God maakte een stofje en zag het met plezier miljarden jaren groeien

Waarschijnlijk ben ik een simpele gelovige. Of hebben we jarenlang onze kinderen opgevoed met een volstrekt verkeerd beeld van hoe God de wereld gemaakt heeft? Want waarom moet nu in een spannend jeugdboek uitgelegd worden dat de evolutietheorie gewoon klopt en dat je daar als christen helemaal geen problemen mee hoeft te hebben?

Evolutie aap naar mensCorien Oranje, de bekende kinderboekenschrijfster, en Cees Dekker, de christenwetenschapper die in Nederland de gedachte van het heelal als een ‘Intelligent Ontwerp’ heeft geïntroduceerd, hebben de handen ineengeslagen. Samen hebben ze een kinderboek geschreven waarin ze duidelijk maken, dat de aarde 4,54 miljard jaar oud is, dat alle leven zich vanaf zo’n 3 miljard geleidelijk uit één cel ontwikkeld heeft, en dat je tegelijk in een persoonlijke God kunt geloven. In het ND van vrijdag 18 september 2015 (klik hier) geven de schrijvers aan, hoe ze dit precies bedoelen. Volgens Cees Dekker is het verschil tussen mensen en dieren het punt van religie. Alleen wij zijn door God geroepen om een liefdesrelatie met Hem aan te gaan. Volgens Corien Oranje moet je God zien als de Maker van een stofje waar het hele universum al in zat. Daarna zag Hij met plezier hoe zo’n 4,5 miljard jaar geleden de aarde zich ontwikkelde en kon Hij 4 miljard jaar later eindelijk een relatie aangaan met de mensen die toen ontstonden. Ongelooflijk, dat Hij dat zo bedacht, gemaakt en geleid heeft. Beluister hoe de Amerikaanse CRC-predikant Leonard J. Vander Zee dit beargumenteert in zijn lezing op de “Evolution & Christian Faith Conference” die de BioLogos Foundation van 30 juni t/m 2 juli 2015 in Grand Rapids organiseerde. Vanaf ongeveer minuut 32.00 vertelt hij het scheppingsverhaal opnieuw, maar nu in rapport met onze tijd.

Ik ben waarschijnlijk een simpele gelovige. Bovendien ben ik geen evolutiebioloog. Maar zou deze redenering wetenschappelijk gezien nu echt het meest geloofwaardig overkomen? Ik heb het boek van Corien en Cees nog niet gelezen, dus ik weet niet met welke verklaring zij komen over het moment waarop God in de mens de kennis van geloven, liefde, kunst en moreel besef gelegd heeft (om me even te beperken tot deze vier punten die volgens mijn mensen van dieren onderscheiden). Ik weet wel dat G. van den Brink en C. van der Kooi in hun Christelijke Dogmatiek (op blz. 278) het aannemelijk vinden, dat toen de eerste 5.000 à  10.000 mensen op aarde ontstaan waren, zij als mensheid een primitief moreel besef gehad moeten hebben, waarbij ze zich (hoe vaag ook) bewust waren van goed en kwaad in het licht van Gods gebod, maar dat ze er desondanks voor kozen om zich te laten leiden door dierlijke driften in plaats van Gods bedoeling en roeping met hen.

Evolutie LoesjeZet nu deze twee theorieën eens tegenover de bijbelse theorie over het ontstaan van de wereld en het ontstaan van de mensheid. En vraag dan een geleerde die niet gelovig is, welke theorie hij op wetenschappelijke gronden de minst grote onzin vindt. Zou hij dan zeggen:  een God die een stofje maakt en dat in 4,5 miljard jaar laat doorgroeien tot een oneindig heelal en een planeet met levende wezens erop? Ik denk eerder dat hij zou zeggen: er bestaat helemaal geen God, maar als er een God is, zou die in één keer kunnen doen waar volgens de wetenschap 4,5 miljard jaar voor nodig is. En als het om het ontstaan van de mensheid gaat, zou zo’n ongelovige geleerde de gedachte aan een aparte schepping van de mens, biologisch gezien aansluitend op de principes van zoogdieren, maar met een morele gerichtheid op God en het kunnen genieten van zijn schepping volgens mij aannemelijker achten dan dat die God, als Hij zou bestaan, ergens halverwege het ontwikkelingsproces van de mensaapachtigen in een select groepje van zo’n 10.000 personen het moreel besef van goed en kwaad heeft gelegd.

Ik ben waarschijnlijk een simpele gelovige. Als God in de Bijbel wonderen doet die wetenschappelijk absoluut niet te verklaren zijn (en dat doet Hij!), zou Hij dat dan aan het begin van schepping niet hebben kunnen doen? Wat ik bedoel is dit. In de wetenschap worden deeltjesversnellers gebruikt. Daarmee worden processen versneld. Wat is er nou zo raar aan de gedachte dat God bij het begin van de schepping in sneltreinvaart al die processen er door gejaagd heeft, waarvan wij op grond van onze wetenschappelijke verklaringen achteraf zeggen, dat het 4,5 miljard jaar geduurd heeft? En waar menselijke processen om deeltjes versneld bij elkaar te brengen vaak tot desastreuze gevolgen als atoombommen en radioaktieve straling leidt, leidt heel dat versnellingsproces van God in zes dagen tot het predikaat ‘zeer goed’. Of het precies zes dagen van 24 uur geweest zijn, dat is voor mij bijzaak. EO-voorman Henk Binnendijk zei jaren geleden al eens, dat zes dagen aan de lange kant is voor een machtige God die maar hoeft te spreken en het is er.

Evolutie VisjeIk ben waarschijnlijk een simpele gelovige. Dus ik heb ook niets tegen de evolutietheorie als wetenschappelijke werkhypothese. Het zal vast wel kloppen dat de aarde wetenschappelijk gezien bijna 4,5 miljard jaar oud is. Toen God Adam uit stof vormde en hem levensadem in de neus blies, zag Adam prachtige bomen, hoge bergen en allemaal volwassen dieren. Schrander als hij was (en anders had hij zo’n 900 jaar om erover na te denken) besefte hij dat die 250 cirkeltjes van een omgehakte boom jaarringen waren, dat die beesten die hij op zijn eerste levensdag zag, een aantal jaren oud waren en dat die rotsblokken en het ijzer, het koper en het goud die hij er later in ontdekte miljoenen jaren nodig hadden gehad om zich te ontwikkelen tot rots, ijzer, koper en goud. En toen hij aan het eind van zijn eerste levensdag in een diepe slaap viel en daarna naast Eva wakker werd, wist hij meteen: dit is mijn vrouw op haar mooist, ook qua ideale leeftijd. Net geschapen, één dag uit, maar beslist geen baby.

Het probleem bij veel wetenschappers en mensen die graag op de wetenschap afgaan om God buiten de deur te houden is niet de vraag, wanneer God ingrijpt in het scheppingsproces. Men ontkent gewoon ronduit dat God bestaat en kan ingrijpen. Als je dan een ander ‘ingrijp-moment’ neemt dan het Genesis-verhaal, moet je wel met een geloofwaardig alternatief komen. ‘God schiep een stofje en keek er miljarden jaren met plezier naar hoe het zich allemaal ontwikkelde’ is voor mij geen geloofwaardig alternatief. ‘God legde een vorm van moreel besef in een groep mensaapachtigen die vervolgens toch hun eigen gang  gingen’ is voor mij ook geen geloofwaardig alternatief. Voor wetenschappers niet en voor christenen niet. Dus ik snap niet waarom het nu opeens hoognodig tijd is dat er een kinderboek komt om uit te leggen dat de wetenschappelijk menselijke hypothese over hoe de wereld ontstaan is, opeens ook voor God moet gelden. Maar dat komt omdat ik waarschijnlijk een simpele gelovige ben.

Dit is deel één van een drieluik over dit onderwerp:
21/09/2015  God maakte een stofje en zag het met plezier miljarden jaren groeien
26/09/2015  Een goed christelijk gesprek over schepping en evolutie – kan dat?
30/09/2015  Een geloofwaardige versie 2.0 van het scheppingsverhaal? 
Verder schreef ik op 01/12/2015  En zo werd de mensaap beeld van God?

Het ‘wij-gevoel’ bij de opening van “Het Noorderlicht” in Assen-Peelo

Openingsceremonie Het Noorderlicht-002Assen-Peelo is een kerkgebouw rijker. Of, beter gezegd: eindelijk heeft ook Assen-Peelo een kerkgebouw in de wijk. Tot voor kort had iedereen het over “de oude bieb”. Nu staat in Assen-Peelo “Het Noorderlicht”.  Officieel geopend op vrijdag 4 september 2015, open huis op zaterdag 5 september 2015 en de eerste diensten op zondag 6 september 2015. In één van de preken heb ik gezegd, dat je de gedaantewisseling van de oude bibliotheek in Peelo naar het nieuwe kerkgebouw Het Noorderlicht met recht “een ware metamorfose” kunt noemen. 

Die metamorfose van bieb tot kerk is een mooi beeld van hoe het met mensen gaat die God en Jezus hebben leren kennen. Die maken ook een ware gedaantewisseling door. Maar dan meer van binnen. Want als je God echt hebt leren kennen als je hemelse Vader, dankzij alles wat Jezus voor jou gedaan heeft, dan is geloven geen theorie of een zondags kunstje. Dan word je een ander mens. Dan voel je je herboren. En hoe dichter je je met God en Jezus verbonden voelt, hoe duidelijker die metamorfose wordt. In de Bijbel kom je minstens twee keer tegen, hoe zo’n verandering ook echt zichtbaar wordt. In het Oude Testament lees je in over Mozes die in de Sinaï-woestijn op de berg Horeb van God de Tien Geboden ontvangt en ook de komplete instruktie over de bouw van de tabernakel en de hele offerdienst. Elke keer als hij Glow in the dark gezichtterugkomt, heeft zijn gezicht zo’n stralende glans, dat hij een doek voor zijn gezicht moet doen omdat de Israelieten er niet tegen kunnen. Het verhaal is te lezen in Exodus 34:29-35. In het Nieuwe Testament lees je over Jezus die op weg is naar Jeruzalem. Als enige weet Hij wat Hem daar wacht. Hij zal er sterven aan het kruis om zo de straf voor de zonden van alle mensen op zich te nemen. Geen makkelijke weg dus, integendeel. Daarom krijgt Hij op een hele bijzondere manier een geweldige bemoediging. Hij ontmoet op een berg Mozes en Elia. Daarbij ondergaat Jezus een ware metamorfose. Zijn gezicht verandert en zijn kleren worden zo wit als het helderste licht. Het verhaal is te lezen in Markus 9:2-8. Het Grieks gebruikt voor deze gedaanteverwisseling van Jezus het woord ‘metamorfose’ . Verder komt het woord ‘metamorfose’ nog twee keer voor in het Nieuwe Testament. In Romeinen 12:2 en in 2 Korintiërs 3:18. In die tweede brief van Paulus aan de christelijke gemeenschap in Korinte verwijst hij  naar de hemelse glans op het gezicht van Mozes. Die verdween op een gegeven moment weer, zegt Paulus. En de hemelse lichtshow met Jezus, Mozes en Elia op de berg was, nadat God gesproken had, ook zomaar weer verdwenen. Die buitenkant, zegt Paulus, daar gaat het niet om. Maar als je tot geloof komt, ja, telkens als iemand gaat geloven in Jezus Christus de Heer, dan komt er een hemelse glans in je leven. En die glans, die met Christus gekomen is, zit van binnen. Dat is het werk van Gods Heilige Geest. Dan voel je je vrij. Niet meer onzeker – zou God wel bestaan? Niet meer angstig – heb ik wel goed genoeg geleefd? Nee, dan voel je je vrij! Omdat je weet: ik mag bij God horen! Jezus Christus heeft mij gered en mij in de vrijheid gezet! Ik geloof! Als Paulus dat aan de christenen in Korinte verteld heeft, zegt hij:

Wij christenen zijn dus vrij. Wij hebben geen doek voor ons gezicht. Onze gezichten laten iets zien van de hemelse glans van de Heer. Want wij veranderen in nieuwe mensen, wij gaan steeds meer lijken op onze hemelse Heer. Daar zorgt de Heilige Geest voor.

Paulus zegt hier, dat christenen mensen zijn die iets hebben wat andere mensen missen. Maar niet omdat ze uit zichzelf zulke geweldige mensen zijn. Integendeel. Christenen kun je vergelijken met een reflector. Die geven uit zichzelf helemaal geen licht. Ze geven alleen maar de glans van ander licht door. En zo mag iedere christen iets laten van de hemelse glans van de Heer Jezus Christus. Je mag de glorie van Christus reflecteren. Want als je in Jezus gelooft, dan zie je iets in Hem. Hij is de Zoon van God. Hij is het! Mensen komen onder de indruk van Hem. Ik wel tenminste. Hij heeft mij te pakken met zijn liefde. Daarmee neemt Hij mijn angst en schuld en schaamte weg. Hij pakt mij ook in met zijn waarheid. Tegenover Hem hoef ik mij niet langer beter voor te doen dan ik ben en mijn Locatie het noorderlicht-002maskers op te houden. En Hij pakt mij vast met kracht. Want door Hem krijgt mijn leven weer zin en openen zich geweldige perspektieven. Liefde – waarheid – kracht. Dat mogen christenen samen reflecteren. Waarom? Nou, zodat andere mensen het merken, dat een leven met God en Jezus zin heeft. God Zelf kunnen we niet zien. En Jezus is teruggekeerd naar de hemel. Maar op aarde lopen wel volgelingen van Christus rond. Ook hier in Peelo heb je honderden christenen. De vraag is: wat zien andere mensen daar van? Wat zien ze aan mij? Zien ze iets van de glans van God? Merken ze iets van die metamorfose, waar Jezus zorgt? Komen ze erachter, dat die mensen van de kerk iets hebben wat toch wel heel bijzonder is?

Die metamorfose, zegt Paulus, is een proces. Christenen zijn nog steeds geen volmaakte mensen. En de hemel op aarde … dat zal pas gebeuren als Jezus terugkomt op de wolken.  En die metamorfose is niet een prestatie die je als christen uit jezelf haalt. Iemand anders, Jezus Zelf, is onze motivatie. Met en door zijn Geest wil Hij ons telkens weer inspireren. Daarvoor komen christenen ook bij elkaar. Paulus zegt niet: ‘ik weerspiegel de glorie van de Heer.’ Hij heeft het over: ‘wij christenen’. Mensen moeten het kunnen zien dat christenen op een fijne manier met elkaar omgaan. Juist in onze tijd, waarin er zoveel Dikke-Ikke’s  zijn, hebben we dat wij-gevoel zo nodig. Daar hunkeren mensen naar: een gemeenschap van mensen die omzien naar elkaar en openstaan voor iedereen. Als dat lukt, zegt Paulus in een andere brief, aan de christenen van Filippi, hoofdstuk 2:15

Dan vallen jullie op tussen alle slechte en oneerlijke mensen als sterren die schitteren in de nacht.

Dat is een mooie en tegelijk ook pittige opdracht. Een christelijke gemeenschap die in een ‘Dikke-Ikke-tijd’ gaat voor het ‘wij-gevoel’ door steeds meer te gaan lijken op Jezus, onze Heer in de hemel. Bij de opening van ons nieuwe kerkgebouw “Het Noorderlicht” en in de bijna twee jaar ervoor heb ik dat geestelijke ‘wij-gevoel’ duidelijk ervaren. Glow in the darkEn ik niet alleen. Heel de wijk Peelo heeft het opgemerkt. De kunst is nu, om dat gevoel vast te houden. Om ook met een eigen kerkgebouw iets te laten van de hemelse glans van onze Heer. Als kinderen van één Vader. Met hoofd en hart en handen. Door te blijven vragen of de Heilige Geest op ons wil blijven inwerken.

 

De collagefoto’s ‘Opening Noorderlicht’ en ‘van bieb tot kerk’ zijn van de hand van Philip Roorda

KOM ERBIJ, JE BENT WELKOM! – nog een keer over gemengde verkering

prikkeldraad‘Gemengde verkering’ schuurt als prikkeldraad was de titel van mijn vorige blog. Het artikel zelf zorgde ook wel voor wat jeuk bij sommige lezers (zie de reaktie van een gewaardeerde Asser PKN-collega). Vooral, omdat ik na het citeren van een aantal bijbelteksten met een tamelijk korte konklusie eindig over hoe je vandaag de dag met “hij gelooft, zij niet” moet omgaan. Namelijk: zij komt tot geloof of hij verbreekt de relatie. Is zo’n advies in onze cultuur van vandaag de dag nog wel realistisch? Moet je niet eerder pastoraal met ‘gemengde relaties’ omgaan dan er met Bijbelteksten bovenop te zitten?

In deze vervolgblog wil ik wat meer de pastorale insteek kiezen. Maar dan wel met twee opmerkingen vooraf.

Eerlijk bijbellezen

Allereerst hangt het er maar vanaf op welke manier je bijbelteksten citeert. Ik dacht dat ik een vrij compleet totaalbeeld gegeven heb van hoe gelovigen in het jaar 2000 voor Christus (Abraham en Isaak), 1500 jaar voor Christus (Mozes en Jozua), 1000 jaar voor Christus (Salomo), 500 jaar voor Christus (Ezra en Nehemia) en 50 na Christus (Paulus) gehandeld en gesproken hebben over ‘gemengde relaties’. Volgens mij kun je geen andere conclusie trekken, dan dat men door de eeuwen heen in totaal verschillende culturele omstandigheden altijd van mening was, dat iemand die echt in God en Jezus (de komende en gekomen Messias), geen relatie aan mag gaan met iemand die dat niet gelooft. Zou onze westerse samenleving dan opeens op geen enkele manier te vergelijken zijn met al die verschillende culturele situaties in de Bijbel, zodat we geen duidelijke conclusies voor vandaag meer kunnen trekken als het om dit onderwerp gaat? Dat geloof ik niet.

Elkaar respectvol behandelen

In de tweede plaats is het een gave om iemand de indruk te geven dat je hem of haar als persoon volledig accepteert, terwijl je het met zijn of haar standpunten volstrekt oneens bent. Veel vaker leidt een verschil van mening ook tot een breuk in de vriendschap. Iemand die ergens fundamenteel anders over denkt dan ik, deugt ook als persoon al snel niet in mijn ogen. Iemand die altijd de persoon bleef accepteren, ook al was Hij het helemaal niet eens met iemands keuzes of levensstijl was Jezus. Het is echt onvoorstelbaar hoe bijna iedereen zich bij Hem zich als persoon gewaardeerd voelde. En dat, terwijl Jezus nergens om heen draaide.

Wij zijn Jezus niet

Als het om ‘gemengde verkering’ gaat, vind ik dit vaak een pittig pastoraal probleem. Want als je met de Bijbel open hierover iemand een advies geeft, maak je met je ene hand een stopteken: NIET AAN BEGINNEN. Dat is de inhoudelijke kant van het onderwerp: je bent niet blij met het feit dat iemand niet gelooft. Maar met je andere hand wenk je iemand om dichterbij te komen: JE BENT WELKOM. Dat is de persoonlijke benadering: je wil iemand graag vertellen waarom het geloof in God zo waardevol is en waarom je het hem of haar ook gunt. Dat komt nogal tegenstrijdig over. Bij de gelovige die een niet-christelijke vriend(in) krijgt:

Iedereen is blij met ons, alleen mijn ouders en de kerkenraad doen moeilijk.

En bij de niet-gelovige die tegenstrijdige signalen opvangt:

Ze zeggen wel dat ze niets tegen mij persoonlijk hebben, maar waarom reageren ze dan zo kritisch op onze relatie?

En steeds maar weer blijkt, dat wij nog lang niet zover als Jezus zijn.

Een pastorale benadering

Gemengde verkeringen komen steeds opnieuw voor. Hoe ga je daar in de praktijk mee om? Hoe kun je liefdevol reageren en toch Gods duidelijke adviezen serieus nemen? Ik denk dat je toch moet beginnen met het eerlijk op tafel leggen van je bezorgdheid. Wie een gemengde relatie aangaat, verkeert geestelijk in een crisis-situatie. Dat is echt zo, ook al besef en ervaar je dat zelf misschien helemaal niet. Want wat is er nou mooier? Toch is het echt waar: de duivel trekt heel hard aan iemand om het geloof in de Here Jezus maar op te geven of vrijblijvender op te vatten. En dat is een ongelijke strijd die de duivel gemakkelijk wint. Want niemand van ons is uit zichzelf gelovig aangelegd. Dus het geloof verwatert heel gemakkelijk, zowel bij de gelovige partner als bij de kinderen – als Gods Geest niet heel hard aan het werk gaat.

Aan de andere kant biedt een gemengde relatie ook grote kansen om iemand bekend te maken met het reddende Evangelie van Jezus Christus. Als er sprake is van oprechte liefde en wederzijds respekt heeft een positief-gelovig christen als het goed is ook een groot verlangen om de niet-gelovige vriend(in) te interesseren en te informeren over de boodschap van de Bijbel. De Bijbel kent ook voorbeelden van mensen die tot geloof komen door middel van een gemengd huwelijk. Denk aan Ruth die door haar huwelijk de God van Israel leerde kennen. Denk aan Timoteüs die ondanks zijn waarschijnlijk afwerende Griekse vader toch van jongs af aan door zijn oma en moeder gelovig is opgevoed.

Er zijn veel manieren om iemand te helpen God te leren kennen. Een hartelijke ontvangst in de familie en een hartelijk welkom in de kerkelijke gemeente en zeker binnen de jongerengroep doet altijd goed.  “Laat iedereen merken dat jullie vriendelijk zijn” schrijft Paulus aan de christenen in Filippi. Ook zijn er veel mogelijkheden om iemand meer te laten weten over het christelijk geloof.  Dat begint bij jezelf uiteraard: praat vrijmoedig over je geloof met je vriend of vriendin, zonder te preken. En pak bijvoorbeeld de Bijbel in Gewone Taal als je iets uit wilt leggen of, als ouders, wanneer je aan tafel uit de Bijbel leest. Of vraag aan je ouders of de dominee, of die de grote lijnen van Gods verhaal eens op papier willen zetten. En schakel ook anderen in. Volg samen een Alphacursus of Christianity Explored. Vraag iemand die je één op één kan begeleiden als je rustig in je eigen tempo over de Bijbel en het geloof wilt doorpraten. Draai samen mee met een kring of een gesprekskring in de gemeente. Bezoek aansprekende kerkdiensten. Enzovoort. Er is zoveel mogelijk. Als de gelovige helft zelf maar echt gemotiveerd is. En vergeet het belangrijkste niet: het gebed. Bid veel voor iedereen die nog niet gelooft. Doe het als partner, als echtgenoot, maar ook als ouders en als vrienden en als gemeente. Bid of de Heilige Geest ervoor wil zorgen dat iemand persoonlijk God als Vader en Jezus als Verlosser leert kennen. Om het met een variatie op een bekende uitdrukking te zeggen:

Praat veel met je ongelovige vriend(in) / partner God, maar praat nog meer met God over je ongelovige vriend(in) / partner

Tegen de stroom in samen God zoeken 

In onze maatschappij zegt iedereen: “Geloof is een privézaak, daar moet je elkaar vrij in laten.” En wat doen wij in de kerk? We leggen, zo lijkt het wel, elkaar op het punt van relatievorming het vuur na aan de schenen. Wat een beGods grootste wens - roodmoeizucht, hoor je sommige mensen wel eens zeggen. Maar zo is het, als het goed is, niet bedoeld. Het is vooral een kwestie van oprechte belangstelling en welgemeende aandacht. Want waar gaat het uiteindelijk om? Om het Gods verlangen is dat mensen hun hart aan Hem geven en in hun relatie ervaren hoe goed en fijn het is om samen de HERE te dienen, in Jezus te geloven en voor Hem te leven.

‘Gemengde verkering’ schuurt als prikkeldraad

Verliefd koppel‘Verliefd worden’ – dat heb je meestal niet in de hand. Het gebeurt gewoon. Je voelt vlinders in je buik. En de spanning … zou hij mij ook zien zitten? Of ziet zij mij elemaal niet staan? En als het wel klikt … heerlijk! Je hebt verkering. Je bent helemaal weg van elkaar. Verliefd zijn overkomt je. Daarom is het niet vreemd dat christelijke jongeren verliefd worden op iemand die helemaal niets van God af weet en de Here Jezus niet kent. Maar als het ‘aan’ raakt, is het niet gemakkelijk. Waarom moeten je ouders meteen als eerste vragen: ‘Gelooft hij ook in Jezus?’ Of, iets luchtiger maar dus wel met een serieuze ondertoon: ‘Is zij ook van de club?’ In de kerk volgen na verloop van tijd soms moeilijke gesprekken met ambtsdragers. Of je voelt de afkeuring van sommige gemeenteleden. En alsof dat nog niet alles is  – ook met je niet-gelovige vriend of vriendin moet je het er wel over hebben. Want echt geloven als christen – daar horen een flink aantal DO’s en DON’T’s bij die die ander niet kent en nog niet begrijpt. Dus is het niet gek dat je, als je serieus gelooft, je afvraagt: ‘Het voelt wel  helemaal geweldig, maar wat vraagt God van mij? Wat staat er in de Bijbel over het aangaan van relaties met iemand die helemaal niet gelooft?’

God in het Oude Testament over gemengde relaties

2Kor06-14 2-15 vraag gemengde verkeringDe Bijbel is het boek waarin God Zichzelf bekend maakt aan jou en mij. Hij laat weten: Ik wil graag een relatie met jou aangaan! Ik zal er altijd helemaal voor jou zijn. Zorgend, vergevend en bevrijdend. Omgekeerd vraagt God van jou en mij hetzelfde. “Hou van de Heer, je God, met je hele hart, met je hele ziel, en met al je kracht” (Deuteronomium 6:5). Die relatie vergelijkt God in de Bijbel regelmatig met een huwelijk. Israel in het O.T. is ‘Gods bruid’. En voor christenen in het N.T. is Jezus ‘onze Bruidegom’. Die geloofsrelatie is zo allesomvattend … daar mag niet iets tussen komen. Daarom waarschuwt God in heel de Bijbel zo scherp tegen het aangaan van een relatie met een niet-gelovige of anders-gelovige. Het staat jouw toewijding om de HERE te vereren met heel je hart en uit volle overtuiging in de weg. Dat blijkt wel uit de volgende voorbeelden:

  • In Genesis 24 doet Abraham er veel moeite voor om voor zijn zoon Isaak een gelovige vrouw te zoeken. Hij stuurt zijn knecht Eliëzer helemaal naar Mesopotamië toe. Daar woont zijn familie en die kennen God nog. Later vinden Isaak en Rebekka het vreselijk dat Ezau met twee ongelovige vrouwen uit Kanaän trouwt. Isaak stuurt Jakob naar zijn familie om daar met een vrouw te trouwen die wel in God gelooft (Genesis 26:35, 27:46+47, 28:1+2)
  • In Exodus 34:12-17 en in Deuteronomium 7:1-11 verbiedt de HERE zijn volk nadrukkelijk om een huwelijkspartner te zoeken bij de andere volken in het land Kanaän. Want dan gaan jullie zonen die afgoden ook vereren.” Als dat wel gebeurt, “is iemand ontrouw aan de Heer en zal hij gestraft worden.”
  • In Rechters 3:6-8 kun je lezen dat de Israelieten midden tussen de Kanaänieten zijn gaan wonen en goede kontakten met hen onderhielden. “Veel Israelieten lieten hun kinderen trouwen met de kinderen van die andere volken. Ze gingen de afgoden Baäl en Asjera vereren, en ze dachten niet meer aan de Heer, hun God.”
  • In 1 Koningen 11:1-13 wordt verteld, hoe koning Salomo verslaafd raakte aan vrouwen. Hij trouwde er honliefhad. “Door al die vrouwen dacht Salomo steeds minder aan de Heer. Salomo begon ook andere goden te vereren. Hij liet offerplaatsen maken voor al zijn buitenlandse vrouwen, zodat ze offers konden brengen aan hun goden. Salomo was niet langer trouw aan de Heer, de God van Israel.”
  • In Ezra 9+10 en in Nehemia 13 lezen we, dat veel Judeeërs na de terugkeer uit de ballingschap opnieuw gemengde huwelijken sluiten. Daarvan zegt Nehemia: Jullie maken precies dezelfde fout als koning Salomo maakte: hij koos vrouwen uit andere volken. Maar door zijn buitenlandse vrouwen ging hij dingen doen die God niet wilde. En nu maken jullie dezelfde fout als Salomo! Dat betekent dat jullie ontrouw zijn aan onze God!” Samen met Ezra herinnert hij de mensen aan wat God in Deuteronomium 7 heeft laten opschrijven. Gelukkig komen de meeste Judeeërs tot inkeer. Ze erkennen hun schuld: “Wij zijn ontrouw geworden aan God. Want we zijn getrouwd met vrouwen uit dit land, vrouwen die bij andere volken horen.”

Jezus in het Nieuwe Testament over gemengde relaties

Hart voor JezusIn het Nieuwe Testament kom je precies hetzelfde verhaal tegen. Jezus onze Heer herhaalt de oproep uit het Oude Testament: “Luister goed, Israelieten! De Heer, onze God, is de enige God. Je moet van Hem met je hele hart, met je hele ziel, met je hele verstand en met al je kracht.” (Markus 12:29-30). Paulus vergelijkt de eenheid in het huwelijk met de eenheid die er is tussen Christus en zijn gemeente (Efeziërs 5.22-33). Daarom is zijn boodschap aan alle christenen: “Je bent vrij om te trouwen met wie je wil, mits het een huwelijk is in verbondenheid met de Heer.” (1 Korintiërs 7:39 – NBV). Van God houden en Jezus volgen vraagt alles van je. Net als het houden van je man of vrouw in het huwelijk. Die twee kunnen maar heel moeilijk goed samengaan. Dat legt Paulus in zijn tweede brief aan de Korintiërs verder uit. Daar schrijft hij: “Jullie mogen je leven niet delen met ongelovigen, want jullie passen niet bij elkaar. Net zoals licht niets te maken heeft met donker. Christus lijkt toch ook niet op Satan? Dan past een gelovige toch ook niet bij een ongelovige?” (2 Korintiërs 6:14-15). Dat is een pittige uitspraak. Paulus bedoelt daarmee: Als jij vol overtuiging “JA” zegt tegen God en Jezus, kun je als christen niet tegelijk heel intensief optrekken met iemand die keihard “NEE” zegt tegen God. Dan vorm je een ongelijk span. Dan ben je, als het om geloven gaat, geen gelijkwaardig koppel. Dan gaat er van alles scheef. Want je heb geen gemeenschappelijke basis. Over de zin, het doel en de afloop van het leven denken christenen en niet-gelovigen zo fundamenteel anders, dat God het aangaan van hele nauwe betrekkingen met ongelovigen verbiedt.

Een advies dat schuurt als prikkeldraad

prikkeldraadVeel mensen zullen dit een typisch voorbeeld van achterhaalde bijbelse standpunten vinden. Heel de maatschappij roept dat geloven een privé-zaak is waarin je elkaar volstrekt vrij in moet laten. En wat doen wij in de kerk? We leggen, zo lijkt het wel, elkaar op het punt van relatievorming het vuur na aan de schenen door jongeren en ouderen aan te sporen geen vaste relatie op te bouwen en niet te trouwen met iemand die niet in God als Vader en Jezus als Redder gelooft. Wat een bemoeizucht! Maar niets is minder waar. Het gaat om iets heel anders! Waar het God en Jezus om gaat is dit:  als christen hoor jij bij God en bij Jezus. God, die jou gemaakt heeft. Jezus die jou verlost heeft. En samen willen Zij jou niet kwijt! Dat risiko is, laat heel de Bijbel zien, het grootst als je een levenspartner kiest die niet in God gelooft en geen kind van Hem wil zijn. Soms is het geloof dan in één keer weg, soms sijpelt het er heel sluipenderwijs uit en je ziet ook heel vaak dat de kinderen uit een gemengd huwelijk niet tot geloof komen. Door de keus voor een ongelovige partner komt de volle aandacht en toewijding die God van zijn kinderen vraagt, onder druk te staan.

Nu is verkeringstijd een ´proeftijd´. Je leert elkaar steeds beter kennen. Dat geldt ook als het gaat om de vraag of je niet-gelovige vriend(in) open staat voor het geloof in God en Jezus. Maar als je echt overtuigd christen bent en kind van God wilt zijn, weet je, dat er ooit een moment komt, waarop de HERE om een radikale keus vraagt, die twee kanten op kan:

OF de niet-gelovige partner komt tot geloof in Jezus Christus. Dat is mooi, als dat gebeurt!

OF de gelovige partner wordt opgeroepen de relatie te verbreken. Dat is moeilijk, als de liefde voor de HERE zo frontaal botst met de liefde voor je vriend of vriendin!

‘GEMENGDE VERKERING” – wat staat er precies in 2 Korintiërs 6:14?

Vorm geen ongelijk span met ongelovigen  – Nieuwe Vertaling 1951 / Willibrordvertaling / Herziene Statenvertaling

Loop niet met ongelovigen in hetzelfde gareel – Groot Nieuws Bijbel

Verbind u niet aan mensen die niet van de Here houden. – Het Boek

Loop niet in een en hetzelfde span met ongelovigen – Nieuwe Bijbelvertaling 2004

Jullie mogen je leven niet delen met ongelovigen, want jullie passen niet bij elkaar – Bijbel in Gewone Taal

STUDENT en KERK – wil dat nog een beetje mixen?

LEOZes jaar lang ben ik parttime studentenpastor geweest. Dat was in de tijd dat ik dominee van de GKV van Nijmegen was. Ongeveer 20% van onze gemeente bestond uit studenten. De meesten van hen waren vooral actief binnen de VGSN-tq (toen zeker en nu nog steeds een van de leukste christelijke studentenverenigingen van Nederland). Zo’n grote populatie studenten in een kerkelijke gemeente is ontzettend waardevol. Wederzijds. Maar dan moet je de verwachtingen wel goed op elkaar afstemmen.

De studententijd als zoektocht

Niet alle christelijke studenten zijn lid van een kerkelijke gemeente in hun studentenstad. Dat vind ik echt jammer. Allereerst omdat het studentenleven een hele hektische periode is. Als je gaat studeren, krijg je 4 tot 7 jaar de tijd om van alles te ontdekken. In sneltreinvaart leer je jezelf een eigen mening te vormen en op eigen benen te staan. Ook op het gebied van geloof en kerk krijg je alle ruimte om je eigen overtuiging te ontwikkelen. Daarbij is kerk waarin je bent opgegroeid aan de ene kant de thuishaven waarin je als jongere bent opgegroeid en de HERE hebt leren kennen VGS landelijken als christen gevormd bent. Dat kan een gevoel geven van stabiliteit en rust, want je hoeft niet alles wat met het geloof te maken heeft, zelf te ontdekken: de ‘basic’ heeft de HERE je al lang geleden bijgebracht dankzij een christelijke opvoeding in een gereformeerd milieu, en bij het doen van je belijdenis heb je ook van harte Jezus Christus (want Hij is die ‘basic’) persoonlijk aanvaard. Anderzijds is kerk een kritische tegeninstantie waaraan je als student jezelf spiegelt en waaraan je nieuwe geestelijke inzichten toetst. En dat allemaal op een hele kritische manier – studenten eigen. Dan gaat het om vragen als: is alles wat ik in de kerk van mijn ouders geleerd heb, wel in overeenstemming met de Bijbel? Hebben andere christenen en andere geloven het allemaal bij het verkeerde eind? En als onze kerkelijke papieren (binnen de NGK: de gereformeerde belijdenisgeschriften) inderdaad het beste de bijbelse leer weergeven, hoe funktioneert dat dan in de praktijk? Waarom is er soms zo’n  grote kloof tussen leer en leven?

Wederzijdse stimulans

Ik heb ook gemerkt dat studenten  vooral positief-kritisch betrokken zijn en blijven op geloof en kerk, als ze in hun eerste jaar een goede band opbouwen met de kerkelijke gemeente in hun studentenstad. Wat dat betreft is het heel goed om pas in je studententijd belijdenis van je geloof te doen. Dan kun je in je studentenstad nog een jaar Student en kerkcatechisatie volgen, vaak met medestudenten die dezelfde vragen over het christelijke geloof hebben. Dat kan heel
vormend zijn voor het persoonlijke geloof. Bovendien raak je zo betrokken bij je nieuwe kerkelijke gemeente. Veel studenten zijn graag bereid om een bijdrage te leveren aan konkrete, meer kleinschalige aktiviteiten van de gemeente. Rond de eredienst, bij diakonale hulp, bij het vertalen van preken, bij het clubwerk met kinderen en jongeren. En studenten zorgen er vaak ook voor, dat de leden van een christelijke kerk betrokken raken bij allerlei projekten in de stad, zowel op evangelisatiegebied (AiA) als op diakonaal gebied (Happetaria).

Als het om ‘student en kerk gaat’, zijn er dus drie dingen belangrijk.

  • Allereerst is de houding van de student van groot belang: hoeveel krediet heeft de kerk van je jeugd en het geloof van je ouders bij je?
  • Daarnaast heeft ook de sfeer binnen een christelijke studentenvereniging veel invloed: hoe wordt er tegen het instituut ‘kerk’ in het algemeen en tegen de plaatselijke kerk(en) in de stad aangekeken?
  • Tenslotte speelt tenslotte de houding van die plaatselijke kerk(en) een grote rol: hoe betrokken en aktief is men als kerk bij alles wat studenten op geloofsgebied bezig houdt?

Een alternatieve gemeenschap der heiligen

De dynamiek tussen student en gemeente zit ‘m ook in het feit dat de eerste kring waarbinnen studenten zich bewegen meestal niet de kerkelijke gemeente is (ook al ben je er lid van), maar de christelijke studentenvereniging. Daar doe je samen aan bijbelstudie, daar bezoek je de thema-avonden, daar krijgt je sociale leven vorm. Zo VGST lezingfunktioneert een studentenvereniging in de praktijk als een parallelle ‘gemeenschap der heiligen’. En dat vind ik echt prima. Want dat is nu juist de bedoeling van de ‘gemeenschap der heiligen’, dat je vooral in eigen kring elkaar ondersteunt en help en vormt. Tegelijk beseft bijna iedereen, dat een studentenvereniging geen kerkelijke gemeente is en het ook niet wil zijn. En dus blijft ook de kerkelijke gemeente een belangrijke rol spelen, al was het alleen maar, omdat studenten regelmatig bezoek krijgen van een ouderling, een diaken of een (studenten)pastor. Daarmee heb je meteen een spanningsveld te pakken. Principieel gezien is de kerkelijke gemeente in je studentenstad het belangrijkste, terwijl je als student in de praktijk de meeste tijd en inzet binnen je christelijke studentenvereniging spendeert. Zie dat maar eens, zowel van de kant van de student als van de kant van de kerkelijke gemeente een goede balans in te krijgen!

Spannend & Uitdagend

De dynamiek tussen student en gemeente kent volgens mij ook z’n eigen  problematiek. Zowel praktisch als principieel.  Praktisch lijkt er vaak zo weinig struktureels van de grond te komen als het om de plaats van de studenten in de kerkelijk gemeente gaat. Het blijft allemaal zo ‘hap-snap’ lijkt het wel. Een vlot doorstromende stadskerk en een nog vlotter doorstromende studentengemeenschap zijn daar vaak mede de oorzaak van. Toch zit het probleem volgens mij wel wat dieper: in heel de samenleving zie je dat mensen zich niet meer gebonden voelen aan instituten waar ze niks meer mee hebben. Dat geldt ook voor student en gemeente: wat voor toegevoegde waarde hebben we tegenover elkaar? Als de kerkelijke gemeente denkt het zonder studenten ook wel te kunnen en de studenten denken dat de vereniging hen wel genoeg te bieden heeft, blijven de kontakten op het ‘hap-snap’-nivo steken. Een gemiste kans!

Bewust kiezen voor elkaar

Problematischer vind ik de ontwikkeling, dat in de studententijd zomaar afstand genomen kan worden van het geloof in Jezus Christus en van zijn gemeente. Sommige studenten maken zich los van elke vorm van gezamenlijk geloven. Andere studenten maken de overstap naar hippe evangelisch-georiënteerde gemeentes. In beide gevallen lijkt het erop, dat de persoonlijke ervaring de doorslag geeft bij de keuzes die men maakt. Dat vind ik een goede ontwikkeling, want het geloof moet ook een persoonlijke keus zijn van iedere individuele gelovige. Maar ik vind het erg jammer als GSV ATV soosmen bij de keuzes die men maakt niet meer aanspreekbaar is op wat we sámen geloven en op wat men eens ook zélf geloofd heeft. Het is mij dan te gemakkelijk om te zeggen: ‘daar denk ik nu anders over en daar kijk ik nu anders tegenaan.’ Juist binnen de kerkelijke gemeente ben je aan elkaar gegeven om ook samen God te dienen en Jezus te volgen. En om elkaar voor uitglijders en eenzijdigheden te behoeden. Ook de christelijke studentenvereniging als parellel-gemeenschap der heiligen zou zo’n plaats moeten zijn, waar je elkaar stimuleert én probeert te bewaren bij het christelijke, gereformeerde geloof. Ik denk dat zowel de plaatselijke kerk als de studentenvereniging daar niet altijd even goed in is. De kerk niet, omdat die soms te weinig inlevingsvermogen heeft en te massief of kritische vragen van studenten reageer. De studentenvereniging niet, omdat iedereen daar elkaars gelijke is, dus is het al snel ‘not-done’ om je een oordeel aan te matigen over wat je toch echt als een zorgelijke ontwikkeling in iemands geloofsleven ziet. Maar misschien denk ik wel teveel dat we elkaars geloofsontwikkeling als mensen kunnen beheersen en bijsturen. En is het van veel meer belang om ieder op z’n plaats gewoon christen te zijn en het voor de rest maar gelovig aan de Geest van Christus over te laten, hoe studenten zich in deze mooie periode van hun  leven als christen ontwikkelen. Als schapen van de Herder komen ze na de nodige omzwervingen wel weer op hun pootjes in de kudde van Christus terecht.

‘The best place to be’

VGSN-tqToen ik in Nijmegen begon als predikant, had ik het volgende ideaal voor wat betreft de plaats van studenten in de gemeente: laat onze gemeente  aan het eind van de studie ´the best place to be´ geweest zijn voor elke student. Zo van: ik heb als student in de afgelopen zes jaar veel heen en weer gependeld tussen mijn studentenkamer, mijn ouderlijk huis, dat van mijn vriend(in) en nog vele andere plaatsen in het weekend, maar uiteindelijk voelde ik me in Nijmegen het meeste thuis, ook wat betreft de kerkelijke gemeente,  geloofsgroei en geestelijke ontwikkeling. Ik geloof nog steeds dat het in de praktijk ook zo werkt. Uiteraard geldt dat niet voor iedereen. En dat geeft ook niet. Maar ik ben er nog steeds van overtuigd, dat het goed voor iedere student, dat ´ie een geestelijke uitvalsbasis heeft om als kind van God in het wereldje van Universiteit, HBO en studentikositeit te funktioneren.

Novitiaat: ontdek ook je kerk!

Het liefst zou ik zien, dat christelijke studentenverenigingen zich meer verbinden aan de plaatselijke gemeentes in hun stad. Als je jezelf als club ‘gereformeerd’ of ‘christelijk’ of ‘evangelisch’ of ‘reformatorisch’ noemt, zweef je niet ergens in het luchtledige rond in je stad. Bij een christen hoort een gemeente. Bij een christenstudent ook. Ik zou dus graag willen dat iedere student die lid wordt van een studentenvereniging ook een geestelijke thuisbasis vindt in een kerkelijke gemeente. Uiteraard is dat de keus van iedere student zelf, maar gezien haar grondslag en doelstelling zou iedere christelijke studentenvereniging die persoonlijke betrokkenheid bij een kerkelijke gemeente moeten  stimuleren i.p.v. zich daarin neutraal op te stellen uit angst voor – ja, voor wat eigenlijk? Heel konkreet pleit ik er LEOdan ook voor, dat tijdens het novitiaat alle eerstejaars ook minstens twee bezoekjes afleggen bij leden van een plaatselijke gemeente. Voor gereformeerde studenten dus bij leden van een GKV of CGK of NGK in hun nieuwe stad, voor evangelische studenten bij een evangelische of baptistengemeente, voor protestantse studenten bij leden van de PKN.

‘De leeuw heeft gebruld’

Een ELFTAL, een GEZIN of een ENERGIEBEDRIJF – over kerkelijk overstappen

Kerkgrenzen vervagen. Het komt de laatste jaren steeds vaker voor, dat leden van onze gemeente in de wijk Peelo blijven wonen, maar lid willen worden van een andere kerkelijke gemeente. Hoe ga je daar mee om? En met wat voor gevoel laat je als kerk je medebroers- en zussen gaan?

Soms vindt iemand elders gewoon een plek

De ene keer is het pastoraal te begrijpen waarom iemand vraagt om elders lid te worden. Vaak heeft dat te maken met de persoonlijke situatie. Soms zie je ook dat een gemeentelid al echt een plek in die andere gemeente heeft ingenomen. Dan heb ik er helemaal geen moeite mee om deze broer of zus in het geloof te laten gaan (op deze blog geef ik mijn persoonlijke mening, maar we nemen hier natuurlijk altijd als kerkeraad een beslissing over).

Soms vertrekt iemand te gemakkelijk

In andere gevallen kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat een overstap te gemakkelijk gemaakt wordt. Dan krijg je als argument te horen dat de diensten elders meer aanspreken. Of dat men teveel heeft meegemaakt in onze kerk om nog positief lid te kunnen blijven. Of dat men bij een andere gemeente veel hartelijker welkom geheten Favier - zo groen als graswordt. Of dat prediking of liturgie in de GKV Assen-Peelo nog wel bijbels is, maar toch minder goed aansluit bij de eigen beleving. Oftewel: als je het in je eigen kerkelijke gemeente maar magertjes vindt, is het gras bij de buren altijd groener en lijkt overstappen de makkelijkste weg. Ik vraag me dan af of iemand niet wegloopt voor z’n eigen teleurstellingen. En of men, ook als het voor het gevoel niet ‘dik’ maar ‘dun’ is, zich juist niet met des te meer trouw moet blijven inzetten in de eigen gemeente. De redenen die dan gegeven worden om over te stappen een gemeente “die beter bij mij past” zijn dan naar mijn mening vaak niet overtuigend. Ik lees in de Bijbel nergens dat gelovigen op zoek moeten gaan naar hun ideale gemeente. Ik lees in de Bijbel wel de oproep om trouw te blijven op de plek waar God je een concrete taak gegeven heeft. werkplek.

Je neemt jezelf mee

Wie uit onvrede of teleurstelling vertrekt, neem meestal zichzelf mee naar een nieuwe gemeente. De overstap naar een nieuwe gemeente zegt vaak net zoveel over wie vertrekt dan over de gemeente waar men uit vertrekt. Je loopt, als je langer meedraait in je nieuwe gemeente, ook tegen dingen aan die tegenvallen. Ook in die nieuwe weide blijkt het gras lang niet zo groen te zijn als toen je er van een afstandje naar zat te kijken. En als er zich dan iets voordoet, reageren mensen meestal net zo als in hun vorige gemeente.

Je zet jezelf op afstand

Wie vertrekt maakt het zichzelf vaak moeilijker dan men in eerste instantie denkt. Immers: als je lid wordt van een andere kerkelijke gemeente buiten je eigen woonplaats, zul je na verloop van tijd merken, dat je toch steeds een beetje een buitenbeentje blijft. In die zin namelijk, dat je buiten het grondgebied van je nieuwe gemeente woont en er dus zelf meer aan moet doen om echt opgenomen te worden in die andere gemeente. De wijk of de kring waar je in zit komt minder snel naar jou toe als je buiten het grondgebied van je nieuwe kerk woont. Dat is niet mijn negatieve gedachte, dat is de werkelijkheid die ik van meerderen gehoord heb. En het is de vraag of mensen die te gemakkelijk overstappen, zich dat voldoende realiseren.

Beleving centraal

We leven in een tijd waarin het heel belangrijk is hoe je de dingen beleeft. Als je er maar een goed gevoel bij hebt, maakt het verder eigenlijk niet meer uit wat de voors en tegens zijn. Als het om het geloof in God en Jezus gaat, zie je dat er veel wordt opgehangen aan de sfeer van een kerkdienst. Dat is een riskante zaak. Want daarmee lijkt de invulling van een kerkdienst het belangrijkste te zijn voor iemands geloofsopbouw. Maar dat is niet zo.

De christelijke gemeente: elftal of gezin?

De kern van het geloof is niet in de eerste plaats een fijne kerkdienst op zondag. Dan zie je geloven namelijk als bijtanken. Elke week even de batterij weer opladen. En voor de rest van de week kun je er weer tegen.

De kern van het geloof is veel meer de gemeenschap der heiligen. Dat je met elkaar je op God en Jezus richt en dat je met elkaar werk maakt van de onderlinge band. Alweer een aantal jaren geleden werd dat door collega Bas Luiten zo onder woorden gebracht: SPAN JE IN VOOR EEN FIJN GEZIN! In elk gezin is wel eens wat. Maar voor je bij je oom en tante gaat wonen, moet er wel heel wat mis zijn.

In onze tijd zien we de plaatselijke gemeente van Jezus Christus niet meer als een gezin. We denken eerder: alle christenen samen horen bij dezelfde club. En je mag zelf uitzoeken in welk elftal je speelt. Ik denk dat dat tot eenzijdigheden leidt. Want dan zoekt iedereen z’n eigen smaak uit. Als het maar een echte christelijke gemeente is. Maar die keus wordt dan op het gevoel gemaakt. Wat krijg je dan? Eenzijdige kerken. Want soort zoekt soort. Maar de gemeente van Christus is een veelkleurig geheel. Daarin hebben oog + hand en hoofd + voeten elkaar nodig, zegt Paulus in 1 Kor. 12.

Hoofd Hart HandenWe vullen elkaar aan

Zelf gebruik ik al een tijdlang de driedeling HOOFD – HART – HANDEN. Alle drie types gelovigen hebben elkaar nodig. Maar wat ik zie is, dat steeds meer HART-christen zich aansluiten bij een kerk waar het gevoel centraal staat. En dat HOOFD-christenen vooral met het verstand benadrukken dat we trouw moeten blijven aan de waarheid. En de HANDEN-christenen zitten een beetje klem tussen die twee, want die zijn vooral door de week de stille krachten in de gemeente die gewoon lekker praktisch bezig willen zijn – vaak gezellig, vaak diakonaal en soms ook pastoraal.

Meer van hetzelfde

Op zoek gaan naar een kerk waar jij je beter bij thuis voelt heeft ook nog een ander risiko. Namelijk dat je op termijn nog meer teleurgesteld raakt in jezelf. Ik heb het verschillende keren gezien, dat gemeenteleden overstappen naar een andere kerk omdat ze denken dat ze daar meer in hun geloof gevormd worden. Maar de diepere oorzaak van hun overstap was, dat ze zelf niet geaccepteerd hadden dat ze een andere type christen waren dan ze graag wilden.

Als iedereen je vertelt dat je bij een kerkdienst en bij het geloof in z’n algemeen vooral een goed gevoel moet hebben, denk je al snel: ik moet een HART-christen zijn. Als je daar niet zoveel van merkt bij jezelf kun je tot de konklusie komen: dat komt omdat in onze kerk daar te weinig aandacht voor is. En bij een andere gemeente binnen of buiten de GKV ervaar ik wel dat ze alle accent op het HART-zijn leggen. Dus ga je daar heen, in de hoop dat ook jij ook meer en meer een HART-christen wordt. Want dat is immers de kern van het christen-zijn?

Nee dus. Er is niet één kleur die bij elke christen past. En misschien bij jij wel meer een christen met HOOFD of HANDEN. Je hebt het alleen zelf nog niet ontdekt of geaccepteerd. Als je dán overgaat naar een gemeente waar het geloof vooral meer beleefd wordt, kom je erachter dat ‘HART’ niet jouw geloofstaal is en wel die van je nieuwe gemeente. Dat kan op een nog grotere teleurstelling uitdraaien.

De kerk is geen energiebedrijf

Het doet mij elke keer verdriet als gemeenteleden naar een andere gemeente binnen of buiten de GKV vertrekken terwijl ze in onze wek van Assen-Peelo blijven wonen. Gelukkig raken ze niet hun geloof kwijt. Maar ze zeggen wel de onderlinge band op. Dat is meestal niet goed. Niet voor henzelf. Niet voor thuiswonende kinderen en jongeren die vaak juist wél hun eigen plekje en vrienden in onze gemeente hadden en dat nu weer helemaal opnieuw moeten opbouwen. Het is niet goed voor zowel de oude als de nieuwe gemeente – zeker niet als vooral één type gemeenteleden vertrekt. Het is ook niet goed voor de kerk van Christus in het algemeen, zoveel verschillende kerken en zoveel christenen die soms haast net zo gemakkelijk overstappen van kerk als van energiebedrijf.

Zaten we maar met z’n allen in in Filippi

In de brief aan de Filippenzen staat hoe het anders kan als het in de eigen kerkelijke gemeente tegenvalt. Daar zijn twee zusters die elkaar niet zo liggen. Ze waren allebei afzonderlijk van grote waarde geweest voor de verspreiding van het evangelie. Maar nu kunnen ze niet meer goed met elkaar door één deur. Paulus adviseert ze niet naar een andere gemeente te gaan. Nee, zegt hij: ik dring er bij jullie op aan eensgezind te zijn, want jullie zijn één met de Heer. En als je dat zelf of samen niet goed lukt, zegt Paulus, heb je elkaar. Heb je je predikant, je ouderling, je diaken, je kringleider, je mede-broeder of –zuster. ‘Laat die twee zusters maar lopen en gaan’ is niet de houding van de kerkenraad en de gemeente in Filippi. Nee, schrijft Paulus: en u, trouwe vriend, vraag ik hen te helpen, want ook hun namen staan in het boek van het leven.

Elkaar helpen en vasthouden – omdat we samen één zijn in Jezus Christus en samen deel uitmaken van Gods gezin – niet als neven en nichten, maar als broers en zussen. Door dik en dun. In voor- en tegenspoed. Als je je prima thuisvoelt in de gemeente en als je even niet zo lekker in je vel zit. Maar vooral samen. Span je samen in voor een fijn gezin – het kerkgezin van de gemeente waarbinnen God jou een plaats gegeven heeft.

(Over een soortgelijk onderwerp, nl. ‘kerkverlating’ hield ik een preek – zie 2 Tim. 4:9-11.

Pastorale problemen en een verschuivende geloofsleer

Je loopt als gelovige ergens tegen aan. De praktijk botst met wat je altijd zo geleerd hebt. En je vraagt je af: klopt de bijbelse leer wel? Je denkt er over na en je gaat studie maken van het onderwerp dat je zo bezig houdt. Aan het eind kom je tot de konklusie: in zijn Woord spreekt de HERE er anders over dan ik altijd gedacht heb. Onze gereformeerde leer zoals we die in de belijdenisgeschriften geformuleerd hebben, komt niet helemaal overeen met wat de Bijbel erover zegt.Vervolgens schrijf je een boek of een artikel om anderen te laten delen in je nieuwe visie op dit onderwerp. Of je draagt het uit bij een inleiding op de bijbelstudievereniging of, als je predikant bent, vanaf de kansel.

DENKPROCES

Niets mis mee, zou je zeggen. Zo moet dat toch? Bestudeer de Bijbel, want zo wil de Heilige Geest je wijsheid geven. (Johannes 5:39 en 2 Timoteüs 3:15). En dan is het toch prima als je samen tot nieuwe konklusies komt? Het Woord van onze God moet immers in alle tijden een aktuele toepassing krijgen? Toch vraag ik mij af of het denkproces wat hier plaats vindt wel juist is. Wat mij al een tijd lang opvalt is, is het volgende. Vanuit de praktijk wordt de theorie geherformuleerd. Maar dan wel op een wijze, die volgens mij te weinig recht doet aan de bijbelse fundering van dat specifieke stukje geloofsleer waar men tegen aan loopt.  Deze manier van denken vind ik te kort door de bocht.  Dat zal ik straks uitleggen. Eerst een aantal voorbeelden.

1) GEREFORMEERD MAAKT DEPRESSIEF

Veel gereformeerde mensen staan niet echt blij in het leven. Integendeel, ze hebben een negatief zelfbeeld en zijn daarom sneller depressief. De oorzaak is ook bekend: in de Heidelbergse Catechismus staat het zinnetje: ‘Wij zijn zo verdorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds en uit op elk kwaad.’ Zie je wel, dat de gereformeerde leer depressieve mensen maakt? En daarom kom je vanuit de liefde van God tot een positiever mensbeeld.

2) WIE LIJDT ER HET MEEST?

Als christen kom je om je heen en in je eigen leven soms zoveel leed tegen, dat het bijna niet te dragen is. Hoe kun je daar pastoraal mee omgaan, als je tegelijk in de kerk hoort, dat de Here Jezus gelukkig het ergste lijden voor ons aan het kruis gedragen heeft? Daarmee suggereer je tegenover mensen in grote nood: je eigen moeiten en verdriet kunnen nog zo erg zijn, maar vergeleken met het lijden van Jezus Christus valt het daarbij in het niet. Vanuit je pastorale bewogenheid kom je vervolgens tot de theorie, dat de Here Jezus juist met ons kan meevoelen, omdat Hij als mens precies hetzelfde lijden heeft doorgemaakt als wij.

3) IN LIEFDE TROUW ZIJN

Je kent persoonlijk een paar medechristenen met een homoseksuele geaardheid. Je wilt graag pastoraal naast deze broeders en zusters gaan staan. Want je merkt, hoe oprecht en gelovig velen van hen verlangen naar een man of vrouw om het leven mee te delen. Vanuit je grote bewogenheid met hen kom je na diepgaande studie tot de conclusie, dat in de Bijbel het grote gebod van de liefde, gepaard met levenslange trouw aan de HERE en de naaste, centraal staat. En die nuance vind je ook bij Paulus terug, als hij zegt: ‘Alles is toegestaan, maar niet alles is goed.’ (1 Korintiërs 6:12 en 10:23)

4) MEER VAN DE GEEST

Je ervaart bij jezelf en in de Gereformeerde Kerken een gebrek aan geloofsbeleving. Het lijkt wel, alsof er geen verlangen naar de doorwerking van de Heilige Geest is. Hoe is dat zo gekomen? Na onderzoek in de Bijbel trek je de conclusie dat de gereformeerde belijdenisgeschriften vooral rationalistisch en verstandelijk over het werk van Christus vóór ons spreken en dat er te weinig aandacht is voor het werk van de Geest van Christus ín ons. Tegelijk lees je in deze Bijbel dat daar veel meer ruimte geboden wordt voor (bijzondere) ervaringen van de Geest dan in onze gereformeerde kerken altijd geleerd is.

5) JE MOET DANKBAAR ZIJN

In gesprekken met mede-kerkgangers signaleer je dat velen van hen de verlossing uit de macht van de zonde als een genade-werk van Jezus Christus bestempelen. Maar als je doorvraagt wat dat voor hen betekent, krijg je van diezelfde gereformeerden vervolgens te horen, dat ze nu graag aan God willen laten zien dat ze Hem daar erg dankbaar voor zijn. En je ziet dat ze dat proberen te doen door zelf uit eigen kracht een perfekt gereformeerd leven te leiden. Je komt tot de conclusie, dat de Heidelbergse Catechismus daar mede aanleiding toe geeft door te spreken van Ellende –  Verlossing – Dankbaarheid. Want jezelf verlossen kun je niet, maar je kunt wel zelf laten zien hoe dankbaar je bent. En dat is niet bijbels: ook je heiliging en je christelijke leven is iets wat de Heilige Geest in jou bewerkt en dus een genadegeschenk van God.

6) BLIJVEN STEKEN BIJ DE ZONDE

Tegelijk constateer je in diezelfde gesprekken, dat veel gereformeerde broeders en zusters blijven steken in het ‘ik-ellendig-mens-geloof’ van Romeinen 7. Ze hebben een ‘ja-maar’ geloof en komen maar niet toe aan een nieuwe christelijke levensstijl door de kracht van de Geest, zoals Romeinen 8 daar over spreekt. Als je daar wat dieper over nadenkt, zie je opeens de relatie met de wekelijkse voorlezing van de Tien Geboden en de vele zondagen van de Catechismus over de Wet. Daardoor krijg je als christen ook gemakkelijk een schuldgevoel aangepraat. Want je moet dankbaar zijn, maar wat brengen je ervan terecht? En dus ga je nog beter je best doen met het leven onder de wet. Zet daar de Bijbel eens tegenover! Die heeft toch duidelijk ook oog voor die andere insteek, nl. de roeping om vrij te zijn en het ‘ik-vermag-alle-dingen-door-Hem-die-mij-kracht-geeft-geloof’.

7) MET DE KINDERDOOP DE GENADE OP ZAK

Je ergert je aan zoveel lauwheid bij al die gereformeerde gelovigen. Tegelijk zeggen ze allemaal wel, dat ze kind van God zijn en bij het verbond horen. Net alsof je dan automatisch ‘binnen’ bent! En plotseling besef je, dat de kinderdoop daar een belangrijke oorzaak van is. Dat wekt de indruk dat je Gods genade altijd paraat hebt. Maar in de Bijbel lees je, dat mensen zich bewust tot God bekeren moeten, want ‘wie gelooft en zich laat dopen zal gered worden’ (Markus  16:16). Zie je wel? Door al die nadruk op het verbond en de kinderdoop kweek je gemakzuchtige gelovigen.

LANGE HALEN – SNEL THUIS

Ik herken heel vaak de pastorale problemen in bovenstaande situaties. Maar naar mijn bescheiden mening wordt er bij de oplossingsrichting een denkfout gemaakt. We signaleren een pastoraal probleem en we denken dat het aan de gereformeerde leer ligt. En dus doen we ons best om aan te wijzen waar de gereformeerde manier van omgaan met de Bijbel niet klopt. Of waar de gereformeerde belijdenisgeschriften het aan het verkeerde eind hebben. Die analyse is, denk ik, meestal niet terecht. Met als gevolg, dat de oplossing ook niet deugt.

In de meeste gevallen is er wat anders aan de hand. Niet de gereformeerde leer is de oorzaak van persoonlijke moeiten of een gezamenlijke eenzijdigheid. Nee, het zijn de kloven tussen geloof en ervaring en tussen leer en leven die ons vaak parten spelen. Dan is het mij te gemakkelijk om te zeggen, dat de gereformeerde leer de oorzaak van alle ellende is.

Het is volgens mij niet moeilijk om bij elk van de zeven genoemde voorbeelden vanuit de Bijbel, maar zeker ook vanuit de gereformeerde belijdenisgeschriften aan te tonen, dat de geschetste problematiek vooral z’n oorzaak vindt in onze eenzijdigheid.

1) De gereformeerde leer maakt mensen niet depressief, want er wordt een reële uitweg uit de ellende aangewezen.

2) De gereformeerde leer erkent de diepte van het lijden en ziet reikhalzend uit naar de verlossing van geest, ziel, lichaam en schepping.

3) De gereformeerde leer ontkent niet dat iedere christen tegenover God zichzelf mag zijn, maar wil graag dat we onze individuele keuzes op die van Jezus onze Heer afstemmen.

4) De gereformeerde belijdenis staat vol van ervaringen door de Geest, waardoor we Jezus leren omhelzen en van binnen volstrekt bovennatuurlijk, liefdevol en wonderbaar worden aangeraakt.

5) De gereformeerde belijdenis leert ons juist om niet naar onze prestaties te kijken, maar naar onze motivatie.

6) De gereformeerde belijdenis zelf geeft duidelijk aan dat Christus ons door zijn Heilige Geest vernieuwen wil.

7) En de gereformeerde belijdenis neemt juist duidelijk afstand van de gedachte dat als God in de doop met jou zijn verbond sluit, je vanzelf automatisch de hemel binnen komt.

DE ‘BASICS’ WEER VAN ZOLDER HALEN

De gepresenteerde oplossingen gaan allemaal teveel uit van de praktijk. Om die kloppend te maken bij pastorale nood of om te vormen naar de eigen wenselijkheid, wordt de oorzaak bij de gereformeerde theologie gezocht. Die moet dan worden aangepast.

Het is veel moeilijker om eerst zelf als gereformeerd christen en zelf als gereformeerde kerken kritisch voor de spiegel van Gods Woord te gaan staan. En om daarna te constateren, dat we op een bepaald gebied scheefgegroeid zijn, terwijl onze papieren (de Bijbel én onze belijdenissen) heel evenwichtig zijn en daarom heel goed in staat zijn onze geloofsleer en ons geloofsleven prima in balans te houden.

Vervolgens is het nog moeilijker om te belijden, dat het dus onze eigen persoonlijke en collectieve schuld is, dat we in bepaalde eenzijdigheden zijn vervallen, en dat we daarom terug moeten keren naar de weg die God Zelf ons allang in de Bijbel heeft aangewezen en waar onze voorvaders in de gereformeerde belijdenissen allang oog voor gehad hebben.

Voor mij ligt de uitdaging hem hierin, om weer persoonlijk en gezamenlijk te gaan beleven, wat we allang als geloofskennis in onze bijbel en in onze belijdenisgeschriften hebben staan. Dan schuiven we de oorzaak van allerlei moeiten en ontwikkelingen niet langer op onze gereformeerde geloofsleer, maar maken we ons, door de Geest geleid, weer eigen wat we in Christus al lang op papier hebben staan.

Hoofdzaak ‘GEZOND’ – ook met een dwarslaesie?

“Als je maar gezond blijft.” Ik hoor het mensen vaak zeggen. Maar wat is ‘gezond’? Alweer meer dan 10 jaar geleden sprak ik daar eens over met iemand die niet in God gelooft en niets met Jezus heeft. Hij zei tegen mij: “Dus jij hoopt eigenlijk dat ik een ernstig ongeluk krijg of zo, waardoor ik tot inkeer kom en in God ga geloven?” Dat vond ik een wat ongemakkelijke wending in het gesprek. Ik heb gezegd, dat ik hem beslist geen rampzalige dingen in zijn leven gun, behalve als tegenslag de manier is waarop God iemand tot nadenken wil stemmen en tot geloof wil brengen. Dat was ergens in de eerste jaren van deze eeuw.

Wilhelm Busch Jesus unser SchicksalDe mijnwerker

Een paar jaar geleden kwam ik een prachtig voorbeeld tegen over hoe God tegenslag gebruikt om iemand tot geloof te brengen. In een preek over de verlamde man uit Markus 2:1-12 heb ik het als afsluiting gebruikt. Deze zomer heb ik die preek ook in Oostenrijk in het Duits gehouden. Men vond het zeer eindrucksvoll. Dat kwam ook, omdat dit waargebeurde verhaal in het Duits beschreven is in het boek Jesus unser Schicksal van de in Duitsland zeer bekende evangelisatie-predikant Wilhelm Busch (1897-1966). Hij vertelt in dat boek o.a. het verhaal van een verlamde mijnwerker met de naam Amsel.

Het ongeluk

Amsel had in de mijnen door een vallend rotsblok een dwarslaesie opgelopen. Daardoor zat hij nu in een rolstoel, zonder enige hoop op genezing. Als dominee van het mijnwerkersdorp zocht Wilhelm Busch hem op in zijn armzalige arbeiderswoning. Daar stonden de drankflessen op tafel. En toen Busch binnenkwam, begon Amsel te vloeken en te tieren en te schreeuwen: “Wat doe jij hier, schijnheilige zwartrok, wegwezen hier! Waar was die God van jou, toen die steen op mij viel en mijn ruggewervels brak? Waarom laat Hij zoiets gebeuren?”  De mijnwerker ging zo te keer, dat Busch zich in de hel waande. Maar wat gebeurde er een paar weken later? Door een paar gelovige collega’s werd Amsel meegenomen naar de bijbelstudie van de mannengroep. Waarschijnlijk hebben ze hem niet eens gevraagd, maar gewoon meegenomen. Net als de vier vrienden van de verlamde man in Markus 2. Daar hoorde Amsel voor het eerst over Gods liefde voor verloren mensen. En het wonder gebeurde: hij kwam tot geloof. Nog geen half jaar later was hij eigendom van Jezus Christus geworden. Hij is nooit meer uit zijn rolstoel gekomen. Maar hij werd een totaal ander mens. Een verschil van dag en nacht. “Waar men vroeger alleen maar vloeken hoorde, klonken nu Jezus-liederen. De oude vrienden bleven weg; daarvoor kwamen nieuwe in de plaats. De flessen met drank verdwenen; daarvoor in de plaats lag de Bijbel op tafel. Vrouw en kinderen leefden op,” schrijft Wilhelm Busch.

De afloop

Wilhelm Busch fotoJaren later bezocht de predikant zijn oud-gemeentelid nog een keer. En dat bezoek heeft een onvergetelijke indruk op hem gemaakt. Hij kwam binnen en vroeg: “Amsel, hoe gaat het met je?” En dit was, wat Amsel antwoordde: “Busch, binnenkort zal ik sterven, ik voel het. Dan kom ik in de hemel voor de troon van God te staan. Het eerste wat ik dan zal doen is op mijn knieën voor Hem neervallen en Hem danken dat Hij mij deze dwarslaesie bezorgd heeft.” “Amsel toch,” onderbrak dominee Busch hem geschrokken, “wat zeg je daar nou?” Maar Amsel antwoordde: “Ik weet wat ik zeg. Kijk, als me dat niet overkomen was, als God mij zo goddeloos verder had laten leven, was ik recht toe recht aan de hel ingelopen, in de eeuwige verdoemenis. Dus moest God in zijn reddende liefde wel zo snoeihard ingrijpen, dat Hij mijn ruggewervels moest breken. Anders had ik nooit zijn Zoon, Jezus Christus, gevonden. Door Jezus ben ik een vrolijk kind van God geworden, dankzij mijn rolstoel. En daarom wil ik Hem voor dit verschrikkelijke zware ongeluk bedanken.”

Wilhelm Busch Jezus onze bestemmingDe uitspraak

En toen kwam de zin, die Wilhelm Busch nooit meer vergeten zou: “Want het is beter in een rolstoel bij Jezus te horen en een kind van God te zijn, dan met twee gezonde benen de hel in te springen.” Dat zei Amsel, de mijnwerker met een dwarslaesie!  Hij had begrepen waarom Jezus de verlamde man eerst zijn zonden vergaf en daarna pas zei: “Sta op en loop.”

In dit leven geldt niet als eerste: ‘Hoofdzaak gezond!’. Veel belangrijk is: ‘Hoofdzaak een gezonde relatie met God!’

Gods Geest werkt overal: wees er op vakantie getuige van!

Bijbelgetrouwe kerken heb je in Nederland in meervoud. In de rest van de wereld moet je ze vaak met een zaklantaarntje zoeken. Toch zijn ze er wel. De vakantietijd is de ideale gelegenheid om kennis te maken met andere christenen die ook in de Naam van de Heer samenkomen.

Gods Geest werkt in de Alpen

SSRO kruis en logoHier in Nederland kunnen we het ons haast niet voorstellen, maar in heel Oostenrijk en Zwitserland zijn er vijf kleine  Evangelisch-Reformierte Kirchen die samen het kerkverband van de ERKWB vormen. Het jaar 2015 is om twee redenen een bijzonder jaar voor de kleine gereformeerde kerken in de Alpen.

Begin dit jaar meldde zich een zesde kerk aan. Namelijk de ‘Living Spring’-gemeente  uit Zürich. Deze gemeente bestaat uit ethnische Chinezen. Ze willen graag een bijbelgetrouwe gemeente zijn en doordat ze in contact kwamen met ds. Kurt Vetterli uit Basel willen ze zich nu graag aansluiten bij de ERKWB. Tijdens de jaarlijkse synode die op 7 en 8 mei in Wenen gehouden werd, hebben ze zich voorgesteld en is de toelating tot het kerkverband in gang gezet. Deze gemeente houdt kerkdiensten in het Mandarijn-Chinees + één keer in de maand een Duitstalige kerkdienst. De kerkdiensten in het Mandarijn worden via internet ook gevolgd door vele christenen in China. Ook hier geeft de Geest van Christus onverwachtse mogelijkheden en worden deuren  geopend!

Mayer Reinhard und BernadetteNa de zomer zullen er ook wekelijks kerkdiensten gehouden worden in Bludenz. Deze stad ligt zo’n 30 km. ten zuiden van Rankweil. Ds. Reinhard Mayer heeft er contacten opgebouwd met christenen. Nu biedt zich de mogelijkheid aan om na de zomervakantie wekelijks kerkdiensten te gaan houden in het gebouw(tje) van de YMCA in Bludenz. De gemeente in Rankweil is erg blij met die mogelijkheid en ziet daar het werk van Gods Geest in. Christus Zelf opent deuren – van gebouwen en van mensenharten.

Duitstalige kerkdiensten

Deze kerken houden, uiteraard in het Duits, op de volgende tijden hun kerkdiensten.

  1. In Basel komt de Evangelisch-Reformierte Kirche tot en met eind juli 2015 elke zondag om 10.00 uur samen in het CVJM-Haus Riehen, Kornfeldstrasse 83, 4125 Riehen. Voor augustus zie www.erkwb.ch.
  2. In Winterthur komt de Evangelisch-Reformierte Kirche elke zondag om 10.00 uur samen aan de Schlachthofstrasse 19, 8406 Winterthur.
  3. In Wenen komt de ‘New City Wien’-gemeente elke zondag om 16:00 uur samen in de Wiedner Haupstrasse 45-47, 1040 Wien. Zie verder www.newcitywien.at.
  4. In Neuhofen an der Krems komt de Evangelisch-Reformierte Kirche elke zondag om 9:30 uur samen aan de Steyerstrasse 35, A-4501, Neuhofen an der Krems. Maar deze kleine gemeente houdt begin juli haar gemeente-weekend aan de Wolfgangsee. Daar houden ze op zondag 5 juli om 10:30 uur een kerkdienst in de Evangelische Kirche van St. Wolfgang. Dit kerkje staat pal aan het meer aan het eind van van Robert-Stolz-Straße, 5360 St. Wolfgang im Salzkammergut.
  5. In Rankweil komt de Evangelisch-Reformierte Kirche elke zondag om 10:00 uur samen in ‘Gebouw A14’, Feldkreuzweg 13, A-6830 Rankweil. Dit gebouw bevindt pal naast afrit 36 (Feldkirch Nord) van de A14 van Bregenz naar Bludenz.

Zie voor meer informatie de sites www.erkwb.ch en  www.reformiert.at.

Nederlandstalige kerkdiensten in Oostenrijk – Vorarlberg

In Rankweil worden tijdens de zomervakantie voor vakantiegasten uit Zwitserland, Liechtenstein, Vorarlberg en Zuid-Duitsland op drie zondagen Nederlandse kerkdiensten gehouden, namelijk op:

  • Zondag 12 juli – voorgang br. C. Catsburg
  • Zondag 26 juli – voorganger ds. L.E. Leeftink
  • Zondag 2 augustus – voorganger br. Cees Catsburg

Deze diensten worden belegd door de Evangelish-Reformierte Kirche van Rankweil en beginnen om 17.00 uur in ‘Gebouw A14’, Feldkreuzweg 13, A-6830 Rankweil.

De Geest opent deuren en harten

Dat de kerkdeuren van deze kleine gemeentes elke zondag openstaan, is het werk van de Heilige Geest. Elke keer als vakantiegasten uit Nederland de Duitstalige kerkdiensten bezoeken, is dat een enorme bemoediging voor de broeders en zussen in Oostenrijk en Zwitserland.

De kerken in Oostenrijk en Zwitserland hebben een zusterkerkrelatie met de GKV-kerken in Nederland en onderhouden ook persoonlijke contacten met de CGK, de NKG en de HHK. De Stichting Steun Reformatie Oostenrijk ondersteunt de kerken geestelijk en financieel. Meer informatie kun je vinden op de website www.sssro.nl. Daar is ook het Oostenrijkbulletin te lezen, het kwartaalblad van de SSRO. Je vindt er nog meer informatie en verhalen over hoe het Evangelie van Jezus Christus ook in de Alpen mensen raakt. Je kunt je ook abonneren en donateur van de SSRO worden. De broers en zussen in Oostenrijk en Zwitserland stellen belangstelling, gebed en steun uit Nederland zeer op prijs.

Overal vind je christenen – ook op vakantie

Maar voor iedereen die op vakantie gaat naar het buitenland geldt: zoek daar de broers en zussen in het geloof op! Vaak zijn het kleine kerkjes en zijn ze heel erg blij met Nederlandse gasten. Als de diensten in het Duits of Engels zijn, hoeft de taal niet eens het grootste probleem te zijn. Maar ook al zou je maar een klein gedeelte verstaan, dan nog proef je de geloofsverbondenheid! Zoek dus even lekker op internet voordat je weggaat, zou ik zeggen. Iets met ‘kerk’ en ‘gereformeerd’ en ‘evangelisch’ in de taal van dat land, en je vindt vast wel wat in een straal van 50 kilometer. Dat zijn geen afstanden in de vakantie – voor een pretpark maak je hetzelfde ritje ook ;-).

Abortus – NIPT-test – Downsyndroom

Embryo gezichtOp zondag 28 juni 2015 preekte ik over het Zesde Gebod. Daar zegt God: “Pleeg geen moord.” De Heidelbergse Catechismus legt dat onder andere zo uit: “De overheid draagt dan ook het zwaard om de doodslag te weren.” Maar vandaag de dag hebben we in Nederland een probleem. Juist als het om het meest kwetsbaarste leven gaat, geeft de overheid alle ruimte om dat leven vroegtijdig te beëindigen. Dat ligt niet aan de overheid trouwens – in een democratie is de overheid de afspiegeling van wat de burgers vinden. En wat vindt Nederland in grote meerderheid tegenwoordig? Het ongeboren leven heeft nog geen naam en het versleten leven mag geen naam meer hebben. En daarom laten mensen hun te verwachten kindje weghalen als het een afwijking heeft en vragen ze om een spuitje voor hun demente ouders als ze de aftakeling niet meer kunnen aanzien.

De NIPT-test om te checken op het synodroom van Down

In de laatste maanden is er nogal wat ophef geweest over de NIPT-test. ‘De Niet-Invasieve Prenatale Test (NIPT) kan zwangere vrouwen uitsluitsel geven over of het kindje lijdt aan het Down Syndroom’ aldus de omschrijvingen op internet. Tot voor kort had je de combinatietest om te onderzoeken of je zwanger was van een kindje met Down-syndroom. Die werd niet aan iedereen aangeboden, alleen aan moeders met een verhoogd risico. Als daaruit bleek dat je een kans van meer dan 1 op de 200 had op een Down-kindje, kreeg je een vervolgtest, de NIPT-test. Die is nu zover doorontwikkeld, dat minister Schipper de NIPT-test standaard aan wil bieden als zwangerschapstest aan elke vrouw. Net zoals de 20-weken-echo. Allebei met het oog op mogelijke afwijkingen van het nog ongeboren kind in de moederschoot. De 20-weken-echo wordt nog wel eens als een ‘pret-echo’ gezien. Dan weet je wat het wordt en kun je de babykamer alvast blauw of roze inrichten. Maar officieel zegt de overheid nadrukkelijk, dat de 20-weken-echo geen ‘pret-echo’ is. Het gaat om een medisch onderzoek naar de mogelijkheid van afwijkingen. En bij de NIPT-test is dat al helemaal zo, maar dan speciaal om te kijken of er sprake is van het Down-syndroom. En wat is daar de bedoeling van? Op haar website kopt de artsenfederatie KNMG met grote letters:

Goede informatie en keuzevrijheid vrouw essentieel bij NIPT

DownsyndroomToen dacht ik: kijk, hier komt de aap uit de mouw. Je moet wel weten, vindt minister Schippers, of je een kindje met Downsyndroom krijgt. Ook al is die kans maar 1 op de 700 bij vrouwen onder de dertig. En als je dan te horen krijgt, dat je een zoon of dochter met Down krijgt, moet je wel heel erg sterk in je schoenen staan om het te houden, want op dit moment laat 75% van de moeders die de diagnose ‘Down-syndroom’ te horen krijgt, het ongeboren leven wegaborteren. En je mag er niets van zeggen, want volgens de artsenfederatie KNMG is ‘expliciete ruimte en respect voor de keuze na de test essentieel’. Maar dat is wel de keuzevrijheid van de aanstaande moeder. Die gaat boven alles. Ook boven het ongeboren leven. Met als vervelend risico dat de 25% die wel besluit om hun kindje te houden later geconfronteerd wordt met opmerkingen als: ‘Een mongooltje? Die had je toch kunnen laten weghalen?’ Terecht is dan ook volgens mij veel protest geweest tegen de algemene invoering van de NIPT-test.

Eerbied voor het leven begint vroeg

Vraag jezelf eens af of je als christen wel mee zou willen doen aan de NIPT-test. En bereid je er maar op voor, als je wél meedoet en de test wijst uit dat de kans op Down heel erg groot is, dat veel verloskundigen, artsen en gynaecologen als eerste zullen zeggen: ‘We begrijpen het heel goed al je het niet wilt houden.’ Gelukkig, denk ik, is de acceptatie binnen christelijke kringen nog heel erg hoog. Maar wat zeg je als je niet-christelijke collega op het werk zegt: ‘Ik heb de NIPT-test gedaan en het is waarschijnlijk een Downie’. Of je sportmaatje op de sportschool die niets met het christelijk geloof heeft zegt: ‘Mijn vriendin is zwanger en nu blijkt het een kindje met Down te zijn.’ Meer dan 75% kans dat ze erover beginnen dat ze het weg willen laten halen voor de 24e week. Wat voor advies zou jij dan geven?

Moederschoot JeremiaEerbied voor het leven begint vroeg. Het vraagt ook om vertrouwen. Vertrouwen op God. Hij is de Vader van al het leven. Ook het ongeboren leven. Zelfs vóórdat ik verwekt werd, kende Hij mijn naam al en stonden al mijn jaren tot op de dag nauwkeurig in zijn boek opgeschreven, zingt David in Psalm 139. God zegt het Zelf in Jeremia 1. Durf je op die God te vertrouwen? Als het om je eigen leven gaat en om het ongeboren leven? We kunnen wel denken dat we alles zelf in de hand hebben. Maar dat is niet zo. Juist toen ik over het Zesde Gebod nadacht, besefte ik weer, dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat kinderen gezond geboren worden. Soms kunnen er geen kinderen komen. Soms komt de kleine veel te vroeg en mag het na een paar uur alweer terug naar God. Soms is de hele periode van de zwangerschap negen maanden lang afzien. Soms krijg je een kind met een zware handicap. Soms blijkt pas later dat je zoon of dochter een diagnose met bijbehorend rugzakje heeft. En om alle risico’s dan maar zoveel mogelijk uit te sluiten  neemt onze samenleving het recht op leven van ongeboren kinderen in eigen hand. Officieel beslist de moeder. Maar hoe vaak is het ook de druk van de omgeving?

Moord met voorbedachte rade?

Abortus ja of neeAbortus is een grondrecht geworden. Geen eerbied voor het leven, maar meestal moord met voorbedachten rade. In Nederland staat er geen straf op. Maar hoe zouden God de Vader en Jezus onze Heer er over oordelen? God, die een God van liefde en genade is? Jezus bij wie alle kinderen en hun moeders welkom zijn? Veel vrouwen die een abortus ondergaan hebben, kampen later met verlies- en schuldgevoelens. Heel vaak hebben ze hun kindje in gedachten een naam gegeven. Bij God is er vergeving voor elke zonde. En Jezus zei eens tegen een vrouw die zich heel erg schuldig voelde: “Ik veroordeel je niet.” Hij zei er ook nog wat bij: “Ga heen en zondig  vanaf nu niet meer.”

 

Vraag aan iemand die vóór abortus is:

Bent u ook een tiener geweest?                         JA
Bent u ook een kind geweest?                            JA
Bent u ook een baby geweest?                           JA
Bent u ook een foetus geweest?                         JA
Bent u ook een embryo geweest?                      JA
Bent u ook een zaadcel geweest?                      Eh … nee

Dus uw leven begon ook bij de bevruchting …