Op weg naar de hemel – met Christus de dood onder ogen zien (Mark Ashton – 3)

Onvermijdelijke zorgen

Ashton Mark fotoEr zijn onvermijdelijke zorgen. De financiële vooruitzichten voor mijn vrouw als predikantsweduwe zijn slecht (en dat is grotendeels mijn eigen fout). Ondanks mijn vele gebreken als echtgenoot en vader vrees ik dat mijn naaste familie me erg zal missen. Toch, al deze dingen in overweging nemende, is het geen slechte tijd om te sterven. En ik was gewaarschuwd.

Als iemand je vertelt dat je zult sterven, zijn de maanden die volgen geestelijk gezien een erg goede periode. Het nieuws is een geestversterkend medicijn. ‘De lange gewoonte om te leven maakt ons ongeschikt om te sterven’ schreef Sir Thomas Browne. Voor mij als christen was dat zeker waar. Als het er op aan komt was ik meer bereid om te sterven op 8 februari 1968, de dag nadat ik op 20-jarige leeftijd tot geloof kwam, dan in 2008 – 40 jaar later.

De maanden die volgen zijn geestelijk gezien een erg goede periode.

Maar de waarschuwing die ik nu gekregen had, veranderde dat. Ik zie nu dat veel van wat ik nagestreefd en waar ik mijn leven die 40 jaar mee gevuld heb, van twijfelachtige waarde geweest is. Ik doe nu niet meer mijn best om mijn reputatie te verbeteren of van meer betekenis te zijn. Ik realiseer me hoe onbelangrijk dat is. Nu ik bezig ben mijn bezittingen op te ruimen, erken ik hoe ik er mijn leven behoorlijk mee volgestopt heb en hoe weinig ik er eigenlijk van nodig had. Ik had, achteraf gezien, de financiële zaken voor mijn vrouw graag beter hebben willen regelen, maar ik weet dat ‘zonder zorgen achterlaten’ haar in de komende jaren geestelijk niet zal helpen.

Bijbel lezenTerwijl het lichaam aangetast wordt en achteruit gaat, worden geestelijke dingen helderder en duidelijker. Ik zie nu erg duidelijk hoe zondig ik ben en hoeveel invloed dat nog steeds op mijn leven heeft. Ik besef hoe weinig tijd ik over heb om tegen mijn trots, mijn lichtgeraaktheid, mijn gemopper en mijn egoïsme te vechten. Ik moet nadenken over wat ik zeg, want ik heb misschien geen tijd meer om het goed te maken of me te verontschuldigen. Wat de Bijbel hier allemaal over zegt heeft voor mij nog meer gezag en relevantie. Elke dag als ik zijn Woord opensla, spreekt God rechtstreeks tot mijn hart. Daarin vertelt Hij mij wat er achter dit leven ligt. Ik kan het eind van dit leven zien. Het doemt op aan de horizon en het bemoedigt mij als ik bedenk, dat het niet lang meer zal duren voor ik daar ben.

Gods Woord vertelt mij wat er achter dit leven ligt.

Nu de afstand steeds korter wordt, bemoedigt het mij om te des sterker te geloven dat ik de finish zal halen. Ik weet dat dat Gods werk is en niet mijn prestatie. Het is ook een geruststelling om te weten dat het nog een korte tijd zal duren en dat de kans om in grote zonde te vallen afneemt. Ik loop steeds minder risiko mijn roeping te verloochenen en die gedachte geeft mij troost. Ik ben mij er altijd van bewust geweest hoe ontzettend diep de verdorvenheid in mijn hart zit en de gevaren die dat elke dag met zich meebrengt. Nu zijn er veel minder dagen waarin ik die dreiging onder ogen hoef te zien dan ik gedacht had.

Hoop met de dood voor ogen

Gelegenheden om anderen te vertellen over Jezus worden nu belangrijker en urgenter. Onze tijd is zo verstoken van hoop als men de dood onder ogen moet zien, dat er een groot taboe op dit onderwerp rust. Maar als je, zoals ik, dit nieuws te horen gekregen hebt, houdt het je telkens weer bezig, of je het nu wilt of niet. Ik heb geleerd er voorzichtig over te praten nadat ik bij mijn kapper in Eastbourne was geweest. Het meisje dat mijn haar knipte vroeg me hoe het met me ging. Ik antwoordde dat ik net te horen gekregen had dat ik nog maar een paar maanden te leven had. Ik kon geen woord meer uit haar krijgen tijdens de rest van de knipbeurt!

Het is een wonderlijk voorrecht om de hoop op het eeuwige leven met anderen te mogen delen

Maar de angst die mensen voor de dood hebben betekent niet dat ze er niet over na hoeven te denken of dat zich niet bewust zijn dat elk leven daar eindigt. Het is een wonderlijk voorrecht om de hoop op het eeuwige leven met anderen te mogen delen, vooral als het voor de niet-gelovige duidelijk is dat het eeuwige leven voor jou als gelovige een realiteit is. Ik ben er niet zo goed in geweest deze hoop te delen, maar ik ben er dankbaar voor dat ik het een beetje meer durf nu mijn eigen dood nadert, want ik heb geen excuses om erover te zwijgen.

Ashton Mark On my way to heaven

Dit is de derde aflevering van mijn Nederlandse weergave van het boekje On my way to Heaven Facing death with Christ, geschreven door Mark Ashton, predikant van St. Andrews the Great in Cambridge, nadat hij op zijn 60e te horen gekregen had dat hij een ongeneeslijke vorm van kanker had.

Lees ook Aflevering 1 en Aflevering 2.

Op weg naar de hemel – met Christus de dood onder ogen zien (Mark Ashton – 2)

 

“Gedenk Hem – voordat het zilverkoor wordt weggenomen, de gouden lamp gebroken, de waterkruik in stukken valt en het scheprad bij de put stukgebroken wordt. Wanneer het stof terugkeert naar de aarde, weer wordt zoals het was en de adem van het leven weer naar God gaat, die het leven gegeven heeft.” (Prediker 12:6-7)

Ashton Mark fotoIn 2001 bezocht mijn moeder ons in Cambridge. Terwijl zij op een zondag op weg was naar de kerk, viel ze en brak haar heup. Vanaf toen stierf ze een langzame en pijnlijke dood, totdat ze 4½ jaar overleed. Omdat ze stapje voor stapje al haar vrijheid verloor heeft ze vooral psychisch geleden. Aan haar sterfbed bad ik dat ik niet net zo’n lange en (ook al kon ze er niets aan doen) in toenemend mate machteloze ouderdom als haar zou bereiken, waarin ik mijn vrouw en familie tot last zou zijn en mijn vrienden in verlegen zou brengen ‘zonder tanden, zonder ogen, zonder smaak, zonder alles’ (William Shakespeare). Ik zei eens tegen de kerkvoogden van St. Andrew the Great, dat ik tijdens mijn leven niet een probleem wilde zijn voor degenen die voor mij zorgen: een slecht gehumeurde, prikkelbare, snauwerige man voor mijn vrouw, Fiona, terwijl ze me voortduwt in een rolstoel. Eén van de kerkvoogden antwoordde dat de enige verandering in vergelijking met nu de rolstoel was!

Kanker

In het voorjaar van 2007, toen ik een sabbatical had in Nieuw Zeeland, kreeg ik pijn in de buurt van de galblaas. Dat bracht mij in december 2008 uiteindelijk in het Addenbrooke’s Hospital waar een chirurg de galblaas verwijderde. Maar terwijl hij dat deed, vond hij een vorm van kanker die vanuit de galblaas de lever aangetast had. Het was al te laat voor een chirurgische ingreep of voor bestraling en er bleek geen effektieve behandeling met chemotherapie mogelijk te zijn voor galblaaskanker. De oncoloog gaf aan dat ik misschien nog zes tot negen maanden te leven had. Mijn gebed toen mijn moeder stierf was beantwoord. Ik zei tegen de chirurg die mij het nieuws bracht: “Wat u mij zonet verteld hebt is voor een gelovige christen geen slecht nieuws, maar goed nieuws; dit is niet het eind van het verhaal, maar het begin.” (Ik zag in mijn gedachten ook een stripwolkje boven het hoofd van de chirurg verschijnen met de tekst: ‘Deze man zit overduidelijk in de ontkenningsfase’).

Dit is niet het eind van het verhaal, maar het begin.

Maar ik heb 62 jaar een erg gelukkig leven op aarde gehad en Jezus is al meer dan 40 jaar mijn Heer en Redder. Dus ik voelde geen spijt. Mijn voornaamste reaktie daarna was, en is nog steeds, één van dankbaarheid. God heeft alles goed laten verlopen en ik geloof dat Hij dat nog steeds doet. Hij is bezig mij terug te halen bij Hemzelf terwijl ik mij nog helemaal gezond voel, terwijl ik nog aktief ben als predikant, terwijl mijn kinderen inmiddels het huis uit zijn en met hun eigen gezin en carrière bezig zijn, en terwijl mijn vrouw nog steeds de energie en vitaliteit heeft om een nieuwe levensfase in te gaan.

Ashton Mark On my way to heavenDit is de tweede aflevering van mijn Nederlandse weergave van het boekje On my way to Heaven Facing death with Christ, geschreven door Mark Ashton, predikant van St. Andrews the Great in Cambridge, nadat hij op zijn 60e te horen gekregen had dat hij een ongeneeslijke vorm van kanker had. Aflevering 1 kun je hier nalezen.

Op weg naar de hemel – met Christus de dood onder ogen zien (Mark Ashton – 1)

Een boodschap van hoop met de dood voor ogen

Is het werkelijk mogelijk om de laatste fase van ons aardse leven met vertrouwen en zonder angst tegemoet te gaan / onder ogen te zien? Mark Ashton beschrijft zijn eigen ervaringen met de naderende dood vanwege ongeneeslijke kanker. Werkelijk vertrouwen, legt hij uit, vind je in de opstanding van Jezus Christus – een gebeurtenis die, ook al is het 2.000 geleden gebeurd, diepgaande gevolgen heeft voor ons vandaag.

Ashton Mark On my way to heavenDit staat op de achterkant van het boekje dat Mark Ashton schreef in 2009 en dat na zijn dood op 3 april 2010 werd uitgegeven.  De Engelse uitgave heeft als titel On my way to Heaven Facing death with Christ

Het is een klein boekje. Een beetje kabbelend geschreven. Toch is het al een aantal malen herdrukt in Engeland. Ik snap wel waarom. Ook ik ben onder de indruk geraakt van de manier waarop Mark Ashton is omgegaan met het bericht dat hij in december 2008 op zijn 62e, kreeg: “U hebt kanker en het is niet meer te behandelen. U hebt nog hoogstens negen maanden te leven.”  Indrukwekkend, hoe hij met Christus de dood onder ogen kon zien en ervan getuigde dat hij op weg was naar de hemel. Daarom wil ik dit boekje graag in een aantal afleveringen met iedereen delen.

Ashton Mark fotoMark Ashton (1948-2010) was predikant en van zijn 39e tot zijn 62e verbonden aan St. Andrew the Great in Cambridge. Dagblad ‘The Times’ schreef na zijn overlijden dat hij één van de meest invloedrijke bijbelgetrouwe predikanten van zijn generatie was, zowel als herder en leraar. In die jaren groeide zijn gemeente gestaag, o.a. door de vele honderden studenten die graag onder zijn gehoor zaten.

Hoe ga je om met ziekte als je weet dat de artsen niets meer voor je kunnen doen? Mark Ashton heeft het niet alleen opgeschreven, maar ook in juli 2009 onder woorden gebracht in een korte toespraak van vier minuten die op YouTube te vinden is: https://www.youtube.com/watch?v=H7Y_GJMnj_4. Wie alvast wil weten over hoe hij met zijn ziekte omging, kan daar een preview nemen op deze blog-serie.

Dit is de eerste,  inleidende aflevering van mijn Nederlandse weergave van het boekje On my way to Heaven Facing death with Christ, geschreven door Mark Ashton, predikant van St. Andrews the Great in Cambridge, nadat hij op zijn 60e hij te horen gekregen had dat hij een ongeneeslijke vorm van kanker had.

Verwacht een wonder – creëer je eigen teleurstelling

Het is weer raak in christelijk Nederland. Voor- en tegenstanders van gebedsgenezing gaan met elkaar de discussie aan. En op straat wordt met mensen gebeden en gebeuren dezelfde wonderen van genezing als in de tijd van Handelingen. In het Nederlands Dagblad van 4 augustus voerde Hans Maat, de direkteur van het Evangelisch Werkverband binnen de PKN, een pleidooi voor meer geloof in gebedsgenezing, want “Geloof in wonderen is het werk van de heilige Geest” (klik hier). Volgens mij slaat hij, hoe vriendelijk en voorzichtig hij het ook zegt, de plank flink  mis. Wie wonderen verwacht, creëert keer op keer zijn eigen teleurstellingen. 

(De afbeeldingen zijn afkomstig uit ‘Asterix de Galliër’ – editie Lekturama 1989)

Asterix 00011Hans Maat reageert op twee eerdere artikelen in het ND, namelijk een kritische bijdrage over de foute trucs van gebedsgenezing van Wouter van der Toorn (ND 12 juli) en de persoonlijke bijdrage van Annemieke Bosman over het leven met ziekte en pijn (ND 15 juli). Die twee artikelen (evenals een derde, die van Marijke Volgers over Gods waanzinnige reddingsmethoden – ND 18 juli) schuift Hans Maat subtiel  aan de kant, want het zijn “minder goede ervaringen” die “de ruimte voor wonderwerken en tekenen niet [mogen] inperken.” Hier komt de aap al uit de mouw. Ook al gaat er veel mis, toch kiest Hans Maat de kant van christenen die valse verwachtingen wekken als het om wonderen gaat. Dat blijkt uit minstens drie passages uit zijn artikel.

Zo geeft hij als praktisch voorbeeld aan, dat  hij heeft meegemaakt dat “door eenvoudige handoplegging en gebed … je rug geneest, je been wordt verlengd of de kanker verdwijnt.” Ik vind het niet alleen erg ongenuanceerd om deze drie kwalen zomaar op één lijn te plaatsen. Ik vind het ook getuigen van hoogmoed om te verwachten dat God vooral op gebed mensen van kanker  geneest. Volgens mij heeft onze Heer ons in deze eeuw gezegend met voortreffelijke medische  voorzieningen. Daar stellen we misschien wel teveel ons vertrouwen op. Maar het is toch werkelijk God verzoeken als we van Hem iets rechtstreeks willen verwachten, terwijl Hij ons Zelf  de middelen geeft waarlangs Hij genezing wil bewerken.

Asterix 10011

Erger nog vind ik de opmerking, dat het “ervaring en openbaring vereist om te zien wat de redenen zijn waarom iemand niet geneest.” Genezing op gebed zou dus de normale gang van zaken zijn in de tijd tussen Pinksteren en de terugkomst van Jezus. En als het niet gebeurt? Dan moet je maar accepteren dat God soeverein is en als er geen genezing volgt gewoon zeggen, “Ik weet het niet.” Volgens Hans Maat is dat antwoord genoeg. Verbijsterend vind ik dat. Hiermee kweek je valse verwachtingen en creëer je je eigen teleurstellingen. In het Nieuwe Testament zie ik vaker dat gewone gelovigen zieken bezoeken en voor ze bidden, dan dat gewone gelovigen zieken genezen. Ik zie dat in de Bijbel wonderen van genezing de uitzondering zijn op de regel dat God alle dingen doet meewerken ten goed. Ik ben er met Paulus van overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat de heerlijkheid die in de toekomst voor ons is weggelegd. En héél soms ontvangen mensen nu al die heerlijkheid in plaats van het lijden. Dat noemen we dan een wonder. Dank de Heer daar voor, zou ik zeggen. Maar verwacht niet zulke wonderen. Groei liever in de genade en de kennis van onze Heer en Redder Jezus Christus, zeg ik Petrus met zijn laatste woorden na (2 Petrus 3:18).

Asterix 20011

Volgens mij claimen veel mensen die in gebedsgenezing geloven ten onrechte het gezag van Jezus Zelf en de apostelen. Dat gebeurt mede omdat mensen als Hans Maat schrijven: “Als je in geloof bidt, dan gebeuren de dingen die je vraagt, dat is althans de kracht van het geloof. Ik ga daarvan uit en heb een diep vertrouwen: wanneer God spreekt, dan is het er; als God gebiedt, dan staat het er.” Maar sinds wanneer spreekt God  als ik iets van Hem vraag? En sinds wanneer heb ik het recht om ziektes te gebieden iemand te verlaten? En waar in de Bijbel vertelt Jezus mij, dat lichamelijke genezing de regel is bij het ‘Bid en u zal gegeven worden’ (Mat. 7:7 / Luk. 11:9)? Hij belooft Zelf iets anders: ‘Hoeveel te meer zal uw Vader in de hemel het goede / de Heilige Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden.’ (Mat. 7:11b / Luk. 11:13b). Laten we de invulling daarvan alsjeblieft aan God Zelf overlaten. En ons wat meer concentreren op de kracht van het geloof als het grootste geschenk van de Heilige Geest in alle omstandigheden dan op wonderen van lichamelijke genezing.

Asterix 30011

Geloof ik dan niet in wonderen van lichamelijke genezing? Jawel. Ik heb er heel af en toe uit betrouwbare bron van gehoord en ik heb ze heel af en toe zelf ook meegemaakt. Maar ik verwacht geen wonderen. Dan zou ik het namelijk normaal gaan vinden dat God mensen van ziektes geneest. En tegelijk zou ik, denk ik, ook heel snel mijn geloof verliezen, omdat de ziekenhuizen nog steeds vol met mensen die niet genezen, terwijl er wel voor hen gebeden wordt (maar meestal niet met hen door die zgn. gebedsgenezers, want die doen dat alleen maar op straat of in hun eigen ‘hall of fame’). Gelukkig heeft God ons iets anders beloofd, denk ik dan maar. Namelijk dat Hij er altijd bij is, hoe de levensweg ook gaat.

Tenslotte: er zijn ook evangelische christenen die erg kritisch tegenover de bewering dat wij vandaag op dezelfde manier de zieken kunnen en mogen genezen als onze Heer Jezus Christus en zijn apostelen toen. Dat kun je nalezen in mijn blog over ‘Dove kwartels en blinde vinken’.

De doop van Johannes de Doper en de christelijke doop (2)

In deel 1 ben ik ingegaan op de vraag naar de verhouding tussen de doop van Johannes de Doper en de christelijke doop. Die twee dopen kun je volgens mij niet aan elkaar gelijkstellen. Maar hoe zit het dan met de eerste volgelingen van de Heer Jezus? Zijn zij twee misschien twee keer gedoopt? En wat betekent dat voor vandaag als mede-christenen zich laten herdopen? Daar wil ik in dit tweede artikeltje iets over zeggen.

Zijn een aantal van de eerste christenen die tot geloof kwamen twee keer gedoopt?

Op deze vraag zijn twee antwoorden te geven.

JA – sommige van de eerste christenen zijn door Johannes én door Jezus of zijn apostelen gedoopt.

Een heel opmerkelijk stukje in de Bijbel kun je vinden in Hand. 18:24 – 19:6. Daar staat eerst dat er een rondreizend prediker is met de naam Apollos die alleen nog maar bekend was met de doop van Johannes en de mensen er nu op wees dat ze zich klaar moesten maken voor de komst van de Heer. En even later gaat het over een groep van zo’n 12 gelovigen die alleen nog maar met de doop van Johannes gedoopt zijn. Zij worden door Paulus ‘bijgepraat’ en daarna in de naam van de Heer Jezus gedoopt. Als het om de doop van Johannes en de christelijke doop gaat is het dus wel zeker dat sommige mensen twee keer gedoopt zijn. Misschien gebeurde dat al wel in de tijd van Johannes de Doper zelf. Er gDoop Jezus Jordaan glas in loodingen immers veel mensen van Johannes naar Jezus toe. Johannes stimuleerde dat ook, want als de bruidegom gekomen is, moet die alle aandacht krijgen en niet de ceremoniemeester. Andreas was één van de eersten die op advies van Johannes achter Jezus aan ging (Joh. 1:35-39). Volgens prof. dr. J. van Bruggen is het goed mogelijk dat hij en alle anderen die Jezus erkenden als het Lam van God en als Christus hun Heer, zich ook door Hem of door zijn apostelen hebben laten dopen. Ook is het aannemelijk, zoals dr. P.L. Voorberg schrijft, dat er onder de 3.000 mensen die zich met Pinksteren door Petrus en de andere apostelen lieten dopen, een flink aantal geweest is dat een aantal jaren ervoor zich door Johannes de Doper heeft laten dopen.

Zelf denk ik dat het ook een verklaring zou kunnen zijn voor het feit dat Petrus en de andere apostelen alleen de ‘nieuwe’ gelovigen met Pinksteren dopen. Zijzelf en de 120 andere leerlingen christenen die met Pinksteren bij elkaar waren, waren immers tijdens het leven van Jezus op aarde al volgelingen van de Heer geworden? Het lijkt mij aannemelijk dat ze door Jezus Zelf of door zijn eerste apostelen gedoopt zijn. Maar zeker weten doen we het niet. Wat niet duidelijk in de Bijbel staat en wat je ook niet uit de grote lijnen kunt afleiden, moet je er ook persé niet in willen lezen.

Maar er is nog een tweede antwoord mogelijk op de vraag of sommige christenen in het N.T. twee keer gedoopt zijn. En dat antwoord is:

NEE – niemand van de eerste christenen is twee keer met de christelijke doop gedoopt. 

Algemeen wordt erkend dat de doop van Johannes de Doper een voorbereidingsdoop is. Het was een tijdelijk symbool. De christelijke doop is een andere doop. Het is een blijvend teken. Met de doop in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest word je voor de rest van je leven aan de Drie-Enige God verbonden, samen met de andere gelovigen. Deze doop wordt in heel de Bijbel nooit herhaald, omdat het Jezus Zelf is die in de doop door zijn Heilige Geest mensen toevoegt tot de kring van hen die behouden worden (Hand. 2:47 – NV’51). Alle gelovigen zijn door de ene Geest van Christus tot één lichaam gedoopt (1 Kor. 12:13 – NV’51). In heel het Nieuwe Testament wordt die doop nooit in twijfel getrokken. Je doop is wel telkens een motivatie om als christen Christus ook echt te volgen in je leven. En een herinnering dat God je altijd als zijn geliefd kind ziet, hoe ver je ook afgedwaald bent. De christelijke doop gaat een leven lang mee. Die kan en mag en hoeft nooit opnieuw herhaald te worden. Want voor God geldt: Als wij Hem ontrouw zijn, blijft Hij ons trouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet (2 Tim. 2:13).

Waterdruppel  1De christelijke doop in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest is dus eenmalig en onherhaalbaar. Toch komt herdoop nog steeds voor. In de oude kerkgeschiedenis soms bij afvallige gelovigen die weer tot inkeer kwamen (rond het jaar 200 na Christus) of omdat men na een kerkscheuring de doop in de andere kerk niet erkende ((rond het jaar 400 na Christus). Sinds de tijd van de Reformatie tot vandaag toe omdat wederdopers en baptisten het geloof van de dopeling als absolute voorwaarde voor de doop zien. In beide gevallen werd ontkend dat de eerdere doop een echte doop was. Dus vond men zelf ook niet dat er sprake was van een herdoop.

Pas sinds een jaar of 50 is er een stroming binnen de evangelische beweging die vindt dat het helemaal niet erg is om je doop te herhalen. En dan wordt al snel de doop van Johannes de Doper aangehaald als argument: Paulus herhaalde die doop ook in Hand. 19:1-6. Dat is volgens mij dus geen goed argument, want het zijn twee verschillende dopen.

Duif KruisDe christelijke doop is per definitie niet-herhaalbaar. Want het is een teken van God, net als de besnijdenis. Het begint ermee dat God volwassenen roept (Abraham in het O.T. / alle aanwezigen op de Pinksterdag) en iedereen die die oproep van God in geloof aanneemt, wordt mét zijn kinderen besneden of gedoopt. En voortdurend klinkt dan de oproep om het niet bij de buitenkant te laten, maar ook je hart steeds weer te laten besnijden en je innerlijk steeds weer te laten schoonwassen, zodat de Heilige Geest alle ruimte krijgt om het geloof in jou te groeien. Want dat is Gods verlangen met iedereen die Hij in zijn royale goedheid een plekje dicht bij Hem gegeven heeft. Dat plekje héb je als je in het O.T. besneden was en in het N.T. gedoopt bent. En het antwoord van het geloof is net zo belangrijk, maar daar hangt de geldigheid van Gods beloften in besnijdenis of doop niet vanaf. 

Daarom is alle eeuwen door steeds de overdoop afgewezen en zal daar in onze kerken ook nooit gelegenheid voor gegeven worden (uitzonderingen daargelaten, bv. wie in een echte sekte gedoopt is – maar dat is een ander verhaal). Wie als kind van gelovige ouders op latere leeftijd besluit zichzelf nog een keer te laten dopen, verklaart daarmee dat de doop als kind geen echte doop was, hoe goed de ouders het ook bedoelden en hoe serieus ze ook op grond van die kinderdoop werk van de geloofsopvoeding gemaakt hebben. Zo’n overdoop is een dwaling. Want wat God begonnen is, kun je niet overdoen. Je bent door de doop al op Naam van Jezus gezet. Hij vraagt alleen maar aan je om zijn keus voor jou met geloof te beantwoorden. Jouw geloof is de vervulling van zijn belofte om jou met zijn Geest te vervullen.

De doop van Johannes de Doper en de christelijke doop (1)

Begin dit jaar preekte ik over de doop van onze Heer Jezus in de Jordaan. Die doop werd in eerste instantie door Johannes geweigerd. Verder houden we tussen Kerst en Pasen in onze kerk een tiental Markus-avonden n.a.v. het materiaal van Christianity Explored. Ook daar kwam de doop van Johannes de Doper aan bod. Tenslotte had ik de laatste twee weken van januari studieverlof. Ik las veel over de betekenis van de doop en ben bezig met het schrijven van overdenkingen bij het doopformulier. Ook hier komt de doop van Johannes telkens om de hoek kijken.

De twee vragen die vooral naar voren komen zijn deze: 1/ Hoe is het verband tussen de doop van Johannes en de christelijke doop vanaf Hemelvaart en Pinksteren? En 2/ Zijn de twaalf apostelen en de mensen die met Pinksteren tot geloof kwamen, twee keer gedoopt?

Dat zijn interessante vragen. De moeite waard om over na te denken. Soms hoor je ook nog wel eens zeggen, dat het helemaal niet zo erg is als je voor de tweede keer gedoopt wordt, omdat de leerlingen van Jezus en veel gelovigen met Pinksteren waarschijnlijk ook twee keer gedoopt waren – eerst door Johannes de Doper en daarna door Jezus Zelf of door de apostelen.

Het verband tussen de doop van Johannes en de christelijke doop

Doop Jezus Jordaan glas in loodSommige gereformeerde theologen stellen de doop van Johannes de Doper en de christelijke doop in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest aan elkaar gelijk. Volgens prof. dr. H. Bavinck heeft God de doop ingesteld bij Johannes (Luk. 3:2+3 en Mat. 21:25). Jezus heeft die doop Zelf ondergaan én overgenomen, zodat zijn leerlingen in die tijd ook al gelovige Joden gingen dopen in zijn naam (Joh. 3:22 en 4:1+2). Na zijn opstanding gaf Jezus zijn leerlingen de opdracht deze doop uit te breiden tot de gelovigen uit alle volken. Bavinck haalt daarbij ook nog als argument aan, dat Petrus op Pinksteren net als Johannes de Doper er bij de mensen die naar hem komen luisteren op aandringt dat ze zich laten dopen na bekering tot vergeving van hun zonden (Hand. 2:38)

Andere gereformeerde theologen vinden dat er toch echt wel een verschil tussen beide dopen zit. Prof. dr. J. van Bruggen is van mening dat de doop van Johannes de Doper het karakter van boetedoening heeft. Johannes zelf sprak daarbij geen doopformulering uit, want de mensen deden zelf belijdenis van hun zonden. Door de christelijke doop word een dopeling met een officiële verklaring aan de Drie-Enige God verbonden. Dr. P.L. Voorberg geeft daarbij aan, dat de doop van Johannes nog bij het Oude Testament hoort. Hij noemt de doop van Johannes ‘een preparatiedoop’: daarmee wees Johannes vooruit naar de komst van Messias en de mensen die zich lieten dopen bereidden zich voor op zijn komst. Het was dus een tijdelijke doop met een ander karakter dan de christelijke doop. Die is teken van Gods verbond en lijft de gelovigen in bij het volk van God, zoals dat in het Oude Testament door de besnijdenis gebeurde.

De doop van Jezus en zijn leerlingen

Ik geloof dat deze laatste visie het meest aannemelijk is. Maar wie deze mening is toegedaan zit wel met een probleem(pje). Namelijk: in het Evangelie van Johannes staat, dat Jezus en zijn leerlingen ook in de Jordaan doopten (Joh. 3:22 en 4:1-2). Hoe moet je die doop zien? Was dat een soort uitbreiding van de doop van Johannes? Of is dat een nieuwe doop als vervolg op die van Johannes? Of moet je het zelfs beschouwen als het begin van de christelijke doop die na Pinksteren wordt uitgebreid tot alle volken?

Duif KruisUit het Evangelie van Johannes kun je duidelijk opmaken dat het bij de volgelingen van Johannes de Doper overkomt als concurrentie. Maar Johannes ziet dat zelf heel anders. Het is juist goed dat de mensen naar Jezus gaan, want Hij is de Messias en de Bruidegom, dus “Hij moet groter worden en ik kleiner” zegt Johannes (Joh. 3:30). Wie dus naar Jezus overloopt, doet precies wat altijd de bedoeling van Johannes is gewest: bereid je erop voor om volgeling van de Messias te worden. Dat gebeurt als mensen zich laten dopen door Jezus en zijn leerlingen.

De doop van Johannes is dus een voorbereidingsdoop. De doop van Jezus en zijn apostelen is een doop waarbij men Hem erkent als de gekomen Verlosser, de beloofde Zoon van God en het Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt. Volgens prof. dr. J. van Bruggen en dr. P.L. Voorberg lijft de doop die Jezus en zijn apostelen in zijn naam bedienden, de mensen in de gemeenschap van Christus en maakte het de mensen tot volgeling en leerling van Christus. Dat gebeurde in een eerste fase dus al gelijktijdig met de doop van Johannes (die dan ook al snel van het toneel verdween). Het zou een verklaring kunnen zijn waarom je in het Bijbelboek Handelingen regelmatig leest dat mensen ‘op/in de naam van Jezus’ gedoopt worden. En het zou ook kunnen verklaren waarom je aan het eind van Mat. 28 niet leest, dat Christus de doop echt instelt, zoals bij het Avondmaal wel het geval is, maar dat Hij alleen maar de opdracht geeft om alle volken in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest te dopen. Binnen Israel waren namelijk al een heleboel mensen op naam van Jezus gezet. Na Goede Vrijdag, Pasen en Pinksteren gaat de christelijke doop zijn tweede, wereldwijde fase in en wordt het ook echt het nieuwe verbondsteken die bij het vernieuwde verbond van God hoort.

Ik geloof wel in deze gedachtegang, maar er zitten wel een paar haken en ogen aan. Dr. P.L. Voorberg zegt nl. ook dat de christelijke doop vóór de Hemelvaart een vervolg-johannesdoop was, nog niet met water én Geest en een doop zonder woorden. Pas na Pinksteren wordt het echt een doop waarmee iemand met zoveel woorden op naam van de Drie-Enige God gezet wordt. Door deze typeringen te gebruiken wordt het verschil al stukken minder groot. In die tijd heeft men in de praktijk niet zoveel verschil gezien tussen de doop van Johannes de Doper en die van Jezus met zijn eerste apostelen. Maar ook al zie je het verschil niet zo goed, het karakter van de doop van Jezus is inderdaad wel een andere dan die van Johannes de Doper.

DOVE KWARTELS en BLINDE VINKEN – gebeuren er vandaag nog wonderen van genezing?

In de Bijbel staat dat Jezus talloze mensen genezen heeft. Maar bij één genezing is iets opmerkelijks aan de hand. Daar geneest Jezus iemand een blinde man in twee etappes. Dat is opmerkelijk. Wat wil dat gedeelte ons vandaag zeggen over genezing? Belooft God vandaag nog dezelfde lichamelijke genezingen als in de tijd van Jezus?

Ze kwamen in Betsaïda. Er werd een blinde bij hem gebracht, en men smeekte hem om de man aan te raken. Hij pakte de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Hij deed wat speeksel op zijn ogen, legde er zijn handen op en vroeg: ‘Ziet u iets?’ Hij begon weer te zien en zei: ‘Ik zie mensen, het zijn net bomen, maar ze lopen rond.’ Daarna legde hij weer zijn handen op de ogen van de blinde. Deze sperde zijn ogen open en genas; hij zag alles nu heel helder.  Hij stuurde hem naar huis met de waarschuwing: ‘Ga het dorp niet in!’ (Markus 8:22-26)

Genezing vandaag volgens Willem J. Ouweneel

Ik las naar aanleiding van dit verhaal het boek van Willem J. Ouweneel, Geneest de zieken! Hij gelooft dat de opdracht tot genezing en de gave van genezing vandaag nog steeds geldt. Hij moet wel erkennen, dat bij de gebedsgenezers van vandaag lang niet alle zieken genezen worden. Maar dat is niet erg, zegt hij, want uit dit verhaal blijkt, dat Jezus ook niet in één keer alle zieken beter maakte. niet meteen iedereen genezen wordt. Want kijk maar naar onze Heer Jezus Zelf: Hij maakte ook niet in één keer iedereen meteen weer gezond. Deze blinde man was eerst maar half genezen. En dan noemt Ouweneel ook nog voorbeelden zoals in Johannes 19, waar Jezus een andere blinde man ook met spuug op de ogen naar het badhuis stuurde. Pas daar werd hij genezen. Of neem Lukas 17, waar Jezus tien melaatsen ook niet meteen genas, maar de opdracht gaf dat ze zich moesten laten zien aan de priesters. Pas onderweg werden ze weer beter. Je leest ook dat boze geesten en demonen, zoals bv. in Markus 9 met die epileptische jongen, pas na veel geschreeuw en stuiptrekkingen iemand op bevel van Jezus verlaten. Oftewel: ook Jezus geneest niet altijd onmiddellijk (Ouweneel, blz. 32). Dus moet je ook de gebedsgenezers van vandaag niet afrekenen op het feit dat bij hen niet alle zieken genezen. Sterker nog: vandaag wil Jezus dat wij nog op dezelfde manier mensen genezen als Hij toen in en rond Israel deed.

Drie keer een evangelische correctie

Deze visie op gebedsgenezing is nogal eenzijdig. Ik sloeg er nog drie boeken op na, allemaal van evangelische auteurs, dus uit zeer onverdachte hoek. Die geven alle drie aan, dat er in onze tijd geen belofte en ook geen opdracht meer van God bestaat om alle zieken te genezen.

Genezing vandaag volgens Richard Mayhue

*1 Als eerste noem ik het boek van Richard Mayhue, De belofte van genezing. Hij zegt over bovengenoemde drie ‘uitgestelde’ genezingen: “Bij elk van de drie gevallen waarin er een kort tijdsoponthoud was, was de volledige genezing binnen een paar minuten compleet – niet de dagen, weken of jaren die gebedsgenezers gebruiken om de afwezigheid van een onmiddellijke genezing te rechtvaardigen en het nog steeds een wonderbaarlijke Goddelijke genezing te noemen.” (blz. 63). Oftewel: het ging bij het uitstel slechts om minuten en dat de betrokken mannen werden volledig genezen waren (cursief van Mayhue, blz. 104). Voor vandaag geldt wat Joni Eareckson-Tada (een christen Joni Tada Earicksondie al 40 jaar na een duik in ondiep water met een dwarslaesie in een rolstoel zit) in een interview in dit boek zegt: “Ik geloof echt dat genezing de uitzondering op de regel is – waarbij de regel is dat God heden ten dage niet altijd op wonderbaarlijke wijze zal genezen, net zoals Hij niet meer op wonderbaarlijke wijze mensen uit de doden opwekt of mensen op water laat lopen.”(blz. 234).

Genezing vandaag volgens John F. MacArthur jr.

2* Een andere evangelische theoloog, John F. Mc. Arthur jr., schrijft in zijn boek De charismatische verwarring over de genezingen van Jezus, dat die zeven kenmerken hebben. Als Hij iemand geneest, doet Hij dat bijna altijd op deze manieren (blz. 202-204):

  1. Jezus geneest door een woord of aanraking. “Dat ging zonder uiterlijk vertoon en daar was geen bijzondere omgeving voor nodig.”
  2. Jezus geneest onmiddellijk. Het is opvallend hoe vaak je leest dat Jezus iemand ‘op hetzelfde moment’ of ‘meteen’ geneest (Mat. 8:13, Mar. 7:35, Luk. 5:13, Joh. 5:9). Jezus bracht nooit een genezing door middel van een geleidelijk proces waarbij het steeds beter met iemand ging.
  3. Jezus geneest volkomen. De schoonmoeder van Petrus is meteen van haar hoge koorts af (Luk. 4:39). “Er was geen tijd voor herstel nodig. Jezus gaf haar niet het advies wat bouillon te drinken en het de eerste weken rustig aan te doen.” Oftewel: haar genezing was ogenblikkelijk en totaal. Net als al Jezus’ genezingen.
  4. Jezus geneest iedereen. De mensen kwamen van alle kanten op Hem af (Mar. 1:45) en tot ver na zonsondergang legde Jezus hun één voor één de handen op, aan welke kwaal ze ook leden (Luk. 4:40). Hij maakte zonder uitzondering iedereen weer gezond (Luk. 9:11). “Jezus liet geen lange rijen teleurgestelde mensen achter die in hun invalidenwagens weer naar huis moesten. Hij had geen genezingsdiensten of programma’s die in verband met vertrektijden van vliegtuigen of het eindigen van de zendtijd op zeker moment moeten worden beëindigd.”
  5. Jezus geneest organische zieken. Het gaat bij Hem altijd om ernstige ziekten en zichtbare handicaps zoals melaatsheid, blindheid, doofheid, verlamdheid enzovoort. “Jezus wandelde niet door Palestina om alleen maar rugklachten, hartkloppingen, hoofdpijnen en andere onzichtbare ziektes te genezen.”
  6. Jezus wekt de doden op. Dat is de meest indrukwekkende manier van genezing: een meisje van 12, een jongen van rond de 20, een goede vriend van een jaar of 40. “Mensen die zeggen dat de gave van genezing ook vandaag nog bestaat spenderen niet veel tijd aan rouwcentra, begrafenisstoeten of kerkhoven.”
  7. Jezus geneest vrijwel altijd in het publiek. Men stond erbij en keek ernaar. Niemand kon het ontkennen. Het was voor iedereen te controleren. Al zijn wondertekenen zijn opgeschreven om aan te tonen ‘dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leeft door zijn naam.’ (Joh. 20:31).

MacArthur trekt een paar pagina’s verder de conclusie, dat de gave der genezing één van de wondertekenen was die Jezus uit Zichzelf bezat en gebruikte en die Hij door zijn Geest ook aan de apostelen had gegeven om daarmee “het gezag van de evangelieboodschap in de eerste jaren van de kerk te bevestigen.” De gave van genezing was niet  bedoeld als permanente gave omdat God zou willen dat iedere christen in dit leven gezond is en blijft. “God wil dat mensen naar Hem toekomen in berouw over hun zonde en om Hem groot te maken, niet omdat ze Hem zien als een medicijn voor hun lichamelijke ziekten waaraan ze nu lijden.” (beide keren blz. 207). Volgens MacArthur is het principe duidelijk: “Als we ziek worden, moeten we bidden; we moeten ook de hulp inroepen van bekwame artsen en we moeten ons van ganser harte overgeven aan de volmaakte wil van God.” Want: “God heelt op zijn eigen tijd, op zijn eigen wijze en overeenkomstig zijn eigen soevereine wil en welbehagen.” (beide keren blz. 211).

Genezing vandaag volgens Brad Burke

3* De evangelische arts Brad Burke denkt er in zijn boek Doet God nog steeds wonderen? net zo over. Hij gelooft dat God nog altijd wonderen van lichamelijke genezing  doet, maar dat ze in het algemeen zeldzaam zijn. Hij schrijft: “Ik heb voor mijn werk vele duizenden uren doorgebracht in Canadese en Amerikaanse ziekenhuizen en zorg verleend aan de ziekste en meest gehandicapte mensen die je je voor kunt stellen. Er waren patiënten bij met een dwarslaesie, die nooit meer in staat zullen zijn om te lopen. Nog nooit heb ik gezien of gehoord dat iemand met de gave van genezing een ziekenhuis binnenwandelde en een dergelijke patiënt genas. Jezus en zijn discipelen deden dat wel.” (blz. 156) Hij dringt er op aan “om de term wonder te reserveren voor genezingen van het kaliber dat Christus en de apostelen verricht hebben.” (blz. 140). Hij gelooft dat de gave van genezing nog wel een keer terugkomt, maar dan in het Duizendjarig rijk. Voor de tijd tussen Pinksteren en Jezus’ terugkomst zullen de gelovigen wel grotere dingen doen dan Jezus deed (Joh. 14:12), maar dan gaat het niet om grotere wonderen, maar om een grotere impact. Want Jezus geeft zijn volgelingen zijn Geest en daardoor komen wereldwijd miljoenen mensen tot geloof, te beginnen met 3.000 gelovigen na één preek van Petrus!

Wie is vandaag de dove kwartel en de blinde vink?

Vlak vóór het verhaalde van de blinde man die in twee etappes genezen staat het verhaal van de dove man die ook wat ingewikkeld genezen wordt (Markus 7:31-37). Daar tussenin staat de verzuchting van Jezus richting de leerlingen: “Begrijpen jullie het dan nog niet?” (Markus 8:21) Zij gedragen zich als dove kwartels en blinde vinken als het om de vraag gaat, waar Jezus echt voor kwam. En bij mij dringt het vaak maar net zo langzaam door dat Jezus niet gekomen is om mijn aardse geluk veilig te stellen, maar dat ik mij in God verheugen mag omdat dankzij Hem mijn naam in de hemel opgetekend is (Lukas 10:20). Nick VujicicDat is volgens mij de kern van het geloof: via Jezus komt God mijn leven binnen. Omdat Hij van mij houdt. Omdat Hij mij alles geeft en vergeeft. Dan draait het niet meer om mijzelf. Dan draait het om Hem. Of ik nu genezen word of niet. Nick Vujicic, de man zonder armen en benen, vertelde eens, dat hij zijn problemen met Jezus bespreekt (bekijk en beluister, met Nederlandse ondertiteling, https://www.youtube.com/watch?v=urHz2neMbZs). Want Jezus belooft nergens dat de storm in je leven meteen op zal houden, maar wel dat Hij je vast en warm houdt totdat de storm is uitgeraasd. Dan is het in de storm ook goed, want Hij is er al die tijd bij.

Vergeving – moeilijk, mogelijk, (te) makkelijk

Iemand echt vergeven is moeilijk. Iemand oprecht om vergeving vragen is net zo moeilijk. Soms lukt het wederzijds. Soms komt het van één kant. Soms claimt een dader te makkelijk vergeving. Van alle drie wil ik een voorbeeld geven.

Wederzijdse verzoening

Eén van de meest bekende foto’s uit de Vietnamoorlog is die van het kleine meisje dat huilend en met uitgestrekte armen op de cameraman afloopt tijdens een bombardement van de Amerikanen op haar dorp om daar de terroristen van de Vietcong te verjagen. Door de napalmbommen hadden de kleren van Kim Phuc vlam gevat. Zelf liep ze derdegraads verbrandingen op aan haar rug en armen. In 1992 wist Kim uit communistisch Vietnam naar Canada te vluchten en kreeg daar politiek asiel. Ze woont nu in Toronto. Vietnam Meisje toen en nuZe heeft nog elke dag veel last van haar verwondingen en duidelijk zichtbare littekens. Eén van de officieren die verantwoordelijk was voor het bombardement was helikopterpiloot John Plummer. Hij zag een paar dagen later de foto en heeft de jaren daarna veel last gehad van nachtmerries en depressieve periodes. In 1996 vernam John dat Kim zou spreken op een veteranendag in Washington DC, niet ver van zijn huis. Hij ging er heen en hoorde, hoe Kim tegen de aanwezigen zei: ‘Als ik nog eens face tot face zou kunnen spreken met de piloot die de bommen boven ons dorp afwierp, zou ik hem vertellen dat ik hem wil vergeven.’ John schreef een briefje met daarop ‘Ik was die man’ en drong aan het eind van haar toespraak door de menigte heen en zag kans haar aandacht te trekken. Hij vertelde dat hij de man was die 24 jaar eerder die bommen had laten vallen. En wat deed Kim? Ze zag het verdriet en de pijn in zijn ogen en stak haar armen uit. John omhelsde haar snikkend en kon alleen maar zeggen: ‘I am so sorry. I am just so sorry.’ En tegelijk zij Kim: ‘It is all right. Ik vergeef je. Ik vergeef je.’ Op dat moment duurde het maar twee minuten, maar ze bleven kontakt houden. Vijf maanden later hebben ze elkaar weer ontmoet en hun verhaal in de krant gedaan. Met een foto waarop ze haast onbegrijpelijk innig en vriendschappelijk naast elkaar zitten. Kim vertelde John opnieuw, dat ze hem had vergeven. En dat ze dat kon, vertelde ze, omdat ze in Canada christen geworden was. Vergeving en verzoening, het kan dus!

Bereid om te vergeven

Maar als het van één kant moet komen? Hoe kun je dan vergeven? In de jaren ’80 van de vorige eeuw was er in Amerika een seriemoordenaar aktief. Hij stond bekend als de Green River Killer, omdat de lichamen van een aantal vermoorde vrouwen in de Green River gedumpt waren. Pas in 2001 kreeg de politie door een DNA-match de dader te pakken. Het bleek Gary Ridgway te zijn. Hij bekende maar liefst 48 moorden. In november 2003 werd hij veroordeeld tot 48x levenslange opsluiting in volledige afzondering. Tijdens het proces mochten de nabestaanden van de slachtoffers hun gevoelens uiten. Je kunt je wel voorstellen hoe ze reageerden.  Maar het optreden en de woorden van Robert Rule, de vader van Janie Rule, maakten de meeste indruk. Janie was in 1980 op haar 14e van huis weggelopen en op haar 16e op gruwelijke wijze door Gary Ridgway omgebracht. Wat Robert Rul tegen Gary Ridgway zei was het volgende: “Meneer Ridgway. Ehm … er zijn mensen hier die u haten. Ik ben niet één van hen. U heeft het moeilijk gemaakt om te kunnen voldoen aan wat ik geloof. En dat is wat God zegt om te doen. En dat is om te vergeven. U bent vergeven, meneer.” Robert Rule, de vader van Janie, had de moed en de kracht om de moordenaar van zijn dochter te vergeven. En je merkt aan alles, dat het hem niet gemakkelijk af ging, integendeel. Toch wil hij het en doet hij het ook. Die houding kun je, denk ik, het beste met de Heidelbergse Catechismus omschrijven als ‘een bewijs van uw genade in ons, dat wij het vaste voornemen hebben onze naaste van harte te vergeven’.

‘God heeft mij vergeven, dat geeft innerlijke rust’

In het Nederlands Dagblad van 14 januari 2016 stond het verhaal van een ex-predikant die ruim twee jaar een meisje van rond de 16 misbruikt heeft. Het meisje wilde met haar dominee praten over eerder seksueel misbruik door haar stiefopa. Uit het verslag blijkt, dat de dader een drietal externe redenen noemt als oorzaak, dat heel het gebeuren grote gevolgen heeft gehad voor hem en zijn gezin en dat het slachtoffer hem er met opzet in heeft laten lopen. Verder is te lezen dat de verdachte spijt heeft van zijn daden en alleen zichzelf schuldig acht, en niet zijn slachoffer. Maar in de publieke zitting zei hij ook tegen de rechtbank: “Ik weet dat Jezus Christus voor al mijn zonden geleden heeft. Hoe de uitspraak ook zal zijn, dit geeft innerlijke rust.” Het gevolg was, dat het slachtoffer hevig geëmotioneerd raakte en ‘boos snikkend’ de rechtszaal verliet. Hier zie je een dader die niet in wil zien of niet in kan zien, wat de schade is die hij door zijn misdaden bij anderen heeft aangericht. Als dader voelt hij zich vergeven door God. Maar aan zijn omgeving heeft hij nog steeds geen boodschap. Voor de ‘aanpalende schade’ voelt hij zich niet verantwoordelijk. Volgens mij eigent een dader zich dan te snel Gods vergeving toe. Alsof vertikale vergeving (herstel van de relatie tussen God en een dader) los staat van horizontale vergeving (herstel van de relatie tussen dader en slachtoffers in de breedste zin van het woord).

Drie posities als het om vergeving gaat

In Matteüs 18:22 draagt Jezus ons op een ander tot 70×7 maal te vergeven. En in Lukas 17:4 zegt Hij, dat je bereid moet zijn om iemand 7x per dag te vergeven. Die opdracht om onbeperkt te vergeven lijkt onmogelijk. Dat kan niet uit eigen kracht. Het lukt je alleen maar, als je steeds weer onder de indruk komt van de overvloed van vergeving die God schenkt. En dan nog … hoe kun je de bereidheid en het vaste voornemen om te vergeven opbrengen als je heel diep gekwetst bent en hele pijnlijke ervaringen hebt meegemaakt? Of als een dader te snel vergeving voor zichzelf claimt en geen rekening wil houden met de gevolgen en de gevoelens van zijn misdaad bij de direkte en indirekte slachtoffers? Zelf denk ik, dat echte vergeving van twee kanten moet komen. Niet alleen vertikaal met God, maar ook horizontaal, tussen mensen onderling, zoals bij Kim Phuc en John Plummer. Als dat niet kan, roept Jezus mij op tot vergevingsgezindheid. Stel dat degene die jou iets verschrikkelijks heeft aangedaan pas jaren later mij op de stoep staat en me om vergeving vraagt. Hoe ver ben ik dan in het proces van vergeving? Kan ik mijn dader toespraken zoals Robert Rule Gary Ridgway vergaf? Als mij dat echt niet lukt, wijst Paulus nog een derde weg. Namelijk: koester geen haat en neem geen wraak, maar laat het over aan God. Hij heeft immers gezegd: “Het is aan Mij om wraak te nemen, Ik zal het vergelden.” (Romeinen 12:19). Zelfs dat is niet altijd even makkelijk. Want dan duurt het wachten op gerechtigheid voor je gevoel wel heel erg lang.

Iemand vergeven valt niet mee. Zelf vergeving vragen en van vergeving leven is net zo moeilijk. Toen Jezus zijn leerlingen voorhield dat ze onbeperkt moesten vergeven, zeiden de apostelen tegen de Heer: “Geef ons meer geloof!” (Lukas 17:5). Alleen zo is het mogelijk.

 

HAASTIGE SPOED in 2016

Anna en Meinke Weerstand hebben ijzelpret

Anna en Meinke Weerstand hebben ijzelpret

Toelichting: ondanks de ijzel ging de Middagpauzedienst in de Bethelkerk in Assen gewoon door. Tien dappere aanwezigen trotseerden de gladheid. Ongeveer 25 à 30 anderen die normaal ook aanwezig zijn, durfden het blijkbaar niet aan – wat zeer verstandig is. Voor hen en voor wie het verder interessant vindt, volgt hier de tekst van de overdenking van de eerste Middagpauzedienst in 2016.

Openbaring 22 : 7, 12, 20 “Ik kom spoedig!” “En zie, Ik kom spoedig!” “Ja, Ik kom spoedig!”

Geliefde mensen, de kop is eraf. Met veel vuurwerk hebben we het nieuwe jaar ingeluid. En daarna begon het hier in het Noorden eindelijk een beetje winter te worden met al die ijzel. Het is alweer zes dagen 2016.

Wat zal het nieuwe jaar ons brengen? Hoe ziet het er uit? Niemand van ons weet het ware antwoord. We staan nog maar op de drempel van 2016. Eén ding weten we wel zeker: niets kan ons scheiden van Chris­tus. De Here Jezus heeft dat ééns gezegd, vlak voor zijn afscheid: ‘En houd dit voor ogen: Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ (Matteüs 28:20) Het is goed om dat tot ons te laten doordringen aan het begin van het nieuwe jaar. Wat is uw goede voornemen? Wat zal het nieuwe jaar voor jou brengen? Veel mensen zeggen: afwachten maar. Maar in dit laatste hoofdstuk van de bijbel staat iets heel anders. Daar zegt Jezus maar liefst drie keer: ‘Ik kom spoe­dig!’ Met die belofte wordt iedere keer een stukje van dit hoofdstuk afgesloten. Je kunt je afvragen: waarom herhaalt Jezus deze belofte? Omdat wat drie keer gezegd wordt, vast en zeker is. De herhaling is geen teken van onzekerheid, maar bevestigt en onderstreept juist de zekerheid. Je hebt het toch zeker wel gehoord? ‘Ja, Ik kom spoedig’, dat zegt de Here Jezus!

Vandaag zien we elkaar (ook al is het vanwege de gladte maar met z’n elven) voor het eerst in 2016 weer in de Middagpauzedienst. Een goede gelegenheid om onszelf en elkaar te herinneren aan de belofte van Chris­tus’ terugkomst. Hij zegt het immers Zelf: ‘Zie, Ik kom spoedig!’ Bij elk jaar gebruiken we de uitdrukking –vroeger meer dan tegen­woordig– Anno Domini. Dat betekent: in het jaar van onze Heer. We leven nu Anno Domini 2016 na de geboorte van Christus. Maar je kunt het ook omkeren en zeggen: we leven in het zoveelste jaar vóór de terugkomst van onze Heer. Alleen kunnen we er dan geen jaartal opplakken, omdat we niet precies weten, wannéér Hij terugkomt. Maar zelfs al zou Hij dit jaar nog niet weerkomen, het is wel een jaar van de nadering van zijn komst. Want die dag komt steeds dichter bij. Elly en Rikkert, die zoveel kinderliedjes gemaakt hebben, brengen het zo onder woorden: ‘Elke dag een stapje dichter bij die dag, elke dag een stapje dichterbij. Stapje voor stapje, ’t is niet veel, maar snap je, wij zijn elke keer een stapje dichter bij de Heer.’

Van 2015 naar 2016 betekent: we zijn weer een jaar dichter bij de Heer! Daar kun je op twee manieren mee omgaan. Afwachten of verwachten. Dat eerste, dat is toch niet de goede houding. Afwachten heeft iets pas­siefs. Je ziet wel wat er gebeuren gaat, en laat het allemaal over je heenkomen. Je kunt er verder toch niets aan doen. Maar voor je het weet, interesseert het je ook niet meer zo en hou je je er ook niet meer zo mee bezig. Geloven wordt iets voor straks. Een levensverzekering voor de eeuwigheid. Gaat het vaak niet zo bij u en jou? Dat je wel wéét: de Here Jezus is bij mij en straks komt Hij terug. Maar eigenlijk speelt het niet zo’n grote rol in mijn leven. Of kun je haast niet wachten tot die grote dag aanbreekt? Zie je er naar uit? Als dat zo is, is er geen sprake van ‘afwachten maar’, maar van ‘verwachten’. Dat laatste is veel positiever, daar zit aktieve houding achter. Dan kijk je naar iets uit. Je verlangt er naar, je bent er mee bezig. En je stemt een gedeelte van je plannen of van je karrière er op af. Alleen: dat is best moeilijk. Want we leven in een wereld, die zich steeds meer concentreert op het leven nu. Híer moet je het maken. Je moet nú genieten, voor het te laat is. En zo proberen mensen op deze aarde rijk te worden en gezond te blijven. Alles wat met ziek zijn en sterven te maken heeft, proberen ze zo ver mogelijk voor zich uit te schui­ven. In dat klimaat leven wij ook als gelovigen. Dan lijkt het, alsof je als chris­ten wel in de aanwezigheid en de terugkomst van de Here Jezus ge­looft, maar voor je het zelf in de gaten hebt, funktio­neert het kontakt met de Here Jezus helemaal niet meer inTulpenveld met regenboog je dage­lijks leven. Je hebt het druk, er zijn nog zoveel interessante dingen te doen en te beleven. En ondertussen raak je de verborgen omgang met de Here kwijt en verdwijnt de gedachte aan de terugkomst van je Heiland helemaal uit beeld. Dan lijk je misschien heel erg bij de tijd, maar in de ogen van God ben je in slaap gesukkeld! Je loopt hopeloos achter! Want dan hou je de klok van God niet bij! Dan heb je je eigen toekomst misschien tot in detail gepland, maar ben je niet op Gods toekomst voorbereid. Vanmiddag krijgen wij weer te horen van onze Heer Jezus Zelf te horen: ‘Ja, Ik kom spoedig!’ En wat staat er nog meer? De Geest en de bruid zeggen: ‘Kom!’ Dat is het effekt van de Heilige Geest op Gods kinderen. Hij zorgt ervoor, dat jij en ik het ook in 2016 van Jezus onze Heer verwachten. Híj helpt ons ook het komende jaar door. Wat de toekomst ook brenge moge. Hoewel, ik weet wel, wat de toekomst brengt: Jezus Christus, onze Heer! Dus vraag je aan het begin van 2016 niet alleen af wat de toekomst zal brengen, maar sta in 2016 ook steeds weer bewust stil bij Wie er in de toekomst zal komen!

Philippus Roorda – ‘Wel zok aan Jezus Christus overgeft, dij zien leven komt goud terecht.’

Roorda NDOp 8 december was ik aanwezig op de begrafenis van meneer Roorda, geboren op 20 april 1924, overleden op 3 december 2015. ‘Meneer Roorda’ – zo ben ik hem altijd blijven noemen, mijn oud-leraar Latijn op het Gereformeerd Lyceum, zoals het Gomaruscollege in mijn tijd (1977-1983) nog heette. Hij was voor veel leerlingen een schrijver op het tablet van mijn hart, zoals Koert van Bekkum het op 7 december prachtig onder woorden bracht op het theologenblog van het Nederlands Dagblad.

Twee dingen wil ik graag doorgeven, omdat het blijvende indruk op mij gemaakt heeft. Het eerste is een briefwisseling van bijna 19 jaar geleden. Toen kreeg ik op mijn verjaardag het boekje ‘Joar en dag’ – een bundeltje met bijna 30 Groningse overdenkingen n.a.v. kerkelijke feestdagen en bijzondere gebeurtenissen in het leven. Eén van die overdenkingen ging over Leven met als tekst Johannes 17:3 (“Dit is  t aiwege leven, dat ze Joe kennen”) en was geschreven door Ph. Roorda. Mede naar aanleiding van die overdenking schreef ik hem een brief die ik begon in het Gronings en vervolgde in het Nederlands. 

Beste Roorda,

Sins joar en dag heb ik docht, dat joe gain aspiroaties haren om pastor te worden. Moar òflopen week laangde mien bruier mie n luddek boukje mit Grunneger overdenkns tou. ’t Was nog veur mien joardag. En verdold, dou ik aan t lezen goan was, zag ik in ainen joen noam stoan, en ik dochde: “Is Roorda ook bie profeten?” Joa, dochde ik, dat is e zien haile leven al, moar den wel in andere zin, meer old-testamentisch, vergreld op oetwassen in gemainte van Christus, dij doar nait maggen. Dizze menaier van ‘profetisch optreden’ past meer in traditie dij je ien Neije Testament tegen kommen: deurgeven van Gods riekdom ien hoop dat mensen deur Geest ien t hart roakt worden.

In zijn antwoord komt duidelijk naar voren, wat meneer Roorda altijd gedreven heeft als hij weer eens de publiciteit zocht als kritikaster van vrijgemaakte eigenaardigheden. Hij begon te vertellen dat hij net bezig was het bijbelboek Amos te vertalen in het Gronings en dat dat zo lekker ging, omdat Amos “een boer is, deur de Heer achter de baisten vothoald, die één allesbeheersende overtuiging heeft en daarmee losbrandt tegen ’t schietvrome volk.” En vervolgens legde hij de link met mijn opmerkingen:

‘Vergreld op oetwazzen in gemainte van Kristus dij doar nait wezen maggen’ daar heb je de éne kant van mij wel juist mee uitgedrukt. Door de nadruk óp en veelvuldige herhaling vàn dat aspect is het tweede wel eens wat in de verdrukking gekomen; maar wees overtuigd dat het me in wézen altijd om het tweede is gegaan: ‘deurgeven van Gods riekdom’. Mijn laatste jaren op onze school heb ik me dat goed gerealiseerd. Toen heb ik dan ook als uitgangspunt genomen: Rom. 5:1 en Ex. 34:6 en 7a, dat op allerlei manieren terugkeert in heel het O en NT, tot in de spijtige reactie van Jona toe.

En natuurlijk kon hij het niet laten om nog een opmerking te maken over het feit dat ik de Groningse aanhef met Beste Roorda begonnen was, en daarna in het Nederlands overstapte met Nogmaals, geachte meneer Roorda.  Dat vond hij “een typisch verschil, dat idiomatisch geheel correct is”, want in het Gronings drukt men zich wat ruiger en minder ‘correct’ uit als in het Nederlands.

Roorda Aiweg levenDeze ontboezeming van meneer Roorda, dat het hem er bij alles altijd om ging om Gods rijkdom in Jezus Christus centraal te stellen, is mij altijd bijgebleven. In het twee pagina’s grote interview in het Nederlands Dagblad van 18 mei 2013 benadrukt hij ook de ruimte van Gods genade in Jezus Christus. “Het geopende graf stelt mij in de ruimte” is een van de laatste zinnen van dat interview. En dat is ook de oproep waar Ph. Roorda zijn Groninger meditatie mee afsluit: “Wel zok aan Jezus Christus overgeft, dij zien leven komt goud terecht.”

En dan de tweede herinnering. Onder één van de lessen Hebreeuws in de vijfde of zesde klas van het Lyceum (onder Latijn werd nooit over welke actuele onderwerpen dan ook gesproken) ging het over Pasen. We zongen toen in onze GKV-kerken nog maar een handjevol gezangen, dus je had op Paaszondag niet zoveel keus. Dat vond meneer Roorda meer dan jammer, want het mooiste Paaslied aller tijden was toch wel Daar juicht een toon, daar klinkt een stem. De vier verzen van dat lied, daar zat de hele rijkdom van het christelijk geloof in, vond hij. Elk jaar met Pasen móet je daarom wel beginnen met het zingen van dit lied.

Tijdens de indrukwekkende begrafenis van Philippus Roorda kwamen beide herinneringen bij mij weer boven. Romeinen 5:1-11 werd gelezen, samen met Kolossenzen 1:12-20 en Zondag 23:60 en Zondag 1:1 van de Heidelbergse Catechismus. En het verwonderde mij niet, dat we op de begraafplaats na het neerdalen van de kist ‘Daar juicht een toon, daar klinkt  een stem’ zongen. Meneer Roorda’s mooiste Paaslied, waarvan ik niet weet of hij het ook kende in het Gronings.

1/ Doar klinkt een toon joechaait een stem, dij gaalmt deur hail Jeruzalem.
Doar gloort het nije mörgenrood: de Zeun van God ston op oet dood!
2/ Gain graf huil Doavids Zeun omkneld, Hai overwon dei staarke held.
Hai steeg oet ‘t graf deur aigen kracht, joa, Hai is God, omkled mit macht!
3/ De angel is tou dood oethoald, want alles is veur ons betoald.
Wèl in geleuf mit Jezus gait, dij vreest veur dood en duvel nait.
4/ Want nou Heer Jezus opstoan is, begunt ons nije leven wis!
Een leven deur zien dood beraid, een leven in zien heerlekhaid.