanwezig is als gemeenteleden hun eigen brood en wijn/druivensap klaarzetten? Ik vind dit allemaal toch wel heel erg hoog-kerkelijk-liturgisch.

In deze corona-crisis hebben we in elk geval 12 weken te maken met kerkloze zondagen. Veel christenen merken nu hoe erg ze de verbondenheid met elkaar en met God die dankzij Jezus hun hemelse Vader is op zondag missen. Dan hoef je niet persé alles in de lucht te houden door zoveel mogelijk ‘gewoon’ door te gaan. Bijvoorbeeld met complete kerkdiensten die live uitgezonden worden. Of door ‘gewoon’ de Avondmaalsviering op een willekeurige zondag door te laten gaan. Ik kan goed begrijpen dat kerken die reguliere Avondmaalsviering laten vervallen.

Het gemis doet zich juist voelen op kerkelijke feestdagen als Goede Vrijdag of Pasen. Juist dan moet je als kerk in naam van Jezus Christus maximaal dichtbij de mensen zijn. We brengen bij langdurig en ernstig zieken het Avondmaal aan huis. Dat vinden we individuele noodsituaties waarin zij de versterking van hun geloof door brood en wijn als teken van Christus die voor hen gestorven is, niet mogen missen. Calvijn was daar al 100% voor, in tegenstelling tot de meeste gereformeerden van zijn tijd en later.

Nu zitten we met elkaar in een echte noodsituatie. Heel veel gemeenteleden maken zich grote zorgen. Samen zijn we al drie weken verstoken van de zondagse verbondenheid met God en Jezus en met elkaar. Ik vind het dan een zegen dat we in elk geval de mogelijkheid hebben om na te denken over een gezamenlijke Avondmaalsviering op Goede Vrijdag of Pasen – dagen waarvan we nu pas ervaren hoe waardevol ze voor ons geloofsleven zijn. In die afweging  passen in mijn beleving geen theologische hoogstandjes als: ‘digitaal Avondmaal vieren is wel echt, maar niet reëel’ bij.

Tenslotte: ik hoorde zowel in het interview met Miranda Klomp als in het artikel van Huijgen en van ’t Slot (ND 1 april 2020) dat we in onze crisis solidair zijn met christelijke vluchtelingen zoals op Lesbos die in hun situatie helemaal geen Avondmaal kunnen vieren. Dat vind ik een flauw argument. Daarmee praat je degenen die graag, al is het dan in verbondenheid op afstand, het Avondmaal willen vieren, ten onrechte een schuldcomplex aan. Ik denk dat christenen op Lesbos en op andere plaatsen waar het inderdaad veel moeilijker is om het geloof in Jezus als Heer vorm te geven, heel creatief zijn in het vinden van manier om daar toch uiting aan te geven. Volgens mij zouden zij verbaasd staan dat hún situatie als argument gebruikt wordt om in Nederland het Avondmaal gewoon maar een tijdje niet te vieren terwijl wij wel de mogelijkheden ervoor hebben om de dood van Christus tot verzoening van al onze zonden gezamenlijk te gedenken en te vieren.

Zicht op de hemel – over bijna-doodervaringen

Hoe bijbels is een bijna-doodervaring? 

“Mochten we maar even in de hemel kijken …” Als dominee heb ik mensen dat vaak horen zeggen na het overlijden van een geliefde. Dat verlangen is geen pure nieuwsgierigheid, maar eerder intense betrokkenheid. Want als christen vertrouw je erop dat de dood niet het einde. Maar hoe zit het dan met een bijna-doodervaring?

kln poort naar het lichtTegenwoordig hoor je steeds meer verhalen van mensen die zeggen dat ze even in de hemel geweest zijn. Vaak gebeurde dat onder narcose, in coma of tijdens een hartstilstand. Het worden bijna-doodervaringen (bde) genoemd. Maar wat is er van waar? Kunnen mensen inderdaad onder zulke extreme omstandigheden soms ‘een blik in de hemel werpen’? En is wat zij daar zien, iets wat ze bij hun volle bewustzijn meemaken of is het een illusie van verwarde hersenen die onder extreme druk staan?

Overweldigende liefde

In 2007 kwam het boek Eindeloos bewustzijn van de cardioloog Pim van Lommel uit. Hij verzamelde en analyseerde veel bde-verhalen. Hij kwam tot de conclusie dat ons bewustzijn niet door onze hersenen geproduceerd wordt. Als alle aardse dingen wegvallen, kan dat bewustzijn ons een grotere, alomvattende geestelijke werkelijkheid laten zien. Vroeger hoorde je daar niet zo veel over, maar de medische wetenschap heeft ervoor gezorgd dat steeds meer mensen die nagenoeg klinisch dood zijn, toch weer terugkomen in dit leven.

Burke HemelIn december 2018 verscheen in Nederland het boek Stel je de hemel eens voor van de Amerikaanse predikant John Burke. Hij beschrijft tientallen bijna-doodervaringen. Die bevatten allemaal dezelfde elementen en het is altijd een samenhangend verhaal. Mensen die het meegemaakt hebben, zijn vaak het meest van onder de indruk van de overweldigende liefde en de volkomen acceptatie die ze beleefd hebben. Meestal zijn ze er innerlijk compleet door veranderd. Negatieve bde’s zijn zeldzamer, maar komen ook voor, vaak bij niet-religieuze mensen. Ze voelen dat ze worden meegezogen in een donkere put vol negatieve en ruziënde stemmen, maar als ze om God of Jezus roepen, trekken deze machten zich luid protesterend terug.

Tipje van de sluier

Hoeveel geloof moet je aan bijna-doodervaringen hechten? Als nuchtere, gereformeerde Groninger heb ik deze verhalen lang op afstand gehouden. Maar het ontroerde me steeds meer, elke keer als ik van een bde hoorde of er over las. Ik merkte dat het een verlangen in mij opriep naar hoe mooi het in de hemel, bij Jezus zal zijn. Het voelde telkens weer alsof God een tipje van de sluier optilde om me iets te laten zien van de volkomen heerlijkheid die Hij voor al zijn kinderen bestemd heeft.

kln ijsland ijsgrot_tunnel naar het lichtPaulus schrijft in 2 Korintiërs 12:1-10 over een bijzonder moment, dat hij het nog steeds niet goed onder woorden kan brengen. Daarom praat hij er in de derde persoon over. Dat ging zo plotseling en onverwacht dat hij niet meer weet of het in het lichaam was of dat het een uittreding van zijn bewustzijn was. Het zou heel goed een bde geweest kunnen zijn. Hij was weggevoerd naar het hemels paradijs en heeft daar onuitsprekelijke dingen gehoord en gezien.

Taak op aarde

Paulus kreeg zicht op de hemel en dat was een geweldige bemoediging voor hem. Geen wonder dat hij tegen de Korintiërs zegt: “We weten dat we na ons sterven van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensen gemaakte woning in de hemelen. Ja, we zouden ons lichaam liever verlaten om onze intrek bij de Heer te nemen” (naar 2 Korintiërs 5:1-10). Je snapt meteen ook waarom Paulus ergens anders schrijft: “Ik verlang ernaar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste.” (Filippenzen 1:23). Dat gevoel van heimwee en verlangen hoor je vaak terug bij mensen die een bde meegemaakt hebben. Maar ze moesten terug. Ze beseffen meestal heel sterk dat ze op aarde nog een taak hebben. Zo voelde Paulus dat ook.

Soms hoor je iemand zeggen: ‘Al die aandacht voor die bijna-doodervaringen is niet nodig. We hebben toch genoeg aan de Bijbel?’ John Burke zegt het in zijn boek zo: ‘De bde’s zijn geen vervanging of verdringing van wat de Bijbel zegt; ze voegen alleen kleur toe aan het bijbelse beeld. Dan heb je de zwart-witte woorden van de Bijbel beleefd op zo’n kleur-overgoten manier, dat God nog meer geëerd wordt.’ Een bijna-doodervaring is dus heel waardevol voor iemand zelf en z’n omgeving. Dank God ervoor!

Tegelijk hangt mijn geloof niet van zo’n ervaring af. Jezus onze Heer geeft ons het juiste zicht op de hemel. En een bde zet daar voor een christen een dikke streep onder.

UIT DE BIJBEL

Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, dat is wat God bereid heeft voor hen die Hem ​liefhebben. 1 Korintiërs 2:9,  HSV

Om verder te lezen: Lukas 16:19-31; Romeinen 10:6-11; 2 Korintiërs 12:1-9

OVERDENKEN / DOEN

1  Wat denk jij als christen als iemand zegt dat hij/zij een bijna-doodervaring gehad heeft? Of wat vind je van boeken of films als De jongen die in de hemel was? Wat maken zulke verhalen bij je los? Wat vind je er positief aan? Waar heb je zo je vragen over? Wat vind je er eventueel niet bijbels aan?

2  Heb je zelf weleens een bijzonder moment (een bde, een droom, een visioen) gehad waarin je God, Jezus of de hemel heel sterk ervaren hebt? Wat betekende dat voor jou?

3  Christenen voelen nu al in hun hart ‘het begin van de eeuwige vreugde’ en van de ‘volkomen heerlijkheid’ die we na dit leven zullen ontvangen (Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus). Heb je zulke ‘hemelse momenten’ weleens meegemaakt en welke invloed hebben zij op je geloofsleven?

 

LITERATUUR

Pim van Lommel, Eindeloos bewustzijn, 1e druk 2007

Todd Burpo, De jongen die in de hemel was, 1e druk 2011

John Burke, Stel je de hemel eens voor, 1e druk 2018

Een interview met Pim van Lommel, de auteur van Eindeloos bewustzijn, in het KRO-programma ‘Kruispunt’ uit 2008 is na te kijken op https://vimeo.com/57237162

Deze blog is verschenen als artikel in het thema-nummer (Bijna) dood van het magazine ‘Elisabeth’ van 28 februari 2020. Alleen de foto’s en de literatuur zijn hier toegevoegd.