Kaarsen met Oudejaarsavond 31/12 in de kerkdienst

Gelovig terugkijken en gelovig gedenken –  veel christenen doen dat op 31 december in een oudejaarsdienst. Samen kijken we terug. Het bijna afgelopen jaar 2014 was een veelbewogen jaar. En samen gedenken we. Want op oudejaarsdag dringt het besef van de geliefden die we missen extra tot ons door.  De HERE nam ze uit dit leven weg en haalde ze, als ze in Hem geloofden, thuis. Zo kijken we gelovig achterom. We laten het Woord van de HERE schijnen en alles wat we in 2014 hebben meegemaakt, brengen we in gebed bij God.

Sommige kerken doen dat aan het eind van november, op de laatste zondag voordat Advent begint. Als gereformeerde kerken kennen we de traditie om dat op de laatste dag van het oude jaar te doen. Wat mij betreft blijft de traditie van een oudejaarsdienst nog heel lang bestaan. Zo verbinden we op een mooie manier het gewone leven met het geloof. Ook 2014 was een ‘jaar van onze Heer’. We tellen onze jaren vanaf de geboorte van Hem, Jezus Christus. Vorig jaar schreef ik over die tendens om het gelovig gedenken van 31 december te verplaatsen naar een zondag in november het blog Oudejaarsdienst 31 december – gelovig terugkijken, gelovig gedenken. Wie nog wat, in mijn ogen, goede argumenten voor het handhaven van 31 december als meest geschikt gedenkmoment wil lezen, moet hier even klikken.

Hoe kijk je nu op een goede manier terug en gedenk je de geliefden die in het jaar van onze Heer 2014 gestorven zijn? In onze gemeente van Assen-Peelo doen we dat sinds een aantal jaren door de namen van te noemen van degenen uit onze gemeente die afgelopen jaar zijn overleden én door kaarsen te ontsteken. Het aantal van vier is nogal praktisch: we gebruiken de kaarsen van Advent. En we nodigen gemeenteleden uit om één van de vier kaarsen aan te steken. Als men wil, mag men daarbij ook een bijbeltekst, een gedicht of een korte toelichting geven. Omdat we een heel jonge gemeente zijn met meestal minder dan vier overlijdens per jaar, kunnen we ook een kaars wijden aan ouders en andere direkte familieleden die gestorven zijn. En dit jaar, op verzoek van een gemeentelid, ook een kaars voor alle mensen die omgekomen zijn bij rampen als vlucht MH17, het oorlogsgeweld in Syrië & Irak, de Ebola-crisis enzovoorts. Dit moment wordt omgeven door bijbellezing, liederen en gebed. Zo geven we extra ruimte aan het gedenken van degenen die ons zijn voorgegaan en, als ze in hun Heer Jezus Christus geloofden, nu bij en met Hem verder mogen leven. Daarmee sluiten we op een passende manier het jaar 2014 af. En richten we ons op wat 2015 ons gaat brengen – misschien wel de terugkomst van onze Heer op de wolken. Hoe heerlijk zal dat zijn! (Opwekking 407)

Met Kerst komt alles dichterbij dan ooit

Vandaag is jullie Redder geboren: Christus, de Heer. Hij is geboren in Betlehem, de stad van David.

Kerstoverdenking Kerstnachtdienst Sporthal Peelo 2014 (voor een indruk van  de sfeer zie hier – opname Henk Bosscher)

Met Kerst komt alles ‘dichterbij dan ooit’. Vooral de wens naar ‘vrede op aarde’. Zowel de wereldvrede als de vrede in je eigen leven.

De wereldvrede. Precies 100 jaar geleden lagen de Duitsers en de Engelsen in Frankrijk en België pal tegenover elkaar. De Eerste Wereldoorlog was net begonnen. Ze waren nog niet echt in een uitzichtloze loopgravenoorlog verzand en stonden fanatiek tegenover elkaar. Vlak onder Ieper, precies tussen Mesen en Ploegsteert, lag de frontlinie. En toen gebeurde het. Op de Kerstavond zongen de Duitse soldaten kerstliederen. Aan de overkant konden de Engelsen het gezang horen. En terwijl op andere plekken de gevechten doorgingen, zwaaiden de Duitsers bij Mesen met een witte vlag. Ja, ze kwamen zelfs de loopgraven uit en liepen, al zingend, in de richting van de Engelsen. Die wilden eerst gaan schieten, maar toen ze zagen dat de Duitsers ongewapend waren, kwamen ze ook zelf naar voren. Midden op de akker, ten noorden van het bos van Ploegsteert, wisselden ze eten en drinken uit, vierden Kerstfeest en sloten af met een potje voetbal.

Op dat moment hadden de beide partijen elkaar ‘dichterbij dan ooit’ genaderd. Je moet maar durven! Midden in de fanatieke eerste maanden van de oorlog als eerste de loopgraaf uitstappen! Kerst verbroedert. In die wrede oorlog was het even vrede op aarde.

Vandaag leven we in een andere tijd. Hoewel, zou dat echt zo zijn? Ook nu is er oorlog. Is er angst. Is er lijden. Wat voor jaar hebben we achter de rug! Met het neerhalen van vlucht MH17 werden bijna 300 onschuldige burgers uit de lucht geschoten door pro-Russische rebellen. In Syrië en Irak joeg ISIS honderdduizenden moslims, christenen, jezidi’s uit hun dorpen en steden en duizenden van hen werden óf vermoord óf als seksslavin verkocht. En in Nigeria doet Boko Haram hetzelfde. Ondertussen jaagt het Ebola-virus heel veel mensen schrik aan: wordt het een wereldepidemie? De ellende kwam dit jaar dichterbij dan ooit. Hoezo vrede op aarde?

Misschien is het ook in jouw persoonlijke leven helemaal geen vrede.

In november was ‘Een vlucht regenwulpen’ van Maarten ’t Hart het campagneboek voor ‘Nederland Leest’. In dat boek uit 1978 krijgt de moeder van Maarten keelkanker en overlijdt. Daardoor neemt Maarten afscheid van het geloof in God. Het zou autobiografisch zijn. En het glazen huis van Serious Request zamelt, na goede doelen als drinkwater, vluchtelingen en kindersterfte door diarree, dit jaar geld in voor meisjes en vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld.

Kanker en seksueel misbruik. Dat is persoonlijk leed. Omdat het persoonlijk is, hakt dat er minstens net zo diep in als het wereldleed. Als dat allemaal ‘dichterbij dan ooit’ komt, kun je daar erg mee zitten. Ja, zelfs heel erg boos om worden. Ook en juist op God.

Ergens kwam ik het volgende verhaal tegen.

Op een vlakte staat een grote massa mensen. In groepjes staan ze druk te diskussiëren. Het gaat er heftig toe. Al deze mensen houden zich bezig met de vraag: “Waar haalt God het recht vandaan om over de mens te oordelen?”

Een meisje met zwart haar trekt haar mouw omhoog en laat een getatoeëerd nummer van een nazi-concentratiekamp zien. “Wij hebben verschrikkelijke dingen doorgemaakt: we zijn verraden, gemarteld, vergast! Wat weet God nou van ons lijden af?”

In een andere groep trekt een negerjongen zijn kraag naar beneden. “En dit dan?” vraagt hij, terwijl hij de lelijke afdruk van een touw in zijn hals laat zien. “Ze hebben me gelyncht … alleen maar omdat ik zwart was!”

Even verder staan mensen om een zwanger tienermeisje heen. Met boze ogen roept ze: “Waarom moesten ze mij hebben? Eerst de drugs, toen de loverboy, toen een kind? Ik was nog maar 12 toen het begon!”

Overal op die vlakte stonden honderden van zulke groepen. Ze beklaagden zich allemaal over God – waarom laat Hij al dat kwaad en lijden in de wereld toe? En dat terwijl Hij Zelf lekker in de hemel woont, waar alles perfekt is, waar geen tranen zijn, geen angst heerst, geen honger of haat. Wat weet zo’n God nou van alles wat de mensen in deze wereld moesten meemaken? Hij zou ook maar eens …!!

Iedere groep koos daarom iemand uit die het meest geleden had. Een Jood, een neger, iemand uit Hiroshima, een aidsslachtoffer uit Congo, iemand die door reuma helemaal krom gegroeid was, iemand die door een automobilist met drank op voor de rest van het leven in een rolstoel terecht gekomen was. Midden op de grote vlakte kwamen ze bij elkaar om met elkaar te overleggen. Ten slotte waren ze klaar om hun zaak aan God voor te leggen.

Voordat God in aanmerking kon komen om hen te oordelen, moest Hij eerst meemaken wat zij meegemaakt hadden. Ze besloten dat God tot een leven op aarde veroordeeld zou worden – Hij zou mens moeten worden!

‘Laat Hem in een kansloos, armoedig gezin geboren worden. Zonder dat zijn vader bekend is. Laat Hij opgroeien in een vijandige omgeving. Dat iedereen Hem met de nek aankijkt. Dat zelfs zijn eigen familie Hem niet meer hoeft. Laat Hij door zijn beste vrienden in de steek gelaten worden. En dat Hij door corrupte ambtenaren wordt aangeklaagd. Door een laffe rechter ten onrechte veroordeeld wordt. Laat Hem ook eens voelen hoe het is om gemarteld te worden. Om er helemaal alleen voor te staan. Geen mens meer die om Hem geeft. Ja, laat God dat ook maar eens allemaal meemaken. Laat Hem in volstrekte eenzaamheid een gruwelijke dood sterven. Misschien dat Hij dan weet wat wij hier op aarde allemaal moeten meemaken aan zorgen en ellende.

Zo maakten de woordvoerders van elke groep samen hun vonnis bekend. En toen werd het stil. Want plotseling stond er Iemand op. Met gaten in zijn handen. Met ogen vol ontferming. En iedereen besefte: wat wij zonet bedachten hebben om God mee te straffen, heeft die Man al ondergaan.

Met Kerst vieren we, dat God in het Kind Jezus dichterbij dan ooit gekomen is. In het Kind Jezus is God Zelf al mens geworden. De engel zegt het zelf: ‘In de stal van Bethlehem ligt de Zoon van God, jullie Redder en Heer. Ga maar kijken!’ De herders geloofden die engel op zijn woord. Ze gingen meteen op kraambezoek.

Wat de herders geloofden, geloof ik ook. In de persoon van Jezus is God naar deze aarde gekomen. Hij heeft alles meegemaakt, wat wij ook meemaken. Hij kent het leed door en door. De pijn en de eenzaamheid. De teleurstelling en de frustratie. De moeite en het verdriet. De uitsluiting en de minachting. Afschreven door mensen en ingeruild voor een ander. Jezus heeft het allemaal meegemaakt. Hij heeft het allemaal gevoeld. Hij leek er volledig aan onderdoor te gaan. En toch heeft Hij het gered. Heeft Hij jou en mij gered.

Met Kerst komt alles dichterbij dan ooit. De zorgen en de ellende – zeker in 2014. Je kunt het God verwijten. Je kunt ook komen kijken naar Gods oplossing – in het Kind van Kerst komt Hij elk jaar dichterbij dan ooit. Dat Kerstkind brengt vrede op aarde, vrede in je hart en vrede met God. God blijven verwijten of naar het Kerstkind dat God geeft komen kijken. Waar kies je voor? Ik nodig ieder van jullie uit voor dat laatste.

Sluit je aan in de lange stoet van mensen die het Kerstkind komen begroeten!

Kerst – Jozef gepasseerd én ingeschakeld bij geboorte Jezus

De geboorte van Jezus is het grootste kado dat mensen van God krijgen. Maar zelfs voor mij als christen blijft het onbegrijpelijk. Ik snap best wel dat Jezus geboren. Maar hoe Hij geboren is, namelijk uit de maagd Maria, dat kan voor mijn gevoel helemaal niet. Toch is de Bijbel er heel duidelijk over. Twee bijbelschrijvers laten het onafhankelijk van elkaar weten. “Maria bleek zwanger te zijn door de Heilige Geest” vertelt Matteüs  (Mat. 1:18). “De Heilige Geest zal over je komen”, zegt de engel Gabriël tegen Maria, als die vraagt hoe zij zwanger kan worden omdat ze nog nooit gemeenschap met een man gehad heeft, vertelt Lukas (Luk. 1:35).

Jozef Maria JezusMARIA EN JOZEF KUNNEN ER NIET BIJ

Dat is zo onvoorstelbaar – Maria kan er zelf amper bij. Daarom zwijgt ze erover tegen Jozef. Hij zal haar toch niet kunnen geloven. Waar God nu mee bezig is, dat gaat alle mensen boven het verstand. Zoals Maria moeder wordt, zo is nog nooit een vrouw moeder geworden. Dat kan alleen God zelf aan Jozef duide­lijk maken. En inderdaad: Jozef kan er niet bij. Langzaam en mar­­telend dringt na een paar maanden de verschrik­kelijke werke­lijkheid tot hem door: zijn Maria is in verwachting en krijgt een kind waarvan hij de vader niet is. En Maria is zo zwijgzaam, het geheim blijft voor Jozef onop­losbaar. Dat maakt de situatie voor hem zo moeilijk. Omdat Jozef een gelovige jongen is, wil hij zijn stil­le Maria niet in opspraak brengen. Hij kan of wil nu niet meer met Maria trouwen, maar wil haar ook niet in opspraak brengen. Daarom denkt hij er serieus over na om de verloving in het geheim te verbreken.

Maria kan er amper bij. Jozef kan er helemaal niet bij. En als God zelf niet aan Jozef de waarheid bekend gemaakt had, waren twee gelovige kinderen van God die voor elkaar bestemd waren, zelfs definitief uit elkaar te gaan. Alleen God kan duidelijk maken dat Hij verlossing, redding en uitkomst komt brengen op een manier zoals niemand het had kunnen bedenken.

VEEL MENSEN WILLEN ER NIET AAN

Vandaag geloven nog steeds heel veel mensen niet dat Jezus de Zoon van God is, geboren uit de maagd Maria. Dat het Kerstkind een bijzonder kind is, wil er bij veel mensen nog wel in. Maar dat Jezus Gods kind is? Nee, daarmee wordt Jezus door zijn fanclub toch net even te hoog ingeschaald. En dan krijg je van die sagen en legenden als de maagdelijke geboorte. Wat dat betreft zit er tussen toen en nu niet zoveel verschil. Toen zal iedereen gedacht hebben: daar heb je weer een stel dat moet trouwen. Tegen de stroom in werd van Jozef en Maria, eerst van ieder afzonderlijk en daarna van hun samen, veel geloof gevraagd. Durven ze echt God op zijn woord te geloven, dat hun zoon Jezus de beloofde Immanuel is die de mensen zal bevrijden van hun zonden?

IK BEN NET ZO

Voor mij als gelovige op de grens van 2023/2024 geldt eigenlijk precies hetzelfde. Ook ik kan God alleen maar op zijn woord geloven, als Hij vandaag nog precies hetzelfde zegt: ‘In Betlehem is jullie redder geboren. Het is Christus, de Heer. Hij zal de mensen bevrijden van hun zonden.’ Die aktie komt helemaal van Gods kant. Dat begint al bij de geboorte. Daar kwam geen man aan te pas. Jezus kwam ter wereld, zoals het ook met het geloof zelf gaat: het is een geschenk van God. Dat zegt een derde bijbelschrijver, Johannes, in zijn Evangelie: “Wie in zijn naam geloven, zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God.” (Joh. 1:12)

Daar kan ik niet bij. En, laat ik eerlijk zijn, ik wil er vaak ook niet aan. Want dan moet ik toegeven, dat ik het zelf niet kan. Dan moet ik erkennen, dat alleen God Zelf ook vandaag nog de oplossing kan brengen: een nieuw begin in mijn leven en een ultiem vredesplan voor heel de wereld. Maar ook al kan ik er niet bij en wil ik er vaak niet aan, toch geloof ik in Jezus als het Kind van Kerst. Hij is “het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam.” (Joh. 1:9) En ik ben blij dat we dat elk jaar weer samen vieren. Zo houden we het geloof levend in Jezus Christus als de enige Zoon van de Vader, die Zelf God is en mens werd zoals wij. Door Hem kunnen we er weer bij – bij God als onze hemelse Vader.

WAAROM WILDE JOZEF ER IN HET GEHEIM VANDOOR?

Niet iedereen denkt dat Jozef Maria wilde verlaten omdat Maria hem verteld had wat haar overkomen was. Iemand als prof. Jakob van Brug­gen heeft een andere opvatting. Hij is van mening (je kunt dat nalezen in zijn commentaar op Mat­teüs) dat de verschijning van Gabriël en de lofzangen van Elisa­bet, Maria en Zacharias binnen de familie bekend geworden zijn en ook gelovig geaccepteerd. Ook Jozef zou Maria op haar woord geloofd hebben dat ze door toedoen van de Heilige Geest een kind verwacht die de lang beloofde Messias zal zijn. Alleen vroeg hij zich wel af, wat dit betekende voor zijn aanstaande huwelijk met Maria. Dus overweegt hij, dat God Maria blijkbaar voor een unieke taak geroepen heeft. Daarin ziet Jozef geen plaats voor zichzelf. Dus wil hij in het geheim de verloving verbreken. Prof. van Bruggen beroept zich voor deze uitleg vooral op Mat. 1:18. Daar wordt van Maria gezegd: “ze bleek zwanger te zijn door de hei­li­ge Geest.” Dat zou je dan zo moeten uitleggen, dat de gelovige familieleden niet alleen gecon­stateerd hebben dat Maria in verwach­ting was, maar ook, dat dat ‘door de heilige Geest’ gebeurd is.

Toch volgen veel andere bijbeluitleggers deze verklaring niet. De meesten denken, dat Matteüs aan de lezers laat weten, dat het geen gewone zwangerschap was, maar dat die tot stand gekomen is door tussenkomst van de heilige Geest. De re­ak­tie van Jozef pleit er meer voor om aan te nemen, dat Jozef vol vragen zit over hoe het nu kan dat Maria zwanger is. Als hij voor zichzelf geen plaats ziet in Gods verlossingsplan zou hij dat met Maria hebben kunnen overleg­gen. Maar volgens Matteüs zit Jozef te dubben en te aarzelen wat hij zal doen. En als hij dan eindelijk de knoop wil doorhakken, verschijnt op dat moment een engel van de Heer aan hem. Het lijkt er op, dat Maria niet zelf gepro­beerd heeft Jozef van de goddelijke oorsprong van haar kind te overtui­gen, maar dat God dat zelf op het meest kritieke moment doet.

JOZEF 100% AKTIEF INGEZET

Overigens vraagt prof. van Bruggen er wel terecht de aandacht voor, dat het de en­gel er niet alleen om te doen is, het wantrouwen van Jozef weg te nemen, maar dat Jozef zelf ook aktief een plaats krijgt aangewezen bij de geboorte van de Verlos­ser. God scha­kelt Jozef in als de vader op aarde voor de Chris­tus. Hij krijgt bijvoorbeeld (net als Maria in Lukas) de opdracht het kind de naam Jezus te geven. En na de geboorte is het Jozef die een droom krijgt om met Maria en Jezus naar Egypte te vluchten vanwege de dreiging van Herodes. Wat dat betreft lijken alle gelovigen op Jozef. Het geloof zelf is 100% Gods werk in jou en mij. Maar daarna schakelt de HERE ieder van ons wel voor de volle 100% in om het geloof ook uit te dragen en voor te leven.

Kinderen horen erbij – in de kerkdienst of in de kindernevendienst?

ZwemlesZwemles – er zullen veel kinderen zijn daar niet altijd zin aan hadden. Als ik tenminste kijk hoe graag mijn kinderen naar zwemles gingen: bij de één duurde het maanden voor die onder water door het gat durfde zwemmen. En de ander was met geen stok te bewegen om ook nog voor diploma C te gaan. Maar zwemmen kunnen ze inmiddels alle vier!

Geloven – ook daar krijg je les in. Van je ouders. Op school. En, niet te vergeten, in de kerk. Maar hoe betrek je de kinderen erbij in de kerk? Moet je ze vooral meenemen naar de kerkdienst of is de kindernevendienst de beste manier?

Kindernevendienst weer in diskussie

In het Nederlands Dagblad van 21 november 2014 (klik hier) liet theoloog Kees van der Kooi weten dat hij de kindernevendienst het liefst wil opdoeken. Hij  doet een paar stevige uitspraken. “Ik haat het als kinderen naar de kindernevendienst gaan. Ophouden ermee. In plaats daarvan moeten kerken generaties met elkaar verbinden.” Een dag later wijdde het ND er zelfs het redaktioneel hoofdcommentaar aan (klik hier). De kindernevendienst is een verlegenheidsoplossing volgens Wim Houtman. In de Bijbel “is duidelijk dat kinderen gewoon bij het volk horen”, maar voor de plek van kinderen in de kerkdiensten geldt: “daarin is veel vrijheid voor christenen.” Toch heeft Houtman de kinderen liever in de kerkdienst zitten dan in de kindernevendienst. “Het is niet zó moeilijk om in een dienst, zelfs in een preek, kinderen een plek te geven. Door erbij te zijn kan een kind eraan wennen dat het in een gemeenschap hoort en er –hopelijk- een plek vinden.”

Drie persoonlijke ervaringen over de kindernevendienst

In alle drie de plaatsen waar ik dominee was en ben, kwam het onderwerp ‘kindernevendienst’ voorbij.

In mijn eerste gemeente, het liefelijke Zaamslag in Zeeuws-Vlaanderen, had ik goede kontakten met de hervormde dominee. Die was niet blij met de kindernevendienst in zijn kerk. Want, zei hij, we hebben maar één kerkdienst per zondag en daar komen alleen de volwassenen. De kinderen van de basisschool gaan al vóór de kerkdienst naar de kindernevendienst en aan het eind van groep 8 gaan ze een aantal keren mee naar de kerk, zodat ze vanaf de brugklas elke zondag mee kunnen komen. Maar dat gebeurt nagenoeg niet, want ze zijn het niet gewend en hebben als puber geen zin om mee te gaan.

In mijn tweede gemeente, het prachtige Nijmegen, waren we met de CGK op weg naar eenwording. De CGK had als beleid: ‘s morgens zitten jong en oud in de kerkdienst om samen het geloof te vieren en ’s middags gaan de kinderen naar de kindernevendienst om op hun niveau het geloof te leren en is er in de kerkdienst een leerdienst.

Nu sta ik in Assen en sprak een paar jaar geleden een voorganger van de baptistengemeente. Die zei tegen mij: wij hebben minstens net zoveel moeite om onze eigen jongeren vast te houden als jullie. En dat komt, omdat we een fantastisch kinderprogramma hebben voor alle groepen van de basisschool. Maar als ze naar de middelbare school gaan, moeten ze instromen in de kerkdienst en dat gebeurt bijna niet. Want dat zijn ze nooit zo gewend geweest, een dienst van ½ à 2 uur met veel Opwekking en een preek van ruim een half uur.

Waarom neem je je kind mee naar de kerk?

Op grond van deze ervaringen ben ik er steeds meer van overtuigd geraakt, dat het veel beter is om kinderen een vaste plek in de kerkdienst te geven, dan dat je ze naar de kindernevendienst laat gaan. Want waarom neem je als gelovige ouders je kinderen mee naar de kerk? Als het goed is, heeft dat twee redenen:

  1. de kinderen van de gemeente vinden het fijn om in de kerk te komen.
  2. de kinderen van de gemeente leren waar het in de kerkdienst om gaat: samen God ontmoeten, naar zijn Woord luisteren en Hem eren en loven.
Het kindmoment en de bijbelclub

Daarom hebben we in onze gemeente van Assen-Peelo een paar jaar geleden besloten, om in de morgendienst de kinderen vanaf groep 3 t/m groep 8 er niet uit te laten gaan tijdens de hele dienst of tijdens de preek. Want het tweede doel vinden we minstens net zo belangrijk als het eerste. Maar we hebben wel besloten, dat de kinderen dan ook echt aandacht moeten krijgen in de kerkdienst. Dus hebben we elke zondag een uitgebreid kindmoment. Dat wordt de ene keer door mijzelf als predikant verzorgd en de andere keer door een team van vrijwilligers. Ook op andere momenten in de kerkdienst en, als het enigszins kan, tijdens de preek worden de kinderen bewust aangesproken.

Tegelijk hebben we besloten om in de middagdienst een kindernevendienst te beginnen. Vooralsnog voor de kinderen van groep 7 en van groep 8. Die verlaten dan meteen na het eerste lied de kerkzaal en hebben dan hun ‘bijbelclub’. Ze komen ook niet meer terug in de kerkdienst.

Ik vind dit een bijzonder goeie mix. Kinderen leren zo van jongs af wat het is om de kerkdienst mee te maken. Dat voorkomt een ‘trendbreuk’ rond hun 12e als ze plotseling niet meer naar de kindernevendienst mogen en mee moeten naar de gewone kerkdienst. Met als triest resultaat (vooral in kerken waar men maar één keer per zondag dienst heeft, zoals in de PKN en bij de baptisten) dat veel jongeren rond hun 13e al niet meer mee willen naar de kerk. Een tweede pluspunt vind ik, dat kinderen ‘onderwijs op niveau’ krijgen in de middagdienst. Van mij hoeven ze dan niet eens een deel van de kerkdienst mee te maken, want in de morgendienst waren we ze er al helemaal bij. Besteed dan liever het volle uur aan geloofsoverdracht op een manier die goed bij kinderen aansluit!

10 minuten vermaak, 50 minuten niks te doen? 

Toch hoor ik ook wel eens kritiek op ons kindmoment. Niet alleen van conservativo´s, maar ook van ouders die zeggen: ‘Die 10 minuten zijn leuk, maar dan heeft mijn kind nog 50 minuten oningevulde tijd.’ En als men dan eens bij de baptisten shopt, komt zoon- of dochterlief na 1½ uur enthousiast met een werkje en een lied naar buiten. Tsja, denk ik dan, dat is een keus. Kies je ervoor dat je kind het altijd vooral leuk en naar de zin wil hebben? En ben je stiekem blij, dat jij als ouder heerlijk zonder jengelende kinderen de kerkdienst kunt beleven? Of ben je bereid te investeren in de geloofsgroei van je kinderen, door ze er langzaam aan te laten wennen, dat een kerkdienst vast wel saaier, maar voor de lange termijn net zo belangrijk is voor de geloofsgroei van je kind?

Een enkele keer werd er zelfs tegen mij gezegd: de baptisten maken met hun kindernevendienst meer werk van de geloofsopvoeding dan dat wij als gereformeerde kerk met ons 10 minuten-moment. Kijk, dat vind ik nou een valse tegenstelling. In de eerste plaats vergeet je dan, dat de geloofsopvoeding twee doelen heeft: niet alleen leuk voor nu, maar ook nuttig voor de lange termijn (zie hierboven). En in de tweede plaats moet je niet vergeten, dat in de christelijke kerk de geloofsopvoeding al eeuwenlang een samenwerking is tussen ouders, kerk en school. Dat vloeit voort uit de belofte die ouders bij de doop afleggen om hun kinderen “zo goed mogelijk te onderwijzen en te laten onderwijzen” in de leer van de Bijbel en de betekenis van de doop. De eerste taak ligt bij de ouders: zelf onderwijzen. Geloofsopvoeding kun je niet uitbesteden. Maar je staat er niet alleen voor als ouders. Samen in de kerk kunnen we elkaar helpen en in ons land hebben we de mogelijkheid van positief christelijk onderwijs. Die twee vallen allebei onder het ‘laten onderwijzen’. Ook het onderwijs! Gereformeerde scholen zijn geen vrijgemaakte specialiteit, want al sinds de tijd van de Reformatie (1574!) hebben de protestants-gereformeerde kerken zich daarvoor ingezet op grond van de doopbelofte. Gelukkig bestaat die mogelijkheid nog steeds in de meeste regio’s van ons land. Op zondag kun je als kerk niet tippen aan wat een gereformeerde school doorlopend elke week vijf dagen lang kan bieden. Uiteindelijk kunnen school en kerk niet opvangen wat ouders zelf laten liggen. Want de belangrijkste geloofsopvoeding vindt thuis plaats.

’s Morgens in de kerkdienst, ’s middags op eigen niveau

Ik ben er dus geen voorstander van om de kinderen uit de kerkdienst te halen tijdens de morgendienst. Zeker niet als je in een regio woont, zoals bij ons in Assen, waar bijna alle kinderen gereformeerd onderwijs ontvangen. Waarom zou je ze dan weer een uur lang klassikaal ‘school’ geven tijdens de kindernevendienst? Betrek ze dan liever bij de gezamenlijke ontmoeting die we als gemeente met onze grote God hebben. Die extra aandacht hoeft helemaal niet zoveel moeite te kosten is in de afgelopen jaren bij ons in Assen-Peelo gebleken. We kunnen het ook prima, kijk maar eens naar de aangepaste erediensten voor verstandelijk gehandikap­ten. Daar gaat het er vaak heel ongedwongen aan toe. Geen wonder dat zulke diensten ook veel kinderen trekken.

Net zo belangrijk vind ik de les van andere kerken. Op grond van ervaringen elders (PKN en baptisten) zeg ik: als kind geleerd is als jongere gedaan. De kinderen vroeg meenemen naar de kerkdienst zelf is het behoud van de jongeren als het gaat om kerkgang en groeien in geloof.

En wat je dan ’s middags doet? Hou dan maar vrolijk een kindernevendienst. Want voor kinderen is de tweede kerkdienst altijd meer van het zelfde. Dus die hebben ’s morgens hun portie al gehad en mogen ’s middags best een uur lang op hun eigen niveau de zondag als feestdag ervaren.

DOUMA’s afscheid van de GKV – een mix van principe en heimwee

Professor Douma heeft de GKV verlaten. ‘Duidt dit eens. Wat is er aan de hand?’ vroeg een kennis me. Het is een principiële keus volgens Douma zelf. Maar wanneer hij rekenschap van zijn overstap aflegt in het boek “Afscheid” valt mij ook op, dat Douma heimwee heeft naar vroeger. Terwijl de GKV stappen vooruit zet, is er bij Douma sprake van een retro-effekt: terug naar de vertrouwdheid van de vroegere vrijgemaakte kerk. Dat gevoel vindt Douma bij de GKN, de mildere variant van de twee nieuw-vrijgemaakte kerkgenootschappen die in 2003 en 2008 zijn ontstaan. De GKV is veranderd. Maar Douma ook. In Douma Jochemtegengestelde richtingen. Dus groei je uit elkaar. En trekt Douma een streep en zet een stap. Maar is die stap logisch in het licht van Douma’s vroegere opvattingen? In 2001, dus ruim 13 jaar geleden, beschreef Douma in zijn boek “Hoe gaan wij verder?” de ‘ontwikkelingen in de gereformeerde kerken (vrijgemaakt)’. Dacht hij toen net zo als nu in “Afscheid”?

VROUW IN AMBT EN SCHRIFTGEZAG IS PRINCIPIEEL

Douma  verlaat de GKV vanwege de genomen besluiten over de vrouw in het ambt door de synode van Ede in het voorjaar van 2014. Daar is volgens hem principieel ruimte voor gegeven. Nog niet door de vrouw in het ambt toe te laten binnen de GKV. Maar wel doordat de GKV besloten heeft te streven naar kerkelijke eenheid met de NGK. Daarbij is gezegd dat de vrouw in het ambt binnen de NGK geen principieel struikelblok meer is. Volgens Douma is daarmee de eigenlijke beslissing gevallen. En dat is, zegt Douma, gebeurd op grond van een andere visie op de verhouding tussen (om het eens kort en bondig te zeggen) ‘Schrift en cultuur’. Douma is van mening, dat de GKV door vrouwen toe te laten in de ambten “aan de cultuur boven de Schrift voorrang geven, in plaats van de Schrift over de cultuur te laten beslissen.” (Afscheid, blz. 23). En daar moeten we het als lezer mee doen. Douma haalt wel verschillende keren aan, dat de GKV in haar diskussie over de vrouw in het ambt en in haar samensprekingen met de NGK uitspreekt, dat we elkaar vinden in de erkenning en de aanvaarding van het gezag van Heilige Schrift. Maar hij gaat inhoudelijk nauwelijks in op de argumenten van de voorstanders voor de vrouw in het ambt. Die argumenten liggen vooral op het vlak van de hermeneutiek – een moeilijk woord voor hoe je de vertaalslag maakt van wat er toen in de Bijbel geschreven is en hoe je dat vandaag in de praktijk toepast. Het enige wat Douma zegt is “dat wij tegen het culturele standpunt in moeten vasthouden aan een rangorde tussen man en vrouw, met consequenties voor het kerkelijk ambt.” (Afscheid, blz. 24). Volgens Douma mogen vrouwen in de maatschappij alle leidinggevende functies bekleden, want dat gebeurde in de Bijbel ook wel. Maar de Bijbel kent geen priesteressen en vrouwelijke oudsten en Jezus stelde geen vrouwen als apostel aan. Punt.

Wat ik jammer vind is, dat Douma niet ingaat op hele integere studies over de positie van de vrouw in de Bijbel en in de culturen van toen. En dat hij ook helemaal niet ingaat op de ontwikkeling van de positie van de vrouw in de maatschappij van vandaag. Het blijft bij een uitspraak, dat “de culturele factor van belang is”, maar “daarmee moeten we niet het hoofd-zijn van de man ontkennen.” (Afscheid, blz. 24). Dat vind ik echt te kort door de bocht. Eigenlijk zegt Douma daarmee, dat wie voor de vrouw in het ambt is, uitspreekt dat man en vrouw volstrekt gelijk zijn. Terwijl volgens mij binnen de GKV er een ontwikkeling is geweest van ‘onderdanigheid’ naar ‘gelijkwaardigheid’. Aan die ontwikkeling heeft ook Douma een belangrijke bijdrage geleverd in de afgelopen 50 jaar. Al was het alleen maar op het maatschappelijke vlak door bv. al in een vroeg stadium voorstander van vrouwelijke raadsleden binnen het GPV (één van de voorlopers van de ChristenUnie) te zijn. Daarin volgden later minder progressieve vrijgemaakten zoals dr. W.G. de Vries, die in 1981 schreef: “Er is geen terrein afgebakend waar de man alleen een roeping of de vrouw alleen een taak zou hebben.” (in de bundel Vrouw en man – een plaatsbepaling, GSEV-reeks, nr. 6, 1983, blz. 6). Toen kwam ook al de opvatting voor, dat dit zou kunnen betekenen, dat mannen en vrouwen overal kunnen worden ingezet binnen het Koninkrijk van God, ook binnen de kerk als ambtsdragers. Nu lijkt dit standpunt breder gedeeld te worden. Maar het wordt door Douma weggezet als “We hebben Paulus tegen” (Afscheid, blz. 27), want die “harde tekst wordt met een eigen hermeneutiek zo zacht gemaakt dat ze onze wens om de vrouwen ambtsdrager te laten worden, niet meer in de weg staat.” (Afscheid, blz. 26). Voor Douma een duidelijk signaal dat de GKV ‘een kerk in verval’ is.

DE REST IS HEIMWEE

Na zijn verantwoording in hoofdstuk 1 en zijn principiële punt in hoofdstuk 2 gaat Douma in op ‘binding aan de belijdenis’ en ‘visie op de kerk’ in hoofdstuk 3. Daarna volgt de invulling van de kerkdienst met steeds meer Opwekking en steeds minder voorlezing van de Tien Geboden en catechismusprediking in hoofstuk 4. En in hoofdstuk 5 gaat het over huwelijk en andere samenlevingsvormen en over homoseksualiteit. Ook daarin is het verval in de GKV zichtbaar. Als ik op deze punten Douma vergelijk met hoe hij er in 2001 in Hoe gaan wij verder? over daDouma - Hoe verdercht, kan ik mij niet aan de indruk onttrekken, dat hij in 2014 de ontwikkelingen betreurt die hij zelf als een van de eersten in gang gezet heeft. In 2001 schreef Douma milder over variaties in de eredienst (bij gezangen “valt niet altijd zo makkelijk aan te tonen … dat het evident in strijd komt met wat de Schrift ons leert.” (Hoe nu verder?, blz. 54) en over de Tien Geboden: “Het is zeer zinvol naar de blijvende wet van God te luisteren … met nieuwtestamentische oren.” (Hoe nu verder?, blz. 132) In 2001 schreef Douma nog dat de kerken voor grote problemen staan als het om seks voor het huwelijk, samenwonen en echtscheiding gaat. “Maar dat is nog wat anders dan de strijd opgeven en … berusten in de nu eenmaal gegroeide situatie.” (Hoe nu verder?, blz. 128) En hij vindt het “weldadig” dat bij echtscheiding kerkeraden hun “herderlijke zorg voor de betrokkenen gestalte geven in troost, bemoediging en vermaan” (Hoe nu verder?, blz. 139) En in 2001 kreeg Douma van een kerkeraad de vraag of een gelovige zuster die lesbisch was en met een zuster uit de gemeente samenwoonde, belijdenis van haar geloof mocht doen. Uit het advies dat hij gaf citeert Douma o.a., “dat als twee homofiel geaarde broeders of zusters wel zijn gaan samenwonen, dit niet zonder meer moet worden afgekeurd en met de kerkelijke tucht bestraft moet worden. Zo zou het onjuist zijn om het samenleven van homofiele broeders en zusters, voor wie het geloof van beslissende betekenis is, in verband te brengen met de (homo)seksuele verwildering die in Genesis 19 en Romeinen 1 ter sprake wordt gebracht.” (Hoe nu verder?, blz. 143) Belangrijk is dan wel, dat de kerkeraad vanuit de Bijbel blijft spreken over homoseksuele relaties blijft spreken en dat deze twee zusters dat ook accepteren. Maar omdat de kerkeraad overtuigd is van de oprechtheid van haar geloof, kan de ene zuster wel belijdenis doen. Douma zegt erbij: “Tot een soortgelijke oplossing is het ook in andere gemeenten gekomen.” (Hoe nu verder?, blz. 144) Maar nu spreekt Douma stellige woorden over een kerk die de norm over het bijbels onderricht met betrekking tot homoseksualiteit aan het veranderen is. Hij gaat helemaal niet in op pastorale afwegingen die kerkeraden individueel maken. Integendeel, hij gooit het allemaal op één grote hoop door te zeggen dat de teneur in de GKV is: “Laten we dan niet moeilijk blijven doen over homoseksualiteit. Onze cultuur is grondig veranderd. We kijken inmiddels toch anders aan tegen de vrouw in het ambt en tegen acceptatie van homoseksualiteit!?” (Afscheid, blz. 67) en dat de GKV hard op weg is een kerk te zijn die “het homoseksueel samenleven als geoorloofde levensstijl in haar midden aanvaardt”, tenzij “de GKV op het laatste moment zich bekeert en haar heilloze weg duidelijk en compromisloos verlaat.” (Afscheid, blz. 168) In mijn ogen zijn dit enigszins ongenuanceerde uitsmijters, waarin ik niet de toon herken die Douma bezigde over het omgaan met homoseksuele broeders en zusters toen hij in de reeks Ethische Bezinning het boek Homofilie publiceerde.

Voor veel van deze onderwerpen geldt, dat Douma in de jaren ‘70, ‘’ 80 en ’90 pleitte voor openheid en tolerantie in plaats van wettische strakheid. Maar in 2014 kan hij de resultaten van die openheid niet meer meemaken en worden alle ontwikkelingen getypeerd als ‘generale trekken van verval’ en ‘het verbleken van het gereformeerde karakter’ omdat binnen de GKV ‘de cultuur boven de Schrift voorrang geven’. Dat zijn grote woorden die volgens mij volstrekt geen recht doen aan de manier waarop het overgrote deel van de plaatselijke GKV-kerken vanuit Gods Woord met al deze onderwerpen bezig zijn.

Dus ben ik geneigd te zeggen: Douma heeft, naast één principieel punt (de vrouw in het ambt op grond van verkeerd Schriftgebruik) vooral heimwee naar de tijd van vroeger, toen verschillende zaken die nu tot grote diversiteit leiden, nog grote uitzondering waren. Dat onderstreept hij zelf door te schrijven, dat verontruste GKV’ers te adviseren: “kies nog niet definitief voor het lidmaatschap van een kerk buiten de GKv of buiten de groep kerken die uit de GKv voortkomen.” (Advies, 79) Daarom kiest Douma voor het tweede nieuw-vrijgemaakte kerkgenootschap. Als je je daar bij voegt, ben je reformerend bezig en ga je, door te breken met de GKV, toch door “in een lijn die ons blijft verbinden aan het moois dat we in Afscheiding, Doleantie en Vrijmaking hebben ontvangen.” (Advies, 79). Wat een andere Douma kom ik hier tegen dan de Douma die in de jaren ’70 al schreef dat de sleutel voor kerkelijke eenheid bij de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk lag en in Hoe nu verder? oproept om serieus werk te maken van eenheid met de CGK en als het enigszins mogelijk is ook de NGK.

HOE MILD IS GROEPERING NUMMER 2?

Douma kiest dus voor de herkenbaarheid van vroeger. In een klein nieuw-vrijgemaakt kerkverband (GKN) waar volgens hem niet gezegd wordt dat de GKV een valse kerk is geworden. Dat zegt het andere kleine nieuw-vrijgemaakte kerkverband (DGK) volgens hem wel, dus bij die “radicale groepering” (Afscheid, blz. 69) wil Douma zich niet voegen. Bovendien zou de DGK zichzelf ‘de enige ware kerk’ in Nederland noemen, en de GKN niet. De toon van de GKN zou dus “duidelijk milder” zijn (Afscheid, blz. 69).

Of deze waarnemingen van Douma kloppen, is voor mij zeer de vraag. Ook de tweede groep nieuw-vrijgemaakten heeft nog geen enkele andere kerkverband als ware kerk erkend. En ze waren ook niet erg mild toen ze de dolerende kerk van Dalfsen met ds. E. Heres (en in het kielzog daarvan de net ontstane nieuw-vrijgemaakte kerk van Assen die zowel de predikanten R. van der Wolf als E. Hoogendoorn en hun eigen oud-predikant E.Heres) het mes op de keel zetten in het maken van een keus voor één van GKN Vaste Rotsbeide nieuw-vrijgemaakte kerkverbanden. Met als gevolg dat de dolerende nieuw-vrijgemaakte kerk van Dalfsen scheurde en dat de nieuw-vrijgemaakten in Assen ds. Heres niet meer hebben toegelaten op hun kansel. En als Douma met nadruk andere verontrusten oproept, geen nieuw kerkverband te stichten, maar aan te sluiten bij een bestaand verband (Afscheid, blz. 73), vraag ik me af: waarom kiest hij dan voor het twééde nieuw-vrijgemaakte kerkverband dat twee ex-GKV-predikanten sinds 2008 hebben opgezet terwijl sinds 2003 al een nieuw-vrijgemaakt kerkverband was?

VAN HARTE GEREFORMEERD – WEDERZIJDS?

Douma heeft met zijn vrouw een gemeente gevonden “waar we ons thuis kunnen voelen”. En dat, terwijl de GKV geen ‘valse kerk’ zijn. Hooguit een kerk ‘in verval’. Vroeger veroordeelden we zulke stappen. Nu stapt iedereen stukken gemakkelijker over. Zelfs Douma. Gelukkig blijft de onderlinge band als christenen bestaan, zegt hij in zijn laatste paragraaf. Dat ben ik met hem eens. En in zijn laatste woorden spreekt hij de hoop uit, dat iedereen mag “proeven dat wij in het spoor van onze Heer en Heiland gereformeerde christenen willen blijven.” Ja, dat proef ik. Maar proeft Douma dat ook nog bij mij en vele anderen, die van harte gereformeerd willen zijn in de GKV?

 

Over verontruste vrijgemaakten zie de twee blogs Saul en David – jongerendag en landelijke dag en Over krekeltjes,  korenbloemen en zwart-witte koeien

Over de vrouw in het ambt zie de twee blogs Welke G/geest is er uit de fles?  en  Geestelijke wijsheid i.p.v. ongeduld of afstel bij vrouw in ambt

Rikko nog aan toe, krijg nou de Heek-rambam – vloeken mag en is normaal

Een maand of twee geleden haalde Rikko Voorberg, theoloog, theatermaker, schrijver en columnist aldus Wikipedia, de landelijke pers, omdat hij in NRC Next geschreven had, dat vloeken mag. Het mag als uiting van absolute onmacht over iets heel ergs waarvan je “met heel je hart gelooft dat iets echt niet de bedoeling was en universele verdoemenis behoeft.” Als je er eerst maar echt kapot en stil van geweest bent. Als je er ook maar bij zegt wat er vervloekt moet worden. En als je maar niet een persoon vervloekt, want “het oordeel over het hart van de ander ligt in handen van een ander, de Universele Ander.”

Op 11 november schreef David Heek, theoloog, evangelist en KNVB-scheidsrechter volgens het Nederlands Dagblad, in het Nederlands Dagblad, dat hij “het geheven wijsvingertje van menig gelovige vervloekt”  die iets zegt van gevloek, “terwijl in een gvd en in een Jezuskreet Gods naam niet eens zit.” Want een christen die andere mensen vraagt of stimuleert om uit respekt voor zijn of haar geloof niet of minder te vloeken, doet dat “vanuit een verheven moralistische en ten diepste egocentrische houding”, laat de vloeker “aan zijn religieuze lot over” en voelt zich “met zijn goede gedrag de baas” over hem of haar.

Ik heb begrip voor Rikko’s standpunt. Hij schrijft voor niet-christenen. En hij kaart een thema aan dat echt speelt: er gebeurt zoveel onrecht in de wereld (hij noemt zelf MH17, ISIS, Gaza), dat zelfs wie volstrekt niet in God gelooft, haast zou gaan wensen dat er toch ergens iemand zou moeten zijn in dit universum die dit absolute kwaad kan vergelden. Ik vond en vind dat dit door Rikko op een goede manier werd aangekaart in dé krant voor sekulier Nederland. De oproep om weer “zuiver, rechtgeaard en hartgrondig te leren vloeken” was, denk ik,  aan de andere kant ook maar een soort proefballon en in dat opzicht ook wat onrijp en naief. Dat bleek ook meteen wel uit alle media-aandacht die voor de ludieke kant op ging: ‘Meneer Voorberg, zullen we dit interview dan maar afsluiten door samen welgemeend gvd te zeggen?’ Waar Rikko vervolgens niet aan mee deed.

Maar van David z’n verhaal snap ik helemaal niets. Nou ja, akkoord, als je op een wildvreemde plaats tegen een wildvreemd persoon die vloekt alleen maar zegt: ‘dat hoort niet zo’, loop je het risiko dat ze tegen jou zeggen: “Jullie zitten zeker elke zondag vooraan in de rij in de kerk?” (lees de column ‘Blijde boodschap’ van Kees van Egmond hierover op zijn weblog). Maar daar is bij David geen sprake van. Bij hem geeft een trainer voor de wedstrijd aan, dat zijn team in de wedstrijd niet zal vloeken, omdat hij zijn spelers verteld heeft, dat de scheids ook dominee is. Wat een mooie gelegenheid om daar iets positiefs over te zeggen, zonder geheven wijsvinger, in de trant van: “Bedankt voor het respekt, en ik hoop dat ze het niet alleen voor mij laten.” Maar David zei iets anders tegen de trainer. “Zolang mensen nog niks met God hebben, kan ik begrijpen dat er gevloekt wordt. Ik denk dat iemand zich alleen op grond van een goede levensovertuiging anders dan normaal gaat gedragen.” En de trainer staarde hem “een aantal sekonden verbaasd aan.”

Ik ben net zo verbaasd. Het is zelfs na 24 uur nog niet over. Ik snap het echt niet. Natuurlijk hoef je van mensen die niet in God of Jezus geloven niet te verwachten, dat ze vloeken erg vinden. Maar om het meteen heel normaal te vinden dat mensen die niet gelovig zijn bij elke gemiste kans gefrustreerd gvd roepen en te onpas aan Jezus te laten weten waar ze enorm van balen, dat gaat er bij mij niet in. In het publieke Twittergesprek tussen Kees van Egmond (@KeesvE) en David Heek (@DavidHeek) zegt de laatste, dat het in het derde gebod niet gaat om vloeken, maar om het misbruik van Gods naam door gelovigen die zijn naam kennen en toch God voor hun karretje willen spannen. Dus staat David voor de tien geboden in de kerk, maar niet-gelovigen behandelt hij anders. Kees van Egmond vroeg zich af wat dan het verschil is tussen stelen en vloeken door een niet-christen. En ik zou nog wel eentje kunnen noemen: vreemdgaan. Van alle drie kun je verwachten dat iemand die niet de christelijke normen en waarden deelt, er geen probleem mee heeft. Ik wil ze alle drie uitwerken aan de hand konkrete voorbeelden.

Stelen is normaal: op scholen met veel jongeren van allochtone afkomst heerst de opvatting: “Je jat niet van vrienden, maar van een vreemde mag het wel”. Als je een telefoon gejat hebt, is de moraal: “Dat heb je handig gedaan”  en: “Je bent dom al je bent gepakt”. En als je betrapt wordt geldt: “Als de camera er niet op heeft  gestaan, is het gewoon niet waar.” De leerkracht of de medeleerling is vooringenomen. “Eerlijkheid blijft een lastig artikel. Op een gegeven moment zien wij diefstal als diefstal.” Maar als je het niet kunt bewijzen, is het voor een allochtone jongere niet waar. “Dat is toch wel een bepaald cultuurprobleem hoor.” (citaten uit Hoop voor moslimjongeren – hoofdstuk Een krachtmeting van twee kanten interview met drie directeuren van ‘gekleurde’ scholen – Buijten & Schipperheijn, 2005). Moet je dan tegen zo’n jongere zeggen: ‘Ik begrijp dat je van vreemden steelt, want je hebt nu eenmaal een andere opvatting over mijn en dijn, dus ik ga niet boven je staan door er iets van te zeggen.’

Vreemdgaan is normaal: op de werkvloer ontstaan regelmatig romantische verhoudingen tussen collega’s. Het eindigt vaak in een overspelige relatie en leidt tot echtscheiding. Want, constateerde het sekuliere Dagblad van het Noorden een jaar of vijf geleden al: mensen gaan voor hun eigen geluk en daar dient de partner in belangrijke mate aan bij te dragen. Dus als de klik er niet meer is, is er ook niets meer wat je aan elkaar bindt. En dus is er ook niets meer wat je ervan hoeft te weerhouden om een relatie op de werkvloer aan te gaan. Moet je dan tegen je collega zeggen: ‘Ik begrijp dat je vreemd gaat, want je hebt niks meer met je man of vrouw, dus ik ben de laatste die er iets van zal vinden.’

Vloeken is normaal: in de vier jaren dat ik grensrechter bij het meisjesvoetbal in Nijmegen en Assen ben geweest, wisten de trainers en de ouders en de meiden heel goed dat ik dominee was. In Nijmegen vonden ze het zelfs raar dat ik getrouwd was en vier kinderen had. Maar ze vonden het allemaal heel vanzelfsprekend dat ik het niet prettig vond dat er soms stevig gevloekt werd. De meesten gebruikten ‘God’ en ‘Jezus te’ pas en te onpas als stopwoord. Dat was dus wel behoorlijk ingesleten. Maar bijna iedereen vond het gebruik van de woorden ‘God’ en ‘Jezus’ als gefrusteerde krachtterm en dus meestal vergezeld met de toevoeging ‘Allemachtig’ en ‘Christus’ toch echt te ver gaan. Moest ik dan zeggen: ‘Nou, ik verbaas me er niet over hoor, want  alleen als je in God en Jezus gelooft vind je het normaal om niet te vloeken, dus mij hoor je er niet over.’

In alle drie de situaties geldt volgens mij, dat niet-christenen vanuit hun moraal deze drie geboden van God heel anders interpreteren. Verwacht van een niet-christen geen christelijke levensstijl, las ik bij Tim Keller. Maar dat is toch wat anders, dan dat je je op voorhand neerlegt bij iets wat een ander niet als stelen, vreemdgaan of misbruik van Gods naam ziet? Waarom zou je altijd bang moeten zijn  dat een ander jou als weer zo’n arrogante, zelfverzekerde christen ziet?  Volgens neemt dan bij niet-christenen de verwarring alleen maar toe en het respekt voor christenen evenredig af. Want ze geloven wel in God en in de Tien Geboden en binnen hun kerk spreken ze elkaar er flink op aan als er gevloekt, gestolen of vreemdgegaan wordt, maar daarbuiten vinden ze het allemaal heel begrijpelijk en normaal. Rare jongens, die christenen!

Vloeken DokusVolgens mij hoort het bij de levenshouding van een christen om altijd te zoeken naar de beste manier om Gods naam (inclusief die van Jezus) hoog te houden. Daar hoort ook bij, “dat wij ons ook niet door zwijgen of toelaten aan zulke gruwelijke zonden mee schuldig maken” (Zondag 36 HC). In de prekenserie Tot 10 tellen in geloof heb ik daarover gezegd (zie Stap 03), dat ik te vaak de pijn niet voel en te vaak bang ben voor negatieve reakties. Daarom heb ik Gods Geest hard nodig voor wijsheid en vrijmoedigheid om op een goede, positieve manier het misbruik van Gods naam aan te kaarten.

Toen Jezus aan het kruis gespijkerd werd, zei  Hij luid en duidelijk: ‘Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.’ Het hielp weinig, het spotten ging van alle kanten gewoon door. Op twee (Misdadiger 2 en Centurio) of drie (Simon van Cyrene) na. Zou mijn eerste reaktie dan moeten zijn als ik de mogelijkheid heb om iets van vloeken te zeggen: ‘Ach, het geeft niet, want ze weten niet wat ze doen.’Waar ben ik dan echt bang voor?

Een ZEGEN voor KINDEREN aan het AVONDMAAL

Hoe betrek je de kinderen in de kerk bij het Avondmaal? Eén van de manieren waarop dat in de Gereformeerde Kerk van Assen-Peelo gebeurt is, door de kinderen die mee naar voren komen, in Jezus’ naam te zegenen. In onze gemeente vieren we het Avondmaal regelmatig doordat alle avondmaalsgangers in een lange rij naar voren komen om het brood en de wijn als betrouwbare tekenen van Christus’ lichaam en bloed uit de hand van de predikant en de ouderling te ontvangen en met de mond te genieten (zoals het wat plechtig  in Zondag 28:77 van de Heidelbergse Catechismus staat).

Bij die gaande viering nemen veel ouders hun kinderen mee als ze naar voren komen. Die kinderen krijgen dan ieder persoonlijk van mij een hand op hun voorhoofd. Als ze tenminste niet helemaal achter papa of mama schuil gaan en zelf zo ver mogelijk uit mijn buurt proberen te blijven. “Waarom doe je dat?” hebben verschillende mensen mij al eens gevraagd. “Omdat de kinderen er ook echt bij horen” is dan mijn reactie. In het buitenland is de gaande viering in grotere kerken heel gebruikelijk. Het komt daar regelmatig voor dat ouders dan ook hun kinderen, meestal tot een jaar of tien, mee naar voren nemen. De dominee legt al die kinderen de hand op en zegent hen in de naam van Jezus. Toen ik van dat gebruik hoorde, dacht ik: dat is heel bijbels. We kennen allemaal het verhaal van de ouders die hun kleine kinderen bij Jezus brengen omdat ze graag willen dat Hij hen zegent. De leerlingen vinden dat niet nodig, maar onze Heer zegt nadrukkelijk: ‘Laat de kinderen bij Me komen, houd ze niet tegen!’ (Mk. 10:14) Daarna zegent Hij ze door hen de handen op te leggen.

Bij het Avondmaal deelt Jezus Christus Zichzelf uit in brood en wijn. De volwassen gelovigen die zichzelf kunnen en horen te beproeven (1 Kor. 11:28), mogen het tot versterking van hun geloof vieren. Maar kinderen zijn net zo hartelijk welkom bij Jezus. Ze worden door hun ouders meegenomen naar de zondagse samenkomsten. Ze worden regelmatig aangesproken op hun niveau. Vaak komen ze bij de doop ook naar voren, zodat ze goed kunnen zien wat er gebeurt als de Drie-Enige God zo’n baby’tje door de doop opneemt in zijn verbond. In onze gemeente komen kinderen regelmatig met huAvondmaal kinderen zegenen Jezusn papa en mama mee naar voren bij de viering van het Avondmaal. Van mij krijgen ze dan een hand opgelegd. Niet boven hun hoofd, maar echt op hun hoofd. Dan zegen ik ze in de Naam van Jezus, die ook voor hen de Goede Herder is die zijn leven heeft gegeven voor alle schapen van de kudde, groot en klein. Dat mogen ze zien bij de schaal en bij de beker. Dat mogen ze ook zelf ervaren – nog niet door te eten en te drinken tot zijn gedachtenis, maar wel door zijn zegen te ontvangen door de handoplegging. Ik spreek die zegen meestal zachtjes uit. Soms zelfs helemaal niet. Het gebaar zelf is al veelzeggend genoeg. Als het maar begrepen en uitgelegd wordt. Dat kan op andere momenten en plaatsen. Het is vooral een taak voor papa en mama. Zo is het Avondmaal ook tot versterking van het geloof van de kinderen van de gelovigen. En wat ik zo mooi vind is: het gebeurt steeds vaker in onze gemeente, dat ouders hun kinderen meenemen.

Kinderen aan het Avondmaal?

Misschien is iemand benieuwd naar de vraag: mogen kinderen het Avondmaal ook echt meevieren? Daar ga ik hier geen uitvoerig antwoord op geven. We hebben als Gereformeerde Kerken altijd de lijn gehanteerd: Doop –> Belijdenis –> Avondmaal. En als iemand op latere leeftijd tot geloof komt, is de volgorde Belijdenis –> Doop –> Avondmaal. Die volgorde is volgens mij op grond van de Bijbel de meest logische. Er zijn predikanten (en anderen) in onze kerken, die voor de lijn Doop –> Avondmaal –> Belijdenis kiezen en daarom ook de kinderen van de gemeente willen toelaten aan het Avondmaal. Ik denk dat die lijn vanuit de Bijbel ook te onderbouwen is. Wat bijbels gezien volgens mij niet kan is de lijn Avondmaal –> Belijdenis –> Doop. Tot mijn stomme verbazing merkte ik een tijd geleden, dat dit in sommige evangelische kerken toch praktijk is. Daar worden de kinderen gewoon uitgenodigd om het Avondmaal mee te vieren. Iemand uit zo’n gemeente verdedigde dat met de opmerking: ‘Waar staat in de Bijbel dat er 2009-03 Avondmaaleen leeftijdsgrens aan het Avondmaal verbonden is? Ook kinderen kunnen oprecht geloven dat God van ze houdt en dat Jezus voor hun zonden stierf. En mogen dus het Avondmaal meevieren.’ Jazeker mag dat. Maar dan moet je ook consequent zijn. Als kinderen hun geloof kunnen belijdenis, horen ze allereerst gedoopt worden. Ook daar staat in de Bijbel geen leeftijdsgrens voor. Integendeel, in het Nieuwe Testament worden complete gezinnen gedoopt als een volwassen tot geloof komt en belijdenis doet. Want de Doop is bijbels gezien het teken van de inlijving in de gemeente van Jezus. Daarna geeft Jezus ook nog het Avondmaal: het teken van de onderhouding van de band met Jezus. Wie gelooft en zich laat dopen viert daarna in de christelijke gemeente het Avondmaal met elkaar. Dan wringt het in mij ogen behoorlijk als je zegt: bij ons in de gemeente dopen we geen kinderen, maar we laten ze wel alvast het Avondmaal meevieren. Is het Avondmaal dan niet voor de kinderen bestemd? Nee, nog niet helemaal. Maar gelukkig zijn er genoeg manieren te bedenken om de kinderen toch bij het Avondmaal te betrekken zonder ze toe te laten. Door ze bijvoorbeeld te zegenen in Jezus in Naam en de handen op te leggen!

VRIJGEMAAKT? – 2

De bundel ‘VVrij gemaakt boekrijgemaakt?’ blijft de tongen losmaken en de pennen in beweging zetten. Eerder verwees ik al naar de reaktie van collega Joost Smit op zijn weblog (zie Vrijgemaakt?). Nu heeft collega Klaas van den Geest er op zijn weblog pastorklaas.nl een analyse aan gewijd die op z’n minst verrassend genoemd kan worden. Een heel eigen insteek dus, die ik graag hieronder in z’n geheel herblog.

Vrijgemaakt?

Kunstenaars

Opmerkelijk goed geschreven, dat boekje Vrijgemaakt? Allemaal begaafde schrijvers, jonge mannen en vrouwen die kunnen boetseren met woorden. Een aantal auteurs zijn domineeskinderen, een aantal is theoloog. Veel domineeskinderen blijken opvallend veel te houden van boeken, kunst en muziek. Is er een verband tussen domineesgezinnen en kunst/muziek/literatuur? Volgens een onderzoek wel. Heel wat pastorieën puilen uit van de boeken. In heel wat predikantsgezinnen zijn kunst en muziek geliefd. Ik heb genoten van de manier waarop sommige bijdragen geschreven zijn. De mooiste trouwens van mensen uit andere studies en achtergronden. Het zijn bijna allemaal verhalenvertellers, deze getalenteerde dertigers.

Wij zijn cultureel of we zijn niet

Deze waarnemingen zijn volgens mij niet onbelangrijk als je dit boek wilt begrijpen. Wat me treft is een grote sensitiviteit voor de cultuur: als leefwereld van nu, maar ook zoals die het meest sprekend tot uiting komt in allerlei kunstvormen. En daarmee houden deze jonge mensen ons wel een spiegel voor. Hebben we als gereformeerden voldoende culturele antenne? En zijn we ons er van bewust hoe sterk we als kerk en gelovigen zelf door de cultuur beïnvloed zijn?

Want in dit boek komen mensen aan het woord, die zich in de ‘vrijgemaakte’ wereld van de cultuur afgesloten hebben gevoeld. En die dat als beklemmend en beperkend hebben ervaren. En terecht: want als we de menselijke cultuur buiten sluiten, sluiten we onszelf buiten. Of anders gezegd: we ontkennen of amputeren dan zelfs een stuk van onszelf.

Dat lijkt een deel van de boodschap te zijn van dit boek. Hier zijn mensen aan het woord, die niet de ruimte voelden om echt te léven. Dat leven zelf werd afgeknepen, kon zich niet ontplooien, ze konden geen vleugels uitslaan. Confronterend en veelzeggend vind ik bijvoorbeeld wat Arjen schrijft. Hij zegt: de oude routekaart bracht me nergens. Niet bij God, niet bij mijn eigen diepste zoeken. Het was een bril die iedereen moest opzetten en waardoor iedereen hetzelfde zou zien. Maar wie ben je dan zelf, wat is jouw identiteit? Is er ruimte voor een weerwoord, voor anders denken, anders geloven?

Je kunt dit boek heel makkelijk en snel afdoen. Als je het als een aanval ervaart op jouw eigen kerkelijke verleden en identiteit. Maar je kunt het ook als een kans zien. Dan ga je op zoek naar wat hier eigenlijk aan de orde wordt gesteld. En dat is wat mij betreft deze vraag: hoe hebben we ons als ‘vrijgemaakten’ opgesteld in verhouding tot de cultuur van onze tijd? Hebben we die cultuur niet vaak ontkend? Hebben we die culturele omgeving niet vaak onvoldoende onderkend, ook bij onszelf? Hoe vaak is onze eigen waarneming niet voor waarheid aangezien en gepresenteerd? Hoe sterk hebben we niet een eigen wereld geschapen, los van de echte, daarvan afgescheiden?

Vroeg of laat krijg je daarvan de rekening gepresenteerd. Als je een binnenwereld creëert, en de buitenwereld als bedreigend ziet of als slecht kwalificeert, dan voed je een generatie op zonder de tools om zelfstandig in die wereld te staan. Je gaat een taal spreken en een cultuur in stand houden, die geen werkelijk contact maakt met die buitenwereld. Dat is gebeurd, dat hebben we gedaan. Er was onvoldoende oog voor de cultuur als werkelijkheid. Ook een werkelijkheid waarvan we zelf deel uit maken. Cultureel zijn we allemaal: we maken er deel van uit. Dat is inherent aan het bestaan zelf: wij zijn cultureel of we zijn niet…

De kerk vormt daarop geen uitzondering. Maar ons idee daarover was anders, we dachten die cultuur buiten te kunnen houden.

Omgaan met je opvoeding

Ik zeg: we. Want ik kan me niet boven die kerk verheffen. Ik maak er deel van uit, heb er zelf deel aan. Ook al heb ik zelf het gevoel, dat dit boek ook geschreven had kunnen zijn door vijftigers. Door de vaders en moeders van deze jonge ‘vrijgemaakten’.

Dat werd mij duidelijk uit onder andere het verhaal van Bettelies. Bevlogen ouders, begonnen met E&R, open gezin, alles bespreekbaar, kritisch op de kerk maar wel met God in hun leven. Hoeveel van die vijftigers zijn er niet, die ook worstelen met die kerk? Ze waren zelf al het product van de sixties, kritisch tegenover gezag en establishment. Zij voelen ook al hun leven lang, maar zeker vandaag de dag, dat we iets in stand hielden wat onhoudbaar was. Die kerk zit in onze bagage, in onze genen mag je wel zeggen.

En dat is meteen ook een stukje zwakte van dit boek. Een deel van de schrijvers is uit deze kerk weg gegaan. Ze staan er nu buiten, wilden het van zich afschudden. Ik erken dat dat soms moet, om zo dat verleden te verwerken en ergens in je leven neer te zetten.

Maar het verschil met veel vijftigers is, dat die vijftigers blijven. Ik voel dat zelf ook: eindeloos kritisch op de kerk, tegelijk eindeloos loyaal eraan. En daar scheiden de wegen. Die dertigers, ook mijn eigen kinderen, maken juist hier een andere keus. Ze zijn kritisch. Maar niet meer loyaal. Tenminste, niet loyaal aan zoiets institutioneels als de kerk. Wel loyaal aan zichzelf. Authentiek willen ze zijn: kernwoord van de postmoderniteit. En dat is mooi: als je kritisch bent, moet je eerlijk zijn, jezelf volgen. Je denkt niet van boven naar beneden, maar van binnen naar buiten. Je aanvaardt geen waarheid of normativiteit die van bovenaf wordt opgelegd. Je wilt er zelf achter staan, zelf kiezen, vanuit je eigen individualiteit waarheid vinden en ervaren.

En dus nemen ze afstand. En al snap ik die stap en keuze, hier heb ik mijn vragen. Vragen die voortkomen uit een psychologische waarneming. Uit de ontwikkelingspsychologie weten we, dat een mens zijn of haar opvoeding zelfstandig moet verwerken. Je zoekt een bepaalde positie los van of tegenover je ouders. En dus moet je ook een eigen verhouding vinden met wat je ouders je hebben meegegeven. En als de kerk van die opvoedingsbagage een dominant bestanddeel is, moet je dus ook zoeken naar een eigen relatie dáármee.

Heel veel mensen, ook vijftigers en zestigers, zijn zich daar nauwelijks van bewust. In pastorale contacten merk ik dat maar al te vaak. Ervaringen met je ouders, de opvoeding die je meekreeg, de plek van de kerk en het geloof daarin, die zijn veelsoortig en veelzijdig. Anders gezegd: die ervaringen zijn gemengd, zowel positief als negatief. Er zit ook veel pijn tussen, vervreemding, eenzaamheid, gevoelens van afwijzing. Hoe geef je die een plek binnen je eigen identiteit? Hoe vind je een balans, hoe krijg je vrede met je verleden, hoe integreer je die bagage in wie je nu bent?

Die worsteling zie ik in dit boek. Maar die zoektocht maken we dus allemaal. Waar komt de onvrede in mijn leven vandaan? Wat maakt dat ik een gat voel, of pijn, iets wat zeurt en schrijnt? En daar komt dan wat ik zie als een denkfout: velen zien dan de kerk als de bron van hun pijn. Ze gaan die kerkelijke cultuur zien als de oorzaak van hun gevoelens van eenzaamheid en onvrede.

Het zou voor sommigen wel eens heel verhelderend kunnen zijn, als ze die onvrede niet op de kerk projecteren maar in gesprek gaan met hun ouders. De kerk is maar een deel van je bagage, zij het vaak een dominant stuk. En een mens moet in gesprek komen met zijn eigen verleden. Dat moet een gesprekspartner van je worden, om niet te zeggen een vriend.

Ik geef toe: dat is een mooi ideaal. Vaak komen we niet verder dan afstand nemen van dat deel dat zeer doet, en het diep weg te stoppen. Om er hopelijk ooit nog weer in je leven een nieuwe relatie mee te vinden. Dat wens ik deze dertigers toe: een stukje afstand om niet de pijn maar de waarde te kunnen gaan zien van dat kerkelijke verleden. Misschien vind je er toch iets kostbaars in, iets wat je met liefde in je hart sluit. Misschien dat je achter je ouders iemand anders gaat herkennen.

Seks

En dan nog iets opvallends in het boek: seks. Als we de cultuur ontkennen, ontkennen we het leven. Als we het leven en onszelf ontkennen, ontkennen we ook onze lichamelijkheid.  En dus onze seksuele gevoelens.

In enkele bijdragen valt die onbalans , of misschien zelfs fascinatie met seks op. Ook alweer zo herkenbaar, moet ik onmiddellijk zeggen. Vijftigers zullen in hun eigen leven nog veel meer die ambivalentie herkennen ten opzichte van hun lichamelijke gevoelens. De boze wereld moest buiten blijven, maar het boze vlees was binnen. En daar moesten we maar mee in het reine zien te komen. Zonder enige begeleiding, zonder werkelijk gesprek erover. Als je zelf niet hebt leren praten over seks, heb je vaak ook niet geleerd het werkelijk te accepteren. Ook alweer zo’n psychologisch dingetje. En als je niet hebt geleerd er mee om te gaan, worden die onbeheersbare gevoelens al gauw geduid als duister en ‘zondig’.

Wat geef je dan door aan de volgende generatie? Een generatie die opgroeit in een wereld waarin seks net zo gewoon bij het dagelijkse leven hoort als eten en drinken? Hoe die generatie dat heeft ervaren lees je hier in meerdere bijdragen in het boek. De één na de ander is op zoek naar bevrijding uit een sfeer van geheimzinnigheid en beklemming. Onze culturele emancipatie is ook een lichamelijke bevrijding. In enkele bijdragen lijkt dat te leiden tot een pendelbeweging naar de andere kant: eindelijk vrij, leef je leven, grenzeloos!

Ook hier kan ik niet anders dan constateren, dat we een onbetaalde rekening gepresenteerd krijgen. We hebben over seksualiteit vooral gesproken in Hooglied-termen. Maar hebben we echt intimiteit en tederheid laten zien? Dat je van je lichaam en elkaar aan het genieten bent? En ook de keerzijde: zien we ook de duistere kant, het stukje pijn en eenzaamheid dat met seksualiteit verbonden is, onder ogen? Klinkt dat door in de manier waarop we daarover iets doorgeven?

Anders zijn die prachtige Hooglied-woorden niet meer dan verheven verbaliteit. Zonder werkelijkheidswaarde. De dertigers prikken daar doorheen: wees authentiek, wees jezelf.

Kerk waarheen

Lammert Kamphuis ziet de GKv als een laatste bolwerk van de verzuiling. Ik herken dat niet zo: er is al lang geen ‘groot verhaal’ meer. Dat wij dé kerk zijn, de enige, daarmee hebben we al lang gebroken. Dat begon al af te brokkelen in mijn studietijd, de jaren ’80 vorige eeuw. Toen hadden voor het eerst enkele aanstaande predikanten de euvele moed om op een kerkelijk examen te zeggen: ik weet niet of Paulus alleen aan de GKv een brief zou schrijven. Dat leidde toen nog tot afwijzing, je moest het examen overdoen om kandidaat (proponent) te kunnen worden. Maar het hek was van de dam, het was al niet meer te houden.

Nogmaals, daarmee ontken ik beslist niet dat wij die exclusiviteit in onze genen dragen. Zelfs als je er zelf niet aan bijgedragen hebt, heeft die sfeer nog lange tijd doorgewerkt, als een benauwende etensgeur die nog dagenlang in huis blijft hangen. In die zin moet je opnieuw naar die vijftigers en zestigers kijken. Daaronder vind je nog steeds mensen die in die wereld ondergedompeld zijn geweest en het nog in zich dragen. En soms is dat trekje ook in de kerk echt nog wel vrij prominent te voelen. Jongere generaties storen zich daaraan en ervaren die sfeer in de kerk als vervreemdend. Waar het nog sterk aanwezig is, ervaren ze de kerk zelfs als een vijftig-plus-instituut.

Toch denk ik, dat die vijftigers ook een generatie zijn die de transitie hebben ingeluid. Ze hebben bakens verzet. Alleen hebben ze dat nog voorzichtig gedaan, wilden ze het lijntje niet breken. De nieuwe generaties hebben daarin minder scrupules, ze gaan meer voor zichzelf. Dat bedoel ik zeker niet als een oordeel, misschien bewonder ik ze daarom wel juist. Wat ik niet deed en doe, doen zij wel. Ik heb veel respect voor de huidige generatie jonge theologen, mensen als Reinier Sonneveld en Rikko Voorberg. Maar het zijn wel theologen buiten of op de rand van de kerk. Ik herken hun zoektocht, existentieel. Ze raken heel duidelijk snaren bij mij. Maar ik voel me nog te zeer verbonden met de kerk om daar buiten te gaan experimenteren. Hun 7x7christendom is radicaal, maar durf ik het aan om het initiatief te nemen onszelf opnieuw uit te vinden?

In die zin daagt dit boek me uit. Want ‘gewoon doorgaan’ is geen optie meer. Intelligente, getalenteerde en hoogopgeleide jongeren laten ons dan ver achter zich. Wat overblijft zijn ja-knikkers en aardige mensen met grijs haar. En dan hebben we toch echt een generatie verloren.

Wat zou onze Heer dan willen?

ALLEEN EEN OEN LOOPT MET EEN POMPOEN – over Halloween en Sint Maarten

Halloween rukt op. Op TV kun je zien hoe kinderen zich als skelet verkleden of zich met bebloede mond en rooddoorlopen ogen laten schminken. En ook sommige volwassenen gaan helemaal op in dit nieuwe fenomeen. Sommige kapsalons varen er wel bij. Bij het zien van al die lugubere beelden kom ik al snel tot de konklusie: Halloween is drie keer niks. Ook vraag ik me in alle ernst af wat voor toegevoegde waarde al die doodsmaskers enz. hebben voor de kinderen die op dit feest met een uitgesneden verlichte pompoen langs de deuren gaan om daarmee wat snoep op te halen.

Nu zijn er christenen, die Halloween heel erg occult en satanisch vinden. De vereniging Bijbel & Onderwijs heeft bijvoorbeeld een brochure uitgegeven met als titel ‘Halloween, mij niet gezien’. Die brochure is digitaal te lezen zien op http://bijbelenonderwijs.nl/occult-en-licht/3979/. Daarin staat, dat de pompoen van Halloween vroeger bij de Kelten symbool stond voor de dolende ziel en gebruikt werd door mensen die sympathieën hadden voor satanisten. Halloween is een poging om de Keltische goden te doen herleven en wie met Halloween snoepjes uitdeelt aan kinderen die verkleed met een pompoen aan de deur staan, brengt in feite een offer aan de afgoden en komt in kontakt te staan met boze geesten. Dan ga je in tegen wat Paulus tegen de christenen in Korinte zegt: “Heidenen offeren aan demonen en niet aan God, en ik wil niet dat u één wordt met demonen.” (1 Kor. 10:20).Halloween pompoen

Dit vind ik moderne bangmakerij. Zo schrijft de Bijbel toch niet over de invloed van de duivel. Mozes waarschuwt de Israelieten in Deuteronomium 18:9-15 er nadrukkelijk voor, om geen kontakten te leggen met geesten om signalen te ontvangen over hoe jouw toekomst eruit zal zien of om te horen hoe het met je overleden moeder is. Dan stel je namelijk je vertrouwen op iemand anders dan op God Zelf, die mij heeft laten weten, dat Hij via Jezus en in de Bijbel tot mij spreekt. Als ik dan toch te rade ga bij vage raadplegers en wazige adviseurs, maak ik mij schuldig aan occulte vormen van afgoderij, waarvan Mozes in Deut. 18:14 nadrukkelijk zegt: ‘U moet volledig op de HERE, uw God, gericht zijn. Ook al luisteren de volken in het land dat u in bezit zult nemen wel naar wolkenschouwers en waarzeggers,  ú heeft de HEER, uw God, dat verboden.’

Maar occultisme is niet, dat je overal achterdochtig de afkomst van moet uitpluizen of het misschien in een ver verleden oorspronkelijk gebruikt werd om boze geesten op een afstand te houden (voor meer voorbeelden: zie mijn preek over Deut 18:13-15 onder ‘Preken – OT’  of klik hier). En dus laat je je vandaag de dag nog steeds in met boze geesten, als je meedoet met Halloween. Onzin, denk ik dan. Want wat kan een pompoen mij doen? Het ergste van Halloween is niet, dat het occult zou zijn, maar dat het als amerikanisme in de plaats van ons eigen Sint Maarten komt, net zoals die geëmigreerde bolle-buik-Sinterklaas die tegenwoordig 20 dagen te laat met het verkeerde vervoermiddel de echt Sint concurrentie aandoet.

In het Nederlands Dagblad van 29 oktober 2019 vindt Eline de Boo de reakties van christenen griezeliger dan Halloween zelf (lees hier). Ze heeft in Amerika gewoond, ze zegt zelfs: ‘Terecht wordt er in verband met Halloween gewaarschuwd je verre van het occulte te houden’, maar verder is Halloween gewoon een vrolijk kinderfeest waar je je kinderen met een gerust hart aan mee kunt laten doen. En dus kan je kind zich verkleden als Maarten Luther en kun je zelf koekjes met ‘Sola Fide’ en ‘Sola Gratia’ gaan uitdelen. Ik vind dat in de Nederlandse setting erg overdreven, net als aantal jaren geleden de suggestie dat je lolly’s met een kaartje ‘Jezus is het licht van de wereld’ of ‘Jezus is sterker dan de dood’ kunt gaan uitdelen. Op zich is dit natuurlijk leuk en aardig bedacht en zeker beter dan het advies van Bijbel & Onderwijs om kinderen met Halloween hun waarschuwende folder mee te geven. Maar voor mij persoonlijk is de lol van dit overgewaaide cultuurfeest er wel af nu het zulke lugubere trekken gekregen heeft zoals ik op TV zag. Als je je bewust bent van de heidense oorsprong van het feest en op je laat inwerken wat het met kinderen doet als ze op deze manier kennismaken met de wereld van geesten, bloed en dood, zou ik als christenouder tot de conclusie komen: hier laat ik mijn kinderen niet aan meedoen en zelf doe ik ook niet mee aan deze overgewaaide Amerikaanse hype.

Sint MaartenIk heb een veel beter idee! Laat de rest van Nederland ook Sint Maarten gaan vieren! Immers: ‘Elf november is de dag dat mijn lichtje, dat mijn lichtje; elf november is de dag, dat mijn lichtje branden mag.’ En in die delen van het land (zoals Groningen, Drenthe, West-Friesland, Texel, Noord-Brabant, Limburg en Belgisch Vlaanderen) waar de kinderen met Sint Martinus altijd al langs de deuren gaan met hun lampion of uitgeholde voederbiet is het helemaal makkelijk. Hang met Halloween een kaartje op de deur waarop staat: Kom op 11 november met Sint Maarten maar weer terug met een lampion en een liedje, dan krijg je dan wat lekkers. Want alleen een oen loopt in gebieden waar Sint Maarten gevierd wordt met een pompoen.

Hoewel: sinds wij weer in Assen wonen, krijg ik echt de kriebels van het meest afgrijselijkste Sint-Maartenlied dat ik ooit gehoord heb, namelijk: Mickey Mouse ging met z’n lichtje lopen, alle deuren vlogen open, Mickey Mouse zei ‘dank u wel’ en ging snel naar de volgende bel.’ Aarrgghh … zelfs Sint Martinus is door Walt Disney verpest! Doe mij maar een echt Sint Maarten liedje. Zoals deze, uut Grunnen:

Mien lutje lanteern, ik zai die zo geern.

Doe daanst deur de stroaten, dat kenst ja nait loaten.

Mien lutje lanteern, ik zai die zo geern.

Mien lutje lanteern, ik zai die zo geern.

Vandoag gai ik lopen, mien laidje verkopen.

Mien lutje lanteern, ik zai die zo geern.

Tot 10 tellen in geloof – over discipelschap en leerling van Jezus zijn

Het motto van een echte christen zou je als volgt onder woorden kunnen brengen:

GOD HEB IK LIEF!

Daarom wil ik als kind van God

1.  gehoorzaam zijn aan al zijn geboden,

2. in alle omstandigheden op Hem vertrouwen en

3. in alle situaties Jezus volgen.

Maar hoe doe je dat? Op mijn weblog heb  ik de pagina ‘Tot 10 tellen in geloof’ toegevoegd. Dat is de titel van een projekt met als ondertitel: samen oefenen om leerling van Jezus te zijn. Onder dit thema ben ik in de zomer van 2014 begonnen aan een langere serie preken over het volgen van Jezus aan de hand van de Tien Geboden. Veel christenen vinden het volgens mij namelijk best moeilijk om in de praktijk vorm te geven aan hun geloof. Je bent lid van de kerk en voor de rest hang je maar wat achterover. Dat is niet wat Jezus van je wil! Daarom wil ik samen met mijn gemeenteleden in Assen-Peelo tot 10 tellen in geloof. Zo willen we samen oefenen om op tien hele konkrete manieren leerling van Jezus te zijn in het leven van elke dag. Want Jezus roept in de Bijbel niemand op om een goede kerkganger te zijn. Hij roept de mensen die in Hem geloven op om een leerling van Hem te worden en Hem te volgen. Hij is Zelf het voorbeeld en zegt tegen ons: ‘Leer het van Mij en leer het aan elkaar.’ Dat kan heel mooi aan de hand van de Tien Geboden.

Ik kom er eerlijk voor uit, dat ik mij voor dit projekt heb laten inspireren door Sake Stoppels en Jos Douma. Zij schreven allebei een artikel over discipelschap en leerlingen van Jezus zijn in het blad ‘Dienst’ van ‘lente 2014’ (Stoppels) en ‘zomer 2014’ (Douma). Van Sake Stoppels komt de opmerking “Jezus roept leerlingen, geen kerkmensen.” En Jos Douma doet de suggestie om aandacht voor discipelschap te koppelen aan Gods Tien Woorden. Hij bracht mij op het idee om dit projekt ‘Tot 10 tellen in geloof’ te noemen.  Zelf is Jos Douma in Zwolle ook begonnen dit uit te werken. Hij heeft er zelfs een speciale blog-site voor opgestart onder de naam http://ikteltottien.wordpress.com/. En bijgaand plaatje dat ik regelmatig gebruik is de omslag van een boekje van A.F. Troost over ‘de Tien Geboden toen en nu’ met deze titel.

Tot 10 tellen - plaatjeVoor het overige heb ik helemaal mijn eigen spoor getrokken in het opzetten van dit projekt. Op de projektpagina staan thema-preken, kindmomenten, leesroosters, gespreksvragen en ander materiaal. Laat iedereen zich vrij voelen om er naar believen gebruik van te maken. Reakties en aanvullingen zijn uiteraard zeer welkom, evenals een gezonde diskussie voor wie de insteek minder geslaagd vindt.

Op de site van Jos Douma vind je ook een definitie van discipelschap. Volgens hem is het kenmerk van een leerling van Jezus kort gezegd:  Jezus vertrouwen en volgen. Hij werkt dat uit in een hele lange en een minder lange definitie van discipelschap. Ik heb die definitie nog wat verder ingekort. En ik heb er ook een kernachtige motivatie boven gezet, ontleend aan Psalm 116. Die ‘definitie van een christen’ heb ik de afgelopen maanden steeds in de preken gebruikt. Maar ik stap nu van het woord ‘definitie’ af. Het is me te kil en teveel vanaf de buitenkant geredeneerd. Als je echt leerling en volgeling van Jezus Christus wilt zijn, zul je deze ‘definitie’ eerder als statement en slogan gebruiken. Daarmee breng je je verlangen onder woorden. Het is dus geen definitie van een echte christen, maar eerder het motto waarmee je in het leven staat:

GOD HEB IK LIEF!

Daarom wil ik als kind van God

1.  gehoorzaam zijn aan al zijn geboden,

2. in alle omstandigheden op Hem vertrouwen en

3. in alle situaties Jezus volgen.