Lang geleden, 400 jaar geleden om precies te zijn, is er in Nederland een internationale synode gehouden, de synode van Dordrecht. Van november 1618 t/m mei 1619 is daar meer dan 180 keer vergaderd. Er waren afgevaardigden vanuit alle kerken in Nederland aanwezig en ook nog eens bijna 60 Nederlandse theologen en 30 buitenlandse theologen uit heel Europa. Op die synode ging het vooral om de vraag: ‘wie kiest voor wie’ als het om geloven gaat. Kiest God voor jou en geeft Hij jou daarom de kracht om te geloven? Of kies jij voor God en geeft God jou dan de kracht om te geloven? Uiteindelijk deed de synode van Dordrecht daar een uitspraak over en wezen ze een aantal meningen die niet bijbels waren, af. Ze noemden die uitspraak ‘De Dordtse Leerregels’. De Nederlandse kerken besloten om die uitspraak net zo belangrijk te vinden als de Nederlandse Geloofsbelijdenis van 1561 en de Heidelbergse Catechismus van 1563. Vanaf die tijd vormen ze de ‘Drie Formulieren van Eenheid’.
Over de uitverkiezing kun je heel lang nadenken. Er kunnen zomaar vragen bij je opkomen zoals:
- Wie mogen er later bij God in de hemel komen?
- Hoe kan ik zelf zeker zijn van mijn uitverkiezing?
- Kan mijn beste vriendin wel tot geloof komen als ze niet uitverkoren is?
- Past het wel bij Gods liefde dat er ook mensen naar de hel gaan?
Nadenken mag, maar …
Ik wil er een paar opmerkingen over maken.
*1* NADENKEN over de UITVERKIEZING leidt niet tot de oplossing van alle vragen.
*2* NADENKEN over de UITVERKIEZING maakt wel een aantal zaken beter te begrijpen.
*3* NADENKEN over de UITVERKIEZING doe je niet door logische, sluitende redeneringen te bedenken.
*4* NADENKEN over de UITVERKIEZING doe je ook niet door af te gaan op wat je het meest sympathiek en menselijk vindt.
*5* NADENKEN over de UITVERKIEZING doe je door je te laten leiden door wat God er Zelf in de Bijbel over zegt. Dat is vertroostend.
Welke kant van de medaille?
Hoe belangrijk is de vraag naar de uitverkiezing eigenlijk? Niet onbelangrijk. ‘Wie kiest voor wie’ gaat over de vraag of God het echt over alles, dus ook over onze keuzes, te zeggen heeft. Dat is van belang voor de zekerheid van je geloof. Maar dan moet je wel eerst tot geloof gekomen zijn en je leven in handen van die betrouwbare, liefdevolle God gelegd hebben! Dat is, om het maar een zo te zeggen, de voorkant van het Evangelie: de oproep tot geloof. De achterkant daarvan (of, om een andere vergelijking te gebruiken, de andere kant van de medaille) is de uitverkiezing.
In de Bijbel begint het nooit met die achterkant. In heel de Bijbel kom je nooit de oproep tegen: DENK NA EN GA NA OF JE WEL UITVERKOREN BENT! Je komt wel steeds weer de oproep tegen: GELOOF IN GOD EN IN JEZUS CHRISTUS!
Als je positief ingaat op die oproep en in Jezus gaat geloven, kun je je wel eens afvragen: hoe kom ik aan mijn geloof? En dan kan, als je daarover nadenkt, je conclusie geen andere zijn dan deze drie stappen:
- Mijn geloof is mijn keuze voor God.
Want mijn geloof is echt iets van mijzelf. Ik geloof niet in God en in Jezus omdat het van mijn ouders of van mijn vrienden moet. Tegelijk denk je er dan bij:
- Mijn geloof is een geschenk van God.
Ik merk echt dat ik het niet uit mijzelf kan volhouden. Ik ben ook beslist niet de meest perfekte gelovige die hier op aarde rondloopt. God Zelf moet mijn geloof steeds op peil houden. Dan kun je zomaar verwonderd tot de konklusie komen:
- Achter mijn keus voor God zit Gods keus voor mij.
Hij heeft mij uitgekozen om zijn kind te zijn en om bij Jezus te horen. En zijn Heilige Geest vult mijn geloof steeds weer aan.
Dat kom je ook tegen in de volgende twee bijbelgedeeltes: Lukas 13:22-30 en Handelingen 13:42-49.
Jezus over geloof en uitverkiezing
In Lukas 13 vers 23 stelt iemand Jezus de vraag: “Heer, zijn er maar weinigen die gered worden?” Dat is de vraag naar de uitverkiezing. Daar geeft onze Heer wel een antwoord op (“Ik zeg jullie: velen zullen proberen naar binnen te gaan maar er niet in slagen”), maar met veel meer nadruk zegt Jezus: “Doe alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan.” Dat is de oproep tot geloof. Het geloof in Jezus Zelf. Als je gelovig bent opgevoed, toen als Jood, nu als christen, ben je heel dicht bij het eeuwige geluk dat God beloofd heeft. Want de Joden in het O.T. keken uit naar de Messias en in het N.T. stond de beloofde Messias pal voor hun neus. En als je in een gezin opgroeit en in een kerk komt waar Jezus als Verlosser en Heer gekend en gepreekt wordt, ben je er net zo dicht bij. Dat is een geweldig voorrecht. Maar het is niet je redding! Niet je plaats (dicht bij of ver weg) geeft de doorslag, maar of je in Hem gelooft – Jezus, je Redder en Heer! Dus zegt Jezus vóór zijn sterven al, dat er veel mensen van verre zullen komen die wél in Hem zullen gaan geloven, terwijl er veel Joden als eerste genodigden buiten komen te staan.
Paulus over geloof en uitverkiezing
Dat wordt werkelijkheid in Handelingen 13. Paulus en Barnabas zijn in Antiochië gastvrij onthaald in de synagoge. Ze kregen zelfs de gelegenheid om vanuit het Oude Testament te laten zien “dat God overeenkomstig zijn belofte, een Redder voor Israel heeft voorgebracht, Jezus” (vers 23). En als ze dat de week erop verder mogen uitleggen, eindigt dat met de aansporing van Paulus en Barnabas aan al die mensen die met grote belangstelling hebben geluisterd: “Geef je over aan de goedgunstigheid / aan de genade van God” (vers 43). Dus éérst houden de mensen Gods uitnodiging voor! Nog een week later blijkt dan, dat de Joodse leiders jaloers zijn en Paulus + Barnabas voor ketters uitmaken. Paulus laat hun weten, dat dat hun eigen keus is, maar wel met vergaande consequenties (vers 46): “U wijst de boodschap van God af en acht uzelf het eeuwige leven niet waard” en dus zullen Paulus en Barnabas zich nu tot de heidenen wenden (de vervulling van de woorden van Jezus over de eersten en de laatsten). Die heidenen zijn vervolgens erg blij en vol lof over de goedheid van de Heer. Maar ze mogen ook weten dat achter hun keus voor Jezus Christus Gods keus voor hen ligt: “Allen die voor het eeuwige leven bestemd waren aanvaardden het geloof” (vers 48).
Het begint dus nooit met de vraag: ‘Heeft God mij wel uitgekozen?’ Veel belangrijker is de oproep: ‘Geloof in Jezus Christus en je bent gered!’
De Dordtse Leerregels over geloof en uitverkiezing
Ook de Dordtse Leerregels beginnen niet met de vraag: ‘Ben je uitverkoren?’ Nee, als je bijvoorbeeld de eerste vijf artikelen van hoofdstuk 1 leest,, merk je dat het begint met het verlangen van God om mensen tot geloof te brengen. Om jou en mij tot geloof te brengen.
Hoofdstuk 1
Artikel 1 Alle mensen hebben in Adam gezondigd en verdienen Gods vloek en de eeuwige dood1. Daarom zou God niemand onrecht gedaan hebben, als Hij besloten had het hele menselijke geslacht aan zonde en vervloeking over te laten en vanwege de zonde te veroordelen. De apostel zegt immers: De hele wereld staat schuldig voor God, want iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God (Rom. 3:19, 23). En: Het loon van de zonde is de dood (Rom. 6:23).
Artikel 2 Maar hierin is de liefde van God geopenbaard, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.
Artikel 3 Om de mensen tot het geloof te brengen zendt God in zijn goedheid verkondigers van deze zeer blijde boodschap tot wie Hij wil en wanneer Hij wil. Door hun dienst worden de mensen opgeroepen tot bekering en tot geloof in Christus, de gekruisigde. Want hoe kunnen ze in Hem geloven als ze niet over Hem gehoord hebben? En hoe kunnen ze over Hem horen als Hij niet verkondigd wordt? En hoe kan iemand verkondigen als hij niet uitgezonden is? (Rom. 10:14, 15).
Artikel 4 Op hen die dit evangelie niet geloven, blijft de toorn van God. Maar zij die het aannemen en de Verlosser Jezus met een echt en levend geloof omhelzen, worden door Hem van de toorn van God en van de ondergang verlost, en zij ontvangen door Hem het eeuwige leven.
Artikel 5 Van dat ongeloof is God volstrekt niet de oorzaak. De mens draagt de schuld ervan, evenals van alle andere zonden. Daarentegen is het geloof in Jezus Christus en ook het behoud door Hem een genadegave van God, zoals geschreven is: Door zijn genade bent u nu immers gered, dankzij uw geloof. Maar dat dankt u niet aan uzelf; het is een geschenk van God (Ef. 2:8). Evenzo: Aan u is de genade geschonken in Christus te geloven (Filip. 1:29).
Lukas 13 én Handelingen 13 én de Dordtse Leerregels plaatsen je voor Jezus Christus. Dichterbij kan niet. Die Jezus wil jouw Redder zijn en je laten delen in het eeuwige geluk met en door Hem. Wat voor antwoord geef jij daarop?

Klaas vertelt graag iets over zijn motivatie: “Toen ik twaalf jaar oud was, vroeg ik mij al af: ‘Kennen Oostenrijkers God niet!?’ Ik was voor het eerst in Oostenrijk op vakantie en verwonderde me over de prachtige natuur en de rijke cultuur. Tegelijk was ik verbaasd over het feit dat al die mooie kerken op zondag leeg waren. Veel Oostenrijkers geloven wel in een ‘god’ en in het land hangen veel beelden van Jezus Christus. Maar velen kennen God en Jezus niet en dat raakt mij! Nu ben ik 31 en afgestudeerd aan de Theologische Universiteit in Kampen. Half september vertrek ik definitief naar Oostenrijk om als missionair predikant in Innsbruck te gaan werken. Ik heb daar veel vertrouwen in. Tijdens mijn studie zei een vrouw in Oostenrijk tegen mij: ‘Als jij dominee wilt worden, kom dan naar Oostenrijk. Wij hebben dominees nodig!’ Nu is voor mij de tijd gekomen om in Oostenrijk van Christus te getuigen.”
De SSRO komt op dit moment € 30.000 per jaar tekort, maar vertrouwt erop dat ze met extra bijdragen door meelevende christenen in Nederland de toezegging aan de kerk van Rankweil kan nakomen.


Een tijdje geleden alweer waren Karla en ik “bie diek aan t Oethoester Wad”. Vanaf daar zie je het eiland Borkum met de vuurtoren . ’t Was tegen zonsondergang, dus in de eerste schemering begon de vuurtoren z’n lichtsignalen uit te zenden. Ik probeerde te ontdekken in welk ritme de vuurtoren z’n licht gaf. Want iedere vuurtoren heeft z’n eigen ritme. Na een tijdje kwam ik erachter dat die van Borkum in interval van 4 – 12 heeft. Elke 4e tel en daarna elke 12e tel geeft hij licht. En dan weer bij tel 16 en tel 28. Daar moest ik aan denken bij het levensverhaal van Job. Het is niet altijd licht in ons leven. Soms zelfs veel vaker donker (10 tellen) dan licht (maar twee keer 1 tel). Maar af en toe schijnt het licht wel! Zo is het in het leven van Gods kinderen ook. In de donkerheid schijnt wel het licht van Gods liefde. Dus staar je niet blind op je moeiten. Zelfs als je ze zelf niet meer kunt dragen, is God er nog. Want Hij was er vroeger ook. Toen waren we blij met God. Juichend en lovend trokken we op naar het huis van God – een feestende menigte. Als ik daaraan denk, zingen de Korachieten in Psalm 42+43, word ik weemoedig en verdrietig. Dus vraag ik me af: Waarom vergeet God mij? Waarom ga ik in het zwart, geplaagd door de vijand? Daar snap ik niks van. Waarom zit ik nu in zo’n diep, akelig zwart gat? En toch, net als bij Job, klinkt er drie keer als refrein: ‘Vestig je hoop op God, mijn ziel. Eens zal ik Hem weer loven, mijn Verlosser en mijn God!’ Kijk, daar heb je alweer die Verlosser! Het zal eens ook weer licht worden! Want God laat jou en mij niet los.
In 2 Koningen 5 staat het verhaal over de wonderlijke weg die de HERE met Naäman is gegaan. In dit artikel wil ik speciaal aandacht vragen voor de verzen 18 en 19. Naäman heeft net gezegd dat hij in het vervolg alleen nog maar offers voor de HERE wil brengen. Daarom wil hij graag zoveel ‘gewijde grond’ meenemen naar Damaskus als twee ezels kunnen dragen. Dat is geen kwestie van bijgeloof. Integendeel: Naäman brengt daarmee tot uitdrukking, dat hij echt gelooft in de God van Abraham, Isaak en Jakob, die zich door zijn verbond aan het volk en het land Israel verbonden heeft.
Op dit pamflet heeft Marnix van St. Aldegonde (de vermoedelijke dichter van ons Wilhelmus) gereageerd. Pas veel later is een manuskript van hem ontdekt en uitgegeven met de titel: Vande beelden aff geworpen inde Nederlanden in Augusto 1566. Marnix gaat uitvoerig in op het voorbeeld van Naäman. Volgens Marnix is het heel duidelijk dat Naäman na zijn genezing in geen andere God op aarde gelooft dan de God van Israel. Daarom heeft hij (Naäman dus) er ook grote moeite mee, om in Damaskus de tempel van Rimmon binnen te gaan en daar zelfs te knielen. Toch zal hij wel moeten, omdat de koning op zijn schouders wil leunen bij het aanbidden van Rimmon. Daarvoor vraagt Naäman Elisa bij voorbaat om vergeving, en die wordt hem ook door Elisa verleend.
Marnix haalt dan een voorbeeld uit zijn tijd aan. De keurvorst van Saksen moest regelmatig het zwaard van de keizer van het Duitse Rijk dragen bij belangrijke gebeurtenissen. Dat moest hij ook doen, als de keizer de mis bijwoonde. Maar de keurvorst liet iedereen weten (via een ‘openbare protestatie’) dat hij de mis en al wat daar plaatsvond, voor een godslasterlijke afgoderij hield. Toch wilde hij wel in zo’n kerkdienst aanwezig zijn, maar niet om daar de ware God te aanbidden of ook maar enigszins de afgoderij die in mis plaats vond goed te praten, maar enkel vanwege zijn burgerlijke en politieke verplichtingen tegenover de keizer.
Afgodendienst en de rooms-katholiek mis worden door Marnix met elkaar op één lijn gesteld. Is dat uit reaktie op de felle vervolgingen van die tijd, omdat elke niet-rooms-katholieke ketter door Rome op de brandstapel werd gebracht? Of is het nog steeds terecht, om met Zondag 30:80 van de Heidelbergse Catechismus te zeggen, dat de roomse mis in de grond van de zaak niet anders dan een verloochening van het enige offer en lijden van Christus en een vervloekte afgoderij. Let wel: in de grond van de zaak betekent, dat je nagaat, wat de mis ten diepste is; het betekent niet, dat je iedere rooms-katholieke gelovige als een vervloekte afgodendienaar typeert (dat doet de catechismus ook niet, in tegenstelling tot het concilie van Trente in die tijd. Dat sprak wel uit, dat iedereen die de ketterse ideeën van de ‘nije leere’ aanhing, of men nu luthers, calvinistisch of dopers was, ook persoonlijk vervloekt was).
Bijvoorbeeld als nieuw-vrijgemaakte in een trouwdienst van de gewone vrijgemaakte kerk? Of als protestants-gereformeerde bij een overdoop-dienst in een evangelische gemeente? Of als christen bij een iftar-maaltijd tijdens of op het suikerfeest aan het eind van de ramadan? Mag dat dan alleen maar wanneer je expliciet uitspreekt tegen welke dwalingen je bezwaar hebt en hoe de HERE God volgens jou wel wil dat iedereen Hem dient?
Wie de hittegolf in Nederland ontvluchten wil, moet wel op vakantie naar het buitenland gaan. Natuurlijk kun je ook verkoeling vinden aan de Noordzeekust of op de Waddeneilanden. Maar in het buitenland kun je het figuurlijk hogerop zoeken – richting Scandinavië en Schotland; of letterlijk hogerop – de heuvels van de Ardennen, de Vogezen en de Harz in of de hoge bergen van de Alpen en de Pyreneeën in. En het moet al raar lopen, of daar ontmoet je ook medechristenen.
Engeland: in Helston (Cornwall) bezochten we de Helston Baptist Church (
Kirche Westminster Bekenntnis). Zie
Van harte aanbevolen!