Avondmaal aan huis – de lijn van Calvijn

Waar vier je het Avondmaal? In de kerk of bij mensen thuis? Als gemeente of ook op conferenties en congressen? In Nederland is men binnen de protestants-gereformeerde kerken vanaf het allereerste begin (1570) erg terughoudend geweest met het vieren van het Avondmaal buiten de kerkdiensten om. Dat is voor een deel terecht, denk ik. Het Avondmaal is geen maaltijd van christenen, maar een maaltijd van de christelijke gemeente. Samen als gemeente vieren we dat Jezus onze Heer er zijn leven voor over had om ons weer met God te verzoenen. En dat Hij zijn Heilige Geest gegeven heeft om ons te motiveren tot een nieuw, christelijk leven. Het past dan niet zo goed om ‘kerkje te spelen’ op allerlei plekken waar christenen bij elkaar komen, vind ik. Maar hoe zit het met gemeenteleden die niet meer in de kerk kunnen komen? Kunnen zij het Avondmaal aan huis ontvangen?

Avondmaal Helmantel (3)In onze gemeente is het al zo’n 15 jaar mogelijk dat gemeenteleden die ernstig ziek zijn of langdurig aan huis gebonden zijn het Avondmaal thuis vieren als zij dat willen. Dat was, zo rond 2000, een nieuwe ontwikkeling. Ruim 400 jaar golden de volgende argumenten om het ‘Avondmaal aan huis’ niet te stimuleren: a) de viering van het Avond­maal moet in de gemeente plaats vinden; b) het ontvangen van het Avond­maal is niet noodzakelijk om behouden te worden; c) de werking van het Avond­maal komt, dankzij de Heilige Geest, ook ten goede aan gemeenteleden die het Avond­maal niet kunnen meevieren.

Maar vanaf het allereerste begin van de Reformatie klinkt er al een tegengeluid. En het is niet de eerste de beste die zich nadrukkelijk vóór de bediening van het Avondmaal bij ernstige zieken thuis uitspreekt. Johannes Calvijn was één van de overtuigde voorstanders van de mogelijkheid om zieken thuis het Avond­maal te laten meevieren. Volgens hem hebben langdurig of ernstig zieke gemeenteleden het recht om het Avond­maal te ontvangen en heeft de kerk de plicht om daaraan te voldoen.

In 1543 waren er een aantal predikanten die Calvijn hierover om advies vroegen. Calvijn geeft dan als antwoord, dat men de gewoonte van de ‘ziekencommu­nie’ (zo werd het Avondmaal aan huis vaak genoemd) mag toelaten waar het nodig en passend is. De enige voorwaarde die Calvijn eraan verbindt is “dat het werkelijk een communio is, dat wil zeggen, dat het brood in de gemeen­schap van gelovigen gebroken wordt.”

calvijn-portret-nlPrecies twintig jaar later, in 1563, schrijft Calvijn nog een keer uitvoerig over de bediening van het Avondmaal bij ernstig zieken thuis. Hij doet dat in een brief aan Caspar Olevianus, één van de opstellers van de Heidelberg­se Cate­chismus. Wanneer je naar het doel van het Avond­maal kijkt, schrijft Calvijn, “meen ik te mogen opmaken, dat zij die of aan een langdurige ziekte lijden of in levensgevaar zijn, niet van een zo groot goed beroofd mogen worden.” Het Avond­maal dient tot versterking van het geloof en is een wapen dat Chris­tus ons aanreikt in de geestelijke strijd die we te voeren hebben. Juist in tijden van een ernstige ziekte en een naderend sterven wordt een gelovige door veel verzoekingen overval­len en beang­stigd. “Mogen wij nu dit bijzonder hulpmiddel van hem wegnemen, waardoor zijn vertrouwen zo versterkt wordt, dat hij zich met vreugde in de strijd begeeft en de overwinning behaalt?” Daarom mag men de zieken volgens Calvijn niet van het Avond­maal weren. “Juist het Avond­maal is symbool van de heilige eenheid van Gods kinderen.” Calvijn bestrijdt, dat het Avond­maal zo een privézaak wordt. “In werkelijkheid is het Avondmaal aan huis een onderdeel van de openlijke viering.” Tenslotte is hij van mening, dat voorkomen moet worden, dat zieken uit bijgeloof, eerzucht of nieuwsgierigheid het Avond­maal willen ontvangen. Daarom wil Calvijn slechts in uitzonder­lijke situaties en wanneer de kerkeraad goed op de hoogte is van de werkelijke toestand van de zieke broeder of zuster, de Avond­maalsviering bij hem of haar thuis toe­staan. Bovendien moet de viering helemaal overeenkomen met de instelling van Chris­tus. Daarom acht Calvijn het wenselijk, dat het Avond­maal “slechts in de kring van de gelovigen en niet zonder onderwijs en liturgie, evenals bij de openlijke viering, gehouden wordt.”

In zijn eigen kerk in Genève gaf de kerkenraad geen gelegenheid voor de ziekencommunie. Het Avond­maal mocht alleen in de zondagse kerkdiensten gevierd worden. Calvijn heeft zich hierbij neergelegd, maar bleef het ermee oneens. Hij zelf zou het brood en de wijn graag aan ernstig of langdurig zieken uitreiken. Juist in hun situatie mag de troost die Christus hen door het Avondmaal geven wil, hen niet onthouden worden, vond hij. Daarom schrijft Calvijn ook in 1558 aan een kerke­raadslid uit Heidelberg: “Dat het Avond­maal bij ons aan de zieken niet bediend wordt, mis­haagt ook mij. En het ligt werkelijk niet aan mij, dat zij die gaan sterven deze troost niet genieten. Zoveel wilde ik wel, dat bij het nage­slacht duidelijk bekend blijft, wat ik gewenst heb.”

In onze vrijgemaakte kerken is ds. E.A. de Boer (nu hoogleraar in Kampen) een van de eersten geweest die weer een pleidooi voerde voor het vieren van het Avondmaal aan huis. In het weekblad ‘De Reformatie’ schreef hij hier in 1988 vier artikelen over. Zijn conclusie was duidelijk: “Ik meen dat kerkeraden, aan wie de herderlijke zorg en de bediening van de sacramenten is toever­trouwd, gezien hun taak en recht en in het licht van het verleden, de ruimte hebben om aan de ernstig en langdurig zieken thuis het Heilig Avond­maal te bedienen. De criteria, waaraan de ziekencommunie moet voldoen, zijn we al tegengekomen. Het Avond­maal moet naar Chris­tus’ instelling gegeven, door een dienaar van het Woord bediend en door een kring van gelovi­gen meege­vierd worden. Het mooiste is, wanneer deze viering plaats­vindt op de Avond­maalszondag.”

kruis-hart.jpgZo doen we het in 2016 in onze gemeente ook. In een huiskamer komen  de predikant, de kringouderling, de kringdiaken en een paar gemeenteleden bij elkaar. De bediening van het Avondmaal vindt plaats in een korte samenkomst waarin we ook samen bidden, uit de bijbel lezen en zingen. Daarmee volgen we helemaal de lijn van Calvijn. Hij vond het o zo belangrijk dat gelovige kinderen van God juist als ze het heel erg moeilijk hebben, het Avondmaal als geloofsmedicijn ontvangen. Om in alle angsten en benauwenissen het oog op de Heer gericht te houden en op Hem te blijven hopen (Psalm 25:15-22). Juist dan wil Jezus onze Heer met het Avondmaal ons geloof versterken en ons ‘bemoedigen met kracht in onze ziel’ (om het met Ps. 138:3b uit de NV’51 te zeggen).

Gebedsgenezers – 10 redenen waarom ik ervan genezen ben

In mijn blog ‘Ziekte en handikap – hoe ga je er als christen mee om’ schreef ik aan het eind, dat er soms wel wonderen van lichamelijke genezing plaatsvinden op het gelovige gebed, maar meestal niet. Ik ben niet de eerste die dat zegt. Joni Eareckson-Tada, die door in ondiep water te duiken volledig verlamd raakte en nooit meer uit haar rolstoel gekomen is, zegt in een interview: “We kunnen overduidelijk zien, alleen al door een terloopse observatie, dat het niejoni-tada-earicksont de wil van God is dat iedereen wordt genezen, omdat niet iedereen is genezen. De mens kan de wil van God niet weerstaan en als het de bedoeling en de opzet van God was dat alle mensen gezonden zouden zijn, zou niets dat kunnen tegenhouden. We zouden bewijzen ervan zien in de wereld om ons heen, maar we zien dat niet. Dus is het duidelijk niet de wil van God dat iedereen genezen zal worden.” (Het interview is te vinden in Richard Mayhue, De belofte van genezing, pag. 228-241)

Gebedsgenezers beweren bijna altijd het tegenovergestelde. En ze pretenderen vaak dat ze van God de gave van genezing ontvangen hebben. Mij overtuigt het hoe langer hoe minder. Ik wil in 10 punten uitleggen waarom.

  1. Lichamelijke of psychische genezing wordt als tweede werk van onze Heer Jezus Christus aan de vergeving van onze zonden gekoppeld. Christus heeft echter geen twee pijlen op zijn Evangelie-boog die even belangrijk zijn. Als je de Bijbel goed leest, ontdek je dat genezingswonderen het gezag van Jezus om zonden te mogen en kunnen vergeven, onderstrepen. Dat laatste – ‘God heeft mijn zonden vergeven!’ – is voor mij de belangrijkste reden voor een blij en dankbaar christelijk leven.
  2. Dat onze grote God in zijn soevereiniteit ook de gevolgen van de zonde kan gebruiken om zijn Naam in en door de gelovigen groot te maken, wordt door veel gebedsgenezers niet erkend.
  3. Met de woorden die onze Heer Jezus bidt, nl. ´Laat niet wat Ik wil, maar wat U wilt gebeuren’ wordt totaal geen rekening gehouden, sterker nog: die woorden worden weggeredeneerd.
  4. Wanneer er geen genezing plaatsvindt of een ziekte of kwaal keert terug, ligt dat volgens gebedsgenezers in de meeste gevallen aan bestaande of teruggekeerde hindernissen. Zo worden mensen die het toch al moeilijk hebben, teruggeworpen op zichzelf en hun mate van geloof.
  5. Veel gebedsgenezers zeggen wel, dat ze niet tegen dokters zijn, maar vinden tegelijk, dat je die hele medische gang niet had hoeven maken als je meteen in geloof tot God was gaan bidden. Ook christenen die aan bevrijdingspastoraat doen vinden vaak dat psychische kwalen eerder met demonische belasting te maken hebben dan dat het een ziektebeeld is, en dat gebed en uitdrijving dus belangrijker zijn dan medicijnen en therapieën.
  6. Wanneer iemand niet geneest tijdens een samenkomst, weten gebedsgenezers vaak niet meer te zeggen, dan dat wanneer iemand écht gelooft, ze er niet verbaasd van zullen staan te kijken als diegene op een dag opbelt met de mededeling: ´De Heer heeft mij toch genezen!´
  7. Gebedsgenezers laten alle mensen tot zich komen, zoals ook Jezus en de apostelen dat deden. Maar Jezus genas ook werkelijk allen, evenals de apostelen die onder speciale leiding van de Heilige Geest stonden. Doordat gebedsgenezers iedereen op dezelfde manier toespreken (meer bevelend dan biddend trouwens) wekken ze de suggestie, dat ook iedereen genezen wordt. Dat gebeurt nooit. Dus zelfs al zouden alle gebedsgenezers de gave van genezing hebben, dan is het nog steeds onjuist om daar een bediening van genezing van te maken. Want de vrijmacht van de Heer om door iemands hand sommigen te genezen mag je niet zomaar tot een volmacht maken om álle mensen te kunnen genezen. Daarmee plaatsen gebedsgenezers zich als instrument van God op een te hoge plaats. Zozeer zelfs, dat sommigen (Jan Zijlstra bv.) met een beroep op Petrus en Paulus zweetdoekjes opsturen naar zieken die niet bij hem kunnen komen.
  8. Ik hoor gebedsgenezers bijna nooit uitleggen waarom in het Nieuwe Testament veel christenen wél ziek blijven of níet genezen worden. Paulus heeft een doorn in het vlees en had met ziekte te kampen toen hij bij de Galaten kwam. Trofimus bleef tijdens een zendingsreis ziek in Milete achter. Epafras was zo ziek dat men voor zijn leven vreesde. Timoteüs krijgt het advies om regelmatig wat wijn te drinken voor z´n maag- en darmklachten.
  9. Het valt mij op, dat ook uit evangelische hoek veel mensen het podium opkomen tijdens massale gebedsgenezingsdiensten. Dat verbaast mij, want in die kringen heeft gebedsgenezing een prominente plaats in het gemeenteleven. Dus waarom moet je het dan nog hogerop zoeken als het gebed en de zalving door de oudsten van de gemeente niet geholpen heeft? Waar is de gelovige aanvaarding als duidelijk wordt dat de Heer een andere weg met zijn kinderen voor heeft? Omgekeerd wordt er volgens mij in onze eigen gereformeerde kring veel te weinig gebeden met zieken om genezing, kracht en vertrouwen. Dan komt de medische of therapeutische behandeling los te staan van het geloof dat de Heer in alle omstandigheden nabij en erbij is. Die eenzijdigheid is er naar mijn mening een belangrijke oorzaak van, dat veel gelovigen hun heil net zo eenzijdig bij gebedsgenezers zoeken, waarbij de medische en psychologische behandelaars hooguit als aanvullend worden beschouwd – wat volgens mij de wereld op z’n kop is
  10. Ik ontken niet dat er ook nu nog genezingen in Jezus´ Naam plaatsvinden. Ik ben er zelf getuige van geweest. Dank de Heer daarvoor! Maar ik mis bij veel gebedsgenezers de gelovige erkenning dat Gods wegen vaak anders gaan dan onze wensen. Blijkbaar geldt dat bij hen voor lichamelijke ziekten niet: die wil de HERE op het geloof allemaal genezen. Daarmee worden mensen teruggeworpen op de mate van hun geloof in plaats van Gods trouw en liefde. Dat lijkt me nogal riskant, want geloven gaat altijd met vallen en opstaan. Ik geloof niet dat God zo werkt. Zijn mate van genade is niet afhankelijk van onze mate van geloof. Dus moet je mensen ook niet in de waan brengen, dat ze, als ze alle hindernissen opruimen, van God lichamelijke genezing zullen ontvangen. Joni Eareckson-Tada verloor bijna haar geloof door de voortdurende druk op haar om te geloven dat God haar echt wilde genezen.

Op grond van deze tien punten geloof ik niet dat Jezus Christus van mij vraagt om in geval van ziekte mijn genezing bij iemand te zoeken die in Nederland of waar ook ter wereld (sommige christen reizen er echt voor naar Afrika, Amerika of Azië – hoe triest!) massale genezingsdiensten belegt.

Als je christen bent, geeft Jezus je daarvoor de plaatselijke gemeente. Daar is Hij met zijn Woord en Geest aanwezig. Daar geeft Hij je oudsten die met je kunnen bidden. Daar krijg je van Hem de kring van broeders en zuster om je heen om je bij te staan. En als genezing dan uitblijft, lijkt het mij niet de juiste weg om vervolgens naar elke persoon toe te gaan die zegt: ‘Ik heb van de Heer de gave van de genezing gekregen, dus kom bij mij in Jezus naam.’ Een goede kennis van mij vond dat net iets te veel lijken op de waarschuwing van Jezus dat er een tijd zal komen, dat je regelmatig zult horen : “Zie, hier is de Christus. Zie, Hij is daar.” Ze vond dat met al die aandacht voor wonderen en tekenen Gods kinderen juist wel eens misleid en verleid zouden kunnen worden. Ze kon wel eens gelijk hebben. Blijkbaar kunnen ook christenen in deze eeuw van welvaart, waarin de medische zorg nog nooit zo hoog en goed geweest is, maar slecht omgaan met chronische ziekte en blijvende handicap. Blijkbaar zijn ook wij als christenen nogal beïnvloed door de leus ‘I want it here, I want ik now’.

Voor wie via YouTube nog wat informatie over de bekende Nederlandse gebedsgenezer Jan Zijlstra wil zien:
http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1129041 (EO/NCRV Netwerk over Jan Zijlstra)
http://www.youtube.com/watch?v=B3jIYzdusW8 (Volkskrant over Jan Zijlstra)
http://www.youtube.com/watch?v=rLAInidPjXU (Genezingsdienst Jan Zijlstra in Zwolle)

ORGAANDONATIE – zet de politiek na 20 jaar eindelijk een stap voorwaarts?  

Komt er een nieuw donorregistratiesysteem? Het zal erom spannen deze week in de Den Haag. Vóór de zomervakantie diende D66 een voorstel in een ‘actief donorregistratiesysteem’ in te voeren. Dat betekent in de praktijk, dat iedereen vanaf 18 jaar nadrukkelijk gevraagd wordt om een keus te maken: ‘Ik wil wel of geen donor worden.’ Wie ondanks herhaalde oproepen geen keus wil maken, wordt automatisch geregistreerd als donor. In juni 2016 lieten o.a. CDA en ChristenUnie en VVD weten dit voorstel niet te zullen steunen. Volgens mij ten onrechte, zoals ik in mijn blog van 7 juni 2016 onderbouwde (klik hier), want al meer dan 20 jaar geeft maar 40% van de Nederlanders, alle overheidscampagnes ten spijt laat, aan of men wel of geen donor wil zijn. Tegelijk wil 90% van de Nederlanders wel graag een orgaan te willen ontvangen als de nood aan de man (of de vrouw) komt. Er moet dus echt wat veranderen. Vandaar het voorstel van D66. Begin deze maand liet D66 weten, het voorstel nog verder te hebben aangepast om aan de bezwaren van o.a. de christelijke partijen tegemoet te komen. Of het helpt, valt nog te bezien. Maar het zou mij zwaar tegenvallen van het CDA en van de ChristenUnie als ze op 8 september nog steeds blijven vasthouden aan een vrijblijvend systeem waardoor 60% van de Nederlanders gewoon z’n verantwoordelijkheid niet neemt.

 Wat zijn de aanpassingen?

In Nederland geldt nu een toestemmingssysteem. De overheid roept alle burgers nadrukkelijk op om zich te laten registeren en te kiezen uit de volgende opties: 1 = JA / 2 = NEE / 3 = ik laat mijn nabestaanden of één specifieke persoon beslissen. D66 stelde in juni 2016 voor om alle Nederlanders vanaf hun 18e actief te benaderen met deze vraag én er heel erg duidelijk bij te zeggen: als je na herhaalde herinneringen niet reageert, word je automatisch geregistreerd als donor.

Toch bleven er een aantal bezwaren bestaan. Vooral over het feit dat wie zich bewust als donor laat registreren en wie de moeite niet neemt om te reageren, allebei als ‘JA – ik ben donor’ worden geregistreerd. Verder was er kritiek op het feit dat mensen vanaf hun 18e een aantal keren opgeroepen worden om een keus te maken, maar daar dan voor de rest van hun leven aan vast zitten. En de vraag kwam naar voren hoe het zit met laaggeletterden en wilsonbekwamen: worden die zonder het te weten opeens tot donor verklaard? Op de site van de Nierpatiënten Vereniging Nederland wordt duidelijk vermeld hoe D66 aan deze bewaren is tegemoetgekomen.

Allereerst is ervoor gekozen om duidelijk onderscheid te maken tussen wie zich wel heeft laten registeren als donor en wie domweg niet gereageerd heeft. Voor deze tweede groep (de lakse Nederlanders) worden niet meer geregistreerd onder de categorie ‘JA’, maar onder een nieuwe categorie ‘GEEN BEZWAAR’.

Ook wordt nu zwart op wit vastgelegd dat alle Nederlanders vanaf hun 18e elke 10 jaar opnieuw een persoonlijke herinnering krijgen m.b.t. hun registratie. Men kan die dan ook wijzigen. Zo is de actuele wens van iedere Nederlander  bekend.

Verder zijn er extra waarborgen opgenomen voor ‘wilsonbekwamen’. In elke acute situatie moet een arts zich ervan vergewissen dat de persoon in kwestie wilsbekwaam was toen hij toestemming verleende voor orgaandonatie. Als blijkt dat een persoon wilsonbekwaam was, kan alleen met instemming van de wettelijk vertegenwoordiger of van de nabestaanden besloten worden tot orgaandonatie. Kunnen zij niet op tijd bereikt worden, dan is zo’n wilsonbekwaam géén donor.

Tenslotte wordt de nieuwe manier van registreren pas ingevoerd nadat er eerst een periode van goede voorlichting is gegeven aan alle Nederlanders, zodat iedereen er van op de hoogte is dat als je je keus niet wilt laten vastleggen, de overheid er van uit gaat dat je geen bezwaar hebt tegen orgaandonatie.

Durven CDA en ChristenUnie nu wel een stap te zetten?

Wat het CDA betreft ben ik bang dat men ondanks deze aanpassingen vast blijft houden aan de bezwaren tegen een actieve donorregistratie. Want er is nog één onderliggend argument waarom het CDA (en de VVD) niet verder willen gaan dan een vrijblijvende registratie op www.donorregister.nl. Dat standpunt werd op zaterdag 5 september op Radio 1 verwoord door de voorzitter van het CDJA, Julius Terpstra. Hij is tegen het voorstel van D66 omdat het een aantasting is van de integriteit van iemands lichaam. Dus heeft een overheid geen recht op de organen van wie dan ook als iemand zich daar niet zelf over uitgesproken heeft. Het voorstel van D66 zou zelfs tegen de grondwet ingaan volgens het CDJA. Ik vind de argumentatie uitermate zwak. En dat het tegen de grondwet ingaat, is echt onzin. Want er is een groot verschil tussen ‘je niet kunnen uitspreken’ en ‘je niet willen uitspreken’. Wie zich niet kan uitspreken, wordt geen donor. Wie gewoon geen zin heeft om zich te laten registreren, heeft er ook geen principiële bezwaren tegen om donor te zijn. Dus tast de overheid niemands integriteit aan, maar respecteert juist volledig ieders keus en beschermt de wilsonbekwame burgers tegen de aantasting van hun lichaam.

Wat betreft de ChristenUnie heb ik meer hoop dat deze aanpassingen wel voldoende zijn om de fractie over de streep te trekken. In 2005 wilde de ChristenUnie namelijk graag als extra optie bij donorregistratie opnemen: “Ik maak nog geen keuze, stel mij de vraag later opnieuw”.  Dat is nu expliciet in dit voorstel opgenomen, want elke Nederlander krijgt elke 10 jaar een herinnering en kan dan opnieuw de afweging maken om wel of geen donor te willen blijven of alsnog te worden. En in juni 2016 liet Carola Schouten nog weten tegen de vermenging van een ‘aktief JA’ en een ‘passief JA’ te zijn. Ook dat bezwaar geldt nu niet meer. Maar of de ChristenUnie echt een stap voorwaarts durft te zetten? Tijdens de eerste bespreking van dit wetsvoorstel op 27 maart 2014 vond de ChristenUnie nog, dat de keus om wel of geen donor te willen zijn, “een zaak is van mensen zelf. Mensen zijn geen eigendom van de staat.” Daarom was het voor de fractie “de vraag of een dwingende keuze, opgelegd van overheidswege, wel wenselijk is.” Ik hoop dat bij de ChristenUnie er inmiddels van overtuigd is, dat de overheid in het aangepaste voorstel van D66 niets dwingend oplegt, maar alle burgers indringend op ieders verantwoordelijkheid wijst en daarbij duidelijk aangeeft welke conclusies we als samenleving trekken als iemand laksheid en ongeïnteresseerdheid niet wil reageren, namelijk:

‘Wie bewust blijft zwijgen, stemt toe.’ 

ZIEKTE en HANDIKAP – hoe ga je er als christen mee om?  

Hoe ga je om met ziekte en handikap? Regelmatig hoor ik mensen zeggen dat het Gods wil is dat mensen met lichamelijke of psychische kwalen genezen worden. Want met Jezus is Gods Koninkrijk gekomen en dat ging in de het Nieuwe Testament gepaard met talloze genezingen. Niet alleen door Jezus Zelf, maar ook in het boek Handelingen. Dus mogen, ja moeten wij ook vol geloof en in de kracht van de Heilige Geest in onze tijd hetzelfde durven verwachten door in de Naam van Jezus mensen te genezen van ziektes, handicaps en andere lichamelijke of psychische kwalen.

Ik geloof daar niet in. Wat ik heel opvallend vind is, dat christenen die erg benadrukken dat God ook vandaag nog iedereen genezen wil, vanuit de Bijbel heel veel voorbeelden aanhalen, maar twee van de belangrijkste teksten bijna altijd links laten liggen of geforceerd weg-verklaren.

Job 2 vers 10

Job is de persoon in de Bijbel die alle ellende die een mens mee kan maken in zijn leven in één keer (nou ja … in twee etappes dan) over zich uitgestort krijgt. Eerst raakt hij al zijn bezittingen kwijt en, wat nog veel erger is, komen al zijn kinderen om. En daarna wordt hij ook nog getroffen door een besmettelijke, bijna dodelijke ziekte. Voor Jobs vrouw wordt het allemaal teveel. Ze kan niet meer geloven dat er een God bestaat die dit allemaal toelaat. De reaktie van Job is dan: ‘Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet van Hem aanvaarden?’ (Job 2:10a) Die woorden sprak Job niet nadat hij al zijn kinderen en bezit­tingen verloren had, maar nadat hij plotseling doodziek geworden was. Meteen na deze opmerking van Job typeert de verteller zijn woorden als volgt: ‘Ondanks alles zondigde Job niet en sprak hij geen onvertogen woord.’ (Job 2:10b) Als je gelooft dat de Bijbel door de Heilige Geest geïnspireerd is, dan betekent deze uitspraak over Job dus, dat voor een christen ook een ernstige ziekte of een handicap onder het kwaad kan vallen dat God in zijn wijsheid gebruikt om ons als zijn kinderen dicht bij Hem te houden.

In ‘The Chosen’ (seizoen 3) verwijst Jezus naar Job. Het staat niet zo in de Bijbel, maar is heel verhelderend.

Romeinen 8 vers 28

In Romeinen 8:28 staat dat ook heel duidelijk. ‘Wij weten dat voor wie God liefhebben, voor wie volgens zijn voornemen geroepen zijn, alles bijdraagt aan het goede.’ Deze woorden spreekt Paulus uit in het bredere verband van Romeinen 8:18-39. Daarin gaat het over lijden en vervolging, over ellende en tegenspoed, over zinloosheid en sterfelijkheid. Ik las ergens bij een enthousiaste aanhanger van gebedsgenezing, dat ‘ziekte’ iets heel anders is dan ‘lijden’, want lijden overkomt je omwille van je geloof en ziekte is een gevolg van de zondeval. Dus doet God alle lijden dat zijn kinderen ondervinden vanwege hun geloof in Jezus meewerken ten goede. Maar voor ziekte geldt: dat is een gevolg van de zonde (bij veel gebedsgenezers meestal: van jouw zonden of die van jouw voorgeslacht). Daar mag je nooit in berusten, dus als je met ziekte te maken krijgt, moet je je verootmoedigen, schuld belijden en vol vertrouwen bidden om herstel en genezing. Ik verbaas mij altijd weer over deze versimpeling van wat er in de Bijbel staat. In Romeinen 8:18-39 gaat het namelijk niet alleen over lijden vanwege je geloof’ maar ook over het lijden van de schepping als gevolg van de zonde. En het gaat niet alleen over vervolging en het zwaard (waarbij het nog maar de vraag is of dat altijd geloofsvervolging is of dat je als christen helaas net in de hoek zit waar de klappen vallen), maar ook over tegenspoed, ellende, honger, armoede en gevaar. Dat lijken mij algemene dingen die je als christen kan overkomen. En die je de ene keer te lijf gaat en waar je de andere keer in berust. En al die dingen die je als christen kan overkomen, inclusief ziekte en handicap, vallen bij Job en Paulus onder ‘het kwaad’. Dat mag je allemaal in gebed bij God brengen, in het vaste vertrouwen dat God dankzij Jezus je hemelse Vader is, en dus twijfel ik er niet aan ’of Hij zal mij voorzien van alles wat ik voor lichaam en ziel nodig heb, en ook elk kwaad, dat Hij mij in dit moeitevol leven toedeelt, voor mij doen meewerken ten goede.’  Want Hij is zo machtig, ‘dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen.’

Rustgevend Evangelie

Deze laatste twee citaten komen uit de Heidelbergse Catechismus (Zondag 9:26 en Zondag 10:27). Heerlijk evenwichtig vind ik dit. Ik hoef niet alles te kunnen begrijpen wat mij in dit leven overkomt. Ik hoef ook niet alles te kunnen verklaren wat er in mijn leven gebeurt. Ik hoef me ook niet op voorhand moedeloos en apathisch neer te leggen bij elk kwaad wat mij  treft. Ik mag alles aan Hem vertellen, ik mag alles aan Hem vragen, en nadat ik alles in zijn hand gelegd heb, mag ik het loslaten in het vaste vertrouwen, dat God niet moet doen wat ik wil, maar dat gebeurt wat Hij goed vindt voor mij.

Dat is wat anders dan dat ik geloof dat God elke ziekte wil genezen. Natuurlijk kan Hij dat. En Hij zal er voor zorgen ook. Op de dag dat Jezus terugkomt. Dan zullen er alleen nog maar tranen van blijdschap vloeien, want dan zal er geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, pijn, geen ziekte, geen handikap ziekte, geen hongersnood, geen oorlog, geen natuurrampen en wat dan ook.

Maar vandaag is dat alles er nog wel. En volgens mij vraagt God niet van ons, dat we het nu al allemaal proberen weg te bidden. Als het om ziekte en handikaps gaat, is volgens mij onze eerste opdracht niet: “GENEES de ZIEKEN!”, maar roept Jezus ons op: “BEZOEK de ZIEKEN!” en “BID voor de ZIEKEN!” En trap bij dat laatste niet in de valkuil dat er volgens de Bijbel maar één uitkomst mogelijk is op het gelovig gebed, nl. lichamelijke genezing. Dat gebeurt ook, maar meestal niet. Dat gebeurt ook, maar het is nooit het belangrijkste. Het belangrijkste wat God op het gelovige gebed geeft is zijn Heilige Geest, zodat we er opnieuw van overtuigd raken dat niets van wat er in het leven met ons gebeurt, ‘ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.’  (Rom. 8:39). Dat vind ik rustgevend Evangelie, ook als ik geconfronteerd wordt met ziekte en handikap.

Over de vraag of we vandaag dezelfde genezingswonderen mogen verwachten als in de tijd van Jezus schreef ik blog DOVE KWARTELS en BLINDE VINKEN – gebeuren er vandaag nog wonderen van genezing?
Over de m.i. te hoge pretenties van gebedsgenezers schreef ik blog Verwacht een wonder – creëer je eigen teleurstelling
Al eerder gaf ik 10 redenen waarom ik genezen ben van gebedsgenezers
Over de vraag of je met zieken altijd moet bidden om genezing schreef ik de blog Gebedsver(w)achting – over bidden met en voor zieken
In het Nederlands Dagblad van 17-09-2016 schreef Kim ten Berghe Kim ten Berghe een artikel met de titel “Wonderbaarlijke genezingen op conferenties zijn heel zeldzaam”
Over de vraag of Jezus vandaag de dag nog mensen geneest die als gevolg van een dwarslaesie in een rolstoel zitten, liet ik in drie blogs Joni Eareckson Tada aan het woord
Over omgaan met een ongeneeslijke ziekte  schreef ik zeven blogs over het boekje van Mark Ashton, Op weg naar de hemel – met Christus de dood onder ogen zien
Een preek over ‘Ga niet voor het wonder, maar leef uit de verwondering’ n.a.v. Johannes 4 : 43 – 54 

Op weg naar de hemel – met Christus de dood onder ogen zien (Mark Ashton – 7)

De eerste opstanding

Ashton Mark On my way to heavenDe eerste christenen geloofden vast en zeker dat de opstanding van Jezus Christus uit de dood Gods omgekeerde antwoord was op het oordeel van ons mensen over Jezus: ‘… u hebt Hem door heidenen laten kruisigen en doden. God heeft Hem echter tot leven gewekt en de last van de dood van Hem afgenomen, want de dood kon zijn macht over Hem niet behouden.’ (Hand. 2:23b-24). Mensen spraken hun oordeel uit. God keerde dat om en gaf zijn oordeel. Zonder de opstanding zouden we die omkering niet kennen. Het was Gods definitieve daad waarmee Hij het leven en de dood van Jezus goedkeurde. Daarmee zegt Hij tegen iedereen: ‘Deze man is Gods Zoon en heeft gedaan waar God Hem voor gezonden heeft.’

Met mijn eigen dood voor ogen stel ik mij de vraag: is dit het einde of niet?

Maar dat was 2000 jaar geleden. Hoe kan ik mij op dezelfde manier als de gelovigen toen optrekken aan Jezus’ opstanding? Als ik toen geleefd had, kon ik de ooggetuigen opzoeken en hen aan een kruisverhoor onderwerpen. Nu kan ik dat niet. Maar ik moet mijn eigen dood onder ogen zien, dus stel ik me de vraag: is dit het einde of niet? Ga ik de nacht in en blijft er niets van me over? Dan is alles wat ik op aarde gedaan heb, behoorlijk zinloos. Of is er iets voorbij het graf? Is er leven na dit leven, waar alle gebreken van ons huidige bestaan worden gladgestreken?

Jezus is opgestaan

Jesus Alive0008Mijn dood dwingt me om de opstanding van Jezus onder ogen te zien. Het is niet langer een kaal historisch feit voor mij. Het is van cruciaal belang voor iedere persoon die de eigen dood eerlijk onder ogen ziet. Totdat ik dood ben kan ik niet weten wat er na mijn dood met mij gebeuren zal.

Mijn dood dwingt me om na te denken over de opstanding van Jezus.

Maar Jezus is al opgestaan. Als ik Hem nu ken, zal ik Hem ook dan kennen. Hij is mijn zekerheid in het sterven. Zijn opstanding is de kern van het christelijk geloof.

Liefde voor zondaren

Wij sterven allemaal als grote zondaren die gered worden door de grote genade van een nog grotere God. Begrafenisredes geven zelden een eerlijk beeld van het leven van de overleden persoon. Het goede wordt verheerlijkt, het slechte uitgebannen. Maar als christenen eraan herinnerd worden wie ze werkelijk waren, inclusief hun fouten en gebreken, hun slechte gewoontes en intolerantie, hun momenten van hardvochtigheid en onvriendelijkheid, dan ontvangt Christus daardoor nog meer glorie. Want Hij is het die ons redt ondanks onze zonde; en die van ons houdt, zelfs als we zwak zijn. Onze redding is niet het gevolg van onze daden op aarde, maar te danken aan de ingreep van een liefdevolle God, die ons gered heeft ondanks wie wij zijn en wat we gedaan hebben. En als Hij ons kan redden, dan kan Hij iedereen redden!

Laten we vertrouwen op Gods liefde voor ons.

Daarom is het zo belangrijk om realistisch en bijbels over de dood te spreken. Als ik sterf wil ik tegen hen van wie ik gehouden heb en die van mij gehouden hebben zeggen: ‘Prijs mij niet de hemel in – herinner je de werkelijkheid, dat ik iemand was die je soms het bloed onder de nagels weghaalde, die je irriteerde, die je liet zitten, die je teleurstelde, die je verwondde. Dus alsjeblieft, herinner je geen perfecte relatie met mij. Het was goed, maar het had veel beter kunnen zijn. Ik hield van je, maar ik had meer van je kunnen houden – net zoals jij van mij hield, maar meer van me had kunnen houden. Dus laten we niet vertrouwen op onze liefde voor elkaar. Laten we vertrouwen op Gods liefde voor ons. Dat zal de relatie van ieder van ons met Jezus sterker maken, ook als onze onderlinge relatie zal veranderen door mijn dood.”

Mijn gebed

Het is mijn gebed voor mijn familie en mijn vrienden, dat mijn dood voor hen allen een enorme versterking en versteviging van hun relatie met Jezus zal zijn.

Nawoord

Ashton Mark fotoMark Ashton was 23 jaar predikant van St Andrews the Great in Cambdrigde. Hij werd christen op zijn 20ste tijdens zijn studie in Oxford. Hij was getrouwd met Fiona, vader van Chris, Clare en Nick en opa van Caleb.

Mark kreeg de diagnose van niet te opereren galblaaskanker in december 2008. Tijdens de 15 maanden die daarop volgden, wilde Mark het goede nieuws van Jezus met iedereen delen, zoals hij sinds zijn bekering gedaan had. Hij zag zijn naderende dood met vertrouwen –en zelfs vol verwachting– tegemoet vanwege zijn geloof in de opgestane Christus. Mark stierf vredig met zijn familie om hem heen in april 2010.

Aan het eind, toen zijn spraak beperkt was tot af en toe een woord of twee, sprak hij regelmatig de woorden “Bijna thuis”.

Dit is de zevende en laatste aflevering van mijn Nederlandse weergave van het boekje On my way to Heaven Facing death with Christ, geschreven door Mark Ashton, predikant van St. Andrews the Great in Cambridge, nadat hij op zijn 60e hij te horen gekregen had dat hij een ongeneeslijke vorm van kanker had. Een kort getuigenis van hem is te beluisteren op  YouTube https://www.youtube.com/watch?v=H7Y_GJMnj_4.

Lees ook Aflevering 1 en Aflevering 2 en Aflevering 3 en Aflevering 4 en Aflevering 5 en Aflevering 6.

Op weg naar de hemel – met Christus de dood onder ogen zien (Mark Ashton – 6)

Ashton Mark fotoDe dood – een verwoestende barrière

Er kan geen twijfel bestaan over de wreedheid van de dood op dit punt. Er is in een mensenleven geen barrière die zo verwoestend en destruktief is als de grens tussen leven en dood. Valse profeten sussen mensen in slaap met hun mooie praatjes en wishfull thinking over de dood (onze geliefde is een kamer verderop; hij kijkt van boven altijd op ons neer; zij zal onzichtbaar aanwezig zijn bij elke familiebijeenkomst). Het zijn gemene praatjes omdat het tegen alle menselijke ervaring ingaat. Bovendien heeft het geen basis in het woord van God.

Dat is onze enige hoop op eeuwig leven.

De Bijbel is er duidelijk over dat ‘mensen eens moeten sterven en daarna volgt het oordeel.’ (Hebreeën 9:27). Ieder van ons zal eens tegenover God komen te staan en rekenschap over zijn leven moeten afleggen. Dan zal iedereen van ons vol schaamte het hoofd buigen en erkennen dat we veroordeeld zouden moeten worden voor de manier waarop we in Gods wereld geleefd hebben, namelijk alsof het onze eigen wereld was. Maar op het moment dat mijn veroordeling uitgesproken wordt, zal mijn Verlosser tenslotte opstaan (Job 19:25) en zal Jezus het onomstotelijke bewijs leveren dat mijn straf volledig door Hem gedragen is toen Hij voor mij in de plaats stierf aan het kruis. Het is mijn relatie met Hem dat mij door de dood heen kan helpen. Dat is onze enige hoop op eeuwig leven. Hij alleen zorgt voor de totale vernietiging van de dood.

De enige relatie

Ashton Mark On my way to heavenAl is de menselijke liefde nog zo sterk (Hooglied 8:12), zij kan de dood niet vernietigen. Er is maar één relatie die dat kan. En dat is de relatie achter alle andere relaties. In alles wat ik tijdens mijn ziekte heb meegemaakt heb ik zo veel kracht gekregen dankzij de relatie met mijn vrouw (Gods grootste geschenk aan mij na Jezus, en een geschenk dat steeds maar beter werd ondanks mijn zonden) en dankzij de relatie met mijn drie kinderen (en drie prachtige aangetrouwde kinderen).

Er is maar één relatie die de dood kan vernietigen.

Zij waren de steunpilaren die mij geestelijke kracht gaven en ik ben enorm blij dat ik mag zien dat mijn kinderen nog meer geloof hebben dan ik. Hun geloof (en dat van hun moeder) is hun grootste geschenk aan mij. Maar ik realiseer mij heel goed, dat het eigenlijk niet hun geschenk aan mij is, maar Gods geschenk aan hen en zo zijn geschenk aan mij via hen. Hij is de relatie achter alle relaties.

Om mijn dood te begrijpen moet ik die dus in verband met Hem brengen. Jezus zal altijd Dezelfde zijn – inderdaad, Hij zal meer dan ooit te voren echt en betrouwbaar zijn. Het zal zijn stem zijn die me roepen zal om voor altijd bij Hem te zijn in zijn aanwezigheid (1 Tess. 4:16-17 en Joh. 14:13). Hij is de eerste en de laatste (Openb. 1:17-18), het begin en het einde (Openb. 21:6). Men zegt dat voor een gelovige het einde van de wereld niet zozeer een gebeurtenis, maar vooral een Persoon is. Dat is zeker zo als het gaat om het einde van het leven.

Het einde van de wereld is niet zozeer een gebeurtenis, maar vooral een Persoon.

Mijn dood is wel een gebeurtenis waarbij er een eind komt aan mijn lichamelijke leven op aarde, maar het zal ook het moment zijn dat mijn relatie met Jezus volmaakt wordt. Die relatie is het enige wat mijn leven op aarde zin gaf en bij mijn dood zal het alles zijn.

 

Church Of St Andrew The Great

Foto: Magnus Manske via Wikimedia Commons 

Dit is de zesde aflevering van mijn Nederlandse weergave van het boekje On my way to Heaven Facing death with Christ, geschreven door Mark Ashton, predikant van St. Andrews the Great in Cambridge, nadat hij op zijn 60e te horen gekregen had dat hij een ongeneeslijke vorm van kanker had.

Lees ook Aflevering 1 en Aflevering 2 en Aflevering 3 en Aflevering 4 en Aflevering 5.

Op weg naar de hemel – met Christus de dood onder ogen zien (Mark Ashton – 5)

Lichamelijke beproevingen

Ashton Mark On my way to heavenTerwijl deze periode geestelijk gezien rijk is, is het lichamelijk absoluut deprimerend. Al meer dan zestig jaar is het mijn gewoonte om, als ik me niet lekker voel, te gaan slapen. Ik weet dan dat dat ik me beter zal voelen als ik wakker word (en als dat niet het geval is, zoek ik gewoon weer m’n bed op en slaap verder tot ik me beter voel). Maar nu weet ik dat ik me nooit beter zal voelen en dat het morgen weer een beetje slechter zal gaan dan vandaag. Dat is een erg moeilijke ervaring. Het besef dat ik kanker heb gaat nooit weg. Ik besef elk moment van elke dag en ieder wakker moment van elke nacht dat ik aan het sterven ben. Elke dag kom ik op nieuw terrein: als ik morgenvroeg wakker wordt, heb ik dan nog controle over mijn darmen? Of zal ik midden op de dag plotseling last krijgen van akuut opkomende braakneigingen? De beproeving zit ‘m hierin, dat ik weet dat ik me nooit ‘beter’ zal voelen, en dat er steeds minder lichamelijke genoegens overblijven. Om hele andere redenen kan ik toch begrijpen wat Hamlet zei: ’Hoe vermoeiend, afmattend, plat en nuttloos komt mij al het goede van deze wereld voor.’  

Het besef dat ik kanker heb gaat nooit weg. Elk dag kom ik op een nieuw terrein.

Geen enkel lichamelijk genoegen geeft nog zoveel plezier als vroeger: eten, lichaamsbeweging, rust. Afname van eetlust, slechte ontlasting, vermoeidheid, incontinentie, krampen en de bij-effekten van steroïden nemen alle plezier weg. De vermoeidheid regeert en lichamelijke genoegens zijn verdwenen. De Prediker herinnert ons er nadrukkelijk aan dat bijna iedereen eens in deze levensfase belandt: ‘Gedenk daarom je Schepper in de dagen van je jeugd – voordat de slechte dagen komen en de jaren naderen waarvan je zegt: In deze jaren vind ik weinig vreugde meer.’ (Pred. 12:1)

Levensvreugde

Als elk genoegen uit zoveel leuke levenservaringen verdwijnt, herinnert dat ons eraan dat het allemaal geschenken waren die we gekregen hebben. Ik had er nooit recht op. Ze waren nooit mijn eigendom. Ik moet steeds blijven besffen wie de Gever is.

De Prediker gaat verder: ‘Gedenk Hem – voordat het zilverkoor wordt weggenomen, de gouden lamp gebroken, de waterkruik in stukken valt en het scheprad bij de put stukgebroken wordt. Wanneer het stof terugkeert naar de aarde, weer wordt zoals het was en de adem van het leven weer naar God gaat, die het leven gegeven heeft.’ (Prediker 12:6-7)

Relaties met mensen zijn het belangrijkst.

Alles hier op aarde zal snel voorgoed voorbij zijn en ik heb het voorrecht om juist daarom van sommige dingen extra te genieten. Ik realiseer me dat het misschien de laatste keer is dat ik naar een vuurwerkshow kijk of dat ik een bepaald landschap zie. De emotionele gevoelens die dat oproept zorgen ervoor dat ik God er nog meer voor wil danken. Tegelijk heb ik er spijt van dat ik dit alles zo vaak als vanzelfsprekend heb aangenomen.

Maar ik realiseerde me vooral, dat relaties met mensen het belangrijkst zijn, meer dan alle dankbare gevoelens voor de materiële dingen op deze aarde. Een aardige neef stelde voor om samen weer eens naar de River Cothi in Carmarthenshire te gaan, waar onze familie zo’n 25 jaar geleden vaak ging vissen. Toen het zo ver was, was ik te ziek om er naar toe te gaan en moest ik het afzeggen.

Mensen zijn belangrijker dan dingen.

Later was een bezoek aan deze neven wel mogelijk en ik realiseerde me dat ik het hernieuwde kontakt met mijn neven eigenlijk veel meer waardeerde dan een wandeling langs de oever van die prachtige rivier met al z’n betoverende jeugdherinneringen. Mensen zijn veel belangrijker dan dingen. Daarom doet het loslaten van mensen het meeste pijn bij het sterven.

 

Ashton Mark fotoDit is de vijfde aflevering van mijn Nederlandse weergave van het boekje On my way to Heaven Facing death with Christ, geschreven door Mark Ashton, predikant van St. Andrews the Great in Cambridge, nadat hij op zijn 60e te horen gekregen had dat hij een ongeneeslijke vorm van kanker had.

 

Lees ook Aflevering 1 en Aflevering 2 en Aflevering 3 en Aflevering 4.

Op weg naar de hemel – met Christus de dood onder ogen zien (Mark Ashton – 4)

De opstanding

Ashton Mark fotoHet is teleurstellend om te ontdekken hoeveel moeite medegelovigen ervoor moeten doen om de kracht van onze christelijke hoop te ervaren en vast te houden. In de eerste hoofdstukken van Handelingen vinden we de eerste christelijke preken. Daarin wordt enorm veel nadruk gelegd op de opstanding van Jezus Christus (bv. Hand. 2:24-36, 3:15, 4:2+10, 5:30, 10:39-40, 13:30, 17:2-3, 17:31-32). Zoveel zelfs, dat als Paulus in Athene aan het preken is, men denkt dat hij het over meerdere goden heeft – Jezus en Anastasia (dat betekent letterlijk: opstanding, Hand. 17:18)!

De opstanding van onze Heer neemt vandaag een minder belangrijke plaats in de verkondiging van het Evangelie. Dat kan volgens mij verklaren waarom ik bij een paar goede medechristenen dezelfde onuitgesproken stripwolkjes meende te zien die ik ook zag verschijnen boven het hoofd van de chirurg die mij als eerste het nieuws vertelde. Ze vinden het moeilijk te geloven dat de opstanding tot het eeuwige leven een vooruitzicht is om naar uit te kijken. Ze veronderstellen dat , net als de ongelovige wereld, christenen de dood blijkbaar ook met angst tegemoet zien en hun leven dus kost wat het kost willen verlengen.

 Genezing?

Ik denk niet dat het helemaal fout is om genezing te zoeken, maar voor mijzelf heb ik er niet speciaal naar gezocht. Dit heeft sommigen verbaasd. Ik heb niet gekozen voor prijzige chemotherapieën die in mijn geval me op z’n best slechts een paar extra maanden langer leven konden beloven.

De dood is de laatste vijand die vernietigd moet worden.

Ik hoop dat ik het vooruitzicht op de dood niet te licht opvat. Het is de laatste vijand (1 Kor. 15:26) en de dood jaagt alle christenen schrik aan. Maar het is ‘de laatste vijand die vernietigd moet worden’ en we zijn als gelovigen geroepen om zijn vernietiging in ons leven en in ons sterven te laten zien. In dat beroemde hoofdstuk (1 Kor. 15) maakt Paulus duidelijk dat zonder geloof in de opstanding niet alleen de dood, maar ook het leven van gelovigen een lachertje is: ‘Maar als Christus niet is opgewekt, is uw geloof nutteloos, bent u nog een gevangene van uw zonden en worden de doden die Christus toebehoren niet gered. Als wij alleen voor dit leven op Christus hopen, zijn wij de beklagenswaardigste mensen die er zijn.’ (1 Kor. 15:17-19)

Een prachtige gelegenheid om opvallend anders te zijn als christen 

Juist hier hebben christenen een prachtige gelegenheid om opvallend anders te zijn dan de hedendaagse kultuur. Onze tijdgenoten zijn helemaal gefocust op genezing en op het verlengen van het fysieke leven ten koste van alles. Wat jammer dat wij christenen hen daarin volgen! Als we praten over de hoop op genezing en de verlichting van lichamelijk pijn, vinden onze tijdgenoten dat geweldig en komen ze massaal naar onze genezingsdiensten, vol verwachting. Maar als we spreken over de heerlijkheid die achter het graf ligt en over onze vaste hoop op eeuwig leven, worden ze er snel toe gedwongen om hun eigen eeuwige bestemming onder ogen te zien.

Om deze reden heb ik geprobeerd zowel met christen als met niet-gelovigen het goede nieuws van de opstanding te delen. De aankondiging van mijn naderende dood zette dit alles voor mij in een veel duidelijker perspektief en het spijt me dat ik het niet veel krachtiger heb verkondigd in de 37 jaren van mijn predikantschap.

 

Ashton Mark On my way to heavenDit is de vierde aflevering van mijn Nederlandse weergave van het boekje On my way to Heaven Facing death with Christ, geschreven door Mark Ashton, predikant van St. Andrews the Great in Cambridge, nadat hij op zijn 60e te horen gekregen had dat hij een ongeneeslijke vorm van kanker had.

Lees ook Aflevering 1 en Aflevering 2 en Aflevering 3.

Op weg naar de hemel – met Christus de dood onder ogen zien (Mark Ashton – 3)

Onvermijdelijke zorgen

Ashton Mark fotoEr zijn onvermijdelijke zorgen. De financiële vooruitzichten voor mijn vrouw als predikantsweduwe zijn slecht (en dat is grotendeels mijn eigen fout). Ondanks mijn vele gebreken als echtgenoot en vader vrees ik dat mijn naaste familie me erg zal missen. Toch, al deze dingen in overweging nemende, is het geen slechte tijd om te sterven. En ik was gewaarschuwd.

Als iemand je vertelt dat je zult sterven, zijn de maanden die volgen geestelijk gezien een erg goede periode. Het nieuws is een geestversterkend medicijn. ‘De lange gewoonte om te leven maakt ons ongeschikt om te sterven’ schreef Sir Thomas Browne. Voor mij als christen was dat zeker waar. Als het er op aan komt was ik meer bereid om te sterven op 8 februari 1968, de dag nadat ik op 20-jarige leeftijd tot geloof kwam, dan in 2008 – 40 jaar later.

De maanden die volgen zijn geestelijk gezien een erg goede periode.

Maar de waarschuwing die ik nu gekregen had, veranderde dat. Ik zie nu dat veel van wat ik nagestreefd en waar ik mijn leven die 40 jaar mee gevuld heb, van twijfelachtige waarde geweest is. Ik doe nu niet meer mijn best om mijn reputatie te verbeteren of van meer betekenis te zijn. Ik realiseer me hoe onbelangrijk dat is. Nu ik bezig ben mijn bezittingen op te ruimen, erken ik hoe ik er mijn leven behoorlijk mee volgestopt heb en hoe weinig ik er eigenlijk van nodig had. Ik had, achteraf gezien, de financiële zaken voor mijn vrouw graag beter hebben willen regelen, maar ik weet dat ‘zonder zorgen achterlaten’ haar in de komende jaren geestelijk niet zal helpen.

Bijbel lezenTerwijl het lichaam aangetast wordt en achteruit gaat, worden geestelijke dingen helderder en duidelijker. Ik zie nu erg duidelijk hoe zondig ik ben en hoeveel invloed dat nog steeds op mijn leven heeft. Ik besef hoe weinig tijd ik over heb om tegen mijn trots, mijn lichtgeraaktheid, mijn gemopper en mijn egoïsme te vechten. Ik moet nadenken over wat ik zeg, want ik heb misschien geen tijd meer om het goed te maken of me te verontschuldigen. Wat de Bijbel hier allemaal over zegt heeft voor mij nog meer gezag en relevantie. Elke dag als ik zijn Woord opensla, spreekt God rechtstreeks tot mijn hart. Daarin vertelt Hij mij wat er achter dit leven ligt. Ik kan het eind van dit leven zien. Het doemt op aan de horizon en het bemoedigt mij als ik bedenk, dat het niet lang meer zal duren voor ik daar ben.

Gods Woord vertelt mij wat er achter dit leven ligt.

Nu de afstand steeds korter wordt, bemoedigt het mij om te des sterker te geloven dat ik de finish zal halen. Ik weet dat dat Gods werk is en niet mijn prestatie. Het is ook een geruststelling om te weten dat het nog een korte tijd zal duren en dat de kans om in grote zonde te vallen afneemt. Ik loop steeds minder risiko mijn roeping te verloochenen en die gedachte geeft mij troost. Ik ben mij er altijd van bewust geweest hoe ontzettend diep de verdorvenheid in mijn hart zit en de gevaren die dat elke dag met zich meebrengt. Nu zijn er veel minder dagen waarin ik die dreiging onder ogen hoef te zien dan ik gedacht had.

Hoop met de dood voor ogen

Gelegenheden om anderen te vertellen over Jezus worden nu belangrijker en urgenter. Onze tijd is zo verstoken van hoop als men de dood onder ogen moet zien, dat er een groot taboe op dit onderwerp rust. Maar als je, zoals ik, dit nieuws te horen gekregen hebt, houdt het je telkens weer bezig, of je het nu wilt of niet. Ik heb geleerd er voorzichtig over te praten nadat ik bij mijn kapper in Eastbourne was geweest. Het meisje dat mijn haar knipte vroeg me hoe het met me ging. Ik antwoordde dat ik net te horen gekregen had dat ik nog maar een paar maanden te leven had. Ik kon geen woord meer uit haar krijgen tijdens de rest van de knipbeurt!

Het is een wonderlijk voorrecht om de hoop op het eeuwige leven met anderen te mogen delen

Maar de angst die mensen voor de dood hebben betekent niet dat ze er niet over na hoeven te denken of dat zich niet bewust zijn dat elk leven daar eindigt. Het is een wonderlijk voorrecht om de hoop op het eeuwige leven met anderen te mogen delen, vooral als het voor de niet-gelovige duidelijk is dat het eeuwige leven voor jou als gelovige een realiteit is. Ik ben er niet zo goed in geweest deze hoop te delen, maar ik ben er dankbaar voor dat ik het een beetje meer durf nu mijn eigen dood nadert, want ik heb geen excuses om erover te zwijgen.

Ashton Mark On my way to heaven

Dit is de derde aflevering van mijn Nederlandse weergave van het boekje On my way to Heaven Facing death with Christ, geschreven door Mark Ashton, predikant van St. Andrews the Great in Cambridge, nadat hij op zijn 60e te horen gekregen had dat hij een ongeneeslijke vorm van kanker had.

Lees ook Aflevering 1 en Aflevering 2.

Op weg naar de hemel – met Christus de dood onder ogen zien (Mark Ashton – 2)

 

“Gedenk Hem – voordat het zilverkoor wordt weggenomen, de gouden lamp gebroken, de waterkruik in stukken valt en het scheprad bij de put stukgebroken wordt. Wanneer het stof terugkeert naar de aarde, weer wordt zoals het was en de adem van het leven weer naar God gaat, die het leven gegeven heeft.” (Prediker 12:6-7)

Ashton Mark fotoIn 2001 bezocht mijn moeder ons in Cambridge. Terwijl zij op een zondag op weg was naar de kerk, viel ze en brak haar heup. Vanaf toen stierf ze een langzame en pijnlijke dood, totdat ze 4½ jaar overleed. Omdat ze stapje voor stapje al haar vrijheid verloor heeft ze vooral psychisch geleden. Aan haar sterfbed bad ik dat ik niet net zo’n lange en (ook al kon ze er niets aan doen) in toenemend mate machteloze ouderdom als haar zou bereiken, waarin ik mijn vrouw en familie tot last zou zijn en mijn vrienden in verlegen zou brengen ‘zonder tanden, zonder ogen, zonder smaak, zonder alles’ (William Shakespeare). Ik zei eens tegen de kerkvoogden van St. Andrew the Great, dat ik tijdens mijn leven niet een probleem wilde zijn voor degenen die voor mij zorgen: een slecht gehumeurde, prikkelbare, snauwerige man voor mijn vrouw, Fiona, terwijl ze me voortduwt in een rolstoel. Eén van de kerkvoogden antwoordde dat de enige verandering in vergelijking met nu de rolstoel was!

Kanker

In het voorjaar van 2007, toen ik een sabbatical had in Nieuw Zeeland, kreeg ik pijn in de buurt van de galblaas. Dat bracht mij in december 2008 uiteindelijk in het Addenbrooke’s Hospital waar een chirurg de galblaas verwijderde. Maar terwijl hij dat deed, vond hij een vorm van kanker die vanuit de galblaas de lever aangetast had. Het was al te laat voor een chirurgische ingreep of voor bestraling en er bleek geen effektieve behandeling met chemotherapie mogelijk te zijn voor galblaaskanker. De oncoloog gaf aan dat ik misschien nog zes tot negen maanden te leven had. Mijn gebed toen mijn moeder stierf was beantwoord. Ik zei tegen de chirurg die mij het nieuws bracht: “Wat u mij zonet verteld hebt is voor een gelovige christen geen slecht nieuws, maar goed nieuws; dit is niet het eind van het verhaal, maar het begin.” (Ik zag in mijn gedachten ook een stripwolkje boven het hoofd van de chirurg verschijnen met de tekst: ‘Deze man zit overduidelijk in de ontkenningsfase’).

Dit is niet het eind van het verhaal, maar het begin.

Maar ik heb 62 jaar een erg gelukkig leven op aarde gehad en Jezus is al meer dan 40 jaar mijn Heer en Redder. Dus ik voelde geen spijt. Mijn voornaamste reaktie daarna was, en is nog steeds, één van dankbaarheid. God heeft alles goed laten verlopen en ik geloof dat Hij dat nog steeds doet. Hij is bezig mij terug te halen bij Hemzelf terwijl ik mij nog helemaal gezond voel, terwijl ik nog aktief ben als predikant, terwijl mijn kinderen inmiddels het huis uit zijn en met hun eigen gezin en carrière bezig zijn, en terwijl mijn vrouw nog steeds de energie en vitaliteit heeft om een nieuwe levensfase in te gaan.

Ashton Mark On my way to heavenDit is de tweede aflevering van mijn Nederlandse weergave van het boekje On my way to Heaven Facing death with Christ, geschreven door Mark Ashton, predikant van St. Andrews the Great in Cambridge, nadat hij op zijn 60e te horen gekregen had dat hij een ongeneeslijke vorm van kanker had. Aflevering 1 kun je hier nalezen.