DE KOFFIE EN HET GLAS – over geloof en vorm en over winkelen op zondag

Waar gebruik je een glazen mok voor? Dat hangt er maar net van af. Is het een antiquarisch pronkstuk, dan zet je ‘m achter in de vitrinekast. Want stel je voor dat ‘ie barst als je er hete koffie in giet of ‘m uit je handen laat vallen. Is het simpel keukengerei, dan drink je er warme koffie uit. En daarna gaat ‘ie gewoon het afwaswater in.

De diskussie over wat een christen wel of niet mag op zondag is weer in alle hevigheid opgelaaid. Aanjager is deze keer dr. George Harinck, hoogleraar aan de VU in Amsterdam en de TU in Kampen. In het Nederlands Dagblad van 3 augustus schreef hij een column met als titel “Op zondag naar de Albert Heijn”. Dat kan binnenkort in zijn woonplaats Amersfoort. Wat moet je daar nou van vinden? George Harinck laat daar zijn mening over horen. Volgens Harinck is onze samenleving de afgelopen 50 jaar behoorlijk veranderd. Het christelijk karakter is in sneltreinvaart uitgeroeid en de verzuiling bestaat niet meer. Veel christenen zien dat als duidelijke tekenen van verval en achteruitgang. Maar zo denkt Harinck er niet over. Hij geeft aan, dat de ontkerkelijking in de jaren ’70 op haar hoogtepunt was. Toen werden christenen in de academische wereld en in het publieke  domein (politiek en Hilversum) nog meewarig aangekeken en buitengesloten. Maar die tijd zijn we voorbij. Nu telt de mening van orthodoxe christenen volop mee, staat godsdienst weer op de publieke agenda en is het niet alleen geaccepteerd, maar wordt het ook gewaardeerd, dat christenen veel opener geworden zijn over hun geloof. Oftewel: de samenleving is veranderd en de christenen met hun gedrag en opvattingen ook. Harinck vindt dat alleen maar winst. ‘Wie nu nog over secularisatie begint heeft de boot gemist. Dat verval-verhaal zijn we voorbij.’ De openstelling van de plaatselijke Appie Happie op zondag is dan ook geen achteruitgang, maar een teken van een veranderde samenleving. En zo’n veranderingen hoef je volgens Harinck niet altijd te vermijden. Dus sluit hij af met de zin: ‘Misschien ga ik zondagmiddag toch even langs Albert Heijn.’

Daar is dr. Wim Dekker, stafmedewerker van de IZB, het totaal niet mee eens. Zijn reaktie in het Nederlands Dagblad van 9 augustus heeft als titel “Christen winkelt niet op zondag”.  Volgens hem is er sprake van groot verval als de samenleving zich losmaakt van Gods heilzame geboden. Juist dan is het de taak van christenen om ‘door alternatief gedrag het besef in de samenleving levend [te] houden dat de Heer de bevrijder is van alle machten die ons binden.’  Zulke idealen moet je niet aan de SP overlaten, want juist dán hebben christenen de boot gemist! Maar haast nog belangrijker vindt Wim Dekker het volgende: het persoonlijke geloof van een christen wordt gedragen door de grotere gemeenschappen van gezin, familie, kerk en school. Dat is allemaal aan het wegvallen in onze samenleving.  Het christelijk geloof is niet meer dan een ‘niet zo voor de hand liggende optie’ geworden. Volgens Dekker is het daardoor razend moeilijker geworden om vol overtuiging christen te zijn . Want geloven moet je in deze geïndividualiseerde samenleving, die in haar geheel los van God is, nu helemaal alleen doen. En dat valt niet mee. De meeste mensen zwemmen nu eenmaal niet graag tegen de stroom in. Oftewel: er zijn kaders nodig waarbinnen mensen zich tot God bekeren en die hen helpen overtuigd christen te blijven. De instelling van de zondag is zo’n kader, en dat dat betekent volgens Dekker o.a. ‘dat christenen consequent geen winkels op zondag bezoeken.’ Hij beseft daarbij heel goed, dat geloven dieper gaat dan je houden aan die kaders en geboden. Toch sluit hij zijn reactie af met de zin: ‘Laten we niet onderschatten wat het betekent nu deze kaders vandaag wegvallen.’

Toen ik het verhaal van Harinck las, dacht ik: dat is een aardige column over meer openheid, zowel van christenen als voor het christelijk geloof. Maar ik zie niet in Zonder Zondag 01waarom een christen dan ook gelijk zelf op zondag bij de Albert Heijn zo mogen binnenstappen. Dan loop je volgens mij gewoon met de grote meute mee. Bij het verhaal van Dekker heb ik het omgekeerde. Natuurlijk helpen strukturen mensen om christen te worden en te blijven, maar kweek je daar niet een gemakzuchtige naam-christenen mee? Zolang je maar meeloopt in ’t gareel, vind je jezelf een goede christen.

In deze diskussie over wel of niet winkelen op zondag is het voorbeeld van de koffie en het glas ons wel handig, denk ik. Om koffie te drinken heb je een glas nodig. Want vanaf een schoteltje of een plas koffie op het aanrecht gaat het echt een stuk onhandiger. En als het glas lek is, hou je ook niet veel koffie meer over. Om de inhoud (de koffie) op een goede manier tot je te nemen, heb je een geschikte vorm (een glas) nodig.

Zo is het met het christelijk geloof ook. Het gaat om de inhoud: in wie geloof ik? De vorm en de vormgeving van het geloof in God die dankzij zijn Zoon Jezus Christus mijn God en Vader is, is veel minder belangrijk. Toch zijn die vormen wel nodig. Want het geloof komt niemand aanwaaien. Het wordt overgedragen. Van ouders op kinderen. Via mond-op-mond-reclame. Door het voorbeeld van een christelijke levensstijl. Tenminste, volgens mij werkt de Heilige Geest zo als ik de Bijbel goed lees. Vormen zijn dus wel degelijk belangrijk. Een christelijke opvoeding wordt door de HERE meer gezegend dan een ongelovige opvoeding. En er komen meer jongeren tot geloof die van jongs af aan trouw mee naar de kerk gaan, dan jongeren die van hun ouders in het weekend alles mogen, maar nooit een kerk van binnen gezien hebben. Je hebt een glas nodig om koffie te kunnen drinken. Zo heb je kaders nodig om de persoonlijke geloofsovertuiging vorm te kunnen geven. Daarin heeft Wim Dekker beslist gelijk.

Maar nu het risiko. Voor je het weet, ben je zo gehecht aan je eigen koffiemok, dat je uit geen enkel ander glas nog koffie drinken wilt. De vorm wordt belangrijker dan de inhoud. Ik denk dat dat altijd weer het gevaar is van elke christelijke gemeente. ‘Zo zijn onze manieren’ en die manieren hebben hun waarde bewezen, dus zijn het ook de enige manier om het christelijk geloof vorm te geven, zuiver te bewaren en door te geven. Wat er dan gebeurt is dit: het glas wordt een pronkstuk en komt in de vitrinekast te staan. Mijn geloof dat God dankzij zijn Zoon Jezus Christus mijn God en Vader is, wordt van lieverlee een vormengeloof.  De regels worden belangrijker dan de inhoud. En als iedereen diezelfde christelijke normen en waarden deelt, kun je je daar ook lekker achter verschuilen of in meelopen zonder zelf ooit een persoonlijke keus  voor God en Jezus te maken. Dat veilige kader in ons land is in de afgelopen 50 jaar volledig verdwenen (ook al zijn er nog wat van die christelijke enclaves over). Als je echt christen wilt zijn, moet je  kleur bekennen. Ik geef George Harinck beslist gelijk, dat hij dat laatste positief waardeert. In het christelijk geloof hoort inhoud boven de vorm te gaan – en dat besef zijn we wel eens kwijt geraakt.

En toch blijf ik met een vraag zitten. Als de tijden veranderen, moeten alle vormen dan ook overboord? Of als de leus van vandaag is: ‘Ik doe het op mijn manier’, mag je dan nooit meer zeggen, dat één bepaalde manier toch echt het beste overeenkomt met Gods bedoeling? En elkaar dan binnen de christelijke gemeenschap ook aan houden? Natuurlijk mag dat, denk ik aan de ene kant. Want in een glas hou je het best de koffie warm. En met heldere kaders hou het best je eigen en elkaars geloof levend. Maar waar eindigen de kaders, denk ik aan de andere kant. Voor je het weet focussen we ons niet meer samen op God en Jezus , maar schrijven we elkaar de wet voor. En als dat altijd Gods heilzame geboden waren …

Het is in onze tijd belangrijk om elkaar scherp te houden op de inhoud. Misschien hebben we daarom zo’n diskussie over wel of niet winkelen op zondag wel nodig. Want dan wordt de vraag: waarom vindt de een het glas van de zondagsrust zo belangrijk dat wat hem betreft ‘christenen consequent geen winkels op zondag bezoeken’ en waarom vindt de ander het glas van de christelijke vrijheid zo waardevol  dat  hij zegt: ‘Misschien ga ik zondagmiddag toch even langs Albert Heijn’? En samen kom je pas echt verder, als je nadenkt over de vraag die Wim Dekker in zijn artikel stelt: hoe zou God het morgen en overmorgen graag zien? Dekker stelt die vraag trouwens niet, hij geeft die als opdracht voor het stellen van kaders voor kerk, samenleving en persoonlijke christelijke levensstijl. Dat vind ik een prachtige insteek. Maar het is ook een gigantische uitdaging.

Tzondagsrust-smallenslotte: als het om de zondag gaat, denk ik dat we als christenen die dag beter kunnen heiligen door zoveel mogelijk te laten waar we zes dagen in de week alle gelegenheid voor hebben, en te doen voor ons geloofsleven waar we zo vaak de andere zes dagen in de week niet aan toekomen. Oftewel: op zondag ga ik liever voor een AH-erlebnis naar de kerk dan voor het AH-gevoel naar de supermarkt. Zelfs als de koffie op is of het glas gebroken.

Tenslotte, met dank aan mijn zwager René: http://www.youtube.com/watch?v=ogweL4E24ok

OP BERGEN EN IN DALEN – JA OVERAL IS GOD!

We zijn weer terug op de basis. Twee weken lang heerlijk ontspannen in Wallis – Zwitserland, vlak bij de indrukwekkende Aletschgletsjer. Voor de geïnteresseerde lezer: we zaten in het skidorp Bel-Alp, op dik 2000 meter hoogte in één van de twee 6-persoons-chalets van www.huisjeindealpen.nl.

Vaak is mij Psalm 121 door de gedachten geschoten: Ik sla mijn ogen op naar de bergen, van waar komt mijn hulp? Mijn hulp is van de HERE die hemel en aarde gemaakt heeft. 

Met die eerste woorden kun je twee Aletschgletscherkanten op. Volgens sommigen zingen de pelgrims naar Jeruzalem deze Psalm als blijk van hun vertrouwen op God. De bergen zijn gevaarlijke bergen, omdat daar het gevaar op de loer ligt: brutale roversbenden die de pelgrims kunnen overvallen of vijandelijke legers die Israel onder de voet willen lopen. Dan heb het wel nodig om je vertrouwen op de HERE, je God, te stellen! Anderen zeggen dat de pelgrims onderweg onder de indruk komen van de grootheid van Gods schepping. Zie je die prachtige bergen? En in de verte (het hangt er maar vanaf aan welke flank je loopt) aan de ene kant de Middellandse Zee en aan de andere kant de Jordaanvallei? Prachtig! Dat is het werk van de HERE die hemel en aarde gemaakt heeft. Wat ben ik blij dat ik Hem mag kennen als mijn Helper!

Ik denk dat de eerste uitleg wel het meest voor de hand ligt.

Maar op vakantie – waar je ook zit, maar zeker als je in de bergen rondbanjert, komen de gedachten aan Gods majesteit en pracht in de schepping heel sterk naar voren.  In de bergen ervaar je Gods grootheid en ook een stukje van zijn ontoegankelijkheid. En je leert jezelf kennen als een klein mensje. Daarmee leert de HERE mij weer een extra stuk bescheidenheid. We denken dat we als mensen zoveel kunnen. En dat is ook zo. De creatieve water-omleidingen uit de 13e eeuw én de enorme stuwmeren uit de 20e eeuw vormen het bewijs.

alpenmarmotMaar aan de andere kant is de natuur in de bergen zo OER – daarin verschijn je als klein mensje maar even als een stipje op de helling of op de top of, hangend aan je paraglider, in de lucht. Dan is de mens écht niet iemand om van onder de indruk te raken! De hoge bergtoppen, de immense gletsjers en de kolkende riviertjes in de dalen wijzen ons echt op de grote Schepper van alle dingen: God, onze Vader. Hij is, zegt Psalm 121, je wachter en de schaduw aan je rechterhand. En Hij waakt over je leven en houdt de wacht over je gaan en je komen, van nu tot in eeuwigheid.

Dat is een kwestie van geloof. En ik verbaas me er steeds weer over, dat zoveel mensen dat niet willen inzien en erkennen. Akkoord, dat er Iets is dat groter en meeromvattend is dan wij zijn, een scheppende macht, willen veel mensen nog wel geloven. Maar dat er Iemand is die Hoogstpersoonlijk in mensen en dus ook in jou en mij geïnteresseerd is, daar kun je toch amper in geloven vandaag de dag? De wetenschap kan zoveel verklaren en wat er voor de rest aan onverklaarbaars gebeurt in de schepping door middel van natuurgeweld en ziektes, is zo willekeurig, dat je daar toch zeker niet de hand van een zorgende God in kunt zien?

Al deze vragen kwamen ook aan de orde in een boek dat ik opnieuw gelezen heb in de afgelopen weken. Het is geschreven door Frank Westerman en heet ‘Ararat’. Het eerste hoofdstuk beschrijft dat hij als 11-jarig jongetje in –hoe toevallig!– precies hetzelfde riviertje als waar wij de voorgaande jaren in Oostenrijk zaten (de Ill), meters is meegesleurd omdat bovenaan bij het stuwmeer iemand overdag de sluizen had opengezet om flink wat overtollig smeltwater te lozen. Ternauwernood is hij aan de dood ontsnapt.

Daarna verloor hij zijn geloof. Toen hij in 40 was, ging hij op zoek naar de oorzaak waarom hij zijn geloof in de God van de Bijbel is kwijtgeraakt. Daarom gaat hij de berg Ararat beklimmen. In zijn reisverslag komen allemaal flash-backs terug én gaat hij praten met mensen uit zijn jeugd en tienerjaren. Erg interessant, omdat –alweer: hoe toevallig! – hij zijn jeugd en jonge jaren doorgebracht heeft in Assen. Zijn vader werkte bij de NAM en heeft zijn kinderen eind november 1965 de boortoren ’t Haantje laten zien, die een paar dagen later volledig in de grond verdwenen is. Een ‘geweldige bewaring’ noemt de vrijgemaakte collega van zijn vader het, dat daar geen doden bij gevallen zijn.

Afgrond suonenEn Frank Westerman zat op de Christelijke Scholengemeenschap Assen (nu het Vincent) waar leraren en leerlingen eind jaren ’70 worstelden met de evolutietheorie. Maar geleidelijk aan heeft het ‘geloven in kennis en wetenschap’ het geloof in God helemaal verdrongen. Zijn beklimming van de Ararat, samen met een aantal zoekers naar de ark van Noach, doet hem beseffen, dat hij het kinderlijke geloof en vertrouwen is kwijtgeraakt – maar dat hij er niet zeker van is of hij dat ook echt jammer vindt.

Ik haal dit boek erbij, omdat ik het zo geweldig triest vind, dat hier iemand aan het woord is, die als veertiger (hij is net als ik van 1964) aangeeft dat ál zijn kennissen en vrienden het christelijk geloof volledig zijn kwijtgeraakt. Als hij zijn doopkaart ziet, schrijft hij dat zijn eerste indruk is: ‘een curiosum uit de tijd waar ik nog net het staartje van heb meegemaakt. Ik kende niemand van mijn generatie die zijn kinderen nog liet dopen.’ En als op die doopkaart de tekst uit Jes. 43:1-2 staat (vers 2b: ‘gaat gij door rivieren, zij zullen u niet wegspoelen’) denkt hij meteen terug aan Oostenrijk 1976, toen hij bijna in de Ill was weggespoeld door het losgelaten stuwwater. Is er toch “de Voorzienigheid” om in te geloven? Nee, schrijft hij meteen, dat ‘had toch echt alleen met toeval te maken’ en ‘mijn verstand kon me geruststellen dat Jesaja 43:1-2 een veelgebruikte dooptekst was’, en bij de Titanic waren ook veel gedoopte drenkelingen.

Tegenover zo’n erg interessant en lezenswaardig boek, dat mij ten diepste triest en verdrietig maakt, staat voor ons de mooie ervaring van de zondagse kerkdiensten in de kleine “Evangelisch Reformierte Kirche” – de vorige jaren in Rankweil en de afgelopen weken in Brig. Belalp kerkjeIn de ene plaats (Rankweil – Oostenrijk, zie www.reformiert.at en ook www.ssro.nl) groeit heel langzaam een gemeente met mensen die het houvast voor hun leven bij God hun Schepper en Vader en Jezus hun Redder en Vriend zoeken. In de andere plaats, Brig – Zwitserland, klinkt in een reformierte volkskerk (1000 leden, 25 kerkgangers) nog steeds het Evangelie van Jezus Christus. Zo merk ik op vakantie inderdaad, dat God niet allen op de bergen en in de dalen, maar overal is. Ook in de harten van mensen!

Achter natuur en wetenschap God zien als de Ontwerper en als de Verlosser  – dat maakt het leven waardevol en geeft het leven zin! Dat herinnert me aan de uitdrukking die ik al in Kampen als 1e-jaars uit m’n hoofd moest leren van enkele ouderejaars-studenten:

NATUUR EN GENADE DIE TWEE LIJDEN SCHADE WANNEER MEN DE EENHEID NIET ZIET

O, O – over Opwekking en Organisten

Wilma en Karel waren hier voor overleg over de diensten van de Stille Week en Pasen. Dat leverde het volgende tafereel op. Op haar gebruikelijke, nogal dwingende manier  komt Wilma met een verzameling evangelicaal materiaal aanzetten dat ze met ons gelegenheidskoor wil instuderen. Karel, die bepaald niet onderdoet voor Wilma als het gaat om dwingende omgangsvormen, bestudeert Wilma’s liederen één voor één, langzaam, zwijgend. Terwijl hij dat doet, verdunt zijn mond zich tot een streep. Dan neemt hij het stapeltje liederen opnieuw door, maar nu hardop. Eerst wordt de tekst van ieder afzonderlijk lied genadeloos afgekraakt, vervolgens wordt uitgelegd waarom de melodieën alle basisregels van de muziek beledigen en dus onzingbaar zijn. Bovendien is het orgel niet geschikt om dit uit Amerika overgewaaide materiaal te begeleiden.

‘Dan begeleid je ons toch op de piano,’ oppert Wilma.

‘Nee,’ antwoordt Karel.

‘Waarom niet?’

‘Ik ben organist, geen pianist.’

‘Maakt dat dan zoveel verschil?’

‘Ja.’

‘Weet jij hoe de jeugd ons kerkorgel noemt?’

‘Weet jij hoe ik die evangelische riedels noem?’

‘Ze noemen het een kerkfossiel.’

‘Ik noem het religieuze fastfood. Neem dat liedje over het bloed van Jezus, dat op een swingend polkadeuntje is gezet – je voeten gaan er vanzelf vrolijk van op en neer.’

Als Wilma aanstalten maakt te ontploffen, begint mijn rol. Ik wurm me tussen de kemphanen in, probeer de vrede te stichten.

Karel heeft de beste argumenten, dat is duidelijk, maar het is niet goed wanneer Karel altijd zijn zin krijgt. En Wilma is een schat, ik bewonder haar enorme inzet, haar energie is aanstekelijk. Bovendien: ze ziet haar muzikale activiteiten als een rechtstreeks eerbetoon aan God. Dus heb ik de liederen van Wilma meegenomen en heb ik toegezegd een voorstel te maken waar beide kampen mee kunnen leven.

Uit het dagboek van Erik Gouderak, predikant en marathonloper

(Frans Willem Verbaas, Engelenwoede, blz. 52-53, Uitgeverij Mozaïek, Zoetermeer, z.j.)

 

In de hemel is de Heer – en Colton heeft Jezus daar gezien

Eens komt Jezus terug op de wolken. Dat hebben de engelen bij zijn Hemelvaart aan ons beloofd. En dus ligt er nog een hele toekomst voor ons open. Ook als hier op aarde het leven afloopt. Het leven gaat door. Hierboven en straks als Jezus terug komt.

Over het leven hierboven in de hemel las ik een bijzonder boek. Burpo Jongen hemelHet heeft als titel De jongen die in de hemel was. Een goede kennis leende me dit boek en zei: ‘Ik ben benieuwd wat jij ervan vindt.’ Ik las eerst de achterflap. Daar stond, dat Todd Burpo in dit boek beschrijft wat de vierjarige Colton allemaal in de hemel gezien en gehoord heeft tijdens een te laat ontdekte blindedarmoperatie waarbij hij bijna het leven liet.  Zijn vader heeft het allemaal gecheckt aan de hand van wat er in de Bijbel over de hemel staat, en komt gaandeweg tot de konklusie dat Colton echt in de hemel moet zijn geweest. Daarna heb ik het boek gelezen en ik moet zeggen: het heeft me echt geraakt. De manier waarop een kleuter van vier/vijf jaar onder woorden brengt wat hij gezien heeft stemt echt tot nadenken (in het najaar van 2014 kwam de film uit – lees voor een kritische reaktie mijn blog Heaven is for Real – een oppervlakkige film).

Dat vond ook Todd, de vader van Colton. Hij is een parttime dominee (voor de andere helft heeft hij een montagebedrijf in garagedeuren). Hij checkte alles wat zijn zoontje zei aan de Bijbel, en kon er niet onderuit: tijdens die operatie is zijn zoon echt een tijdje in de hemel geweest. Het eerste wat Colton een paar weken na de operatie vertelt is: ‘Jezus heeft stiften.’ En als zijn vader doorvraagt, bedoelt hij daarmee, dat Jezus volgens hem niet al te netjes met rode stiften gekleurd had, omdat er nog rode vlekken op zijn handpalmen en op de bovenkant van zijn voeten zaten. Ook vertelt Colton dat hij zijn overgrootvader, die 20 jaar voor zijn geboorte overleden was, ontmoet heeft. Die overleed op z’n 61e, maar in de hemel zag hij eruit als een kwieke dertiger, zonder bril en met vleugels, want ‘in de hemel ziet iedereen eruit als een engel, papa. Iedereen heeft vleugels en alle mensen hebben een licht boven hun hoofd.’ En als zijn vader hem vraagt bij wie hij ’s nachts logeerde, zegt Colton, dat het in de hemel nooit donker wordt, maar altijd licht is, omdat God en Jezus de hemel verlichten. Verder zegt hij, dat ‘God eigenlijk drie dingen is’ en dat hij bij de Heilige Geest gezeten heeft. Ook vertelt Colton dat alleen mensen die Jezus in hun hart dragen, in de hemel komen, en herinnert hij zijn vader en moeder er steeds weer aan, dat Jezus echt heel veel van kinderen houdt. Voor zijn ouders is dat aanleiding om het kinderJesus Akiane Kramarikwerk in hun gemeente nog meer te stimuleren. Want als Jezus  ‘de kinderen zo liefhad dat hij zelfs vond dat volwassenen meer als kinderen zouden moeten zijn, dan konden wij ook wel wat meer tijd aan die kinderen besteden’, aldus Coltons vader, Todd Burpo. Hij vertelt ook, dat hij elke keer bij een tekening van Jezus in een kinderbijbel aan Colton vroeg, of dit plaatje ook echt op Jezus leek. Maar ze klopten nooit. Totdat op CNN het verhaal van Akiane Kramarik werd uitgezonden. Die begon als kind van vier jaar ook over de hemel te vertellen en kon toen ze twaalf was, heel goed schilderen. Toen Colton haar portret van Jezus (Prince of Peace: The Resurrection) zag, zei hij: ‘Pap, dat is hem.’

Aan het eind van het boek vertelt vader Burpo, dat ze niet om deze verhalen uit de hemel gevraagd hebben. En de aanleiding ervoor, dat ze hun zoon onder hun handen bijna hadden zien sterven, is voor altijd de keerzijde van deze ervaring. Daar willen ze liever nooit weer doorheen gaan. De hele periode is vooral een aanslag op hun leven geweest. Wel zegt Todd Burpo dat hij nog vrijmoediger geworden om over zijn geloof te praten ‘in een tijd waarin mensen vraagtekens bij het bestaan van God zetten’.

In de laatste regels van het boek vraagt Todd zijn zoon, op het moment dat hij 10 is en het boek bijna af: ‘Colton, wat wil je dat de mensen van jouw verhaal opsteken?’ Zonder aarzelen zegt Colton dan: ‘Ik wil dat ze weten dat ik echt in de hemel was.’

Wat moet je nu met zo’n boek? Het heeft mij aan het denken gezet. Het maakt de hemel voor mij een stuk levensechter. Is dat goed? Of ga ik dan met fantasieën van een kleuter aan de haal? Ik denk dat ervaringen zoals Colton Burpo en ook Akiane Kramarik bevestigen, dat wat God en Jezus in de Bijbel over Zichzelf vertellen, echt de waarheid is. En tegelijk – deze aanvullende ervaringen zullen niemand overtuigen die het niet geloven  wil. Maar ik geloof wel dat Jezus onze Heer werkelijk in de hemel is. En zo’n boek als De jongen die in de hemel was onderstreept dat voor mij.

Ik kwam over Colton en Akiane nog twee informatieve artikelen tegen op een engelstalige weblog:

http://blog.godreports.com/2012/01/for-child-art-prodigy-akiane-jesus-is-for-real/

http://blog.godreports.com/2011/11/for-the-burpo-family-%e2%80%98heaven-is-for-real%e2%80%99/

Saul en David – Jongerendag en Landelijke Dag GKB/NB

“Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden” lees ik in 1 Samuel 18 vers 7.

Zou dat nu ook het verschil zijn op zaterdag 1 juni? Dan komen er tienduizenden jonge christenen bij elkaar in Arnhem op de EO-jongerendag. Een eindje verderop, in Bunschoten, verwachten ze misschien wel een paar duizend vrijgemaakte gereformeerden op de tweede ‘Landelijke Dag’ die door www.gereformeerdekerkblijven.nl (verder afgekort als GKB) en het blad Nader Bekeken (officieel: de Stichting Woord en Wereld) georganiseerd wordt.

De link tussen deze twee events wordt gevormd door Rikko Voorberg. Hij is spreker op de EO-jongerendag en werd op de eerste Landelijk Dag op 29 september 2012 aangehaald om de zorgelijke ontwikkelingen in de GKV te typeren: “Wat vanuit de Schrift wordt aangedragen wordt even geparkeerd omdat eigen drijfveren eerst lijken te komen.” (citaat site GKB).

Tegelijk is Rikko als kerkplanter en pastor betrokken bij het gemeentestichtingsproject Stroom in Amsterdam. Die gemeenschap bestaat uit ‘creatieve lichtanarchistische, open minded, überkritische Amsterdammers’ die soms ‘verrassend geïnteresserd in het verhaal van de Bijbel’ zijn, maar weinig tot niets hebben met de bestaande kerk. Over hoe je dan toch mensen bereikt met ‘het verhaal van Jezus’ en of een kerkdienst met preek daarvoor ook in de totaal andere setting van Stroom een geschikt instrument voor is – daarover voeren vader en zoon Voorberg een publieke maildiskussie in het combinummer van de Reformatie / Opbouw van 26-10-2012.

Persoonlijk moet ik zeggen, dat ik onder de indruk ben van hoe er gewerkt wordt en wat er bereikt wordt in Stroom. Als je ziet hoe het deze pioniers lukt om openingen voor het Evangelie van Jezus Christus te creëren waar het ons als gevestigde kerken niet lukt, ben ik de Geest meer dan dankbaar voor de diversiteit waarmee Hij werkt. Ik weet wel dat er veel kritiek op Stroom is. De website GKB staat er vol van. De verontrusting over de ongereformeerde manier waarop men in Amsterdam met onze kerkelijke quota omging was zo groot, dat er zelfs een handtekeningenaktie op gang kwam tegen toelating van Stroom als bijzondere zendingsgemeente binnen de GKV. Want ze hebben daar vrouwen in het leiderschapsteam en kiezen niet exclusief voor de kinderdoop. En daarmee is de toon voor het hele kerkverband gezet, tenminste volgens de medewerkers aan de website GKB en de organisatoren van de Landelijke Dagen.

Ik denk daar totaal anders over. Missionaire projekten zoals Stroom verdienen alle credits en vooral heel veel gebed. Je moet je maar geroepen voelen en durven om het Evangelie van Jezus Christus in zo’n totaal ont-christelijkte stedelijke omgeving te brengen! Mag de manier waarop het evangelie daar gebracht wordt dan ook vooral aansluiten op de eigen omgeving en niet een slap aftreksel zijn van hoe wij het hier in Assen in de gevestigde kerken al jaren lang doen? Bekijk eens het fantastische filmpje uit de serie

City to City Europe Churchplanting  over Stroom-Amsterdam via http://www.youtube.com/watch?v=qaGl6VgTUsU&list=PL99FE082350F6D44E&index=5 (ook na te kijken via de gemiste uitzendingen van de ZvK).

Wat zie je dan? Hoe een baby in een oude zinken wasteil door de mannelijke voorganger  gedoopt wordt in een samenkomst op, lijkt het, de tweede verdieping van zo’n oud Amsterdams grachtenhuis. Prachtig, denk ik dan. En zo gaat het in kerkelijk Assen niet gebeuren, weet ik meteen ook. Maar dat geeft niet. In twee werelden werkt de Geest van Jezus Christus op twee manieren aan het ene doel: het behoud van mensen door de enige naam op aarde die mensen redding biedt.

Toen ik deze maand weer over Stroom las, vielen mij twee dingen op. Allereerst: ook daar weten mensen heel goed (en misschien nog wel beter) wat zonde is. In het ND van 4 mei 2013 vertelde Rikko Voorberg dat men in Stroom op een avond het Onze Vader mocht herschrijven. Alles werd veranderd, behalve het zinnetje ‘vergeef ons onze schulden’. Tot verbazing der beschouwers. Het geeft aan, dat ieder mens beseft, dat hij zondig is, en dat we allemaal het evangelie nodig hebben. Het tweede wat mij opviel was, dat men ook in Stroom heel goed beseft dat het christelijk geloof niet vrijblijvend is. Rikko Voorberg zegt in EO-Visie 22, dat Stroom in een overgangsjaar zit.  Vanaf september beginnen ze met een kerkje. En hij roept ook de jongeren op de EO-jongerendag op om niet te wachten tot volgend jaar om God ervaren, maar daar ook werk van te maken in de dagen en weken en maanden ná zo’n fantastisch evenement.

Hetzelfde stond ook in het hoofdcommentaar ‘Massaal en eenvoudig’ van Sjirk Kuijper in het Nederlands Dagblad van 18 mei, de zaterdag voor Pinksteren. Fijn dat er zulke massa-evenementen zijn als de EO-jongerendag, stond daar. Dat is goed voor je geloof. Daarmee maak je samen de naam van God en Jezus groot. Maar na Pinksteren bouwden de 3.000 nieuwe gelovigen geen megakerk. Nee, ze ontmoeten elkaar thuis als broers en zussen in de Heer. Conclusie, aldus het ND:  “Wie met Pinksteren viert hoe royaal de Geest is uitgegoten, klaagt daarna niet over de eenvoud thuis.”  Inderdaad, want in de eigen, vaak kleine kring van christenen, met al hun vaak kleine eigenaardigheden, vindt wel de strukturele persoonlijke geloofsversterking plaats.

Tenslotte nog even over de EO Jongerendag en Landelijke Dag.

In Bunschoten zie je op 1 juni toch wel vooral bezorgde, vrijgemaakte broeders en zusters. Ik snap die zorgen wel, maar deel ze niet. Ik vind één van de kopjes in het hoofdreferaat van de eerste Landelijke Dag typerend: Altijd strijd, altijd vreugde. Ik zou het beslist omgekeerd formuleren. Er is bij mij veel vreugde en dankbaarheid voor wat ik aan geloof in onze kerken en daarbuiten zie. Dat daar ook veel vrijblijvendheid bij zit, geeft mij soms reden tot zorg.

Maar ik wil die zorg niet organiseren, zoals nu wel gebeurt. Wat dat betreft spijt het mij geducht, dat Nader Bekeken nu mede-organisator van deze Landelijke Dagen is geworden. Een kerkelijk blad vertegenwoordigt volgens mij namelijk een bepaalde stroming binnen de kerken. Maar nu maakt Nader Bekeken zich tot spreekbuis van een bepaalde stroming binnen onze kerken. Daarmee hebben we er een partijblad bij. Dát vind ik nu zorgelijk.

In Arnhem zie je vooral blije jongeren in een blije christelijke sfeer. Of ze allemaal voor de geloofsinhoud komen waag ik te betwijfelen. In de EO-visie 20 kon je de ‘jongerendag-test’ doen. Bij de vraag: ‘Wat ga je doen als de hoofdspreker Rikko Voorberg op het podium komt?’  kreeg je 1 punt voor het antwoord: ‘M’n pen en notitieboekje erbij pakken’ en 4 punten voor het antwoord: ‘Tijd om even ergens met vriendinnen te gaan pauzeren’. Maar dit laat onverlet, dat de EO-jongerendag voor veel jongeren wel hetzelfde effekt heeft als de jeugdmeetings en schooldagen voor GKV-leden in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw.

En wat Saul en David hier nu mee te maken hebben? Niet meer dan dat Bunschoten waarschijnlijk de 1000 niet haalt en Arnhem met gemak de 10.000. Verder gaat elke vergelijking mank, want de kracht van het geloof zit ‘m niet in de aantallen, toch?

 

 

JC in Klazienaveen

Vandaag, 24 mei 2013, staat er een merkwaardig bericht op blz. 3 van het Dagblad van het Noorden. Klazienaveners krijgen postkaarten van ‘JC’ kopt het lijfblad van vele Groningers en Drenthen. Wat blijkt? Meer dan tien inwoners van dit Drentse dorp hebben één of meerdere ansichtkaarten ontvangen met op de achterkant een Bijbeltekst en de initialen J.C. eronder. “Waarschijnlijk is er sprake van iemand die uit naam van Jezus deze kaarten verstuurt”, denkt de journalist van het DvhN. Opvallend vond ik wel, dat in het hele artikel niet uitgelegd wordt dat de letter C. voor Christus staat. Aan het eind trekt de journalist de conclusie, dat de religieuze kaartenschrijver waarschijnlijk via het telefoonboek aan de adressen komt. Hij of zij gebruik namelijk nooit voornamen, maar alleen de voorletters + achternaam.

Ik dacJezus-c-miniht bij dit bericht meteen: zou de anonieme kaartenstuurder een  fan zijn van Reinier Sonneveld? In 2005 schreef Reinier namelijk het vierkante, knal-groen gekleurde bijbels dagboek met de titel Jezus©. De vlot geschreven stukjes n.a.v. een Bijbeltekst (die je zelf moet opzoeken en lezen) zijn speciaal voor jongeren bestemd, maar voor iedereen goed leesbaar.

Eén van de bijzonderheden aan Jezus© is, dat Reinier een aantal krantenberichten heeft opgenomen uit de categorie ‘STREEKNIEUWS’. En waar gaat het dan over? Over het optreden van ene Jan C. uit Klazienaveen. Elke week verschijnt er wel weer een nieuw bericht over deze man in de krant. Het eerste bericht begon als volgt:

KLAZIENAVEEN – Een bruiloft afgelopen weekend in Klazienaveen heeft een onverklaarbare wending gekregen. Een van de gaste, Jan C., haalde een truc uit waardoor de ceremoniemeester plotseling zo’n 2200 flesjes bier in zijn schuurtje vond. 

Wat er vooraf en daarna gebeurde, kun je lezen in het streeknieuws op blz. 7 van het dagboek. Daarna volgen stukjes met als kop Is de koning onder ons?’; Schandaal!; Timmerman blijkt goochelaar; Jan C. kondigt nieuwe wereldorde aan; Jan C. wegens terrorisme op elektrische stoel; Grafroof Jan C.; Jan C.-fans ‘ontstellend stug’; Jan de Punk (uit het Klazienavener Kolommetje) en tenslotte “En Jan C.-fans, waar blijft die nieuwe wereldorde?”

Ik vind het bericht in het Dagblad van het Noorden over J.C. in Klazienaveen zo treffend aansluiten bij deze prachtige nieuwsberichten uit het boekje van Reinier Sonneveld, dat is het niet kan laten het hier op mijn weblog even te melden. Juist anonieme kaarten van J.C. aan willekeurige bewoners in Klazienaveen!

In vuur en vlam!

Kerkdienst GKV Assen-Peelo op Pinksteren via Radio 5

ASSEN-PEELin-vuur-en-vlamO – Pinksteren is voor de meeste Nederlanders gewoon een extra lang weekend vrij, zegt ds. Ernst Leeftink van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) in Assen-Peelo.

Meestal weet men nog wel dat er met Kerst een Kindje geboren is met de naam Jezus. Maar dat christenen rond Goede Vrijdag en Pasen zijn kruisiging en opstanding vieren, is bij veel mensen al stukken minder bekend, laat staan dat men nog weet waar het met Pinksteren over gaat?

Van oorsprong is Pinksteren een christelijk feest. Vijftig dagen nadat Jezus Christus is opgestaan, kregen de eerste christenen plotseling de Geest, letterlijk en figuurlijk. Ze werden enthousiast gelovig. Wie zette hen in vuur en vlam? En waar lopen wij vandaag warm voor?20121125ra Assen Peelo foto ds. Ernst Leeftink (5)

Op Pinksterzondag 19 mei gaat de dominee van Assen-Peelo hier verder op in.

Deze kerkdienst wordt vanaf 17.02 uitgezonden door Zendtijd voor Kerken op Radio 5 via 747 AM of op de kabel 96.8 MHz.

Nieuwe Liedboek nu al met Psalmen en al overnemen?

Op zaterdag 25 mei wordt het nieuwe Liedboek gepresenteerd. Het heeft als ondertitel meegekregen: zingen en bidden in huis en kerk. Wat gaan onze kerken (de GKV) met deze bundel doen? Ik hoor al om me heen het pleidooi om het hele nieuwe Liedboek, inclusief de psalmen, meteen na 25 mei in te voeren. Dan zeg ik: liever niet.

Als GKV-predikanten hebben we in november 2012 een introductie op het nieuwe Liedboek gekregen door Pieter Endedijk. Hij is kerkmusicus en predikant in de PKN, maar de afgelopen jaren voor zover ik begrepen heb fulltime aangesteld als coördinator voor het nieuwe Liedboek. Zijn presentatie maakte mij, door wat hij ervan vertelde én liet horen, enthousiast voor het nieuwe Liedboek.

Het blad ‘De Reformatie’ (www.dereformatie.nl) heeft op  2 mei jl. een themanummer aan het nieuwe Liedboek gewijd. Daarin schrijft Jetze Baas een informatie artikel over het nieuwe Liedboek. Lees het, zou ik zeggen, en je bent goed op de hoogte van alle ins, outs en achtergronden.

Aan het eind van zijn artikel geeft Jetze Baas een dubbele uitsmijter aan de lezer mee. Hij schrijft namelijk, dat hij het achter zeer te betreuren vindt, dat wij als GKV sinds 1984 een eigen kerkboek met psalmen en gezangen hebben, omdat we toen, 40 jaar terug, tegen het Liedboek waren.  En daarom komt hij tot het voorstel:  “Ik zou ervoor willen pleiten, vooruitlopend op de synode van 2014, om dit Liedboek in  zijn geheel te aanvaarden.”

Over deze dubbelklapper wil ik graag mijn mening kwijt, zeker omdat De Reformatie van dit item z’n ‘Stelling van de week’ gemaakt heeft: Laat plaatselijke kerken zelf beoordelen of ze het Liedboek gaan gebruiken in de eredienst of niet.  Iedereen wordt opgeroepen daarop te reageren.

1a  Vooruitlopend op de synode van 2014 het nieuwe Liedboek gaan gebruiken?

Wat mij betreft: nee, liever niet.  Waar hebben we het namelijk over? Over een periode van 9 maanden! Want dat is de tijd tussen de feestelijke presentatie van het Liedboek (eind mei 2013) en de start van de Generale Synode van Ede (februari 2014).

De landelijke Deputaten Liturgie en Kerkmuziek hebben de opdracht gekregen om met een doordacht voorstel te komen over het gebruik van het nieuwe Liedboek. We zijn weliswaar al jaren als GKV waarnemer bij het nieuwe Liedboek, de indrukken zijn overwegend positief en de tendens is aanvaarding van de bundel.  Maar deputaten hebben ook de opdracht gekregen om te kijken of er wellicht nog een aanvulling nodig is omdat een aantal gezangen uit onze gereformeerde traditie of een aantal kinderliederen en opwekkingsliederen die de afgelopen jaren furore hebben gemaakt, niet in het nieuwe Liedboek staan.

Laten we de afwegingen en de voorstellen van deputaten rustig afwachten. Als her en der kerken gewoon hun gang gaan, ontstaat er nog meer liturgische verwarring. Het is veel verstandiger om na een officieel landelijk besluit plaatselijk het Liedboek in te voeren. Zo is dat met de Nieuwe Bijbelvertaling en het nieuwe Gereformeerde Kerkboek in 2005 ook gegaan.

1b  Het nieuwe Liedboek met Psalmen en al aanvaarden?

Wat mij betreft: ik zou haast zeggen, zijn we nu helemaal gek geworden? De psalmen van het Liedboek zijn nog gedateerder dan de psalmen van ons Gereformeerd Kerkboek! De psalmen in het nieuwe Liedboek zijn allemaal ongewijzigd uit het oude Liedboek overgenomen. Ze dateren dus allemaal van de jaren ’50 en’60 van de vorige eeuw.

In de jaren ’80 kregen wij toestemming van het Liedboek om een selectie van hun psalmen in ons Gereformeerd Kerkboek op te nemen. Door deputaten en de synode is toen besloten om op kwaliteit te selecteren. Gevolg: 48 van de 150 psalmen in ons kerkboek komen uit het Liedboek. Die waren dus beter dan de berijmingen van andere, goede psalmendichters.  Maar bij de andere 102 psalmen is voor een betere en mooiere berijming gekozen.  En dat is, ook al valt over smaak te twisten, vaak terecht geweest. Bij begrafenissen en samenkomsten vergelijk altijd de verschillende versies met elkaar en meestal kom ik bij het Gereformeerd Kerkboek uit. Ik ga hier niet met voorbeelden strooien, maar noem slechts Psalm 33, Psalm 87 en Psalm 100.

We willen toch niet, omdat er een nieuw  Liedboek met prachtige gezangen komt, ook weer die  archaïsche psalmen van het Liedboek die in de jaren ’80 van de vorige eeuw al als ouderwets beschouwd werden, opeens in 2014 gaan invoeren? Dat is, als het om de psalmen gaat, pas echt terug naar de jaren vijftig en zestig!

Daar komt nog iets bij: we hebben nu 40 jaar lang de psalmen uit het Gereformeerd Kerkboek gezongen. Die zijn als psalm van de week op school door iedereen in de leeftijd tussen de 4 en 40 geleerd. Als we nu teruggaan naar een achterhaalde berijming, wordt er over 10 jaar óf geen psalm meer gezongen óf komt er alsnog een roep om een nieuwe psalmberijming.  Dat laatste lijkt me beslist geen verkeerd idee. Maar dan moet het niet zo gaan als in de jaren ’70 van de vorige eeuw. Toen moest er 10 jaar lang uit een ‘proefbundel’ gezongen worden die uiteindelijk grotendeels niet werd ingevoerd. Daardoor kan een hele generatie gelovigen (die van mijn leeftijd) geen enkele psalm uit z’n hoofd zingen zonder drie verschillende versies door elkaar te halen.

Bovendien zou ik graag een vernieuwd Gereformeerd Kerkboek willen uitgeven. Er is zeker behoefte aan een aktueel kerkboek waarin, naast de psalmen en de gezangen die niet in het nieuwe Liedboek staan, ook de belijdenisgeschriften en de nieuwe liturgische formulieren een plaats krijgen.  Wat mij betreft neemt de Generale Synode van 2014 dus een dubbelbesluit: voor de gezangen nemen we het nieuwe Liedboek en we werken aan een nieuw Gereformeerd Kerkboek met de bestaande psalmen, een aantal aanvullende gezangen en een compleet overzicht van alle belijdenisgeschriften en liturgische formulieren.

Tenslotte, en dat is mijn laatste argument om niet de psalmen van het Liedboek over te nemen: we hebben sinds we als kerken meedoen met het nieuwe Liedboek, het altijd alleen maar over het aanvaarden van de gezangen gehad. Er is dus niet eens een opdracht om ook de psalmen eventueel over te nemen. Als dat nu wel gebeurt, voorzie ik ook op het punt van de psalmen een lichte chaos ontstaan. Dan zingen we straks twee berijmingen door elkaar. Leuk hoor, die plaatselijke vrijheid, maar mag het ook nog een beetje helder zijn voor iedereen dat je in een andere vrijgemaakte kerk ongeveer nog hetzelfde zingt?

De Reformatie heeft in zijn themanummer op de voorkant staan: Zing voor de Heer een nieuw lied. Precies! Ik wil graag alle gezangen van het nieuwe Liedboek, maar zonder al die verouderde psalmen.

EEN EIGEN WEBSITE

Al een poosje liep ik met het idee in mijn hoofd om een eigen website te beginnen, met daarop de preken en artikelen die ik heb gemaakt. En vandaag is het dan eindelijk zover! Op deze site kun je binnenkort preken in verschillende categorieen (OT, NT en Heidelbergse Catechismus) en artikelen voor verschillende media vinden.

Groeten,
Ernst