Wie noemt zichzelf ‘de Roos van Saron’?

In de Bijbel geven God en Jezus Zichzelf vele namen en titels. Onlangs noemde de Christelijke Gereformeerde predikant W.L. van der Staaij onze Heer Jezus Christus de Roos van Saron.  Hij deed dat in  de openingstoespraak van de Haamstedeconferentie 2023 die van 28-30 augustus gehouden werd. Het ging over de vrijmoedigheid van het geloof, vanuit Handelingen 4 en dan met name vers 13:  “Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, (…) kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren.” Het was een mooie opening van de conferentie. Goede Bijbeluitleg met een aktuele toepassing naar vandaag toe. En dat alles in een bevindelijk taalkleed. Ergens halverwege (rond minuut 19:00) kwam opeens de Roos van Saron om de hoek kijken, toen Van der Staaij zijn toehoorders de vrijmoedigheid van de apostelen voorhield:  

“Is dat het wat ons drijft? Dat wij ook niet kunnen laten om te spreken wat wij, ja, eerst in de binnenkamer hebben gezien, hebben gehoord, boven het Woord van God gebogen. En dat die Roos van Saron, die heerlijke geur, ons leven mag doortrekken, dat het te ruiken is: ze zijn met Jezus geweest. Waardoor je vrijmoedig en vastberaden dat Woord mag doorgeven. Ja, het werkt dus wat uit, die omgang met de Here Jezus.”

Ik dacht: die typering van Christus hoor ik niet zo vaak in mijn vrolijk-orthodox-gereformeerde omgeving, dus laat ik eens kijken waar die vandaan komt. Nou, dat was vlug gevonden. In Hooglied 2:1 staat: ‘Ik ben een roos van Saron, een lelie der dalen.’ De bloem die SV, de HSV en de BGT vertalen met ‘roos’ wordt in de NV51 en de GNB met ‘narcis’ vertaald en in de NBV en de NBV21 met ‘lelie’.

Nu is het Hooglied een door de Heilige Geest geïnspireerd bijbelboek waarin de liefde tussen een jongen en een meisje prachtig bezongen wordt. Volgens een bepaalde uitleg gaat het daarbij niet zozeer om de menselijke liefde, maar om de liefde tussen Jezus Christus als Bruidegom en de christelijke kerk als zijn bruid. De opstellers van de Statenvertaling uit 1637 hangen die vergeestelijkende uitleg aan. Ook de Herziene Statenvertaling van 2010 kiest voor deze uitleg. In de HSV staat in de marge telkens ‘zij’ en ‘Hij’ om aan te geven dat de ene keer de kerk als Bruid van Christus aan het woord is en de andere keer de Bruidegom – Christus Zelf.

De vraag is nu: wie zegt er in Hooglied 2: 1 van zichzelf: Ik ben een roos van Saron, een lelie der dalen.’ In sommige bevindelijke christelijke kringen is de Roos van Saron een geliefde aanduiding voor onze Heer Jezus Christus. Een mooi voorbeeld daarvan is de bekende Engelse baptistenpredikant Charles H. Spurgeon. In een overdenking uit zijn dagboek schrijft hij over de roos van Saron: 

“Dit de schoonste en zeldzaamste roos. Jezus is niet slechts een roos, maar een roos van Saron, evenals Hij, zijn gerechtigheid vergelijkende bij ‘goud’ er bijvoegt: ‘het goud van Ophir,’ het allerbeste (…), en het huis vervullende met een liefelijke geur. (…) Gezegende roos, bloei eeuwig in mijn hart!”

HET MEISJE NOEMT ZICHZELF EEN ROOS VAN SARON

Maar wat blijkt? Volgens zowel de Statenvertaling als de Herziene Statenvertaling is het niet de jongen dit van zichzelf zegt, maar is hier het meisje aan het woord! Het gaat het dus, als je Hooglied geestelijk opvat, niet over Christus Zelf, maar over zijn Bruid – de kerk.

De auteurs van de Statenvertaling zeggen in de Kanttekeningen, dat volgens sommigen hier de Bruidegom spreekt, maar zelf kiezen ze nadrukkelijk voor andere optie:

“Overmits hier gesproken wordt van de roos, wassende in de velden van Saron, en van de leliën in de dalen (…), zoo schijnt het dat hiermede wordt te kennen gegeven dat de kerk van Christus verdrukking onderworpen is, gelijk de bloemen des velds van ieder, die daar voorbijgaat, lichtelijk afgeplukt en van de beesten vertreden en afgebeten worden. Deze zin blijkt de rechte te zijn uit vs. 2.”

In de Herziene Statenvertaling staat in de marge van dit vers niet ‘Hij’, maar ‘zij’. Oftewel: de kerk van Christus tooit zichzelf met de titels ‘een roos van Saron’ en ‘een lelie der dalen’.

Nu zegt dit niet alles. De Herziene Statenvertaling houdt in een noot de optie open dat hier (net als in de twee verzen eraan vooraf) ‘Hij´ aan het woord is. En volgens een reformatorische collega noemen de kanttekeningen beide opties, dus is het heel legitiem om Christus de Roos van Saron te noemen die met zijn heerlijke geur het leven van zijn volgelingen doortrekt.

GEVOEL MAG DE UITLEG NIET BEPALEN

Maar zo gemakkelijk kun je je er volgens mij niet van afmaken. En wel om twee redenen. Allereerst: veel christenen die graag de typering van Christus als de Roos van Saron gebruiken, zijn van mening dat de mannen die de Statenvertaling hebben opgesteld door de Heilige Geest geleid zijn. Daarom vinden ze alle andere vertalingen tot aan de HSV aan toe minder bijbelgetrouw. Volgens hen moet je ook de kanttekeningen als integraal onderdeel van de Statenvertaling zeer serieus nemen. Als dat jouw opvatting is, kun je volgens mij niet opeens zeggen: ‘Ook al kiezen de Statenvertalers heel bewust voor de uitleg dat in Hooglied 2:1 het meisje aan het woord is en geven ze nadrukkelijk aan dat het hier om de kerk van Christus gaat die als een roos in het open veld en een lelie in het open dal aan allerlei verdrukking onderworpen is – toch kiezen wij, omdat wij zo gehecht zijn aan de geliefde bevindelijke typering dat Christus als Bruidegom voor zijn kerk als bruid de Roos van Saron, voor de andere interpretatie die de Statenvertaling wel als mogelijkheid noemt, maar zeer onwaarschijnlijk acht. Dat is volgens mij een erg mensgerichte manier van bijbellezen: de exegese / uitleg van Gods Woord wordt bepaald door het gevoel dat de lezer bij de tekst heeft.

SCHRIFT MET SCHRIFT VERGELIJKEN

Dat brengt mij bij de tweede reden waarom je volgens mij,  wanneer je Hooglied strikt op Christus en zijn kerk toepast, de uitdrukking ‘een roos van Saron’ niet op Jezus kunt toepassen. Je moet als exegeet altijd kijken in welk verband een woord of een passage staat. Nu komt de uitdrukking ‘een roos van Saron’ verder niet voor in Hooglied en ook niet in de rest van de Bijbel (alleen in Jesaja 35:1+2 komen ‘roos’ en ‘de Saron’ in hetzelfde verband voor, namelijk dat de woestijn weer in bloei zal staan als een roos -vs. 1- en er zo prachtig zal uitzien als de Libanon, de Karmel en de Saron). Maar de lelie, de tweede bloem waarmee het meisje zich in Hooglied 2:1 vergelijkt, staat nog zeven keer in het hele boek Hooglied: de lelie. Daarvan gaat het drie keer om de lelie als beeldende taal voor iets moois (4:5 – uw beide borsten, 5:13 – zijn lippen, 7:2 – uw buik). Maar de andere vier keer is het de jongen die zijn meisje een lelie noemt. Ik citeer ze alle vier uit de Statenvertaling

In Hooglied 2:1 zegt het meisje: “Ik ben eene roos van Saron, eene lelie der dalen.” Meteen reageert de jongen door in Hooglied 2:2 met de woorden: “Gelijk eene lelie onder de doornen, alzoo is mijne vriendin onder de dochteren.” De kanttekeningen zeggen, dat het hier over de ware kerk gaat.

In Hooglied 2:16 zegt het meisje: “Mijn liefste is mijn, en ik de zijne, die weidt onder de leliën.” De kanttekeningen zeggen hier, dat de lelies ‘het gezelschap der godzaligen’ is.

In Hooglied 6:2 zegt het meisje:  “Mijn liefste is afgegaan in zijnen hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven en om de leliën te verzamelen.” De kanttekeningen zeggen over dat laatste: ‘om tot zich te vergaderen zijn uitverkoren volk, hetwelk vergeleken wordt bij de leliën onder de doornen.’

En in Hooglied 6:3 zegt het meisje opnieuw: “Ik ben mijns liefsten, en mijn liefste is mijn, die onder de leliën weidt.” Hier zeggen de kanttekeningen dat de lelies een beeld zijn van ‘een overvloedige, lustige weide, tot verkwikking en tot eeuwigen troost zijner schapen.’

PAS OP VOOR KLANKEXEGESE

Uit dit vergelijkend Bijbelonderzoek blijkt duidelijk, dat in Hooglied het beeld van de lelie nooit voor de jongen gebruikt wordt. Dan is het onwaarschijnlijk dat in Hooglied 2:1 de jongen aan het woord is en zichzelf een roos van Saron en een lelie der dalen noemt. Zeker als meteen daarop in vers 2 de jongen exact hetzelfde woord voor lelie gebruikt en zijn meisje zo noemt.

Hetzelfde geldt voor Hooglied 1:16. Daar zet de HSV, net als 2:1, zonder uitleg in de marge een * met onderaan: ‘zij – Of: Hij’. Alleen maar, vermoed ik, om tegemoet te komen aan lezers dieRoos van Saronvanuit geliefd bevindelijk taalgebruik op Christus willen laten slaan. Maar in 1:16 zegt het meisje ‘Mijn Liefste’. Dat woord wordt in heel Hooglied 31x gebruikt en is dan altijd een aanduiding van de Bruidegom. Dat geldt ook voor 1:16. Nu zegt in de HSV ook de Bruidegom 1x ‘liefste’ tegen zijn bruid, nl. in Hooglied 7:6. Maar daar staat een ander Hebreeuws woord dan voor ‘mijn liefste’, en volgens de Statenvertaling en veel bijbeluitleggers (COT / POT) betekent het eerder ‘liefde’ dan ‘liefste’.

Als dan ook nog eens de kanttekeningen van de voor veel reformatorische christenen meest bijbelgetrouwe Nederlandse vertaling (zowel letterlijk als qua eerbied voor Gods Woord) telkens de lelie op het meisje = de kerk als Bruid van Christus betrekken, en de lelies op de uitverkoren gelovigen, kun je als bijbelgetrouwe exegeet moeilijk anders dan erkennen, dat in Hooglied 2:1 het meisje aan het woord is en zichzelf vergelijkt met een geurige roos die staat te schitteren in de vlakte van Saron en een lelie die prachtig in bloei staat in een lieflijk beekdal.

Volgens mij is het dan niet logisch om te zeggen dat Jezus Christus onze Heer de meest voortreffelijke Roos van Saron is die ons leven met zijn heerlijke geur wil doortrekken. Dat is een vorm van klank-exegese: op het gevoel af een bijbelse term op de verkeerde Persoon toepassen.

WEES ALS KERK VAN CHRISTUS EEN WELRIEKENDE ROOS VAN SARON

Je zou beter kunnen benadrukken dat christenen persoonlijk en de christelijke kerk er alles aan moeten doen om, geheiligd door de Heilige Geest, als een Roos van Saron de lieflijke geur van het Evangelie te verspreiden. Dat past ook nog eens bij de vergelijking die Paulus in 2 Korintiërs 2:15+16 maakt: “Wij zijn voor God een aangename geur van Christus, onder hen die gered worden (…) een levensgeur, die leidt tot het leven.” Christenen en kerken die goed bekend staan verspreiden een heerlijke geur. Ze ruiken net zo lekker als een Saron-roos.

Wanneer is iemand een BIJBELGETROUW christen?

Op 11 juni noemde ik op Twitter Rick Warren ‘een bijbelgetrouwe theoloog’. Dit naar aanleiding van zijn ruiterlijk excuus tegenover alle vrouwen  die hij jarenlang heeft uitgesloten om als voorganger het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen.

Daarop vroeg collega Gertjan van Harten (@hardgras) mij: “Wanneer ben je een bijbelgetrouw theoloog en wie beslist dat?”

Ik antwoordde hem: “Het criterium is voor mij: Jezus als Verlosser en niet alleen als Voorbeeld.”

Hij reageerde daar weer op met: “Het gaat mij erom dat het etiket ‘bijbelgetrouw’ fungeert als een keurmerk. Wie mag zo’n keurmerk geven? En wat zijn de criteria (of wat is het criterium) voor dit keurmerk? Niet flauw bedoeld, maar kun je bijbelgetrouw en hermeneutiek los van elkaar zien? Dus bv. bijbelgetrouw zijn en tegelijk slavernij verdedigen?”

Mijn korte reaktie daarop was: “Zolang ons kennen beperkt is, zullen christenen per periode en cultuur bepaalde items verschillend interpreteren. En zullen wie Jezus niet als Verlosser erkennen het op die items soms/vaak beter zien.”

Een dag later, op 12 juni, gaf Willem Ouweneel in het Nederlands Dagblad aan, dat iemand een orthodox christen is wanneer “hij gelooft in de lichamelijke opstanding van Christus. Dat is een simpele toetssteen. Gewoon rechtstreeks: wat de apostelen gepredikt hebben in Handelingen 2 tot 5: Christus is werkelijk opgestaan.” Over andere punten, zoals de plaats van de vrouw of de omgang met homo’s kun je verschillen, vindt Ouweneel, maar ‘de opstanding van Christus ziet hij als breekpunt’, aldus het ND-artikel (dat op papier de kop had: ‘Ouweneel: Bijbel is vaak minder zwart-wit dan wij denken’, maar op internet de wat eenzijdige kop: ‘Willen Ouweneel waarschuwt kerken die duidelijke grenzen stellen’).

Dat leverde het volgende kommentaar op van collega Evert Overeem (@dsDiederik): “Wie heeft Ouweneel als toetser-met-categorische-vragen aangesteld?”

Daar reageerde Gertjan van Harten als volgt op: Dit raakt mijn vraag aan @ds_Ernst. Hij noemde Rick Warren een bijbelgetrouw theoloog. Wanneer ben je bijbelgetrouw? En wie beslist dat?”

Mijn antwoord daarop was: “Ik kan mij wel goed vinden in deze ‘Ouweneel-toetssteen. Wie de lichamelijk opstanding van onze Heer Jezus ontkent, is geen bijbelgetrouw theoloog. En wie dat bepaalt? Ik denk de communis opinio van de gezamenlijke wereldkerk.”

Daarop stelde Gertjan opnieuw zijn prangende vraag: “Je kunt dus iemand die de lichamelijke opstanding van Jezus belijdt, maar tegelijk ook de slavernij verdedigt, bijbelgetrouw noemen? Ik bedoel dit echt niet flauw, maar het woord ‘bijbelgetrouw’ triggert me.”

En, het lijkt op een herhaling van zetten, antwoordde ik hem opnieuw: “Bijbelgetrouw begint met de fysiek opgestane Christus als fundament (1 Kor. 15). Qua ethische standpunten zullen christenen per periode en cultuur bepaalde items verschillend interpreteren. Ook zullen wie Jezus niet als Verlosser erkennen het op dat soort items vaak beter zien.”

Tot zover de diskussie op Twitter. Maar ik wil het graag nog iets uitwerken, want het is een terecht vraag: wanneer mag je iemand een bijbelgetrouw (mijn woorden) orthodox (Ouweneels typering) noemen?

OP WELK FUNDAMENT STA JE?

Ik snap het punt van Gertjan wel: iemand die met de mond belijdt dat Jezus voor onze zonden is gestorven en door God is opgewekt uit de dood, maar er allerlei andere meningen en/of een levensstijl op na houdt die beslist niet christelijk zijn, kun je toch moeilijk een bijbelgetrouw christen noemen?

Toch denk ik, dat je echt een onderscheid moet maken tussen het fundament waarop je staat of zegt te staan als het om je levensovertuiging gaat, en over wat je daarna als consequentie van die overtuiging als standpunten inneemt.

De basale, fundamentele overtuiging van het hele Nieuwe Testament is volgens mij, dat Jezus voor onze zonden is gestorven en na drie dagen weer is opgestaan en zijn Heilige Geest heeft uitgedeeld opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.

Jezus zegt dat Zelf volgens zijn vier biografen. Het is volgens Lukas de terugkerende boodschap van Petrus, Stefanus en Paulus in het boek Handelingen. Het wordt voortdurend onderstreept in de brieven van Paulus, Petrus en Johannes.

Als dan iemand zegt, of het nu subtiel of choquerend is, dat je die opstanding niet al te letterlijk opvatten, want ik geloof niet in ‘een goocheltruuk met beenderen’, is er geen gezamenlijke basis meer waarop we elkaar kunnen aanspreken. Zo iemand is dan voor mij geen ‘bijbelgetrouwe christen’. Want, zegt Paulus, in 1 Korintiërs 3 en 1 Korintiërs 15: het fundament van uw geloof is Jezus Christus die hoogstpersoonlijk voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, en is verschenen aan meer dan 500 broeders en zusters tegelijk, daarna aan alle apostelen en op het laatst ook aan mij. En hij zegt er nadrukkelijk bij: Als Christus niet is opgewekt, is uw geloof nutteloos, bent u nog een gevangene van uw zonden en worden de doden die Christus toebehoren, niet gered. Als wij voor alleen voor dit leven op Christus hopen, zijn wij de beklagenswaardigste mensen die er zijn.

Nu zijn er veel mensen die zich door het voorbeeld van Jezus laten inspireren en zich daarom ook ‘christen’ noemen. En er zijn mensen die alles wat Paulus over Jezus zegt voor waar aannemen, maar er verder niet naar leven. Ook zij noemen zich ‘christen’. Dat maakt het er allemaal natuurlijk niet gemakkelijker op om te bepalen wanneer je iemand een ‘bijbelgetrouwe / orthodoxe christen’ mag noemen.

BIJBELGETROUW: JEZUS ALS VERLOSSER

Zelf vind ik het onderscheid tussen Jezus als Verlosser en Jezus als Voorbeeld een goed criterium.

Met iemand die Jezus alleen maar als Voorbeeld en Inspiratiebron ziet kan ik op allerlei ethische punten net zo goed samenwerken als met iemand die zich door Mohammed, Mahatma Gandhi of Nelson Mandela of Wubbo Ockels laat inspireren. Maar ik voel daarbij geen geloofsverwantschap. Hooguit snap ik hem of haar beter omdat we dezelfde culturele achtergrond delen.

Omgekeerd: als iemand die Jezus voluit als opgestane Heer en Verlosser erkent, maar bv. een totaal andere visie heeft dan ik op bv. slavernij (het voorbeeld van Gertjan vind ik wat gedateerd; vandaag denk ik eerder aan zeer uiteenlopende standpunten over vrouwen, homo’s, migranten, klimaat, evolutie etc.), dan kunnen we vanuit hetzelfde fundament daarover met elkaar stevig doorspreken. Dan kan het zijn dat onze meningen echt zo ver uit elkaar lopen dat ik mij afvraag of die ander misschien alleen maar in naam belijdt dat Jezus zijn of haar Redder is. Maar zolang iemand zich daar op laat aanspreken, zou ik niet snel tegen hem of haar zeggen: ‘jij bent geen bijbelgetrouwe christen.’ Er zijn grenzen. Maar die trek je samen als kerk (zoals bv. in 1936 over de NSB en in 1986 in Zuid-Afrika over de apartheid) en niet door persoonlijk elkaar te cancellen als bijbelgetrouw christen.

Bij de typering ‘bijbelgetrouw christen’ gaat het dus over de vraag: hoe kijk jij tegen Jezus aan? Wie Hem niet als Verlosser ziet, is niet trouw aan de bijbelse boodschap, ook al zijn veel van zijn of haar opvattingen geheel in de stijl van Jezus.

Wie Hem wel als Verlosser ziet, maar dat verder op geen enkele manier laat blijken, heeft een dood geloof volgens Jakobus, de broer van Jezus.

Daartussenin kom je volgelingen van Jezus tegen die Hem echt als Verlosser én Voorbeeld zien. Bijbelgetrouwe christenen dus, die Hem met vallen en opstaan volgen en het dus vaak met elkaar oneens zijn als het om de christelijke leer of de christelijke levensstijl gaat. Maar waar je wel de diepe verbondenheid en verwondering proeft dat Gods liefde en verlangen om mensen te redden zo ver gaat, dat Hij zijn eigen Zoon daarvoor liet sterven én opstaan.