DOVE KWARTELS en BLINDE VINKEN – gebeuren er vandaag nog wonderen van genezing?

In de Bijbel staat dat Jezus talloze mensen genezen heeft. Maar bij één genezing is iets opmerkelijks aan de hand. Daar geneest Jezus iemand een blinde man in twee etappes. Dat is opmerkelijk. Wat wil dat gedeelte ons vandaag zeggen over genezing? Belooft God vandaag nog dezelfde lichamelijke genezingen als in de tijd van Jezus?

Ze kwamen in Betsaïda. Er werd een blinde bij hem gebracht, en men smeekte hem om de man aan te raken. Hij pakte de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Hij deed wat speeksel op zijn ogen, legde er zijn handen op en vroeg: ‘Ziet u iets?’ Hij begon weer te zien en zei: ‘Ik zie mensen, het zijn net bomen, maar ze lopen rond.’ Daarna legde hij weer zijn handen op de ogen van de blinde. Deze sperde zijn ogen open en genas; hij zag alles nu heel helder.  Hij stuurde hem naar huis met de waarschuwing: ‘Ga het dorp niet in!’ (Markus 8:22-26)

Genezing vandaag volgens Willem J. Ouweneel

Ik las naar aanleiding van dit verhaal het boek van Willem J. Ouweneel, Geneest de zieken! Hij gelooft dat de opdracht tot genezing en de gave van genezing vandaag nog steeds geldt. Hij moet wel erkennen, dat bij de gebedsgenezers van vandaag lang niet alle zieken genezen worden. Maar dat is niet erg, zegt hij, want uit dit verhaal blijkt, dat Jezus ook niet in één keer alle zieken beter maakte. niet meteen iedereen genezen wordt. Want kijk maar naar onze Heer Jezus Zelf: Hij maakte ook niet in één keer iedereen meteen weer gezond. Deze blinde man was eerst maar half genezen. En dan noemt Ouweneel ook nog voorbeelden zoals in Johannes 19, waar Jezus een andere blinde man ook met spuug op de ogen naar het badhuis stuurde. Pas daar werd hij genezen. Of neem Lukas 17, waar Jezus tien melaatsen ook niet meteen genas, maar de opdracht gaf dat ze zich moesten laten zien aan de priesters. Pas onderweg werden ze weer beter. Je leest ook dat boze geesten en demonen, zoals bv. in Markus 9 met die epileptische jongen, pas na veel geschreeuw en stuiptrekkingen iemand op bevel van Jezus verlaten. Oftewel: ook Jezus geneest niet altijd onmiddellijk (Ouweneel, blz. 32). Dus moet je ook de gebedsgenezers van vandaag niet afrekenen op het feit dat bij hen niet alle zieken genezen. Sterker nog: vandaag wil Jezus dat wij nog op dezelfde manier mensen genezen als Hij toen in en rond Israel deed.

Drie keer een evangelische correctie

Deze visie op gebedsgenezing is nogal eenzijdig. Ik sloeg er nog drie boeken op na, allemaal van evangelische auteurs, dus uit zeer onverdachte hoek. Die geven alle drie aan, dat er in onze tijd geen belofte en ook geen opdracht meer van God bestaat om alle zieken te genezen.

Genezing vandaag volgens Richard Mayhue

*1 Als eerste noem ik het boek van Richard Mayhue, De belofte van genezing. Hij zegt over bovengenoemde drie ‘uitgestelde’ genezingen: “Bij elk van de drie gevallen waarin er een kort tijdsoponthoud was, was de volledige genezing binnen een paar minuten compleet – niet de dagen, weken of jaren die gebedsgenezers gebruiken om de afwezigheid van een onmiddellijke genezing te rechtvaardigen en het nog steeds een wonderbaarlijke Goddelijke genezing te noemen.” (blz. 63). Oftewel: het ging bij het uitstel slechts om minuten en dat de betrokken mannen werden volledig genezen waren (cursief van Mayhue, blz. 104). Voor vandaag geldt wat Joni Eareckson-Tada (een christen Joni Tada Earicksondie al 40 jaar na een duik in ondiep water met een dwarslaesie in een rolstoel zit) in een interview in dit boek zegt: “Ik geloof echt dat genezing de uitzondering op de regel is – waarbij de regel is dat God heden ten dage niet altijd op wonderbaarlijke wijze zal genezen, net zoals Hij niet meer op wonderbaarlijke wijze mensen uit de doden opwekt of mensen op water laat lopen.”(blz. 234).

Genezing vandaag volgens John F. MacArthur jr.

2* Een andere evangelische theoloog, John F. Mc. Arthur jr., schrijft in zijn boek De charismatische verwarring over de genezingen van Jezus, dat die zeven kenmerken hebben. Als Hij iemand geneest, doet Hij dat bijna altijd op deze manieren (blz. 202-204):

  1. Jezus geneest door een woord of aanraking. “Dat ging zonder uiterlijk vertoon en daar was geen bijzondere omgeving voor nodig.”
  2. Jezus geneest onmiddellijk. Het is opvallend hoe vaak je leest dat Jezus iemand ‘op hetzelfde moment’ of ‘meteen’ geneest (Mat. 8:13, Mar. 7:35, Luk. 5:13, Joh. 5:9). Jezus bracht nooit een genezing door middel van een geleidelijk proces waarbij het steeds beter met iemand ging.
  3. Jezus geneest volkomen. De schoonmoeder van Petrus is meteen van haar hoge koorts af (Luk. 4:39). “Er was geen tijd voor herstel nodig. Jezus gaf haar niet het advies wat bouillon te drinken en het de eerste weken rustig aan te doen.” Oftewel: haar genezing was ogenblikkelijk en totaal. Net als al Jezus’ genezingen.
  4. Jezus geneest iedereen. De mensen kwamen van alle kanten op Hem af (Mar. 1:45) en tot ver na zonsondergang legde Jezus hun één voor één de handen op, aan welke kwaal ze ook leden (Luk. 4:40). Hij maakte zonder uitzondering iedereen weer gezond (Luk. 9:11). “Jezus liet geen lange rijen teleurgestelde mensen achter die in hun invalidenwagens weer naar huis moesten. Hij had geen genezingsdiensten of programma’s die in verband met vertrektijden van vliegtuigen of het eindigen van de zendtijd op zeker moment moeten worden beëindigd.”
  5. Jezus geneest organische zieken. Het gaat bij Hem altijd om ernstige ziekten en zichtbare handicaps zoals melaatsheid, blindheid, doofheid, verlamdheid enzovoort. “Jezus wandelde niet door Palestina om alleen maar rugklachten, hartkloppingen, hoofdpijnen en andere onzichtbare ziektes te genezen.”
  6. Jezus wekt de doden op. Dat is de meest indrukwekkende manier van genezing: een meisje van 12, een jongen van rond de 20, een goede vriend van een jaar of 40. “Mensen die zeggen dat de gave van genezing ook vandaag nog bestaat spenderen niet veel tijd aan rouwcentra, begrafenisstoeten of kerkhoven.”
  7. Jezus geneest vrijwel altijd in het publiek. Men stond erbij en keek ernaar. Niemand kon het ontkennen. Het was voor iedereen te controleren. Al zijn wondertekenen zijn opgeschreven om aan te tonen ‘dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leeft door zijn naam.’ (Joh. 20:31).

MacArthur trekt een paar pagina’s verder de conclusie, dat de gave der genezing één van de wondertekenen was die Jezus uit Zichzelf bezat en gebruikte en die Hij door zijn Geest ook aan de apostelen had gegeven om daarmee “het gezag van de evangelieboodschap in de eerste jaren van de kerk te bevestigen.” De gave van genezing was niet  bedoeld als permanente gave omdat God zou willen dat iedere christen in dit leven gezond is en blijft. “God wil dat mensen naar Hem toekomen in berouw over hun zonde en om Hem groot te maken, niet omdat ze Hem zien als een medicijn voor hun lichamelijke ziekten waaraan ze nu lijden.” (beide keren blz. 207). Volgens MacArthur is het principe duidelijk: “Als we ziek worden, moeten we bidden; we moeten ook de hulp inroepen van bekwame artsen en we moeten ons van ganser harte overgeven aan de volmaakte wil van God.” Want: “God heelt op zijn eigen tijd, op zijn eigen wijze en overeenkomstig zijn eigen soevereine wil en welbehagen.” (beide keren blz. 211).

Genezing vandaag volgens Brad Burke

3* De evangelische arts Brad Burke denkt er in zijn boek Doet God nog steeds wonderen? net zo over. Hij gelooft dat God nog altijd wonderen van lichamelijke genezing  doet, maar dat ze in het algemeen zeldzaam zijn. Hij schrijft: “Ik heb voor mijn werk vele duizenden uren doorgebracht in Canadese en Amerikaanse ziekenhuizen en zorg verleend aan de ziekste en meest gehandicapte mensen die je je voor kunt stellen. Er waren patiënten bij met een dwarslaesie, die nooit meer in staat zullen zijn om te lopen. Nog nooit heb ik gezien of gehoord dat iemand met de gave van genezing een ziekenhuis binnenwandelde en een dergelijke patiënt genas. Jezus en zijn discipelen deden dat wel.” (blz. 156) Hij dringt er op aan “om de term wonder te reserveren voor genezingen van het kaliber dat Christus en de apostelen verricht hebben.” (blz. 140). Hij gelooft dat de gave van genezing nog wel een keer terugkomt, maar dan in het Duizendjarig rijk. Voor de tijd tussen Pinksteren en Jezus’ terugkomst zullen de gelovigen wel grotere dingen doen dan Jezus deed (Joh. 14:12), maar dan gaat het niet om grotere wonderen, maar om een grotere impact. Want Jezus geeft zijn volgelingen zijn Geest en daardoor komen wereldwijd miljoenen mensen tot geloof, te beginnen met 3.000 gelovigen na één preek van Petrus!

Wie is vandaag de dove kwartel en de blinde vink?

Vlak vóór het verhaalde van de blinde man die in twee etappes genezen staat het verhaal van de dove man die ook wat ingewikkeld genezen wordt (Markus 7:31-37). Daar tussenin staat de verzuchting van Jezus richting de leerlingen: “Begrijpen jullie het dan nog niet?” (Markus 8:21) Zij gedragen zich als dove kwartels en blinde vinken als het om de vraag gaat, waar Jezus echt voor kwam. En bij mij dringt het vaak maar net zo langzaam door dat Jezus niet gekomen is om mijn aardse geluk veilig te stellen, maar dat ik mij in God verheugen mag omdat dankzij Hem mijn naam in de hemel opgetekend is (Lukas 10:20). Nick VujicicDat is volgens mij de kern van het geloof: via Jezus komt God mijn leven binnen. Omdat Hij van mij houdt. Omdat Hij mij alles geeft en vergeeft. Dan draait het niet meer om mijzelf. Dan draait het om Hem. Of ik nu genezen word of niet. Nick Vujicic, de man zonder armen en benen, vertelde eens, dat hij zijn problemen met Jezus bespreekt (bekijk en beluister, met Nederlandse ondertiteling, https://www.youtube.com/watch?v=urHz2neMbZs). Want Jezus belooft nergens dat de storm in je leven meteen op zal houden, maar wel dat Hij je vast en warm houdt totdat de storm is uitgeraasd. Dan is het in de storm ook goed, want Hij is er al die tijd bij.

Vergeving – moeilijk, mogelijk, (te) makkelijk

Iemand echt vergeven is moeilijk. Iemand oprecht om vergeving vragen is net zo moeilijk. Soms lukt het wederzijds. Soms komt het van één kant. Soms claimt een dader te makkelijk vergeving. Van alle drie wil ik een voorbeeld geven.

Wederzijdse verzoening

Eén van de meest bekende foto’s uit de Vietnamoorlog is die van het kleine meisje dat huilend en met uitgestrekte armen op de cameraman afloopt tijdens een bombardement van de Amerikanen op haar dorp om daar de terroristen van de Vietcong te verjagen. Door de napalmbommen hadden de kleren van Kim Phuc vlam gevat. Zelf liep ze derdegraads verbrandingen op aan haar rug en armen. In 1992 wist Kim uit communistisch Vietnam naar Canada te vluchten en kreeg daar politiek asiel. Ze woont nu in Toronto. Vietnam Meisje toen en nuZe heeft nog elke dag veel last van haar verwondingen en duidelijk zichtbare littekens. Eén van de officieren die verantwoordelijk was voor het bombardement was helikopterpiloot John Plummer. Hij zag een paar dagen later de foto en heeft de jaren daarna veel last gehad van nachtmerries en depressieve periodes. In 1996 vernam John dat Kim zou spreken op een veteranendag in Washington DC, niet ver van zijn huis. Hij ging er heen en hoorde, hoe Kim tegen de aanwezigen zei: ‘Als ik nog eens face tot face zou kunnen spreken met de piloot die de bommen boven ons dorp afwierp, zou ik hem vertellen dat ik hem wil vergeven.’ John schreef een briefje met daarop ‘Ik was die man’ en drong aan het eind van haar toespraak door de menigte heen en zag kans haar aandacht te trekken. Hij vertelde dat hij de man was die 24 jaar eerder die bommen had laten vallen. En wat deed Kim? Ze zag het verdriet en de pijn in zijn ogen en stak haar armen uit. John omhelsde haar snikkend en kon alleen maar zeggen: ‘I am so sorry. I am just so sorry.’ En tegelijk zij Kim: ‘It is all right. Ik vergeef je. Ik vergeef je.’ Op dat moment duurde het maar twee minuten, maar ze bleven kontakt houden. Vijf maanden later hebben ze elkaar weer ontmoet en hun verhaal in de krant gedaan. Met een foto waarop ze haast onbegrijpelijk innig en vriendschappelijk naast elkaar zitten. Kim vertelde John opnieuw, dat ze hem had vergeven. En dat ze dat kon, vertelde ze, omdat ze in Canada christen geworden was. Vergeving en verzoening, het kan dus!

Bereid om te vergeven

Maar als het van één kant moet komen? Hoe kun je dan vergeven? In de jaren ’80 van de vorige eeuw was er in Amerika een seriemoordenaar aktief. Hij stond bekend als de Green River Killer, omdat de lichamen van een aantal vermoorde vrouwen in de Green River gedumpt waren. Pas in 2001 kreeg de politie door een DNA-match de dader te pakken. Het bleek Gary Ridgway te zijn. Hij bekende maar liefst 48 moorden. In november 2003 werd hij veroordeeld tot 48x levenslange opsluiting in volledige afzondering. Tijdens het proces mochten de nabestaanden van de slachtoffers hun gevoelens uiten. Je kunt je wel voorstellen hoe ze reageerden.  Maar het optreden en de woorden van Robert Rule, de vader van Janie Rule, maakten de meeste indruk. Janie was in 1980 op haar 14e van huis weggelopen en op haar 16e op gruwelijke wijze door Gary Ridgway omgebracht. Wat Robert Rul tegen Gary Ridgway zei was het volgende: “Meneer Ridgway. Ehm … er zijn mensen hier die u haten. Ik ben niet één van hen. U heeft het moeilijk gemaakt om te kunnen voldoen aan wat ik geloof. En dat is wat God zegt om te doen. En dat is om te vergeven. U bent vergeven, meneer.” Robert Rule, de vader van Janie, had de moed en de kracht om de moordenaar van zijn dochter te vergeven. En je merkt aan alles, dat het hem niet gemakkelijk af ging, integendeel. Toch wil hij het en doet hij het ook. Die houding kun je, denk ik, het beste met de Heidelbergse Catechismus omschrijven als ‘een bewijs van uw genade in ons, dat wij het vaste voornemen hebben onze naaste van harte te vergeven’.

‘God heeft mij vergeven, dat geeft innerlijke rust’

In het Nederlands Dagblad van 14 januari 2016 stond het verhaal van een ex-predikant die ruim twee jaar een meisje van rond de 16 misbruikt heeft. Het meisje wilde met haar dominee praten over eerder seksueel misbruik door haar stiefopa. Uit het verslag blijkt, dat de dader een drietal externe redenen noemt als oorzaak, dat heel het gebeuren grote gevolgen heeft gehad voor hem en zijn gezin en dat het slachtoffer hem er met opzet in heeft laten lopen. Verder is te lezen dat de verdachte spijt heeft van zijn daden en alleen zichzelf schuldig acht, en niet zijn slachoffer. Maar in de publieke zitting zei hij ook tegen de rechtbank: “Ik weet dat Jezus Christus voor al mijn zonden geleden heeft. Hoe de uitspraak ook zal zijn, dit geeft innerlijke rust.” Het gevolg was, dat het slachtoffer hevig geëmotioneerd raakte en ‘boos snikkend’ de rechtszaal verliet. Hier zie je een dader die niet in wil zien of niet in kan zien, wat de schade is die hij door zijn misdaden bij anderen heeft aangericht. Als dader voelt hij zich vergeven door God. Maar aan zijn omgeving heeft hij nog steeds geen boodschap. Voor de ‘aanpalende schade’ voelt hij zich niet verantwoordelijk. Volgens mij eigent een dader zich dan te snel Gods vergeving toe. Alsof vertikale vergeving (herstel van de relatie tussen God en een dader) los staat van horizontale vergeving (herstel van de relatie tussen dader en slachtoffers in de breedste zin van het woord).

Drie posities als het om vergeving gaat

In Matteüs 18:22 draagt Jezus ons op een ander tot 70×7 maal te vergeven. En in Lukas 17:4 zegt Hij, dat je bereid moet zijn om iemand 7x per dag te vergeven. Die opdracht om onbeperkt te vergeven lijkt onmogelijk. Dat kan niet uit eigen kracht. Het lukt je alleen maar, als je steeds weer onder de indruk komt van de overvloed van vergeving die God schenkt. En dan nog … hoe kun je de bereidheid en het vaste voornemen om te vergeven opbrengen als je heel diep gekwetst bent en hele pijnlijke ervaringen hebt meegemaakt? Of als een dader te snel vergeving voor zichzelf claimt en geen rekening wil houden met de gevolgen en de gevoelens van zijn misdaad bij de direkte en indirekte slachtoffers? Zelf denk ik, dat echte vergeving van twee kanten moet komen. Niet alleen vertikaal met God, maar ook horizontaal, tussen mensen onderling, zoals bij Kim Phuc en John Plummer. Als dat niet kan, roept Jezus mij op tot vergevingsgezindheid. Stel dat degene die jou iets verschrikkelijks heeft aangedaan pas jaren later mij op de stoep staat en me om vergeving vraagt. Hoe ver ben ik dan in het proces van vergeving? Kan ik mijn dader toespraken zoals Robert Rule Gary Ridgway vergaf? Als mij dat echt niet lukt, wijst Paulus nog een derde weg. Namelijk: koester geen haat en neem geen wraak, maar laat het over aan God. Hij heeft immers gezegd: “Het is aan Mij om wraak te nemen, Ik zal het vergelden.” (Romeinen 12:19). Zelfs dat is niet altijd even makkelijk. Want dan duurt het wachten op gerechtigheid voor je gevoel wel heel erg lang.

Iemand vergeven valt niet mee. Zelf vergeving vragen en van vergeving leven is net zo moeilijk. Toen Jezus zijn leerlingen voorhield dat ze onbeperkt moesten vergeven, zeiden de apostelen tegen de Heer: “Geef ons meer geloof!” (Lukas 17:5). Alleen zo is het mogelijk.

 

Op weg naar Pasen het Johannes-evangelie in de Bijbel in Gewone Taal lezen

NBG Bijbel in Gewone Taal“Dominee, hebt u dat leesrooster nog waarin je het hele bijbelboek Johannes tot aan Pasen kunt lezen in de Bijbel in Gewone Taal? U deelde die gistermiddag uit in de kerkdienst waarin we de BGT-bijbelquiz deden. Ik wil die graag gebruiken als ik ’s avonds voor mezelf uit de Bijbel lees.” Dat mailde een jongere me vandaag. Ik antwoordde:  “Jazeker, ik neem er vanavond nog wel wat mee naar catechisatie.” Pasen 2015 leesrooster Johannes BGT - deel 1

Het gaat om het leesrooster dat in de uitgave van het Johannes-evangelie in de Bijbel in Gewone Taal staat. Die is op 12 februari door de EO en het NBG verspreid onder alle abonnees van de EO-Visie. Je kon ook extra exemplaren aanvragen, maar de belangstelling was zo groot, dat men er vóór de middag al helemaal doorheen was. Dus heb ik het leesrooster maar ingescand, gekopieerd en zondagmiddag verspreid. Als je op 19 februari begint, kom je precies op Tweede Paasdag  bij het slot van Johannes uit. Ik zou zeggen: doen! Als je op de volgende link klikt, krijg je het rooster op A4. Uitprinten en lezen maar!

Pasen 2015 leesrooster Johannes-Evangelie BGT in 47 dagen

 

VRIJGEMAAKT? – 2

De bundel ‘VVrij gemaakt boekrijgemaakt?’ blijft de tongen losmaken en de pennen in beweging zetten. Eerder verwees ik al naar de reaktie van collega Joost Smit op zijn weblog (zie Vrijgemaakt?). Nu heeft collega Klaas van den Geest er op zijn weblog pastorklaas.nl een analyse aan gewijd die op z’n minst verrassend genoemd kan worden. Een heel eigen insteek dus, die ik graag hieronder in z’n geheel herblog.

Vrijgemaakt?

Kunstenaars

Opmerkelijk goed geschreven, dat boekje Vrijgemaakt? Allemaal begaafde schrijvers, jonge mannen en vrouwen die kunnen boetseren met woorden. Een aantal auteurs zijn domineeskinderen, een aantal is theoloog. Veel domineeskinderen blijken opvallend veel te houden van boeken, kunst en muziek. Is er een verband tussen domineesgezinnen en kunst/muziek/literatuur? Volgens een onderzoek wel. Heel wat pastorieën puilen uit van de boeken. In heel wat predikantsgezinnen zijn kunst en muziek geliefd. Ik heb genoten van de manier waarop sommige bijdragen geschreven zijn. De mooiste trouwens van mensen uit andere studies en achtergronden. Het zijn bijna allemaal verhalenvertellers, deze getalenteerde dertigers.

Wij zijn cultureel of we zijn niet

Deze waarnemingen zijn volgens mij niet onbelangrijk als je dit boek wilt begrijpen. Wat me treft is een grote sensitiviteit voor de cultuur: als leefwereld van nu, maar ook zoals die het meest sprekend tot uiting komt in allerlei kunstvormen. En daarmee houden deze jonge mensen ons wel een spiegel voor. Hebben we als gereformeerden voldoende culturele antenne? En zijn we ons er van bewust hoe sterk we als kerk en gelovigen zelf door de cultuur beïnvloed zijn?

Want in dit boek komen mensen aan het woord, die zich in de ‘vrijgemaakte’ wereld van de cultuur afgesloten hebben gevoeld. En die dat als beklemmend en beperkend hebben ervaren. En terecht: want als we de menselijke cultuur buiten sluiten, sluiten we onszelf buiten. Of anders gezegd: we ontkennen of amputeren dan zelfs een stuk van onszelf.

Dat lijkt een deel van de boodschap te zijn van dit boek. Hier zijn mensen aan het woord, die niet de ruimte voelden om echt te léven. Dat leven zelf werd afgeknepen, kon zich niet ontplooien, ze konden geen vleugels uitslaan. Confronterend en veelzeggend vind ik bijvoorbeeld wat Arjen schrijft. Hij zegt: de oude routekaart bracht me nergens. Niet bij God, niet bij mijn eigen diepste zoeken. Het was een bril die iedereen moest opzetten en waardoor iedereen hetzelfde zou zien. Maar wie ben je dan zelf, wat is jouw identiteit? Is er ruimte voor een weerwoord, voor anders denken, anders geloven?

Je kunt dit boek heel makkelijk en snel afdoen. Als je het als een aanval ervaart op jouw eigen kerkelijke verleden en identiteit. Maar je kunt het ook als een kans zien. Dan ga je op zoek naar wat hier eigenlijk aan de orde wordt gesteld. En dat is wat mij betreft deze vraag: hoe hebben we ons als ‘vrijgemaakten’ opgesteld in verhouding tot de cultuur van onze tijd? Hebben we die cultuur niet vaak ontkend? Hebben we die culturele omgeving niet vaak onvoldoende onderkend, ook bij onszelf? Hoe vaak is onze eigen waarneming niet voor waarheid aangezien en gepresenteerd? Hoe sterk hebben we niet een eigen wereld geschapen, los van de echte, daarvan afgescheiden?

Vroeg of laat krijg je daarvan de rekening gepresenteerd. Als je een binnenwereld creëert, en de buitenwereld als bedreigend ziet of als slecht kwalificeert, dan voed je een generatie op zonder de tools om zelfstandig in die wereld te staan. Je gaat een taal spreken en een cultuur in stand houden, die geen werkelijk contact maakt met die buitenwereld. Dat is gebeurd, dat hebben we gedaan. Er was onvoldoende oog voor de cultuur als werkelijkheid. Ook een werkelijkheid waarvan we zelf deel uit maken. Cultureel zijn we allemaal: we maken er deel van uit. Dat is inherent aan het bestaan zelf: wij zijn cultureel of we zijn niet…

De kerk vormt daarop geen uitzondering. Maar ons idee daarover was anders, we dachten die cultuur buiten te kunnen houden.

Omgaan met je opvoeding

Ik zeg: we. Want ik kan me niet boven die kerk verheffen. Ik maak er deel van uit, heb er zelf deel aan. Ook al heb ik zelf het gevoel, dat dit boek ook geschreven had kunnen zijn door vijftigers. Door de vaders en moeders van deze jonge ‘vrijgemaakten’.

Dat werd mij duidelijk uit onder andere het verhaal van Bettelies. Bevlogen ouders, begonnen met E&R, open gezin, alles bespreekbaar, kritisch op de kerk maar wel met God in hun leven. Hoeveel van die vijftigers zijn er niet, die ook worstelen met die kerk? Ze waren zelf al het product van de sixties, kritisch tegenover gezag en establishment. Zij voelen ook al hun leven lang, maar zeker vandaag de dag, dat we iets in stand hielden wat onhoudbaar was. Die kerk zit in onze bagage, in onze genen mag je wel zeggen.

En dat is meteen ook een stukje zwakte van dit boek. Een deel van de schrijvers is uit deze kerk weg gegaan. Ze staan er nu buiten, wilden het van zich afschudden. Ik erken dat dat soms moet, om zo dat verleden te verwerken en ergens in je leven neer te zetten.

Maar het verschil met veel vijftigers is, dat die vijftigers blijven. Ik voel dat zelf ook: eindeloos kritisch op de kerk, tegelijk eindeloos loyaal eraan. En daar scheiden de wegen. Die dertigers, ook mijn eigen kinderen, maken juist hier een andere keus. Ze zijn kritisch. Maar niet meer loyaal. Tenminste, niet loyaal aan zoiets institutioneels als de kerk. Wel loyaal aan zichzelf. Authentiek willen ze zijn: kernwoord van de postmoderniteit. En dat is mooi: als je kritisch bent, moet je eerlijk zijn, jezelf volgen. Je denkt niet van boven naar beneden, maar van binnen naar buiten. Je aanvaardt geen waarheid of normativiteit die van bovenaf wordt opgelegd. Je wilt er zelf achter staan, zelf kiezen, vanuit je eigen individualiteit waarheid vinden en ervaren.

En dus nemen ze afstand. En al snap ik die stap en keuze, hier heb ik mijn vragen. Vragen die voortkomen uit een psychologische waarneming. Uit de ontwikkelingspsychologie weten we, dat een mens zijn of haar opvoeding zelfstandig moet verwerken. Je zoekt een bepaalde positie los van of tegenover je ouders. En dus moet je ook een eigen verhouding vinden met wat je ouders je hebben meegegeven. En als de kerk van die opvoedingsbagage een dominant bestanddeel is, moet je dus ook zoeken naar een eigen relatie dáármee.

Heel veel mensen, ook vijftigers en zestigers, zijn zich daar nauwelijks van bewust. In pastorale contacten merk ik dat maar al te vaak. Ervaringen met je ouders, de opvoeding die je meekreeg, de plek van de kerk en het geloof daarin, die zijn veelsoortig en veelzijdig. Anders gezegd: die ervaringen zijn gemengd, zowel positief als negatief. Er zit ook veel pijn tussen, vervreemding, eenzaamheid, gevoelens van afwijzing. Hoe geef je die een plek binnen je eigen identiteit? Hoe vind je een balans, hoe krijg je vrede met je verleden, hoe integreer je die bagage in wie je nu bent?

Die worsteling zie ik in dit boek. Maar die zoektocht maken we dus allemaal. Waar komt de onvrede in mijn leven vandaan? Wat maakt dat ik een gat voel, of pijn, iets wat zeurt en schrijnt? En daar komt dan wat ik zie als een denkfout: velen zien dan de kerk als de bron van hun pijn. Ze gaan die kerkelijke cultuur zien als de oorzaak van hun gevoelens van eenzaamheid en onvrede.

Het zou voor sommigen wel eens heel verhelderend kunnen zijn, als ze die onvrede niet op de kerk projecteren maar in gesprek gaan met hun ouders. De kerk is maar een deel van je bagage, zij het vaak een dominant stuk. En een mens moet in gesprek komen met zijn eigen verleden. Dat moet een gesprekspartner van je worden, om niet te zeggen een vriend.

Ik geef toe: dat is een mooi ideaal. Vaak komen we niet verder dan afstand nemen van dat deel dat zeer doet, en het diep weg te stoppen. Om er hopelijk ooit nog weer in je leven een nieuwe relatie mee te vinden. Dat wens ik deze dertigers toe: een stukje afstand om niet de pijn maar de waarde te kunnen gaan zien van dat kerkelijke verleden. Misschien vind je er toch iets kostbaars in, iets wat je met liefde in je hart sluit. Misschien dat je achter je ouders iemand anders gaat herkennen.

Seks

En dan nog iets opvallends in het boek: seks. Als we de cultuur ontkennen, ontkennen we het leven. Als we het leven en onszelf ontkennen, ontkennen we ook onze lichamelijkheid.  En dus onze seksuele gevoelens.

In enkele bijdragen valt die onbalans , of misschien zelfs fascinatie met seks op. Ook alweer zo herkenbaar, moet ik onmiddellijk zeggen. Vijftigers zullen in hun eigen leven nog veel meer die ambivalentie herkennen ten opzichte van hun lichamelijke gevoelens. De boze wereld moest buiten blijven, maar het boze vlees was binnen. En daar moesten we maar mee in het reine zien te komen. Zonder enige begeleiding, zonder werkelijk gesprek erover. Als je zelf niet hebt leren praten over seks, heb je vaak ook niet geleerd het werkelijk te accepteren. Ook alweer zo’n psychologisch dingetje. En als je niet hebt geleerd er mee om te gaan, worden die onbeheersbare gevoelens al gauw geduid als duister en ‘zondig’.

Wat geef je dan door aan de volgende generatie? Een generatie die opgroeit in een wereld waarin seks net zo gewoon bij het dagelijkse leven hoort als eten en drinken? Hoe die generatie dat heeft ervaren lees je hier in meerdere bijdragen in het boek. De één na de ander is op zoek naar bevrijding uit een sfeer van geheimzinnigheid en beklemming. Onze culturele emancipatie is ook een lichamelijke bevrijding. In enkele bijdragen lijkt dat te leiden tot een pendelbeweging naar de andere kant: eindelijk vrij, leef je leven, grenzeloos!

Ook hier kan ik niet anders dan constateren, dat we een onbetaalde rekening gepresenteerd krijgen. We hebben over seksualiteit vooral gesproken in Hooglied-termen. Maar hebben we echt intimiteit en tederheid laten zien? Dat je van je lichaam en elkaar aan het genieten bent? En ook de keerzijde: zien we ook de duistere kant, het stukje pijn en eenzaamheid dat met seksualiteit verbonden is, onder ogen? Klinkt dat door in de manier waarop we daarover iets doorgeven?

Anders zijn die prachtige Hooglied-woorden niet meer dan verheven verbaliteit. Zonder werkelijkheidswaarde. De dertigers prikken daar doorheen: wees authentiek, wees jezelf.

Kerk waarheen

Lammert Kamphuis ziet de GKv als een laatste bolwerk van de verzuiling. Ik herken dat niet zo: er is al lang geen ‘groot verhaal’ meer. Dat wij dé kerk zijn, de enige, daarmee hebben we al lang gebroken. Dat begon al af te brokkelen in mijn studietijd, de jaren ’80 vorige eeuw. Toen hadden voor het eerst enkele aanstaande predikanten de euvele moed om op een kerkelijk examen te zeggen: ik weet niet of Paulus alleen aan de GKv een brief zou schrijven. Dat leidde toen nog tot afwijzing, je moest het examen overdoen om kandidaat (proponent) te kunnen worden. Maar het hek was van de dam, het was al niet meer te houden.

Nogmaals, daarmee ontken ik beslist niet dat wij die exclusiviteit in onze genen dragen. Zelfs als je er zelf niet aan bijgedragen hebt, heeft die sfeer nog lange tijd doorgewerkt, als een benauwende etensgeur die nog dagenlang in huis blijft hangen. In die zin moet je opnieuw naar die vijftigers en zestigers kijken. Daaronder vind je nog steeds mensen die in die wereld ondergedompeld zijn geweest en het nog in zich dragen. En soms is dat trekje ook in de kerk echt nog wel vrij prominent te voelen. Jongere generaties storen zich daaraan en ervaren die sfeer in de kerk als vervreemdend. Waar het nog sterk aanwezig is, ervaren ze de kerk zelfs als een vijftig-plus-instituut.

Toch denk ik, dat die vijftigers ook een generatie zijn die de transitie hebben ingeluid. Ze hebben bakens verzet. Alleen hebben ze dat nog voorzichtig gedaan, wilden ze het lijntje niet breken. De nieuwe generaties hebben daarin minder scrupules, ze gaan meer voor zichzelf. Dat bedoel ik zeker niet als een oordeel, misschien bewonder ik ze daarom wel juist. Wat ik niet deed en doe, doen zij wel. Ik heb veel respect voor de huidige generatie jonge theologen, mensen als Reinier Sonneveld en Rikko Voorberg. Maar het zijn wel theologen buiten of op de rand van de kerk. Ik herken hun zoektocht, existentieel. Ze raken heel duidelijk snaren bij mij. Maar ik voel me nog te zeer verbonden met de kerk om daar buiten te gaan experimenteren. Hun 7x7christendom is radicaal, maar durf ik het aan om het initiatief te nemen onszelf opnieuw uit te vinden?

In die zin daagt dit boek me uit. Want ‘gewoon doorgaan’ is geen optie meer. Intelligente, getalenteerde en hoogopgeleide jongeren laten ons dan ver achter zich. Wat overblijft zijn ja-knikkers en aardige mensen met grijs haar. En dan hebben we toch echt een generatie verloren.

Wat zou onze Heer dan willen?