Ben jij ook zo bang – als christen in Nederland?

Vroeger op de basisschool hoorde ik niet bij de branieschoppers van de klas. Eerder omgekeerd. Dus werd ik regelmatig uitgescholden voor ‘bangeschieterd’. Tot ik op een keer dacht: ik ga níet meer aan de kant bij een fietscrossrace door de straten van ons dorp. Mijn klasgenoot had dat uiteraard niet verwacht en dus eindigde onze ontmoeting in een frontale botsing. Twee fietsen kapot, allebei flink wat schrammen en bulten, maar ik werd nooit meer uitgescholden voor ‘bangeschieterd’.

“Ben jij ook zo bang?” zong Toontje Lager in de jaren ’80 van de vorige eeuw al. Vandaag lijken veel mensen nog steeds bang te zijn. Ook onder christenen. Op zich verbaast mij dat niet. De wereld verandert in een rap tempo. In alle opzichten, of je nu kijkt naar het klimaat, naar de vluchtelingencrisis of naar de wereldvrede. Bovendien wordt Nederland steeds onchristelijker. Dat blijkt alleen al uit de cijfers. Eind december 2016 kwam het CBS met cijfers waaruit blijkt dat voor het eerst minder dan de helft van de Nederlanders aangesloten bij een kerk / synagoge / moskee / stoepa. Ook al hanteert het CBS een wat rare methodiek (23,8% katholiek, 6,5% hervormd, 5,7% protestants, 3,3% gereformeerd, 4,9% moslim, 5,7% overig, nl. evangelisch, boeddhist, joods) – het laat zien dat nog maar 49,9% van de burgers in ons land zich religieus noemt, waarvan ongeveer 40% christelijk. En terwijl Urk in maar liefst 97,8% van de bevolking christelijk is (0,0% moslims, 2,2% niet-kerkelijk), zitten wij in Assen onder het landelijk gemiddelde qua religiositeit (60,5% niet-gelovig, 39,5% wel gelovig), maar kunnen we aan de andere kant nog wel lekker opgaan in onze gereformeerde bubbel, want die bedraagt in Assen precies 10,0% – tegenover ongeveer 1,6% moslim).

Daarnaast krijgen we het in Nederland in de komende jaren ook moeilijker als het gaat om publiek uit te komen voor onze eigen, op de Bijbel gefundeerde normen en waarden. Van buitenaf worden die door de overheid en de samenleving steeds minder geaccepteerd en getolereerd. En binnen eigen kring worden christenen soms ook meewarig aangekeken als ze in alles de goede regels van God en de levensstijl van Christus proberen na te volgen.

Maar hoe erg is dat?

Paulus bemoedigt (!) de christenen in Filippi met deze woorden: Aan u is de genade geschonken niet alleen in Christus te geloven, maar ook omwille van Hem te lijden. (Fil. 1:29). Dat moet je niet verbazen, zegt Paulus erbij, want ik spreek uit ervaring. En ook al hoef je het lijden niet op te zoeken, als het je overkomt is lijden vanwege je geloof in Jezus Christus positief signaal. Daarom kan Paulus ook zeggen: Laat u op geen enkele manier door de tegenstanders angst aanjagen, want dat is een teken van God: voor hen dat ze ten onder gaan, voor u dat u wordt gered. (Fil. 1:28).

Gumbel Een leven dat zin heeftIk vind het erg herkenbaar wat Paulus schrijft over angst. Ik denk dat er in Nederland veel bange christenen zijn. Vooral bang om zelf te moeten afzien vanwege het geloof in Christus. Nicky Gumbel, de man van de Alphacursus, bespreek in zijn boekje Een leven dat zin de hele Filippenzenbrief. Hij schrijft bij dit vers: ‘Hoewel wij, westerlingen, het minst te vrezen hebben, zijn we het bangst. Onze angsten houden verband met impopulariteit of sociaal isolement. Maar anderen moeten martelingen, gevangenschap en de dood onder ogen zien. Voor de westerse kerk is nú de tijd aangebroken om het optimale rendement te halen uit onze vrijheid, en voortgang te maken met de verbreiding van het evangelie. Waar we ook zijn, de mogelijkheden om het goede nieuws door te geven zijn onbeperkt.’

Op beide punten heeft hij, denk ik, gelijk. We hebben in West-Europa nog nooit zolang zoveel godsdienstvrijheid gehad als in de laatste honderd jaar. Maar tegelijk zijn we als christenen bang geworden om in alle omstandigheden voor Jezus Christus uit te komen. In Paulus’ tijd was dat niet anders. Ook toen leefden christenen als een minderheid te midden van een verdorven en ontaarde generatie. Ze kregen van Paulus de opdracht mee om in zo’n samenleving van egoïsten en populisten te schitteren als sterren aan de hemel. Dat lukt alleen maar door vast te houden aan het woord dat leven brengt (Fil. 2:15-16). Vandaar ook dat Paulus de christenen van Filippi oproept: Blijf standvastig in de Heer!’ Oftewel, zoals  de Bijbel in Gewone Taal kernachtig zegt: Hou vast aan jullie geloof in de Heer! (Fil. 4:1)

Wie dat doet, hoeft nergens bang voor te zijn.

 

Leesrooster voor bange en niet-bange christenen

‘Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad’ (Psalm 119:105). Nu heb je verschillende soorten lampen. Het lezen van een bijbelgedeelte is als een bureaulamp: je gaat er even voor zitten. De dagteksten zijn bedoeld als zaklampjes: af en toe even aanknippen en je afvragen: ‘Wat wil de Heilige Geest met deze tekst vandaag tegen mij zeggen?’ Als gebedspunt zou je elke dag voor één of meer vervolgde christenen kunnen bidden.

Dag 1: Matteüs 10:16-33            Dagtekst: Matteüs 10:34

Denk niet dat Ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.

Dag 2: Handelingen 5:12-25       Dagtekst: Psalm 90:11

Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen, die over je waken waar je ook gaat.

Dag 3: Handelingen 5:26-42       Dagtekst: Handelingen 5:41

De apostelen waren verheugd dat ze waardig bevonden waren deze verne­dering te ondergaan omwille van de naam van Jezus.

Dag 4: Handelingen 16:1-15       Dagtekst: Kolossenzen 4:3

En bid dan ook voor ons, dat God deuren voor ons opent om het mysterie van Christus te verkondigen, waarvoor ik gevangen zit. 

Dag 5: Handelingen 16:16-25     Dagtekst: 1 Petrus 2:20b-21

Het is een blijk van Gods genade wanneer u verdraagt wat u moet lijden voor uw goede daden. Dat is uw roeping: ook Christus heeft geleden, om uwentwil, en u daarmee een voorbeeld gegeven.

Dag 6: Handelingen 16:26-40              Dagtekst: Filippenzen 1:19

Ik weet, dat dit alles door uw gebed en de hulp van de Geest van Jezus Christus tot mijn redding leidt.

 

 

HOUDT GOD ONS VOOR DE GEK? –de paradoxale overeenkomst tussen Gijsbert van den Brink en Mart-Jan Paul–

Het gaat spannend worden de komende maanden. Tenminste, voor iedereen die het onderwerp ‘schepping en/of evolutie’ erg interessant vindt. Op 22 september 2017  is er in Nijkerk een reeds volgeboekt congres met als titel Evolutie. Stel dat het waar is … Op dit congres staat het boek ‘En de aarde bracht voort’ met als ondertitel ‘Christelijk geloof en evolutie’ van Gijsbert van de Brink centraal. Het verscheen vlak voor de zomer. Van den Brink is ervan overtuigd dat het scheppingsverhaal en de gangbare evolutietheorie goed met elkaar te verenigen zijn.  Acht andere wetenschappers zullen hun visie geven op het standpunt van Van den Brink. Eén van hen is Mart Jan Paul.  Eind augustus verscheen zijn boek ‘Oorspronkelijk’ met  als ondertitel ‘Overwegingen bij schepping en evolutie’. Hij is het grondig oneens met Van den Brink en vindt dat de kloof tussen het christelijk geloof en het aanvaarden van de evolutietheorie zo diep en breed is, dat die twee als het er op aan komt onverenigbaar met elkaar zijn. Daarom kiest hij voor de Bijbel als belangrijkste informatiebron over het hoe het leven op aarde ontstaan is en zich ontwikkeld heeft. Dus komt er op 4 november 2017 in Kampen een vervolg op het congres in Nijkerk, namelijk een studiedag onder de titel Oorsprong. Op die dag zullen beide auteurs stevig met elkaar in gesprek gaan en samen met de deelnemers een aantal thema’s uitwerken.

God die misleidt?

Nu heb ik het boek van Mart Jan Paul nog niet gelezen. Ik heb mijn informatie gehaald uit het uitgebreide interview met hem in het Nederlands Dagblad van 30 augustus 2017 . Het boek van Gijsbert van den Brink heb ik wel gelezen. Wat mij meteen opviel was het volgende: beide schrijvers gebruiken de uitdrukking dat er sprake zou zijn van misleidende informatie door God als er geen evolutie zou zijn geweest (Van den Brink) of als het scheppingsverhaal in Genesis 1 en 2 niet letterlijk zo gebeurd zou zijn (Paul).

Brink, Gijsbert van denGijsbert van den Brink gebruikt het woord ‘misleiden’ in verband met de fossielen die in de aardlagen zitten. Als de fossielen die God bij de schepping heeft meegeschapen zonder dat ze ooit echt geleefd hebben, “kunnen we – uitgaande van de schijnleeftijdtheorie – alleen maar aannemen dat God ze [die fossielen] door de aardlagen heeft verspreid  nooit om ons te misleiden.” En even later (ook op blz. 44): “Welk belang zou God erbij hebben om ons zo massaal om de tuin te leiden? Is God niet de Waarachtige en Betrouwbare bij uitstek? Bovendien, als God ons in de natuur voor de gek houdt, hoe weten we dan dat Hij dat niet ook doet in de Schrift?”

Paul Mart-JanMart Jan Paul vindt juist dat er sprake van misleiding zou zijn, wanneer de gegevens uit Genesis niet waar zouden zijn. In het ND zegt hij: “Dat kan ik niet geloven: dat God informatie over de schepping zou hebben gegeven, waardoor de kerk 2000 jaar lang is misleid.” Hij is van mening dat de evolutietheorie uitgaat van een materialistisch wereldbeeld. God wordt systematisch buitengesloten. Zelf kiest hij daarom voor een wetenschappelijke benadering die wél met God en met de Bijbel rekent. Dus kiest hij uiteindelijk voor het zogenaamde ‘jonge-aarde-creationisme’ – de wetenschap die uitgaat van een schepping in zes dagen enkele duizenden jaren geleden.

Ik vond het opvallend dat beide auteurs het woord ‘misleiden’ gebruiken, maar dat hun moeite precies tegenovergesteld is. Van den Brink neemt de resultaten van ‘het boek van de natuur’ zo serieus, dat hij niet meer geloven kan en wil, dat God in de Bijbel een exact verslag van de schepping heeft gegeven. Paul neemt het gezag van de Bijbel als het betrouwbare woord van God zo serieus, dat hij niet geloven kan en wil dat de aarde in werkelijkheid via de lange weg van evolutie tot stand gekomen is.

Kortsluiting

Leonard J Vander ZeeErgens ontstaat bij beiden een soort kortsluiting, zou je zeggen. Want de Bijbel en de natuur laten allebei zien wie God is, zegt artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. De Amerikaanse theoloog Leonard J. Vander Zee bracht dat prachtig onder woorden aan het begin van zijn indrukwekkende lezing ‘From Stardust tot he New Jerusalem – Preaching the Gospel in an Evolving Universe op de BioLogos-conferentie ‘Evolution and Christian Faith’ van 30 juni – 2 juli 2015 in Grand Rapids:

I was brought up on the Belgic Confession, and I knew the idea that God has revealed himself in two books,” in the book of revelatioan called the Bible and in the book of nature, which is Gods creation. And I knew that science is the study of God’s revelation in nature, in the quarks and the galaxy’s and the DNA, and it therefore could not finally contradict what the Bible says, because God does not speak in two voices.

De oorzaak van de kortsluiting is volgens mij bij beide schrijvers onder andere te vinden in het probleem van het lijden. Als het leven op aarde zich namelijk in miljoenen jaren ontwikkeld heeft, is er ook sprake geweest van heel veel lijden, pijn en dood onder de dieren. Dat vindt Gijsbert van den Brink in het interview dat hij op 22 juni in het ND gaf één van de grootste vragen: “het immense lijden dat levende wezens al sinds de vroegste tijden heeft getroffen, de dood van talloze dieren – hoe kan God zo’n wereld geschapen hebben?” In zijn boek komt hij niet verder dan de konklusie: “wij mensen bevinden ons niet in de positie om de motieven te beoordelen die de soevereine God gehad kan hebben om een wereld te scheppen waarin zoveel lijden voorkomt.” (pag. 328/329) Het lijkt erop dat Mart Jan Paul met hetzelfde probnleem worstelt, want hij zegt in het interview van 30 augustus: “Dat de wereld goed begon, dat er geen dood was – ik raak er steeds meer van overtuigd: óók geen dieren die elkaar doden – dat (…) dat zijn gegevens die de hele Bijbel doortrekken. Die blijven niet overeind als je de evolutietheorie omarmt.”

Wat is ‘goed’?

Zou het kunnen dat beide theologen onder de invloed van onze hedendaagse cultuur een te hoge waarde aan dierenwelzijn toekennen en een te idealistisch, idyllisch beeld van hoe de aarde zou moeten zijn als God die aan het einde van zijn scheppingswerk ‘zeer goed’ noemt? Zelf heb ik er niet zoveel problemen mee om te aanvaarden dat zwaluwen vóór de zondeval zich tegoed deden aan vliegen en andere insecten, dat de leeuwen alleen maar konden overleven door af en toe een antilope te verschalken en dat zeehonden dagelijks hun vaste portie vis verorberden. De mensen moesten heerschappij voeren over de dieren (Gen. 1:26), de aarde onder hun gezag brengen (Gen. 1:28) en de tuin van Eden bewerken en bewaken (Gen. 2:15). Dat hoort allemaal al bij de goede Douma Jochemschepping en is niet pas aan de orde na de zondeval, zoals Jochem Douma in zijn boek ‘Genesis’ schrijft (blz. 21). Douma wijst er ook op, dat God meteen na de zondeval kleren van dierenvellen geeft in plaats van de schorten van vijgenbladeren die Adam en Eva  zelf snel aan elkaar geregen hadden. Ook is Douma van mening dat al vóór de zondeval roofvogels andere dieren moest doden om aan voedsel te kunnen komen (beide blz. 22). Als je dieren geen menselijke eigenschappen toekent en als je als het goede van de schepping niet invult volgens de menselijke gelukscategorieën, is voor mij een ruige schepping geen probleem, ook niet als het om de natuurlijke dood van dieren gaat.

Het gelijk ligt vooral bij …

Er is dus een merkwaardige, paradoxale overeenkomst in de standpunten van Van den Brink en Mart Jan Paul. Toch komen ze totaal verschillend uit. Wie heeft het gelijk het meest aan zijn kant?

Matthijs HaakIk neig toch naar Van den Brink. Maar wel met een kanttekening die de Dordtse dominee Matthijs Haak begin 2016 in één van zijn blogs maakte. Hij herhaalde dat op zijn FB-pagina op 30 augustus 2017 in deze bewoordingen: “Het christelijke gesprek is momenteel zo dat de vraag ‘past het christelijk geloof bij wetenschappelijke inzichten?’ overheerst. (Vd Brink stelt steeds deze vraag). Aan een eigen verhaal komen christenen daarom niet echt toe, terwijl dat juist nu zo hard nodig is.”

Dat is ook mijn kritiek op het boek van Van den Brink. Hij plooit de Bijbel naar de evolutietheorie. Dat doet hij zonder tekort te doen aan het gezag van de Bijbel, dat wil ik er meteen nadrukkelijk bij zeggen. Maar het voelt een beetje als bij de Brexit. Net als Europa is de evolutietheorie duidelijk de bovenliggende partij, en het christelijk geloof is net als het Verenigd Koninkrijk de onderliggende partij. Om het met de vooruitziende blik die Matthijs Haak begin 2016 al had te zeggen: als Van den Brink wetenschappelijke gegevens presenteert, is het een en al zekerheid wat de klok slaat. Als het bij hem over de Bijbel gaat, dan zijn het vooral vragen of hoe Genesis gelezen moet worden? Wetenschappelijke inzichten vormen dus het frame en de Bijbel komt er nogal bekaaid van af. Dat is te marginaal om met een overtuigend eigen christelijk verhaal te komen (zoals Vander Zee wel gedaan heeft)

Wat het standpunt van Paul betreft, ben ik op grond van het interview minder enthousiast. Ondanks overstelpende bewijzen vóór natuurlijke, biologische evolutie zegt hij in het ND dat de evolutietheorie echt niet zoveel sterker staat dan het betrouwbare verslag van de Bijbel. Daarbij gebruikt hij drie nogal suggestieve argumenten, namelijk: “[A] Waarom werd Darwin bijvoorbeeld in zijn tijd meer aangevallen door vakgenoten dan door theologen? Dat zou je niet verwachten. [B] Bedenk daarbij dat de evolutietheorie sterk gevormd is door het vooruitgangsgeloof van de negentiende eeuw. [C] En wist je dat Darwins grootvader al kwam met gedachten van natuurlijke evolutie? Die visie zat in de familie. Wat is nu aangetoond en wat is levensovertuiging?, vraag ik mij dan af.”

Dit vind ik onder de maat. Wat [A] betreft vind ik het logisch dat iemand met een kompleet nieuwe theorie eerst binnen zijn vakgebied kritisch bevraagd wordt. Als het om [B] gaat doet Paul net alsof objectief toetsbare feiten en intellectuele theorieën haast per definitie gewantrouwd moeten worden omdat ze uit een verdachte hoek komen. En argument [C] is ook nog eens postuum onder de gordel. Als het ook maar voor 10% waar zou zijn, kunnen we het boek van Mart Jan Paul meteen ongelezen in de oud-papier-container gooien omdat zijn grootvader uit de zware hoek van de Gereformeerde Bond kwam, waar zelfs de 1000 jaren in Openbaringen nog letterlijk genomen werden.

Toch ga ik ook het boek van Paul aanschaffen en lezen en heb ik me ook voor vervolgronde ingeschreven. Ik ben erg benieuwd hoe beide theologen inhoudelijk op elkaars boek zullen reageren. Vooral, omdat er best veel van afhangt. Of misschien ook wel niet. Ieders mening over schepping en/of/door evolutie is gebaseerd op geloof. Ik geloof dat mijn God de Schepper van hemel en aarde is. En als het om het ontstaan daarvan gaat, ben ik het van harte met Jochem Douma eens (blz. 45): “Wij worden in Genesis 1 niet ingelicht over hoe wij ons intellectueel het scheppingsproces moeten voorstellen, maar hoe wij existentieel aan God als Schepper verbonden zijn.”

Over schepping, evolutie, DNA en het christelijk geloof

Bretagne 2Met een prachtig uitzicht op de Bretonse kust (gevormd in miljoenen jaren of door zondvloed) begon ik met het lezen van ‘En de aarde bracht voort’  – het nieuwste, tamelijk pittig geschreven boek van de gereformeerde theoloog Gijsbert van den Brink (hij is de broer van Thijs, één van de bekende gezichten van de EO). Hij gaat in op de vraag hoe je de kern van het christelijk geloof, namelijk schepping, mens als beeld van God, zondeval, verlossing, voorzienigheid en nog een paar andere thema’s, kunt verbinden met de gangbare evolutietheorie. Want die heeft als wetenschappelijke verklaring over het ontstaan van de aarde en de ontwikkeling van het leven op aarde hele sterke argumenten, vindt Gijsbert van den Brink. Dus doet hij een erg interessante poging om te ontdekken of en hoe bijbelgetrouw geloven en het accepteren van de evolutietheorie samen kunnen gaan. Het is een erg goed geschreven boek, ook als je het niet in alles of misschien wel in alles niet met de schrijver eens bent. Terecht staat op de achterflap de “een onmisbare bijdrage is aan het actuele debat over schepping en evolutie.”

Gijsbert vd Brink - En de aarde bracht voort.jpgEr komt dan ook een congres over dit boek op vrijdag 22 september. Daarin gaan acht deskundigen (theologen en natuurwetenschappers) met Gijsbert van den Brink in debat. Het congres is nu al volgeboekt en verplaatst van een congrescentrum naar een kerkgebouw met 600 zitplaatsen! Eén van de interessante vragen waar dit boek op ingaat is de kwestie van de “ingeschapen ouderdom en schijnleeftijd” van de aarde. God zou de aarde dan geschapen hebben met kant en klare fossielen in allerlei aardlagen die wetenschappelijk gezien miljoenen jaren oud zijn. Gijsbert van den Brink wijst die theorie af omdat God ons dan zou misleiden, want “welk belang zou God erbij hebben om ons zo massaal om de tuin te leiden? Is God niet de Waarachtige en Betrouwbare bij uitstek? Bovendien, als God ons in [het boek van] de natuur voor de gek houdt, hoe weten we dan dat Hij dat niet ook doet in de Schrift?” Dit citaat vind ik één van de minder geslaagde taxaties in zijn boek. En zo zijn er wel meer, nog kritischer vragen te stellen. Maar wat je er ook van vindt, het boek is verplichte stof voor iedere christen die hier echt in geïnteresseerd is of het een lastig onderwerp vindt.

Bruce Buff HemelbewijsMaar goed … de vakantie is er niet alleen om dit soort boeken te lezen, dus heb ik ook twee Grishams uitgelezen én een detective die dit jaar verschenen is, nl. Hemelbewijs – het debuut van de Amerikaan Bruce Buff. Daarin doet een professor een baanbrekende DNA-ontdekking waarmee hij kan bewijzen dat het heelal door God is geschapen en waarmee de mens een flinke stap naar de onsterfelijkheid zou kunnen zetten. Het eerste is tegen het zere been van een niet-gelovige vriend van de professor. Het laatste is natuurlijk een reden dat er van alles helemaal uit de hand loopt omdat hooggeplaatste heren en een enkele dame met kwade bedoelingen dit recept van eeuwig leven graag in handen willen krijgen. Qua verhaallijn vond ik het een schamel 6-je. Bovendien is het te snel en dus wat slordig vertaald (‘nucleus’ en ‘assumptie’ zijn echt geen Nederlandse woorden, overbodige herhalingen, twee verschillende namen voor hetzelfde ex-vriendinnetje).

Wat ik wél heel boeiend vind, is de beschrijving van de baanbrekende DNA-ontdekking van de professor. Kort gezegd gaat het over hoe het DNA functioneert. Er is te weinig basismateriaal in het DNA om alle ontwikkelingen en functies alleen vanuit biologische processen te kunnen verklaren, want dan zouden embryo’s er veel langer dan negen maanden over doen om tot volwaardige baby’s uit te groeien in de buik van hun moeder en zouden veulens niet meteen na de geboorte kunnen opstaan en lopen. Ergens moeten die processen in het DNA door algoritmen gestuurd zijn. Algoritmen zijn een soort parameters. Die kunnen alleen maar van te voren zijn bedacht en ingesteld. Als je als mens die code weet te kraken, je hoeft ze maar ietsje bij te stellen, en je krijgt een totaal andere uitkomst. Zou er inderdaad in het DNA zo’n code zitten? Zo ja, dan wijst dat op een Schepper. En dat zou de oorsprong van het leven kunnen verklaren. Iets wat de evolutietheorie van Darwin niet kan. Dit vind ik een razend interessante hypothese. Maar het gaat mijn lekenverstand ver te boven. Dus ik hoop dat iemand het me nog eens goed uitleggen kan.

Bretagne 1Ondertussen heb ik wel mooi mijn derde detective gelezen in Bretagne. Maar ik vond het ook meteen een goede aanvulling op het theologische boek van Gijsbert van den Brink. Al was het alleen maar omdat het, ook al is het beslist niet wetenschappelijk geformuleerd, wel een aantal hele prikkelende uitspraken doet over wat je allemaal uit het DNA kunt afleiden. Zelfs misschien wel het bestaan van God – als meer dan acceptabele theorie tegenover de evolutietheorie van Darwin.

Meer info over beide boeken: Gijsbert van den Brink, En de aarde bracht voort – christelijk geloof en evolutie, Uitgeverij Boekencentrum, 2017, € 22,99; Bruce Buff, Hemelbewijs, Uitgeverij Kok, 2017, € 22,50

 

Christendom + macht = misbruik?

amerika-vlag-vrijheidsbeeldIn Amerika is een flinke maatschappelijke diskussie aan de gang over de vraag of de standbeelden van de generaals van de zuidelijke staten uit de Amerikaanse Burgeroorlog van 1861-1865 moeten worden verwijderd. Want die zuidelijke staten wilden de slavenij handhaven. Zulke ‘foute’ leiders verdienen geen standbeeld. Op die mening valt wel het nodige af te dingen (klik hier om een artikel uit het Reformatorisch Dagblad van 23-08 2017 te lezen over generaal Robert E. Lee). Naar aanleiding van dit nieuws plaatste iemand op Facebook de opmerking, dat we dan ook maar alle beelden van Jezus moesten opruimen, omdat er  heden ten dage nog miljoenen mensen zijn die door Hem op het verkeerde pad gebracht zijn, zodat ze nog steeds in zijn waanideeën geloven alsof Hij kon lopen over water en dat Hij de Zoon van God zou zijn. En in de reakties op dat FB-bericht gaat het dan meteen ook over het christelijk geloof dat door de geschiedenis heen tot zoveel oorlogen en andere vormen van misbruik heeft geleid.

geloof en machtKlopt dat? Is het waar wat wel eens als wiskundige stelling gezegd wordt : christendom + macht = misbruik? Ik kan me er wel iets bij voorstellen. In de naam van God heeft de kerk veel leed veroorzaakt. Denk alleen maar aan de schandalen rond seksueel misbruik door priesters in de RK-kerk, maar ook in andere kerken. En zo gauw de kerk een politieke factor werd,  ging het ook mis. Denk aan de kruistochten. Met de leus “God wil het!” werden joden en moslims en ook de christenen in het Midden-Oosten die allemaal ketters waren, een kopje kleiner gemaakt. En later, in de Gouden Eeuw en daarna tot aan Kruistochtende Tweede Wereldoorlog, zie je dat grote delen van Afrika, Amerika, Australië  en Azië gekoloniseerd zijn door Europeanen. Maar altijd namen die ook het christendom mee. Christendom en kolonialisme gingen hand in hand. Ja, zeiden onze voorvaders: God staat aan onze kant, dus het christelijk geloof is het geheim van ons succes, en dat christelijk geloof brengen we nu ook aan de blinde heidenen. Maar ondertussen maakten we ons schuldig aan uitbuiting  en slavernij – dingen die we nu afkeuren. En zowel in de Eerste als in de Tweede Wereldoorlog werden de legers van beide kanten ingezegend door priesters en predikanten. Ja, in W.O. II droegen de Duitse soldaten op het slot van hun koppelriem het Nazi-symbool én de tekst ‘God met ons’.  Da’s andere koek dan op de rand van onze 2-koppelriem-gott-mit-uns.jpgEuro-munt! Geen wonder dat sommige mensen zeggen: christendom + macht staat gelijk aan misbruik. Of, nog sterker: religie vergiftigt alles. En ik ga het ook niet goedpraten. Ik maak ook geen lijst van alle goede dingen die het christendom gebracht heeft. Dan ga je dingen tegen elkaar wegstrepen. En dus jezelf rechtvaardigen.

Maar weet je wat het is? Het is te simpel om te zeggen dat het aan het christendom ligt. Je moet verder kijken. Wie veroorzaken al die ellende in de wereld? Zijn dat alleen christenen? Zijn dat alleen religieuze mensen? Als je eerlijk bent, moet je zeggen: nee, er zijn ook veel niet-christenen die met de macht die ze hadden veel leed veroorzaken. Denk maar aan Hitler in Duitsland. Denk maar aan Stalin in Rusland. Denk maar aan Mao Zedong in China. Denk maar aan Pol Pot in Cambodja. En dan heb je nog een stel minder bekende figuren.  Je moet dus dieper boren en jezelf de vraag stellen: waarom maken vóór 1900 veel religieuze mensen misbruik van hun macht? En waarom maken in de 20-ste eeuw veel niet-religieuze mensen hun macht om miljoenen slachtoffers te maken? Dat heeft simpelweg te maken met feit dat vóór 1900 de meeste mensen religieus waren en in 20-ste eeuw voor eerste keer sinds eeuwen de dictatoriale machthebbers niet-religieus waren. En nu, in de 21-ste eeuw, zijn het weer de religieuse groeperingen die hun macht misbruiken – en dit keer vaker moslims dan christenen.

Oftewel: de stelling christendom + macht = misbruik klopt niet. Je  moet zeggen: iedereen + macht = misbruik. Over heel de breedte maken mensen misbruik van hun macht en invloed als ze de kans krijgen en in die positie komen. Als het gelovige mensen zijn die misbruik maken van hun positie, is de Bijbel daar heel scherp in. God houdt religieuze mensen niet de hand boven het hoofd. Integendeel, Jezus hekelt de hypokriete geestelijke leiders en vergelijkt ze met grafmonumenten: van buiten prachtig, van binnen  verrot. Maar in de Bijbel zegt God er nog iets bij: dat geldt voor alle mensen. Wij Kruis Jezus misdadigers in loodzijn allemaal rot van binnen. En dat is moeilijk te accepteren.  Er zijn maar weinig mensen die zoveel zelfinzicht hebben én dat royaal durven te erkennen als die ene misdadiger die naast Jezus aan het kruis hing. Want die zei tegen zijn maat in het kwaad: ‘Ben jij zelf nu nog niet bang voor God? Want wij hangen hier terecht! En straks moeten wij voor onze Maker verschijnen.’ Dat hoor je bijna niemand in de gevangenis of in de rechtszaal zeggen: ‘Ik zit terecht gevangen, ik ben zo schuldig als het maar kan, ik verdien terecht de zwaarste gevangenisstraf.’ Er zijn maar weinig mensen zoals die tweede misdadiger.  Wie ziet nou voluit het kwaad in zijn eigen leven en erkent volledig zijn eigen schuld?

Inderdaad, ook christendom + macht = misbruik. Omdat christenen ook mensen zijn. En alle mensen misbruiken hun macht ten koste van anderen. Ik ken maar één uitzondering: Jezus. Uit alle vier biografieën over zijn leven die in de Bijbel staan komt hetzelfde beeld naar voren: Jezus + macht = liefde & zelfopoffering. Dat zie je het beste kruisiging moordenaar 2aan het kruis. Maar liefst drie keer staat er, dat mensen tegen Hem roepen: ‘Red je zelf als je kunt!’ Maar Jezus deed het niet. Hij wendde zijn macht niet aan om zelf de Man te zijn en als de grote Leider vereerd te worden.  Nee, Hij bracht zijn eigen levenslessen in praktijk en keerde zijn vijanden de andere wang toe. Hij bad zelfs voor ze toen de spijkers door z’n handen en voeten geslagen werden: ‘Vader, vergeef het hun.’ Hij kwam niet van het kruis af, maar bleef hangen, want Hij wilde anderen redden van de eeuwige ondergang.  

Dus als iemand beweert dat het christendom alleen maar ellende veroorzaakt, en dat Jezus met zijn rare ideeën daar de oorzaak van is, dan klopt dat niet. Je moet de inhoud van het christendom beoordelen op grond van de Persoon om wie het gaat: Jezus Christus. Niet op grond van zijn volgelingen, de christenen. Want daar zijn stapels mensen onder die hypokriet zijn of hun macht misbruiken voor het eigenbelang. Ja, als je eerlijk bent, weet je diep in je hart dat je daar zelf ook vatbaar voor bent. Wees daar niet verbaasd daarover, dat was Jezus ook niet. Het is pas fataal voor het christendom , als je ook Jezus kunt betrappen op zulk misbruik. Maar dat zal je niet lukken, als je tenminste de verhalen over Jezus eerlijk en onbevooroordeeld durft te lezen.

Deze blog heb ik verder uitgewerkt in een preek over Lukas 23:32-43 die met liturgie, PPP en kindmoment te vinden is onder ‘Preken’ –> ‘Preken NT’.

 

In vakantiestemming naar je vakantiebestemming met Psalm 121

We zitten midden in ‘de grote vakantie’, zoals we bij ons in het dorp vroeger de zomervakantie noemden. Veel mensen gaan dan weg, op reis naar de plek waar ze vakantie houden. Sommige mensen gebruiken nog een wegenkaart. Andere mensen een routeplanner. De meesten volgen de ‘Route du Soleil’ – de zon achterna. Eén van mijn favoriete zomerliedjes gaat daarover: het prachtige nummer ‘Une belle histoire’ van Michel Fugain.

In Israel gingen veel mensen ook elk jaar op reis. Elk jaar gingen ze naar dezelfde plek. Naar Jeruzalem. Lopend. Voor de kinderen was dat echt een vakantiereis. Denk maar aan Jezus toen hij 12 was en voor het eerst meemocht. Voor de vaders en moeders en andere volwassenen was het geen vakantiereis. Nee, voor hen was het een pelgrimstocht. Ze wilden God opzoeken in de tempel. Want ze wisten: God heeft ons gemaakt. Hem behoren wij toe. Zijn volk zijn wij, de schapen die Hij weidt. Die God wijst ons ook de weg. Hij geeft ons leven zin. Als we zijn aanwijzingen volgen, komen we op de reis door het leven veilig bij Hem aan, want zijn liefde duurt eeuwig. En in Jeruzalem staat de tempel van God, daar woont de HERE bij zijn volk. Dus willen de gelovigen van toen daar graag naar toe. Met een loflied trekken ze door de tempelpoort naar binnen en in de voorhof van de tempel heffen ze een lofzang aan. Dat is Psalm 100. Het is goed de HEER te ontmoeten waar Hij te vinden is. Daar word je in hun geloof versterkt. Door voor de HERE zingen, naar zijn woorden te luisteren, door offers te brengen – schuldoffers voor je zonden en dankoffers voor Gods vergevende liefde. Dat is goed voor je geloof, daar word je rustig van, dan vindt je hart vrede. Maar voor je bent waar je wezen wilt, moet je een hele reis maken. Om de moed er in te houden, zongen de gelovige Israelieten op weg naar Jeruzalem hun pelgrimsliederen. Psalm 121 is er één van, waarschijnlijk de meest bekende en geliefde. Een lied voor onderweg, onderweg naar het huis van de HERE hun God.

Dat is zoveel eeuwen later nog steeds zo. Als je christen bent, zoek je de zin van het leven nog steeds verderop: in het nieuwe Jeruzalem – de Lichtstad met zijn paarlen poorten. Terwijl we onderweg zijn, noemt Psalm 121 de HERE ‘de wachter van Israel’. Dus niet van jan en alleman – hoewel, God zorgt voor heel zijn schepping en is dus voor alle mensen goed. Maar Israel is zijn eigen volk met een speciaal plekje in z’n hart. En van dat Israel maken sinds Pinksteren alle gelovigen over heel de wereld deel van uit – iedereen die echt in God én in zijn Zoon Jezus Christus gelooft. Ook voor hun kinderen heeft de HERE een speciaal plekje in zijn hart. Later zal Jezus het zo zeggen: ‘God wil niet dat ook maar één van de kleinsten verloren zal gaan.’ Daarom hebben zoveel mensen Psalm 121 in hun hart gesloten. Het beschrijft heel onze levensweg. Als je christen bent weet je: ik ben onderweg naar het Vaderhuis, daar zal ik mijn Heer ontmoeten. En onderweg mag ik al van zijn aanwezigheid genieten, in de Bijbel, door de Heilige Geest, in al het goede van de schepping, samen met al die andere reisgenoten die ook hun blik gericht houden op Jezus als Leidsman en Redder en Voltooier van ons geloof.

A5 20Maar laten we elkaar niet wijs maken, dat we er al zijn, dat ons niets overkomen kan. Eerder omgekeerd: in het groot en in het klein gebeurden er heel veel dingen die je niet van te voren zag aankomen. En wat je niet ziet aankomen, daar kun je als een berg tegenop zien. Of het komt als een vloedgolf over je heen. En dat hakt er allemaal zwaar in. De vraag is: wat doe je dan? In de meeste vertalingen begint Psalm 121 met een vraag, en geen kleintje ook: Ik sla mijn ogen op naar de bergen; vanwaar komt mijn hulp? Maar misschien heeft de BGT het wel bij het juiste eind en moet ook vers 1, net als de andere verzen, een uitroepteken zijn: Ik kijk omhoog naar de bergen. Daar komt mijn help vandaan! Daar – waar ik de tempel al zie schitteren op de top van de berg Sion!  Dan heb je zorgen, is er twijfel, krijg je te maken met tegenslag, lijd je pijn en ken je verdriet. Maar je weet ook: God is er altijd bij! Bij Hem mag ik schuilen. Hij gaat met mij mee! Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt, dus wie kan er beter de wacht over mij houden?

Sterker nog: die God is bij de mensen komen wonen. Hij wil kontakt met ons. Hij zorgt voor nieuwe perspektieven. Hij gééft ons Jezus en vérgeeft ons onze zonden. Je mag naar Hem toe, naar de tempel in Jeruzalem in die tijd, naar elke christelijke kerk in onze tijd waar Jezus Christus centraal staat. Dat is goed voor je geloof, daar vindt je hart vrede. Voor een gezond geloofsleven, om te groeien in wijsheid en vertrouwen, moet je bij de HERE zijn. Op de plaats waar Hij zich laat vinden: in de tempel, zoals de 12-jarige Jezus al heel goed wist. In zijn gemeente, want daar wil Jezus onze Heer door zijn Woord en Geest in ons midden zijn. Als je je dat als goede gewoonte aanleert – lees je Bijbel, bid elke dag, ieder zondag naar de kerk – zul je bij speciale momenten de HERE opzoeken en Hem bedanken of om hulp vragen. Want zo eindigt Psalm 121: De HEER houdt de wacht over je gaan en je komen van nu tot in eeuwigheid. In de oude vertaling van 1951 stond het misschien nog wel mooier: De HERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren. Heel het mensenleven zit vol met zulke kantel-momenten. Maar hoe het ook gaat, welke periode je ook ingaat en hoe je er ook uitkomt, de Bijbel in Gewone Taal zegt het heel direkt: De HEER beschermt je, overal, waar je ook gaat, je leven lang. Geloof je dat? Dan kun je rustig op vakantie gaan. Of weer aan het werk gaan. En elke zondag vol vertrouwen naar de kerk gaan. Want God beschermt mij mijn leven lang. Hoe kun je dat zeker weten? Nou, de Bijbel is je routekaart! Daarin staat wie er voor mijn verlossing zorgt: Jezus Christus. En in de Bijbel staat, wie er voor mijn geloof zorgt: de Heilige Geest. En in de Bijbel staat, wie er altijd voor mij zal zorgen: mijn Vader die hemel en aarde gemaakt heeft. En ook al is het dan een komen en gaan van allerlei verschillende momenten – ‘Hou vol, hou vol, Hij laat niet los’!

cropped-bergtop-belalp-header.jpgDurf jij daarop te vertrouwen? Op de HERE, die ook jouw Herder wil zijn? Een Herder die nooit slaapt, maar altijd goed oplet? Durf je daar om te vragen? Of Hij, die hemel en aarde gemaakt heeft, ook in deze vakantie én in het nieuwe seizoen over jou getrouw de wacht wil houden? Durf je deze Psalm mee te zingen? Een psalm vol bemoediging, een psalm waardoor de Heilige Geest ervoor wil zorgen dat je het volhoudt om te geloven. Wat er ook gebeurt, dit is waar ik op vertrouw: ‘Mijn hulp komt van de HEER die hemel en aarde gemaakte heeft. Hij is mijn wachter. Hij waakt over mijn leven.’

Tauren Wells zong het prachtig lied ‘Hills and Valleys’, waarin dit vertrouwen ook heel sterk tot uitdrukking komt.

Foto’s: de bergen in Vorarlberg/Wormserhütte en in Wallis/Bel-Alp – Karla Leeftink Natuurfotografie – http://www.karlaleeftink.com

Een hartstochtelijk pleidooi voor christelijke vrijheid

“Paulus gebiedt dat men God zal aanroepen met uitgestrekte handen en een ontbloot hoofd. Maar wanneer ik met aandacht tot God kan bidden met een bedekt hoofd en zonder uitgestrekte handen, en toch de eerbied en de orde in de gemeente niet verstoor, voorwaar, ik ben aan zo’n voorschrift niet verbonden.”

“Voorwaar, het is een voorschrift van Paulus dat vrouwen hun hoofd behoren te bedekken, en toch zou het tegen de christelijke vrijheid ingaan, wanneer men alle volken en iedere christen persoonlijk zó daaraan wil binden als het niet anders geoorloofd is.”

Deze zinnen vloeien in 1568 uit de pen van Marnix van Sint Aldegonde. Waarom? Nou, in de Nederlandse vluchtelingengemeente te Londen was sinds 1564 grote on­enig­­heid ontstaan over het gebruik van twee getuigen bij de doop. De nieuwe predi­kant, Godfried van Wingen voerde, met instemming van de kerkenraad, in fe­bru­­ari van dat jaar dit als verplichting in. Met nadruk werd gesteld, dat dit gebruik van ouds in de christelijke kerk in gebruik­ was, niet in strijd is met de Schrift en voor het functioneren van de kerk in Loden noodzakelijk was. Enkele diakenen protes­teer­den hiertegen. Maar de kerkenraad hield voet bij stuk. De zaak escaleerde en diverse pogingen om de vrede te herstellen mislukten. De kern van het kon­flikt draai­de om de vraag: bezitten ambtsdragers het gezag en de autori­teit om bindende besluiten te nemen waar alle gemeenteleden zich verplicht aan moeten houden?

Marnix Aldegonde portret 2Om aan de ‘Wingense Twisten’ (zoals het inmiddels heette) een einde te maken, gaf de Londense kerkenraad in maart 1568 een brochure uit met 27 stellingen over de christelijke vrijheid en over het gezag en de bevoegdheid van de kerkenraad om bindende voorschriften op te leggen aan de gemeente. Kort samengevat komt het hier op neer: een kerkenraad mag in het belang van de gemeente regels en voorschriften op te stellen. Als die niet tegen de Bijbel in gaan, moeten gemeenteleden zich daaraan onderwerpen. Deze taak hebben zij van Christus ontvangen, net zoals de overheid van God de bevoegdheid ontvangen heeft om wetten te maken en te handhaven die goed zijn voor de burgers van het land.

De kerkenraad stuurde deze brochure ter goedkeuring naar verschillende kerken, waaronder Geneve, Heidelberg en Emden. Marnix van St. Aldegonde woonde in die periode vlak bij Emden. Hij heeft in twee uitgebreide brieven gereageerd op de 27 stellingen van de kerkenraad van Londen, waarschijnlijk in opdracht van de kerkeraad van Emden. Het oordeel van Marnix over de 27 stellingen is vernietigend. Maar zeven ervan kunnen de toets van de kritiek doorstaan als je ze naast de Bijbel legt. Dat komt, aldus Marnix, omdat de kerkenraad van Londen op twee punten behoorlijk de mist in gaat.

1/ De taak en de bevoegdheid van ambtsdragers

Marnix is het absoluut niet eens met het standpunt dat een kerkenraad allerlei regels bindend op mag leggen aan de gemeente. De enige taak die ambtsdragers hebben is, ervoor te zorgen dat iedereen in de gemeente zich aan Gods wet houdt. Daarbij moeten ze met wijsheid en onderscheidingsvermo­gen rekening houden met de situatie van het moment. Want het gezag van de kerkenraad is niet hetzelfde als het gezag van de overheid. Dat blijkt wel, zegt Marnix, uit hoe Petrus heel anders over de positie van de oudsten als hoeders van de kerk spreekt (1 Pt. 5:2-3) dan over de positie van de overheid (1 Pt. 2:13-17). De overheid moet je gehoorzamen in alle besluiten die niet tegen Gods Woord ingaan. Een kerkenraad hoef je alleen maar te gehoorzamen in alle besluiten die rechtstreeks uit Gods Woord voortvloeien (of wanneer het puur praktisch voor de orde en de rust in de gemeente nodig is). Want alleen dan is het gezag van de ambtsdragers ge­lijk aan het gezag van Christus. Marnix verwijst daarbij naar de woorden van Paulus: ‘Ik geef u het volgende gebod, nee, niet ik, maar de Heer’ (1 Kor. 7:10). Maar in zaken die de ambtsdragers niet direkt uit hoofde van hun ambt of uit Gods mond aan de gemeente voorhouden, mogen zij wel advies geven, maar niet gebieden. Anders maken ze misbruik van het gezag van Christus. Dat verbiedt Paulus bij eigen menin­gen. Hij maakt duidelijk onderscheid, als hij zegt: ‘Ik heb geen voorschrift van de Heer, maar geef mijn eigen mening, als iemand die ook de Geest van God bezit’ (1 Kor. 7:25+40).

2/ Het karakter van kerkelijke regels

Volgens Marnix mag een kerkenraad nooit bindende voorschriften aan de gemeente opleggen in zaken die niet direkt uit Gods Woord hun ambt voortvloeien, want dan gaat men heersen over de gewetens van de gelovigen. Marnix wijst op de gebruiken van de oude kerk, zoals olie in de doop, water in de avond­­maals­wijn, afbeeldingen van het kruis en feest- en vastendagen. Al die zaken kwamen op uit een te res­pek­teren verlangen naar een goede orde in Gods gemeente en dienden tot opbouw van het geloof. Maar toen het een gebod werd en de kerk gehoorzaamheid eiste, werd het een tirannie over de gewetens.

Hoe moet je dan wel met kerkelijke regels omgaan? Nou, zegt Marnix voortdurend:

Blijf altijd kijken naar het doel van een bepaling. Als je de bedoeling daarvan kunt nakomen zonder je aan de letter daarvan te hoeven houden, mag niemand zo’n regel bindend opleggen. Anders wordt de christelijke vrijheid beperkt door menselijke voorschriften.

Marnix staaft zijn gevoelen over de christelijke vrijheid met de volgende teksten: Hand. 15:10+28, heel Rom. 14, 1 Kor. 7:23, 1 Kor. 8, Gal. 3:25, Gal. 4:9-10 en Kol. 2:15-23.

Hij noemt ook de voorschriften van Paulus dat mannen moeten bidden met opgeheven handen (1 Tim. 2:8) en onbedekt hoofd (1 Kor. 11:4) en dat vrouwen zelfs altijd hun hoofd behoren te bedekken (‘een macht op hun hoofd’ = ‘een decksel het welcke beduydt dat sy onder eens anders macht is’ aldus de Deux-Aes-Bijbel uit 1562 n.a.v. 1 Kor. 11:10). Maar het gaat tegen de christelijke vrijheid in om deze regels bindend voor te schrijven aan alle christenen.

Verder haalt Marnix de uitspraken van het apostelconvent van Jeruzalem uit Handelingen 15 aan. Daar werd besloten dat niet-joodse christenen zich moesten onthouden van het eten van vlees waar het bloed nog in zat en wat aan de afgoden gewijd was. Toch was dat geen bindend voorschrift waar alle christenen zich tot in lengte van jaren aan moesten houden. Het werd slechts voor een bepaalde tijd ingesteld om samen de liefde en de eenheid te onderhouden en om ergernis te voorkomen.

Als het om praktische zaken gaat, geldt hetzelfde. Dan moet je je aan de gezamenlijke afspraken houden. Bijvoorbeeld als het gaat over de manier waarop de sakramenten bediend worden. Als de kerkenraad besluit om het avondmaal aan tafel te vieren, mag ik dat niet ergens in een hoekje van de kerk op eigen gelegenheid doen, zegt Marnix. Maar dat is dan niet omdat dit besluit mijn geweten bindt (“want by God en gheldt niet oft ik stae oft zitte”), maar omdat het doel van deze bepaling duidelijk is, namelijk dat het avondmaal ordelijk en tot Gods eer gevierd wordt.

Ook laat Marnix zien, dat men over die dingen, die naar hun aard noch goed, noch slecht zijn, van mening kan verschillen. Het hangt dan van de omstandigheden af welke beslissing je neem. Paulus was bereid om Timoteüs te besnijden, maar bij Titus wilde hij het beslist niet, omdat het toen als principekwestie aan alle gelovigen werd opgedrongen.

Marnix Aldegonde Repos Ailleurs
Marnix is verder heel scherp in zijn analyse als het gaat om de vraag wie de oorzaak is van de grote onenigheid in de kerkelijke gemeente van Londen. Dat zijn niet de gemeenteleden die protesteren tegen het verplichte gebruik van doopgetuigen. Nee, dat is de kerkenraad zelf! Die kent zichzelf ten onrechte de macht en de bevoegdheid toe om buiten Gods Woord om bindende regels op te leggen aan heel de gemeente. Daarmee zijn ze heersers geworden over Gods kudde in plaats van hoeders die in zachtmoedigheid en nederigheid de schapen weiden. Oftewel: de schuld van de onenigheid ligt bij niet bij die kerkleden die van hun christelijke vrijheid gebruik willen maken, maar bij de ambtsdragers die vanwege hun positie met gezag andere mensen willen binden in vrije zaken.

Het argument dat je als christen rekening moet houden met andermans overtuiging en geen aanstoot of ergernis mag geven, gaat hier niet op. Want, zegt Marnix, ik doe geen beroep op de christelijke vrijheid tegenover zwakke medechristenen, maar tegenover een instantie die heel de gemeente een onschriftuurlijk juk op wil leggen. Omdat zoiets in Gods gemeente niet geoorloofd is, ben ik wel verplicht om daar openlijk tegen te protesteren.

Marnix’ drijfveer: de regel der liefde

Aan het begin van zijn eerste brief geeft Marnix al aan, wat zijn belangrijkste motief is om te reageren op de stellingen van de kerkenraad van Londen. Hij heeft gehoord dat de grote onenigheid die in Londen ontstaan is, veroorzaakt werd door een zeer kleine, lichte en bijna lachwekkende oorzaak. Hij vindt het verschrikkelijk dat christenen Gods heilzame Woord en de waarheid van zijn Zoon Jezus Christus zo schandelijk misbruiken en verdraaien om hun eigen gelijk te halen, elkaar in de haren te vliegen, zonder in christelijke liefde elkaar ook maar enigszins tegemoet te willen komen omdat ze onbuigzaam vasthouden aan wat ze zich als de enige waarheid in het hoofd gehaald hebben. Maar als je je echt wilt laten leiden en sturen door Gods Woord, vraagt Marnix zich af, waarom zie je dan niet, dat daarin de liefde, de eenheid en de vrede het eerste en het laatste is, wat ons door Christus wordt opgelegd? Dat is de manier, waarop we in de gemeente met elkaar om moeten gaan. Dan plaatsen we elkaar niet meteen buiten Christus en zeggen we niet dat iemand van het ware geloof is afgevallen als hij het niet in alles met ons eens is. Als christen mag je blijven staan in de vrijheid die Christus met zijn bloed voor hem of haar verworven heeft.

Christelijke vrijheid vandaag

Uit dit hele verhaal heb ik twee dingen geleerd.

calvijn-portret-nlHet eerste is niet zo belangrijk, maar wel opvallend. Blijkbaar werd er in de tijd van Calvijn al zeer verschillend gedacht werd over de reikwijdte van “de ordeninghe, van Paulo voorgehouden, dat de vrouwen sullen met bedecten hoofde ghaen”, zoals Marnix het uitdrukt, die in bevindelijke kringen samen met Jean Taffin als één van de voorlopers van de Nadere Reformatie wordt gezien. Als iemand als Marnix in 1568 al de conclusie trekt dat het tegen de christelijke vrijheid ingaat om alle volken en iedere gelovige persoonlijk dit bindend op te leggen, zou dat kerkenraden in de 21e eeuw erg voorzichtig moeten maken om op grond van één exegese bindend voor te schrijven hoe men in de zondagse eredienst gekleed moet gaan en daar zelfs de sanctie van afhouding van het Heilig Avondmaal aan te verbinden.

Veel belangrijker vind ik een andere les. Die hou ik me, sinds ik op dit onderwerp afstudeerde in 1990/1991, altijd voor ogen. Namelijk: wat is het doel van elke regel of afspraak die je tegenkomt in de Bijbel en in de kerk? Kun je het doel ervan nakomen zonder je aan de letter van dat voorschrift te houden? Dan mogen we elkaar aan zulke uitspraken niet binden, maar moeten we elkaar de ruimte geven om elk op onze eigen manier naar eer en geweten invulling te geven aan het principe dat achter zo’n bijbelse of kerkelijke uitspraak ligt.

Marnix van Sint Aldegonde voerde bijna 450 jaar geleden een hartstochtelijk pleidooi voor de christelijke vrijheid. Vandaag is het nog net zo actueel als toen.

Wie belangstelling heeft in een uitvoerige beschrijving van de adviezen van Marnix van Sint Aldegonde n.a.v. de Wingense Twisten, kan een kopie van dat hoofdstuk uit mijn scriptie aanvragen via ernstleeftink@xs4all.nl

Via Ethiopië naar Assen-Peelo

Marije en Lyan.pngOp zondag 9 juli deden twee jonge christenen van 18 en 19 jaar belijdenis van hun geloof. Eén van de twee werd ook gedoopt. In de dienst, met veel Opwekking en twee prachtige persoonlijke getuigenissen, lazen we het verhaal van de eerste niet-jood die tot geloof kwam. Dat verhaal staat in Handelingen 8:26-40. In het boek Handeling zie je, dat vanaf Pinksteren het Evangelie van Jezus Christus in steeds wijdere kringen de wereld over gaat. Dat had Jezus ook gezegd: de Heilige Geest zal jullie kracht geven om mijn getuigen te zijn, van Jeruzalem –> Judea –> Samaria –> de uiteinden van de aarde. Daarom begint het boek Handelingen in Jeruzalem en eindigt het in Rome. Wat daarop volgt is geschiedenis. En die geschiedenis loopt tot vandaag in Assen-Peelo. Maar … de eerste 100% niet-joodse christen in Handelingen die gedoopt wordt is een Afrikaan! Dus kun je zeggen: Het evangelie van Christus is via Ethiopië naar Assen-Peelo gekomen. Drie dingen daarover:

1) De Heilige Geest zet deze Ethiopiër op het spoor van de God van Israel

In het gebied tussen Ethiopië en Soedan in regeerde in de bijbelse tijd een vorstendom met aan het hoofd voornamelijk koninginnen met de titel ‘Kandakè’. Deze Ethiopiër was haar minister van financiën. We weten niet hoe hij in aanraking is gekomen met het geloof van Israel. Wel weten we dat er in die tijd al grote joodse gemeenschappen bestonden in het gebied tussen Egypte en Ethiopië. Hun nakomelingen heten de Falasja’s en zijn begin jaren negentig van de vorige eeuw erkend als een aparte joodse stam. Velen van hen zijn 15 – 20 jaar geleden naar Israel geëmigreerd.

Deze Afrikaan uit Ethiopië heeft een drie-dubbele achterstand.

  • Hij is een afstammeling van Cham en geldt daarom als vervloekt.
  • Hij is gecastreerd. Op een eunuch in die tijd werd net zo neergezien als vaak nog op homofielen vandaag. Ook al is hun positie niet helemaal vergelijkbaar, ze zijn allebei wel ‘gesneden’ (oude vertaling) of ‘onvruchtbaar’ (NBV) om het met de woorden van de Here Jezus uit Mat. 19 te zeggen. Net als een derde kategorie: mensen die niet trouwen omdat ze zich helemaal willen inzetten voor Gods Koninkrijk. Het brengt alledrie evenveel moeite met zich mee. En diskriminatie. Niet voor vol worden aangezien. Maar tegelijk: voor God is geen enkele ongetrouwde te min. Ook een homofiel of een gecastreerde eunuch niet.
  • Als heiden mag de Ethiopiër in de tempel niet verder dan in de buitenste voorhof komen. En omdat hij gecastreerd is, zal hij nooit kunnen toetreden tot het jodendom, ook niet als ‘jodengenoot’.

Toch is er bij de Afrikaan geen reden tot verbittering. De HERE Zelf legt het verlangen in zijn hart om meer van de God van Israel die ook de Schepper van hemel en aarde is, te weten te komen. De HERE Zelf is het, die hem tot aanbidding brengt en ervoor zorgt dat hij blijft geloven en op de terugweg zelfs een boekrol meeneemt. Zo maakt de HERE Zelf de kring steeds wijder en neemt Hij steeds nieuwe mensen op in zijn gemeente. Zo bereidt God de gelovige christenen uit Israel erop voor dat er nog heel veel andere mensen zijn, die Hij ook roept, die Hij ook welkom heet bij zijn volk en met wie Hij uit genade een eeuwig verbond wil sluiten. Want de kerk komt niet in de plaats van Israel. De kerk is het vanaf Pinksteren Israel zoals God het altijd bedoeld heeft. Want bij Gods volk hoort iedereen die in de voetsporen van het geloof van Abraham treedt door te geloven in degene naar wie Abraham uitkeek: Jezus Christus, de Zoon van God.

2) De Heilige Geest zoekt deze Ethiopiër op met de Bijbel

De Here Jezus maakt door een engel aan Filippus duidelijk, dat hij de eenzame weg naar Gaza op moet gaan. De Geest Jezus geeft Filippus de opdracht om die heiden-minister en afstammeling van Cham aan te spreken. De Afrikaan leest in boekrol van Jesaja en Filippus legt hem die woorden uit en vertelt hem over Jezus. Hij begint met de vernedering en het lijden van Christus. Jezus offert zichzelf helemaal op voor anderen. Zo radikaal, dat de vraag opkomt: wat bereikt Hij daarmee? Dat leidt tot indringend zelfonderzoek: erken je dat de zonde zó diep in je zit, dat Jezus daar zó diep voor moest gaan? Eérst erkenning van je diepste ellende – pas dan gaat de verlossing echt glanzen! Ook dat verkondigt Filippus vervolgens. Door het geschreven en gepredikte Woord geeft Jezus Christus Zichzelf en wil Hij Zichzelf bekend maken! Door het geschreven en gepredikte Woord wil Jezus Christus mensen in het hart grijpen! In de Bijbel Zelf en overal waar de Bijbel wordt gelezen en uitgelegd – dáár kom je Jezus tegen. Dáár openbaart Jezus Christus zich in zijn volle rijkdom en genade. Waar de Bijbel open gaat, wordt Hij aanvaard als Heer en Zoon van God. Dus: lees je bijbel, elke dag. Daarin gaat het over God en Jezus. Lees over Hem. Dan zul je blijven geloven.

3) De Heilige Geest brengt deze Ethiopiër tot geloof en blijdschap

Ethiopiër Handelingen 8De Heilige Geest zorgt in een ongelooflijk snel tempo voor een krachtig en sterk geloof in het hart van deze Ethiopische minister Dijsselbloemë. Hij legt ook het verlangen in het hart van elke gelovige om gedoopt te worden. Filippus pusht de Afrikaan niet. Integendeel: hij vraagt er zelf om! De tegenvraag van Filippus en de geloofsbelijdenis van de Afri-kaan horen niet bij de originele tekst van dit hoofdstuk, maar het is goed te begrijpen, dat een aantal handschrif-ten het er toch bij heeft staan. Zo gaat het namelijk altijd: als je als volwassene tot geloof komt, mag je worden gedoopt als je je geloof in Jezus ook openlijk belijdt. Daarnaast geeft de Heilige Geest blijdschap in het hart van elke gelovige. De weg ligt open! Door het geloof in Jezus. Ook al gaan de wegen van Gods kinderen uiteen – op elk levenspad gaat Jezus met je mee. Je mag weten: mijn hemelse Vader zorgt voor mij, Jezus redt mij en de Heilige Geest versterkt steeds mijn geloof.

Wederzijds respect bij het al dan niet invoeren van de vrouw in het ambt

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Nederland hebben op 15 en 16 juni 2017 de ambten van diaken, ouderling en predikant opengesteld voor vrouwen. Daar is, zoals te verwachten was, zeer verschillend op gereageerd. Bij sommigen ging de vlag met wimpel en al enthousiast uit, bij anderen hing de vlag demonstratief halfstok. In de meeste gevallen reageerden zowel blije voorstanders als bezorgde tegenstanders ingetogen. Want ook al werden deze besluiten op de synode breed gedragen (diaken: 30-2, ouderling: 23-9, preekbevoegdheid: 27-3, predikant: 21-10), het zal de komende tijd voor veel spanning in de kerken zorgen. Dat geldt niet alleen voor de inhoudelijke discussie. Het geldt misschien nog wel meer als het gaat om de uitvoering van de besluiten. Hoe zal dat gaan verlopen in onze kerken? Op die vraag nam de synode ook een duidelijke beslissing (met 23-7): er komt geen gefaseerde invoering, maar de plaatselijke kerken krijgen de ruimte “om zelf te bepalen of en op welke wijze en wanneer ze aan deze besluiten uitvoering willen geven.”

Plaatselijke vrijheid

Ik vind dat een wijs besluit. Daarmee geven we elkaar de vrijheid binnen ons kerkverband om hierover verschillend te mogen denken.

De Generale Synode van Ede 2014 sprak al uit dat er vanuit de Bijbel twee lijnen te zien zijn als het om de verhouding tussen mannen en vrouwen gaat, en dat de visie dat ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen vrij bespreekbaar is.

De Generale Synode van Meppel 2017 heeft uitgesproken dat er bijbelse gronden zijn om naast mannen ook vrouwen te roepen tot de dienst van barmhartigheid, opzicht, pastoraat, onderwijs en verkondiging. De zogenaamde zwijgteksten vormen in zichzelf geen onbetwistbare grond om in onze situatie vrouwen categorisch uit te sluiten van het leer- en regeerambt, aldus de synode.

Dat betekent dat we als kerken hebben uitgesproken dat er in de Bijbel twee lijnen zijn aan te wijzen, waardoor we niet tot een helder pro-standpunt of tot een helder contra-standpunt kunnen komen.

Als dat zo is, moeten we elkaar als kerken de ruimte geven om plaatselijk naar eer en geweten te besluiten wat goed is voor de gemeente en wat tot eer van God strekt. En dat vanuit een houding van liefde tot Christus en liefde tot elkaar, ook als de pijn wederzijds voelbaar blijft. Als we ons werkelijk vasthouden aan Christus en zijn Woord, moeten we ook elkaar vast willen houden.

Ruimte voor elkaar

Wat betekent dat in de praktijk? Volgens mij dit: we geven elkaar optimaal de ruimte om een plaatselijk een keus te maken op grond van de beide bijbelse lijnen die er zijn. We hebben als GKV namelijk niet uitgesproken dat vrouwen in alle gemeentes diaken, ouderling of predikant moeten kunnen worden, maar dat we die mogelijkheid op grond van de Bijbel niet langer uitsluiten.

Dus zou het heel erg vreemd zijn dat er nu in (sorry voor de tweedeling en de terminologie) in behoudende gemeentes door progressieve leden actie gevoerd wordt om de vrouw ook daar in het ambt te krijgen, terwijl in vooruitstrevende gemeentes een conservatieve minderheid dit probeert tegen te houden.

Ben ik hier bang voor? Ja, wel een beetje. Drie jaar geleden proefde ik al een verharding in de standpunten.

Voorstanders van de vrouw in het ambt gaven blijk van ongeduld en onbegrip dat niet meteen tot openstelling werd overgegaan. Sommigen verlieten zelfs de GKV om lid te worden van een PKN of evangelische gemeente waar vrouwen wel mochten preken. In de afgelopen decennia zijn een aantal vrouwelijk theologen uit de GKV en de CGK alvast predikant geworden in de PKN. Als ik daar dan een wat kritische kanttekeningen bij maak, krijg ik vaak een reactie terug in de trant van: ‘Maar je begrijpt toch wel dat bevlogen christenen deze stap zetten?’ Ja, ik snap het wel. Maar ik vind het wel jammer. En ook minder juist. Want mensen gingen weg terwijl we samen in een proces zaten. Dus zou ik het heel spijtig vinden als er straks nog meer mensen weglopen omdat een plaatselijke kerk besluit om op grond van de Bijbel de ambten níet open te stellen voor vrouwen. Dat wekt bij mij de indruk dat men het eigen gelijk belangrijker vindt dan de geloofseenheid met je eigen broeders en zusters in de plaatselijke gemeente.

Omgekeerd gebeurde precies hetzelfde. Kerkleden en buitenlandse zusterkerken gaven de GKV nog drie jaar de tijd om van gedachten te veranderen en als dat niet zou gebeuren, moest men breken met de GKV omdat die door dit besluit een valse kerk zou worden. Nu de kogel door de kerk is zijn sommige kerkleden al actief op zoek naar een andere kerk. Dat gaat nog niet meevallen trouwens, want de hele Gereformeerde Bond valt af omdat die ook de vrouw in het ambt tolereren in hun eigen PKN-kerkverband. Ook de CGK zal, denk ik, in de komende tien jaar hetzelfde traject aflopen als wij nu gedaan hebben, maar dan in een veel trager tempo. En de meeste evangelische gemeentes waar vrouwen niet toegelaten worden als voorgangers hebben een nog zwaarwegender breekpunt: ze eisen dat je je laat overdopen. De keus is dus beperkt tot nieuw-vrijgemaakt (DGK / GKN) of bevindelijk-gereformeerd (HHK / div. soorten GerGem). Wie nu al dit soort keuzes maakt, is blijkbaar niet bereid om in de eigen gemeente het gesprek aan te gaan over de vraag of er binnenkort vrouwen in het ambt zullen worden toegelaten. Integendeel, men voelt zich zó verantwoordelijkheid voor wat de synode besluit en voor wat andere gemeentes beslissen, dat men plaatselijk een breuk forceert terwijl nog niet eens zeker is dat de eigen gemeente de vrouw in het ambt zal invoeren.

In beide gevallen zie ik een negatieve trekje naar boven komen waar gereformeerden wel vaker last van hebben: de eigen mening staat gelijk aan Gods Woord en daar moet iedereen in het kerkverband voor buigen. Oftewel: men wil heersen over de mening van anderen: mede-christenen, andere GKV-gemeentes, het hele kerkverband.

Elkaar aanvaarden

Het kan ook anders. Als we beginnen met de erkenning dat we samen willen luisteren naar Gods Woord en onze redding bij Jezus Christus zoeken, moeten we elkaar ook kunnen vasthouden als we erg van mening verschillen over de vrouw in het ambt.

Echt vasthouden betekent dat we vooral plaatselijk met elkaar in gesprek gaan. En dat op grond daarvan elke gemeente zelf een besluit neemt. Een besluit dat gerespecteerd wordt binnen de gemeente en door de andere GKV-kerken. Een besluit waarvan, als het aan mij ligt, ook niet elk jaar opnieuw getornd wordt, maar dat voor de komende vijf jaar vast staat. Want als we echt vinden dat je vanuit de Bijbel twee lijnen kan aanwijzen, moet je elkaar ook de ruimte gunnen om een keus te maken die de rust in de gemeente ten goede komt. En moet je jezelf de gelegenheid geven om na een aantal jaren er nog eens goed over na te denken.

Ongeveer 15 jaar geleden zei een collega-predikant tegen mij toen het om de zondagsdiscussie in onze kerken ging (is de zondag als rustdag nu wel of niet gegrond op een goddelijk gebod?): ‘Dat is geen kwestie waarvoor christenen in de tijd van de Reformatie de brandstapel opgingen.’ Ik denk dat dat ook geldt voor de vraag of vrouwen wel of niet als diaken / ouderling mogen dienen of als predikant mogen voorgaan. Ik vind zelf van wel (hier vind je mijn argumentatie) en steun daarom de synodebesluiten. Maar ik heb er geen enkele moeite mee om te preken of te werken in een gemeente die niet of voorlopig niet overgaat tot de openstelling van de ambten.

Laten we ook bij dit verschil van mening elkaar blijven aanvaarden zoals Christus ons aanvaard heeft (Romeinen 14).

 

Een UITSTAPJE naar de BERGEN

Over christen-zijn en gemeente-zijn in Oostenrijk

Sankt Wolfgang im SalzkammergutAl een aantal jaren organiseert de kleine Evangelisch-Reformierte Kirche van Neuhofen a/d Krems in de maand juni een ‘Gemeindeausflug’ naar de Wolfgangsee, zo’n  100 kilometer verderop. Een heel verschil, want Neuhofen ligt dicht bij de stad Linz in het heuvelachtige deel van Oostenrijk en St. Wolfgang ligt dicht bij Salzburg in de Alpen. Daar genieten de gemeenteleden van het meer, de bergen en, als het mee zit, het goede weer. Op zondag komt men dan samen in de kleine Evangelische Kirche van Sankt Wolfgang. Vaak zijn er ook enkele leden van de plaatselijke kerk aanwezig en meestal ook enig gasten uit Nederland.

Sankt Wolfgang Evangelische PfarrkircheDit jaar vond het gemeente-uitstapje plaatst in het weekend van zondag 10 juni. In de kerkdienst werd een preek van prof. dr. Bernard Kaiser over Romeinen 11:33-36 (link) gehouden: over de diepte van Gods rijkdom, wijsheid en kennis, want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Dat geldt voor God als Schepper. Dat zie je bv. in de schoonheid van de bergen en dalen rondom de Wolfgangsee. Maar ook als je naar de mensen kijkt: wij zijn niet als robot, maar als beeld van God gemaakt. Alle eer gaat ook naar God uit omdat Hij onze Verlosser is. Dat Hij zijn Zoon Jezus Christus als middel tot verzoening is een staaltje van rijkdom en wijsheid waar mensen uit zichzelf niet bij kunnen, zo diep gaat dat. Alleen door het geloof kunnen we zo’n onverwacht geschenk aanvaarden. Dan erkennen we ook dat we als mensen onder God staan en dat Hij geen verantwoording aan ons schuldig is. Luther zei al, dat we God niet in alles hoeven te kennen om ons toch in vertrouwen aan Hem te kunnen overgeven, omdat Hij ons in Christus tegemoet komt als een genadige en vergevende God.

Neuhofen - Gemeindeausflus 2017Na de kerkdienst volgde de gemeentepicknick aan het meer. Met mooie ontmoetingen en fijne gesprekken. Het is altijd goed om elkaar in een andere setting te ontmoeten, samen met de aanwezige gasten. Zeker voor een zo kleine gemeente als die van Neuhofen.

Volgend jaar, zo de HERE wil, reist de gemeente in juni weer af naar St. Wolfgang im Salzkammergut, want goede gewoontes moet je koesteren. De vaste preeklezer in Neuhofen, broeder Alessandro Brunal, had nog wel een wens: “Es wäre schön, wenn nächstes Mal ein Pfarrer aus Holland dabei sein könnte.” Dus wie zich geroepen voelt, mag zich melden!

Niet alleen in Neuhofen, maar in alle vijf de Evangelisch-Reformierte Kirchen stellen de gemeenteleden het erg op prijs wanneer medechristenen uit Nederland tijdens de vakantie de kerkdiensten bezoeken.

De SSRO (Stichting Steun Reformatie Oostenrijk) ondersteunt een aantal kleine gereformeerde kerken in Oostenrijk en Zwitserland – de ERKWB. Door activiteiten zoals bijbelcursussen, internetuitzendingen, vrouwenkringen en kinderclubs brengt men het evangelie verder in een sterk geseculariseerde omgeving. In de afgelopen jaren mochten de meeste gemeenten nieuwe leden verwelkomen. Kijk voor meer informatie op: www.ssro.nl en www.reformiert.at en www.erkwb.ch. Volg de SSRO op Facebook (SSRO.NL) of op Twitter (SSROnl). Giften zijn welkom op NL27 INGB 0000 0656 88 t.n.v. SSRO – Hasselt.

De erfenis van Eva – over de vrouwen in de gemeente van Efeze

Wat was voor Paulus de aanleiding om aan Timoteüs te schrijven dat vrouwen in de kerkelijke samenkomsten geen onderwijs mogen geven en geen gezag over mannen mogen uitoefenen? In februari 2002 schreef Jan Boersma, predikant binnen de GKV, hier een kort verhaal over in het blad CV/Koers. Ik vond het interessant genoeg om het voor het voetlicht te halen nu de GKV-kerken besloten hebben om vrouwen in de ambten toe te laten en mag het met instemming van de schrijver hier plaatsen. De gecursiveerde woorden in dit verhaal zijn citaten uit 1 Timoteüs 2:9-15.

De erfenis van Eva

Paulus staart naar het plafond. Hij zucht. Hij is blij dat deze dag is afgelopen en dat hij nu eerst een paar uur kan slapen. Van dit soort dagen moet je er niet te veel hebben. Het verhaal waarmee Trofimus vandaag aankwam uit Efeze, is in elk geval niet bevorderlijk voor zijn nachtrust. Timoteüs en de andere leiders van de gemeente in Efeze hebben het moeilijk. Allerlei zaken dreigen daar uit de hand te lopen. Het gezag van de apostel is nodig om orde op zaken te stellen in de gemeente. Gelukkig was Silvanus meteen bereid om samen aan een brief te beginnen. Maar moeilijk is het wel. Want sturen op een afstand, hoe doe je dat op een goede manier? Lang ligt Paulus te denken en te woelen, voordat hij eindelijk in slaap valt.

De volgende dag zitten ze met z’n drieën bij elkaar in de werkplaats: Paulus, Silvanus en Trofimus. Al snel komt het gesprek weer op de situatie in de gemeente van Efeze. Het is duidelijk dat Trofimus zich zorgen maakt. “Eén ding heb ik gisteren nog niet verteld,” zegt hij. En zuchtend gaat hij verder: “Sommige vrouwen maken er echt een toestand van. Niet allemaal hoor, maar er zijn er een paar bij… Niet te zuinig. Ze zeggen dat ze in de samenkomsten het woord willen voeren, omdat ze ook iets te zeggen hebben.” Paulus kijkt naar Trofimus. “Ja en? Wat is dan het probleem?” Trofimus kijkt zorgelijk. “Timoteüs heeft al een paar keer de samenkomsten voortijdig af moeten sluiten vanwege het tumult dat die vrouwen maken. Het lijkt af en toe meer op een kippenhok dan op een eredienst.” Paulus moet even lachen als het beeld zich al te letterlijk aan hem opdringt. Maar de ernst van de situatie wint het.

“Vertel eens precies wat er aan de hand is,” zegt hij tegen Trofimus. “Wel,” begint Trofimus aarzelend, “Een aantal vrouwen in de gemeente zijn aan het doorslaan. Het begon met één of twee van hen, maar al gauw deden een heleboel anderen ook mee. En dan bedoel ik, dat ze zichzelf op een verkeerde manier op de voorgrond dringen. Ze roepen allerlei dingen over vrijheid en waardigheid, maar het is duidelijk dat ze wel een klokje hebben horen luiden, maar ze weten niet waar de klepel hangt.” “Wat bedoel je precies?” wil Paulus weten. “Nou,” gaat Trofimus verder, “Toen ze net bij de gemeente hoorden, waren ze blij met alles. En vooral dat ze nu eindelijk echt meetelden. Als vrouwen, bedoel ik. Je weet wel: omdat voor onze Heer alle mensen evenveel waard zijn.” Paulus knikt en Trofimus gaat verder: “Maar de laatste tijd hebben ze daar een vreemde draai aan gegeven. Nu ze de vrijheid hebben geroken, is het net alsof ze geen enkele leiding meer willen aanvaarden. Ook niet de leiding van onze Heer. En wat Timoteüs ook zegt, ze luisteren niet naar hem. Ondertussen dragen ze die ideeën van hun wel uit in de gemeente. Je kunt het aan allerlei dingen merken. Zoals ze zich kleden, bijvoorbeeld. Tunica’s en sieraden – het is allemaal op henzelf gericht: om te laten zien dat zij er wezen mogen. Heel opzichtig. Af en toe is het zelfs regelrecht uitdagend. Je kunt je wel voorstellen wat voor effect dat op een aantal mannen heeft,” besluit Trofimus met een zucht. Paulus kijkt nadenkend voor zich uit. Dan zegt hij langzaam: “Ik wil hier eerst even rustig over na kunnen denken. Silvanus, vanavond gaan we verder met de brief. En dan eerst over dit element.”

’s Avonds zitten Paulus en Silvanus bij elkaar in de bovenkamer. Samen proberen ze de draad van de brief weer op te pakken. “Het lijkt me dat we met de praktische elementen moeten beginnen,” zegt Paulus. “Het laatste dat we opgeschreven hebben, was ook een praktisch punt: over het gedrag en de houding van de mannen. Als we nu beginnen bij een praktisch punt over de vrouwen, sluit dat goed aan.” Ineens knipt hij met zijn vingers. “Ik heb het,” zegt hij. “ Op dezelfde manier ook de vrouwen, dubbele punt. Daarmee is het in één keer heel duidelijk aan elkaar gekoppeld. En daarmee is ook duidelijk, dat heiligheid niet alleen een opdracht is voor mannen, maar voor alle gelovigen.” Silvanus is al aan het schrijven: ‘Op dezelfde manier ook de vrouwen:’. “Oké, en nu die woorden over kleren en zo. Schrijf maar op: ‘dat zij passend gekleed zijn en zich bescheiden en ingetogen opmaken. Laten ze niet willen opvallen door hun haardracht, gouden sieraden, juwelen of dure kleren.’”

Paulus wrijft even in zijn ogen. “Wat is er?” vraagt Silvanus. “Er moet nog iets bij,” zegt Paulus. “Op deze manier zou het kunnen lijken, alsof een vrouw er niet mooi en vrouwelijk uit mag zien. En dat is natuurlijk niet de bedoeling.” “Wat wil je precies zeggen?” wil Silvanus weten. “Ik denk aan de woorden van Trofimus. Dat er vrouwen zijn die aan zulke uiterlijke dingen hun status en hun zekerheid ontlenen. Alsof de waarde van hun leven bepaald wordt door hun vrouwelijkheid en hoe ze dat weten te presenteren. Al of niet met een erotische lading.” “Jij wilt dus eigenlijk zeggen, dat ze de waarde van hun leven ergens anders moeten zoeken,” probeert Silvanus te helpen. “Ja, precies. Want je moet de zekerheid in je leven niet zoeken bij jezelf, maar bij Christus. Respect hebben voor God. En dat laten zien in je leven, in je doen en laten. Dat zijn de sieraden, waar je leven echt mooi van wordt. Vul maar aan: ‘maar door goede daden, zoals dat hoort voor vrouwen die ervoor uit willen komen dat ze God eren.’”

Paulus staat op van de bank, waar hij tot dan toe op gezeten heeft. “Even de benen strekken,” zegt hij. “Want nu komt het moeilijkste gedeelte. Het probleem is dat die vrouwen allerlei dingen roepen zonder dat ze de diepgang van het evangelie gepeild hebben. Zoiets moet het dus worden: dat ze eerst meer van het evangelie gaan begrijpen; dat ze eerst leren luisteren en zich rustig houden. Ja, schrijf dat maar op: ‘een vrouw moet stil en volgzaam naar het onderricht luisteren.’ Dat zijn de trefwoorden, Silvanus: stil en volgzaam. Voordat je iets kunt zeggen over de blijde boodschap, moet je eerst leren om te luisteren, om stil te zijn en niet voor je beurt te praten.”

De pen van Silvanus gaat zacht krassend over het papier. Als hij klaar is, knikt hij. “Ook het woord volgzaam is goed gekozen, denk ik,” merkt hij op. “Het is een goede inhoudelijke omschrijving. Om leiding te kunnen geven in de naam van Christus moet je eerst zelf geleerd hebben wat het betekent om Hem te volgen. Ik neem tenminste aan dat je dat bedoelt.” Even denkt hij na. Dan gaat hij voorzichtig verder: “Maar is het niet te algemeen geformuleerd? Ik bedoel: het is duidelijk wat de boodschap is, maar als je het accent een klein beetje anders legt, lijkt het alsof een vrouw nooit iets zou mogen zeggen. Alsof iedere vrouw altijd alleen maar stil en volgzaam moet zijn. En dus nooit haar mond open mag doen of leiding geven.” Paulus kijkt hem vreemd aan. “Denk je?” vraagt hij. Maar na een poosje nadenken schudt hij zijn hoofd. “Dat lijkt me behoorlijk vergezocht,” zegt hij langzaam, “om dat erin te willen leggen. In elk geval zal Timoteüs die conclusie nooit trekken. En ik denk ook de anderen in Efeze niet. Want dat geldt voor mannen natuurlijk net zo goed: dat je begint met stil zijn en volgzaam zijn. Denk maar aan Trofimus bijvoorbeeld. Nu is hij in staat om leiding te geven. En hij doet het goed, vind ik. Maar in het begin was dat heel anders. Toen wist hij nog maar weinig en hij moest nog een heleboel leren. Als het goed is, leg je niemand overhaast de handen op. Vrouwen niet, maar mannen ook niet. Maar we hebben het nu niet over mensen in het algemeen, het gaat nu over die vrouwenbeweging in Efeze.”

“Maar zou je dan niet beter andere woorden kunnen kiezen?” stelt Silvanus voor. “Ik denk het niet,” zegt Paulus. “Op deze manier komt de bedoeling hopelijk heel duidelijk over. Hoe die vrouwen in Efeze zich op moeten stellen. Ik geloof niet dat ze meteen zullen gaan denken aan een algemene regel. Tenminste, dat kan ik me niet goed voorstellen. Denk alleen al aan wat ze meegemaakt hebben van Priscilla: hoe die in staat is om anderen te onderwijzen in de weg van het geloof. Dat hebben ze in Efeze van dichtbij meegemaakt. Hebben we toen ooit gezegd dat ze haar mond moest houden, omdat ze een vrouw is? En dat ze daarom geen onderricht mag geven? Of heb ik ooit beweerd dat Junia geen echte apostel is, omdat ze een vrouw is? Dat zou toch onzin zijn!”

Paulus haalt geagiteerd zijn schouders op. “Of denk aan de vrouwen die in allerlei gemeentes optreden als profetes. Nee, volgens mij ben je nou bezig om spijkers op laag water te zoeken, Silvanus.” Al pratend wordt zijn gezicht roder. Met grote gebaren onderstreept hij zijn boosheid. “We hebben immers altijd benadrukt dat het evangelie een mens zijn oorspronkelijke waarde weer terug geeft. Ik bedoel de waarde die God bij de schepping aan de mens gegeven heeft. Allerlei verschillen die mensen later aangebracht hebben, tellen voor God niet mee.”

“Rustig maar,” onderbreekt Silvanus hem lachend, “je hoeft mij niet te overtuigen. Ik ben al overtuigd. Ik bedenk alleen maar hoe de woorden in deze brief misschien over kunnen komen bij anderen.” De relativerende woorden van Silvanus hebben meteen hun uitwerking: Paulus ontspant zich. Er verschijnt een voorzichtige glimlach op zijn gezicht. Dan gaat hij verder: “Weet je, volgens mij zou er een heleboel gewonnen kunnen worden, als die vrouwen gaan beseffen dat ze een andere houding moeten hebben. Want nu het zo gaat, wordt er op een verkeerde manier leiding gegeven in de gemeente.”

Silvanus denkt even na. Dan zegt hij: “Als je dat bedoelt, kun je dat er ook bij zeggen, lijkt me. Om misverstanden te voorkomen.” Paulus knikt. “Een goed idee,” zegt hij. “Schrijf maar op: ‘Ik sta niet toe dat ze onderricht geeft of gezag uitoefent over de man. Nee, ze moet stil zijn.’” Langzamerhand verschijnt er een grijns op het gezicht van Paulus. Dan zegt hij langzaam: “Ik denk trouwens wel, mijn beste Silvanus, dat deze woorden op dezelfde verkeerde manier uitgelegd zouden kunnen worden. Maar het doet in elk geval heel duidelijk recht aan de situatie in Efeze.”

Paulus gaat verzitten. Intussen heeft Silvanus een kan wijn en paar bekers gehaald. Als de bekers gevuld zijn, hervat Paulus het gesprek: “Hiermee kan Timoteüs wel aan de gang. En als de dames nog enig respect hebben voor een apostel van Christus, zullen ze zich ook laten gezeggen. Alleen, ik zou ook graag willen, dat ze daar zelf ook van overtuigd raken en dat ze inzien dat het zo moet. En daarom zoek ik nog iets van een motivatie die hen aan kan spreken.” “Ik snap het,” knikt Silvanus. “Met stroop vang je meer vliegen dan met azijn.” “Dat is wel heel kort door de bocht,” reageert Paulus lachend. “Ik dacht eigenlijk meer aan iets anders. Want waarom gaat het uiteindelijk? Dat we vanuit liefde en toewijding bezig zijn voor onze Heer. Niet met tegenzin of alleen maar vanuit een plichtsgevoel. Zo’n sfeer zou ik ook graag weer terug willen hebben in de gemeente van Efeze.” “Hmmm.” Silvanus wrijft nadenkend door zijn haar. “Het gaat erom dat ze eerst moeten luisteren en volgzaam zijn. Eerst het evangelie in zich opnemen. Misschien dat ze dan later wel onderwijs kunnen geven.” “Precies,” zegt Paulus. “Als ze daarvoor de gaven hebben, en als de Heer duidelijk maakt dat Hij hen daarvoor gebruiken wil.”

Ineens lichten zijn ogen op. “Ik heb het! Eva! Dat is een prima voorbeeld.” “Eva? Hoe bedoel je dat? Wat heeft Eva er nou mee te maken?” “Nou, ik bedoel: kijk naar de schepping. Eerst is Adam gemaakt en daarna Eva pas. Is zij daarmee minder dan Adam? Absoluut niet. Ook al verscheen ze pas later op het wereldtoneel, toen ze er eenmaal was, was ze er ook helemaal. Een vrouw naast Adam en tegelijk tegenover hem. Maar hoe dan ook: niet onder hem. En dat is ook precies wat ik die vrouwen in Efeze mee wil geven. Het is helemaal niet erg als ze in de gemeente later op het toneel verschijnen, en als ze eerst een poos op de achtergrond moeten blijven. Daar ben je niet minder om. En je hoeft dus ook niet het gevoel te krijgen dat je terug gezet wordt. Kijk maar hoe blij Adam was, toen God Eva gemaakt had. Schrijf maar op: ‘Adam is het eerst geschapen, daarna Eva.’” Silvanus haast zich om de woorden van Paulus op het papier te krijgen.

Even is het stil. Dan zegt Paulus: Ik wil nog even verder over Adam en Eva. Want in die geschiedenis zitten nog meer elementen die we naar voren kunnen halen.” “Waar denk je dan aan?” vraagt Silvanus. “Ik zie het zo niet meteen.” “Ik denk aan wat ik zonet zei. De Heer heeft Eva bedoeld als een vrouw naast en tegenover Adam. Wanneer gaat het verkeerd? Als de één probeert om boven de ander te staan, om de ander te overheersen of te manipuleren. De ellende daarvan kun je overal om je heen zien, als mannen verkeerd met hun vrouw omgaan, omdat ze hun vrouw als sloofje gebruiken of als voetveeg of erger. Maar andersom kan natuurlijk ook: dat vrouwen proberen om mannen opzij te zetten, omdat ze zelf vooraan willen staan. Dat is precies wat er nu in Efeze gebeurt.” “Maar hoe zie je dan een lijntje lopen vanuit de geschiedenis van Adam en Eva?” wil Silvanus weten. “Nou, dat lijkt me nogal duidelijk. Want wanneer krijgt dat schitterende verhaal zo’n tragische wending? Als Eva op een verkeerde manier het initiatief neemt, en als ze haar man overhaalt om met haar mee te doen aan het kwaad. Die gebeurtenis maakt heel duidelijk, dat niet alleen mannen de fout in kunnen gaan door een verkeerde manier van leiding geven, maar vrouwen evengoed. Met andere woorden: die vrouwen moeten niet de illusie hebben dat zij boven elke kritiek verheven zijn. Ze moeten gaan beseffen dat de satan ook via hun binnen zal komen, als hij die gelegenheid krijgt. Ik wil dat ze eerlijk en kritisch gaan kijken naar hun houding en naar hun optreden. Want als ze dat niet doen, zou het wel eens verwoestende gevolgen kunnen hebben, zoals ook die actie van Eva verwoestende gevolgen heeft gehad.”

“Hoe wil je dat ik dat opschrijf?” vraagt Silvanus. “Ga maar gewoon verder: ‘En Adam werd niet misleid; het was de vrouw die zich liet misleiden en het gebod van God overtrad.’” Zonder te pauzeren praat hij verder: “En schenk nog eens wat wijn in, als je wilt.” Even is Silvanus van zijn stuk gebracht. Dan begint hij te lachen. “Ik neem aan dat ik dat niet op hoef te schrijven.” Paulus fronst zijn wenkbrauwen. Hij begrijpt niet meteen waar Silvanus het over heeft. Maar als de humor tot hem doordringt, begint hij ook te lachen. “Nee,” zegt hij, “dat bewaren we voor Timoteüs.” “Wil jij dan intussen de olie even bijvullen?” vraagt Silvanus, “want zo te zien zal die lamp het niet al te lang meer volhouden.”

Als ze allebei weer aan tafel zitten met een volle beker wijn en bij een lamp die weer helder licht geeft, zegt Paulus: “Zo, nu zijn we er bijna. Eigenlijk had ik hiermee af willen sluiten, maar ik wil toch nog iets meer zeggen. Die opmerking van jou, dat deze woorden misschien verkeerd kunnen vallen en dat vrouwen zich achteruit gezet voelen, is bij me blijven haken. Daarom lijkt het me goed om toch ook heel nadrukkelijk het positieve te benoemen.” “Prima,” reageert Silvanus. En terwijl hij zijn pen weer in de inkt doopt, zegt hij: “Ik ben er klaar voor.”

Paulus denkt hardop na: “Het belangrijkste is natuurlijk dat mensen gered worden en dat ze door Christus een plek krijgen in het koninkrijk van God. Dat wil ik ook meegeven aan de dochters van Eva in Efeze: dat ze gered zullen worden uit een wereld die op weg is naar de ondergang. Maar hoe kan ik dat het beste onder woorden brengen?” “Wil je dat van mij weten?” vraagt Silvanus aarzelend, “of ben je nu in gesprek met jezelf?” Paulus kijkt op. “Het was niet rechtstreeks voor jou bedoeld, nee. Maar ik vind het natuurlijk prima als je meedenkt. Dat weet je wel. Trouwens, dat doe je toch wel. Ook ongevraagd.” Silvanus grinnikt. “Kom op,” zegt hij, “we hebben nog iets af te maken. Je wou nog iets zeggen over die vrouwen, dat ze zich moeten richten op de dingen die werkelijk belangrijk zijn: het eeuwige leven.” “Klopt,” zegt Paulus. “Want wat ze nu laten zien is niet de navolging van Christus in liefde en toewijding. Dat moet er nog bij. Het moet dus worden dat de Heer iets geweldigs met hen wil: dat ze een plek krijgen in zijn koninkrijk. En tegelijk dat ze dat koninkrijk alleen kunnen bereiken op de weg van geloof en van liefde.” “Hoe moet ik dat precies opschrijven?” “Wacht even, want ik ben er nog niet helemaal.” Paulus trekt een diepe rimpel tussen zijn ogen. “Nu zouden ze nog steeds het idee kunnen krijgen dat zij voor het koninkrijk van God verwezen worden naar de zijlijn. Alsof er voor hun niks te doen is. En dat is natuurlijk niet zo. Er is genoeg te doen. Ook voor hun.” “Zeg dan iets over het grootbrengen van kinderen.” Dankbaar kijkt Paulus zijn vriend aan. “Dat is een goeie. Een heleboel vrouwen zullen zich daarin kunnen herkennen, omdat het een groot deel van hun leven vult of gevuld heeft. En het is ook werkelijk één van de belangrijkste taken binnen het koninkrijk van God. Silvanus, je bent onbetaalbaar.” “Ik weet het,” reageert Silvanus droog. “En de verleiding is groot om daar een snedige opmerking bij te maken.”

Maar Paulus’ hoofd staat nu niet naar humoristische opmerkingen. “De vrouwen in Efeze hoeven zich niet nutteloos te voelen na de opmerkingen die ik eerder gemaakt heb. Ze blijven volop meedoen. Want wat is belangrijker dan je kinderen vertellen over God en over zijn grootheid en wat is meer waardevol dan het doorgeven van je liefde voor Christus aan je kinderen? Bovendien,” onderbreekt Paulus zichzelf, “is het ook iets dat Timoteüs op een goede manier duidelijk kan maken aan hen. Want zo heeft hij het zelf ook ervaren, hoe belangrijk een moeder kan zijn. Ga maar na wat hij zelf allemaal wel niet te danken heeft aan zijn moeder Eunike en zelfs aan zijn grootmoeder Loïs. Silvanus, ik denk dat we daarmee dit gedeelte wel af kunnen sluiten.” Paulus dicteert en Silvanus schrijft: ‘Maar ze zal kinderen ter wereld brengen en zo gered worden, als ze volhardt in geloof, liefde en een God toegewijd en ingetogen leven.

Tevreden kijkt Paulus naar het papier. “Volgens mij hebben we alle reden om dankbaar te zijn,” zegt hij. “En laten we dat maar meteen concreet maken. Dan kunnen we meteen ook vragen of deze woorden zegenrijk mogen doorwerken.” Zo besluiten de beide vrienden deze inspannende dag met een gezamenlijk gebed.