HAASTIGE SPOED in 2016

Anna en Meinke Weerstand hebben ijzelpret

Anna en Meinke Weerstand hebben ijzelpret

Toelichting: ondanks de ijzel ging de Middagpauzedienst in de Bethelkerk in Assen gewoon door. Tien dappere aanwezigen trotseerden de gladheid. Ongeveer 25 à 30 anderen die normaal ook aanwezig zijn, durfden het blijkbaar niet aan – wat zeer verstandig is. Voor hen en voor wie het verder interessant vindt, volgt hier de tekst van de overdenking van de eerste Middagpauzedienst in 2016.

Openbaring 22 : 7, 12, 20 “Ik kom spoedig!” “En zie, Ik kom spoedig!” “Ja, Ik kom spoedig!”

Geliefde mensen, de kop is eraf. Met veel vuurwerk hebben we het nieuwe jaar ingeluid. En daarna begon het hier in het Noorden eindelijk een beetje winter te worden met al die ijzel. Het is alweer zes dagen 2016.

Wat zal het nieuwe jaar ons brengen? Hoe ziet het er uit? Niemand van ons weet het ware antwoord. We staan nog maar op de drempel van 2016. Eén ding weten we wel zeker: niets kan ons scheiden van Chris­tus. De Here Jezus heeft dat ééns gezegd, vlak voor zijn afscheid: ‘En houd dit voor ogen: Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ (Matteüs 28:20) Het is goed om dat tot ons te laten doordringen aan het begin van het nieuwe jaar. Wat is uw goede voornemen? Wat zal het nieuwe jaar voor jou brengen? Veel mensen zeggen: afwachten maar. Maar in dit laatste hoofdstuk van de bijbel staat iets heel anders. Daar zegt Jezus maar liefst drie keer: ‘Ik kom spoe­dig!’ Met die belofte wordt iedere keer een stukje van dit hoofdstuk afgesloten. Je kunt je afvragen: waarom herhaalt Jezus deze belofte? Omdat wat drie keer gezegd wordt, vast en zeker is. De herhaling is geen teken van onzekerheid, maar bevestigt en onderstreept juist de zekerheid. Je hebt het toch zeker wel gehoord? ‘Ja, Ik kom spoedig’, dat zegt de Here Jezus!

Vandaag zien we elkaar (ook al is het vanwege de gladte maar met z’n elven) voor het eerst in 2016 weer in de Middagpauzedienst. Een goede gelegenheid om onszelf en elkaar te herinneren aan de belofte van Chris­tus’ terugkomst. Hij zegt het immers Zelf: ‘Zie, Ik kom spoedig!’ Bij elk jaar gebruiken we de uitdrukking –vroeger meer dan tegen­woordig– Anno Domini. Dat betekent: in het jaar van onze Heer. We leven nu Anno Domini 2016 na de geboorte van Christus. Maar je kunt het ook omkeren en zeggen: we leven in het zoveelste jaar vóór de terugkomst van onze Heer. Alleen kunnen we er dan geen jaartal opplakken, omdat we niet precies weten, wannéér Hij terugkomt. Maar zelfs al zou Hij dit jaar nog niet weerkomen, het is wel een jaar van de nadering van zijn komst. Want die dag komt steeds dichter bij. Elly en Rikkert, die zoveel kinderliedjes gemaakt hebben, brengen het zo onder woorden: ‘Elke dag een stapje dichter bij die dag, elke dag een stapje dichterbij. Stapje voor stapje, ’t is niet veel, maar snap je, wij zijn elke keer een stapje dichter bij de Heer.’

Van 2015 naar 2016 betekent: we zijn weer een jaar dichter bij de Heer! Daar kun je op twee manieren mee omgaan. Afwachten of verwachten. Dat eerste, dat is toch niet de goede houding. Afwachten heeft iets pas­siefs. Je ziet wel wat er gebeuren gaat, en laat het allemaal over je heenkomen. Je kunt er verder toch niets aan doen. Maar voor je het weet, interesseert het je ook niet meer zo en hou je je er ook niet meer zo mee bezig. Geloven wordt iets voor straks. Een levensverzekering voor de eeuwigheid. Gaat het vaak niet zo bij u en jou? Dat je wel wéét: de Here Jezus is bij mij en straks komt Hij terug. Maar eigenlijk speelt het niet zo’n grote rol in mijn leven. Of kun je haast niet wachten tot die grote dag aanbreekt? Zie je er naar uit? Als dat zo is, is er geen sprake van ‘afwachten maar’, maar van ‘verwachten’. Dat laatste is veel positiever, daar zit aktieve houding achter. Dan kijk je naar iets uit. Je verlangt er naar, je bent er mee bezig. En je stemt een gedeelte van je plannen of van je karrière er op af. Alleen: dat is best moeilijk. Want we leven in een wereld, die zich steeds meer concentreert op het leven nu. Híer moet je het maken. Je moet nú genieten, voor het te laat is. En zo proberen mensen op deze aarde rijk te worden en gezond te blijven. Alles wat met ziek zijn en sterven te maken heeft, proberen ze zo ver mogelijk voor zich uit te schui­ven. In dat klimaat leven wij ook als gelovigen. Dan lijkt het, alsof je als chris­ten wel in de aanwezigheid en de terugkomst van de Here Jezus ge­looft, maar voor je het zelf in de gaten hebt, funktio­neert het kontakt met de Here Jezus helemaal niet meer inTulpenveld met regenboog je dage­lijks leven. Je hebt het druk, er zijn nog zoveel interessante dingen te doen en te beleven. En ondertussen raak je de verborgen omgang met de Here kwijt en verdwijnt de gedachte aan de terugkomst van je Heiland helemaal uit beeld. Dan lijk je misschien heel erg bij de tijd, maar in de ogen van God ben je in slaap gesukkeld! Je loopt hopeloos achter! Want dan hou je de klok van God niet bij! Dan heb je je eigen toekomst misschien tot in detail gepland, maar ben je niet op Gods toekomst voorbereid. Vanmiddag krijgen wij weer te horen van onze Heer Jezus Zelf te horen: ‘Ja, Ik kom spoedig!’ En wat staat er nog meer? De Geest en de bruid zeggen: ‘Kom!’ Dat is het effekt van de Heilige Geest op Gods kinderen. Hij zorgt ervoor, dat jij en ik het ook in 2016 van Jezus onze Heer verwachten. Híj helpt ons ook het komende jaar door. Wat de toekomst ook brenge moge. Hoewel, ik weet wel, wat de toekomst brengt: Jezus Christus, onze Heer! Dus vraag je aan het begin van 2016 niet alleen af wat de toekomst zal brengen, maar sta in 2016 ook steeds weer bewust stil bij Wie er in de toekomst zal komen!

Philippus Roorda – ‘Wel zok aan Jezus Christus overgeft, dij zien leven komt goud terecht.’

Roorda NDOp 8 december was ik aanwezig op de begrafenis van meneer Roorda, geboren op 20 april 1924, overleden op 3 december 2015. ‘Meneer Roorda’ – zo ben ik hem altijd blijven noemen, mijn oud-leraar Latijn op het Gereformeerd Lyceum, zoals het Gomaruscollege in mijn tijd (1977-1983) nog heette. Hij was voor veel leerlingen een schrijver op het tablet van mijn hart, zoals Koert van Bekkum het op 7 december prachtig onder woorden bracht op het theologenblog van het Nederlands Dagblad.

Twee dingen wil ik graag doorgeven, omdat het blijvende indruk op mij gemaakt heeft. Het eerste is een briefwisseling van bijna 19 jaar geleden. Toen kreeg ik op mijn verjaardag het boekje ‘Joar en dag’ – een bundeltje met bijna 30 Groningse overdenkingen n.a.v. kerkelijke feestdagen en bijzondere gebeurtenissen in het leven. Eén van die overdenkingen ging over Leven met als tekst Johannes 17:3 (“Dit is  t aiwege leven, dat ze Joe kennen”) en was geschreven door Ph. Roorda. Mede naar aanleiding van die overdenking schreef ik hem een brief die ik begon in het Gronings en vervolgde in het Nederlands. 

Beste Roorda,

Sins joar en dag heb ik docht, dat joe gain aspiroaties haren om pastor te worden. Moar òflopen week laangde mien bruier mie n luddek boukje mit Grunneger overdenkns tou. ’t Was nog veur mien joardag. En verdold, dou ik aan t lezen goan was, zag ik in ainen joen noam stoan, en ik dochde: “Is Roorda ook bie profeten?” Joa, dochde ik, dat is e zien haile leven al, moar den wel in andere zin, meer old-testamentisch, vergreld op oetwassen in gemainte van Christus, dij doar nait maggen. Dizze menaier van ‘profetisch optreden’ past meer in traditie dij je ien Neije Testament tegen kommen: deurgeven van Gods riekdom ien hoop dat mensen deur Geest ien t hart roakt worden.

In zijn antwoord komt duidelijk naar voren, wat meneer Roorda altijd gedreven heeft als hij weer eens de publiciteit zocht als kritikaster van vrijgemaakte eigenaardigheden. Hij begon te vertellen dat hij net bezig was het bijbelboek Amos te vertalen in het Gronings en dat dat zo lekker ging, omdat Amos “een boer is, deur de Heer achter de baisten vothoald, die één allesbeheersende overtuiging heeft en daarmee losbrandt tegen ’t schietvrome volk.” En vervolgens legde hij de link met mijn opmerkingen:

‘Vergreld op oetwazzen in gemainte van Kristus dij doar nait wezen maggen’ daar heb je de éne kant van mij wel juist mee uitgedrukt. Door de nadruk óp en veelvuldige herhaling vàn dat aspect is het tweede wel eens wat in de verdrukking gekomen; maar wees overtuigd dat het me in wézen altijd om het tweede is gegaan: ‘deurgeven van Gods riekdom’. Mijn laatste jaren op onze school heb ik me dat goed gerealiseerd. Toen heb ik dan ook als uitgangspunt genomen: Rom. 5:1 en Ex. 34:6 en 7a, dat op allerlei manieren terugkeert in heel het O en NT, tot in de spijtige reactie van Jona toe.

En natuurlijk kon hij het niet laten om nog een opmerking te maken over het feit dat ik de Groningse aanhef met Beste Roorda begonnen was, en daarna in het Nederlands overstapte met Nogmaals, geachte meneer Roorda.  Dat vond hij “een typisch verschil, dat idiomatisch geheel correct is”, want in het Gronings drukt men zich wat ruiger en minder ‘correct’ uit als in het Nederlands.

Roorda Aiweg levenDeze ontboezeming van meneer Roorda, dat het hem er bij alles altijd om ging om Gods rijkdom in Jezus Christus centraal te stellen, is mij altijd bijgebleven. In het twee pagina’s grote interview in het Nederlands Dagblad van 18 mei 2013 benadrukt hij ook de ruimte van Gods genade in Jezus Christus. “Het geopende graf stelt mij in de ruimte” is een van de laatste zinnen van dat interview. En dat is ook de oproep waar Ph. Roorda zijn Groninger meditatie mee afsluit: “Wel zok aan Jezus Christus overgeft, dij zien leven komt goud terecht.”

En dan de tweede herinnering. Onder één van de lessen Hebreeuws in de vijfde of zesde klas van het Lyceum (onder Latijn werd nooit over welke actuele onderwerpen dan ook gesproken) ging het over Pasen. We zongen toen in onze GKV-kerken nog maar een handjevol gezangen, dus je had op Paaszondag niet zoveel keus. Dat vond meneer Roorda meer dan jammer, want het mooiste Paaslied aller tijden was toch wel Daar juicht een toon, daar klinkt een stem. De vier verzen van dat lied, daar zat de hele rijkdom van het christelijk geloof in, vond hij. Elk jaar met Pasen móet je daarom wel beginnen met het zingen van dit lied.

Tijdens de indrukwekkende begrafenis van Philippus Roorda kwamen beide herinneringen bij mij weer boven. Romeinen 5:1-11 werd gelezen, samen met Kolossenzen 1:12-20 en Zondag 23:60 en Zondag 1:1 van de Heidelbergse Catechismus. En het verwonderde mij niet, dat we op de begraafplaats na het neerdalen van de kist ‘Daar juicht een toon, daar klinkt  een stem’ zongen. Meneer Roorda’s mooiste Paaslied, waarvan ik niet weet of hij het ook kende in het Gronings.

1/ Doar klinkt een toon joechaait een stem, dij gaalmt deur hail Jeruzalem.
Doar gloort het nije mörgenrood: de Zeun van God ston op oet dood!
2/ Gain graf huil Doavids Zeun omkneld, Hai overwon dei staarke held.
Hai steeg oet ‘t graf deur aigen kracht, joa, Hai is God, omkled mit macht!
3/ De angel is tou dood oethoald, want alles is veur ons betoald.
Wèl in geleuf mit Jezus gait, dij vreest veur dood en duvel nait.
4/ Want nou Heer Jezus opstoan is, begunt ons nije leven wis!
Een leven deur zien dood beraid, een leven in zien heerlekhaid.

En zo werd de mensaap beeld van God?

Ergens halverwege het evolutieproces besloot God van een mensaapachtige voorouder een mens te maken door hem de levensadem en de goddelijke Geest in te blazen. Daardoor ontvingen twee ‘hominiden’ van God een moreel bewustzijn, een vrije wil, het verstand, de taal en de liefde voor God. Oftewel: toen God op een gegeven moment in de geschiedenis besloot het ‘project mens’ te starten en met Adam en Eva een relatie aan te gaan, maakte Hij twee inmiddels tot mensaapachtigen geëvolueerde schepselen tot zijn beelddrager.

Theïstische evolutie

Veel christenwetenschappers hangen deze gedachte aan op grond van goede wetenschappelijke theorieën die stevig gefundeerd zijn op veel waarnemingen en experimenteel onderzoek. Puur materieel lijkt ons DNA sterk op dat van chimpansees en is het met name onze opmerkelijke menselijke geest die het verschil maakt tussen mens en dier. Toch noemen ze zich theïstisch evolutionist, omdat ze er gewoon niet bij kunnen (net als veel niet-religieuze wetenschappers trouwens) dat deze ingenieuze wereld helemaal uit toeval en chaos ontstaan is. Als christenen geloven ze echt in een scheppende God, maar vinden de bijbelse beschrijving van de schepping historische poëzie. Genesis 1 bezingt de werkelijkheid van de schepping meer dan dat het die letterlijk beschrijft.

 Geforceerde ‘hominide’-verklaring

Als je de opbouw van met name Genesis 1 bekijkt, is het mogelijk om te veronderstellen dat de historische werkelijkheid van de schepping op een literaire wijze beschreven wordt. Deze opvatting kent binnen de gereformeerde Schriftuitleg een legitieme plaats. Maar waarom moet je dan je toevlucht nemen tot de geforceerde verklaring, dat God ergens in het evolutieproces van miljarden jaren door middel van een eenmalig ingrijpen plotseling twee (of beter: een groep) mensaapachtige voorouders heeft opgewaardeerd tot mensen die geestelijk gezien Gods evenbeeld zijn en op Hem lijken? Ik denk dat deze verklaring over het ontstaan van de mens als enig intelligente zoogdier door elke andere wetenschapper gekraakt wordt als pure speculatie.

Een consequent christelijke toepassing van de theïstische evolutie of de Intelligent Design-gedachte moet er wel toe leiden dat je openlijk erkent dat er ergens een goddelijk ingrijpen heeft plaatsgevonden. Als je de Bijbel als uitgangspunt neemt, gebeurde dat toen de HERE God één mensenpaar schiep. Een christen-wetenschapper die daar aan begint te twijfelen, legt het ingrijpen van God ergens anders. Dat lijkt me tamelijk willekeurig. Niet als wetenschapper, want die begint altijd ergens met zijn hypothese en gaat dan de discussie aan over de houdbaarheid van zijn theorie. Maar wel als gelovige: waarom zou je zelf een ander uitgangspunt nemen dan de Bijbel doet, als je dat tenminste echt als Gods Woord ziet en als het meest bevredigende antwoord op alle levensvragen?

Werken met de hypothese ‘evolutie’

Als christen kan ik in de wetenschappelijke discussie tot op zekere hoogte best uit de voeten met de hypothese van de evolutietheorie. Ook als je gelooft in een zesdaagse schepping, kun je de ontwikkeling van de aarde wetenschappelijk gezien terug-beredeneren. Neem bijvoorbeeld de eerste eiken die God op de derde dag schiep. Die hadden wel meteen driehonderd jaarringen en waren dus op hun scheppingsdag wetenschappelijk gezien 300 jaar oud. Hetzelfde geldt voor de aardolie en het aardgas in de grond. Het ontstaat in een proces van eeuwen, leert de wetenschap ons.  Dus kan en moet je  voor het wetenschappelijk onderzoek uitgaan van die duizenden jaren voordat de natuurlijke processen van dierlijk en plantaardig materiaal boven de grond uiteindelijk tot vorming van aardolie en aardgas diep onder de grond geleid heeft. Wat is er op tegen om op die manier evolutietheorie met haar miljoenen jaren als werkhypothese te gebruiken? Niet veel, lijkt mij. Als gelovige kun je een andere mening over het daadwerkelijke ontstaan van het heelal en de aarde hebben. Persoonlijk geloof ik niet in de tot nu toe moeilijk te bewijzen stelling van de evolutietheorie dat soorten geleidelijk in elkaar overlopen. Ik denk dan eerder, dat God voor bepaalde levensvormen dezelfde principes gebruikt heeft en dat er sprake is van ‘sprongsgewijze evolutie’ van het ene domein naar het andere domein. Dat strookt ook wel met de opbouw van het scheppingsverhaal van Genesis 1 – met als sluitstuk de mens als kroon op Gods schepping.

En al die fossielen dan?

Heeft de HERE God dan een aarde geschapen inclusief de fossielen van dinosaurussen en dergelijke erin? Dat is een punt. Als ik mijn verstand uitschakel zeg ik eigenlijk hetzelfde als wat iemand in de jaren ’50 tijdens een gesprek waarin het over dit soort vragen ging, op z’n Zwols tegen mijn vader zei: ‘Gait, dat hef de ‘ERE d’r allemaol inne-stupt.’ Dat is in mijn optiek wel een wat al te gemakkelijke oplossing, want hoe zit het dan met de mammoet en de dinosaurus? De optie dat die bij de zondvloed niet mee mochten, is ver gezocht. Dan zoek ik het liever in een oprekken van de tijd tussen schepping en zondvloed. Die was langer dan een kort momentje ‘hemel en aarde’ + ‘zes-keer-24-uur’ + de optelsom van de levens van de stamvaders uit de geslachtsregisters van Genesis 5.  Anderzijds hoort bij een schepping in zes dagen ook, dat net als de aardolie en het aardgas, ook de fossielen er bij ingeschapen zijn als verstening van dierlijk en plantaardig leven. Probleem is dan, dat ‘de dood’ er voor het natuurlijke leven wel bij hoorde. Die veronderstelling is niet door alle gereformeerde theologen afgewezen. Adam en Eva geloofden dat ze als mens niet zouden sterven zolang ze niet zouden zondigen, maar wisten wel van de seizoenen en van het rotten van bladeren, vruchten en dus ook het dood gaan van dieren. Deze ‘hypothese’ stelt ons ook voor vragen als het om geloof en wetenschap gaat. Maar je schaamt je er dan niet voor om uit te gaan van een werkelijk goddelijk ingrijpen aan het begin van onze geschiedenis. En het voorkomt dat je je toevlucht moet nemen tot nogal aanvechtbare aannames, zowel bijbels-theologisch als wetenschappelijk gezien, over een goddelijk ingrijpen in de geest van mensaapachtige voorouders.

In het begin schiep God de hemel en de aarde. 
Mag dat ook zijn met alles erop en eraan en erin?

 

Eerder blogde ik een drieluik dit onderwerp:
21/9 God maakte een stofje en zag het met plezier miljarden jaren groeien
26/9 Een goed christelijk gesprek over schepping en evolutie – kan dat?
30/9 Een geloofwaardige versie 2.0 van het scheppingsverhaal? 

Een geloofwaardige versie 2.0 van het scheppingsverhaal?

Van eeuwigheid tot eeuwigheid bestaat de ene God. Hij is de bron en het doel van alle dingen. Hij is in Zichzelf een God vol van allesomvattende liefde, blijdschap, vrede en creativeit. Aan ons mensen heeft Hij Zichzelf bekend gemaakt als God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. Deze drie-enige, ware God is geen onderdeel van onze tijd en ruimte, maar is er de Schepper van. Voor Hem is er geen verschil tussen wat voor ons één nanoseconde is of één miljard jaar.

Zo begint de Amerikaanse gereformeerde theoloog Leonard J. Vander Zee zijn hervertelling van het scheppingsverhaal in From Stardust to the New Jerusalem op een congres over schepping en evolutie begin juli 2015. En zo gaat hij verder:

Oerknal LJvdZEens, once upon a time, bracht deze overweldigende, kostelijke, overvloeiende liefde van de drie-enige goddelijke gemeenschap vanuit het niets een speldeknopje voort, kleiner dan een eiwit. God had daar het hele universum in gelegd: alle materie, alle energie, al het leven, alle natuurwetten, ja, alles was in potentie aanwezig. Het speldeknopje explodeerde – alleen God weet hoe – en het universum ontstond. In het begin leek alles zichzelf door explosies te vernietigen, maar dat gebeurde niet. Door een piepkleine asymmetrie tussen deeltjes en antideeljes liet God materie ontstaan. En God was enorm blij dat het allemaal volgens zijn plan ging. Daarna ontstonden de sterrenstelsel en in die miljarden jaren gooiden supernova’s enorme hoeveelheden energie in het universum. En de lach van de Drie-Enige schalde door de kosmos. Alles was klaar voor de volgende stap: het ontstaan van leven. God focuste Zich op een kleine ster in de uithoek van het heelal – onze zon. Hij zorgde ervoor dat één planeet, Oerknal ontstaan leven op aarde LJvdZde aarde die wij nu bewonen, op precies de juiste afstand stond zodat het leven zich daar begon te ontwikkelen. En in de hemel dansten alle engelen vol bewondering en blijdschap. Miljoenen jaren lang ontwikkelde het leven op aarde zich verder. De ene na de andere soort ontstond, ieder een wonder op zich. En God verheugde zich enorm in de overweldigende variëteit van schepselen die Hij gemaakt had. Maar van eeuwigheid af was het Gods plan geweest om een schepsel te maken dat het vermogen had hun Schepper te kennen en lief te hebben, om zich te verwonderen en God te prijzen. Alleen, zulke schepselen waren er nog niet. Dus kneedde God het DNA zo, dat er nieuwe Oerknal eerste mens LJvdZschepselen ontstonden die rechtop gingen lopen en van wie de herseninhoud groeide, totdat er een schepsel verscheen die iets totaal nieuws had: menselijk bewustzijn. God blies zijn adem in deze schepselen, zodat ze God kenden als de Schepper van het heelal. Ze stonden vol verrukking en verwondering voor hun Schepper. Ze gaven namen aan de sterren en de dieren en brachten de wereld in cultuur. Toen zei God: ‘Dit is eindelijk het schepsel dat naar ons beeld geschapen is om over de aarde te heersen en erover te waken. Dit zijn onze priesters die Ons namens heel de schepping zullen vereren. Zij zullen Ons kennen en ze zullen op aarde onze vreugde over de goede schepping weerspiegelen.’ En de Vader, de Zoon en de Heilige Geest zeiden tegen elkaar: ‘Ooh, wat is dit allemaal geweldig mooi en goed!’

Op deze manier verwerkt Vander Zee de moderne wetenschap in het scheppingsverhaal. In zijn ogen is het een wonder van goddelijke liefde en creativiteit, dat na een proces van miljarden jaren het speldeknopje vol mogelijkheden waarmee God begonnen is, eindigt in het bestaan van mensen die naar Gods beeld geschapen zijn en God kennen en erkennen: ‘HEER, onze Heer, hoe machtig is uw naam op heel de aarde.’ (Psalm 8). Maar, vertelt Vander Zee verder, het verhaal is nog niet afgelopen:

Als de geschiedenis verder gaat, spreiden de donkere schaduwen van de zonde zich uit over de levens van deze prachtige vrije schepselen. Ze komen in opstand. Ze willen meer. Ze worden jaloers en wantrouwen zelfs de God die hen zo liefdevol gemaakt heeft. Het gif van de zonde verspreidt zich over heel de schepping en leidt tot vervreemding en vernietiging. Maar de Schepper laat het er niet bij zitten.
Uiteindelijk vindt het grootste kosmische moment van heel de geschiedenis van het universum plaats: Oerknal New Jerusalem LJvdZGod de Zoon, door Wie en voor Wie alles geschapen is, komt onze wereld van ruimte en tijd binnen en wordt een mens als wij, ons vlees en bloed en DNA. Jezus Christus is de nieuwe mens, het ware beeld van God. Hij maakt weer echte mensen van ons. Nu al herstelt Hij door de Heilige Geest onze nieuwe identiteit als beelddragers van God en worden wij door zijn Geest meer en meer veranderd naar de luister van zijn beeld. En eens zullen wij, in zonde gevallen mensen, delen in de eeuwige dans van Gods liefde en vreugde, wanneer God de schepping in volle luister herstelt en alle dingen nieuw maakt.

Dit is, zegt Vander Zee, het grote verhaal van de geschiedenis van de hele wereld, van Sterrenstof tot Nieuw Jeruzalem. Dit verhaal maakt het leven zinvol, want het is werkelijk goed nieuws dat redding en hoop geeft aan iedereen die in dit licht wandelt.

STUURT GOD HET EVOLUTIEPROCES BIJ?

In deze, door mij samengevatte hervertelling, vallen mij twee dingen op. In de eerste plaats proef je bij Vander Zee voortdurend een diep respekt voor de drie-enige God als de Schepper, Verlosser en Voltooier van deze wereld. Tegelijk wil hij volledig recht doen aan de ontdekkingen en resultaten van de wetenschap als het over het ontstaan van het hele universum en van onze plek als mensheid op aarde gaat. In de tweede plaats merk ik dat Van der Zee in zijn vertelling op minstens twee momenten kiest voor een soort goddelijke bijsturing van het evolutieproces, namelijk *1* door ervoor te zorgen dat op een gegeven moment een nieuw soort schepsel ontstaan, de mensaapachtigen en *2* door op een gegeven moment, als zich in deze nieuwe levenssoort een soort bewustzijn ontwikkelt, er zijn goddelijke adem in te blazen, zodat deze groep mensen God als hun Schepper leert kennen en vereren.

Deze twee momenten van ‘goddelijke bijsturing’ kunnen mij niet overtuigen. Ik snap niet zo goed wat deze hypothese geloofwaardiger maakt dan een ‘goddelijk schepping’ zoals dat in Genesis 1-3 beschreven is. Want als je alleen maar kunt geloven in een God die gebonden is aan hoe de wetenschap het ontstaan van het universum verklaart – wat geloof je dan eigenlijk van God? Volgens mij verval je dan tot een vorm van deïsme – de theologische stroming die van mening is dat God alleen aan het begin van de schepping de boel in gang gezet heeft en vervolgens zijn schepping als een wekker laat aflopen zonder er verder betrokken bij te zijn. Of, nog erger, je houdt geen geloof meer over, omdat de wetenschap, als het erop aankomt, in alles het laatste woord heeft.

TERUG NAAR DE VERWONDERING

Dr. Henk Geertsema voert in zijn artikel ‘Probeer eens opnieuw naïef de Bijbel te lezen’ in het CW van 15 juli 2015 (Christelijk Weekblad – nieuws- en opinieblad voor gelovig Nederland) een pleidooi om als christenen weer meer open te staan voor de verwondering. Daardoor kunnen we de analytische, wetenschappelijke reductie van ons bestaan tot wetmatigheden en verklaringen overstijgen. Het getuigt volgens hem juist van een wetenschappelijk instelling om open te staan voor de mogelijkheid dat de aarde in zes dagen is geschapen. Want wij hoeven God en zijn woorden niet uit te leggen als mythe, projectie of metafoor. Als je je laat leiden door de verwondering, kunnen we weer de openbaring van God aanvaarden als betrouwbare woorden. De filosoof Paul Ricoeur (1913-2005) noemt dit een “tweede naïviteit”. Leonard J. Vander Zee wees er al op dat wetenschap en theologie elk hun eigen beperkingen zouden moeten  erkennen om zo juist volop op hun eigen terrein de geheimen van de schepping (vooral de natuurwetenschap) en de verlossing (vooral de theologie) te doorgronden. Daar hoort dan de erkenning bij, dat niet alleen onze kennis beperkt is, maar ook dat God ons niet alles verteld heeft over het begin van de geschiedenis, net zoals Hij in het boek Openbaring zaken voor ons verborgen houdt over de periode tussen Pinksteren en Wederkomst. Wat Hij ons in de Bijbel laat weten, doet Hij “namelijk voor zover dat voor ons in dit leven nodig is tot zijn eer en tot behoud van de zijnen.” (Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 2)

Ik voel wel wat voor deze benadering als het om de vragen rond schepping en zondeval gaat. Wetenschappelijk kun je prima met grote delen van de evolutietheorie uit de voeten. Het is, wetenschappelijk gezien, een zeer aannemelijke hypothese. Als je, puur wetenschappelijk, de aardlagen en de zonnestelsel bestudeert, kom je uit op miljoenen en miljarden jaren. Daar is niets mis mee. Maar als de natuurwetenschap claimt te kunnen verklaren, waarom de aarde ontstaan is (in plaats van hoe het volgens de huidige wetenschappelijke modellen gegaan kan zijn) en daarbij soms ook nog beweert dat God slechts een bijproduct van onze hersenschors is, gaat ze haar boekje ver te buiten.

Als christen geloof ik in een God die deze wereld geschapen heeft en nog steeds in stand houdt en regeert en eens tot zijn doel zal brengen. Als Hij mij vertelt dat Hij alles in het begin perfekt heeft neergezet, geloof ik dat. Als Hij mij vertelt, dat Hij één echtpaar als mens naar zijn beeld geschapen heeft, geloof ik dat ook. Hoe Hij dat allemaal precies gedaan heeft, daar was en kan ik niet bij. Maar Hij heeft wel meer dingen gedaan waar ik niet was en bij kan, en waar toch meer dan 500 mensen getuige van geweest zijn. Dus geloof ik Hem op zijn woord. Persoonlijk vind ik een ‘ingeschapen ouderdom’ en een levenscyclus waarin planten en dieren op elkaar afgestemd zijn niet zo problematisch, terwijl volgens mij de geleidelijke ontwikkeling van de mens uit een mensaapachtige niet goed met het historische verhaal van Genesis 1-3 te combineren is. Als het om de schepping zelf gaat, heb ik er geen behoefte aan om nadrukkelijk uit te spreken, dat de zes scheppingsdagen elk precies 24 uur geduurd hebben. Maar ik zie het nut er ook niet van in om de zes scheppingsdagen op te rekken tot exact de periode die de huidige stand van de wetenschap berekend heeft. Als ik dan toch een keuze maken moet, vind ik het verhaal van Genesis 1-3 het meest geloofwaardig.

Eens, once upon a time, maakte God in korte tijd een kant en klaar heelal en schiep Hij één mensenpaar als zijn evenbeeld. En met het intellect dat God Zelf in onze hersenen gelegd heeft, kunnen we het allemaal narekenen: als God het niet in een krappe week geschapen heeft, zou het ongeveer 13,7 miljard jaar oud zijn. Zo’n machtig God is Hij!

Dit is deel drie van een drieluik over dit onderwerp:
21/09/2015  God maakte een stofje en zag het met plezier miljarden jaren groeien
26/09/2015  Een goed christelijk gesprek over schepping en evolutie – kan dat?
30/09/2015  Een geloofwaardige versie 2.0 van het scheppingsverhaal? 
Verder schreef ik op 01/12/2015  En zo werd de mensaap beeld van God?

God maakte een stofje en zag het met plezier miljarden jaren groeien

Waarschijnlijk ben ik een simpele gelovige. Of hebben we jarenlang onze kinderen opgevoed met een volstrekt verkeerd beeld van hoe God de wereld gemaakt heeft? Want waarom moet nu in een spannend jeugdboek uitgelegd worden dat de evolutietheorie gewoon klopt en dat je daar als christen helemaal geen problemen mee hoeft te hebben?

Evolutie aap naar mensCorien Oranje, de bekende kinderboekenschrijfster, en Cees Dekker, de christenwetenschapper die in Nederland de gedachte van het heelal als een ‘Intelligent Ontwerp’ heeft geïntroduceerd, hebben de handen ineengeslagen. Samen hebben ze een kinderboek geschreven waarin ze duidelijk maken, dat de aarde 4,54 miljard jaar oud is, dat alle leven zich vanaf zo’n 3 miljard geleidelijk uit één cel ontwikkeld heeft, en dat je tegelijk in een persoonlijke God kunt geloven. In het ND van vrijdag 18 september 2015 (klik hier) geven de schrijvers aan, hoe ze dit precies bedoelen. Volgens Cees Dekker is het verschil tussen mensen en dieren het punt van religie. Alleen wij zijn door God geroepen om een liefdesrelatie met Hem aan te gaan. Volgens Corien Oranje moet je God zien als de Maker van een stofje waar het hele universum al in zat. Daarna zag Hij met plezier hoe zo’n 4,5 miljard jaar geleden de aarde zich ontwikkelde en kon Hij 4 miljard jaar later eindelijk een relatie aangaan met de mensen die toen ontstonden. Ongelooflijk, dat Hij dat zo bedacht, gemaakt en geleid heeft. Beluister hoe de Amerikaanse CRC-predikant Leonard J. Vander Zee dit beargumenteert in zijn lezing op de “Evolution & Christian Faith Conference” die de BioLogos Foundation van 30 juni t/m 2 juli 2015 in Grand Rapids organiseerde. Vanaf ongeveer minuut 32.00 vertelt hij het scheppingsverhaal opnieuw, maar nu in rapport met onze tijd.

Ik ben waarschijnlijk een simpele gelovige. Bovendien ben ik geen evolutiebioloog. Maar zou deze redenering wetenschappelijk gezien nu echt het meest geloofwaardig overkomen? Ik heb het boek van Corien en Cees nog niet gelezen, dus ik weet niet met welke verklaring zij komen over het moment waarop God in de mens de kennis van geloven, liefde, kunst en moreel besef gelegd heeft (om me even te beperken tot deze vier punten die volgens mijn mensen van dieren onderscheiden). Ik weet wel dat G. van den Brink en C. van der Kooi in hun Christelijke Dogmatiek (op blz. 278) het aannemelijk vinden, dat toen de eerste 5.000 à  10.000 mensen op aarde ontstaan waren, zij als mensheid een primitief moreel besef gehad moeten hebben, waarbij ze zich (hoe vaag ook) bewust waren van goed en kwaad in het licht van Gods gebod, maar dat ze er desondanks voor kozen om zich te laten leiden door dierlijke driften in plaats van Gods bedoeling en roeping met hen.

Evolutie LoesjeZet nu deze twee theorieën eens tegenover de bijbelse theorie over het ontstaan van de wereld en het ontstaan van de mensheid. En vraag dan een geleerde die niet gelovig is, welke theorie hij op wetenschappelijke gronden de minst grote onzin vindt. Zou hij dan zeggen:  een God die een stofje maakt en dat in 4,5 miljard jaar laat doorgroeien tot een oneindig heelal en een planeet met levende wezens erop? Ik denk eerder dat hij zou zeggen: er bestaat helemaal geen God, maar als er een God is, zou die in één keer kunnen doen waar volgens de wetenschap 4,5 miljard jaar voor nodig is. En als het om het ontstaan van de mensheid gaat, zou zo’n ongelovige geleerde de gedachte aan een aparte schepping van de mens, biologisch gezien aansluitend op de principes van zoogdieren, maar met een morele gerichtheid op God en het kunnen genieten van zijn schepping volgens mij aannemelijker achten dan dat die God, als Hij zou bestaan, ergens halverwege het ontwikkelingsproces van de mensaapachtigen in een select groepje van zo’n 10.000 personen het moreel besef van goed en kwaad heeft gelegd.

Ik ben waarschijnlijk een simpele gelovige. Als God in de Bijbel wonderen doet die wetenschappelijk absoluut niet te verklaren zijn (en dat doet Hij!), zou Hij dat dan aan het begin van schepping niet hebben kunnen doen? Wat ik bedoel is dit. In de wetenschap worden deeltjesversnellers gebruikt. Daarmee worden processen versneld. Wat is er nou zo raar aan de gedachte dat God bij het begin van de schepping in sneltreinvaart al die processen er door gejaagd heeft, waarvan wij op grond van onze wetenschappelijke verklaringen achteraf zeggen, dat het 4,5 miljard jaar geduurd heeft? En waar menselijke processen om deeltjes versneld bij elkaar te brengen vaak tot desastreuze gevolgen als atoombommen en radioaktieve straling leidt, leidt heel dat versnellingsproces van God in zes dagen tot het predikaat ‘zeer goed’. Of het precies zes dagen van 24 uur geweest zijn, dat is voor mij bijzaak. EO-voorman Henk Binnendijk zei jaren geleden al eens, dat zes dagen aan de lange kant is voor een machtige God die maar hoeft te spreken en het is er.

Evolutie VisjeIk ben waarschijnlijk een simpele gelovige. Dus ik heb ook niets tegen de evolutietheorie als wetenschappelijke werkhypothese. Het zal vast wel kloppen dat de aarde wetenschappelijk gezien bijna 4,5 miljard jaar oud is. Toen God Adam uit stof vormde en hem levensadem in de neus blies, zag Adam prachtige bomen, hoge bergen en allemaal volwassen dieren. Schrander als hij was (en anders had hij zo’n 900 jaar om erover na te denken) besefte hij dat die 250 cirkeltjes van een omgehakte boom jaarringen waren, dat die beesten die hij op zijn eerste levensdag zag, een aantal jaren oud waren en dat die rotsblokken en het ijzer, het koper en het goud die hij er later in ontdekte miljoenen jaren nodig hadden gehad om zich te ontwikkelen tot rots, ijzer, koper en goud. En toen hij aan het eind van zijn eerste levensdag in een diepe slaap viel en daarna naast Eva wakker werd, wist hij meteen: dit is mijn vrouw op haar mooist, ook qua ideale leeftijd. Net geschapen, één dag uit, maar beslist geen baby.

Het probleem bij veel wetenschappers en mensen die graag op de wetenschap afgaan om God buiten de deur te houden is niet de vraag, wanneer God ingrijpt in het scheppingsproces. Men ontkent gewoon ronduit dat God bestaat en kan ingrijpen. Als je dan een ander ‘ingrijp-moment’ neemt dan het Genesis-verhaal, moet je wel met een geloofwaardig alternatief komen. ‘God schiep een stofje en keek er miljarden jaren met plezier naar hoe het zich allemaal ontwikkelde’ is voor mij geen geloofwaardig alternatief. ‘God legde een vorm van moreel besef in een groep mensaapachtigen die vervolgens toch hun eigen gang  gingen’ is voor mij ook geen geloofwaardig alternatief. Voor wetenschappers niet en voor christenen niet. Dus ik snap niet waarom het nu opeens hoognodig tijd is dat er een kinderboek komt om uit te leggen dat de wetenschappelijk menselijke hypothese over hoe de wereld ontstaan is, opeens ook voor God moet gelden. Maar dat komt omdat ik waarschijnlijk een simpele gelovige ben.

Dit is deel één van een drieluik over dit onderwerp:
21/09/2015  God maakte een stofje en zag het met plezier miljarden jaren groeien
26/09/2015  Een goed christelijk gesprek over schepping en evolutie – kan dat?
30/09/2015  Een geloofwaardige versie 2.0 van het scheppingsverhaal? 
Verder schreef ik op 01/12/2015  En zo werd de mensaap beeld van God?

KOM ERBIJ, JE BENT WELKOM! – nog een keer over gemengde verkering

prikkeldraad‘Gemengde verkering’ schuurt als prikkeldraad was de titel van mijn vorige blog. Het artikel zelf zorgde ook wel voor wat jeuk bij sommige lezers (zie de reaktie van een gewaardeerde Asser PKN-collega). Vooral, omdat ik na het citeren van een aantal bijbelteksten met een tamelijk korte konklusie eindig over hoe je vandaag de dag met “hij gelooft, zij niet” moet omgaan. Namelijk: zij komt tot geloof of hij verbreekt de relatie. Is zo’n advies in onze cultuur van vandaag de dag nog wel realistisch? Moet je niet eerder pastoraal met ‘gemengde relaties’ omgaan dan er met Bijbelteksten bovenop te zitten?

In deze vervolgblog wil ik wat meer de pastorale insteek kiezen. Maar dan wel met twee opmerkingen vooraf.

Eerlijk bijbellezen

Allereerst hangt het er maar vanaf op welke manier je bijbelteksten citeert. Ik dacht dat ik een vrij compleet totaalbeeld gegeven heb van hoe gelovigen in het jaar 2000 voor Christus (Abraham en Isaak), 1500 jaar voor Christus (Mozes en Jozua), 1000 jaar voor Christus (Salomo), 500 jaar voor Christus (Ezra en Nehemia) en 50 na Christus (Paulus) gehandeld en gesproken hebben over ‘gemengde relaties’. Volgens mij kun je geen andere conclusie trekken, dan dat men door de eeuwen heen in totaal verschillende culturele omstandigheden altijd van mening was, dat iemand die echt in God en Jezus (de komende en gekomen Messias), geen relatie aan mag gaan met iemand die dat niet gelooft. Zou onze westerse samenleving dan opeens op geen enkele manier te vergelijken zijn met al die verschillende culturele situaties in de Bijbel, zodat we geen duidelijke conclusies voor vandaag meer kunnen trekken als het om dit onderwerp gaat? Dat geloof ik niet.

Elkaar respectvol behandelen

In de tweede plaats is het een gave om iemand de indruk te geven dat je hem of haar als persoon volledig accepteert, terwijl je het met zijn of haar standpunten volstrekt oneens bent. Veel vaker leidt een verschil van mening ook tot een breuk in de vriendschap. Iemand die ergens fundamenteel anders over denkt dan ik, deugt ook als persoon al snel niet in mijn ogen. Iemand die altijd de persoon bleef accepteren, ook al was Hij het helemaal niet eens met iemands keuzes of levensstijl was Jezus. Het is echt onvoorstelbaar hoe bijna iedereen zich bij Hem zich als persoon gewaardeerd voelde. En dat, terwijl Jezus nergens om heen draaide.

Wij zijn Jezus niet

Als het om ‘gemengde verkering’ gaat, vind ik dit vaak een pittig pastoraal probleem. Want als je met de Bijbel open hierover iemand een advies geeft, maak je met je ene hand een stopteken: NIET AAN BEGINNEN. Dat is de inhoudelijke kant van het onderwerp: je bent niet blij met het feit dat iemand niet gelooft. Maar met je andere hand wenk je iemand om dichterbij te komen: JE BENT WELKOM. Dat is de persoonlijke benadering: je wil iemand graag vertellen waarom het geloof in God zo waardevol is en waarom je het hem of haar ook gunt. Dat komt nogal tegenstrijdig over. Bij de gelovige die een niet-christelijke vriend(in) krijgt:

Iedereen is blij met ons, alleen mijn ouders en de kerkenraad doen moeilijk.

En bij de niet-gelovige die tegenstrijdige signalen opvangt:

Ze zeggen wel dat ze niets tegen mij persoonlijk hebben, maar waarom reageren ze dan zo kritisch op onze relatie?

En steeds maar weer blijkt, dat wij nog lang niet zover als Jezus zijn.

Een pastorale benadering

Gemengde verkeringen komen steeds opnieuw voor. Hoe ga je daar in de praktijk mee om? Hoe kun je liefdevol reageren en toch Gods duidelijke adviezen serieus nemen? Ik denk dat je toch moet beginnen met het eerlijk op tafel leggen van je bezorgdheid. Wie een gemengde relatie aangaat, verkeert geestelijk in een crisis-situatie. Dat is echt zo, ook al besef en ervaar je dat zelf misschien helemaal niet. Want wat is er nou mooier? Toch is het echt waar: de duivel trekt heel hard aan iemand om het geloof in de Here Jezus maar op te geven of vrijblijvender op te vatten. En dat is een ongelijke strijd die de duivel gemakkelijk wint. Want niemand van ons is uit zichzelf gelovig aangelegd. Dus het geloof verwatert heel gemakkelijk, zowel bij de gelovige partner als bij de kinderen – als Gods Geest niet heel hard aan het werk gaat.

Aan de andere kant biedt een gemengde relatie ook grote kansen om iemand bekend te maken met het reddende Evangelie van Jezus Christus. Als er sprake is van oprechte liefde en wederzijds respekt heeft een positief-gelovig christen als het goed is ook een groot verlangen om de niet-gelovige vriend(in) te interesseren en te informeren over de boodschap van de Bijbel. De Bijbel kent ook voorbeelden van mensen die tot geloof komen door middel van een gemengd huwelijk. Denk aan Ruth die door haar huwelijk de God van Israel leerde kennen. Denk aan Timoteüs die ondanks zijn waarschijnlijk afwerende Griekse vader toch van jongs af aan door zijn oma en moeder gelovig is opgevoed.

Er zijn veel manieren om iemand te helpen God te leren kennen. Een hartelijke ontvangst in de familie en een hartelijk welkom in de kerkelijke gemeente en zeker binnen de jongerengroep doet altijd goed.  “Laat iedereen merken dat jullie vriendelijk zijn” schrijft Paulus aan de christenen in Filippi. Ook zijn er veel mogelijkheden om iemand meer te laten weten over het christelijk geloof.  Dat begint bij jezelf uiteraard: praat vrijmoedig over je geloof met je vriend of vriendin, zonder te preken. En pak bijvoorbeeld de Bijbel in Gewone Taal als je iets uit wilt leggen of, als ouders, wanneer je aan tafel uit de Bijbel leest. Of vraag aan je ouders of de dominee, of die de grote lijnen van Gods verhaal eens op papier willen zetten. En schakel ook anderen in. Volg samen een Alphacursus of Christianity Explored. Vraag iemand die je één op één kan begeleiden als je rustig in je eigen tempo over de Bijbel en het geloof wilt doorpraten. Draai samen mee met een kring of een gesprekskring in de gemeente. Bezoek aansprekende kerkdiensten. Enzovoort. Er is zoveel mogelijk. Als de gelovige helft zelf maar echt gemotiveerd is. En vergeet het belangrijkste niet: het gebed. Bid veel voor iedereen die nog niet gelooft. Doe het als partner, als echtgenoot, maar ook als ouders en als vrienden en als gemeente. Bid of de Heilige Geest ervoor wil zorgen dat iemand persoonlijk God als Vader en Jezus als Verlosser leert kennen. Om het met een variatie op een bekende uitdrukking te zeggen:

Praat veel met je ongelovige vriend(in) / partner God, maar praat nog meer met God over je ongelovige vriend(in) / partner

Tegen de stroom in samen God zoeken 

In onze maatschappij zegt iedereen: “Geloof is een privézaak, daar moet je elkaar vrij in laten.” En wat doen wij in de kerk? We leggen, zo lijkt het wel, elkaar op het punt van relatievorming het vuur na aan de schenen. Wat een beGods grootste wens - roodmoeizucht, hoor je sommige mensen wel eens zeggen. Maar zo is het, als het goed is, niet bedoeld. Het is vooral een kwestie van oprechte belangstelling en welgemeende aandacht. Want waar gaat het uiteindelijk om? Om het Gods verlangen is dat mensen hun hart aan Hem geven en in hun relatie ervaren hoe goed en fijn het is om samen de HERE te dienen, in Jezus te geloven en voor Hem te leven.

‘Gemengde verkering’ schuurt als prikkeldraad

Verliefd koppel‘Verliefd worden’ – dat heb je meestal niet in de hand. Het gebeurt gewoon. Je voelt vlinders in je buik. En de spanning … zou hij mij ook zien zitten? Of ziet zij mij elemaal niet staan? En als het wel klikt … heerlijk! Je hebt verkering. Je bent helemaal weg van elkaar. Verliefd zijn overkomt je. Daarom is het niet vreemd dat christelijke jongeren verliefd worden op iemand die helemaal niets van God af weet en de Here Jezus niet kent. Maar als het ‘aan’ raakt, is het niet gemakkelijk. Waarom moeten je ouders meteen als eerste vragen: ‘Gelooft hij ook in Jezus?’ Of, iets luchtiger maar dus wel met een serieuze ondertoon: ‘Is zij ook van de club?’ In de kerk volgen na verloop van tijd soms moeilijke gesprekken met ambtsdragers. Of je voelt de afkeuring van sommige gemeenteleden. En alsof dat nog niet alles is  – ook met je niet-gelovige vriend of vriendin moet je het er wel over hebben. Want echt geloven als christen – daar horen een flink aantal DO’s en DON’T’s bij die die ander niet kent en nog niet begrijpt. Dus is het niet gek dat je, als je serieus gelooft, je afvraagt: ‘Het voelt wel  helemaal geweldig, maar wat vraagt God van mij? Wat staat er in de Bijbel over het aangaan van relaties met iemand die helemaal niet gelooft?’

God in het Oude Testament over gemengde relaties

2Kor06-14 2-15 vraag gemengde verkeringDe Bijbel is het boek waarin God Zichzelf bekend maakt aan jou en mij. Hij laat weten: Ik wil graag een relatie met jou aangaan! Ik zal er altijd helemaal voor jou zijn. Zorgend, vergevend en bevrijdend. Omgekeerd vraagt God van jou en mij hetzelfde. “Hou van de Heer, je God, met je hele hart, met je hele ziel, en met al je kracht” (Deuteronomium 6:5). Die relatie vergelijkt God in de Bijbel regelmatig met een huwelijk. Israel in het O.T. is ‘Gods bruid’. En voor christenen in het N.T. is Jezus ‘onze Bruidegom’. Die geloofsrelatie is zo allesomvattend … daar mag niet iets tussen komen. Daarom waarschuwt God in heel de Bijbel zo scherp tegen het aangaan van een relatie met een niet-gelovige of anders-gelovige. Het staat jouw toewijding om de HERE te vereren met heel je hart en uit volle overtuiging in de weg. Dat blijkt wel uit de volgende voorbeelden:

  • In Genesis 24 doet Abraham er veel moeite voor om voor zijn zoon Isaak een gelovige vrouw te zoeken. Hij stuurt zijn knecht Eliëzer helemaal naar Mesopotamië toe. Daar woont zijn familie en die kennen God nog. Later vinden Isaak en Rebekka het vreselijk dat Ezau met twee ongelovige vrouwen uit Kanaän trouwt. Isaak stuurt Jakob naar zijn familie om daar met een vrouw te trouwen die wel in God gelooft (Genesis 26:35, 27:46+47, 28:1+2)
  • In Exodus 34:12-17 en in Deuteronomium 7:1-11 verbiedt de HERE zijn volk nadrukkelijk om een huwelijkspartner te zoeken bij de andere volken in het land Kanaän. Want dan gaan jullie zonen die afgoden ook vereren.” Als dat wel gebeurt, “is iemand ontrouw aan de Heer en zal hij gestraft worden.”
  • In Rechters 3:6-8 kun je lezen dat de Israelieten midden tussen de Kanaänieten zijn gaan wonen en goede kontakten met hen onderhielden. “Veel Israelieten lieten hun kinderen trouwen met de kinderen van die andere volken. Ze gingen de afgoden Baäl en Asjera vereren, en ze dachten niet meer aan de Heer, hun God.”
  • In 1 Koningen 11:1-13 wordt verteld, hoe koning Salomo verslaafd raakte aan vrouwen. Hij trouwde er honliefhad. “Door al die vrouwen dacht Salomo steeds minder aan de Heer. Salomo begon ook andere goden te vereren. Hij liet offerplaatsen maken voor al zijn buitenlandse vrouwen, zodat ze offers konden brengen aan hun goden. Salomo was niet langer trouw aan de Heer, de God van Israel.”
  • In Ezra 9+10 en in Nehemia 13 lezen we, dat veel Judeeërs na de terugkeer uit de ballingschap opnieuw gemengde huwelijken sluiten. Daarvan zegt Nehemia: Jullie maken precies dezelfde fout als koning Salomo maakte: hij koos vrouwen uit andere volken. Maar door zijn buitenlandse vrouwen ging hij dingen doen die God niet wilde. En nu maken jullie dezelfde fout als Salomo! Dat betekent dat jullie ontrouw zijn aan onze God!” Samen met Ezra herinnert hij de mensen aan wat God in Deuteronomium 7 heeft laten opschrijven. Gelukkig komen de meeste Judeeërs tot inkeer. Ze erkennen hun schuld: “Wij zijn ontrouw geworden aan God. Want we zijn getrouwd met vrouwen uit dit land, vrouwen die bij andere volken horen.”

Jezus in het Nieuwe Testament over gemengde relaties

Hart voor JezusIn het Nieuwe Testament kom je precies hetzelfde verhaal tegen. Jezus onze Heer herhaalt de oproep uit het Oude Testament: “Luister goed, Israelieten! De Heer, onze God, is de enige God. Je moet van Hem met je hele hart, met je hele ziel, met je hele verstand en met al je kracht.” (Markus 12:29-30). Paulus vergelijkt de eenheid in het huwelijk met de eenheid die er is tussen Christus en zijn gemeente (Efeziërs 5.22-33). Daarom is zijn boodschap aan alle christenen: “Je bent vrij om te trouwen met wie je wil, mits het een huwelijk is in verbondenheid met de Heer.” (1 Korintiërs 7:39 – NBV). Van God houden en Jezus volgen vraagt alles van je. Net als het houden van je man of vrouw in het huwelijk. Die twee kunnen maar heel moeilijk goed samengaan. Dat legt Paulus in zijn tweede brief aan de Korintiërs verder uit. Daar schrijft hij: “Jullie mogen je leven niet delen met ongelovigen, want jullie passen niet bij elkaar. Net zoals licht niets te maken heeft met donker. Christus lijkt toch ook niet op Satan? Dan past een gelovige toch ook niet bij een ongelovige?” (2 Korintiërs 6:14-15). Dat is een pittige uitspraak. Paulus bedoelt daarmee: Als jij vol overtuiging “JA” zegt tegen God en Jezus, kun je als christen niet tegelijk heel intensief optrekken met iemand die keihard “NEE” zegt tegen God. Dan vorm je een ongelijk span. Dan ben je, als het om geloven gaat, geen gelijkwaardig koppel. Dan gaat er van alles scheef. Want je heb geen gemeenschappelijke basis. Over de zin, het doel en de afloop van het leven denken christenen en niet-gelovigen zo fundamenteel anders, dat God het aangaan van hele nauwe betrekkingen met ongelovigen verbiedt.

Een advies dat schuurt als prikkeldraad

prikkeldraadVeel mensen zullen dit een typisch voorbeeld van achterhaalde bijbelse standpunten vinden. Heel de maatschappij roept dat geloven een privé-zaak is waarin je elkaar volstrekt vrij in moet laten. En wat doen wij in de kerk? We leggen, zo lijkt het wel, elkaar op het punt van relatievorming het vuur na aan de schenen door jongeren en ouderen aan te sporen geen vaste relatie op te bouwen en niet te trouwen met iemand die niet in God als Vader en Jezus als Redder gelooft. Wat een bemoeizucht! Maar niets is minder waar. Het gaat om iets heel anders! Waar het God en Jezus om gaat is dit:  als christen hoor jij bij God en bij Jezus. God, die jou gemaakt heeft. Jezus die jou verlost heeft. En samen willen Zij jou niet kwijt! Dat risiko is, laat heel de Bijbel zien, het grootst als je een levenspartner kiest die niet in God gelooft en geen kind van Hem wil zijn. Soms is het geloof dan in één keer weg, soms sijpelt het er heel sluipenderwijs uit en je ziet ook heel vaak dat de kinderen uit een gemengd huwelijk niet tot geloof komen. Door de keus voor een ongelovige partner komt de volle aandacht en toewijding die God van zijn kinderen vraagt, onder druk te staan.

Nu is verkeringstijd een ´proeftijd´. Je leert elkaar steeds beter kennen. Dat geldt ook als het gaat om de vraag of je niet-gelovige vriend(in) open staat voor het geloof in God en Jezus. Maar als je echt overtuigd christen bent en kind van God wilt zijn, weet je, dat er ooit een moment komt, waarop de HERE om een radikale keus vraagt, die twee kanten op kan:

OF de niet-gelovige partner komt tot geloof in Jezus Christus. Dat is mooi, als dat gebeurt!

OF de gelovige partner wordt opgeroepen de relatie te verbreken. Dat is moeilijk, als de liefde voor de HERE zo frontaal botst met de liefde voor je vriend of vriendin!

‘GEMENGDE VERKERING” – wat staat er precies in 2 Korintiërs 6:14?

Vorm geen ongelijk span met ongelovigen  – Nieuwe Vertaling 1951 / Willibrordvertaling / Herziene Statenvertaling

Loop niet met ongelovigen in hetzelfde gareel – Groot Nieuws Bijbel

Verbind u niet aan mensen die niet van de Here houden. – Het Boek

Loop niet in een en hetzelfde span met ongelovigen – Nieuwe Bijbelvertaling 2004

Jullie mogen je leven niet delen met ongelovigen, want jullie passen niet bij elkaar – Bijbel in Gewone Taal

Pastorale problemen en een verschuivende geloofsleer

Je loopt als gelovige ergens tegen aan. De praktijk botst met wat je altijd zo geleerd hebt. En je vraagt je af: klopt de bijbelse leer wel? Je denkt er over na en je gaat studie maken van het onderwerp dat je zo bezig houdt. Aan het eind kom je tot de konklusie: in zijn Woord spreekt de HERE er anders over dan ik altijd gedacht heb. Onze gereformeerde leer zoals we die in de belijdenisgeschriften geformuleerd hebben, komt niet helemaal overeen met wat de Bijbel erover zegt.Vervolgens schrijf je een boek of een artikel om anderen te laten delen in je nieuwe visie op dit onderwerp. Of je draagt het uit bij een inleiding op de bijbelstudievereniging of, als je predikant bent, vanaf de kansel.

DENKPROCES

Niets mis mee, zou je zeggen. Zo moet dat toch? Bestudeer de Bijbel, want zo wil de Heilige Geest je wijsheid geven. (Johannes 5:39 en 2 Timoteüs 3:15). En dan is het toch prima als je samen tot nieuwe konklusies komt? Het Woord van onze God moet immers in alle tijden een aktuele toepassing krijgen? Toch vraag ik mij af of het denkproces wat hier plaats vindt wel juist is. Wat mij al een tijd lang opvalt is, is het volgende. Vanuit de praktijk wordt de theorie geherformuleerd. Maar dan wel op een wijze, die volgens mij te weinig recht doet aan de bijbelse fundering van dat specifieke stukje geloofsleer waar men tegen aan loopt.  Deze manier van denken vind ik te kort door de bocht.  Dat zal ik straks uitleggen. Eerst een aantal voorbeelden.

1) GEREFORMEERD MAAKT DEPRESSIEF

Veel gereformeerde mensen staan niet echt blij in het leven. Integendeel, ze hebben een negatief zelfbeeld en zijn daarom sneller depressief. De oorzaak is ook bekend: in de Heidelbergse Catechismus staat het zinnetje: ‘Wij zijn zo verdorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds en uit op elk kwaad.’ Zie je wel, dat de gereformeerde leer depressieve mensen maakt? En daarom kom je vanuit de liefde van God tot een positiever mensbeeld.

2) WIE LIJDT ER HET MEEST?

Als christen kom je om je heen en in je eigen leven soms zoveel leed tegen, dat het bijna niet te dragen is. Hoe kun je daar pastoraal mee omgaan, als je tegelijk in de kerk hoort, dat de Here Jezus gelukkig het ergste lijden voor ons aan het kruis gedragen heeft? Daarmee suggereer je tegenover mensen in grote nood: je eigen moeiten en verdriet kunnen nog zo erg zijn, maar vergeleken met het lijden van Jezus Christus valt het daarbij in het niet. Vanuit je pastorale bewogenheid kom je vervolgens tot de theorie, dat de Here Jezus juist met ons kan meevoelen, omdat Hij als mens precies hetzelfde lijden heeft doorgemaakt als wij.

3) IN LIEFDE TROUW ZIJN

Je kent persoonlijk een paar medechristenen met een homoseksuele geaardheid. Je wilt graag pastoraal naast deze broeders en zusters gaan staan. Want je merkt, hoe oprecht en gelovig velen van hen verlangen naar een man of vrouw om het leven mee te delen. Vanuit je grote bewogenheid met hen kom je na diepgaande studie tot de conclusie, dat in de Bijbel het grote gebod van de liefde, gepaard met levenslange trouw aan de HERE en de naaste, centraal staat. En die nuance vind je ook bij Paulus terug, als hij zegt: ‘Alles is toegestaan, maar niet alles is goed.’ (1 Korintiërs 6:12 en 10:23)

4) MEER VAN DE GEEST

Je ervaart bij jezelf en in de Gereformeerde Kerken een gebrek aan geloofsbeleving. Het lijkt wel, alsof er geen verlangen naar de doorwerking van de Heilige Geest is. Hoe is dat zo gekomen? Na onderzoek in de Bijbel trek je de conclusie dat de gereformeerde belijdenisgeschriften vooral rationalistisch en verstandelijk over het werk van Christus vóór ons spreken en dat er te weinig aandacht is voor het werk van de Geest van Christus ín ons. Tegelijk lees je in deze Bijbel dat daar veel meer ruimte geboden wordt voor (bijzondere) ervaringen van de Geest dan in onze gereformeerde kerken altijd geleerd is.

5) JE MOET DANKBAAR ZIJN

In gesprekken met mede-kerkgangers signaleer je dat velen van hen de verlossing uit de macht van de zonde als een genade-werk van Jezus Christus bestempelen. Maar als je doorvraagt wat dat voor hen betekent, krijg je van diezelfde gereformeerden vervolgens te horen, dat ze nu graag aan God willen laten zien dat ze Hem daar erg dankbaar voor zijn. En je ziet dat ze dat proberen te doen door zelf uit eigen kracht een perfekt gereformeerd leven te leiden. Je komt tot de conclusie, dat de Heidelbergse Catechismus daar mede aanleiding toe geeft door te spreken van Ellende –  Verlossing – Dankbaarheid. Want jezelf verlossen kun je niet, maar je kunt wel zelf laten zien hoe dankbaar je bent. En dat is niet bijbels: ook je heiliging en je christelijke leven is iets wat de Heilige Geest in jou bewerkt en dus een genadegeschenk van God.

6) BLIJVEN STEKEN BIJ DE ZONDE

Tegelijk constateer je in diezelfde gesprekken, dat veel gereformeerde broeders en zusters blijven steken in het ‘ik-ellendig-mens-geloof’ van Romeinen 7. Ze hebben een ‘ja-maar’ geloof en komen maar niet toe aan een nieuwe christelijke levensstijl door de kracht van de Geest, zoals Romeinen 8 daar over spreekt. Als je daar wat dieper over nadenkt, zie je opeens de relatie met de wekelijkse voorlezing van de Tien Geboden en de vele zondagen van de Catechismus over de Wet. Daardoor krijg je als christen ook gemakkelijk een schuldgevoel aangepraat. Want je moet dankbaar zijn, maar wat brengen je ervan terecht? En dus ga je nog beter je best doen met het leven onder de wet. Zet daar de Bijbel eens tegenover! Die heeft toch duidelijk ook oog voor die andere insteek, nl. de roeping om vrij te zijn en het ‘ik-vermag-alle-dingen-door-Hem-die-mij-kracht-geeft-geloof’.

7) MET DE KINDERDOOP DE GENADE OP ZAK

Je ergert je aan zoveel lauwheid bij al die gereformeerde gelovigen. Tegelijk zeggen ze allemaal wel, dat ze kind van God zijn en bij het verbond horen. Net alsof je dan automatisch ‘binnen’ bent! En plotseling besef je, dat de kinderdoop daar een belangrijke oorzaak van is. Dat wekt de indruk dat je Gods genade altijd paraat hebt. Maar in de Bijbel lees je, dat mensen zich bewust tot God bekeren moeten, want ‘wie gelooft en zich laat dopen zal gered worden’ (Markus  16:16). Zie je wel? Door al die nadruk op het verbond en de kinderdoop kweek je gemakzuchtige gelovigen.

LANGE HALEN – SNEL THUIS

Ik herken heel vaak de pastorale problemen in bovenstaande situaties. Maar naar mijn bescheiden mening wordt er bij de oplossingsrichting een denkfout gemaakt. We signaleren een pastoraal probleem en we denken dat het aan de gereformeerde leer ligt. En dus doen we ons best om aan te wijzen waar de gereformeerde manier van omgaan met de Bijbel niet klopt. Of waar de gereformeerde belijdenisgeschriften het aan het verkeerde eind hebben. Die analyse is, denk ik, meestal niet terecht. Met als gevolg, dat de oplossing ook niet deugt.

In de meeste gevallen is er wat anders aan de hand. Niet de gereformeerde leer is de oorzaak van persoonlijke moeiten of een gezamenlijke eenzijdigheid. Nee, het zijn de kloven tussen geloof en ervaring en tussen leer en leven die ons vaak parten spelen. Dan is het mij te gemakkelijk om te zeggen, dat de gereformeerde leer de oorzaak van alle ellende is.

Het is volgens mij niet moeilijk om bij elk van de zeven genoemde voorbeelden vanuit de Bijbel, maar zeker ook vanuit de gereformeerde belijdenisgeschriften aan te tonen, dat de geschetste problematiek vooral z’n oorzaak vindt in onze eenzijdigheid.

1) De gereformeerde leer maakt mensen niet depressief, want er wordt een reële uitweg uit de ellende aangewezen.

2) De gereformeerde leer erkent de diepte van het lijden en ziet reikhalzend uit naar de verlossing van geest, ziel, lichaam en schepping.

3) De gereformeerde leer ontkent niet dat iedere christen tegenover God zichzelf mag zijn, maar wil graag dat we onze individuele keuzes op die van Jezus onze Heer afstemmen.

4) De gereformeerde belijdenis staat vol van ervaringen door de Geest, waardoor we Jezus leren omhelzen en van binnen volstrekt bovennatuurlijk, liefdevol en wonderbaar worden aangeraakt.

5) De gereformeerde belijdenis leert ons juist om niet naar onze prestaties te kijken, maar naar onze motivatie.

6) De gereformeerde belijdenis zelf geeft duidelijk aan dat Christus ons door zijn Heilige Geest vernieuwen wil.

7) En de gereformeerde belijdenis neemt juist duidelijk afstand van de gedachte dat als God in de doop met jou zijn verbond sluit, je vanzelf automatisch de hemel binnen komt.

DE ‘BASICS’ WEER VAN ZOLDER HALEN

De gepresenteerde oplossingen gaan allemaal teveel uit van de praktijk. Om die kloppend te maken bij pastorale nood of om te vormen naar de eigen wenselijkheid, wordt de oorzaak bij de gereformeerde theologie gezocht. Die moet dan worden aangepast.

Het is veel moeilijker om eerst zelf als gereformeerd christen en zelf als gereformeerde kerken kritisch voor de spiegel van Gods Woord te gaan staan. En om daarna te constateren, dat we op een bepaald gebied scheefgegroeid zijn, terwijl onze papieren (de Bijbel én onze belijdenissen) heel evenwichtig zijn en daarom heel goed in staat zijn onze geloofsleer en ons geloofsleven prima in balans te houden.

Vervolgens is het nog moeilijker om te belijden, dat het dus onze eigen persoonlijke en collectieve schuld is, dat we in bepaalde eenzijdigheden zijn vervallen, en dat we daarom terug moeten keren naar de weg die God Zelf ons allang in de Bijbel heeft aangewezen en waar onze voorvaders in de gereformeerde belijdenissen allang oog voor gehad hebben.

Voor mij ligt de uitdaging hem hierin, om weer persoonlijk en gezamenlijk te gaan beleven, wat we allang als geloofskennis in onze bijbel en in onze belijdenisgeschriften hebben staan. Dan schuiven we de oorzaak van allerlei moeiten en ontwikkelingen niet langer op onze gereformeerde geloofsleer, maar maken we ons, door de Geest geleid, weer eigen wat we in Christus al lang op papier hebben staan.

Hoofdzaak ‘GEZOND’ – ook met een dwarslaesie?

“Als je maar gezond blijft.” Ik hoor het mensen vaak zeggen. Maar wat is ‘gezond’? Alweer meer dan 10 jaar geleden sprak ik daar eens over met iemand die niet in God gelooft en niets met Jezus heeft. Hij zei tegen mij: “Dus jij hoopt eigenlijk dat ik een ernstig ongeluk krijg of zo, waardoor ik tot inkeer kom en in God ga geloven?” Dat vond ik een wat ongemakkelijke wending in het gesprek. Ik heb gezegd, dat ik hem beslist geen rampzalige dingen in zijn leven gun, behalve als tegenslag de manier is waarop God iemand tot nadenken wil stemmen en tot geloof wil brengen. Dat was ergens in de eerste jaren van deze eeuw.

Wilhelm Busch Jesus unser SchicksalDe mijnwerker

Een paar jaar geleden kwam ik een prachtig voorbeeld tegen over hoe God tegenslag gebruikt om iemand tot geloof te brengen. In een preek over de verlamde man uit Markus 2:1-12 heb ik het als afsluiting gebruikt. Deze zomer heb ik die preek ook in Oostenrijk in het Duits gehouden. Men vond het zeer eindrucksvoll. Dat kwam ook, omdat dit waargebeurde verhaal in het Duits beschreven is in het boek Jesus unser Schicksal van de in Duitsland zeer bekende evangelisatie-predikant Wilhelm Busch (1897-1966). Hij vertelt in dat boek o.a. het verhaal van een verlamde mijnwerker met de naam Amsel.

Het ongeluk

Amsel had in de mijnen door een vallend rotsblok een dwarslaesie opgelopen. Daardoor zat hij nu in een rolstoel, zonder enige hoop op genezing. Als dominee van het mijnwerkersdorp zocht Wilhelm Busch hem op in zijn armzalige arbeiderswoning. Daar stonden de drankflessen op tafel. En toen Busch binnenkwam, begon Amsel te vloeken en te tieren en te schreeuwen: “Wat doe jij hier, schijnheilige zwartrok, wegwezen hier! Waar was die God van jou, toen die steen op mij viel en mijn ruggewervels brak? Waarom laat Hij zoiets gebeuren?”  De mijnwerker ging zo te keer, dat Busch zich in de hel waande. Maar wat gebeurde er een paar weken later? Door een paar gelovige collega’s werd Amsel meegenomen naar de bijbelstudie van de mannengroep. Waarschijnlijk hebben ze hem niet eens gevraagd, maar gewoon meegenomen. Net als de vier vrienden van de verlamde man in Markus 2. Daar hoorde Amsel voor het eerst over Gods liefde voor verloren mensen. En het wonder gebeurde: hij kwam tot geloof. Nog geen half jaar later was hij eigendom van Jezus Christus geworden. Hij is nooit meer uit zijn rolstoel gekomen. Maar hij werd een totaal ander mens. Een verschil van dag en nacht. “Waar men vroeger alleen maar vloeken hoorde, klonken nu Jezus-liederen. De oude vrienden bleven weg; daarvoor kwamen nieuwe in de plaats. De flessen met drank verdwenen; daarvoor in de plaats lag de Bijbel op tafel. Vrouw en kinderen leefden op,” schrijft Wilhelm Busch.

De afloop

Wilhelm Busch fotoJaren later bezocht de predikant zijn oud-gemeentelid nog een keer. En dat bezoek heeft een onvergetelijke indruk op hem gemaakt. Hij kwam binnen en vroeg: “Amsel, hoe gaat het met je?” En dit was, wat Amsel antwoordde: “Busch, binnenkort zal ik sterven, ik voel het. Dan kom ik in de hemel voor de troon van God te staan. Het eerste wat ik dan zal doen is op mijn knieën voor Hem neervallen en Hem danken dat Hij mij deze dwarslaesie bezorgd heeft.” “Amsel toch,” onderbrak dominee Busch hem geschrokken, “wat zeg je daar nou?” Maar Amsel antwoordde: “Ik weet wat ik zeg. Kijk, als me dat niet overkomen was, als God mij zo goddeloos verder had laten leven, was ik recht toe recht aan de hel ingelopen, in de eeuwige verdoemenis. Dus moest God in zijn reddende liefde wel zo snoeihard ingrijpen, dat Hij mijn ruggewervels moest breken. Anders had ik nooit zijn Zoon, Jezus Christus, gevonden. Door Jezus ben ik een vrolijk kind van God geworden, dankzij mijn rolstoel. En daarom wil ik Hem voor dit verschrikkelijke zware ongeluk bedanken.”

Wilhelm Busch Jezus onze bestemmingDe uitspraak

En toen kwam de zin, die Wilhelm Busch nooit meer vergeten zou: “Want het is beter in een rolstoel bij Jezus te horen en een kind van God te zijn, dan met twee gezonde benen de hel in te springen.” Dat zei Amsel, de mijnwerker met een dwarslaesie!  Hij had begrepen waarom Jezus de verlamde man eerst zijn zonden vergaf en daarna pas zei: “Sta op en loop.”

In dit leven geldt niet als eerste: ‘Hoofdzaak gezond!’. Veel belangrijk is: ‘Hoofdzaak een gezonde relatie met God!’

Abortus – NIPT-test – Downsyndroom

Embryo gezichtOp zondag 28 juni 2015 preekte ik over het Zesde Gebod. Daar zegt God: “Pleeg geen moord.” De Heidelbergse Catechismus legt dat onder andere zo uit: “De overheid draagt dan ook het zwaard om de doodslag te weren.” Maar vandaag de dag hebben we in Nederland een probleem. Juist als het om het meest kwetsbaarste leven gaat, geeft de overheid alle ruimte om dat leven vroegtijdig te beëindigen. Dat ligt niet aan de overheid trouwens – in een democratie is de overheid de afspiegeling van wat de burgers vinden. En wat vindt Nederland in grote meerderheid tegenwoordig? Het ongeboren leven heeft nog geen naam en het versleten leven mag geen naam meer hebben. En daarom laten mensen hun te verwachten kindje weghalen als het een afwijking heeft en vragen ze om een spuitje voor hun demente ouders als ze de aftakeling niet meer kunnen aanzien.

De NIPT-test om te checken op het synodroom van Down

In de laatste maanden is er nogal wat ophef geweest over de NIPT-test. ‘De Niet-Invasieve Prenatale Test (NIPT) kan zwangere vrouwen uitsluitsel geven over of het kindje lijdt aan het Down Syndroom’ aldus de omschrijvingen op internet. Tot voor kort had je de combinatietest om te onderzoeken of je zwanger was van een kindje met Down-syndroom. Die werd niet aan iedereen aangeboden, alleen aan moeders met een verhoogd risico. Als daaruit bleek dat je een kans van meer dan 1 op de 200 had op een Down-kindje, kreeg je een vervolgtest, de NIPT-test. Die is nu zover doorontwikkeld, dat minister Schipper de NIPT-test standaard aan wil bieden als zwangerschapstest aan elke vrouw. Net zoals de 20-weken-echo. Allebei met het oog op mogelijke afwijkingen van het nog ongeboren kind in de moederschoot. De 20-weken-echo wordt nog wel eens als een ‘pret-echo’ gezien. Dan weet je wat het wordt en kun je de babykamer alvast blauw of roze inrichten. Maar officieel zegt de overheid nadrukkelijk, dat de 20-weken-echo geen ‘pret-echo’ is. Het gaat om een medisch onderzoek naar de mogelijkheid van afwijkingen. En bij de NIPT-test is dat al helemaal zo, maar dan speciaal om te kijken of er sprake is van het Down-syndroom. En wat is daar de bedoeling van? Op haar website kopt de artsenfederatie KNMG met grote letters:

Goede informatie en keuzevrijheid vrouw essentieel bij NIPT

DownsyndroomToen dacht ik: kijk, hier komt de aap uit de mouw. Je moet wel weten, vindt minister Schippers, of je een kindje met Downsyndroom krijgt. Ook al is die kans maar 1 op de 700 bij vrouwen onder de dertig. En als je dan te horen krijgt, dat je een zoon of dochter met Down krijgt, moet je wel heel erg sterk in je schoenen staan om het te houden, want op dit moment laat 75% van de moeders die de diagnose ‘Down-syndroom’ te horen krijgt, het ongeboren leven wegaborteren. En je mag er niets van zeggen, want volgens de artsenfederatie KNMG is ‘expliciete ruimte en respect voor de keuze na de test essentieel’. Maar dat is wel de keuzevrijheid van de aanstaande moeder. Die gaat boven alles. Ook boven het ongeboren leven. Met als vervelend risico dat de 25% die wel besluit om hun kindje te houden later geconfronteerd wordt met opmerkingen als: ‘Een mongooltje? Die had je toch kunnen laten weghalen?’ Terecht is dan ook volgens mij veel protest geweest tegen de algemene invoering van de NIPT-test.

Eerbied voor het leven begint vroeg

Vraag jezelf eens af of je als christen wel mee zou willen doen aan de NIPT-test. En bereid je er maar op voor, als je wél meedoet en de test wijst uit dat de kans op Down heel erg groot is, dat veel verloskundigen, artsen en gynaecologen als eerste zullen zeggen: ‘We begrijpen het heel goed al je het niet wilt houden.’ Gelukkig, denk ik, is de acceptatie binnen christelijke kringen nog heel erg hoog. Maar wat zeg je als je niet-christelijke collega op het werk zegt: ‘Ik heb de NIPT-test gedaan en het is waarschijnlijk een Downie’. Of je sportmaatje op de sportschool die niets met het christelijk geloof heeft zegt: ‘Mijn vriendin is zwanger en nu blijkt het een kindje met Down te zijn.’ Meer dan 75% kans dat ze erover beginnen dat ze het weg willen laten halen voor de 24e week. Wat voor advies zou jij dan geven?

Moederschoot JeremiaEerbied voor het leven begint vroeg. Het vraagt ook om vertrouwen. Vertrouwen op God. Hij is de Vader van al het leven. Ook het ongeboren leven. Zelfs vóórdat ik verwekt werd, kende Hij mijn naam al en stonden al mijn jaren tot op de dag nauwkeurig in zijn boek opgeschreven, zingt David in Psalm 139. God zegt het Zelf in Jeremia 1. Durf je op die God te vertrouwen? Als het om je eigen leven gaat en om het ongeboren leven? We kunnen wel denken dat we alles zelf in de hand hebben. Maar dat is niet zo. Juist toen ik over het Zesde Gebod nadacht, besefte ik weer, dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat kinderen gezond geboren worden. Soms kunnen er geen kinderen komen. Soms komt de kleine veel te vroeg en mag het na een paar uur alweer terug naar God. Soms is de hele periode van de zwangerschap negen maanden lang afzien. Soms krijg je een kind met een zware handicap. Soms blijkt pas later dat je zoon of dochter een diagnose met bijbehorend rugzakje heeft. En om alle risico’s dan maar zoveel mogelijk uit te sluiten  neemt onze samenleving het recht op leven van ongeboren kinderen in eigen hand. Officieel beslist de moeder. Maar hoe vaak is het ook de druk van de omgeving?

Moord met voorbedachte rade?

Abortus ja of neeAbortus is een grondrecht geworden. Geen eerbied voor het leven, maar meestal moord met voorbedachten rade. In Nederland staat er geen straf op. Maar hoe zouden God de Vader en Jezus onze Heer er over oordelen? God, die een God van liefde en genade is? Jezus bij wie alle kinderen en hun moeders welkom zijn? Veel vrouwen die een abortus ondergaan hebben, kampen later met verlies- en schuldgevoelens. Heel vaak hebben ze hun kindje in gedachten een naam gegeven. Bij God is er vergeving voor elke zonde. En Jezus zei eens tegen een vrouw die zich heel erg schuldig voelde: “Ik veroordeel je niet.” Hij zei er ook nog wat bij: “Ga heen en zondig  vanaf nu niet meer.”

 

Vraag aan iemand die vóór abortus is:

Bent u ook een tiener geweest?                         JA
Bent u ook een kind geweest?                            JA
Bent u ook een baby geweest?                           JA
Bent u ook een foetus geweest?                         JA
Bent u ook een embryo geweest?                      JA
Bent u ook een zaadcel geweest?                      Eh … nee

Dus uw leven begon ook bij de bevruchting …