De doop van Johannes de Doper en de christelijke doop (1)

Begin dit jaar preekte ik over de doop van onze Heer Jezus in de Jordaan. Die doop werd in eerste instantie door Johannes geweigerd. Verder houden we tussen Kerst en Pasen in onze kerk een tiental Markus-avonden n.a.v. het materiaal van Christianity Explored. Ook daar kwam de doop van Johannes de Doper aan bod. Tenslotte had ik de laatste twee weken van januari studieverlof. Ik las veel over de betekenis van de doop en ben bezig met het schrijven van overdenkingen bij het doopformulier. Ook hier komt de doop van Johannes telkens om de hoek kijken.

De twee vragen die vooral naar voren komen zijn deze: 1/ Hoe is het verband tussen de doop van Johannes en de christelijke doop vanaf Hemelvaart en Pinksteren? En 2/ Zijn de twaalf apostelen en de mensen die met Pinksteren tot geloof kwamen, twee keer gedoopt?

Dat zijn interessante vragen. De moeite waard om over na te denken. Soms hoor je ook nog wel eens zeggen, dat het helemaal niet zo erg is als je voor de tweede keer gedoopt wordt, omdat de leerlingen van Jezus en veel gelovigen met Pinksteren waarschijnlijk ook twee keer gedoopt waren – eerst door Johannes de Doper en daarna door Jezus Zelf of door de apostelen.

Het verband tussen de doop van Johannes en de christelijke doop

Doop Jezus Jordaan glas in loodSommige gereformeerde theologen stellen de doop van Johannes de Doper en de christelijke doop in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest aan elkaar gelijk. Volgens prof. dr. H. Bavinck heeft God de doop ingesteld bij Johannes (Luk. 3:2+3 en Mat. 21:25). Jezus heeft die doop Zelf ondergaan én overgenomen, zodat zijn leerlingen in die tijd ook al gelovige Joden gingen dopen in zijn naam (Joh. 3:22 en 4:1+2). Na zijn opstanding gaf Jezus zijn leerlingen de opdracht deze doop uit te breiden tot de gelovigen uit alle volken. Bavinck haalt daarbij ook nog als argument aan, dat Petrus op Pinksteren net als Johannes de Doper er bij de mensen die naar hem komen luisteren op aandringt dat ze zich laten dopen na bekering tot vergeving van hun zonden (Hand. 2:38)

Andere gereformeerde theologen vinden dat er toch echt wel een verschil tussen beide dopen zit. Prof. dr. J. van Bruggen is van mening dat de doop van Johannes de Doper het karakter van boetedoening heeft. Johannes zelf sprak daarbij geen doopformulering uit, want de mensen deden zelf belijdenis van hun zonden. Door de christelijke doop word een dopeling met een officiële verklaring aan de Drie-Enige God verbonden. Dr. P.L. Voorberg geeft daarbij aan, dat de doop van Johannes nog bij het Oude Testament hoort. Hij noemt de doop van Johannes ‘een preparatiedoop’: daarmee wees Johannes vooruit naar de komst van Messias en de mensen die zich lieten dopen bereidden zich voor op zijn komst. Het was dus een tijdelijke doop met een ander karakter dan de christelijke doop. Die is teken van Gods verbond en lijft de gelovigen in bij het volk van God, zoals dat in het Oude Testament door de besnijdenis gebeurde.

De doop van Jezus en zijn leerlingen

Ik geloof dat deze laatste visie het meest aannemelijk is. Maar wie deze mening is toegedaan zit wel met een probleem(pje). Namelijk: in het Evangelie van Johannes staat, dat Jezus en zijn leerlingen ook in de Jordaan doopten (Joh. 3:22 en 4:1-2). Hoe moet je die doop zien? Was dat een soort uitbreiding van de doop van Johannes? Of is dat een nieuwe doop als vervolg op die van Johannes? Of moet je het zelfs beschouwen als het begin van de christelijke doop die na Pinksteren wordt uitgebreid tot alle volken?

Duif KruisUit het Evangelie van Johannes kun je duidelijk opmaken dat het bij de volgelingen van Johannes de Doper overkomt als concurrentie. Maar Johannes ziet dat zelf heel anders. Het is juist goed dat de mensen naar Jezus gaan, want Hij is de Messias en de Bruidegom, dus “Hij moet groter worden en ik kleiner” zegt Johannes (Joh. 3:30). Wie dus naar Jezus overloopt, doet precies wat altijd de bedoeling van Johannes is gewest: bereid je erop voor om volgeling van de Messias te worden. Dat gebeurt als mensen zich laten dopen door Jezus en zijn leerlingen.

De doop van Johannes is dus een voorbereidingsdoop. De doop van Jezus en zijn apostelen is een doop waarbij men Hem erkent als de gekomen Verlosser, de beloofde Zoon van God en het Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt. Volgens prof. dr. J. van Bruggen en dr. P.L. Voorberg lijft de doop die Jezus en zijn apostelen in zijn naam bedienden, de mensen in de gemeenschap van Christus en maakte het de mensen tot volgeling en leerling van Christus. Dat gebeurde in een eerste fase dus al gelijktijdig met de doop van Johannes (die dan ook al snel van het toneel verdween). Het zou een verklaring kunnen zijn waarom je in het Bijbelboek Handelingen regelmatig leest dat mensen ‘op/in de naam van Jezus’ gedoopt worden. En het zou ook kunnen verklaren waarom je aan het eind van Mat. 28 niet leest, dat Christus de doop echt instelt, zoals bij het Avondmaal wel het geval is, maar dat Hij alleen maar de opdracht geeft om alle volken in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest te dopen. Binnen Israel waren namelijk al een heleboel mensen op naam van Jezus gezet. Na Goede Vrijdag, Pasen en Pinksteren gaat de christelijke doop zijn tweede, wereldwijde fase in en wordt het ook echt het nieuwe verbondsteken die bij het vernieuwde verbond van God hoort.

Ik geloof wel in deze gedachtegang, maar er zitten wel een paar haken en ogen aan. Dr. P.L. Voorberg zegt nl. ook dat de christelijke doop vóór de Hemelvaart een vervolg-johannesdoop was, nog niet met water én Geest en een doop zonder woorden. Pas na Pinksteren wordt het echt een doop waarmee iemand met zoveel woorden op naam van de Drie-Enige God gezet wordt. Door deze typeringen te gebruiken wordt het verschil al stukken minder groot. In die tijd heeft men in de praktijk niet zoveel verschil gezien tussen de doop van Johannes de Doper en die van Jezus met zijn eerste apostelen. Maar ook al zie je het verschil niet zo goed, het karakter van de doop van Jezus is inderdaad wel een andere dan die van Johannes de Doper.

DOVE KWARTELS en BLINDE VINKEN – gebeuren er vandaag nog wonderen van genezing?

In de Bijbel staat dat Jezus talloze mensen genezen heeft. Maar bij één genezing is iets opmerkelijks aan de hand. Daar geneest Jezus iemand een blinde man in twee etappes. Dat is opmerkelijk. Wat wil dat gedeelte ons vandaag zeggen over genezing? Belooft God vandaag nog dezelfde lichamelijke genezingen als in de tijd van Jezus?

Ze kwamen in Betsaïda. Er werd een blinde bij hem gebracht, en men smeekte hem om de man aan te raken. Hij pakte de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Hij deed wat speeksel op zijn ogen, legde er zijn handen op en vroeg: ‘Ziet u iets?’ Hij begon weer te zien en zei: ‘Ik zie mensen, het zijn net bomen, maar ze lopen rond.’ Daarna legde hij weer zijn handen op de ogen van de blinde. Deze sperde zijn ogen open en genas; hij zag alles nu heel helder.  Hij stuurde hem naar huis met de waarschuwing: ‘Ga het dorp niet in!’ (Markus 8:22-26)

Genezing vandaag volgens Willem J. Ouweneel

Ik las naar aanleiding van dit verhaal het boek van Willem J. Ouweneel, Geneest de zieken! Hij gelooft dat de opdracht tot genezing en de gave van genezing vandaag nog steeds geldt. Hij moet wel erkennen, dat bij de gebedsgenezers van vandaag lang niet alle zieken genezen worden. Maar dat is niet erg, zegt hij, want uit dit verhaal blijkt, dat Jezus ook niet in één keer alle zieken beter maakte. niet meteen iedereen genezen wordt. Want kijk maar naar onze Heer Jezus Zelf: Hij maakte ook niet in één keer iedereen meteen weer gezond. Deze blinde man was eerst maar half genezen. En dan noemt Ouweneel ook nog voorbeelden zoals in Johannes 19, waar Jezus een andere blinde man ook met spuug op de ogen naar het badhuis stuurde. Pas daar werd hij genezen. Of neem Lukas 17, waar Jezus tien melaatsen ook niet meteen genas, maar de opdracht gaf dat ze zich moesten laten zien aan de priesters. Pas onderweg werden ze weer beter. Je leest ook dat boze geesten en demonen, zoals bv. in Markus 9 met die epileptische jongen, pas na veel geschreeuw en stuiptrekkingen iemand op bevel van Jezus verlaten. Oftewel: ook Jezus geneest niet altijd onmiddellijk (Ouweneel, blz. 32). Dus moet je ook de gebedsgenezers van vandaag niet afrekenen op het feit dat bij hen niet alle zieken genezen. Sterker nog: vandaag wil Jezus dat wij nog op dezelfde manier mensen genezen als Hij toen in en rond Israel deed.

Drie keer een evangelische correctie

Deze visie op gebedsgenezing is nogal eenzijdig. Ik sloeg er nog drie boeken op na, allemaal van evangelische auteurs, dus uit zeer onverdachte hoek. Die geven alle drie aan, dat er in onze tijd geen belofte en ook geen opdracht meer van God bestaat om alle zieken te genezen.

Genezing vandaag volgens Richard Mayhue

*1 Als eerste noem ik het boek van Richard Mayhue, De belofte van genezing. Hij zegt over bovengenoemde drie ‘uitgestelde’ genezingen: “Bij elk van de drie gevallen waarin er een kort tijdsoponthoud was, was de volledige genezing binnen een paar minuten compleet – niet de dagen, weken of jaren die gebedsgenezers gebruiken om de afwezigheid van een onmiddellijke genezing te rechtvaardigen en het nog steeds een wonderbaarlijke Goddelijke genezing te noemen.” (blz. 63). Oftewel: het ging bij het uitstel slechts om minuten en dat de betrokken mannen werden volledig genezen waren (cursief van Mayhue, blz. 104). Voor vandaag geldt wat Joni Eareckson-Tada (een christen Joni Tada Earicksondie al 40 jaar na een duik in ondiep water met een dwarslaesie in een rolstoel zit) in een interview in dit boek zegt: “Ik geloof echt dat genezing de uitzondering op de regel is – waarbij de regel is dat God heden ten dage niet altijd op wonderbaarlijke wijze zal genezen, net zoals Hij niet meer op wonderbaarlijke wijze mensen uit de doden opwekt of mensen op water laat lopen.”(blz. 234).

Genezing vandaag volgens John F. MacArthur jr.

2* Een andere evangelische theoloog, John F. Mc. Arthur jr., schrijft in zijn boek De charismatische verwarring over de genezingen van Jezus, dat die zeven kenmerken hebben. Als Hij iemand geneest, doet Hij dat bijna altijd op deze manieren (blz. 202-204):

  1. Jezus geneest door een woord of aanraking. “Dat ging zonder uiterlijk vertoon en daar was geen bijzondere omgeving voor nodig.”
  2. Jezus geneest onmiddellijk. Het is opvallend hoe vaak je leest dat Jezus iemand ‘op hetzelfde moment’ of ‘meteen’ geneest (Mat. 8:13, Mar. 7:35, Luk. 5:13, Joh. 5:9). Jezus bracht nooit een genezing door middel van een geleidelijk proces waarbij het steeds beter met iemand ging.
  3. Jezus geneest volkomen. De schoonmoeder van Petrus is meteen van haar hoge koorts af (Luk. 4:39). “Er was geen tijd voor herstel nodig. Jezus gaf haar niet het advies wat bouillon te drinken en het de eerste weken rustig aan te doen.” Oftewel: haar genezing was ogenblikkelijk en totaal. Net als al Jezus’ genezingen.
  4. Jezus geneest iedereen. De mensen kwamen van alle kanten op Hem af (Mar. 1:45) en tot ver na zonsondergang legde Jezus hun één voor één de handen op, aan welke kwaal ze ook leden (Luk. 4:40). Hij maakte zonder uitzondering iedereen weer gezond (Luk. 9:11). “Jezus liet geen lange rijen teleurgestelde mensen achter die in hun invalidenwagens weer naar huis moesten. Hij had geen genezingsdiensten of programma’s die in verband met vertrektijden van vliegtuigen of het eindigen van de zendtijd op zeker moment moeten worden beëindigd.”
  5. Jezus geneest organische zieken. Het gaat bij Hem altijd om ernstige ziekten en zichtbare handicaps zoals melaatsheid, blindheid, doofheid, verlamdheid enzovoort. “Jezus wandelde niet door Palestina om alleen maar rugklachten, hartkloppingen, hoofdpijnen en andere onzichtbare ziektes te genezen.”
  6. Jezus wekt de doden op. Dat is de meest indrukwekkende manier van genezing: een meisje van 12, een jongen van rond de 20, een goede vriend van een jaar of 40. “Mensen die zeggen dat de gave van genezing ook vandaag nog bestaat spenderen niet veel tijd aan rouwcentra, begrafenisstoeten of kerkhoven.”
  7. Jezus geneest vrijwel altijd in het publiek. Men stond erbij en keek ernaar. Niemand kon het ontkennen. Het was voor iedereen te controleren. Al zijn wondertekenen zijn opgeschreven om aan te tonen ‘dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leeft door zijn naam.’ (Joh. 20:31).

MacArthur trekt een paar pagina’s verder de conclusie, dat de gave der genezing één van de wondertekenen was die Jezus uit Zichzelf bezat en gebruikte en die Hij door zijn Geest ook aan de apostelen had gegeven om daarmee “het gezag van de evangelieboodschap in de eerste jaren van de kerk te bevestigen.” De gave van genezing was niet  bedoeld als permanente gave omdat God zou willen dat iedere christen in dit leven gezond is en blijft. “God wil dat mensen naar Hem toekomen in berouw over hun zonde en om Hem groot te maken, niet omdat ze Hem zien als een medicijn voor hun lichamelijke ziekten waaraan ze nu lijden.” (beide keren blz. 207). Volgens MacArthur is het principe duidelijk: “Als we ziek worden, moeten we bidden; we moeten ook de hulp inroepen van bekwame artsen en we moeten ons van ganser harte overgeven aan de volmaakte wil van God.” Want: “God heelt op zijn eigen tijd, op zijn eigen wijze en overeenkomstig zijn eigen soevereine wil en welbehagen.” (beide keren blz. 211).

Genezing vandaag volgens Brad Burke

3* De evangelische arts Brad Burke denkt er in zijn boek Doet God nog steeds wonderen? net zo over. Hij gelooft dat God nog altijd wonderen van lichamelijke genezing  doet, maar dat ze in het algemeen zeldzaam zijn. Hij schrijft: “Ik heb voor mijn werk vele duizenden uren doorgebracht in Canadese en Amerikaanse ziekenhuizen en zorg verleend aan de ziekste en meest gehandicapte mensen die je je voor kunt stellen. Er waren patiënten bij met een dwarslaesie, die nooit meer in staat zullen zijn om te lopen. Nog nooit heb ik gezien of gehoord dat iemand met de gave van genezing een ziekenhuis binnenwandelde en een dergelijke patiënt genas. Jezus en zijn discipelen deden dat wel.” (blz. 156) Hij dringt er op aan “om de term wonder te reserveren voor genezingen van het kaliber dat Christus en de apostelen verricht hebben.” (blz. 140). Hij gelooft dat de gave van genezing nog wel een keer terugkomt, maar dan in het Duizendjarig rijk. Voor de tijd tussen Pinksteren en Jezus’ terugkomst zullen de gelovigen wel grotere dingen doen dan Jezus deed (Joh. 14:12), maar dan gaat het niet om grotere wonderen, maar om een grotere impact. Want Jezus geeft zijn volgelingen zijn Geest en daardoor komen wereldwijd miljoenen mensen tot geloof, te beginnen met 3.000 gelovigen na één preek van Petrus!

Wie is vandaag de dove kwartel en de blinde vink?

Vlak vóór het verhaalde van de blinde man die in twee etappes genezen staat het verhaal van de dove man die ook wat ingewikkeld genezen wordt (Markus 7:31-37). Daar tussenin staat de verzuchting van Jezus richting de leerlingen: “Begrijpen jullie het dan nog niet?” (Markus 8:21) Zij gedragen zich als dove kwartels en blinde vinken als het om de vraag gaat, waar Jezus echt voor kwam. En bij mij dringt het vaak maar net zo langzaam door dat Jezus niet gekomen is om mijn aardse geluk veilig te stellen, maar dat ik mij in God verheugen mag omdat dankzij Hem mijn naam in de hemel opgetekend is (Lukas 10:20). Nick VujicicDat is volgens mij de kern van het geloof: via Jezus komt God mijn leven binnen. Omdat Hij van mij houdt. Omdat Hij mij alles geeft en vergeeft. Dan draait het niet meer om mijzelf. Dan draait het om Hem. Of ik nu genezen word of niet. Nick Vujicic, de man zonder armen en benen, vertelde eens, dat hij zijn problemen met Jezus bespreekt (bekijk en beluister, met Nederlandse ondertiteling, https://www.youtube.com/watch?v=urHz2neMbZs). Want Jezus belooft nergens dat de storm in je leven meteen op zal houden, maar wel dat Hij je vast en warm houdt totdat de storm is uitgeraasd. Dan is het in de storm ook goed, want Hij is er al die tijd bij.

Vergeving – moeilijk, mogelijk, (te) makkelijk

Iemand echt vergeven is moeilijk. Iemand oprecht om vergeving vragen is net zo moeilijk. Soms lukt het wederzijds. Soms komt het van één kant. Soms claimt een dader te makkelijk vergeving. Van alle drie wil ik een voorbeeld geven.

Wederzijdse verzoening

Eén van de meest bekende foto’s uit de Vietnamoorlog is die van het kleine meisje dat huilend en met uitgestrekte armen op de cameraman afloopt tijdens een bombardement van de Amerikanen op haar dorp om daar de terroristen van de Vietcong te verjagen. Door de napalmbommen hadden de kleren van Kim Phuc vlam gevat. Zelf liep ze derdegraads verbrandingen op aan haar rug en armen. In 1992 wist Kim uit communistisch Vietnam naar Canada te vluchten en kreeg daar politiek asiel. Ze woont nu in Toronto. Vietnam Meisje toen en nuZe heeft nog elke dag veel last van haar verwondingen en duidelijk zichtbare littekens. Eén van de officieren die verantwoordelijk was voor het bombardement was helikopterpiloot John Plummer. Hij zag een paar dagen later de foto en heeft de jaren daarna veel last gehad van nachtmerries en depressieve periodes. In 1996 vernam John dat Kim zou spreken op een veteranendag in Washington DC, niet ver van zijn huis. Hij ging er heen en hoorde, hoe Kim tegen de aanwezigen zei: ‘Als ik nog eens face tot face zou kunnen spreken met de piloot die de bommen boven ons dorp afwierp, zou ik hem vertellen dat ik hem wil vergeven.’ John schreef een briefje met daarop ‘Ik was die man’ en drong aan het eind van haar toespraak door de menigte heen en zag kans haar aandacht te trekken. Hij vertelde dat hij de man was die 24 jaar eerder die bommen had laten vallen. En wat deed Kim? Ze zag het verdriet en de pijn in zijn ogen en stak haar armen uit. John omhelsde haar snikkend en kon alleen maar zeggen: ‘I am so sorry. I am just so sorry.’ En tegelijk zij Kim: ‘It is all right. Ik vergeef je. Ik vergeef je.’ Op dat moment duurde het maar twee minuten, maar ze bleven kontakt houden. Vijf maanden later hebben ze elkaar weer ontmoet en hun verhaal in de krant gedaan. Met een foto waarop ze haast onbegrijpelijk innig en vriendschappelijk naast elkaar zitten. Kim vertelde John opnieuw, dat ze hem had vergeven. En dat ze dat kon, vertelde ze, omdat ze in Canada christen geworden was. Vergeving en verzoening, het kan dus!

Bereid om te vergeven

Maar als het van één kant moet komen? Hoe kun je dan vergeven? In de jaren ’80 van de vorige eeuw was er in Amerika een seriemoordenaar aktief. Hij stond bekend als de Green River Killer, omdat de lichamen van een aantal vermoorde vrouwen in de Green River gedumpt waren. Pas in 2001 kreeg de politie door een DNA-match de dader te pakken. Het bleek Gary Ridgway te zijn. Hij bekende maar liefst 48 moorden. In november 2003 werd hij veroordeeld tot 48x levenslange opsluiting in volledige afzondering. Tijdens het proces mochten de nabestaanden van de slachtoffers hun gevoelens uiten. Je kunt je wel voorstellen hoe ze reageerden.  Maar het optreden en de woorden van Robert Rule, de vader van Janie Rule, maakten de meeste indruk. Janie was in 1980 op haar 14e van huis weggelopen en op haar 16e op gruwelijke wijze door Gary Ridgway omgebracht. Wat Robert Rul tegen Gary Ridgway zei was het volgende: “Meneer Ridgway. Ehm … er zijn mensen hier die u haten. Ik ben niet één van hen. U heeft het moeilijk gemaakt om te kunnen voldoen aan wat ik geloof. En dat is wat God zegt om te doen. En dat is om te vergeven. U bent vergeven, meneer.” Robert Rule, de vader van Janie, had de moed en de kracht om de moordenaar van zijn dochter te vergeven. En je merkt aan alles, dat het hem niet gemakkelijk af ging, integendeel. Toch wil hij het en doet hij het ook. Die houding kun je, denk ik, het beste met de Heidelbergse Catechismus omschrijven als ‘een bewijs van uw genade in ons, dat wij het vaste voornemen hebben onze naaste van harte te vergeven’.

‘God heeft mij vergeven, dat geeft innerlijke rust’

In het Nederlands Dagblad van 14 januari 2016 stond het verhaal van een ex-predikant die ruim twee jaar een meisje van rond de 16 misbruikt heeft. Het meisje wilde met haar dominee praten over eerder seksueel misbruik door haar stiefopa. Uit het verslag blijkt, dat de dader een drietal externe redenen noemt als oorzaak, dat heel het gebeuren grote gevolgen heeft gehad voor hem en zijn gezin en dat het slachtoffer hem er met opzet in heeft laten lopen. Verder is te lezen dat de verdachte spijt heeft van zijn daden en alleen zichzelf schuldig acht, en niet zijn slachoffer. Maar in de publieke zitting zei hij ook tegen de rechtbank: “Ik weet dat Jezus Christus voor al mijn zonden geleden heeft. Hoe de uitspraak ook zal zijn, dit geeft innerlijke rust.” Het gevolg was, dat het slachtoffer hevig geëmotioneerd raakte en ‘boos snikkend’ de rechtszaal verliet. Hier zie je een dader die niet in wil zien of niet in kan zien, wat de schade is die hij door zijn misdaden bij anderen heeft aangericht. Als dader voelt hij zich vergeven door God. Maar aan zijn omgeving heeft hij nog steeds geen boodschap. Voor de ‘aanpalende schade’ voelt hij zich niet verantwoordelijk. Volgens mij eigent een dader zich dan te snel Gods vergeving toe. Alsof vertikale vergeving (herstel van de relatie tussen God en een dader) los staat van horizontale vergeving (herstel van de relatie tussen dader en slachtoffers in de breedste zin van het woord).

Drie posities als het om vergeving gaat

In Matteüs 18:22 draagt Jezus ons op een ander tot 70×7 maal te vergeven. En in Lukas 17:4 zegt Hij, dat je bereid moet zijn om iemand 7x per dag te vergeven. Die opdracht om onbeperkt te vergeven lijkt onmogelijk. Dat kan niet uit eigen kracht. Het lukt je alleen maar, als je steeds weer onder de indruk komt van de overvloed van vergeving die God schenkt. En dan nog … hoe kun je de bereidheid en het vaste voornemen om te vergeven opbrengen als je heel diep gekwetst bent en hele pijnlijke ervaringen hebt meegemaakt? Of als een dader te snel vergeving voor zichzelf claimt en geen rekening wil houden met de gevolgen en de gevoelens van zijn misdaad bij de direkte en indirekte slachtoffers? Zelf denk ik, dat echte vergeving van twee kanten moet komen. Niet alleen vertikaal met God, maar ook horizontaal, tussen mensen onderling, zoals bij Kim Phuc en John Plummer. Als dat niet kan, roept Jezus mij op tot vergevingsgezindheid. Stel dat degene die jou iets verschrikkelijks heeft aangedaan pas jaren later mij op de stoep staat en me om vergeving vraagt. Hoe ver ben ik dan in het proces van vergeving? Kan ik mijn dader toespraken zoals Robert Rule Gary Ridgway vergaf? Als mij dat echt niet lukt, wijst Paulus nog een derde weg. Namelijk: koester geen haat en neem geen wraak, maar laat het over aan God. Hij heeft immers gezegd: “Het is aan Mij om wraak te nemen, Ik zal het vergelden.” (Romeinen 12:19). Zelfs dat is niet altijd even makkelijk. Want dan duurt het wachten op gerechtigheid voor je gevoel wel heel erg lang.

Iemand vergeven valt niet mee. Zelf vergeving vragen en van vergeving leven is net zo moeilijk. Toen Jezus zijn leerlingen voorhield dat ze onbeperkt moesten vergeven, zeiden de apostelen tegen de Heer: “Geef ons meer geloof!” (Lukas 17:5). Alleen zo is het mogelijk.

 

HAASTIGE SPOED in 2016

Anna en Meinke Weerstand hebben ijzelpret

Anna en Meinke Weerstand hebben ijzelpret

Toelichting: ondanks de ijzel ging de Middagpauzedienst in de Bethelkerk in Assen gewoon door. Tien dappere aanwezigen trotseerden de gladheid. Ongeveer 25 à 30 anderen die normaal ook aanwezig zijn, durfden het blijkbaar niet aan – wat zeer verstandig is. Voor hen en voor wie het verder interessant vindt, volgt hier de tekst van de overdenking van de eerste Middagpauzedienst in 2016.

Openbaring 22 : 7, 12, 20 “Ik kom spoedig!” “En zie, Ik kom spoedig!” “Ja, Ik kom spoedig!”

Geliefde mensen, de kop is eraf. Met veel vuurwerk hebben we het nieuwe jaar ingeluid. En daarna begon het hier in het Noorden eindelijk een beetje winter te worden met al die ijzel. Het is alweer zes dagen 2016.

Wat zal het nieuwe jaar ons brengen? Hoe ziet het er uit? Niemand van ons weet het ware antwoord. We staan nog maar op de drempel van 2016. Eén ding weten we wel zeker: niets kan ons scheiden van Chris­tus. De Here Jezus heeft dat ééns gezegd, vlak voor zijn afscheid: ‘En houd dit voor ogen: Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ (Matteüs 28:20) Het is goed om dat tot ons te laten doordringen aan het begin van het nieuwe jaar. Wat is uw goede voornemen? Wat zal het nieuwe jaar voor jou brengen? Veel mensen zeggen: afwachten maar. Maar in dit laatste hoofdstuk van de bijbel staat iets heel anders. Daar zegt Jezus maar liefst drie keer: ‘Ik kom spoe­dig!’ Met die belofte wordt iedere keer een stukje van dit hoofdstuk afgesloten. Je kunt je afvragen: waarom herhaalt Jezus deze belofte? Omdat wat drie keer gezegd wordt, vast en zeker is. De herhaling is geen teken van onzekerheid, maar bevestigt en onderstreept juist de zekerheid. Je hebt het toch zeker wel gehoord? ‘Ja, Ik kom spoedig’, dat zegt de Here Jezus!

Vandaag zien we elkaar (ook al is het vanwege de gladte maar met z’n elven) voor het eerst in 2016 weer in de Middagpauzedienst. Een goede gelegenheid om onszelf en elkaar te herinneren aan de belofte van Chris­tus’ terugkomst. Hij zegt het immers Zelf: ‘Zie, Ik kom spoedig!’ Bij elk jaar gebruiken we de uitdrukking –vroeger meer dan tegen­woordig– Anno Domini. Dat betekent: in het jaar van onze Heer. We leven nu Anno Domini 2016 na de geboorte van Christus. Maar je kunt het ook omkeren en zeggen: we leven in het zoveelste jaar vóór de terugkomst van onze Heer. Alleen kunnen we er dan geen jaartal opplakken, omdat we niet precies weten, wannéér Hij terugkomt. Maar zelfs al zou Hij dit jaar nog niet weerkomen, het is wel een jaar van de nadering van zijn komst. Want die dag komt steeds dichter bij. Elly en Rikkert, die zoveel kinderliedjes gemaakt hebben, brengen het zo onder woorden: ‘Elke dag een stapje dichter bij die dag, elke dag een stapje dichterbij. Stapje voor stapje, ’t is niet veel, maar snap je, wij zijn elke keer een stapje dichter bij de Heer.’

Van 2015 naar 2016 betekent: we zijn weer een jaar dichter bij de Heer! Daar kun je op twee manieren mee omgaan. Afwachten of verwachten. Dat eerste, dat is toch niet de goede houding. Afwachten heeft iets pas­siefs. Je ziet wel wat er gebeuren gaat, en laat het allemaal over je heenkomen. Je kunt er verder toch niets aan doen. Maar voor je het weet, interesseert het je ook niet meer zo en hou je je er ook niet meer zo mee bezig. Geloven wordt iets voor straks. Een levensverzekering voor de eeuwigheid. Gaat het vaak niet zo bij u en jou? Dat je wel wéét: de Here Jezus is bij mij en straks komt Hij terug. Maar eigenlijk speelt het niet zo’n grote rol in mijn leven. Of kun je haast niet wachten tot die grote dag aanbreekt? Zie je er naar uit? Als dat zo is, is er geen sprake van ‘afwachten maar’, maar van ‘verwachten’. Dat laatste is veel positiever, daar zit aktieve houding achter. Dan kijk je naar iets uit. Je verlangt er naar, je bent er mee bezig. En je stemt een gedeelte van je plannen of van je karrière er op af. Alleen: dat is best moeilijk. Want we leven in een wereld, die zich steeds meer concentreert op het leven nu. Híer moet je het maken. Je moet nú genieten, voor het te laat is. En zo proberen mensen op deze aarde rijk te worden en gezond te blijven. Alles wat met ziek zijn en sterven te maken heeft, proberen ze zo ver mogelijk voor zich uit te schui­ven. In dat klimaat leven wij ook als gelovigen. Dan lijkt het, alsof je als chris­ten wel in de aanwezigheid en de terugkomst van de Here Jezus ge­looft, maar voor je het zelf in de gaten hebt, funktio­neert het kontakt met de Here Jezus helemaal niet meer inTulpenveld met regenboog je dage­lijks leven. Je hebt het druk, er zijn nog zoveel interessante dingen te doen en te beleven. En ondertussen raak je de verborgen omgang met de Here kwijt en verdwijnt de gedachte aan de terugkomst van je Heiland helemaal uit beeld. Dan lijk je misschien heel erg bij de tijd, maar in de ogen van God ben je in slaap gesukkeld! Je loopt hopeloos achter! Want dan hou je de klok van God niet bij! Dan heb je je eigen toekomst misschien tot in detail gepland, maar ben je niet op Gods toekomst voorbereid. Vanmiddag krijgen wij weer te horen van onze Heer Jezus Zelf te horen: ‘Ja, Ik kom spoedig!’ En wat staat er nog meer? De Geest en de bruid zeggen: ‘Kom!’ Dat is het effekt van de Heilige Geest op Gods kinderen. Hij zorgt ervoor, dat jij en ik het ook in 2016 van Jezus onze Heer verwachten. Híj helpt ons ook het komende jaar door. Wat de toekomst ook brenge moge. Hoewel, ik weet wel, wat de toekomst brengt: Jezus Christus, onze Heer! Dus vraag je aan het begin van 2016 niet alleen af wat de toekomst zal brengen, maar sta in 2016 ook steeds weer bewust stil bij Wie er in de toekomst zal komen!

Philippus Roorda – ‘Wel zok aan Jezus Christus overgeft, dij zien leven komt goud terecht.’

Roorda NDOp 8 december was ik aanwezig op de begrafenis van meneer Roorda, geboren op 20 april 1924, overleden op 3 december 2015. ‘Meneer Roorda’ – zo ben ik hem altijd blijven noemen, mijn oud-leraar Latijn op het Gereformeerd Lyceum, zoals het Gomaruscollege in mijn tijd (1977-1983) nog heette. Hij was voor veel leerlingen een schrijver op het tablet van mijn hart, zoals Koert van Bekkum het op 7 december prachtig onder woorden bracht op het theologenblog van het Nederlands Dagblad.

Twee dingen wil ik graag doorgeven, omdat het blijvende indruk op mij gemaakt heeft. Het eerste is een briefwisseling van bijna 19 jaar geleden. Toen kreeg ik op mijn verjaardag het boekje ‘Joar en dag’ – een bundeltje met bijna 30 Groningse overdenkingen n.a.v. kerkelijke feestdagen en bijzondere gebeurtenissen in het leven. Eén van die overdenkingen ging over Leven met als tekst Johannes 17:3 (“Dit is  t aiwege leven, dat ze Joe kennen”) en was geschreven door Ph. Roorda. Mede naar aanleiding van die overdenking schreef ik hem een brief die ik begon in het Gronings en vervolgde in het Nederlands. 

Beste Roorda,

Sins joar en dag heb ik docht, dat joe gain aspiroaties haren om pastor te worden. Moar òflopen week laangde mien bruier mie n luddek boukje mit Grunneger overdenkns tou. ’t Was nog veur mien joardag. En verdold, dou ik aan t lezen goan was, zag ik in ainen joen noam stoan, en ik dochde: “Is Roorda ook bie profeten?” Joa, dochde ik, dat is e zien haile leven al, moar den wel in andere zin, meer old-testamentisch, vergreld op oetwassen in gemainte van Christus, dij doar nait maggen. Dizze menaier van ‘profetisch optreden’ past meer in traditie dij je ien Neije Testament tegen kommen: deurgeven van Gods riekdom ien hoop dat mensen deur Geest ien t hart roakt worden.

In zijn antwoord komt duidelijk naar voren, wat meneer Roorda altijd gedreven heeft als hij weer eens de publiciteit zocht als kritikaster van vrijgemaakte eigenaardigheden. Hij begon te vertellen dat hij net bezig was het bijbelboek Amos te vertalen in het Gronings en dat dat zo lekker ging, omdat Amos “een boer is, deur de Heer achter de baisten vothoald, die één allesbeheersende overtuiging heeft en daarmee losbrandt tegen ’t schietvrome volk.” En vervolgens legde hij de link met mijn opmerkingen:

‘Vergreld op oetwazzen in gemainte van Kristus dij doar nait wezen maggen’ daar heb je de éne kant van mij wel juist mee uitgedrukt. Door de nadruk óp en veelvuldige herhaling vàn dat aspect is het tweede wel eens wat in de verdrukking gekomen; maar wees overtuigd dat het me in wézen altijd om het tweede is gegaan: ‘deurgeven van Gods riekdom’. Mijn laatste jaren op onze school heb ik me dat goed gerealiseerd. Toen heb ik dan ook als uitgangspunt genomen: Rom. 5:1 en Ex. 34:6 en 7a, dat op allerlei manieren terugkeert in heel het O en NT, tot in de spijtige reactie van Jona toe.

En natuurlijk kon hij het niet laten om nog een opmerking te maken over het feit dat ik de Groningse aanhef met Beste Roorda begonnen was, en daarna in het Nederlands overstapte met Nogmaals, geachte meneer Roorda.  Dat vond hij “een typisch verschil, dat idiomatisch geheel correct is”, want in het Gronings drukt men zich wat ruiger en minder ‘correct’ uit als in het Nederlands.

Roorda Aiweg levenDeze ontboezeming van meneer Roorda, dat het hem er bij alles altijd om ging om Gods rijkdom in Jezus Christus centraal te stellen, is mij altijd bijgebleven. In het twee pagina’s grote interview in het Nederlands Dagblad van 18 mei 2013 benadrukt hij ook de ruimte van Gods genade in Jezus Christus. “Het geopende graf stelt mij in de ruimte” is een van de laatste zinnen van dat interview. En dat is ook de oproep waar Ph. Roorda zijn Groninger meditatie mee afsluit: “Wel zok aan Jezus Christus overgeft, dij zien leven komt goud terecht.”

En dan de tweede herinnering. Onder één van de lessen Hebreeuws in de vijfde of zesde klas van het Lyceum (onder Latijn werd nooit over welke actuele onderwerpen dan ook gesproken) ging het over Pasen. We zongen toen in onze GKV-kerken nog maar een handjevol gezangen, dus je had op Paaszondag niet zoveel keus. Dat vond meneer Roorda meer dan jammer, want het mooiste Paaslied aller tijden was toch wel Daar juicht een toon, daar klinkt een stem. De vier verzen van dat lied, daar zat de hele rijkdom van het christelijk geloof in, vond hij. Elk jaar met Pasen móet je daarom wel beginnen met het zingen van dit lied.

Tijdens de indrukwekkende begrafenis van Philippus Roorda kwamen beide herinneringen bij mij weer boven. Romeinen 5:1-11 werd gelezen, samen met Kolossenzen 1:12-20 en Zondag 23:60 en Zondag 1:1 van de Heidelbergse Catechismus. En het verwonderde mij niet, dat we op de begraafplaats na het neerdalen van de kist ‘Daar juicht een toon, daar klinkt  een stem’ zongen. Meneer Roorda’s mooiste Paaslied, waarvan ik niet weet of hij het ook kende in het Gronings.

1/ Doar klinkt een toon joechaait een stem, dij gaalmt deur hail Jeruzalem.
Doar gloort het nije mörgenrood: de Zeun van God ston op oet dood!
2/ Gain graf huil Doavids Zeun omkneld, Hai overwon dei staarke held.
Hai steeg oet ‘t graf deur aigen kracht, joa, Hai is God, omkled mit macht!
3/ De angel is tou dood oethoald, want alles is veur ons betoald.
Wèl in geleuf mit Jezus gait, dij vreest veur dood en duvel nait.
4/ Want nou Heer Jezus opstoan is, begunt ons nije leven wis!
Een leven deur zien dood beraid, een leven in zien heerlekhaid.

En zo werd de mensaap beeld van God?

Ergens halverwege het evolutieproces besloot God van een mensaapachtige voorouder een mens te maken door hem de levensadem en de goddelijke Geest in te blazen. Daardoor ontvingen twee ‘hominiden’ van God een moreel bewustzijn, een vrije wil, het verstand, de taal en de liefde voor God. Oftewel: toen God op een gegeven moment in de geschiedenis besloot het ‘project mens’ te starten en met Adam en Eva een relatie aan te gaan, maakte Hij twee inmiddels tot mensaapachtigen geëvolueerde schepselen tot zijn beelddrager.

Theïstische evolutie

Veel christenwetenschappers hangen deze gedachte aan op grond van goede wetenschappelijke theorieën die stevig gefundeerd zijn op veel waarnemingen en experimenteel onderzoek. Puur materieel lijkt ons DNA sterk op dat van chimpansees en is het met name onze opmerkelijke menselijke geest die het verschil maakt tussen mens en dier. Toch noemen ze zich theïstisch evolutionist, omdat ze er gewoon niet bij kunnen (net als veel niet-religieuze wetenschappers trouwens) dat deze ingenieuze wereld helemaal uit toeval en chaos ontstaan is. Als christenen geloven ze echt in een scheppende God, maar vinden de bijbelse beschrijving van de schepping historische poëzie. Genesis 1 bezingt de werkelijkheid van de schepping meer dan dat het die letterlijk beschrijft.

 Geforceerde ‘hominide’-verklaring

Als je de opbouw van met name Genesis 1 bekijkt, is het mogelijk om te veronderstellen dat de historische werkelijkheid van de schepping op een literaire wijze beschreven wordt. Deze opvatting kent binnen de gereformeerde Schriftuitleg een legitieme plaats. Maar waarom moet je dan je toevlucht nemen tot de geforceerde verklaring, dat God ergens in het evolutieproces van miljarden jaren door middel van een eenmalig ingrijpen plotseling twee (of beter: een groep) mensaapachtige voorouders heeft opgewaardeerd tot mensen die geestelijk gezien Gods evenbeeld zijn en op Hem lijken? Ik denk dat deze verklaring over het ontstaan van de mens als enig intelligente zoogdier door elke andere wetenschapper gekraakt wordt als pure speculatie.

Een consequent christelijke toepassing van de theïstische evolutie of de Intelligent Design-gedachte moet er wel toe leiden dat je openlijk erkent dat er ergens een goddelijk ingrijpen heeft plaatsgevonden. Als je de Bijbel als uitgangspunt neemt, gebeurde dat toen de HERE God één mensenpaar schiep. Een christen-wetenschapper die daar aan begint te twijfelen, legt het ingrijpen van God ergens anders. Dat lijkt me tamelijk willekeurig. Niet als wetenschapper, want die begint altijd ergens met zijn hypothese en gaat dan de discussie aan over de houdbaarheid van zijn theorie. Maar wel als gelovige: waarom zou je zelf een ander uitgangspunt nemen dan de Bijbel doet, als je dat tenminste echt als Gods Woord ziet en als het meest bevredigende antwoord op alle levensvragen?

Werken met de hypothese ‘evolutie’

Als christen kan ik in de wetenschappelijke discussie tot op zekere hoogte best uit de voeten met de hypothese van de evolutietheorie. Ook als je gelooft in een zesdaagse schepping, kun je de ontwikkeling van de aarde wetenschappelijk gezien terug-beredeneren. Neem bijvoorbeeld de eerste eiken die God op de derde dag schiep. Die hadden wel meteen driehonderd jaarringen en waren dus op hun scheppingsdag wetenschappelijk gezien 300 jaar oud. Hetzelfde geldt voor de aardolie en het aardgas in de grond. Het ontstaat in een proces van eeuwen, leert de wetenschap ons.  Dus kan en moet je  voor het wetenschappelijk onderzoek uitgaan van die duizenden jaren voordat de natuurlijke processen van dierlijk en plantaardig materiaal boven de grond uiteindelijk tot vorming van aardolie en aardgas diep onder de grond geleid heeft. Wat is er op tegen om op die manier evolutietheorie met haar miljoenen jaren als werkhypothese te gebruiken? Niet veel, lijkt mij. Als gelovige kun je een andere mening over het daadwerkelijke ontstaan van het heelal en de aarde hebben. Persoonlijk geloof ik niet in de tot nu toe moeilijk te bewijzen stelling van de evolutietheorie dat soorten geleidelijk in elkaar overlopen. Ik denk dan eerder, dat God voor bepaalde levensvormen dezelfde principes gebruikt heeft en dat er sprake is van ‘sprongsgewijze evolutie’ van het ene domein naar het andere domein. Dat strookt ook wel met de opbouw van het scheppingsverhaal van Genesis 1 – met als sluitstuk de mens als kroon op Gods schepping.

En al die fossielen dan?

Heeft de HERE God dan een aarde geschapen inclusief de fossielen van dinosaurussen en dergelijke erin? Dat is een punt. Als ik mijn verstand uitschakel zeg ik eigenlijk hetzelfde als wat iemand in de jaren ’50 tijdens een gesprek waarin het over dit soort vragen ging, op z’n Zwols tegen mijn vader zei: ‘Gait, dat hef de ‘ERE d’r allemaol inne-stupt.’ Dat is in mijn optiek wel een wat al te gemakkelijke oplossing, want hoe zit het dan met de mammoet en de dinosaurus? De optie dat die bij de zondvloed niet mee mochten, is ver gezocht. Dan zoek ik het liever in een oprekken van de tijd tussen schepping en zondvloed. Die was langer dan een kort momentje ‘hemel en aarde’ + ‘zes-keer-24-uur’ + de optelsom van de levens van de stamvaders uit de geslachtsregisters van Genesis 5.  Anderzijds hoort bij een schepping in zes dagen ook, dat net als de aardolie en het aardgas, ook de fossielen er bij ingeschapen zijn als verstening van dierlijk en plantaardig leven. Probleem is dan, dat ‘de dood’ er voor het natuurlijke leven wel bij hoorde. Die veronderstelling is niet door alle gereformeerde theologen afgewezen. Adam en Eva geloofden dat ze als mens niet zouden sterven zolang ze niet zouden zondigen, maar wisten wel van de seizoenen en van het rotten van bladeren, vruchten en dus ook het dood gaan van dieren. Deze ‘hypothese’ stelt ons ook voor vragen als het om geloof en wetenschap gaat. Maar je schaamt je er dan niet voor om uit te gaan van een werkelijk goddelijk ingrijpen aan het begin van onze geschiedenis. En het voorkomt dat je je toevlucht moet nemen tot nogal aanvechtbare aannames, zowel bijbels-theologisch als wetenschappelijk gezien, over een goddelijk ingrijpen in de geest van mensaapachtige voorouders.

In het begin schiep God de hemel en de aarde. 
Mag dat ook zijn met alles erop en eraan en erin?

 

Eerder blogde ik een drieluik dit onderwerp:
21/9 God maakte een stofje en zag het met plezier miljarden jaren groeien
26/9 Een goed christelijk gesprek over schepping en evolutie – kan dat?
30/9 Een geloofwaardige versie 2.0 van het scheppingsverhaal? 

Wanneer laat je je kind dopen?

‘Ik heb de indruk dat ouders de doop van hun pasgeboren kind tegenwoordig wat uitstellen. Als die indruk klopt, waar komt dat dan door? En wat vinden we daar van?’ Daarover raakten we als ouderlingen en predikant met elkaar in gesprek op een kerkenraadsvergadering.

Na veertien dagen of na anderhalve maand?

De eerste vraag die beantwoord moet worden is natuurlijk of de indruk van de ouderling die dit onderwerp aankaartte klopt. Ik denk dat het antwoord ‘JA’ is. Vroeger lieten ouders hun pasgeboren kindje vaak op de tweede of derde zondag na de geboorte dopen. Dat gebeurt nog wel, maar het komt ook wel vaak voor, dat er een maand of anderhalve maand tussen geboorte en doop zit. Wat zou daar de reden van zijn? En hoe erg is het om de doop een paar weken uit te stellen?

Liever een paar week later, want …

Waterdruppel 1Ik herken de tendens om kinderen iets later te laten dopen. Als ik  voor mezelf na ga waar dat door komt, denk ik aan de volgende redenen:

  1. Een aantal keren heb ik van jonge moeders gehoord, dat ze de doop van hun eerste kind niet helemaal bewust hebben meegemaakt, omdat ze toen nog ‘netjes’ hun kleine op de tweede of derde zondag lieten dopen. Daarom nemen ze bij een tweede kind liever wat langer de tijd om te herstellen, zodat ze de doop goed mee kunnen beleven.
  2. Soms is de baby te vroeg geboren of moet de moeder echt herstellen van de bevalling. Bij een vroeggeboren baby of als de kleine ziek in de eerste weken ziek wordt is het goed te begrijpen dat de doop een aantal weken opgeschoven wordt. En het lijkt mij ook goed te verdedigen dat je met de doop van je zoon of dochter wacht totdat de moeder weer fit genoeg is om bij de doop aanwezig te zijn.
  3. Een doopdienst is tegenwoordig meer dan vroeger ook een hoogtepunt in de familie. Daar willen vooral de grootouders (en soms zelfs de overgrootouders) graag bij aanwezig zijn. En vaak ook de kersverse ooms en tantes. Dat betekent wel dat er veel agenda’s op elkaar afgestemd moeten worden.
  4. Vaak vinden ouders het ook prettig wanneer de eigen predikant de doop bedient. En omgekeerd is dat, als ik voor mezelf spreek, ook het geval. Ook dan is het wel even goed kijken naar de meest geschikte zondag, omdat de dominee niet altijd in de eigen gemeente voorgaat (of plotseling ziek wordt) en er regelmatig speciale diensten op het rooster staan.
Zo spoedig mogelijk?

In de kerkorde die tot 1 juli 2015 in onze kerken geldig was staat in artikel 56: Aan de kinderen van de gelovigen zal de doop als zegel van Gods verbond zo spoedig mogelijk bediend worden in de openbare eredienst. In de nieuwe kerkorde die vanaf 1 juli 2015 is ingevoerd staat in artikel C39.1: De heilige doop wordt als zegel van Gods verbond bediend aan de pasgeboren kinderen van de gelovigen. ‘Zo spoedig mogelijk’ is dus vervangen door ‘pasgeboren’.

doopvont Jozefkerk AssenMaar hoe snel moet je de doop dan bedienen? In onze gereformeerde traditie van de afgelopen 150 jaar is er twee keer een periode geweest dat veel kerkleden zeiden: zo snel mogelijk is in principe meteen op de eerste zondag na geboorte. De aanhangers van deze gedachte werden de ‘vroegdopers’ genoemd. Rond 1890 werd deze gedachte nogal sterk gepromoot door Abraham Kuyper. En meteen na de Vrijmaking in 1944 waren er ook veel predikanten die erg nadrukkelijk voor de vroegdoop waren.

De reden daarvoor was niet, zoals bij de Rooms-Katholieke kerk, dat de doop de erfzonde wegwast en dat baby’tjes die ongedoopt stierven, niet in de hemel konden komen. Maar in de tijd van Kuyper en bij een aanzienlijke minderheid na de Vrijmaking vond men het erg belangrijk dat je de Drie-Enige God niet liet wachten om zijn teken en zegel op het voorhoofd van je kind te zetten. Als de HERE zulke prachtige beloften aan je kind wil geven, hoe haal je het dan in je hoofd om te zeggen om Hem twee of drie weken of zelfs anderhalve maand te laten wachten? Soms zette de vader deze mening zelfs door terwijl de moeder daar helemaal niet blij mee was. Ik herinner mij uit mijn jeugd een situatie dat de moeder bij de derde zwangerschap zei: ‘Ik hoop maar dat de baby op zondag geboren wordt, dan kan ik er deze keer op de volgende zondag hopelijk wel bij zijn.’

Toch hebben de aanhangers van de vroegdoop nooit de meerderheid gekregen in de Gereformeerde Kerken. En in het Noorden van het land al helemaal niet. Want daar waren de meeste kerken uit de Afscheiding (1834 – Hendrik de Cock) afkomstig en niet uit de Doleantie (1886 – Abraham Kuyper). Hendrik de Cock stond erom bekend, dat hij graag beide doopouders bij de doopvont zag verschijnen.

Van uitstel komt geen afstel

Dat betekent niet, dat wie niet voor de vroegdoop zijn, de kinderdoop onnodig willen uitstellen. Het argument om te wachten met de doop totdat ook de moeder erbij kan zijn, is juist goed te verklaren vanuit de doopvragen. Daarin beloven beide ouders dat ze hun kind gelovig zullen opvoeden. Die taak rust namelijk op de schouders van beide ouders. En in het doopformulier staat ook de zin, dat we in de kerk de doop bedienen ‘tot eer van God, tot versterking van ons geloof en tot opbouw van de gemeente’. Die tweede reden geldt toch zeker ook voor de moeder! Juist als het allemaal niet zo vlotjes gegaan is tijdens de zwangerschap, bij de bevalling of in de weken erna. In een vorige gemeente was dit het argument van een moeder die pas twee maanden na de bevalling weer in staat om in de kerk te komen. Dat kun je toch geen onverantwoord uitstel van de doop noemen? Het was juist een hele blijde en bemoedigende zondag voor deze moeder dat ze na zo’n moeilijke periode van bijna een jaar bij de doopvont stond om haar JA-woord te geven en samen met haar man haar kind ten doop te houden!

Niemand wil God onnodig laten wachten

Doop - eerste belofteHet klopt wel dat de doop in onze kerken de laatste jaren wat wordt uitgesteld. Ook worden er in sommige vrijgemaakt-gereformeerde kerken aparte doopzondagen belegd. Maar voor zover ik weet is dat overal 1x per maand en nergens 2x of 3x per jaar, zoals je in andere kerken nog wel eens ziet. Het komt dus bijna nooit voor dat een baby pas na een aantal maanden gedoopt wordt. In de doopgesprekken (en die doe ik in alle gevallen altijd zelf) merk ik ook bij niemand dat men heel gemakkelijk de doop uitstelt. Men vindt het eerder jammer als het toch wat langer duurt, ook al zijn de redenen daarvoor goed te begrijpen. De periode tussen geboorte en doop blijft dus beperkt. Want God wil iets heel moois geven aan weer een nieuw klein kindje van Hem: zijn eeuwige beloften als Vader, Zoon en Heilige Geest. De doop is daar teken en zegel van. Dat moment is zo waardevol, dat in onze kerken niemand die zondag onnodig uit wil stellen.

Over het goed recht van de kinderdoop schreef ik al eerder een paar blogs:
Sela over de doop
Te vroeg of te laat, maar niet dubbel
Kinderdoop normaal – uitstel soms – herdoop nooit

STAPPEN met JEZUS op een prachtig BELIJDENISKAMP

‘Hoe was het belijdeniskamp dit jaar?’ Veel mensen vroegen me dat afgelopen week. Nou, eigenlijk moet je dat mij niet vragen, maar aan de 22 jongeren uit Assen-Peelo, Assen-West en Hooghalen die dit jaar van vrijdagavond 2 oktober tot zondagmiddag 4 oktober op kampeerboerderij ‘De Vistrap’ vlak bij Dalfsen. Maar ik vertel graag wat we gedaan hebben en hoe de meesten het ervaren hebben.

Het belijdeniskamp van de vier kerken (ook Beilen doet mee, maar dit jaar leverde Beilen geen deelnemers) bestaat al minsten 15 jaar. En de opzet is al jarenlang ongeveer hetzelfde – een echte succesformule. Vrijdagavond t/m halverwege de zaterdagmiddag inhoudelijk, daarna sport en spel en bonte avond, op zondag een kampdienst en/of kerkdienst met verwerking.

Belijdeniskamp 2015 ballonvaartDit jaar zorgde Peter Wierenga van het Bureau Kerkwerk voor de inhoud. Hij maakte er echt een heel mooi geheel van. Op vrijdagavond begonnen we met een Belachelijke Ballonvaart. Je kunt het leven vergelijken met een reis. Je mag 39 dingen (personen, spullen, hobby’s, gewoonten enz.) meenemen. Maar onderweg moet je in 3x etappes 10 dingen overboord gooien. Welke 9 dingen vind je uiteindelijk in jouw leven dan het meest belangrijk?

Tijdens het tweede deel van de vrijdagavond konden we daar met elkaar over doorpraten in groepjes van 2 of 3 tijdens de belijdeniswandeling. Daarin vroegen we ook aan elkaar waarom en wanneer we belijdenis wilden doen.

Belijdeniskamp 2015 voetstapOp zaterdagmorgen ging Peter verder met ons en vroeg iedereen om op een heel groot vel papier De reis van je leven uit te tekenen. Vanaf je geboorte tot aan de dag van vandaag. Met vier onderdelen: * Gidsen (= belangrijke personen) en * Richtingwijzers (= belangrijke ervaringen) en * Mijlpalen + * Hindernissen (de tops en de downs in je leven). Dat was best pittig om te doen. Het maakte bij sommige kampgangers veel los.

De zaterdagmiddag ging over Jezelf (weg)geven, vanuit Romeinen 12:1-8. Als kind van God mag je alles van jezelf bij God brengen. Hij neemt al het zondige weg en Hij vult je met alles wat Hij je geven wilt. Niet om het voor jezelf te houden, maar om je te laten overlopen. Peter maakte dat duidelijk met het voorbeeld van gevulde glazen. Daarna liet hij ons nadenken over de volgende drie vragen: *1* Waarom zou ik mijzelf aan God en Jezus toevertrouwen? *2* Wat wil ik Hem allemaal geven en wat hou ik liever zelf? *3* Hoe geef ik op dit moment al goede dingen van God door?

Daarna volgde op zaterdagmiddag de zeskamp – net als vorig jaar met enorm veel liefde en enthousiasme door kampleider JP georganiseerd (incl. sjekkie achter z’n oren). Team Leeftink was het meest sportief: wij lieten alle andere teams boven ons eindigen. En ‘s avonds eerst de voorbereiding op en daarna de uitvoering van de bonte avond. Die was zo leuk, dat wie er niet bij was, zich er geen voorstelling van kan maken als ik zeg, dat het oerend hard ging met paard en al.

Belijdeniskamp bureau kerkwerkOp zondag ’s morgens hielden we onze kampdienst. De Muziekvrienden van Assen-West kwamen ons begeleiden – top! Peter Wierenga leidde de dienst. Hij haalde drie verschillende discipelen van Jezus voor het voetlicht. Natanael is degene die onder de boom veel van Jezus verwacht. Petrus is degene die uit de boot stapt omdat hij helemaal op Jezus vertrouwt. En Andreas is degene die anderen verwijst naar Jezus, bv. met vijf broden en twee vissen. Ondertussen is de Here Jezus Zelf degene die alles van zijn Vader verwacht, helemaal op zijn Vader vertrouwt en altijd naar zijn Vader verwijst. In de verwerking op zondagmiddag werd de vraag gesteld: welke type gelovige ben jij? En wat heb je van dit kamp geleerd, waar kun je God voor bedanken en welke stappen ga je na dit kamp in geloof met Jezus zetten?

Tussendoor … was er de geweldige goede zorg van de kamp-mama’s Thea, Grietje en Hettie. Eten en drinken en waar nodig een persoonlijk gesprekje … de kamp-mama’s waren dit jaar alweer geweldig!

Tot zover dit domineesverslag van het belijdeniskamp 2015. Wie vult dit verslag aan met zijn of haar reaktie? En voor wie nog eens over belijdenis-doen na wil denken: lees het blog over WAAROM ZOU IK BELIJDENIS DOEN?

 

 

Een geloofwaardige versie 2.0 van het scheppingsverhaal?

Van eeuwigheid tot eeuwigheid bestaat de ene God. Hij is de bron en het doel van alle dingen. Hij is in Zichzelf een God vol van allesomvattende liefde, blijdschap, vrede en creativeit. Aan ons mensen heeft Hij Zichzelf bekend gemaakt als God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. Deze drie-enige, ware God is geen onderdeel van onze tijd en ruimte, maar is er de Schepper van. Voor Hem is er geen verschil tussen wat voor ons één nanoseconde is of één miljard jaar.

Zo begint de Amerikaanse gereformeerde theoloog Leonard J. Vander Zee zijn hervertelling van het scheppingsverhaal in From Stardust to the New Jerusalem op een congres over schepping en evolutie begin juli 2015. En zo gaat hij verder:

Oerknal LJvdZEens, once upon a time, bracht deze overweldigende, kostelijke, overvloeiende liefde van de drie-enige goddelijke gemeenschap vanuit het niets een speldeknopje voort, kleiner dan een eiwit. God had daar het hele universum in gelegd: alle materie, alle energie, al het leven, alle natuurwetten, ja, alles was in potentie aanwezig. Het speldeknopje explodeerde – alleen God weet hoe – en het universum ontstond. In het begin leek alles zichzelf door explosies te vernietigen, maar dat gebeurde niet. Door een piepkleine asymmetrie tussen deeltjes en antideeljes liet God materie ontstaan. En God was enorm blij dat het allemaal volgens zijn plan ging. Daarna ontstonden de sterrenstelsel en in die miljarden jaren gooiden supernova’s enorme hoeveelheden energie in het universum. En de lach van de Drie-Enige schalde door de kosmos. Alles was klaar voor de volgende stap: het ontstaan van leven. God focuste Zich op een kleine ster in de uithoek van het heelal – onze zon. Hij zorgde ervoor dat één planeet, Oerknal ontstaan leven op aarde LJvdZde aarde die wij nu bewonen, op precies de juiste afstand stond zodat het leven zich daar begon te ontwikkelen. En in de hemel dansten alle engelen vol bewondering en blijdschap. Miljoenen jaren lang ontwikkelde het leven op aarde zich verder. De ene na de andere soort ontstond, ieder een wonder op zich. En God verheugde zich enorm in de overweldigende variëteit van schepselen die Hij gemaakt had. Maar van eeuwigheid af was het Gods plan geweest om een schepsel te maken dat het vermogen had hun Schepper te kennen en lief te hebben, om zich te verwonderen en God te prijzen. Alleen, zulke schepselen waren er nog niet. Dus kneedde God het DNA zo, dat er nieuwe Oerknal eerste mens LJvdZschepselen ontstonden die rechtop gingen lopen en van wie de herseninhoud groeide, totdat er een schepsel verscheen die iets totaal nieuws had: menselijk bewustzijn. God blies zijn adem in deze schepselen, zodat ze God kenden als de Schepper van het heelal. Ze stonden vol verrukking en verwondering voor hun Schepper. Ze gaven namen aan de sterren en de dieren en brachten de wereld in cultuur. Toen zei God: ‘Dit is eindelijk het schepsel dat naar ons beeld geschapen is om over de aarde te heersen en erover te waken. Dit zijn onze priesters die Ons namens heel de schepping zullen vereren. Zij zullen Ons kennen en ze zullen op aarde onze vreugde over de goede schepping weerspiegelen.’ En de Vader, de Zoon en de Heilige Geest zeiden tegen elkaar: ‘Ooh, wat is dit allemaal geweldig mooi en goed!’

Op deze manier verwerkt Vander Zee de moderne wetenschap in het scheppingsverhaal. In zijn ogen is het een wonder van goddelijke liefde en creativiteit, dat na een proces van miljarden jaren het speldeknopje vol mogelijkheden waarmee God begonnen is, eindigt in het bestaan van mensen die naar Gods beeld geschapen zijn en God kennen en erkennen: ‘HEER, onze Heer, hoe machtig is uw naam op heel de aarde.’ (Psalm 8). Maar, vertelt Vander Zee verder, het verhaal is nog niet afgelopen:

Als de geschiedenis verder gaat, spreiden de donkere schaduwen van de zonde zich uit over de levens van deze prachtige vrije schepselen. Ze komen in opstand. Ze willen meer. Ze worden jaloers en wantrouwen zelfs de God die hen zo liefdevol gemaakt heeft. Het gif van de zonde verspreidt zich over heel de schepping en leidt tot vervreemding en vernietiging. Maar de Schepper laat het er niet bij zitten.
Uiteindelijk vindt het grootste kosmische moment van heel de geschiedenis van het universum plaats: Oerknal New Jerusalem LJvdZGod de Zoon, door Wie en voor Wie alles geschapen is, komt onze wereld van ruimte en tijd binnen en wordt een mens als wij, ons vlees en bloed en DNA. Jezus Christus is de nieuwe mens, het ware beeld van God. Hij maakt weer echte mensen van ons. Nu al herstelt Hij door de Heilige Geest onze nieuwe identiteit als beelddragers van God en worden wij door zijn Geest meer en meer veranderd naar de luister van zijn beeld. En eens zullen wij, in zonde gevallen mensen, delen in de eeuwige dans van Gods liefde en vreugde, wanneer God de schepping in volle luister herstelt en alle dingen nieuw maakt.

Dit is, zegt Vander Zee, het grote verhaal van de geschiedenis van de hele wereld, van Sterrenstof tot Nieuw Jeruzalem. Dit verhaal maakt het leven zinvol, want het is werkelijk goed nieuws dat redding en hoop geeft aan iedereen die in dit licht wandelt.

STUURT GOD HET EVOLUTIEPROCES BIJ?

In deze, door mij samengevatte hervertelling, vallen mij twee dingen op. In de eerste plaats proef je bij Vander Zee voortdurend een diep respekt voor de drie-enige God als de Schepper, Verlosser en Voltooier van deze wereld. Tegelijk wil hij volledig recht doen aan de ontdekkingen en resultaten van de wetenschap als het over het ontstaan van het hele universum en van onze plek als mensheid op aarde gaat. In de tweede plaats merk ik dat Van der Zee in zijn vertelling op minstens twee momenten kiest voor een soort goddelijke bijsturing van het evolutieproces, namelijk *1* door ervoor te zorgen dat op een gegeven moment een nieuw soort schepsel ontstaan, de mensaapachtigen en *2* door op een gegeven moment, als zich in deze nieuwe levenssoort een soort bewustzijn ontwikkelt, er zijn goddelijke adem in te blazen, zodat deze groep mensen God als hun Schepper leert kennen en vereren.

Deze twee momenten van ‘goddelijke bijsturing’ kunnen mij niet overtuigen. Ik snap niet zo goed wat deze hypothese geloofwaardiger maakt dan een ‘goddelijk schepping’ zoals dat in Genesis 1-3 beschreven is. Want als je alleen maar kunt geloven in een God die gebonden is aan hoe de wetenschap het ontstaan van het universum verklaart – wat geloof je dan eigenlijk van God? Volgens mij verval je dan tot een vorm van deïsme – de theologische stroming die van mening is dat God alleen aan het begin van de schepping de boel in gang gezet heeft en vervolgens zijn schepping als een wekker laat aflopen zonder er verder betrokken bij te zijn. Of, nog erger, je houdt geen geloof meer over, omdat de wetenschap, als het erop aankomt, in alles het laatste woord heeft.

TERUG NAAR DE VERWONDERING

Dr. Henk Geertsema voert in zijn artikel ‘Probeer eens opnieuw naïef de Bijbel te lezen’ in het CW van 15 juli 2015 (Christelijk Weekblad – nieuws- en opinieblad voor gelovig Nederland) een pleidooi om als christenen weer meer open te staan voor de verwondering. Daardoor kunnen we de analytische, wetenschappelijke reductie van ons bestaan tot wetmatigheden en verklaringen overstijgen. Het getuigt volgens hem juist van een wetenschappelijk instelling om open te staan voor de mogelijkheid dat de aarde in zes dagen is geschapen. Want wij hoeven God en zijn woorden niet uit te leggen als mythe, projectie of metafoor. Als je je laat leiden door de verwondering, kunnen we weer de openbaring van God aanvaarden als betrouwbare woorden. De filosoof Paul Ricoeur (1913-2005) noemt dit een “tweede naïviteit”. Leonard J. Vander Zee wees er al op dat wetenschap en theologie elk hun eigen beperkingen zouden moeten  erkennen om zo juist volop op hun eigen terrein de geheimen van de schepping (vooral de natuurwetenschap) en de verlossing (vooral de theologie) te doorgronden. Daar hoort dan de erkenning bij, dat niet alleen onze kennis beperkt is, maar ook dat God ons niet alles verteld heeft over het begin van de geschiedenis, net zoals Hij in het boek Openbaring zaken voor ons verborgen houdt over de periode tussen Pinksteren en Wederkomst. Wat Hij ons in de Bijbel laat weten, doet Hij “namelijk voor zover dat voor ons in dit leven nodig is tot zijn eer en tot behoud van de zijnen.” (Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 2)

Ik voel wel wat voor deze benadering als het om de vragen rond schepping en zondeval gaat. Wetenschappelijk kun je prima met grote delen van de evolutietheorie uit de voeten. Het is, wetenschappelijk gezien, een zeer aannemelijke hypothese. Als je, puur wetenschappelijk, de aardlagen en de zonnestelsel bestudeert, kom je uit op miljoenen en miljarden jaren. Daar is niets mis mee. Maar als de natuurwetenschap claimt te kunnen verklaren, waarom de aarde ontstaan is (in plaats van hoe het volgens de huidige wetenschappelijke modellen gegaan kan zijn) en daarbij soms ook nog beweert dat God slechts een bijproduct van onze hersenschors is, gaat ze haar boekje ver te buiten.

Als christen geloof ik in een God die deze wereld geschapen heeft en nog steeds in stand houdt en regeert en eens tot zijn doel zal brengen. Als Hij mij vertelt dat Hij alles in het begin perfekt heeft neergezet, geloof ik dat. Als Hij mij vertelt, dat Hij één echtpaar als mens naar zijn beeld geschapen heeft, geloof ik dat ook. Hoe Hij dat allemaal precies gedaan heeft, daar was en kan ik niet bij. Maar Hij heeft wel meer dingen gedaan waar ik niet was en bij kan, en waar toch meer dan 500 mensen getuige van geweest zijn. Dus geloof ik Hem op zijn woord. Persoonlijk vind ik een ‘ingeschapen ouderdom’ en een levenscyclus waarin planten en dieren op elkaar afgestemd zijn niet zo problematisch, terwijl volgens mij de geleidelijke ontwikkeling van de mens uit een mensaapachtige niet goed met het historische verhaal van Genesis 1-3 te combineren is. Als het om de schepping zelf gaat, heb ik er geen behoefte aan om nadrukkelijk uit te spreken, dat de zes scheppingsdagen elk precies 24 uur geduurd hebben. Maar ik zie het nut er ook niet van in om de zes scheppingsdagen op te rekken tot exact de periode die de huidige stand van de wetenschap berekend heeft. Als ik dan toch een keuze maken moet, vind ik het verhaal van Genesis 1-3 het meest geloofwaardig.

Eens, once upon a time, maakte God in korte tijd een kant en klaar heelal en schiep Hij één mensenpaar als zijn evenbeeld. En met het intellect dat God Zelf in onze hersenen gelegd heeft, kunnen we het allemaal narekenen: als God het niet in een krappe week geschapen heeft, zou het ongeveer 13,7 miljard jaar oud zijn. Zo’n machtig God is Hij!

Dit is deel drie van een drieluik over dit onderwerp:
21/09/2015  God maakte een stofje en zag het met plezier miljarden jaren groeien
26/09/2015  Een goed christelijk gesprek over schepping en evolutie – kan dat?
30/09/2015  Een geloofwaardige versie 2.0 van het scheppingsverhaal? 
Verder schreef ik op 01/12/2015  En zo werd de mensaap beeld van God?

Een goed christelijk gesprek over schepping en evolutie – kan dat?

In mijn vorige blog God maakte een stofje ging ik in op de vraag of je als christen zonder probleem kunt geloven, dat God 15 miljard jaar geleden uit het niets één piepkleine cel geschapen heeft waar Hij de ontwikkeling van het hele heelal in gestopt heeft, inclusief het ontstaan van de aarde en van de mens als beeld van God. Een bewuste schepping dus, maar dan wel beschreven vanuit het perspectief van de wetenschap. Is zo’n visie overtuigend? Of juist in strijd met de Bijbel?

Leonard J Vander ZeeHet is de Amerikaanse gereformeerde theoloog Leonard J. Vander Zee die deze gedachte afgelopen zomer in zijn lezing From Stardust to the New Jerusalem  heeft uitgedragen. Hij sloot zijn lezing af met een indrukwekkende hervertelling van het scheppingsverhaal. Maar voordat hij dat deed, droeg hij eerst een aantal punten aan voor een goed gesprek tussen christenen die verschillend denken over de mogelijkheid om het scheppingsverhaal uit Genesis te combineren met het wetenschappelijke verhaal van de evolutie.

1/ Gereformeerde christenen geloven dat we God op twee manieren kunnen kennen. Ten eerste door middel van zijn schepping. Daarin zie je zijn eeuwige kracht en goddelijkheid. Ten tweede door zijn Woord, de Bijbel. Daarin maakt God Zichzelf nog duidelijker bekend. Zo staat het in artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.  Dus kunnen wetenschap en geloof niet tegenover elkaar staan als christenen het ontstaan van de schepping  onderzoeken, aldus Vander Zee. Toch gebeurt dat wel vaak. Dat heeft twee redenen: a) de wetenschap denkt soms dat ze uitspraken kan doen over het al of niet bestaan van God. Dan gaat de wetenschap haar boekje te buiten, want wetenschap bestudeert alleen de waarneembare werkelijkheid d.m.v. empirisch onderzoek. En b) de theologie denkt soms dat ze helemaal geen rekening hoeft te houden met de resultaten van de wetenschap.  In dat geval wordt het scheppingsverhaal een sprookje in plaats van een gelovige beschrijving van de werkelijkheid en wordt het christelijk geloof hopeloos irrelevant.

2/ Wanneer je als christen nadenkt over schepping en evolutie, moet je een veilige sfeer creëren om de vele vragen die er vandaag zijn, samen te doordenken. Dat betekent volgens Vander Zee, dat je als christen altijd duidelijk moet zijn over je uitgangspunt: de Bijbel is het gezaghebbende en geïnspireerde Woord van God waar de verlossing door Jezus Christus centraal staat. Verder moet je de ander erkennen als medechristen en zijn mening respekteren én mag je omgekeerd verwachten dat de ander jouw mening met hetzelfde respect behandelt.

3/ Volgens Vander Zee is het ook nodig dat christenen meer dan tot nu toe beseffen, dat het in het christelijk geloof om de redding van de hele wereld gaat. Vaak legt men óf teveel nadruk op normen en waarden (moralistische en therapeutische prediking) óf op de persoonlijke redding door geloof in Jezus Christus (individualistische prediking). Als je Romeinen 8:19-21 en Kolossenzen 1:15-20 leest, besef je dat Jezus Heer is van heel de schepping en gekomen is om heel de schepping weer met God te verzoenen. Als we elkaar dit onderliggende verhaal niet blijven vertellen, wordt de Bijbel niet meer dan een zelfhulpboek en kun je niet gelovig over de uitdagingen van geloof en wetenschap nadenken.

Leonard J Vander Zee - biologis4/ Sinds eeuwen is de Bijbel het boek van Gods grote verhaal over de geschiedenis van de hele wereld en de hele mensheid met de komst van Jezus Christus in het centrum. Dit ‘meta-verhaal’ geeft tegelijk heel erg praktisch zin en richting aan het leven van gelovigen door alle tijden en culturen heen.  Als christen moet je er altijd aan blijven vasthouden, dat de Bijbel het verhaal is van God over hoe Hij handelt in de geschiedenis. De Bijbel is van A tot Z een historisch boek. Dus ook Genesis 1-3 gaan over de werkelijkheid dat God hemel en aarde geschapen heeft.  Tegelijk is de Bijbel geen geschiedenisboek in de moderne zin van het woord. Want de Bijbel concentreert zich niet op historische feiten op zich, maar is altijd gefocust op wat God in de geschiedenis gedaan heeft, doet en zal doen vanuit zijn liefde voor de schepping en voor de mensen.

5/ Als het gaat over het begin van onze geschiedenis is het van belang om te beseffen wat volgens de Bijbel Gods manier van werken is, aldus Vander Zee. Daarom moet je Gods verlossingswerk en Gods scheppingswerk met elkaar vergelijken. Als je naar Gods verlossingswerk kijkt, zie je dat God met ongelooflijk veel geduld en via mensen in een proces van eeuwen aan de redding van de wereld werkt. Daarin is God zo onnavolgbaar, dat je Hem vaak niet eens bezig ziet. Heel soms grijpt Hij rechtstreeks in, zoals bij de maagdelijke geboorte van Jezus Christus en bij de opstanding van Jezus Christus. Maar zowel in het O.T. als in het N.T. tot op de dag van vandaag werkt Hij vooral via mensen.  Omdat God geen willekeurige God is, is dit volgens Vander Zee ook Gods  manier van werken in de schepping. Hij schept het materiaal voor heel het universum, Hij bouwt allerlei natuurwetten in en brengt dat allemaal tot ontwikkeling. Zo creëert God letterlijk en figuurlijk tijd en ruimte om zijn schepping tot volle bloei en tot zijn goddelijke eindbestemming te brengen. Wetenschappers noemen dit ‘evolutie’. Maar dat is wat anders dan een willekeurig proces. Het heelal is niet ontstaan door tijd en toeval, maar door een scheppende daad van God.  Zowel de schepping als de verlossing lijkt een ‘rommelig’ proces te zijn. Maar het is de manier waarop God zijn plannen uitvoert. Niet door telkens in te grijpen, maar door er langzaam verder mee te komen. God brengt beiden via ‘evolutie’ tot het einddoel, namelijk dat eens alles weer verenigd wordt in en onder zijn Zoon Jezus Christus.

6/ Als je het grote verhaal van de schepping vandaag wilt vertellen,  moet je goed beseffen dat het verhaal van Genesis 1-3 géén exacte beschrijving van de geschiedenis is, maar een duidelijk tegengeluid laat horen tegenover alle andere meta-verhalen uit de oude Midden-Oosten over hoe de wereld ontstaan is. Vandaag geeft Genesis 1-3 een duidelijk tegengeluid tegenover de algemene gedachte dat er wel een goddelijke macht, maar geen liefdevolle persoonlijke God bestaat. Maar vooral biedt Genesis 1-3 vandaag een duidelijk tegengeluid tegenover het meta-verhaal van de naturalistische wetenschap die op geen enkele manier rekening wil houden met God en die maar één moraal kent: het leven op aarde is toevallig ontstaan en heeft geen diepere betekenis. Christenen geloven iets heel anders. Zij geloven in een scheppende en verlossende God. Dat geloof moet je volgens Vander Zee niet gebruiken om God wetenschappelijk proberen te verklaren (de theorie van het ‘Intelligent Design’) en je moet het ook niet gebruiken om de kritische momenten en zelfs gaten binnen de evolutietheorie mee te vullen. Maar het geloof in God opent de weg om de hand van de Schepper te zien in hoe Hij heel het bestaan van ons universum en uiteindelijk het bestaan van de mensen als kroon op zijn schepping in gang gezet en begeleid heeft.

7/ Dit verhaal over het ontstaan van de schepping wordt in de Bijbel verteld in Genesis 1, Job 38, Psalm 104 en Spreuken 8. Vandaag moet je het als christen vertellen met verwerking van de ontdekkingen van de moderne wetenschap.  Alleen zo kan het christelijk geloof met een geloofwaardig verhaal komen over de God die met vreugde de wereld geschapen heeft en nog steeds onderhoudt en regeert, op weg naar het Nieuwe Jeruzalem.

Tot zover de door mijn in zeven punten samengevatte gedachten van de gereformeerde theoloog Leonard J. Vander Zee. Hij doet er in zijn lezing 32 minuten over om zijn visie uiteen te zetten. Daarna geeft hij op indrukwekkende wijze in 11 minuten een moderne hervertelling van het scheppingsverhaal. Die zou iedereen die goed Engels kan verstaan, zelf moeten afluisteren. Dus daarom nog een keer de link: From Stardust to the New Jerusalem 

In een volgend blog geef ik een samenvatting en leg ik ook mijn eigen gedachten er tegen aan.

Dit is deel twee van een drieluik over dit onderwerp:
21/09/2015  God maakte een stofje en zag het met plezier miljarden jaren groeien
26/09/2015  Een goed christelijk gesprek over schepping en evolutie – kan dat?
30/09/2015  Een geloofwaardige versie 2.0 van het scheppingsverhaal? 
Verder schreef ik op 01/12/2015  En zo werd de mensaap beeld van God?