Rikko nog aan toe, krijg nou de Heek-rambam – vloeken mag en is normaal

Een maand of twee geleden haalde Rikko Voorberg, theoloog, theatermaker, schrijver en columnist aldus Wikipedia, de landelijke pers, omdat hij in NRC Next geschreven had, dat vloeken mag. Het mag als uiting van absolute onmacht over iets heel ergs waarvan je “met heel je hart gelooft dat iets echt niet de bedoeling was en universele verdoemenis behoeft.” Als je er eerst maar echt kapot en stil van geweest bent. Als je er ook maar bij zegt wat er vervloekt moet worden. En als je maar niet een persoon vervloekt, want “het oordeel over het hart van de ander ligt in handen van een ander, de Universele Ander.”

Op 11 november schreef David Heek, theoloog, evangelist en KNVB-scheidsrechter volgens het Nederlands Dagblad, in het Nederlands Dagblad, dat hij “het geheven wijsvingertje van menig gelovige vervloekt”  die iets zegt van gevloek, “terwijl in een gvd en in een Jezuskreet Gods naam niet eens zit.” Want een christen die andere mensen vraagt of stimuleert om uit respekt voor zijn of haar geloof niet of minder te vloeken, doet dat “vanuit een verheven moralistische en ten diepste egocentrische houding”, laat de vloeker “aan zijn religieuze lot over” en voelt zich “met zijn goede gedrag de baas” over hem of haar.

Ik heb begrip voor Rikko’s standpunt. Hij schrijft voor niet-christenen. En hij kaart een thema aan dat echt speelt: er gebeurt zoveel onrecht in de wereld (hij noemt zelf MH17, ISIS, Gaza), dat zelfs wie volstrekt niet in God gelooft, haast zou gaan wensen dat er toch ergens iemand zou moeten zijn in dit universum die dit absolute kwaad kan vergelden. Ik vond en vind dat dit door Rikko op een goede manier werd aangekaart in dé krant voor sekulier Nederland. De oproep om weer “zuiver, rechtgeaard en hartgrondig te leren vloeken” was, denk ik,  aan de andere kant ook maar een soort proefballon en in dat opzicht ook wat onrijp en naief. Dat bleek ook meteen wel uit alle media-aandacht die voor de ludieke kant op ging: ‘Meneer Voorberg, zullen we dit interview dan maar afsluiten door samen welgemeend gvd te zeggen?’ Waar Rikko vervolgens niet aan mee deed.

Maar van David z’n verhaal snap ik helemaal niets. Nou ja, akkoord, als je op een wildvreemde plaats tegen een wildvreemd persoon die vloekt alleen maar zegt: ‘dat hoort niet zo’, loop je het risiko dat ze tegen jou zeggen: “Jullie zitten zeker elke zondag vooraan in de rij in de kerk?” (lees de column ‘Blijde boodschap’ van Kees van Egmond hierover op zijn weblog). Maar daar is bij David geen sprake van. Bij hem geeft een trainer voor de wedstrijd aan, dat zijn team in de wedstrijd niet zal vloeken, omdat hij zijn spelers verteld heeft, dat de scheids ook dominee is. Wat een mooie gelegenheid om daar iets positiefs over te zeggen, zonder geheven wijsvinger, in de trant van: “Bedankt voor het respekt, en ik hoop dat ze het niet alleen voor mij laten.” Maar David zei iets anders tegen de trainer. “Zolang mensen nog niks met God hebben, kan ik begrijpen dat er gevloekt wordt. Ik denk dat iemand zich alleen op grond van een goede levensovertuiging anders dan normaal gaat gedragen.” En de trainer staarde hem “een aantal sekonden verbaasd aan.”

Ik ben net zo verbaasd. Het is zelfs na 24 uur nog niet over. Ik snap het echt niet. Natuurlijk hoef je van mensen die niet in God of Jezus geloven niet te verwachten, dat ze vloeken erg vinden. Maar om het meteen heel normaal te vinden dat mensen die niet gelovig zijn bij elke gemiste kans gefrustreerd gvd roepen en te onpas aan Jezus te laten weten waar ze enorm van balen, dat gaat er bij mij niet in. In het publieke Twittergesprek tussen Kees van Egmond (@KeesvE) en David Heek (@DavidHeek) zegt de laatste, dat het in het derde gebod niet gaat om vloeken, maar om het misbruik van Gods naam door gelovigen die zijn naam kennen en toch God voor hun karretje willen spannen. Dus staat David voor de tien geboden in de kerk, maar niet-gelovigen behandelt hij anders. Kees van Egmond vroeg zich af wat dan het verschil is tussen stelen en vloeken door een niet-christen. En ik zou nog wel eentje kunnen noemen: vreemdgaan. Van alle drie kun je verwachten dat iemand die niet de christelijke normen en waarden deelt, er geen probleem mee heeft. Ik wil ze alle drie uitwerken aan de hand konkrete voorbeelden.

Stelen is normaal: op scholen met veel jongeren van allochtone afkomst heerst de opvatting: “Je jat niet van vrienden, maar van een vreemde mag het wel”. Als je een telefoon gejat hebt, is de moraal: “Dat heb je handig gedaan”  en: “Je bent dom al je bent gepakt”. En als je betrapt wordt geldt: “Als de camera er niet op heeft  gestaan, is het gewoon niet waar.” De leerkracht of de medeleerling is vooringenomen. “Eerlijkheid blijft een lastig artikel. Op een gegeven moment zien wij diefstal als diefstal.” Maar als je het niet kunt bewijzen, is het voor een allochtone jongere niet waar. “Dat is toch wel een bepaald cultuurprobleem hoor.” (citaten uit Hoop voor moslimjongeren – hoofdstuk Een krachtmeting van twee kanten interview met drie directeuren van ‘gekleurde’ scholen – Buijten & Schipperheijn, 2005). Moet je dan tegen zo’n jongere zeggen: ‘Ik begrijp dat je van vreemden steelt, want je hebt nu eenmaal een andere opvatting over mijn en dijn, dus ik ga niet boven je staan door er iets van te zeggen.’

Vreemdgaan is normaal: op de werkvloer ontstaan regelmatig romantische verhoudingen tussen collega’s. Het eindigt vaak in een overspelige relatie en leidt tot echtscheiding. Want, constateerde het sekuliere Dagblad van het Noorden een jaar of vijf geleden al: mensen gaan voor hun eigen geluk en daar dient de partner in belangrijke mate aan bij te dragen. Dus als de klik er niet meer is, is er ook niets meer wat je aan elkaar bindt. En dus is er ook niets meer wat je ervan hoeft te weerhouden om een relatie op de werkvloer aan te gaan. Moet je dan tegen je collega zeggen: ‘Ik begrijp dat je vreemd gaat, want je hebt niks meer met je man of vrouw, dus ik ben de laatste die er iets van zal vinden.’

Vloeken is normaal: in de vier jaren dat ik grensrechter bij het meisjesvoetbal in Nijmegen en Assen ben geweest, wisten de trainers en de ouders en de meiden heel goed dat ik dominee was. In Nijmegen vonden ze het zelfs raar dat ik getrouwd was en vier kinderen had. Maar ze vonden het allemaal heel vanzelfsprekend dat ik het niet prettig vond dat er soms stevig gevloekt werd. De meesten gebruikten ‘God’ en ‘Jezus te’ pas en te onpas als stopwoord. Dat was dus wel behoorlijk ingesleten. Maar bijna iedereen vond het gebruik van de woorden ‘God’ en ‘Jezus’ als gefrusteerde krachtterm en dus meestal vergezeld met de toevoeging ‘Allemachtig’ en ‘Christus’ toch echt te ver gaan. Moest ik dan zeggen: ‘Nou, ik verbaas me er niet over hoor, want  alleen als je in God en Jezus gelooft vind je het normaal om niet te vloeken, dus mij hoor je er niet over.’

In alle drie de situaties geldt volgens mij, dat niet-christenen vanuit hun moraal deze drie geboden van God heel anders interpreteren. Verwacht van een niet-christen geen christelijke levensstijl, las ik bij Tim Keller. Maar dat is toch wat anders, dan dat je je op voorhand neerlegt bij iets wat een ander niet als stelen, vreemdgaan of misbruik van Gods naam ziet? Waarom zou je altijd bang moeten zijn  dat een ander jou als weer zo’n arrogante, zelfverzekerde christen ziet?  Volgens neemt dan bij niet-christenen de verwarring alleen maar toe en het respekt voor christenen evenredig af. Want ze geloven wel in God en in de Tien Geboden en binnen hun kerk spreken ze elkaar er flink op aan als er gevloekt, gestolen of vreemdgegaan wordt, maar daarbuiten vinden ze het allemaal heel begrijpelijk en normaal. Rare jongens, die christenen!

Vloeken DokusVolgens mij hoort het bij de levenshouding van een christen om altijd te zoeken naar de beste manier om Gods naam (inclusief die van Jezus) hoog te houden. Daar hoort ook bij, “dat wij ons ook niet door zwijgen of toelaten aan zulke gruwelijke zonden mee schuldig maken” (Zondag 36 HC). In de prekenserie Tot 10 tellen in geloof heb ik daarover gezegd (zie Stap 03), dat ik te vaak de pijn niet voel en te vaak bang ben voor negatieve reakties. Daarom heb ik Gods Geest hard nodig voor wijsheid en vrijmoedigheid om op een goede, positieve manier het misbruik van Gods naam aan te kaarten.

Toen Jezus aan het kruis gespijkerd werd, zei  Hij luid en duidelijk: ‘Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.’ Het hielp weinig, het spotten ging van alle kanten gewoon door. Op twee (Misdadiger 2 en Centurio) of drie (Simon van Cyrene) na. Zou mijn eerste reaktie dan moeten zijn als ik de mogelijkheid heb om iets van vloeken te zeggen: ‘Ach, het geeft niet, want ze weten niet wat ze doen.’Waar ben ik dan echt bang voor?

Een ZEGEN voor KINDEREN aan het AVONDMAAL

Hoe betrek je de kinderen in de kerk bij het Avondmaal? Eén van de manieren waarop dat in de Gereformeerde Kerk van Assen-Peelo gebeurt is, door de kinderen die mee naar voren komen, in Jezus’ naam te zegenen. In onze gemeente vieren we het Avondmaal regelmatig doordat alle avondmaalsgangers in een lange rij naar voren komen om het brood en de wijn als betrouwbare tekenen van Christus’ lichaam en bloed uit de hand van de predikant en de ouderling te ontvangen en met de mond te genieten (zoals het wat plechtig  in Zondag 28:77 van de Heidelbergse Catechismus staat).

Bij die gaande viering nemen veel ouders hun kinderen mee als ze naar voren komen. Die kinderen krijgen dan ieder persoonlijk van mij een hand op hun voorhoofd. Als ze tenminste niet helemaal achter papa of mama schuil gaan en zelf zo ver mogelijk uit mijn buurt proberen te blijven. “Waarom doe je dat?” hebben verschillende mensen mij al eens gevraagd. “Omdat de kinderen er ook echt bij horen” is dan mijn reactie. In het buitenland is de gaande viering in grotere kerken heel gebruikelijk. Het komt daar regelmatig voor dat ouders dan ook hun kinderen, meestal tot een jaar of tien, mee naar voren nemen. De dominee legt al die kinderen de hand op en zegent hen in de naam van Jezus. Toen ik van dat gebruik hoorde, dacht ik: dat is heel bijbels. We kennen allemaal het verhaal van de ouders die hun kleine kinderen bij Jezus brengen omdat ze graag willen dat Hij hen zegent. De leerlingen vinden dat niet nodig, maar onze Heer zegt nadrukkelijk: ‘Laat de kinderen bij Me komen, houd ze niet tegen!’ (Mk. 10:14) Daarna zegent Hij ze door hen de handen op te leggen.

Bij het Avondmaal deelt Jezus Christus Zichzelf uit in brood en wijn. De volwassen gelovigen die zichzelf kunnen en horen te beproeven (1 Kor. 11:28), mogen het tot versterking van hun geloof vieren. Maar kinderen zijn net zo hartelijk welkom bij Jezus. Ze worden door hun ouders meegenomen naar de zondagse samenkomsten. Ze worden regelmatig aangesproken op hun niveau. Vaak komen ze bij de doop ook naar voren, zodat ze goed kunnen zien wat er gebeurt als de Drie-Enige God zo’n baby’tje door de doop opneemt in zijn verbond. In onze gemeente komen kinderen regelmatig met huAvondmaal kinderen zegenen Jezusn papa en mama mee naar voren bij de viering van het Avondmaal. Van mij krijgen ze dan een hand opgelegd. Niet boven hun hoofd, maar echt op hun hoofd. Dan zegen ik ze in de Naam van Jezus, die ook voor hen de Goede Herder is die zijn leven heeft gegeven voor alle schapen van de kudde, groot en klein. Dat mogen ze zien bij de schaal en bij de beker. Dat mogen ze ook zelf ervaren – nog niet door te eten en te drinken tot zijn gedachtenis, maar wel door zijn zegen te ontvangen door de handoplegging. Ik spreek die zegen meestal zachtjes uit. Soms zelfs helemaal niet. Het gebaar zelf is al veelzeggend genoeg. Als het maar begrepen en uitgelegd wordt. Dat kan op andere momenten en plaatsen. Het is vooral een taak voor papa en mama. Zo is het Avondmaal ook tot versterking van het geloof van de kinderen van de gelovigen. En wat ik zo mooi vind is: het gebeurt steeds vaker in onze gemeente, dat ouders hun kinderen meenemen.

Kinderen aan het Avondmaal?

Misschien is iemand benieuwd naar de vraag: mogen kinderen het Avondmaal ook echt meevieren? Daar ga ik hier geen uitvoerig antwoord op geven. We hebben als Gereformeerde Kerken altijd de lijn gehanteerd: Doop –> Belijdenis –> Avondmaal. En als iemand op latere leeftijd tot geloof komt, is de volgorde Belijdenis –> Doop –> Avondmaal. Die volgorde is volgens mij op grond van de Bijbel de meest logische. Er zijn predikanten (en anderen) in onze kerken, die voor de lijn Doop –> Avondmaal –> Belijdenis kiezen en daarom ook de kinderen van de gemeente willen toelaten aan het Avondmaal. Ik denk dat die lijn vanuit de Bijbel ook te onderbouwen is. Wat bijbels gezien volgens mij niet kan is de lijn Avondmaal –> Belijdenis –> Doop. Tot mijn stomme verbazing merkte ik een tijd geleden, dat dit in sommige evangelische kerken toch praktijk is. Daar worden de kinderen gewoon uitgenodigd om het Avondmaal mee te vieren. Iemand uit zo’n gemeente verdedigde dat met de opmerking: ‘Waar staat in de Bijbel dat er 2009-03 Avondmaaleen leeftijdsgrens aan het Avondmaal verbonden is? Ook kinderen kunnen oprecht geloven dat God van ze houdt en dat Jezus voor hun zonden stierf. En mogen dus het Avondmaal meevieren.’ Jazeker mag dat. Maar dan moet je ook consequent zijn. Als kinderen hun geloof kunnen belijdenis, horen ze allereerst gedoopt worden. Ook daar staat in de Bijbel geen leeftijdsgrens voor. Integendeel, in het Nieuwe Testament worden complete gezinnen gedoopt als een volwassen tot geloof komt en belijdenis doet. Want de Doop is bijbels gezien het teken van de inlijving in de gemeente van Jezus. Daarna geeft Jezus ook nog het Avondmaal: het teken van de onderhouding van de band met Jezus. Wie gelooft en zich laat dopen viert daarna in de christelijke gemeente het Avondmaal met elkaar. Dan wringt het in mij ogen behoorlijk als je zegt: bij ons in de gemeente dopen we geen kinderen, maar we laten ze wel alvast het Avondmaal meevieren. Is het Avondmaal dan niet voor de kinderen bestemd? Nee, nog niet helemaal. Maar gelukkig zijn er genoeg manieren te bedenken om de kinderen toch bij het Avondmaal te betrekken zonder ze toe te laten. Door ze bijvoorbeeld te zegenen in Jezus in Naam en de handen op te leggen!

VRIJGEMAAKT? – 2

De bundel ‘VVrij gemaakt boekrijgemaakt?’ blijft de tongen losmaken en de pennen in beweging zetten. Eerder verwees ik al naar de reaktie van collega Joost Smit op zijn weblog (zie Vrijgemaakt?). Nu heeft collega Klaas van den Geest er op zijn weblog pastorklaas.nl een analyse aan gewijd die op z’n minst verrassend genoemd kan worden. Een heel eigen insteek dus, die ik graag hieronder in z’n geheel herblog.

Vrijgemaakt?

Kunstenaars

Opmerkelijk goed geschreven, dat boekje Vrijgemaakt? Allemaal begaafde schrijvers, jonge mannen en vrouwen die kunnen boetseren met woorden. Een aantal auteurs zijn domineeskinderen, een aantal is theoloog. Veel domineeskinderen blijken opvallend veel te houden van boeken, kunst en muziek. Is er een verband tussen domineesgezinnen en kunst/muziek/literatuur? Volgens een onderzoek wel. Heel wat pastorieën puilen uit van de boeken. In heel wat predikantsgezinnen zijn kunst en muziek geliefd. Ik heb genoten van de manier waarop sommige bijdragen geschreven zijn. De mooiste trouwens van mensen uit andere studies en achtergronden. Het zijn bijna allemaal verhalenvertellers, deze getalenteerde dertigers.

Wij zijn cultureel of we zijn niet

Deze waarnemingen zijn volgens mij niet onbelangrijk als je dit boek wilt begrijpen. Wat me treft is een grote sensitiviteit voor de cultuur: als leefwereld van nu, maar ook zoals die het meest sprekend tot uiting komt in allerlei kunstvormen. En daarmee houden deze jonge mensen ons wel een spiegel voor. Hebben we als gereformeerden voldoende culturele antenne? En zijn we ons er van bewust hoe sterk we als kerk en gelovigen zelf door de cultuur beïnvloed zijn?

Want in dit boek komen mensen aan het woord, die zich in de ‘vrijgemaakte’ wereld van de cultuur afgesloten hebben gevoeld. En die dat als beklemmend en beperkend hebben ervaren. En terecht: want als we de menselijke cultuur buiten sluiten, sluiten we onszelf buiten. Of anders gezegd: we ontkennen of amputeren dan zelfs een stuk van onszelf.

Dat lijkt een deel van de boodschap te zijn van dit boek. Hier zijn mensen aan het woord, die niet de ruimte voelden om echt te léven. Dat leven zelf werd afgeknepen, kon zich niet ontplooien, ze konden geen vleugels uitslaan. Confronterend en veelzeggend vind ik bijvoorbeeld wat Arjen schrijft. Hij zegt: de oude routekaart bracht me nergens. Niet bij God, niet bij mijn eigen diepste zoeken. Het was een bril die iedereen moest opzetten en waardoor iedereen hetzelfde zou zien. Maar wie ben je dan zelf, wat is jouw identiteit? Is er ruimte voor een weerwoord, voor anders denken, anders geloven?

Je kunt dit boek heel makkelijk en snel afdoen. Als je het als een aanval ervaart op jouw eigen kerkelijke verleden en identiteit. Maar je kunt het ook als een kans zien. Dan ga je op zoek naar wat hier eigenlijk aan de orde wordt gesteld. En dat is wat mij betreft deze vraag: hoe hebben we ons als ‘vrijgemaakten’ opgesteld in verhouding tot de cultuur van onze tijd? Hebben we die cultuur niet vaak ontkend? Hebben we die culturele omgeving niet vaak onvoldoende onderkend, ook bij onszelf? Hoe vaak is onze eigen waarneming niet voor waarheid aangezien en gepresenteerd? Hoe sterk hebben we niet een eigen wereld geschapen, los van de echte, daarvan afgescheiden?

Vroeg of laat krijg je daarvan de rekening gepresenteerd. Als je een binnenwereld creëert, en de buitenwereld als bedreigend ziet of als slecht kwalificeert, dan voed je een generatie op zonder de tools om zelfstandig in die wereld te staan. Je gaat een taal spreken en een cultuur in stand houden, die geen werkelijk contact maakt met die buitenwereld. Dat is gebeurd, dat hebben we gedaan. Er was onvoldoende oog voor de cultuur als werkelijkheid. Ook een werkelijkheid waarvan we zelf deel uit maken. Cultureel zijn we allemaal: we maken er deel van uit. Dat is inherent aan het bestaan zelf: wij zijn cultureel of we zijn niet…

De kerk vormt daarop geen uitzondering. Maar ons idee daarover was anders, we dachten die cultuur buiten te kunnen houden.

Omgaan met je opvoeding

Ik zeg: we. Want ik kan me niet boven die kerk verheffen. Ik maak er deel van uit, heb er zelf deel aan. Ook al heb ik zelf het gevoel, dat dit boek ook geschreven had kunnen zijn door vijftigers. Door de vaders en moeders van deze jonge ‘vrijgemaakten’.

Dat werd mij duidelijk uit onder andere het verhaal van Bettelies. Bevlogen ouders, begonnen met E&R, open gezin, alles bespreekbaar, kritisch op de kerk maar wel met God in hun leven. Hoeveel van die vijftigers zijn er niet, die ook worstelen met die kerk? Ze waren zelf al het product van de sixties, kritisch tegenover gezag en establishment. Zij voelen ook al hun leven lang, maar zeker vandaag de dag, dat we iets in stand hielden wat onhoudbaar was. Die kerk zit in onze bagage, in onze genen mag je wel zeggen.

En dat is meteen ook een stukje zwakte van dit boek. Een deel van de schrijvers is uit deze kerk weg gegaan. Ze staan er nu buiten, wilden het van zich afschudden. Ik erken dat dat soms moet, om zo dat verleden te verwerken en ergens in je leven neer te zetten.

Maar het verschil met veel vijftigers is, dat die vijftigers blijven. Ik voel dat zelf ook: eindeloos kritisch op de kerk, tegelijk eindeloos loyaal eraan. En daar scheiden de wegen. Die dertigers, ook mijn eigen kinderen, maken juist hier een andere keus. Ze zijn kritisch. Maar niet meer loyaal. Tenminste, niet loyaal aan zoiets institutioneels als de kerk. Wel loyaal aan zichzelf. Authentiek willen ze zijn: kernwoord van de postmoderniteit. En dat is mooi: als je kritisch bent, moet je eerlijk zijn, jezelf volgen. Je denkt niet van boven naar beneden, maar van binnen naar buiten. Je aanvaardt geen waarheid of normativiteit die van bovenaf wordt opgelegd. Je wilt er zelf achter staan, zelf kiezen, vanuit je eigen individualiteit waarheid vinden en ervaren.

En dus nemen ze afstand. En al snap ik die stap en keuze, hier heb ik mijn vragen. Vragen die voortkomen uit een psychologische waarneming. Uit de ontwikkelingspsychologie weten we, dat een mens zijn of haar opvoeding zelfstandig moet verwerken. Je zoekt een bepaalde positie los van of tegenover je ouders. En dus moet je ook een eigen verhouding vinden met wat je ouders je hebben meegegeven. En als de kerk van die opvoedingsbagage een dominant bestanddeel is, moet je dus ook zoeken naar een eigen relatie dáármee.

Heel veel mensen, ook vijftigers en zestigers, zijn zich daar nauwelijks van bewust. In pastorale contacten merk ik dat maar al te vaak. Ervaringen met je ouders, de opvoeding die je meekreeg, de plek van de kerk en het geloof daarin, die zijn veelsoortig en veelzijdig. Anders gezegd: die ervaringen zijn gemengd, zowel positief als negatief. Er zit ook veel pijn tussen, vervreemding, eenzaamheid, gevoelens van afwijzing. Hoe geef je die een plek binnen je eigen identiteit? Hoe vind je een balans, hoe krijg je vrede met je verleden, hoe integreer je die bagage in wie je nu bent?

Die worsteling zie ik in dit boek. Maar die zoektocht maken we dus allemaal. Waar komt de onvrede in mijn leven vandaan? Wat maakt dat ik een gat voel, of pijn, iets wat zeurt en schrijnt? En daar komt dan wat ik zie als een denkfout: velen zien dan de kerk als de bron van hun pijn. Ze gaan die kerkelijke cultuur zien als de oorzaak van hun gevoelens van eenzaamheid en onvrede.

Het zou voor sommigen wel eens heel verhelderend kunnen zijn, als ze die onvrede niet op de kerk projecteren maar in gesprek gaan met hun ouders. De kerk is maar een deel van je bagage, zij het vaak een dominant stuk. En een mens moet in gesprek komen met zijn eigen verleden. Dat moet een gesprekspartner van je worden, om niet te zeggen een vriend.

Ik geef toe: dat is een mooi ideaal. Vaak komen we niet verder dan afstand nemen van dat deel dat zeer doet, en het diep weg te stoppen. Om er hopelijk ooit nog weer in je leven een nieuwe relatie mee te vinden. Dat wens ik deze dertigers toe: een stukje afstand om niet de pijn maar de waarde te kunnen gaan zien van dat kerkelijke verleden. Misschien vind je er toch iets kostbaars in, iets wat je met liefde in je hart sluit. Misschien dat je achter je ouders iemand anders gaat herkennen.

Seks

En dan nog iets opvallends in het boek: seks. Als we de cultuur ontkennen, ontkennen we het leven. Als we het leven en onszelf ontkennen, ontkennen we ook onze lichamelijkheid.  En dus onze seksuele gevoelens.

In enkele bijdragen valt die onbalans , of misschien zelfs fascinatie met seks op. Ook alweer zo herkenbaar, moet ik onmiddellijk zeggen. Vijftigers zullen in hun eigen leven nog veel meer die ambivalentie herkennen ten opzichte van hun lichamelijke gevoelens. De boze wereld moest buiten blijven, maar het boze vlees was binnen. En daar moesten we maar mee in het reine zien te komen. Zonder enige begeleiding, zonder werkelijk gesprek erover. Als je zelf niet hebt leren praten over seks, heb je vaak ook niet geleerd het werkelijk te accepteren. Ook alweer zo’n psychologisch dingetje. En als je niet hebt geleerd er mee om te gaan, worden die onbeheersbare gevoelens al gauw geduid als duister en ‘zondig’.

Wat geef je dan door aan de volgende generatie? Een generatie die opgroeit in een wereld waarin seks net zo gewoon bij het dagelijkse leven hoort als eten en drinken? Hoe die generatie dat heeft ervaren lees je hier in meerdere bijdragen in het boek. De één na de ander is op zoek naar bevrijding uit een sfeer van geheimzinnigheid en beklemming. Onze culturele emancipatie is ook een lichamelijke bevrijding. In enkele bijdragen lijkt dat te leiden tot een pendelbeweging naar de andere kant: eindelijk vrij, leef je leven, grenzeloos!

Ook hier kan ik niet anders dan constateren, dat we een onbetaalde rekening gepresenteerd krijgen. We hebben over seksualiteit vooral gesproken in Hooglied-termen. Maar hebben we echt intimiteit en tederheid laten zien? Dat je van je lichaam en elkaar aan het genieten bent? En ook de keerzijde: zien we ook de duistere kant, het stukje pijn en eenzaamheid dat met seksualiteit verbonden is, onder ogen? Klinkt dat door in de manier waarop we daarover iets doorgeven?

Anders zijn die prachtige Hooglied-woorden niet meer dan verheven verbaliteit. Zonder werkelijkheidswaarde. De dertigers prikken daar doorheen: wees authentiek, wees jezelf.

Kerk waarheen

Lammert Kamphuis ziet de GKv als een laatste bolwerk van de verzuiling. Ik herken dat niet zo: er is al lang geen ‘groot verhaal’ meer. Dat wij dé kerk zijn, de enige, daarmee hebben we al lang gebroken. Dat begon al af te brokkelen in mijn studietijd, de jaren ’80 vorige eeuw. Toen hadden voor het eerst enkele aanstaande predikanten de euvele moed om op een kerkelijk examen te zeggen: ik weet niet of Paulus alleen aan de GKv een brief zou schrijven. Dat leidde toen nog tot afwijzing, je moest het examen overdoen om kandidaat (proponent) te kunnen worden. Maar het hek was van de dam, het was al niet meer te houden.

Nogmaals, daarmee ontken ik beslist niet dat wij die exclusiviteit in onze genen dragen. Zelfs als je er zelf niet aan bijgedragen hebt, heeft die sfeer nog lange tijd doorgewerkt, als een benauwende etensgeur die nog dagenlang in huis blijft hangen. In die zin moet je opnieuw naar die vijftigers en zestigers kijken. Daaronder vind je nog steeds mensen die in die wereld ondergedompeld zijn geweest en het nog in zich dragen. En soms is dat trekje ook in de kerk echt nog wel vrij prominent te voelen. Jongere generaties storen zich daaraan en ervaren die sfeer in de kerk als vervreemdend. Waar het nog sterk aanwezig is, ervaren ze de kerk zelfs als een vijftig-plus-instituut.

Toch denk ik, dat die vijftigers ook een generatie zijn die de transitie hebben ingeluid. Ze hebben bakens verzet. Alleen hebben ze dat nog voorzichtig gedaan, wilden ze het lijntje niet breken. De nieuwe generaties hebben daarin minder scrupules, ze gaan meer voor zichzelf. Dat bedoel ik zeker niet als een oordeel, misschien bewonder ik ze daarom wel juist. Wat ik niet deed en doe, doen zij wel. Ik heb veel respect voor de huidige generatie jonge theologen, mensen als Reinier Sonneveld en Rikko Voorberg. Maar het zijn wel theologen buiten of op de rand van de kerk. Ik herken hun zoektocht, existentieel. Ze raken heel duidelijk snaren bij mij. Maar ik voel me nog te zeer verbonden met de kerk om daar buiten te gaan experimenteren. Hun 7x7christendom is radicaal, maar durf ik het aan om het initiatief te nemen onszelf opnieuw uit te vinden?

In die zin daagt dit boek me uit. Want ‘gewoon doorgaan’ is geen optie meer. Intelligente, getalenteerde en hoogopgeleide jongeren laten ons dan ver achter zich. Wat overblijft zijn ja-knikkers en aardige mensen met grijs haar. En dan hebben we toch echt een generatie verloren.

Wat zou onze Heer dan willen?

ALLEEN EEN OEN LOOPT MET EEN POMPOEN – over Halloween en Sint Maarten

Halloween rukt op. Op TV kun je zien hoe kinderen zich als skelet verkleden of zich met bebloede mond en rooddoorlopen ogen laten schminken. En ook sommige volwassenen gaan helemaal op in dit nieuwe fenomeen. Sommige kapsalons varen er wel bij. Bij het zien van al die lugubere beelden kom ik al snel tot de konklusie: Halloween is drie keer niks. Ook vraag ik me in alle ernst af wat voor toegevoegde waarde al die doodsmaskers enz. hebben voor de kinderen die op dit feest met een uitgesneden verlichte pompoen langs de deuren gaan om daarmee wat snoep op te halen.

Nu zijn er christenen, die Halloween heel erg occult en satanisch vinden. De vereniging Bijbel & Onderwijs heeft bijvoorbeeld een brochure uitgegeven met als titel ‘Halloween, mij niet gezien’. Die brochure is digitaal te lezen zien op http://bijbelenonderwijs.nl/occult-en-licht/3979/. Daarin staat, dat de pompoen van Halloween vroeger bij de Kelten symbool stond voor de dolende ziel en gebruikt werd door mensen die sympathieën hadden voor satanisten. Halloween is een poging om de Keltische goden te doen herleven en wie met Halloween snoepjes uitdeelt aan kinderen die verkleed met een pompoen aan de deur staan, brengt in feite een offer aan de afgoden en komt in kontakt te staan met boze geesten. Dan ga je in tegen wat Paulus tegen de christenen in Korinte zegt: “Heidenen offeren aan demonen en niet aan God, en ik wil niet dat u één wordt met demonen.” (1 Kor. 10:20).Halloween pompoen

Dit vind ik moderne bangmakerij. Zo schrijft de Bijbel toch niet over de invloed van de duivel. Mozes waarschuwt de Israelieten in Deuteronomium 18:9-15 er nadrukkelijk voor, om geen kontakten te leggen met geesten om signalen te ontvangen over hoe jouw toekomst eruit zal zien of om te horen hoe het met je overleden moeder is. Dan stel je namelijk je vertrouwen op iemand anders dan op God Zelf, die mij heeft laten weten, dat Hij via Jezus en in de Bijbel tot mij spreekt. Als ik dan toch te rade ga bij vage raadplegers en wazige adviseurs, maak ik mij schuldig aan occulte vormen van afgoderij, waarvan Mozes in Deut. 18:14 nadrukkelijk zegt: ‘U moet volledig op de HERE, uw God, gericht zijn. Ook al luisteren de volken in het land dat u in bezit zult nemen wel naar wolkenschouwers en waarzeggers,  ú heeft de HEER, uw God, dat verboden.’

Maar occultisme is niet, dat je overal achterdochtig de afkomst van moet uitpluizen of het misschien in een ver verleden oorspronkelijk gebruikt werd om boze geesten op een afstand te houden (voor meer voorbeelden: zie mijn preek over Deut 18:13-15 onder ‘Preken – OT’  of klik hier). En dus laat je je vandaag de dag nog steeds in met boze geesten, als je meedoet met Halloween. Onzin, denk ik dan. Want wat kan een pompoen mij doen? Het ergste van Halloween is niet, dat het occult zou zijn, maar dat het als amerikanisme in de plaats van ons eigen Sint Maarten komt, net zoals die geëmigreerde bolle-buik-Sinterklaas die tegenwoordig 20 dagen te laat met het verkeerde vervoermiddel de echt Sint concurrentie aandoet.

In het Nederlands Dagblad van 29 oktober 2019 vindt Eline de Boo de reakties van christenen griezeliger dan Halloween zelf (lees hier). Ze heeft in Amerika gewoond, ze zegt zelfs: ‘Terecht wordt er in verband met Halloween gewaarschuwd je verre van het occulte te houden’, maar verder is Halloween gewoon een vrolijk kinderfeest waar je je kinderen met een gerust hart aan mee kunt laten doen. En dus kan je kind zich verkleden als Maarten Luther en kun je zelf koekjes met ‘Sola Fide’ en ‘Sola Gratia’ gaan uitdelen. Ik vind dat in de Nederlandse setting erg overdreven, net als aantal jaren geleden de suggestie dat je lolly’s met een kaartje ‘Jezus is het licht van de wereld’ of ‘Jezus is sterker dan de dood’ kunt gaan uitdelen. Op zich is dit natuurlijk leuk en aardig bedacht en zeker beter dan het advies van Bijbel & Onderwijs om kinderen met Halloween hun waarschuwende folder mee te geven. Maar voor mij persoonlijk is de lol van dit overgewaaide cultuurfeest er wel af nu het zulke lugubere trekken gekregen heeft zoals ik op TV zag. Als je je bewust bent van de heidense oorsprong van het feest en op je laat inwerken wat het met kinderen doet als ze op deze manier kennismaken met de wereld van geesten, bloed en dood, zou ik als christenouder tot de conclusie komen: hier laat ik mijn kinderen niet aan meedoen en zelf doe ik ook niet mee aan deze overgewaaide Amerikaanse hype.

Sint MaartenIk heb een veel beter idee! Laat de rest van Nederland ook Sint Maarten gaan vieren! Immers: ‘Elf november is de dag dat mijn lichtje, dat mijn lichtje; elf november is de dag, dat mijn lichtje branden mag.’ En in die delen van het land (zoals Groningen, Drenthe, West-Friesland, Texel, Noord-Brabant, Limburg en Belgisch Vlaanderen) waar de kinderen met Sint Martinus altijd al langs de deuren gaan met hun lampion of uitgeholde voederbiet is het helemaal makkelijk. Hang met Halloween een kaartje op de deur waarop staat: Kom op 11 november met Sint Maarten maar weer terug met een lampion en een liedje, dan krijg je dan wat lekkers. Want alleen een oen loopt in gebieden waar Sint Maarten gevierd wordt met een pompoen.

Hoewel: sinds wij weer in Assen wonen, krijg ik echt de kriebels van het meest afgrijselijkste Sint-Maartenlied dat ik ooit gehoord heb, namelijk: Mickey Mouse ging met z’n lichtje lopen, alle deuren vlogen open, Mickey Mouse zei ‘dank u wel’ en ging snel naar de volgende bel.’ Aarrgghh … zelfs Sint Martinus is door Walt Disney verpest! Doe mij maar een echt Sint Maarten liedje. Zoals deze, uut Grunnen:

Mien lutje lanteern, ik zai die zo geern.

Doe daanst deur de stroaten, dat kenst ja nait loaten.

Mien lutje lanteern, ik zai die zo geern.

Mien lutje lanteern, ik zai die zo geern.

Vandoag gai ik lopen, mien laidje verkopen.

Mien lutje lanteern, ik zai die zo geern.

Tot 10 tellen in geloof – over discipelschap en leerling van Jezus zijn

Het motto van een echte christen zou je als volgt onder woorden kunnen brengen:

GOD HEB IK LIEF!

Daarom wil ik als kind van God

1.  gehoorzaam zijn aan al zijn geboden,

2. in alle omstandigheden op Hem vertrouwen en

3. in alle situaties Jezus volgen.

Maar hoe doe je dat? Op mijn weblog heb  ik de pagina ‘Tot 10 tellen in geloof’ toegevoegd. Dat is de titel van een projekt met als ondertitel: samen oefenen om leerling van Jezus te zijn. Onder dit thema ben ik in de zomer van 2014 begonnen aan een langere serie preken over het volgen van Jezus aan de hand van de Tien Geboden. Veel christenen vinden het volgens mij namelijk best moeilijk om in de praktijk vorm te geven aan hun geloof. Je bent lid van de kerk en voor de rest hang je maar wat achterover. Dat is niet wat Jezus van je wil! Daarom wil ik samen met mijn gemeenteleden in Assen-Peelo tot 10 tellen in geloof. Zo willen we samen oefenen om op tien hele konkrete manieren leerling van Jezus te zijn in het leven van elke dag. Want Jezus roept in de Bijbel niemand op om een goede kerkganger te zijn. Hij roept de mensen die in Hem geloven op om een leerling van Hem te worden en Hem te volgen. Hij is Zelf het voorbeeld en zegt tegen ons: ‘Leer het van Mij en leer het aan elkaar.’ Dat kan heel mooi aan de hand van de Tien Geboden.

Ik kom er eerlijk voor uit, dat ik mij voor dit projekt heb laten inspireren door Sake Stoppels en Jos Douma. Zij schreven allebei een artikel over discipelschap en leerlingen van Jezus zijn in het blad ‘Dienst’ van ‘lente 2014’ (Stoppels) en ‘zomer 2014’ (Douma). Van Sake Stoppels komt de opmerking “Jezus roept leerlingen, geen kerkmensen.” En Jos Douma doet de suggestie om aandacht voor discipelschap te koppelen aan Gods Tien Woorden. Hij bracht mij op het idee om dit projekt ‘Tot 10 tellen in geloof’ te noemen.  Zelf is Jos Douma in Zwolle ook begonnen dit uit te werken. Hij heeft er zelfs een speciale blog-site voor opgestart onder de naam http://ikteltottien.wordpress.com/. En bijgaand plaatje dat ik regelmatig gebruik is de omslag van een boekje van A.F. Troost over ‘de Tien Geboden toen en nu’ met deze titel.

Tot 10 tellen - plaatjeVoor het overige heb ik helemaal mijn eigen spoor getrokken in het opzetten van dit projekt. Op de projektpagina staan thema-preken, kindmomenten, leesroosters, gespreksvragen en ander materiaal. Laat iedereen zich vrij voelen om er naar believen gebruik van te maken. Reakties en aanvullingen zijn uiteraard zeer welkom, evenals een gezonde diskussie voor wie de insteek minder geslaagd vindt.

Op de site van Jos Douma vind je ook een definitie van discipelschap. Volgens hem is het kenmerk van een leerling van Jezus kort gezegd:  Jezus vertrouwen en volgen. Hij werkt dat uit in een hele lange en een minder lange definitie van discipelschap. Ik heb die definitie nog wat verder ingekort. En ik heb er ook een kernachtige motivatie boven gezet, ontleend aan Psalm 116. Die ‘definitie van een christen’ heb ik de afgelopen maanden steeds in de preken gebruikt. Maar ik stap nu van het woord ‘definitie’ af. Het is me te kil en teveel vanaf de buitenkant geredeneerd. Als je echt leerling en volgeling van Jezus Christus wilt zijn, zul je deze ‘definitie’ eerder als statement en slogan gebruiken. Daarmee breng je je verlangen onder woorden. Het is dus geen definitie van een echte christen, maar eerder het motto waarmee je in het leven staat:

GOD HEB IK LIEF!

Daarom wil ik als kind van God

1.  gehoorzaam zijn aan al zijn geboden,

2. in alle omstandigheden op Hem vertrouwen en

3. in alle situaties Jezus volgen.

VERLAAT DE GEVANGENIS ZONDER BETALEN – over de uitwerking van de doop

Ik moet iets opbiechten. Ik schaam me er wel een beetje voor, want het is eigenlijk niet zo mooi. ‘t Is alweer zo’n 30 jaar geleden. Toen eh … toen ik 18 jaar was. Ja, toen heb ik een tijdje gezeten. Echt waar. In de gevangenis. Ik weet nog heel goed, dat m’n broer en zus allebei tegen me zeiden: ‘Het is je eigen schuld, Ernst, dat je in de gevangenis zit. Wij gaan je niet helpen. Je moet zelf maar weer zien, hoe je eruit komt.’ 

Daar zat ik dan. In de gevangenis. Weet je hoe ik daar terecht gekomen was? Nou, ik was in Groningen, want daar ben ik geboren. In de stad. Op de Grote Markt. En toen kwam ik die politie politie-agent tegen. Die stuurde me direkt naar de gevangenis. Ja, ik moest er meteen naar toe. Want ik had 7 gegooid. Met Monopoly. Vanaf de Grote Markt kom je dan  meteen op ‘Ga direkt naar de gevangenis’. Toen moest ik betalen – 5000 gulden. Anders mocht ik er Monopoly ga direktniet uit. M’n broer en zus Monopoly slechts op bezoekde wilden niet voor me betalen. En ik had geen geld meer. Maar gelukkig had ik nog wel die kaart, je weet wel: ‘Verlaat de gevangenis zonder te betalen.’ Die heb ik meteen ingeleverd. Dus mocht ik de volgende beurt gewoon weer meedoen.

In zijn eerste brief vertelt Petrus iets over de doop. Hij zegt in hoofdstuk 3 vers 21:

Door het water van de doop word je nu gered, want  de doop is een vraag aan God om een zuiver geweten. Hierom kun je vragen dankzij de opstanding van Jezus Christus.

Doop Inée Oosterhof

Petrus vergelijkt hier de doop met het Monoplykaartje ‘Verlaat de gevangenis zonder te betalen.’  Want elke keer als ik zonde doe, ben ik in overtreding. Dan ga ik in tegen de regels van God. Dan stapel ik schuld op bij God. Dan heb ik Hem verdriet gedaan. En daar is de HERE boos over, over al die fouten die ik en iedereen maakt. Over al die zonde. Dus verdient iedereen straf. Straf van God. En die straf, dat is uiteindelijk dat ik dood ga. En naar de hel ga. Dat is, zegt Petrus, de gevangenis waar je terecht komt doordat je aldoor zoveel zonde doet.

Doop Mats de Jong

Als ik daar  goed over nadenk, kan ik daar bang van worden. Want eh … als God echt zo’n strenge straf geeft aan mensen die zondigen, dan zou ik ook wel eens in die gevangenis kunnen komen. Inderdaad. Maar denk dan eens aan het Monopoykaartje ‘Verlaat de gevangenis zonder te betalen’. Zo’n kaartje is er ook bij de HERE God! Jazeker, echt waar! Dat kaartje is mijn doop! Toen ik door mijn gelovige ouders gedoopt werd, zei God tegen mij: ‘Klein kind van mij, Ik haal jou uit de gevangenis van de zonde. Je hoort vanaf nu bij Mij. En je mag voor Mij gaan leven.’ Dat heeft de HERE God bij de doop tegen mij gezegd. En die doop blijf mijn leven lang geldig. Bij Monopoly moet je die Kans- of Algemeen Fonds-kaart weer onderaan de stapel leggen. Maar bij de doop is dat niet zo. Nee, ik mag je doop elke keer weer gebruiken. Elke keer weer, als ik zonde gedaan hebt. Als ik besef: ‘Nu zal God wel boos op me zijn. Nu kom ik vast niet in de hemel, maar als ik zo doorga, kom ik in de hel’ – dan denk ik aan mijn doop. Want toen heeft Jezus, mijn Heer, mij al toegezegd: ‘Ik was al jouw zonden weg. Je bent weer schoon voor God. Ik zorg in eigen Persoon voor, dat God in de hemel al jouw zonden vergeeft. Hier heb je het bewijs: je doop.’

Ja, bij mijn doop heeft Jezus dat echt tegen míj gezegd. En elke keer als ik gelovig denkt aan mijn doop, vergeeft God mijn zonden weer en mag ik bij Hem opnieuw beginnen. Elke keer weer mag ik mijn Vader in de hemel het kaartje van mijn doop laten zien. Dan mag ik de gevangenis meteen weer verlaten, zonder te betalen. Want Jezus mijn Heer heeft al voor mij betaald. Dat is de betekenis van de doop, zegt Petrus. Een gekregen, levenslang geldig. Ik mag altijd een beroep doen op Gods genade. Dankzij Jezus Christus, die voor mij stierf en in mij is opgestaan.

Verlaat de gevangenis - voorkantVerlaat de gevangenis - jpeg achterkant

 

 

 

 

 

Dit verhaal heb ik als kindmoment gehouden bij een preek over 1 Petrus 3:21. Deze preek verschijnt binnenkort op de pagina ‘Preken’ onder ‘NT’.

 

 

 

Bijbel in Gewone Taal uniek door zijn ongekende direktheid

De Bijbel staat weer eens op nummer 1 in de Top 10 van best verkochte boeken. En dat komt door de uitgave van de Bijbel in Gewone Taal. Die werd op 1 oktober gepresenteerd. Onze koning, Willem-Alexander, nam het eerste exemplaar in ontvangst.

Masterclass ‘Bijbel in Gewone Taal’

Speciaal voor predikanten en voorgangers houdt het Nederlands Bijbelgenootschap de komende maanden door heel het land zes thematische lezingen over De kracht van gewone taal . Ze noemen het een “masterclass”, waarin Matthijs de Jong (bijbelwetenschapper en vertaler in dienst van het NBG) uitlegt welke keuzes er allemaal gemaakt zijn om de Bijbel in Gewone Taal te vertalen. De eerste van deze zes “masterclass”-sessies vond afgelopen maandag, 20 oktober, in Groningen plaats. Ik heb die informatiedag  (van 10:30 – 15:00) als heel erg stimulerend gevonden. De bedoeling van de Bijbel in Gewone Taal (BGT) is heel goed uitgelegd en er was veel ruimte voor vragen over het gebruik van de BGT.

De drie B’s  van …

Wat is nu het geheim van de BGT? Dit: de vertalers hebben geprobeerd om zo goed mogelijk drie uitgangspunten optimaal te gebruiken. Dat zijn de drie B’s van Begrijpelijkheid, Betrouwbaarheid en Beleving.

Begrijpelijkheid

De BGT heeft als kenmerk, dat het bekende woorden gebruikt en korte zinnen. Bovendien zet de BGT die in een logische volgorde voor de lezer. En de BGT heeft in elk bijbelboek tussenkopjes geplaatst die aangeven waar het over gaat (zoals in de oude vertaling ook veel gebeurde, terwijl de nieuwe vertaling juist weinig tussenkopjes heeft). Ook heeft de BGT ervoor gekozen om voor massieve begrippen als ‘verbond’ of ‘gerechtigheid’ of ‘koninkrijk der hemelen’ andere, meer gewone woorden te NBG Bijbel in Gewone Taalgebruiken.  Zo wordt ingewikkeld jargon vermeden. Vergelijk maar eens de volgende twee passages met elkaar!

Eerst een vers uit Matteüs 14. Het gaat over de storm op het meer. In de NBV staat dit vers onder het kopje Overvloed aan brood, gebrek aan geloof (Mat. 14:13-36). In de BGT staat dit vers onder het kopje Jezus loopt over het water (Mat. 14:22-33).

24 De boot was intussen al vele stadiën van de vaste wal verwijderd en werd, als gevolg van de tegenwind, door de golven geteisterd. NBV 2004

24 De leerlingen waren al een heel stuk het meer op gevaren. Ze hadden tegenwind. De golven sloegen hard tegen de boot. BGT 2014

Het tweede voorbeeld komt uit 2 Korintiërs 8. Daarin gaat het over de christenen in Macedonië, die het financieel niet breed hebben. Hen haalt Paulus als voorbeeld aan voor de rijke gemeente in Korinte als het gaat om hun royale bijdrage aan de kollekte voor de arme, vervolgde christelijke gemeente in Jeruzalem.

3 Ik verzeker u dat ze naar vermogen hebben gegeven, ja, zelfs boven hun vermogen. 4 Uit eigen beweging hebben ze ons dringend verzocht mee te mogen doen aan de collecte, waarmee de heiligen in Jeruzalem zullen worden ondersteund. NBV 2004

3-4 Ze vroegen aan mij: ‘Mogen wij meedoen met de actie om de christenen in Jeruzalem te helpen?’ Dat wilden ze heel graag. Ze gaven alles wat ze konden missen. Ik kan wel zeggen: meer dan ze konden missen! En dat deden ze uit zichzelf. BGT 2014

Betrouwbaarheid

Tegelijk is de BGT echt vanuit de grondtekst vertaald. Er is dus goed gekeken naar wat er in het Hebreeuws (OT) en Grieks (NT) staat. Maar men heeft ervoor gekozen om sommige dingen uitvoeriger weer  te geven en om bijbelse beelden weer te geven op een manier die vandaag goed begrepen wordt. Dan klinkt het soms iets anders, maar de inhoud is bewaard gebleven.

Een mooi voorbeeld is te vinden in het verhaal van Naäman. Waarom nam Naäman twee zakken grond uit Israel mee terug naar Syrië, zoals in 2 Koningen 5 staat. Dat wordt in de BGT iets meer uitgelegd. In de NBV staat dit vers onder het kopje De genezing van Naäman (2 Kon. 5:1-27). In de BGT staat het onder het kopje Naäman wil voortaan de Heer dienen (2 Kon. 5:17-20).

17 Toen zei Naäman: ‘Als u werkelijk niets van uw dienaar wilt aannemen, wees dan zo goed mij twee muildierlasten aarde mee te geven. Ik verzeker u dat ik nooit meer offers zal brengen aan andere goden dan de HEER. NBV 2004

17 Toen zei Naäman: ‘Ik zie dat u echt niets wilt hebben. Maar als u het goedvindt, wil ik graag wat aarde meenemen uit dit land, zo veel als twee ezels kunnen dragen. Op die aarde wil ik een altaar bouwen om offers te brengen aan de Heer. Ik zal nooit meer offeren aan andere goden. BGT 2014

En als het om bijbelse beeldspraak gaat, die net iets anders wordt weergeven, is Psalm 36 een goed voorbeeld.

2 De zonde spreekt tot de goddeloze, diep in zijn hart  – angst voor God kent hij niet. 10 Want bij u is de bron van het leven, door úw licht zien wij licht. NBV 2004

2 Slechte mensen horen de stem van het kwaad diep in hun hart. Ze hebben geen angst voor God. 10 Van u komt het leven, van u komt het licht. BGT 2014

Beleving

Wat de BGT ook uniek maakt is, dat hij “een  ongekende direktheid” heeft. Daar is het vertaalteam misschien nog wel het meest trots op, als ik Matthijs de Jong mag geloven. En dat terwijl het wel een hele bijbelgetrouwe vertaling is. Een knap voorbeeld staat in Job 6:8-13. Vergelijk de beide vertalingen maar eens met elkaar!

8 Laat toch gebeuren waar ik om vraag, laat God mijn hoop verwerkelijken. 9 Wilde hij mij maar verpletteren, zijn hand terugtrekken, mijn levensdraad afsnijden. 10 Dat zou een troost voor mij zijn, ik zou opspringen, ondanks de pijn die hij mij niet bespaart, ik heb de woorden van de Heilige nooit verloochend. 11 Ik heb geen kracht meer om te wachten. Met welk doel zou ik alles verdragen? 12 Is mijn kracht de kracht van stenen? Is mijn lichaam hard als brons? 13 Vind ik nog ergens hulp? Zal ik ooit weer aanzien krijgen? NBV 2004

8 Laat toch gebeuren wat ik vraag, laat God toch doen wat ik wil! 9 Laat hij me vernietigen, laat hij een eind aan mijn leven maken! 10 Dat zou me troosten. Dan zou ik blij zijn, ondanks alle pijn. Ik ben hem toch altijd trouw geweest? Ik heb toch steeds gedaan wat hij van me vroeg? 11 Ik kan niet langer wachten op de dood, ik heb geen geduld meer. 12 Ik voel me zwak en moe. 13 Niets kan me nog helpen, het komt nooit meer goed met mij.  BGT 2014

Wat kunnen we met de BGT in de kerk?

Tijdens de masterclass zei Matthijs de Jong ook, dat de BGT een ander doel heeft dan de NBV die in 2004 is verschenen. De NBV is echt bedoeld voor gebruik in de kerkdiensten. Het heeft een toegankelijk karakter, maar je moet er wel moeite voor doen. Vergelijk het met een autoblad of een computerblad die niet voor de professionals, maar voor de geïnteresseerde lezer is bestemd. Daarin staat alles over auto’s of computers eenvoudig uitgelegd. Maar er blijven toch veel vaktermen in staan. Zo is dat ook met de NBV van 2004. Die is echt, vind ikzelf, stukken makkelijker te lezen dan de oude vertaling van 1951. Maar als je nu de NBV 2004 met de BGT 2014 vergelijkt, dan zie je dat het allemaal nog korter, krachtiger en direkter kan. En dat is voor sommige (ja,  misschien wel voor heel veel) mensen winst. Ook in de kerk. Eén vrijgemaakte collega zei, dat hij de BGT meteen ging gebruiken in dovendiensten. Een ander gebruikt de BGT al op catechisatie. En zelf denk ik, dat de BGT ook heel geschikt is voor aangepaste diensten voor verstandelijk gehandicapten, voor jeugddiensten en voor gewone kerkdiensten waar veel gasten aanwezig zijn die weinig kennis van het christelijk geloof hebben – bv. sommige doopdiensten, trouwdiensten of Jongeren hoofdenbegrafenisdiensten. En ik denk zeker dat in het jeugdwerk de BGT hele goede diensten kan bewijzen! Wat dat betreft zou ik het Nederlands Bijbelgenootschap adviseren, zo snel mogelijk een jongereneditie uit te brengen. En ook een dundruk-editie, want nu zijn er alleen nog maar twee vuistdikke edities verschenen, voor privégebruik en als huisbijbel.

Kijk ook eens op de site van de BGT

Tenslotte: het NBG heeft een prachtige site gelanceerd met heel veel informatie over de BGT. Daar moet je beslist eens gaan kijken! Surf dus snel naar www.debijbelingewonetaal.nl.

Ernst Leeftink

BGT: Bijbel in Gewone Taal (vanaf 1 oktober) & Bijbel Gewoon Toegankelijk (maar niet meer vanaf 15 oktober)

Het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG) kwam deze maand twee keer in het nieuws. Allereerst heel positief: op 1 oktober werd de Bijbel in Gewone Taal (BGT) officieel gepresenteerd. Aanstaande maandag, 20 oktober, ga ik in Groningen naar een zogenaamde Masterclass van het NBG over ‘de kracht van gewone taal ‘. Maar meteen daarna kwam het NBG negatief in het nieuws. Het NBG heeft vandaag namelijk de Nieuwe Bijbelvertaling van 2004 (de NBV) van de populaire, gratis te downloaden Bijbel App gehaald. Een onbegrijpelijke aktie, vind ik, die me nogal strijdig lijkt met het streven van het NBG om de Bijbel Gewoon Toegankelijk (BGT) te houden voor de mensen.

NBG Bijbel in Gewone Taal scheurkalenderIk schrijf deze blog hierover, omdat ik de volgend mail kreeg van een goede kennis. “Hallo Ernst, wist jij dat de Nieuwe Bijbelvertaling niet meer vrijgegeven is door het bijbelgenootschap om op de Bijbel app te mogen worden gebruikt! Om in te loggen bij het Nederlands Bijbel genootschap moet je lid worden à € 25 per jaar. Bij het vrije gebruik van de Bijbel app lag de drempel om de bijbel te lezen heel erg laag. Nu er voor betaald moet worden zullen velen dat niet meer doen. Het lezen van een bijbel word dus commercieel. Naast het lezen van een gewone bijbel maakte ik ook veel gebruik van de bijbel app. Ik vind dit zelf erg vervelend, dus wat moet de impact voor een niet-gelovige dan wel zijn die nieuws gierig is naar wat de bijbel leert.“

Ik heb het even nagekeken op de site van het NBG – www.bijbelgenootschap.nl. Daar is gisteren het artikel “Interactieve bijbelsite debijbel.nl gaat online” op geplaatst (klik hier). Daarin wordt uitgelegd dat  www.biblijanet.nl vervangen wordt door een nieuwe site met heel veel mogelijkheden. Die nieuwe site www.debijbel.nl is in z’n geheel beschikbaar voor donateurs van het NBG. Wie geen lid is, kan straks alleen de Statenvertaling, de NBG-vertaling van 1951 (binnen de GKV de ‘oude’ vertaling) en de NBV van 2004 bekijken. Omdat de NBV nu via de eigen website gratis ter beschikking komt, haalt het NBG deze vertaling nu van de gratis te downloaden Bijbel App af. Maar de motivatie is een hele vreemde! Allereerst wordt in het NBG-artiel omfloerst gezegd: “YouVersion heeft bekend gemaakt dat de Nieuwe Bijbelvertaling niet langer onderdeel is van de YouVersion app.” Kom op, denk ik dan, wees een kerel en zeg ronduit: “Wij hebben als Nederlands Bijbelgenootschap besloten om niet langer toe te staan datBijbel App de NBV gratis via de Bijbel App te lezen is.” Terwijl YouVersion het nieuws dus bekend gemaakt heeft, zegt het NBG, dat men zelf NBV van de Bijbel App verwijderd heeft, omdat “op de lange termijn een gratis app geen zekerheid biedt voor de ontwikkeling van nieuwe betrouwbare en betaalbare vertalingen.” Maar nog geen twee zinnen verder zegt het NBG:  “Twee jaar geleden was het voor ons een logische stap om de NBV beschikbaar te stellen via YouVersion.” En meteen daarna komt de aap uit de mouw: “Nu hebben we met debijbel.nl zelf de mogelijkheid om de NBV online beschikbaar te maken en bijbellezers te betrekken bij het werk van het Nederlands Bijbelgenootschap. Het maken van een betrouwbare vertaling vraagt tijd, deskundigheid en dus geld.” Hier komt de aap uit de mouw: het NBG wil meer donateurs. Daarom blijft de nieuwe website www.debijbel.nl niet gratis, zoals haar voorgangster www.biblijanet.nl. Dat kan ik begrijpen. Maar om deze reden wordt ook een logische stap die het NBG zelf twee jaar geleden bewust gezet heeft om de Bijbel Gewoon Toegankelijk te maken voor iedereen, zomaar ongedaan gemaakt. Dat vind ik echt een slecht beleid. De argumentatie dat de NBV voor iedereen beschikbaar blijft op de nieuwe website is een drogreden. Want een website gebruik je voor andere doeleinden dan een app op je mobiel, en bovendien is er niets veranderd: op de oude site was de NBV ook al gratis te raadplegen.

Erger nog vind ik, dat dit besluit  volgens mij op gespannen voet met één van de vier kerndoelen van het NBG (klik hier), namelijk nr. 2: De Bijbel beschikbaar stellen. En dit besluit werkt ook niet echt mee aan het bevorderen van kerndoelen 3 en 4: Begrip van de Bijbel bevorderen en De relevantie van de Bijbel laten ervaren. Als je bedenkt dat kerndoel 1 is: De Bijbel vertalen, heeft het NBG zichzelf op een 1 – 3 achterstand gezet. De Bijbel in Gewone Taal zette de score op 1 – 0. Maar door haar andere aktie is de Bijbel niet meer Gewoon Toegankelijk via een zeer relevante app (ook in de ogen van het NBG zelf). Dat levert drie dikke minpunten op, 1 – 3 dus. NBV 200 jaarHopelijk komt het jarige NBG terug snel op zijn besluit. En voor de rest laat ik de commentaren hierop, zoals de blog “De Bijbel achter een betaalmuur” van Wouter van der Toorn op www.creatov.nl en de reactie “Ook het evangelie kan niet altijd gratis zijn” van Marco van de Wetering in het Nederlands Dagblad van 15 oktober, voor wat ze zijn. Die zijn allebei wat kort door de bocht. Ik vind het vooral commercieel jojo-beleid van het NBG om zonder dat er iets wezenlijk veranderd is, de NBV van de veel gebruikte Bijbel App af te halen.

Waarom extra aandacht voor het Joodse volk? – n.a.v. de Israëlzondag en het appèl van Yachad

Yachad oudste broer‘Appèl op GKV – Joodse volk nu niet vergeten’ stond er op 2 oktober 2014 op de website www.gkv.nl. De kerkenraad van de GKV van Ommen-West en het bestuur Yachad, de organisatie ter bevordering van de evangelieverkondiging onder het Joodse volk die de GKV van Ommen-West in het leven heeft geroepen (www.yachad.nl),  vinden dat er binnen de vrijgemaakte kerken te vaak sprake is “van lauwheid in de houding tegenover het Joodse volk” en van “een gebrek aan bewustzijn van de diepe verbondenheid tussen kerk en Israël, zoals de Bijbel daarover spreekt.” Ook roept Yachad op om op de Israel-zondag (5 oktober a.s.) in de kerkdienst aandacht te besteden aan het joodse volk, onze oudste broer. Want hij is gevonden. Dus “… zullen we voor hem bidden?” – vraagt Yachad. Want “Evangelieverkondiging aan het Joodse Volk is immers een OPDRACHT  voor héél de kerk!  (Romeinen 11 : 28 – 32)– roept de website in vet, cursief en met hoofdletters uit. Ik voel me er wat ongemakkelijk onder. Niet alleen omdat ik gevraagd ben om elders aandacht aan de Israel-zondag te besteden en ik geen aparte preek hierover heb liggen. Nee, ik heb gewoon so-wie-so niet zoveel met het huidige Joodse volk, geloofsmatig gezien dan. Ik zal proberen uit te leggen waarom.

  1. In Psalm 87 is er sprake van, dat alle volken zich thuis gaan voelen in Sion. Niet in Jeruzalem als hoofdstad van het Joodse volk. Maar in Sion, de plaats waar de tempel staat. Sinds Pinksteren wordt duidelijk, dat de tempel van God daar is, waar mensen in de naam van Jezus bij elkaar komen en God aanbidden in Geest en in waarheid. Dat is de grote ommekeer in de heilsgeschiedenis, waar Petrus en alle apostelen enorm aan moesten wennen.
  2. Ik lees in Romeinen, dat je jezelf alleen een kind van onze vader Abraham mag noemen, wanneer je hem volgt in zijn geloof, ongeacht je afkomst. Sinds Pinksteren komen uit alle volken mensen tot geloof in Jezus Christus, de door God beloofde Messias naar wie Abraham uitkeek, en zo is Abraham ‘de vader van ons allen’, zegt Paulus.
  3. Gods volk wordt in Romeinen 11 vergeleken met een edele olijfboom die aan God gewijd is. Die olijfboom is het oude volk Israel. Maar die olijfboom wordt, net als de wijnstok, door God Zelf bijgehouden en gesnoeid. Vanaf Pinksteren worden er talloze takken van wilde olijfbomen op de stam geënt en worden er talloze natuurlijke takken van de olijfboom afgebroken. De reden is duidelijk: de edele olijfboom is, net als de wijnstok, geworteld in Christus. Wie in Hem gelooft, maakt deel uit van de edele olijfboom. Daarbij is er geen onderscheid tussen Joden en andere volken, zegt Paulus, want ze hebben allen dezelfde Heer. Als je niet geloven wilt in die Heer, terwijl je oorspronkelijk bij Gods volk hoorde, word je als tak afgebroken. En als je niet geloven wilt in die Heer word je, als je nog niet tot Gods volk behoorde, zeker niet op de stam geënt.
  4. Er zijn, zegt Paulus in Romeinen 9-11, enorm veel Israelieten die Jezus niet aanvaarden als Messias en Heer. Daarom zijn ze allemaal door God afgebroken en afgekapt van de edele olijfboom. Pas als ze weer tot geloof komen, worden ze opnieuw op de edele olijfboom geënt – Deo Volente.
  5. En in de rest van het Nieuwe Testament lees ik, dat er geen onderscheid is. Geen onderscheid binnen de ene gemeente die nu Gods volk op aarde is. En geen onderscheid in de opdracht van apostelen en christenen om het goede nieuws van Jezus Christus overal te brengen, te beginnen in Jeruzalem en dan verder tot aan de uiteinden van de aarde.
  6. Tenslotte zie ik dat God in zijn ondoorgrondelijke wijsheid al die afgekapte nog steeds bij elkaar gehouden heeft. Want het Joodse volk bestaat nog steeds. Na de opstanden tegen de Romeinen rond de eerste eeuwwisseling in diaspora en sinds 1948 in Israel als zelfstandige natie. Maar de staat Israel en het jodendom erkennen nog steeds Jezus Christus niet als Verlosser en Heer.

Dus voel ik me wat ongemakkelijk onder de oproep om vooral toch niet het volk Israel te vergeten, omdat “Israel ons in het Koninkrijk van God is voorgegaan” (citaat uit het Appèl)  en in het Nieuwe Testament nog “een heilshistorische voorrangspositie” heeft, zodat tot op de dag van vandaag “het Joodse volk heilshistorisch gezien prioriteit heeft onder de volken.” (beide keren een citaat van de Yachad-site). Volgens mij ligt het net ietsje anders. Ook dat zal ik proberen uit te leggen.

  1. Israel was tot Pinksteren als natie Gods volk, maar sinds Pinksteren is de christelijke gemeente, bestaande uit Joden en heidenen samen, Gods volk.
  2. Alleen het Israel tot Pinksteren is ons voorgegaan en had een voorrangspositie. Niet het Joodse volk van vandaag. Als het al onze oudste broer is, spreek dan ook met de gelijkenis van Jezus uit, dat die oudste broer in overgrote meerderheid nog steeds buiten staat, en dus nog niet gevonden is, zoals het plaatje op de Yachad-site ten onrechte suggereert. Hetzelfde geldt voor onze neven en nichten van de Islam. Die staan misschien wel dichter bij ons dan de meeste Joden, omdat zij als moslim Jezus niet volledig afwijzen, maar eren als één van de profeten. Maar zolang beiden Jezus niet als Verlosser en Heer erkennen, staan Jood en moslim nog steeds buiten en maken geen deel (meer) uit van Gods volk op aarde.
  3. En of er dan in de toekomst veel Joden alsnog tot geloof in Jezus Messias zullen komen? God weet het! Vandaag zien we dat vooral veel zonen en dochters van Ismael Jezus leren kennen zoals Hij werkelijk is. En wereldwijd zien we, dat God in een wereld die Hem eens massaal ongehoorzaam was, overal mensen tot geloof in Jezus Christus brengt. Daarin is Gods rijkdom, wijsheid en kennis onuitputtelijk. En zijn zijn oordelen en wegen even ondoorgrondelijk en onbegrijpelijk.

Zo denk ik erover. Ik heb niet zoveel met de gedachte, dat we als gelovige persoonlijk en als vrijgemaakte kerken samen ons vooral moeten richten op het Joodse volk. Ik richt me liever op de mensen in Nederland die God zijn kwijtgeraakt en Jezus niet meer kennen. En ik voel met vooral verbonden  met mijn medebroeders en –zusters in Duitsland en Oostenrijk (zie mijn weblogartikel ‘Ook in Oostenrijk klinkt het Evangelie!’  klik hier). Anderen hebben de christenen in China of India of Papoea of waar dan ook in hun hart gesloten. Of willen niets anders dan aan gevangenen of prostituees of welke doelgroep dan ook het goede nieuws van Jezus brengen. En  gelukkig voelen weer anderen  in onze kerken een diepe verbondenheid met het Joodse volk en bidden ze hartstochtelijk tot God of Hij zoveel mogelijk afhouwen takken wil terugzetten op de edele olijfboom. Maar er zijn ook mede-christenen die zich bekommeren om de christenen in het Midden-Oosten. Ze zitten aan alle kanten klem. In Israel en de Palestijnse gebieden zijn zij vaak de oorspronkelijke bewoners, van wie de (toen Joodse of Samaritaanse) generatie na Pinksteren Jezus als Heer aanvaardde. Met al die verlangens is niets mis. Zo vullen we elkaar aan. Dat is ook Gods bedoeling, denk ik. Als je maar hart voor mensen hebt. Want het gaat God ook om mensen.  Zonder onderscheid. Dus ga ik op de Israel-zondag preken over Psalm 87. En zal ik zeggen, dat het daar niet om Jeruzalem en Israel als zodanig gaat. En al helemaal niet om het Joodse volk vandaag. Maar dat Psalm 87 een profetie is. Er komt een tijd, dat Gods volk multi-cultureel zal worden. Omdat de HERE Zelf uit alle volken er mensen bij haalt. Dat gebeurt met Pinksteren. Dan gaan de deuren open. Dan wordt de blikrichting omgekeerd. Dan gaat Jezus met zijn Geest wereldwijd. Vanaf dan is christelijke gemeente Gods volk. Daar kan en mag iedereen zich thuis voelen, omdat God en Jezus daar wonen. Ik zal bidden of God wil bewerken dat nog veel mensen die nu zonder Hem leven, door zijn Geest zullen worden aangeraakt en zich zullen laten vinden. Joodse mensen – die dan heilshistorisch weer thuis bij hun God komen. En kerkverlaters – die dan verbondsmatig weer thuis bij hun God komen. En echte heidenen – die voor het eerst een thuis bij hun God vinden.

Gebed voor vervolgde christenen en andere religieuze minderheden in Syrië en Irak

De interkerkelijke, oecumenische gebedsdienst voor de geloofsvervolgden in Irak en Syrië op vrijdag 26 september 2014 in de Bethelkerk te Assen werd bezocht door meer dan 150 mensen. De dienst was een initiatief van gezamenlijke voorgangers vanuit het Pastoresconvent Assen en werd geleid door broeder André Huizinga van de Evangelische Gemeente Assen, dominee Helene van Noord van de Protestantse Kerk te Assen, pastoor Koos Tolboom van de Rooms-Katholieke Parochie Assen en mijzelf, predikant van de Gereformeerde Kerk van Assen-Peelo met medewerking van twee Iraakse broeders die Psalm 56 in het Arabisch en het Onze Vader in het Aramees voordroegen. Alle aanwezigen staken na het gebed dat hieronder volgt een kaars aan voor in de kerk. De kollekte bij de uitgang voor de hulporganisatie ‘Kerk in Nood’ bracht ruim € 900 op.

Almachtige HEER,

U bent de Eeuwige, de God van Abraham, Izaäk en Jakob. U bent in Jezus Christus onze hemelse Vader. U maakte Uzelf aan Mozes bekend als JAHWE, een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, die duizenden geslachten uw liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft, maar niet alles ongestraft laat. En uw Zoon, Jezus Christus onze Heer, hield de mensen voor: Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.  Daarom roept U ons in de Bijbel ook op: Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.

Heer in de hemel, maar we voelen ons zo machteloos, nu we de macht van het kwaad zo concreet ervaren in alles wat we horen en zien en persoonlijk ervaren als we kijken naar de wandaden van extremisten vol haat en fanatisme in Syrië en Irak. We voelen ons zo machteloos. We kunnen zo weinig doen. En, eerlijk is eerlijk, we leven ook weer zo gemakkelijk aan het onnoemelijke leed dat over honderdduizenden mensen in die regio wordt uitgestort.  En soms vragen we ons vertwijfeld af: Waarom, HEER, bent u zo ver en verbergt U zich in tijden van nood?

Toch: U bent een God die gebeden wilt worden. Ook als we vol met vragen zitten. Ook als we machteloos moeten toezien hoe in de naam van God dood en verderf gezaaid wordt onder iedereen die niet dezelfde overtuiging heeft als de extremisten van ISIS en aanverwante organisaties die over heel de wereld aktief zijn.

Daarom bidden we tot U op een avond als deze. In de Vredesweek bidden we  om vrede. Maar eerst bidden we onze vragen van ons af.

Wat HEER, hoe lang nog zult u uw kinderen in Irak en Syrië vergeten? Hoe lang nog verbergt U voor hen uw gezicht? Hoe lang nog wordt hun ziel gekweld door zorgen en hun hart door verdriet overstelpt, dag aan dag? Hoe lang houdt hun vijand de overhand?

Zie naar hen, HERE, antwoord hen, mijn God! Verlicht hun ogen , dat ze niet in doodsslaap wegzinken. Laat hun vijand niet roepen: ‘Ik heb hen verslagen’, laat hun belagers niet juichen omdat ze bezwijken.

Help hen om  te vertrouwen op uw liefde. Laat hun hart weer juichen omdat U redding brengt. Geef dat ze weer kunnen zingen voor U, de HEER, omdat U hen geholpen hebt.

Zo bidden we U voor alle mensen die hun leven niet zeker zijn in de gebieden waar de strijders van ISIS de overhand hebben. We bidden voor christenen, Jezidi’s, moslims, Koerden en alle bevolkingsgroepen die op de vlucht geslagen zijn. We bidden voor al die mensen die met eigen ogen gezien en uit de eerste hand gehoord hebben, welke slachtpartijen er zijn aangericht onder iedereen die zich niet wilde bekeren tot de meeste radikale versie  van de islam. We bidden voor alle mensen die achterbleven, de ouderen, de vrouwen, de meisjes, de kinderen, die als werkslaaf of seksslavin behandeld en gemarteld worden. We bidden voor alle mensen hier in Nederland die langer of korter geleden hier naar toe gekomen zijn en al zo lang  24 uur per dag in spanning zitten over hun familie in Irak of Syrië. Zij zijn vaak de wanhoop nabij. HEER, ontferm U over hen. Ja, grijp in, HEER!

We bidden U ook voor de strijders van ISIS. In de naam van hun geloof prediken zij haat en gaan als beesten tekeer. In de greep van het ultieme kwaad zijn ze, totaal verblind en zonder enig mededogen. HEER, niemand kan hen stoppen. Het gif is al veel eerder in hun harten gezaaid. En toch bidden we ook voor hen. Geef, dat in elk geval sommigen gaan beseffen, hoeveel leed er door hen wordt aangericht. Hoeveel wraak er zich nu door hun optreden in de harten van wie ontkomen zijn, kan nestelen. HEER, alleen U kunt die vicieuze cirkel doorbreken. Alleen U kunt bewerken, dat mensen zich radikaal afkeren van een leven vol haat en geweld. HEER, ontferm U over hen. Ja, grijp in, HEER!

We bidden U ook voor iedereen die hulp verleent en voor de internationale gemeenschap. Dank U voor de hulp die al gegeven wordt. Maar het lijkt wel dweilen met de kraan open. De plaatselijke bevolking in Jordanië, Libanon, Turkije en Iraaks Koerdistan zit aan z’n grenzen. Hulpverleners weten niet waar ze beginnen en eindigen moeten. En wij … wij denken soms ook dat alles wat we doen maar een druppel op de gloeiende plaat is. Maak ons bewogen, HEER, en zegen elke zak met rijst, elke deken en elke kan met water die uitgedeeld wordt.  En geef wijsheid aan de internationale gemeenschap, HEER. Laat niet de angst regeren, noch het eigenbelang, maar een oprecht verlangen naar vrede.  Ontferm U over ons allen. Ja, grijp in, HEER!

Zo bidden we onze machteloosheid van ons af door te schuilen in dit huis van gebed. We houden daarbij Jezus Christus voor ogen, die zijn leven lang de weg van de vrede is gegaan, omdat Hij helemaal gevuld was met de liefde van God. Zelfs aan het kruis bad Hij nog voor de mensen die Hem die wrede marteldood lieten sterven. Hoor naar ons in zijn naam. AMEN