MET TONGENTAAL KOM JE HEEL DE WERELD OVER

Fish Internal Exile‘Speaking in tongues’ is de titel van een onverstaanbaar, maar toch bijzonder mooi nummer van Fish (voorheen de leadzanger van ‘Marillion’). En als ik in mijn enthousiasme luid en duidelijk Hasjie-barrie-kieba!’ roep, kan niemand mij uitleggen wat dat betekent. Spreek ik dan in tongen? Eén van de drie wondertekenen van het Pinksterfeest is het spreken in ‘vreemde talen’. In het Grieks wordt daarvoor het woord ‘gloossai’ gebruikt. Datzelfde woord wordt ook door Paulus gebruikt in zijn brief aan de christelijke gemeente in Korinte. Daar kwam het spreken in onverstaanbare klanken ook vaak voor. Volgens veel gelovigen is er hier niet sprake van vreemde talen, maar van tongentaal. Want het griekse woord ‘gloossai’ kan zowel ‘talen’ als ‘tongen’ betekenen.

HANDELINGEN

In het boek Handelingen is er drie keer sprake van het spreken in ‘vreemde klanken’. Met Pinksteren (Hand. 2:4+11), in het huis van Cornelius (Hand. 10:46) en bij de leerlingen van Johannes de Doper in Efeze (Hand. 19:6). In al deze drie gevallen gaat het om het spreken in vreemde talen (ook al vertaalt de NBV in Hand. 2 ‘gloossai’ met ‘talen’ en in Hand. 10 en 19 met ‘klanktaal’). Petrus zegt in Hand. 10 maar liefst twee keer, dat de gelovigen in het huis van Cornelius op dezelfde wijze de Heilige Geest hebben ontvangen zoals wij destijds (Hand. 10:47 en 11:15). Het is “hetzelfde geschenk” (“op volkomen gelijke wijze” zegt de bijbelvertaling van 1951) als met Pinksteren. Oftewel: ook Cornelius en de zijnen spraken buitenlandse talen. En als in Efeze de Heilige Geest opnieuw wordt uitgestort, mag je er vanuit gaan, dat ook die leerlingen van Johannes de Doper in andere talen gingen spreken (volgens het principe dat je Schrift met Schrift vergelijkt).

1 KORINTIËRS

Maar hoe zit dat met het woordgebruik van Paulus in de brief aan de Korintiërs? Spraken de gelovigen in Korinte af en toe in vreemde talen? Of raakten ze zo vol van de Heilige Geest dat ze in onverstaanbare, hemelse klanken Gods grote daden bezongen? Een belangrijk uitgangspunt is 1 Kor. 14:21. Daar haalt Paulus de woorden van de HERE God aan uit Jesaja 28:11-12. Daarin wordt geprofeteerd, dat er een tijd zal komen, dat de HERE “tot dit volk zal spreken door mensen die vreemde talen spreken, door de mond van vreemdelingen”, maar het resultaat zal negatief zijn, want “zelfs dan zullen ze niet naar Mij luisteren – zegt de Heer.” (1 Kor. 14:21 = Jes. 28:11+12b). Daarom zegt Paulus er meteen bij, in vers 22: ”Klanktaal (de ‘gloossai’) is dus een teken dat niet bestemd is voor de gelovigen maar voor de ongelovigen.”

IN EEN BUITENLANDSE TAAL

Op grond van het boek Handelingen, waar het altijd over vreemde talen gaat als het woord ‘gloossai’ genoemd wordt én op grond van de verwijzing naar Jesaja én omdat Korinte een internationale havenstad was, waar veel buitenlanders en vijandige joden waren, mag je de konklusie trekken, dat ‘tongentaal’ in heel het N.T. hetzelfde is als het spreken in andere talen. Het is een teken voor de ongelovige joden en heidenen, waardoor de Heilige Geest ze ervan wil overtuigen dat het heil van God in Christus gekomen is voor héél de wereld.

VROEGE KERKGESCHIEDENIS

In de vroege christelijke kerk spreken verschillende kerkvaders over het ‘spreken in tongen’

  • Irenaeus (180 na Christus) schrijft, dat men tot in zijn tijd nog steeds, net als in 1 Kor. 14, “vele broeders in de kerk horen die profetische gaven hebben, door de Geest in allerlei talen spreken, de verborgen dingen van de mensen tot het heil aan het licht brengen en de geheimenissen van God vertellen.” In de bewaard gebleven latijnse vertaling staat ‘per Spiritum universis linguis’. Dat geeft aan dat men bij het griekse woord ‘gloossai’ in die tijd dacht aan buitenlandse talen.
  • Tertullianus (200 na Christus) was een kerkvader die op latere leeftijd zich aangesloten heeft bij de Montanisten, een charismatische sekte in die tijd. Hij schrijft over de geestelijke gaven, dat in Jes. 28:11-12 al voorzegd wordt dat God later “in andere talen en met andere tongen” zal spreken. Hij heeft het ook over de gave van extase en geestvervoering en het uitleggen van talen. Het lijkt erop, dat Tertullianus beide vormen (vreemde taal en tongentaal) uit ervaring kende.
  • Chrysostomos (375 na Christus) vraagt zich af, waarom er in zijn tijd niet meer in vreemde talen of tongen wordt gesproken. Want op de eerste Pinksterdag “uitte de een zich direkt in de taal van de Perzen, de ander in die van de Romeinen, een ander in die van de Indiërs, weer een ander in een andere taal, en dit maakte aan de omstanders duidelijk dat het de Geest is die in elk zich uitte.” Vervolgens zegt Chrysostomos, dat niet alleen de apostelen, maar ook de gelovigen deze gave van de talen ontvangen hebben, want “als iemand gedoopt werd, sprak hij direkt in talen, en niet alleen in talen, maar velen profeteerden ook, en sommigen vertoonden ook vele krachten.” Daarbij verwijst hij naar 1 Kor. 12 en 14. Volgens Chrystostomos gaat het zowel in Handelingen als in 1 Korintiërs over het spreken in bekende, buitenlandse talen.
  • Tenslotte heeft ook Augustinus (425 na Christus) het consequent over ‘de talen van de volken’ als het om deze gave gaat. Hij zegt, dat het spreken in vreemde talen een teken van de Heilige Geest is uit de tijd van Pinksteren. Want toen bestond de kerk nog uit één volk, nl. Israel. Maar met Pinksteren liet de Heilige Geest de gelovigen al in alle talen van de volken spreken om aan te geven, dat de kerk “door te groeien onder de volken, zij in de talen van alle volken spreken zou.” Omdat de kerk in zijn tijd inmiddels het Evangelie van Jezus Christus in alle talen van de volken verkondigt, hoeft dit teken nu niet meer gegeven te worden, aldus Augustinus.

Zowel Chrysostomos als Augustinus reppen met geen enkel woord over het spreken in tongen als extatisch taal. De gave van het spreken in vreemde klanken is in hun tijd al verdwenen en zij vatten die op als het spreken in onbekende, buitenlandse talen.

TONGENTAAL VANDAAG

De ervaring van veel christenen om in tongen te spreken keur ik niet af. Zeker niet als het in het persoonlijke leven gebeurt en niet demonstratief in de samenkomsten vertoond wordt, vaak zonder uitleg erbij. Maar zeg er dan wel eerlijk bij: het hedendaagse ‘spreken in tongen’ is niet hetzelfde als het bijbelse ‘spreken in andere talen’.

Hoe kun je het spreken in tongen dan wel positief benoemen? Collega-predikant dr. E.A. de Boer (aan wie ik ook de verwijzingen naar de oude kerkvaders te danken heb) heeft het mij eens zo duidelijk gemaakt: in het persoonlijk gebed en in de lofprijzing kan soms de ‘emotionaliteit’ de overhand krijgen boven de ‘verbaliteit’. Dan gaat het gecontroleerde bidden met het verstand over in het uiten van onverstaanbare en onvertaalbare klanken. Het is dan niet vreemd dat dit als een gave van de Geest ervaren wordt, omdat het hart van de gelovige ook in zulke situaties openstaat voor God en zich in een vorm van lofprijzing tot de Heer richt.

In die richting kun je ook de gave van het spreken in ‘gloossai’ door Paulus in 1 Korintiërs 14 uitleggen (hoewel ik persoonlijk denk, dat het eerder om spreken in andere, bestaande talen gaat). Hij schrijft namelijk: Wie vreemde klanken uit, richt zich niet tot mensen, maar tot God. Niemand verstaat hem, want door de Geest gedreven spreekt hij onbegrijpelijke taal. (vers 2) En: Wie spreekt in klanken, put er alleen zelf kracht uit. (vers 4) Over dat laatste is Paulus niet negatief. Hij is zelfs blij met die gave. Maar hij gebruikt deze gave liever niet in de samenkomsten van de gemeente. Dan is het belangrijker om kennis door te geven of iets te profeteren of u te onderwijzen (vers 6). Vandaar dat Paulus ook zegt: Ik zou willen dat u allen in klanktaal kon spreken, maar ik wil nog liever dat u profeteert. Iemand die profeteert is nuttiger dan iemand die in klanktaal spreekt, tenzij hij uitlegt wat hij zegt, zodat de gemeente er baat bij heeft. (vers 5) En: Daarom moet iemand die in klanktaal spreekt bidden om de gave die te kunnen uitleggen. (vers 13) Dus trekt Paulus de konklusie: Ik heb, God zij gedankt, meer dan u allemaal de gave om in klanken te spreken. Maar tijdens een bijeenkomst wil ik liever vijf woorden spreken met mijn verstand, om anderen iets te leren, dan duizend woorden in extatische klanken. (vers 18+19)

Als je in je eigen geloofsleven momenten kent, dat je in je dank aan God uitstijgt boven de gewone taal, is dat een waardevolle ervaring. Koester die en wees er blij mee. Het is een geschenk van God aan jou persoonlijk. Eén van de gaven die de Geest uitdeelt. Om het persoonlijk geloof te laten groeien. Terwijl andere gaven meer tot opbouw van de gemeente zijn. Die twee gaan altijd samen: de gemeente is er om het persoonlijk geloof te laten groeien. En als het persoonlijk geloof groeit, wil je je ook des te meer inzetten voor de opbouw van de gemeente.

Heaven is for Real – een oppervlakkige film en een aardig dagboek over Colton Burpo’s bezoek aan de hemel

De jongen die in de hemel was is al meer dan 1½ jaar het best verkochte christelijke boek in Nederland. Het heeft veel tongen losgemaakt. De verhalen van een kleuter van bijna 4 jaar over wBurpo jongen hemel 2e drukat hij in de hemel  heeft gehoord en gezien zijn zo bijzonder. Wat je er ook van vindt, ik geloof dat Jezus onze Heer werkelijk in de hemel is. En het verhaal van Colton onderstreept dat voor mij.  Zo schreef ik erover in juni 2013, toen het boek nog tamelijk onbekend was – zie hier. Nu is ook de film Heaven is for Real uitgekomen. En is er een bijbels dagboek van Todd & Sonja Burpo verschenen met 42 ‘inspirerende overdenkingen’ onder de titel De hemel verandert alles.  De film van ruim 1:30 uur heb ik helemaal bekeken en het dagboek heb ik met interesse doorgebladerd.

De kern van het boek vind je niet terug in de film

Over de film valt veel te zeggen. Het begin is wat langdradig, maar inhoudelijk is het knap gespeeld. Met name door Colton die met zijn grote blauwe ogen zo aller-onschuldigst de dingen die hij in de hemel gezien heeft, aan de orde stelt. Ook ben ik blij dat er nagenoeg geen ervaringen van Colton in de hemel zijn nagespeeld. Daar was ik wel even bang voor. Want dan zou een film mijn beeld van hoe het in de hemel toegaat, gaan bepalen. Nu komt alleen de hand van Jezus in beeld en het moment dat Coltons zusje (sprekend haar moeder) hem omhelst. Voor de rest zitten er wat vrijheden in die niet in het boek staan, zoals het bezoek van vader Todd aan een psycholoog die de bijna-doodervaring van Colton wegverklaart (met een slechte vertaling van de Engelse termen ‘extrasensory knowledge’ en ‘circular’) en een dreigend conflict van Todd met zijn kerkenraad.

Heaven is for real movieMijn grote bezwaar tegen de film is, dat het hart uit het boek weggesneden is. Het boek is weliswaar vooral een succes geworden, denk ik, omdat het over de herkenning gaat van z’n ongeboren zusje en z’n overgrootvader die hij nooit gekend heeft. Maar daaronder zit de laag dat Colton, als hij hoort dat iemand gestorven is, bijna hysterisch vraagt: ‘Heeft die meneer Jezus gekend? Droeg hij Jezus in zijn hart? Dat móet, anders komt hij niet in de hemel. ‘ (blz. 82 en blz. 84 van het boek). In de film kom je passage niet tegen. En ook niet dat Colton zegt dat Jezus hem verteld heeft dat Hij aan het kruis gestorven is zodat wij naar zijn Vader kunnen  (blz. 145 van het boek). En dat Jezus heel veel van kinderen houdt is in de film vervlakt tot dat de hemel voor kinderen een hele mooie plek is. In het boek gaat het ten diepste om Jezus. Wie in Hem gelooft, krijgt een plaats in de hemel. De boodschap van de film is veel oppervlakkiger, namelijk: ‘God is liefde.’ Dat blijkt uit de passage waarin Colton een ernstig ziek meisje moed inspreekt door te zeggen: “Het komt goed. Niemand zal je ooit pijn doen”. In het boek zegt hij tegen een oudere, gelovige man die bijna zou sterven:  “Het komt goed. De eerste die u ziet, dat is Jezus.” (blz. 153 van het boek). Dat het geloof in Jezus vervaagt tot ‘God is liefde’  zie je ook bijna aan het eind van de film als dominee Todd een preek houdt. Daarin zegt hij: “Colton was echt in de hemel. Daar heeft hij Jezus gezien. Maar of Jezus je nu hoop geeft of dat je hem wantrouwt, dat geeft niets. Want God wil niet dat we daar allemaal dezelfde visie op hebben. Hij heeft een ander plan. Hij opent harten voor de liefde. Het enige wat ik hoef te doen en wat die liefde nodig heeft, is mensen te vertellen dat ze niet alleen zijn.”  Zo wekt de film de suggestie, dat iedereen in de hemel komt, omdat God vol liefde is. Dat blijkt o.a. uit de passage over de vrouw van wie de zoon op 19-jarige leeftijd als soldaat is omgekomen. Ze is boos op God en jaloers op Todd omdat die zijn zoon Colton wel terug kreeg. Ze vraagt dan: “Denk je dat mijn zoon in de hemel is?” Dan antwoordt Todd: “Denk je dat God meer van mijn zoon houdt dan van de jouwe?” In het boek staat het heel anders. Daar geeft Todd dit als antwoord geeft aan een moeder die een doodgeboren kindje heeft gehad, en dan niet vanwege Colton, maar vanwege het ongeboren zusje dat Colton in de hemel gezien heeft (blz. 184 van het boek).  Dat lijkt me voor gelovige ouders inderdaad een bijbelse troost (D.L. I 17). Maar in de film is elke oprechte liefde van ouders blijkbaar genoeg om in de hemel te komen. En dus is het een oppervlakkige film vanuit christelijk oogpunt bekeken.  Bijzonder jammer en echt een misser dat Jezus, onze Heer, in de film niet de plek krijgt die Hij in het boek nadrukkelijk wel krijgt.

Het dagboek spreekt meer aan dan de filmBurpo hemel verandert alles

In het dagboek komt Jezus wel nadrukkelijk op de eerste plaats te staan. Hoofdstuk 29 heeft als titel Belangrijk! en gaat over de vraag of je alleen in de hemel kunt komen als je Jezus in je hart hebt. Dat is voor Todd Burpo geen vraag, want Jezus heeft het Zelf  gezegd in Johannes 14 vers 6: Niemand kan bij de Vader komen dan door Mij. Dus zal God zeggen na je sterven: ‘Ken je mijn Zoon, en ben je werkelijk zijn volgeling op aarde? Dan ben je meer dan welkom in mijn huis.’ (blz. 118 van het dagboek). In het dagboek stellen Todd en Sonja op een vlot leesbare manier veel verschillende onderwerpen aan de orde. Elk hoofdstuk begint met een stukje uit het boek ‘De jongen die in de hemel was’. Daarna gaan Todd en Sonja daar wat dieper op in, met verwijzingen naar de Bijbel. Elk hoofdstuk eindigt met een kort ‘nadenkertje’  en een bijbeltekst. Meestal kun je er echt wel wat mee. Soms niet, zoals de opmerking van Todd om fotoboeken van trouwerijen en familiefeestjes als eerste bij een brand mee te nemen, “omdat je op die manier de mensen die je in de hemel opwachten beter zult herkennen.” (blz. 174 van het dagboek).

Als het om echte bijbelstudies over de hemel  gaat, kun je trouwens beter terecht bij Randy Alcorn. Hij is vooral bekend van de boeken  Deadline, Het territorium en Thuiskomst – drie detectiveromans Alcorn hemel boek bijbelstudieswaarin ook beschreven wordt hoe het in de hemel toegaat voor wie als christen gestorven is en in elke boek ook één indringend hoofdstuk voor wie door z’n ongeloof in de hel terecht komt. In het dagboek Hoe zal het in de hemel zijn? staan 50 overdenkingen die een bijbels perspectief op de eeuwigheid geven. Die gaan allemaal meer uit van de Bijbel dan het dagboek van de Burpo’s. Het mooie bij Randy Alcorn vind ik, dat hij nadrukkelijk aangeeft dat niet de hemel, maar het nieuwe Jeruzalem op de nieuwe aarde de plaats van onze bestemming is. Dat element mis ik wel bij het verhaal van Colton, de jongen die in de hemel was.

Kritische vragen mogen terecht gesteld worden

Voor de rest hou ik het hierbij. Er is bijbels-theologisch wel wat kritiek te leveren op het boek, de film en het dagboek van Colton, Todd en Sonja Burpo. Dat heeft bv. Matthijs Haak heel netjes gedaan in zijn oudejaarspreek ‘Heaven is for real’ van 31 december 2014 (na te lezen op zijn weblog http://t.co/WlqNhK79Ki) En ik vraag me af ook af in hoeverre je geloof moet hechten aan het portret van Jezus dat door Akiane Kramarik geschilderd is. Als ze 16 is, geeft ze aan dat haar visie op Jezus de volgende is: een lichtend voorbeeld voor alle mensen, want ieder mens moet op z’n eigen manier de weg naar de waarheid en het licht gaan om zo God te bereiken. Als ze op bijna volwassen leeftijd zo anders over Jezus denkt dan de Bijbel doet, hoe betrouwbaar zijn dan de visioenen die ze als kleuter gehad heeft en waarin ze Jezus heeft gezien? Zie daarvoor bv. zeer kritische reaktie van Marc Verhoeven op http://www.verhoevenmarc.be/PDF/hemelEcht.pdf. Maar zijn artikel heeft hij overgeschreven van Amerikaanse sites die vaak extreem chiliastisch en dus ook erg eenzijdig zijn. Dus blijf ik toch maar bij mijn eerste reaktie op het ervaringsverhaal van Colton Burpo: in het boek (maar helaas niet in de film) wijst hij nadrukkelijk naar de Persoon om wie het in de hemel gaat: Jezus.

 

Heaven is for Real – de film is voor ± € 15,00 overal in Nederland te verkrijgen
Todd & Sonja Burpo, De hemel verandert alles, 2014, Uitgeverij Plateau, Barneveld, € 16,90
Todd Burpo, De jongen die in de hemel was, 2013, Uitgeverij Plateau, Barneveld, € 12,95
Randy Alcorn, Hoe zal het in de hemel zijn?, 2009, Uitgeverij Medema, € 18,95

Als het leven soms pijn doet – gelovig gedenken op Oudejaarsavond

Op Oudejaarsavond wordt in veel gereformeerde (en protestantse) kerken op 31 december in een kerkdienst teruggekeken op het afgelopen jaar. In onze eigen gemeente gedenken we dan de gemeenteleden die in dat ‘jaar des Heren’ zijn overleden. Maar daarnaast (of als er binnen de eigen gemeente niemand gestorven is: in plaats van) kun je ook heel goed meer algemeen een moment van gedachtenis houden. Zo hebben we dat een aantal jaren geleden in onze gemeente gedaan.

Moment van gedachtenis

In deze laatste uren van 2017 beseffen we dat er weer een jaar voorbij is. En we beseffen ook, dat onze tijden in Gods hand zijn. Dat is een rustgevende gedachte bij alle drukte en hektiek. Het is vooral een troostvolle gedachte wanneer we denken aan ouders, broers en zussen en kinderen die de HERE God eerder dan ons uit dit leven weggenomen heeft. Daarom zingen we nu eerst een gedenklied. Daarna ontsteken we de gedenkkaarsen.

Gedenklied: Liedboek 103 : 1, 2, 3 (De heiligen, ons voorgegaan)

 

1e kaars: we gedenken de kinderen die al in de moederschoot, kort na de geboorte of in de kinderjaren door de HERE uit dit leven werden weggenomen.babyvoetjes

U was het die mijn nieren vormde,

die mij weefde in de buik van mijn moeder.

Ik loof U voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan.

Psalm 139 vers 13-14

 

2e kaars: we gedenken alle ouders die ons het leven hebben gegeven en hebben voorgeleefd en nu, vaak op hoge leeftijd, ons zijn voorgegaan.

Het is een troost te weten dat hierna nog iets komt

en dat de stem van de ander niet voor altijd verstomt.

We zien ze niet meer lopen of samen met ons gaan

en toch zegt iets van binnen dat zij dicht naast ons staan.

 

We zien de lege plaats wel, die stoel blijft pijnlijk leeg.Kaars brandend

Er blijft een stilte achter bij wat vaak aandacht kreeg.

Maar toch zegt iets van binnen dat zij er zeker zijn.

Die troost trekt met ons verder en draagt ons door de pijn.

 

Ons wacht een blijde toekomst, waar wij weer hand in hand

gaan langs de gouden stranden van het beloofde land.

Het heimwee ligt dan achter, de zorgen zijn niet meer.

Voor eeuwig zijn we samen in het land van onze Heer!

 

3e kaars: we gedenken alle andere geliefden van wie we in 2017 afscheid moesten nemen en die we zo missen omdat ze ons heel erg dierbaar waren.

God wat een dag,

wanneer de graven opengaan

en al uw kinderen,

reeds jarenlang tot stof vergaan,Voor altijd in mijn hart - Jezus

daar zomaar zullen staan,

stralend en fris

in het schitterend licht

van uw gezicht,

het witte feestkleed aan.

Coosje van Campen

 

4e kaars: we gedenken alle slachtoffers van de vele rampen, oorlogen en ziektes waardoor over heel de wereld en ook in ons land zoveel mensen getroffen zijn.

Als het leven soms pijn doet,

en de storm gaat te keer

in een tijd van moeite en verdriet.

Alsof de zon niet meer opkomt

en het altijd donker blijft

en de ochtend het daglicht nooit meer ziet.
 

Juist op die momenten als het echt niet meer gaat,

laat me merken laat me voelen dat U werkelijk bestaat,

dat uw armen om mij heen zijn en uw liefde mij omgeeft,

dat ik zal zien als ik terugkijk, dat U mij gedragen heeft.

 

Als ik kom met al mijn vragen, roos huwelijk

met mijn twijfels en mijn pijn,

met mijn angst en onveiligheid,

lijkt de hemel soms van koper,

geen gebed komt er doorheen

en ik verstik in onzekerheid.

 

Heer wilt U mij helpen als ik moe ben of verward,

dat het geloof in mijn verstand ook zal leven in mijn hart!

En dat uw armen om mij heen zijn en uw liefde mij omgeeft,

dat ik zal zien als ik terugkijk, dat U mij gedragen heeft.

 

Reni & Elisa Krijgsman – https://www.youtube.com/watch?v=BZMNxvcfNos

 

Kaarsen met Oudejaarsavond 31/12 in de kerkdienst

Gelovig terugkijken en gelovig gedenken –  veel christenen doen dat op 31 december in een oudejaarsdienst. Samen kijken we terug. Het bijna afgelopen jaar 2014 was een veelbewogen jaar. En samen gedenken we. Want op oudejaarsdag dringt het besef van de geliefden die we missen extra tot ons door.  De HERE nam ze uit dit leven weg en haalde ze, als ze in Hem geloofden, thuis. Zo kijken we gelovig achterom. We laten het Woord van de HERE schijnen en alles wat we in 2014 hebben meegemaakt, brengen we in gebed bij God.

Sommige kerken doen dat aan het eind van november, op de laatste zondag voordat Advent begint. Als gereformeerde kerken kennen we de traditie om dat op de laatste dag van het oude jaar te doen. Wat mij betreft blijft de traditie van een oudejaarsdienst nog heel lang bestaan. Zo verbinden we op een mooie manier het gewone leven met het geloof. Ook 2014 was een ‘jaar van onze Heer’. We tellen onze jaren vanaf de geboorte van Hem, Jezus Christus. Vorig jaar schreef ik over die tendens om het gelovig gedenken van 31 december te verplaatsen naar een zondag in november het blog Oudejaarsdienst 31 december – gelovig terugkijken, gelovig gedenken. Wie nog wat, in mijn ogen, goede argumenten voor het handhaven van 31 december als meest geschikt gedenkmoment wil lezen, moet hier even klikken.

Hoe kijk je nu op een goede manier terug en gedenk je de geliefden die in het jaar van onze Heer 2014 gestorven zijn? In onze gemeente van Assen-Peelo doen we dat sinds een aantal jaren door de namen van te noemen van degenen uit onze gemeente die afgelopen jaar zijn overleden én door kaarsen te ontsteken. Het aantal van vier is nogal praktisch: we gebruiken de kaarsen van Advent. En we nodigen gemeenteleden uit om één van de vier kaarsen aan te steken. Als men wil, mag men daarbij ook een bijbeltekst, een gedicht of een korte toelichting geven. Omdat we een heel jonge gemeente zijn met meestal minder dan vier overlijdens per jaar, kunnen we ook een kaars wijden aan ouders en andere direkte familieleden die gestorven zijn. En dit jaar, op verzoek van een gemeentelid, ook een kaars voor alle mensen die omgekomen zijn bij rampen als vlucht MH17, het oorlogsgeweld in Syrië & Irak, de Ebola-crisis enzovoorts. Dit moment wordt omgeven door bijbellezing, liederen en gebed. Zo geven we extra ruimte aan het gedenken van degenen die ons zijn voorgegaan en, als ze in hun Heer Jezus Christus geloofden, nu bij en met Hem verder mogen leven. Daarmee sluiten we op een passende manier het jaar 2014 af. En richten we ons op wat 2015 ons gaat brengen – misschien wel de terugkomst van onze Heer op de wolken. Hoe heerlijk zal dat zijn! (Opwekking 407)

Met Kerst komt alles dichterbij dan ooit

Vandaag is jullie Redder geboren: Christus, de Heer. Hij is geboren in Betlehem, de stad van David.

Kerstoverdenking Kerstnachtdienst Sporthal Peelo 2014 (voor een indruk van  de sfeer zie hier – opname Henk Bosscher)

Met Kerst komt alles ‘dichterbij dan ooit’. Vooral de wens naar ‘vrede op aarde’. Zowel de wereldvrede als de vrede in je eigen leven.

De wereldvrede. Precies 100 jaar geleden lagen de Duitsers en de Engelsen in Frankrijk en België pal tegenover elkaar. De Eerste Wereldoorlog was net begonnen. Ze waren nog niet echt in een uitzichtloze loopgravenoorlog verzand en stonden fanatiek tegenover elkaar. Vlak onder Ieper, precies tussen Mesen en Ploegsteert, lag de frontlinie. En toen gebeurde het. Op de Kerstavond zongen de Duitse soldaten kerstliederen. Aan de overkant konden de Engelsen het gezang horen. En terwijl op andere plekken de gevechten doorgingen, zwaaiden de Duitsers bij Mesen met een witte vlag. Ja, ze kwamen zelfs de loopgraven uit en liepen, al zingend, in de richting van de Engelsen. Die wilden eerst gaan schieten, maar toen ze zagen dat de Duitsers ongewapend waren, kwamen ze ook zelf naar voren. Midden op de akker, ten noorden van het bos van Ploegsteert, wisselden ze eten en drinken uit, vierden Kerstfeest en sloten af met een potje voetbal.

Op dat moment hadden de beide partijen elkaar ‘dichterbij dan ooit’ genaderd. Je moet maar durven! Midden in de fanatieke eerste maanden van de oorlog als eerste de loopgraaf uitstappen! Kerst verbroedert. In die wrede oorlog was het even vrede op aarde.

Vandaag leven we in een andere tijd. Hoewel, zou dat echt zo zijn? Ook nu is er oorlog. Is er angst. Is er lijden. Wat voor jaar hebben we achter de rug! Met het neerhalen van vlucht MH17 werden bijna 300 onschuldige burgers uit de lucht geschoten door pro-Russische rebellen. In Syrië en Irak joeg ISIS honderdduizenden moslims, christenen, jezidi’s uit hun dorpen en steden en duizenden van hen werden óf vermoord óf als seksslavin verkocht. En in Nigeria doet Boko Haram hetzelfde. Ondertussen jaagt het Ebola-virus heel veel mensen schrik aan: wordt het een wereldepidemie? De ellende kwam dit jaar dichterbij dan ooit. Hoezo vrede op aarde?

Misschien is het ook in jouw persoonlijke leven helemaal geen vrede.

In november was ‘Een vlucht regenwulpen’ van Maarten ’t Hart het campagneboek voor ‘Nederland Leest’. In dat boek uit 1978 krijgt de moeder van Maarten keelkanker en overlijdt. Daardoor neemt Maarten afscheid van het geloof in God. Het zou autobiografisch zijn. En het glazen huis van Serious Request zamelt, na goede doelen als drinkwater, vluchtelingen en kindersterfte door diarree, dit jaar geld in voor meisjes en vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld.

Kanker en seksueel misbruik. Dat is persoonlijk leed. Omdat het persoonlijk is, hakt dat er minstens net zo diep in als het wereldleed. Als dat allemaal ‘dichterbij dan ooit’ komt, kun je daar erg mee zitten. Ja, zelfs heel erg boos om worden. Ook en juist op God.

Ergens kwam ik het volgende verhaal tegen.

Op een vlakte staat een grote massa mensen. In groepjes staan ze druk te diskussiëren. Het gaat er heftig toe. Al deze mensen houden zich bezig met de vraag: “Waar haalt God het recht vandaan om over de mens te oordelen?”

Een meisje met zwart haar trekt haar mouw omhoog en laat een getatoeëerd nummer van een nazi-concentratiekamp zien. “Wij hebben verschrikkelijke dingen doorgemaakt: we zijn verraden, gemarteld, vergast! Wat weet God nou van ons lijden af?”

In een andere groep trekt een negerjongen zijn kraag naar beneden. “En dit dan?” vraagt hij, terwijl hij de lelijke afdruk van een touw in zijn hals laat zien. “Ze hebben me gelyncht … alleen maar omdat ik zwart was!”

Even verder staan mensen om een zwanger tienermeisje heen. Met boze ogen roept ze: “Waarom moesten ze mij hebben? Eerst de drugs, toen de loverboy, toen een kind? Ik was nog maar 12 toen het begon!”

Overal op die vlakte stonden honderden van zulke groepen. Ze beklaagden zich allemaal over God – waarom laat Hij al dat kwaad en lijden in de wereld toe? En dat terwijl Hij Zelf lekker in de hemel woont, waar alles perfekt is, waar geen tranen zijn, geen angst heerst, geen honger of haat. Wat weet zo’n God nou van alles wat de mensen in deze wereld moesten meemaken? Hij zou ook maar eens …!!

Iedere groep koos daarom iemand uit die het meest geleden had. Een Jood, een neger, iemand uit Hiroshima, een aidsslachtoffer uit Congo, iemand die door reuma helemaal krom gegroeid was, iemand die door een automobilist met drank op voor de rest van het leven in een rolstoel terecht gekomen was. Midden op de grote vlakte kwamen ze bij elkaar om met elkaar te overleggen. Ten slotte waren ze klaar om hun zaak aan God voor te leggen.

Voordat God in aanmerking kon komen om hen te oordelen, moest Hij eerst meemaken wat zij meegemaakt hadden. Ze besloten dat God tot een leven op aarde veroordeeld zou worden – Hij zou mens moeten worden!

‘Laat Hem in een kansloos, armoedig gezin geboren worden. Zonder dat zijn vader bekend is. Laat Hij opgroeien in een vijandige omgeving. Dat iedereen Hem met de nek aankijkt. Dat zelfs zijn eigen familie Hem niet meer hoeft. Laat Hij door zijn beste vrienden in de steek gelaten worden. En dat Hij door corrupte ambtenaren wordt aangeklaagd. Door een laffe rechter ten onrechte veroordeeld wordt. Laat Hem ook eens voelen hoe het is om gemarteld te worden. Om er helemaal alleen voor te staan. Geen mens meer die om Hem geeft. Ja, laat God dat ook maar eens allemaal meemaken. Laat Hem in volstrekte eenzaamheid een gruwelijke dood sterven. Misschien dat Hij dan weet wat wij hier op aarde allemaal moeten meemaken aan zorgen en ellende.

Zo maakten de woordvoerders van elke groep samen hun vonnis bekend. En toen werd het stil. Want plotseling stond er Iemand op. Met gaten in zijn handen. Met ogen vol ontferming. En iedereen besefte: wat wij zonet bedachten hebben om God mee te straffen, heeft die Man al ondergaan.

Met Kerst vieren we, dat God in het Kind Jezus dichterbij dan ooit gekomen is. In het Kind Jezus is God Zelf al mens geworden. De engel zegt het zelf: ‘In de stal van Bethlehem ligt de Zoon van God, jullie Redder en Heer. Ga maar kijken!’ De herders geloofden die engel op zijn woord. Ze gingen meteen op kraambezoek.

Wat de herders geloofden, geloof ik ook. In de persoon van Jezus is God naar deze aarde gekomen. Hij heeft alles meegemaakt, wat wij ook meemaken. Hij kent het leed door en door. De pijn en de eenzaamheid. De teleurstelling en de frustratie. De moeite en het verdriet. De uitsluiting en de minachting. Afschreven door mensen en ingeruild voor een ander. Jezus heeft het allemaal meegemaakt. Hij heeft het allemaal gevoeld. Hij leek er volledig aan onderdoor te gaan. En toch heeft Hij het gered. Heeft Hij jou en mij gered.

Met Kerst komt alles dichterbij dan ooit. De zorgen en de ellende – zeker in 2014. Je kunt het God verwijten. Je kunt ook komen kijken naar Gods oplossing – in het Kind van Kerst komt Hij elk jaar dichterbij dan ooit. Dat Kerstkind brengt vrede op aarde, vrede in je hart en vrede met God. God blijven verwijten of naar het Kerstkind dat God geeft komen kijken. Waar kies je voor? Ik nodig ieder van jullie uit voor dat laatste.

Sluit je aan in de lange stoet van mensen die het Kerstkind komen begroeten!

Kerst – Jozef gepasseerd én ingeschakeld bij geboorte Jezus

De geboorte van Jezus is het grootste kado dat mensen van God krijgen. Maar zelfs voor mij als christen blijft het onbegrijpelijk. Ik snap best wel dat Jezus geboren. Maar hoe Hij geboren is, namelijk uit de maagd Maria, dat kan voor mijn gevoel helemaal niet. Toch is de Bijbel er heel duidelijk over. Twee bijbelschrijvers laten het onafhankelijk van elkaar weten. “Maria bleek zwanger te zijn door de Heilige Geest” vertelt Matteüs  (Mat. 1:18). “De Heilige Geest zal over je komen”, zegt de engel Gabriël tegen Maria, als die vraagt hoe zij zwanger kan worden omdat ze nog nooit gemeenschap met een man gehad heeft, vertelt Lukas (Luk. 1:35).

Jozef Maria JezusMARIA EN JOZEF KUNNEN ER NIET BIJ

Dat is zo onvoorstelbaar – Maria kan er zelf amper bij. Daarom zwijgt ze erover tegen Jozef. Hij zal haar toch niet kunnen geloven. Waar God nu mee bezig is, dat gaat alle mensen boven het verstand. Zoals Maria moeder wordt, zo is nog nooit een vrouw moeder geworden. Dat kan alleen God zelf aan Jozef duide­lijk maken. En inderdaad: Jozef kan er niet bij. Langzaam en mar­­telend dringt na een paar maanden de verschrik­kelijke werke­lijkheid tot hem door: zijn Maria is in verwachting en krijgt een kind waarvan hij de vader niet is. En Maria is zo zwijgzaam, het geheim blijft voor Jozef onop­losbaar. Dat maakt de situatie voor hem zo moeilijk. Omdat Jozef een gelovige jongen is, wil hij zijn stil­le Maria niet in opspraak brengen. Hij kan of wil nu niet meer met Maria trouwen, maar wil haar ook niet in opspraak brengen. Daarom denkt hij er serieus over na om de verloving in het geheim te verbreken.

Maria kan er amper bij. Jozef kan er helemaal niet bij. En als God zelf niet aan Jozef de waarheid bekend gemaakt had, waren twee gelovige kinderen van God die voor elkaar bestemd waren, zelfs definitief uit elkaar te gaan. Alleen God kan duidelijk maken dat Hij verlossing, redding en uitkomst komt brengen op een manier zoals niemand het had kunnen bedenken.

VEEL MENSEN WILLEN ER NIET AAN

Vandaag geloven nog steeds heel veel mensen niet dat Jezus de Zoon van God is, geboren uit de maagd Maria. Dat het Kerstkind een bijzonder kind is, wil er bij veel mensen nog wel in. Maar dat Jezus Gods kind is? Nee, daarmee wordt Jezus door zijn fanclub toch net even te hoog ingeschaald. En dan krijg je van die sagen en legenden als de maagdelijke geboorte. Wat dat betreft zit er tussen toen en nu niet zoveel verschil. Toen zal iedereen gedacht hebben: daar heb je weer een stel dat moet trouwen. Tegen de stroom in werd van Jozef en Maria, eerst van ieder afzonderlijk en daarna van hun samen, veel geloof gevraagd. Durven ze echt God op zijn woord te geloven, dat hun zoon Jezus de beloofde Immanuel is die de mensen zal bevrijden van hun zonden?

IK BEN NET ZO

Voor mij als gelovige op de grens van 2023/2024 geldt eigenlijk precies hetzelfde. Ook ik kan God alleen maar op zijn woord geloven, als Hij vandaag nog precies hetzelfde zegt: ‘In Betlehem is jullie redder geboren. Het is Christus, de Heer. Hij zal de mensen bevrijden van hun zonden.’ Die aktie komt helemaal van Gods kant. Dat begint al bij de geboorte. Daar kwam geen man aan te pas. Jezus kwam ter wereld, zoals het ook met het geloof zelf gaat: het is een geschenk van God. Dat zegt een derde bijbelschrijver, Johannes, in zijn Evangelie: “Wie in zijn naam geloven, zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God.” (Joh. 1:12)

Daar kan ik niet bij. En, laat ik eerlijk zijn, ik wil er vaak ook niet aan. Want dan moet ik toegeven, dat ik het zelf niet kan. Dan moet ik erkennen, dat alleen God Zelf ook vandaag nog de oplossing kan brengen: een nieuw begin in mijn leven en een ultiem vredesplan voor heel de wereld. Maar ook al kan ik er niet bij en wil ik er vaak niet aan, toch geloof ik in Jezus als het Kind van Kerst. Hij is “het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam.” (Joh. 1:9) En ik ben blij dat we dat elk jaar weer samen vieren. Zo houden we het geloof levend in Jezus Christus als de enige Zoon van de Vader, die Zelf God is en mens werd zoals wij. Door Hem kunnen we er weer bij – bij God als onze hemelse Vader.

WAAROM WILDE JOZEF ER IN HET GEHEIM VANDOOR?

Niet iedereen denkt dat Jozef Maria wilde verlaten omdat Maria hem verteld had wat haar overkomen was. Iemand als prof. Jakob van Brug­gen heeft een andere opvatting. Hij is van mening (je kunt dat nalezen in zijn commentaar op Mat­teüs) dat de verschijning van Gabriël en de lofzangen van Elisa­bet, Maria en Zacharias binnen de familie bekend geworden zijn en ook gelovig geaccepteerd. Ook Jozef zou Maria op haar woord geloofd hebben dat ze door toedoen van de Heilige Geest een kind verwacht die de lang beloofde Messias zal zijn. Alleen vroeg hij zich wel af, wat dit betekende voor zijn aanstaande huwelijk met Maria. Dus overweegt hij, dat God Maria blijkbaar voor een unieke taak geroepen heeft. Daarin ziet Jozef geen plaats voor zichzelf. Dus wil hij in het geheim de verloving verbreken. Prof. van Bruggen beroept zich voor deze uitleg vooral op Mat. 1:18. Daar wordt van Maria gezegd: “ze bleek zwanger te zijn door de hei­li­ge Geest.” Dat zou je dan zo moeten uitleggen, dat de gelovige familieleden niet alleen gecon­stateerd hebben dat Maria in verwach­ting was, maar ook, dat dat ‘door de heilige Geest’ gebeurd is.

Toch volgen veel andere bijbeluitleggers deze verklaring niet. De meesten denken, dat Matteüs aan de lezers laat weten, dat het geen gewone zwangerschap was, maar dat die tot stand gekomen is door tussenkomst van de heilige Geest. De re­ak­tie van Jozef pleit er meer voor om aan te nemen, dat Jozef vol vragen zit over hoe het nu kan dat Maria zwanger is. Als hij voor zichzelf geen plaats ziet in Gods verlossingsplan zou hij dat met Maria hebben kunnen overleg­gen. Maar volgens Matteüs zit Jozef te dubben en te aarzelen wat hij zal doen. En als hij dan eindelijk de knoop wil doorhakken, verschijnt op dat moment een engel van de Heer aan hem. Het lijkt er op, dat Maria niet zelf gepro­beerd heeft Jozef van de goddelijke oorsprong van haar kind te overtui­gen, maar dat God dat zelf op het meest kritieke moment doet.

JOZEF 100% AKTIEF INGEZET

Overigens vraagt prof. van Bruggen er wel terecht de aandacht voor, dat het de en­gel er niet alleen om te doen is, het wantrouwen van Jozef weg te nemen, maar dat Jozef zelf ook aktief een plaats krijgt aangewezen bij de geboorte van de Verlos­ser. God scha­kelt Jozef in als de vader op aarde voor de Chris­tus. Hij krijgt bijvoorbeeld (net als Maria in Lukas) de opdracht het kind de naam Jezus te geven. En na de geboorte is het Jozef die een droom krijgt om met Maria en Jezus naar Egypte te vluchten vanwege de dreiging van Herodes. Wat dat betreft lijken alle gelovigen op Jozef. Het geloof zelf is 100% Gods werk in jou en mij. Maar daarna schakelt de HERE ieder van ons wel voor de volle 100% in om het geloof ook uit te dragen en voor te leven.

Kinderen horen erbij – in de kerkdienst of in de kindernevendienst?

ZwemlesZwemles – er zullen veel kinderen zijn daar niet altijd zin aan hadden. Als ik tenminste kijk hoe graag mijn kinderen naar zwemles gingen: bij de één duurde het maanden voor die onder water door het gat durfde zwemmen. En de ander was met geen stok te bewegen om ook nog voor diploma C te gaan. Maar zwemmen kunnen ze inmiddels alle vier!

Geloven – ook daar krijg je les in. Van je ouders. Op school. En, niet te vergeten, in de kerk. Maar hoe betrek je de kinderen erbij in de kerk? Moet je ze vooral meenemen naar de kerkdienst of is de kindernevendienst de beste manier?

Kindernevendienst weer in diskussie

In het Nederlands Dagblad van 21 november 2014 (klik hier) liet theoloog Kees van der Kooi weten dat hij de kindernevendienst het liefst wil opdoeken. Hij  doet een paar stevige uitspraken. “Ik haat het als kinderen naar de kindernevendienst gaan. Ophouden ermee. In plaats daarvan moeten kerken generaties met elkaar verbinden.” Een dag later wijdde het ND er zelfs het redaktioneel hoofdcommentaar aan (klik hier). De kindernevendienst is een verlegenheidsoplossing volgens Wim Houtman. In de Bijbel “is duidelijk dat kinderen gewoon bij het volk horen”, maar voor de plek van kinderen in de kerkdiensten geldt: “daarin is veel vrijheid voor christenen.” Toch heeft Houtman de kinderen liever in de kerkdienst zitten dan in de kindernevendienst. “Het is niet zó moeilijk om in een dienst, zelfs in een preek, kinderen een plek te geven. Door erbij te zijn kan een kind eraan wennen dat het in een gemeenschap hoort en er –hopelijk- een plek vinden.”

Drie persoonlijke ervaringen over de kindernevendienst

In alle drie de plaatsen waar ik dominee was en ben, kwam het onderwerp ‘kindernevendienst’ voorbij.

In mijn eerste gemeente, het liefelijke Zaamslag in Zeeuws-Vlaanderen, had ik goede kontakten met de hervormde dominee. Die was niet blij met de kindernevendienst in zijn kerk. Want, zei hij, we hebben maar één kerkdienst per zondag en daar komen alleen de volwassenen. De kinderen van de basisschool gaan al vóór de kerkdienst naar de kindernevendienst en aan het eind van groep 8 gaan ze een aantal keren mee naar de kerk, zodat ze vanaf de brugklas elke zondag mee kunnen komen. Maar dat gebeurt nagenoeg niet, want ze zijn het niet gewend en hebben als puber geen zin om mee te gaan.

In mijn tweede gemeente, het prachtige Nijmegen, waren we met de CGK op weg naar eenwording. De CGK had als beleid: ‘s morgens zitten jong en oud in de kerkdienst om samen het geloof te vieren en ’s middags gaan de kinderen naar de kindernevendienst om op hun niveau het geloof te leren en is er in de kerkdienst een leerdienst.

Nu sta ik in Assen en sprak een paar jaar geleden een voorganger van de baptistengemeente. Die zei tegen mij: wij hebben minstens net zoveel moeite om onze eigen jongeren vast te houden als jullie. En dat komt, omdat we een fantastisch kinderprogramma hebben voor alle groepen van de basisschool. Maar als ze naar de middelbare school gaan, moeten ze instromen in de kerkdienst en dat gebeurt bijna niet. Want dat zijn ze nooit zo gewend geweest, een dienst van ½ à 2 uur met veel Opwekking en een preek van ruim een half uur.

Waarom neem je je kind mee naar de kerk?

Op grond van deze ervaringen ben ik er steeds meer van overtuigd geraakt, dat het veel beter is om kinderen een vaste plek in de kerkdienst te geven, dan dat je ze naar de kindernevendienst laat gaan. Want waarom neem je als gelovige ouders je kinderen mee naar de kerk? Als het goed is, heeft dat twee redenen:

  1. de kinderen van de gemeente vinden het fijn om in de kerk te komen.
  2. de kinderen van de gemeente leren waar het in de kerkdienst om gaat: samen God ontmoeten, naar zijn Woord luisteren en Hem eren en loven.
Het kindmoment en de bijbelclub

Daarom hebben we in onze gemeente van Assen-Peelo een paar jaar geleden besloten, om in de morgendienst de kinderen vanaf groep 3 t/m groep 8 er niet uit te laten gaan tijdens de hele dienst of tijdens de preek. Want het tweede doel vinden we minstens net zo belangrijk als het eerste. Maar we hebben wel besloten, dat de kinderen dan ook echt aandacht moeten krijgen in de kerkdienst. Dus hebben we elke zondag een uitgebreid kindmoment. Dat wordt de ene keer door mijzelf als predikant verzorgd en de andere keer door een team van vrijwilligers. Ook op andere momenten in de kerkdienst en, als het enigszins kan, tijdens de preek worden de kinderen bewust aangesproken.

Tegelijk hebben we besloten om in de middagdienst een kindernevendienst te beginnen. Vooralsnog voor de kinderen van groep 7 en van groep 8. Die verlaten dan meteen na het eerste lied de kerkzaal en hebben dan hun ‘bijbelclub’. Ze komen ook niet meer terug in de kerkdienst.

Ik vind dit een bijzonder goeie mix. Kinderen leren zo van jongs af wat het is om de kerkdienst mee te maken. Dat voorkomt een ‘trendbreuk’ rond hun 12e als ze plotseling niet meer naar de kindernevendienst mogen en mee moeten naar de gewone kerkdienst. Met als triest resultaat (vooral in kerken waar men maar één keer per zondag dienst heeft, zoals in de PKN en bij de baptisten) dat veel jongeren rond hun 13e al niet meer mee willen naar de kerk. Een tweede pluspunt vind ik, dat kinderen ‘onderwijs op niveau’ krijgen in de middagdienst. Van mij hoeven ze dan niet eens een deel van de kerkdienst mee te maken, want in de morgendienst waren we ze er al helemaal bij. Besteed dan liever het volle uur aan geloofsoverdracht op een manier die goed bij kinderen aansluit!

10 minuten vermaak, 50 minuten niks te doen? 

Toch hoor ik ook wel eens kritiek op ons kindmoment. Niet alleen van conservativo´s, maar ook van ouders die zeggen: ‘Die 10 minuten zijn leuk, maar dan heeft mijn kind nog 50 minuten oningevulde tijd.’ En als men dan eens bij de baptisten shopt, komt zoon- of dochterlief na 1½ uur enthousiast met een werkje en een lied naar buiten. Tsja, denk ik dan, dat is een keus. Kies je ervoor dat je kind het altijd vooral leuk en naar de zin wil hebben? En ben je stiekem blij, dat jij als ouder heerlijk zonder jengelende kinderen de kerkdienst kunt beleven? Of ben je bereid te investeren in de geloofsgroei van je kinderen, door ze er langzaam aan te laten wennen, dat een kerkdienst vast wel saaier, maar voor de lange termijn net zo belangrijk is voor de geloofsgroei van je kind?

Een enkele keer werd er zelfs tegen mij gezegd: de baptisten maken met hun kindernevendienst meer werk van de geloofsopvoeding dan dat wij als gereformeerde kerk met ons 10 minuten-moment. Kijk, dat vind ik nou een valse tegenstelling. In de eerste plaats vergeet je dan, dat de geloofsopvoeding twee doelen heeft: niet alleen leuk voor nu, maar ook nuttig voor de lange termijn (zie hierboven). En in de tweede plaats moet je niet vergeten, dat in de christelijke kerk de geloofsopvoeding al eeuwenlang een samenwerking is tussen ouders, kerk en school. Dat vloeit voort uit de belofte die ouders bij de doop afleggen om hun kinderen “zo goed mogelijk te onderwijzen en te laten onderwijzen” in de leer van de Bijbel en de betekenis van de doop. De eerste taak ligt bij de ouders: zelf onderwijzen. Geloofsopvoeding kun je niet uitbesteden. Maar je staat er niet alleen voor als ouders. Samen in de kerk kunnen we elkaar helpen en in ons land hebben we de mogelijkheid van positief christelijk onderwijs. Die twee vallen allebei onder het ‘laten onderwijzen’. Ook het onderwijs! Gereformeerde scholen zijn geen vrijgemaakte specialiteit, want al sinds de tijd van de Reformatie (1574!) hebben de protestants-gereformeerde kerken zich daarvoor ingezet op grond van de doopbelofte. Gelukkig bestaat die mogelijkheid nog steeds in de meeste regio’s van ons land. Op zondag kun je als kerk niet tippen aan wat een gereformeerde school doorlopend elke week vijf dagen lang kan bieden. Uiteindelijk kunnen school en kerk niet opvangen wat ouders zelf laten liggen. Want de belangrijkste geloofsopvoeding vindt thuis plaats.

’s Morgens in de kerkdienst, ’s middags op eigen niveau

Ik ben er dus geen voorstander van om de kinderen uit de kerkdienst te halen tijdens de morgendienst. Zeker niet als je in een regio woont, zoals bij ons in Assen, waar bijna alle kinderen gereformeerd onderwijs ontvangen. Waarom zou je ze dan weer een uur lang klassikaal ‘school’ geven tijdens de kindernevendienst? Betrek ze dan liever bij de gezamenlijke ontmoeting die we als gemeente met onze grote God hebben. Die extra aandacht hoeft helemaal niet zoveel moeite te kosten is in de afgelopen jaren bij ons in Assen-Peelo gebleken. We kunnen het ook prima, kijk maar eens naar de aangepaste erediensten voor verstandelijk gehandikap­ten. Daar gaat het er vaak heel ongedwongen aan toe. Geen wonder dat zulke diensten ook veel kinderen trekken.

Net zo belangrijk vind ik de les van andere kerken. Op grond van ervaringen elders (PKN en baptisten) zeg ik: als kind geleerd is als jongere gedaan. De kinderen vroeg meenemen naar de kerkdienst zelf is het behoud van de jongeren als het gaat om kerkgang en groeien in geloof.

En wat je dan ’s middags doet? Hou dan maar vrolijk een kindernevendienst. Want voor kinderen is de tweede kerkdienst altijd meer van het zelfde. Dus die hebben ’s morgens hun portie al gehad en mogen ’s middags best een uur lang op hun eigen niveau de zondag als feestdag ervaren.

DOUMA’s afscheid van de GKV – een mix van principe en heimwee

Professor Douma heeft de GKV verlaten. ‘Duidt dit eens. Wat is er aan de hand?’ vroeg een kennis me. Het is een principiële keus volgens Douma zelf. Maar wanneer hij rekenschap van zijn overstap aflegt in het boek “Afscheid” valt mij ook op, dat Douma heimwee heeft naar vroeger. Terwijl de GKV stappen vooruit zet, is er bij Douma sprake van een retro-effekt: terug naar de vertrouwdheid van de vroegere vrijgemaakte kerk. Dat gevoel vindt Douma bij de GKN, de mildere variant van de twee nieuw-vrijgemaakte kerkgenootschappen die in 2003 en 2008 zijn ontstaan. De GKV is veranderd. Maar Douma ook. In Douma Jochemtegengestelde richtingen. Dus groei je uit elkaar. En trekt Douma een streep en zet een stap. Maar is die stap logisch in het licht van Douma’s vroegere opvattingen? In 2001, dus ruim 13 jaar geleden, beschreef Douma in zijn boek “Hoe gaan wij verder?” de ‘ontwikkelingen in de gereformeerde kerken (vrijgemaakt)’. Dacht hij toen net zo als nu in “Afscheid”?

VROUW IN AMBT EN SCHRIFTGEZAG IS PRINCIPIEEL

Douma  verlaat de GKV vanwege de genomen besluiten over de vrouw in het ambt door de synode van Ede in het voorjaar van 2014. Daar is volgens hem principieel ruimte voor gegeven. Nog niet door de vrouw in het ambt toe te laten binnen de GKV. Maar wel doordat de GKV besloten heeft te streven naar kerkelijke eenheid met de NGK. Daarbij is gezegd dat de vrouw in het ambt binnen de NGK geen principieel struikelblok meer is. Volgens Douma is daarmee de eigenlijke beslissing gevallen. En dat is, zegt Douma, gebeurd op grond van een andere visie op de verhouding tussen (om het eens kort en bondig te zeggen) ‘Schrift en cultuur’. Douma is van mening, dat de GKV door vrouwen toe te laten in de ambten “aan de cultuur boven de Schrift voorrang geven, in plaats van de Schrift over de cultuur te laten beslissen.” (Afscheid, blz. 23). En daar moeten we het als lezer mee doen. Douma haalt wel verschillende keren aan, dat de GKV in haar diskussie over de vrouw in het ambt en in haar samensprekingen met de NGK uitspreekt, dat we elkaar vinden in de erkenning en de aanvaarding van het gezag van Heilige Schrift. Maar hij gaat inhoudelijk nauwelijks in op de argumenten van de voorstanders voor de vrouw in het ambt. Die argumenten liggen vooral op het vlak van de hermeneutiek – een moeilijk woord voor hoe je de vertaalslag maakt van wat er toen in de Bijbel geschreven is en hoe je dat vandaag in de praktijk toepast. Het enige wat Douma zegt is “dat wij tegen het culturele standpunt in moeten vasthouden aan een rangorde tussen man en vrouw, met consequenties voor het kerkelijk ambt.” (Afscheid, blz. 24). Volgens Douma mogen vrouwen in de maatschappij alle leidinggevende functies bekleden, want dat gebeurde in de Bijbel ook wel. Maar de Bijbel kent geen priesteressen en vrouwelijke oudsten en Jezus stelde geen vrouwen als apostel aan. Punt.

Wat ik jammer vind is, dat Douma niet ingaat op hele integere studies over de positie van de vrouw in de Bijbel en in de culturen van toen. En dat hij ook helemaal niet ingaat op de ontwikkeling van de positie van de vrouw in de maatschappij van vandaag. Het blijft bij een uitspraak, dat “de culturele factor van belang is”, maar “daarmee moeten we niet het hoofd-zijn van de man ontkennen.” (Afscheid, blz. 24). Dat vind ik echt te kort door de bocht. Eigenlijk zegt Douma daarmee, dat wie voor de vrouw in het ambt is, uitspreekt dat man en vrouw volstrekt gelijk zijn. Terwijl volgens mij binnen de GKV er een ontwikkeling is geweest van ‘onderdanigheid’ naar ‘gelijkwaardigheid’. Aan die ontwikkeling heeft ook Douma een belangrijke bijdrage geleverd in de afgelopen 50 jaar. Al was het alleen maar op het maatschappelijke vlak door bv. al in een vroeg stadium voorstander van vrouwelijke raadsleden binnen het GPV (één van de voorlopers van de ChristenUnie) te zijn. Daarin volgden later minder progressieve vrijgemaakten zoals dr. W.G. de Vries, die in 1981 schreef: “Er is geen terrein afgebakend waar de man alleen een roeping of de vrouw alleen een taak zou hebben.” (in de bundel Vrouw en man – een plaatsbepaling, GSEV-reeks, nr. 6, 1983, blz. 6). Toen kwam ook al de opvatting voor, dat dit zou kunnen betekenen, dat mannen en vrouwen overal kunnen worden ingezet binnen het Koninkrijk van God, ook binnen de kerk als ambtsdragers. Nu lijkt dit standpunt breder gedeeld te worden. Maar het wordt door Douma weggezet als “We hebben Paulus tegen” (Afscheid, blz. 27), want die “harde tekst wordt met een eigen hermeneutiek zo zacht gemaakt dat ze onze wens om de vrouwen ambtsdrager te laten worden, niet meer in de weg staat.” (Afscheid, blz. 26). Voor Douma een duidelijk signaal dat de GKV ‘een kerk in verval’ is.

DE REST IS HEIMWEE

Na zijn verantwoording in hoofdstuk 1 en zijn principiële punt in hoofdstuk 2 gaat Douma in op ‘binding aan de belijdenis’ en ‘visie op de kerk’ in hoofdstuk 3. Daarna volgt de invulling van de kerkdienst met steeds meer Opwekking en steeds minder voorlezing van de Tien Geboden en catechismusprediking in hoofstuk 4. En in hoofdstuk 5 gaat het over huwelijk en andere samenlevingsvormen en over homoseksualiteit. Ook daarin is het verval in de GKV zichtbaar. Als ik op deze punten Douma vergelijk met hoe hij er in 2001 in Hoe gaan wij verder? over daDouma - Hoe verdercht, kan ik mij niet aan de indruk onttrekken, dat hij in 2014 de ontwikkelingen betreurt die hij zelf als een van de eersten in gang gezet heeft. In 2001 schreef Douma milder over variaties in de eredienst (bij gezangen “valt niet altijd zo makkelijk aan te tonen … dat het evident in strijd komt met wat de Schrift ons leert.” (Hoe nu verder?, blz. 54) en over de Tien Geboden: “Het is zeer zinvol naar de blijvende wet van God te luisteren … met nieuwtestamentische oren.” (Hoe nu verder?, blz. 132) In 2001 schreef Douma nog dat de kerken voor grote problemen staan als het om seks voor het huwelijk, samenwonen en echtscheiding gaat. “Maar dat is nog wat anders dan de strijd opgeven en … berusten in de nu eenmaal gegroeide situatie.” (Hoe nu verder?, blz. 128) En hij vindt het “weldadig” dat bij echtscheiding kerkeraden hun “herderlijke zorg voor de betrokkenen gestalte geven in troost, bemoediging en vermaan” (Hoe nu verder?, blz. 139) En in 2001 kreeg Douma van een kerkeraad de vraag of een gelovige zuster die lesbisch was en met een zuster uit de gemeente samenwoonde, belijdenis van haar geloof mocht doen. Uit het advies dat hij gaf citeert Douma o.a., “dat als twee homofiel geaarde broeders of zusters wel zijn gaan samenwonen, dit niet zonder meer moet worden afgekeurd en met de kerkelijke tucht bestraft moet worden. Zo zou het onjuist zijn om het samenleven van homofiele broeders en zusters, voor wie het geloof van beslissende betekenis is, in verband te brengen met de (homo)seksuele verwildering die in Genesis 19 en Romeinen 1 ter sprake wordt gebracht.” (Hoe nu verder?, blz. 143) Belangrijk is dan wel, dat de kerkeraad vanuit de Bijbel blijft spreken over homoseksuele relaties blijft spreken en dat deze twee zusters dat ook accepteren. Maar omdat de kerkeraad overtuigd is van de oprechtheid van haar geloof, kan de ene zuster wel belijdenis doen. Douma zegt erbij: “Tot een soortgelijke oplossing is het ook in andere gemeenten gekomen.” (Hoe nu verder?, blz. 144) Maar nu spreekt Douma stellige woorden over een kerk die de norm over het bijbels onderricht met betrekking tot homoseksualiteit aan het veranderen is. Hij gaat helemaal niet in op pastorale afwegingen die kerkeraden individueel maken. Integendeel, hij gooit het allemaal op één grote hoop door te zeggen dat de teneur in de GKV is: “Laten we dan niet moeilijk blijven doen over homoseksualiteit. Onze cultuur is grondig veranderd. We kijken inmiddels toch anders aan tegen de vrouw in het ambt en tegen acceptatie van homoseksualiteit!?” (Afscheid, blz. 67) en dat de GKV hard op weg is een kerk te zijn die “het homoseksueel samenleven als geoorloofde levensstijl in haar midden aanvaardt”, tenzij “de GKV op het laatste moment zich bekeert en haar heilloze weg duidelijk en compromisloos verlaat.” (Afscheid, blz. 168) In mijn ogen zijn dit enigszins ongenuanceerde uitsmijters, waarin ik niet de toon herken die Douma bezigde over het omgaan met homoseksuele broeders en zusters toen hij in de reeks Ethische Bezinning het boek Homofilie publiceerde.

Voor veel van deze onderwerpen geldt, dat Douma in de jaren ‘70, ‘’ 80 en ’90 pleitte voor openheid en tolerantie in plaats van wettische strakheid. Maar in 2014 kan hij de resultaten van die openheid niet meer meemaken en worden alle ontwikkelingen getypeerd als ‘generale trekken van verval’ en ‘het verbleken van het gereformeerde karakter’ omdat binnen de GKV ‘de cultuur boven de Schrift voorrang geven’. Dat zijn grote woorden die volgens mij volstrekt geen recht doen aan de manier waarop het overgrote deel van de plaatselijke GKV-kerken vanuit Gods Woord met al deze onderwerpen bezig zijn.

Dus ben ik geneigd te zeggen: Douma heeft, naast één principieel punt (de vrouw in het ambt op grond van verkeerd Schriftgebruik) vooral heimwee naar de tijd van vroeger, toen verschillende zaken die nu tot grote diversiteit leiden, nog grote uitzondering waren. Dat onderstreept hij zelf door te schrijven, dat verontruste GKV’ers te adviseren: “kies nog niet definitief voor het lidmaatschap van een kerk buiten de GKv of buiten de groep kerken die uit de GKv voortkomen.” (Advies, 79) Daarom kiest Douma voor het tweede nieuw-vrijgemaakte kerkgenootschap. Als je je daar bij voegt, ben je reformerend bezig en ga je, door te breken met de GKV, toch door “in een lijn die ons blijft verbinden aan het moois dat we in Afscheiding, Doleantie en Vrijmaking hebben ontvangen.” (Advies, 79). Wat een andere Douma kom ik hier tegen dan de Douma die in de jaren ’70 al schreef dat de sleutel voor kerkelijke eenheid bij de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk lag en in Hoe nu verder? oproept om serieus werk te maken van eenheid met de CGK en als het enigszins mogelijk is ook de NGK.

HOE MILD IS GROEPERING NUMMER 2?

Douma kiest dus voor de herkenbaarheid van vroeger. In een klein nieuw-vrijgemaakt kerkverband (GKN) waar volgens hem niet gezegd wordt dat de GKV een valse kerk is geworden. Dat zegt het andere kleine nieuw-vrijgemaakte kerkverband (DGK) volgens hem wel, dus bij die “radicale groepering” (Afscheid, blz. 69) wil Douma zich niet voegen. Bovendien zou de DGK zichzelf ‘de enige ware kerk’ in Nederland noemen, en de GKN niet. De toon van de GKN zou dus “duidelijk milder” zijn (Afscheid, blz. 69).

Of deze waarnemingen van Douma kloppen, is voor mij zeer de vraag. Ook de tweede groep nieuw-vrijgemaakten heeft nog geen enkele andere kerkverband als ware kerk erkend. En ze waren ook niet erg mild toen ze de dolerende kerk van Dalfsen met ds. E. Heres (en in het kielzog daarvan de net ontstane nieuw-vrijgemaakte kerk van Assen die zowel de predikanten R. van der Wolf als E. Hoogendoorn en hun eigen oud-predikant E.Heres) het mes op de keel zetten in het maken van een keus voor één van GKN Vaste Rotsbeide nieuw-vrijgemaakte kerkverbanden. Met als gevolg dat de dolerende nieuw-vrijgemaakte kerk van Dalfsen scheurde en dat de nieuw-vrijgemaakten in Assen ds. Heres niet meer hebben toegelaten op hun kansel. En als Douma met nadruk andere verontrusten oproept, geen nieuw kerkverband te stichten, maar aan te sluiten bij een bestaand verband (Afscheid, blz. 73), vraag ik me af: waarom kiest hij dan voor het twééde nieuw-vrijgemaakte kerkverband dat twee ex-GKV-predikanten sinds 2008 hebben opgezet terwijl sinds 2003 al een nieuw-vrijgemaakt kerkverband was?

VAN HARTE GEREFORMEERD – WEDERZIJDS?

Douma heeft met zijn vrouw een gemeente gevonden “waar we ons thuis kunnen voelen”. En dat, terwijl de GKV geen ‘valse kerk’ zijn. Hooguit een kerk ‘in verval’. Vroeger veroordeelden we zulke stappen. Nu stapt iedereen stukken gemakkelijker over. Zelfs Douma. Gelukkig blijft de onderlinge band als christenen bestaan, zegt hij in zijn laatste paragraaf. Dat ben ik met hem eens. En in zijn laatste woorden spreekt hij de hoop uit, dat iedereen mag “proeven dat wij in het spoor van onze Heer en Heiland gereformeerde christenen willen blijven.” Ja, dat proef ik. Maar proeft Douma dat ook nog bij mij en vele anderen, die van harte gereformeerd willen zijn in de GKV?

 

Over verontruste vrijgemaakten zie de twee blogs Saul en David – jongerendag en landelijke dag en Over krekeltjes,  korenbloemen en zwart-witte koeien

Over de vrouw in het ambt zie de twee blogs Welke G/geest is er uit de fles?  en  Geestelijke wijsheid i.p.v. ongeduld of afstel bij vrouw in ambt

Rikko nog aan toe, krijg nou de Heek-rambam – vloeken mag en is normaal

Een maand of twee geleden haalde Rikko Voorberg, theoloog, theatermaker, schrijver en columnist aldus Wikipedia, de landelijke pers, omdat hij in NRC Next geschreven had, dat vloeken mag. Het mag als uiting van absolute onmacht over iets heel ergs waarvan je “met heel je hart gelooft dat iets echt niet de bedoeling was en universele verdoemenis behoeft.” Als je er eerst maar echt kapot en stil van geweest bent. Als je er ook maar bij zegt wat er vervloekt moet worden. En als je maar niet een persoon vervloekt, want “het oordeel over het hart van de ander ligt in handen van een ander, de Universele Ander.”

Op 11 november schreef David Heek, theoloog, evangelist en KNVB-scheidsrechter volgens het Nederlands Dagblad, in het Nederlands Dagblad, dat hij “het geheven wijsvingertje van menig gelovige vervloekt”  die iets zegt van gevloek, “terwijl in een gvd en in een Jezuskreet Gods naam niet eens zit.” Want een christen die andere mensen vraagt of stimuleert om uit respekt voor zijn of haar geloof niet of minder te vloeken, doet dat “vanuit een verheven moralistische en ten diepste egocentrische houding”, laat de vloeker “aan zijn religieuze lot over” en voelt zich “met zijn goede gedrag de baas” over hem of haar.

Ik heb begrip voor Rikko’s standpunt. Hij schrijft voor niet-christenen. En hij kaart een thema aan dat echt speelt: er gebeurt zoveel onrecht in de wereld (hij noemt zelf MH17, ISIS, Gaza), dat zelfs wie volstrekt niet in God gelooft, haast zou gaan wensen dat er toch ergens iemand zou moeten zijn in dit universum die dit absolute kwaad kan vergelden. Ik vond en vind dat dit door Rikko op een goede manier werd aangekaart in dé krant voor sekulier Nederland. De oproep om weer “zuiver, rechtgeaard en hartgrondig te leren vloeken” was, denk ik,  aan de andere kant ook maar een soort proefballon en in dat opzicht ook wat onrijp en naief. Dat bleek ook meteen wel uit alle media-aandacht die voor de ludieke kant op ging: ‘Meneer Voorberg, zullen we dit interview dan maar afsluiten door samen welgemeend gvd te zeggen?’ Waar Rikko vervolgens niet aan mee deed.

Maar van David z’n verhaal snap ik helemaal niets. Nou ja, akkoord, als je op een wildvreemde plaats tegen een wildvreemd persoon die vloekt alleen maar zegt: ‘dat hoort niet zo’, loop je het risiko dat ze tegen jou zeggen: “Jullie zitten zeker elke zondag vooraan in de rij in de kerk?” (lees de column ‘Blijde boodschap’ van Kees van Egmond hierover op zijn weblog). Maar daar is bij David geen sprake van. Bij hem geeft een trainer voor de wedstrijd aan, dat zijn team in de wedstrijd niet zal vloeken, omdat hij zijn spelers verteld heeft, dat de scheids ook dominee is. Wat een mooie gelegenheid om daar iets positiefs over te zeggen, zonder geheven wijsvinger, in de trant van: “Bedankt voor het respekt, en ik hoop dat ze het niet alleen voor mij laten.” Maar David zei iets anders tegen de trainer. “Zolang mensen nog niks met God hebben, kan ik begrijpen dat er gevloekt wordt. Ik denk dat iemand zich alleen op grond van een goede levensovertuiging anders dan normaal gaat gedragen.” En de trainer staarde hem “een aantal sekonden verbaasd aan.”

Ik ben net zo verbaasd. Het is zelfs na 24 uur nog niet over. Ik snap het echt niet. Natuurlijk hoef je van mensen die niet in God of Jezus geloven niet te verwachten, dat ze vloeken erg vinden. Maar om het meteen heel normaal te vinden dat mensen die niet gelovig zijn bij elke gemiste kans gefrustreerd gvd roepen en te onpas aan Jezus te laten weten waar ze enorm van balen, dat gaat er bij mij niet in. In het publieke Twittergesprek tussen Kees van Egmond (@KeesvE) en David Heek (@DavidHeek) zegt de laatste, dat het in het derde gebod niet gaat om vloeken, maar om het misbruik van Gods naam door gelovigen die zijn naam kennen en toch God voor hun karretje willen spannen. Dus staat David voor de tien geboden in de kerk, maar niet-gelovigen behandelt hij anders. Kees van Egmond vroeg zich af wat dan het verschil is tussen stelen en vloeken door een niet-christen. En ik zou nog wel eentje kunnen noemen: vreemdgaan. Van alle drie kun je verwachten dat iemand die niet de christelijke normen en waarden deelt, er geen probleem mee heeft. Ik wil ze alle drie uitwerken aan de hand konkrete voorbeelden.

Stelen is normaal: op scholen met veel jongeren van allochtone afkomst heerst de opvatting: “Je jat niet van vrienden, maar van een vreemde mag het wel”. Als je een telefoon gejat hebt, is de moraal: “Dat heb je handig gedaan”  en: “Je bent dom al je bent gepakt”. En als je betrapt wordt geldt: “Als de camera er niet op heeft  gestaan, is het gewoon niet waar.” De leerkracht of de medeleerling is vooringenomen. “Eerlijkheid blijft een lastig artikel. Op een gegeven moment zien wij diefstal als diefstal.” Maar als je het niet kunt bewijzen, is het voor een allochtone jongere niet waar. “Dat is toch wel een bepaald cultuurprobleem hoor.” (citaten uit Hoop voor moslimjongeren – hoofdstuk Een krachtmeting van twee kanten interview met drie directeuren van ‘gekleurde’ scholen – Buijten & Schipperheijn, 2005). Moet je dan tegen zo’n jongere zeggen: ‘Ik begrijp dat je van vreemden steelt, want je hebt nu eenmaal een andere opvatting over mijn en dijn, dus ik ga niet boven je staan door er iets van te zeggen.’

Vreemdgaan is normaal: op de werkvloer ontstaan regelmatig romantische verhoudingen tussen collega’s. Het eindigt vaak in een overspelige relatie en leidt tot echtscheiding. Want, constateerde het sekuliere Dagblad van het Noorden een jaar of vijf geleden al: mensen gaan voor hun eigen geluk en daar dient de partner in belangrijke mate aan bij te dragen. Dus als de klik er niet meer is, is er ook niets meer wat je aan elkaar bindt. En dus is er ook niets meer wat je ervan hoeft te weerhouden om een relatie op de werkvloer aan te gaan. Moet je dan tegen je collega zeggen: ‘Ik begrijp dat je vreemd gaat, want je hebt niks meer met je man of vrouw, dus ik ben de laatste die er iets van zal vinden.’

Vloeken is normaal: in de vier jaren dat ik grensrechter bij het meisjesvoetbal in Nijmegen en Assen ben geweest, wisten de trainers en de ouders en de meiden heel goed dat ik dominee was. In Nijmegen vonden ze het zelfs raar dat ik getrouwd was en vier kinderen had. Maar ze vonden het allemaal heel vanzelfsprekend dat ik het niet prettig vond dat er soms stevig gevloekt werd. De meesten gebruikten ‘God’ en ‘Jezus te’ pas en te onpas als stopwoord. Dat was dus wel behoorlijk ingesleten. Maar bijna iedereen vond het gebruik van de woorden ‘God’ en ‘Jezus’ als gefrusteerde krachtterm en dus meestal vergezeld met de toevoeging ‘Allemachtig’ en ‘Christus’ toch echt te ver gaan. Moest ik dan zeggen: ‘Nou, ik verbaas me er niet over hoor, want  alleen als je in God en Jezus gelooft vind je het normaal om niet te vloeken, dus mij hoor je er niet over.’

In alle drie de situaties geldt volgens mij, dat niet-christenen vanuit hun moraal deze drie geboden van God heel anders interpreteren. Verwacht van een niet-christen geen christelijke levensstijl, las ik bij Tim Keller. Maar dat is toch wat anders, dan dat je je op voorhand neerlegt bij iets wat een ander niet als stelen, vreemdgaan of misbruik van Gods naam ziet? Waarom zou je altijd bang moeten zijn  dat een ander jou als weer zo’n arrogante, zelfverzekerde christen ziet?  Volgens neemt dan bij niet-christenen de verwarring alleen maar toe en het respekt voor christenen evenredig af. Want ze geloven wel in God en in de Tien Geboden en binnen hun kerk spreken ze elkaar er flink op aan als er gevloekt, gestolen of vreemdgegaan wordt, maar daarbuiten vinden ze het allemaal heel begrijpelijk en normaal. Rare jongens, die christenen!

Vloeken DokusVolgens mij hoort het bij de levenshouding van een christen om altijd te zoeken naar de beste manier om Gods naam (inclusief die van Jezus) hoog te houden. Daar hoort ook bij, “dat wij ons ook niet door zwijgen of toelaten aan zulke gruwelijke zonden mee schuldig maken” (Zondag 36 HC). In de prekenserie Tot 10 tellen in geloof heb ik daarover gezegd (zie Stap 03), dat ik te vaak de pijn niet voel en te vaak bang ben voor negatieve reakties. Daarom heb ik Gods Geest hard nodig voor wijsheid en vrijmoedigheid om op een goede, positieve manier het misbruik van Gods naam aan te kaarten.

Toen Jezus aan het kruis gespijkerd werd, zei  Hij luid en duidelijk: ‘Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.’ Het hielp weinig, het spotten ging van alle kanten gewoon door. Op twee (Misdadiger 2 en Centurio) of drie (Simon van Cyrene) na. Zou mijn eerste reaktie dan moeten zijn als ik de mogelijkheid heb om iets van vloeken te zeggen: ‘Ach, het geeft niet, want ze weten niet wat ze doen.’Waar ben ik dan echt bang voor?

Een ZEGEN voor KINDEREN aan het AVONDMAAL

Hoe betrek je de kinderen in de kerk bij het Avondmaal? Eén van de manieren waarop dat in de Gereformeerde Kerk van Assen-Peelo gebeurt is, door de kinderen die mee naar voren komen, in Jezus’ naam te zegenen. In onze gemeente vieren we het Avondmaal regelmatig doordat alle avondmaalsgangers in een lange rij naar voren komen om het brood en de wijn als betrouwbare tekenen van Christus’ lichaam en bloed uit de hand van de predikant en de ouderling te ontvangen en met de mond te genieten (zoals het wat plechtig  in Zondag 28:77 van de Heidelbergse Catechismus staat).

Bij die gaande viering nemen veel ouders hun kinderen mee als ze naar voren komen. Die kinderen krijgen dan ieder persoonlijk van mij een hand op hun voorhoofd. Als ze tenminste niet helemaal achter papa of mama schuil gaan en zelf zo ver mogelijk uit mijn buurt proberen te blijven. “Waarom doe je dat?” hebben verschillende mensen mij al eens gevraagd. “Omdat de kinderen er ook echt bij horen” is dan mijn reactie. In het buitenland is de gaande viering in grotere kerken heel gebruikelijk. Het komt daar regelmatig voor dat ouders dan ook hun kinderen, meestal tot een jaar of tien, mee naar voren nemen. De dominee legt al die kinderen de hand op en zegent hen in de naam van Jezus. Toen ik van dat gebruik hoorde, dacht ik: dat is heel bijbels. We kennen allemaal het verhaal van de ouders die hun kleine kinderen bij Jezus brengen omdat ze graag willen dat Hij hen zegent. De leerlingen vinden dat niet nodig, maar onze Heer zegt nadrukkelijk: ‘Laat de kinderen bij Me komen, houd ze niet tegen!’ (Mk. 10:14) Daarna zegent Hij ze door hen de handen op te leggen.

Bij het Avondmaal deelt Jezus Christus Zichzelf uit in brood en wijn. De volwassen gelovigen die zichzelf kunnen en horen te beproeven (1 Kor. 11:28), mogen het tot versterking van hun geloof vieren. Maar kinderen zijn net zo hartelijk welkom bij Jezus. Ze worden door hun ouders meegenomen naar de zondagse samenkomsten. Ze worden regelmatig aangesproken op hun niveau. Vaak komen ze bij de doop ook naar voren, zodat ze goed kunnen zien wat er gebeurt als de Drie-Enige God zo’n baby’tje door de doop opneemt in zijn verbond. In onze gemeente komen kinderen regelmatig met huAvondmaal kinderen zegenen Jezusn papa en mama mee naar voren bij de viering van het Avondmaal. Van mij krijgen ze dan een hand opgelegd. Niet boven hun hoofd, maar echt op hun hoofd. Dan zegen ik ze in de Naam van Jezus, die ook voor hen de Goede Herder is die zijn leven heeft gegeven voor alle schapen van de kudde, groot en klein. Dat mogen ze zien bij de schaal en bij de beker. Dat mogen ze ook zelf ervaren – nog niet door te eten en te drinken tot zijn gedachtenis, maar wel door zijn zegen te ontvangen door de handoplegging. Ik spreek die zegen meestal zachtjes uit. Soms zelfs helemaal niet. Het gebaar zelf is al veelzeggend genoeg. Als het maar begrepen en uitgelegd wordt. Dat kan op andere momenten en plaatsen. Het is vooral een taak voor papa en mama. Zo is het Avondmaal ook tot versterking van het geloof van de kinderen van de gelovigen. En wat ik zo mooi vind is: het gebeurt steeds vaker in onze gemeente, dat ouders hun kinderen meenemen.

Kinderen aan het Avondmaal?

Misschien is iemand benieuwd naar de vraag: mogen kinderen het Avondmaal ook echt meevieren? Daar ga ik hier geen uitvoerig antwoord op geven. We hebben als Gereformeerde Kerken altijd de lijn gehanteerd: Doop –> Belijdenis –> Avondmaal. En als iemand op latere leeftijd tot geloof komt, is de volgorde Belijdenis –> Doop –> Avondmaal. Die volgorde is volgens mij op grond van de Bijbel de meest logische. Er zijn predikanten (en anderen) in onze kerken, die voor de lijn Doop –> Avondmaal –> Belijdenis kiezen en daarom ook de kinderen van de gemeente willen toelaten aan het Avondmaal. Ik denk dat die lijn vanuit de Bijbel ook te onderbouwen is. Wat bijbels gezien volgens mij niet kan is de lijn Avondmaal –> Belijdenis –> Doop. Tot mijn stomme verbazing merkte ik een tijd geleden, dat dit in sommige evangelische kerken toch praktijk is. Daar worden de kinderen gewoon uitgenodigd om het Avondmaal mee te vieren. Iemand uit zo’n gemeente verdedigde dat met de opmerking: ‘Waar staat in de Bijbel dat er 2009-03 Avondmaaleen leeftijdsgrens aan het Avondmaal verbonden is? Ook kinderen kunnen oprecht geloven dat God van ze houdt en dat Jezus voor hun zonden stierf. En mogen dus het Avondmaal meevieren.’ Jazeker mag dat. Maar dan moet je ook consequent zijn. Als kinderen hun geloof kunnen belijdenis, horen ze allereerst gedoopt worden. Ook daar staat in de Bijbel geen leeftijdsgrens voor. Integendeel, in het Nieuwe Testament worden complete gezinnen gedoopt als een volwassen tot geloof komt en belijdenis doet. Want de Doop is bijbels gezien het teken van de inlijving in de gemeente van Jezus. Daarna geeft Jezus ook nog het Avondmaal: het teken van de onderhouding van de band met Jezus. Wie gelooft en zich laat dopen viert daarna in de christelijke gemeente het Avondmaal met elkaar. Dan wringt het in mij ogen behoorlijk als je zegt: bij ons in de gemeente dopen we geen kinderen, maar we laten ze wel alvast het Avondmaal meevieren. Is het Avondmaal dan niet voor de kinderen bestemd? Nee, nog niet helemaal. Maar gelukkig zijn er genoeg manieren te bedenken om de kinderen toch bij het Avondmaal te betrekken zonder ze toe te laten. Door ze bijvoorbeeld te zegenen in Jezus in Naam en de handen op te leggen!