Pinksteren: hoe benader je belangstellende niet-christenen?

Handelingen is het boek van de Heilige Geest. De apostelen trekken de wereld in om in alle steden en dorpen eerst de Joden en dan de Grieken het goede nieuws over Jezus Christus te vertellen. Door de Heilige Geest komen duizenden tot geloof.

Niet-Joodse ‘vereerders van God’Heilige Geest duif

Wat mij opvalt is, dat ze vaak met meest positief ontvangen worden door mensen die regelmatig de joodse synagoge bezoeken, maar zich nog niet tot het jodendom bekeerd hebben. In het boek Handelingen worden ze een paar keer ‘proselieten’ genoemd (Hand. 2:11, 6:5, 13:43 –  in de oude vertalingen stond ‘Jodengenoten’). Letter betekent dat: ‘erbij gekomen zijn’.  Het zijn mensen die op zoek waren naar  de zin van het leven en daarbij het antwoord op hun levensvragen bij het joodse geloof gevonden hebben. Als heidenen hebben ze de God van Abraham, Isaak en Jakob leren kennen. Maar omdat ze geen geboren Joden waren, konden ze alleen maar toetreden tot het Jodendom als ze zich aan heel de Joodse wet en alle voorschriften van de Joodse traditie gingen houden. Daarom bleven de meesten van hen toch maar liever als vaste gast de synagoge bezoeken. Behalve de drie keren dat ze ‘proselieten’ genoemd worden, staat in Handelingen nog vaker dat ze ‘vereerders van God’ zijn (Hand. 10:2+22+35, Hand. 13:16+26+43+50, Hand. 16:14, Hand. 17:4+17, Hand. 18:7). Soms staat er uitdrukkelijk bij, dat het om Griekse mensen gaat. Veel van deze ‘vereerders van God’ kwamen door de evangelieverkondiging van Paulus en de andere apostelen tot geloof in Jezus Christus. Ze werden vaak de meest aktieve leden van de nieuwe christelijke gemeentes, omdat Christus ook voor hen heel de wet vervuld had en omdat Hij in zijn gemeente geen onderscheid tussen Jood en heiden maakt.

Niet-christelijke ‘Godzoekers’

Vandaag beleven wij steeds vaker iets soortgelijks.  Mensen met weinig of geen kerkelijke achtergrond komen met ons in kontakt. Soms als levenspartner van een gemeentelid, soms meegenomen door vrienden, soms omdat ze zelf op zoek zijn gegaan bijvoorbeeld via internet. Ze kennen de negatieve verhalen over de kerk die steeds weer in de media opduiken. Verhalen van vroeger (de kruistochten, die strakke gereformeerden) en verhalen van nu (seksueel misbruik door priesters en voorgangers, homo’s die niet welkom zijn in de kerk). Toch zijn ze in hun zoektocht naar de zin van het leven geïnteresseerd geraakt in het christendom. Meestal doordat ze persoonlijk iemand leerden kennen, die ze als oprecht en belangstellend christen hebben leren kennen. Dat wekte hun interesse.

Toch is er een belangrijk verschil met de vroeg-christelijke kerk. Wie zich in de Grieks-Romeinse tijd tot de God van de Joden bekeerde en zich na Pinksteren bij de christelijke gemeente aansloot, geloofde daarvoor in allerlei andere goden. Vandaag komen mensen vaak tot geloof vanuit een achtergrond waarin geloof en de vraag naar God amper nog een rol speelt. Kort geleden stond in het ND (15 mei) en in het DvhN (18 mei) dat in 2014 nog maar net 50% van de Nederlanders bij een ‘godsdienstige groepering’ hoort. Eind jaren ’90 was dat nog 60%, in 2010 niet meer dan 55% en nu dus nog maar de helft van Nederland. De andere helft is niet-religieus. Bij ons in het Noorden spant Groningen de kroon (34%) en zijn Drenthe en Friesland met 40% en 43% de nummers drie en vier wat betreft minst kerkelijke provincies. En ook al noemt de 50% van de bevolking zichzelf religieus of gelovig noemt,  van alle Nederlanders bezoekt maar iets meer dan 10%  wekelijks de kerk (of de moskee). Gereformeerde christenen die trouw naar de kerk gaan op zondag zijn dus echt een minderheid in Nederland! Meer dan de helft van Nederland is tegenwoordig niet gedoopt en krijgt van huis uit niets meer mee over God, Jezus en de Bijbel.

Zoekers positief benoemen

Nu las ik laatst een interessante vraag: hoe praten wij als kerk en als christenen over mensen die niet gelovig en vaak ook niet gedoopt zijn? Hoe wij over hen spreken verraadt namelijk hoe wij over hen denken. Een niet-christen noemen wij vaak een ongelovig, niet-kerkelijk, ongedoopt of religie-loos. We beschrijven daarmee een gemis. We benadrukken daarmee vooral wat mensen niet zijn. Ze zijn géén christen. Dat is een negatieve kwalificatie.

Waarom zou je het niet omdraaien? Waarom zou je niet het positieve beschrijven bij veel mensen die niet christelijk zijn opgevoed, maar wel op zoek zijn naar een positieve invulling van hun leven? Termen als zoeker of sympathisant of belangstellende of gastvriend klinken veel positiever. Misschien is het een idee om niet-leden die regelmatig in onze kerken komen, zelf te vragen hoe ze hun positie zouden willen noemen. Want de redenen waarom hun wegen zich met die van ons kruisen, zijn zo verschillend!

Dat het aantal niet-christelijke Nederlanders per jaar met bijna 1% toeneemt, is duidelijk. Maar er zijn geen cijfers over het aantal Nederlanders die, zelf niet gelovig opgevoed, op zoek zijn naar de zin van het leven en naar een God die zoveel van mensen houdt dat Hij zijn eigen Zoon naar deze wereld gestuurd heeft.

Hoe benaderen wij  zulke, soms bewuste, vaak onbewuste Godzoekers? Een houding van openheid en een sfeer van vriendelijkheid laat anderen zien: ‘Jij bent welkom bij ons, we zien in jou een geschenk van God, we hebben elkaar veel te bieden.’ Is dat de manier waarop wij andersdenkenden aanspreken? En willen wij ook van hen leren wat hen beweegt in hun zoektocht naar God?

De Heilige Geest zorgt voor een open houding

Toen onze Heer Jezus Christus terug naar de hemel ging, heeft Hij ons als christenen beloofd dat we niet alleen zouden achterblijven. De Heilige Geest zou komen om ons bij te staan. Niet voor niets wordt in de dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren in veel kerken gebeden om de komst van de Heilige Geest. Die kan en wil ons als kerkgemeenschap en ook persoonlijk de kracht geven om in deze tijd van afnemende gelovigheid open te staan en goed te reageren op mensen die zoeken naar de zin van hun leven en die, vaak via wonderlijke wegen, door Jezus onze Heer Zelf op hun zoektocht christenen tegenkomen. Christenen zoals jij en ik.

Zij die het geloof aanvaard hadden, stonden in de gunst bij het hele volk. De Heer breidde hun aantal dagelijks uit met mensen die gered wilden worden. (Handelingen 2 vers 47)

 

KINDERDOOP NORMAAL – UITSTEL SOMS – HERDOOP NOOIT

– over de doop van kinderen  in de eerste driehonderd jaar na Pinksteren –

Er zijn christenen die tegen het dopen van kinderen zijn. Daarom doen ze het op latere leeftijd nog een keer over. Soms heel erg eerlijk (‘de kinderdoop is onbijbels, dus nu laat ik me pas echt dopen’), soms wat omfloerst (‘ik waardeer mijn kinderdoop wel, maar ik laat me nu op geloof dopen’). In beide gevallen wordt vaak gezegd, dat er in het Nieuwe Testament en in de eerste 300 jaar van de christelijke kerk geen kinderen gedoopt werden. De kinderdoop zou pas ingevoerd zijn, toen het christendom tot staatsgodsdienst werd verklaard door keizer Constantijn. Klopt dat? Nee dus.

Het DOPEN van KINDEREN: een PRAKTIJK zonder DOGMA

Strange - kinderen in de vroeg-christelijke kerkIk heb al meer dan 15 jaar een heel mooi boekje in mijn kast staan met als titel ‘Kinderen in de vroeg-christelijke kerk’. Het is geschreven door dr. W.A. Strange en in 1999 verschenen bij Uitgeverij Barnabas.  Ik sla nu even over wat dr. Strange allemaal zegt over  de plek van de kinderen in die tijd. In elk geval wordt duidelijk, dat Jezus de kinderen voor vol aanzag (‘Laat de kinderen bij Me komen, hou ze niet tegen’ – Markus. 10:14). Ook Petrus zegt bij de uitstorting van de Heilige Geest nadrukkelijk, dat Gods belofte van vergeving van zonden en van de Heilige Geest  ook voor de kinderen van de gelovigen geldt (Handelingen 2:39). In de rest van Handelingen kun je lezen, dat  als volwassenen tot geloof komen en toetreden tot de kerk, ze zich laten met heel hun gezin laten dopen. En voor Paulus en Johannes horen de kinderen er helemaal bij in de christelijke gemeente (Efeziërs 6:1-3, Kolossenzen 3:20, 1 Johannes 2:12-14).

Maar betekent dit ook, dat vanaf het eerste begin de kinderen ook gedoopt werden?

Ja, toont dr. Strange overtuigend aan. Kinderen werden in de vroeg-christelijke kerk gewoon op dezelfde manier in de gemeente opgenomen als hun ouders die, zeker in de eerste eeuwen, op volwassen leeftijd tot geloof kwamen en gedoopt werden. “Kinderen waren onlosmakelijk verbonden met het gezin, en daarom was het vanzelfsprekend voor ouders dat bij hun bekering ook de kinderen, samen met hen, de doop zouden ontvangen. De gedachte dat het kind als zelfstandig individu te zijner tijd vrij is zelf te beslissen, is een visie van onze tijd, die echter vreemd is aan de wereld van het Nieuwe Testament. Wij moeten onze opvattingen niet projecteren op het Nieuwe Testament en zijn schrijvers.” (blz. 123/124) Op grond van o.a. Efeziërs en Kolossenzen komt hij tot de conclusie: “Zo  moet een christelijke gemeente van de eerste eeuw er hebben uitgezien. Zij die van buiten kwamen, gingen de gemeente binnen door de poort van de doop. Zij die binnen de gemeenschap geboren werden, gingen binnen door dezelfde poort, want, zegt Efeziërs: ‘er is één Here, één geloof, één doop’.” (Efeziërs 4:5 – blz. 125) Het was dus gebruikelijk in de christelijke kerk van de eerste eeuwen geweest, dat ook de kinderen van de gelovigen gedoopt werden. Het was alleen ‘een praktijk zonder dogma’ en dus kwam er ook kritiek op.

UITSTEL van de DOOP

Toen theologen als Tertullianus en Origines zich later (rond het jaar 200) met de fundering van de doop bezig gingen houden, hadden ze allebei theologisch gezien moeite met de kinderdoop. Beiden vonden, dat je de vergeving van de zonden en het nieuwe leven in geloof zo serieus moest nemen, dat het beter was om als kind van christelijke ouders te wachten met de doop tot je als jongvolwassene steviger in je schoenen stond.  Origines bleef trouw aan de kinderdoop die, schreef hij, ‘een traditie van de kerk’ is. Tertullianus adviseerde ouders om de doop van hun kinderen uit te stellen. Maar, zegt Strange, Tertullianus heeft nergens als argument aangevoerd “dat de kinderdoop iets nieuws was, dat enkele generaties daarvoor in de kerk was ingevoerd.” Voor het afwijzen van de kinderdoop kon Tertullianus “de sterkste troefkaart niet uitspelen: het verwijzen naar het gezag van de apostelen.” (beide citaten op blz. 114) Tertullianus hoorde in 200 na Christus dus tot de vernieuwers in de kerk. En zelfs als vernieuwer wilde Tertullianus de kinderdoop niet afschaffen. “Hij ontkende niet dat jongere en oudere kinderen gedoopt mochten worden. Hij vroeg zich alleen af of het van wijsheid getuigde kinderen bloot te stellen aan het veeleisende leven van gedoopte christenen.” (blz. 117) Omdat Tertullianus een gezaghebbende kerkvader was, heeft zijn standpunt wel wat invloed gehad in de vroeg-christelijke kerk. Het kwam in de 3e en 4e eeuw regelmatig voor dat christenen de doop van hun kinderen uitstelden totdat  die de ‘jaren des onderscheids’ bereikt hadden.  Dat overkwam ook Augustinus, die rond 400 na Christus leefde. Zijn moeder Monica was christen en heeft haar zoon gelovig  opgevoed, maar niet als kind laten dopen. Dat heeft Augustinus altijd betreurd. Hij zegt ergens dat het jammer is dat “zelfs vandaag de dag” christenen hun kinderen niet meteen als baby laten dopen. (blz. 118) De vernieuwers verloren blijkbaar alweer terrein.

Augustinus zelf was de theoloog die de praktijk van ‘één doop tot vergeving van zonden’ theologisch zo heeft uitgelegd, dat voor iedereen duidelijk werd, waarom de christelijke kerk in de eerste eeuwen ook de kinderen van de gelovigen heeft gedoopt.  Dat kon Augustinus doen, zegt Strange, omdat de leer over de kinderdoop “een uitvloeisel was van wat sinds de tijd van het Nieuwe Testament altijd al stilzwijgend is aangenomen.”  (blz. 127) Hoe je het ook wendt of keert, in de vroeg-christelijke kerk was de kinderdoop normaal, kom je ook tendensen tegen om de doop uit te stellen, maar lees je nergens dat wie als kind gedoopt was, nog een keer de doop kon ontvangen.

DOOP in het teken van DISCIPELSCHAP

Dr. Strange trekt in zijn laatste hoofdstuk een aantal lijnen door naar vandaag.

Doop - eerste belofteAllereerst zegt hij, dat volgens hem “de christelijke kerk vanaf  het eerste begin kinderen  gedoopt heeft.” (blz. 140) Maar dat gebeurde nooit uit gewoonte. Dus  mag ook vandaag de dag het dopen van kinderen nooit een geïsoleerd ritueel zijn van ouders die “menen lid te kunnen zijn  van een kerk zonder actief aan het kerkelijk leven deel te nemen.”  Want bij de doop gaat het, bijbels gezien, naast vergeving van zonden ook om het leven in Gods koninkrijk.  “Als de kinderdoop van vandaag een voortzetting wil zijn van de doop in het Nieuwe Testament, dan moet er een nauw verband zijn tussen doop en discipelschap.” (beide citaten op blz. 141)

Verder benadrukt dr. Strange heel sterk, dat de belangrijkste geloofsopvoeding binnen het christelijke gezin plaatsvindt. Want in de Bijbel benadert Jezus de kinderen altijd via de ouders. Dus op dat thema moeten we “blijven hameren (…), namelijk dat ouders ernst moeten maken met hun vitale taak in het voorgaan van hun kinderen in gebed en discipelschap.” (blz. 148)

Toch blijft er ook een belangrijke taak over voor de christelijke gemeente. Daarin heeft Jezus aan kinderen een volwaardige, ja zelfs centrale plaats gegeven. Dus moeten kerken ook vandaag hun best doen met de aanwezigheid van kinderen rekening te houden en aan kinderen een plaats te geven in de diensten.  Dat kan op verschillende manieren, als het maar de bedoeling is om ze niet op een zijspoor te zetten, maar bij de kerkdiensten te betrekken met als motivatie “het brengen van kinderen tot kennis van en liefde voor de Here.”  Zo’n kerk “staat dichter bij de nieuwtestamentische kerk, dan een kerk waarin kinderen niet welkom  zijn, of waar ze geheel  aangewezen zijn op eigen activiteiten.” (beide citaten blz. 140) Want, is de laatste zin van het boek van Strange: “Een kerk die trouw is aan haar Heer, kan die trouw niet beter laten zien dan in haar zorg voor kinderen, die Hij zo intens heeft liefgehad.” (blz. 146)

 

Over de kinderdoop schreef ik nog een paar blogs:
Wanneer laat je je kind dopen?
Sela over de doop
Te vroeg of te laat, maar niet dubbel

Is de dood van Jezus ‘een mooi offer’?

Cruciaal boekIn de kerkelijke pers is wat reuring ontstaan over het boekje Cruciaal. Daarin wordt de betekenis van de kruisiging van Jezus Christus uitgelegd aan de hand van zes bijbelse beelden. Eén daarvan is het beeld van het offer. Hans Burger, universitair docent in Kampen, werkt dat in Cruciaal verder uit. Zowel op verschillende websites van verontruste vrijgemaakten als in het Nederlands Dagblad kreeg hij daar behoorlijk wat kritiek op. Een docent aan de Theologische Universiteit zou moeite hebben met de gereformeerde verzoeningsleer. Nou, als dat zo is, dan zijn we als Gereformeerde Kerken ver van huis.

De kritiek is volgens mij veel te fors aangezet. Ik vind het bewonderenswaardig dat Hans Burger zelf zowel op internet als in het Nederlands Dagblad uitvoerig gereageerd op de ingebrachte bezwaren. Hij verklaart ook nadrukkelijk volledig achter de bijbelse leer te staan, dat Jezus is gestorven voor onze zonden en is opgestaan voor onze rechtvaardiging.

Hoe kan het dan, dat er zo fel en onheus gereageerd wordt op het artikel van Burger over de kruisiging van Jezus als offer? Ik denk dat dat komt, omdat hij een wat andere insteek kiest dan normaal als het om de betekenis van het offer van Jezus gaat. Burger wil in zijn artikel namelijk duidelijk maken, dat het beeld van het offer niet alleen maar iets met ‘straf’ te maken heeft, maar ook en vooral een positieve uitwerking heeft. En dus komt Burger tot de volgende uitspraken:

“In een offer gaat het om liefde, om toewijding aan God, om een leven waar God blij van wordt omdat het ‘een geurige gave’ is (…) Het cultische beeld van het offer benadrukt het positieve van Jezus, die in zijn toewijding onze zonden bedekt en ons verandert in aan God gewijde mensen.” (blz.59)

“In het Nieuwe Testament heeft het spreken over het offer primair positieve connotaties. Een offer is een leven dat God grootmaakt, dat aan God gewijd is, waar God van geniet. Een offer is in de Bijbel dus iets moois. Het drukt overgave en toewijding aan God uit. ” (blz. 60)

En als Burger op een fijnzinnige manier duidelijk maakt, dat ook God de Vader en God de Heilige Geest bij het offer van Jezus’ dood betrokken zijn, schrijft hij in aan het eind van zijn artikel:

“Het trinitarische offer van God is primair een appel op ons hart. (…) Gods offer is ook een gave die ons antwoord mogelijk maakt. (…) Zo is Jezus’ offer het geheim van onze levenswijding.” (blz. 65)

Het zijn dus andere bijbelse accenten dan ‘betaling voor zonde en schuld’ die Burger naar voren haalt als hij het beeld van het offer bespreekt. Daarbij legt hij erg veel nadruk op de volmaakte gehoorzaamheid van Jezus Christus, zoals uit nog een ander citaat blijkt:

“Het cultische beeld van het offer benadrukt het positieve van Jezus, die in zijn toewijding onze zonden onze zonden bedekt en ons verandert in aan God gewijde mensen.” (blz. 59)

kruis rood lintBurger verwijst voor het leggen van deze accenten vooral naar het bijbelboek Hebreeën. Daar heeft hij gelijk in. Neem bijvoorbeeld Hebreeën 9:14. Daar staat: Het bloed van Christus, die dankzij de eeuwige Geest zichzelf heeft kunnen opdragen als offer zonder smet, zal ons geweten reinigen van daden die tot de dood leiden, en het heiligen voor de dienst aan de levende God. Burger benadrukt dus heel sterk de offerbereidheid van Jezus. Om het in Burgers eigen woorden te zeggen: God de Zoon geeft zichzelf als een offer dat onze zonde wegneemt en ons nieuw en heilig maakt. Zo gebruikt God de Vader Jezus’ dood als de oplossing voor onze zonden.

Volgens mij wordt dit accent door Burger zo sterk benadrukt, dat het alle nadruk legt op de motivatie van Jezus. Dan wordt zijn offer inderdaad iets moois. Zo lief had Hij de wereld! Maar wat bij Burger onderbelicht blijft is, dat een offer in de Bijbel niet alleen “iets moois” is, maar ook een noodzakelijk kwaad. Er is iets grondig misgegaan tussen God en mensen. En dat kun je niet wegwuiven met ‘zand erover’. Er moet echt iets goed gemaakt worden. En dat kost je iets. Dat kost God zijn Zoon!

Burger ontkent dat niet. Maar, zegt hij, je bevindt je op het juridische taalveld als je spreekt over Jezus’ dood als betaling en genoegdoening voor onze zonden. Wanneer de Bijbel spreekt over het offer dat Jezus bracht, gaat het over zijn volkomen toewijding, waardoor Hij de volkomen verzoening voor onze zonden tot stand brengt. Dan bevind je je in een cultische taalveld. En daarin heeft het brengen van een offer vooral een positieve betekenis. Het offer van Jezus herstelt het kontakt met God en motiveert ons om te leven voor God.offerlam

Ik vraag mij af of je de term ‘offer’ zo sterk kunt losmaken van juridische termen als ‘genoegdoening’ en ‘betaling’ en of je een term als ‘middel tot verzoening’ vooral moet duiden als cultisch taalgebruik. Volgens mij zijn er in de Bijbel twee soorten offers. Namelijk een zondoffer / schuldoffer én een lofoffer / dankoffer. En maakt de Bijbel onderscheid de offeraar (een persoon) en het offer zelf (dier).

Als het om het offer van Jezus gaat, lijkt het mij vrij duidelijk, dat Hij allebei tegelijk is: offeraar en offerlam. En het lijkt mij ook evident, dat Hij zijn leven gaf als offer voor onze zonden. Dat ontkent Burger ook niet trouwens – ook al wordt hij daar door sommige critici wel van beschuldigd. Jezus’ toewijding vind ik geweldig, maar aan zijn offer aan het kruis is in mijn ogen niets moois te zien. Het is alleen maar heel erg: zo diep zijn wij als mensheid gezonken dat in Gods ogen alleen het offer van zijn eigen Zoon ons redden kan.Volgens mij staat dit offer van onze Heer wel degelijk ook in een juridisch kader. Paulus klemt in Romeinen 3:21-26 de keus van God om Jezus Christus aan te wijzen als ‘middel tot vezoening’ (vs. 25) niet voor niets in in het kader van ‘vrijspraak’ (vs. 21 en vs. 26). Met dit offer is uiteraard “direct de oproep verbonden, om vol bewondering voor God ons leven te leven als dank- en lofoffer voor Hem”, zoals Burger schrijft (blz. 65).

Het zijn deze twee aspecten (Jezus’ zijn toewijding en onze navolging) die Burger in zijn waardering van het beeld van offer vooral benadrukt. Dat doet hij, omdat hij volgens mij bang is dat veel mensen denken dat er in de Bijbel sprake is van een strenge God die bloed wil zien. Terwijl in de Bijbel God zich laat kennen als een God die “wordt gedreven door liefde en trouw aan de mensen. (…) Hij gaat tot het uiterste gaat om het hart van mensen terug te winnen” (blz. 64). Daar heeft Hij alles voor over: zijn eigen geliefde Zoon. Daar heeft Jezus veel voor over: zijn eigen leven. Het is terecht dat Burger daar nadrukkelijk op wijst. Maar door daar alle accent op te leggen als het om de bijbelse betekenis van het offer gaat, raakt de trieste noodzaak van het offer onderbelicht. En dus heeft het verhaal van Hans Burger iets eenzijdigs. Het offer van Jezus is niet mooi. Het offer van Jezus komt voort uit iets moois en leidt tot iets moois.

Een trouwdienst is geen bruidsboeket – over de wens om toch ‘in de kerk’ te trouwen

Wanneer mag je ‘in de kerk’ trouwen?  Binnen de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt was het antwoord lange tijd heel duidelijk: als bruidegom en bruid allebei (belijdend) lid zijn van de kerk. Maar het komt steeds vaker voor dat een gelovig kerklid gaat trouwen met een vrouw of man die niet gelooft of nog niet gelooft. Toch bestaat bij beiden de wens om de trouwdag ook een christelijke invulling te geven. Steeds vaker vraagt zo’n stel of de kerk op één of andere manier daaraan kan meewerken. Hetzelfde geldt voor gelovige kerkleden die gescheiden zijn en opnieuw gaan trouwen. Hoe ga je als kerk met zulke verzoeken om?

Als kerk aanwezig op de trouwdag

In nagenoeg alle kerken binnen de GKV wordt een huwelijk van een gemeentelid met een niet-christelijke partner niet kerkelijk bevestigd. Dat gebeurt in principe ook niet bij een tweede huwelijk na echtscheiding (tenzij er sprake was van overspel door de ex-partner).  Toen we hierover met elkaar doorspraken in de ouderlingenraad van Assen-Peelo  kwamen we tot het volgende standpunt:

Ook als een volledige kerkelijke huwelijksbevestiging niet mogelijk is, willen we als kerk wel royaal tegemoet komen aan de oprechte wens van een aanstaand echtpaar om op hun trouwdag Gods Woord te laten horen en in een gebed om zijn zegen over hun huwelijk te vragen.

Mag het toch iets meer zijn?

huwelijk bruidsboeket kerkWaarom kan er geen kerkelijke huwelijksbevestiging plaatsvinden als het om echtparen gaat waarvan de ene partner wel gelooft en de andere (nog) niet?  Is dat niet in strijd met de afspraak die in art. 70 van de oude kerkorde staat: De kerkeraad zal erop toezien dat de huwelijken kerkelijk bevestigd worden, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient te worden gebruikt.

Vóór de oorlog werd in de ongedeelde Gereformeerde Kerk op grond van dit artikel bijna elk huwelijk kerkelijk bevestigd. Ook als het om één dooplid met een ongelovige ging. Maar na de Vrijmaking is bijna zonder diskussie gekozen voor een andere lijn: je kunt alleen oprecht je JA-woord in de kerk herhalen en Gods zegen over je huwelijk vragen, als je dat allebei ook echt  gelooft. Meestal (niet altijd) werd daarbij ook de voorwaarde gesteld, dat je allebei belijdenis moest hebben gedaan voor  je in de kerk kon trouwen.

Ik denk dat dit nog steeds een terechte wijziging is geweest. Bij een kerkelijke huwelijksbevestiging is de situatie anders dan bij de doop van een kind van één gelovige en één niet-gelovige ouder. Daar wordt de doop bediend aan het kind en kan de ongelovige ouder aanwezig zijn, het kind bij de doop vasthouden en eventueel een aangepaste doopvraag beantwoorden.

Huwelijk kerk twee stoelenBij het trouwen gaat het om het bruidspaar zelf. Zij herhalen in de kerk hun beloften die ze op het stadhuis gegeven hebben nogmaals tegenover elkaar voor God en zijn gemeente. En ze ontvangen daarna de zegen van de HERE over hun huwelijk. Hierbij kun je geen onderscheid maken tussen de gelovige man/vrouw en de niet-christelijke wederhelft.

Als er bij één van de huwelijkspartners geen of onvoldoende geloof gevonden wordt, kan er dus geen kerkelijke huwelijksbevestiging plaatsvinden.  Maar betekent dat, dat er dan helemaal niets kan plaatsvinden op de trouwdag zelf? En dat we als kerk hoogstens de zondag erna in de eredienst de HERE om een zegen over dit huwelijk kunnen vragen? Vaak is dat ook nog een zorgelijk zegentje, omdat één van de twee (nog) niet gelooft.

Naar mijn mening kunnen we hierin veel royaler zijn. Zeker, omdat deze situatie vaker voor gaat komen en er konkreet om gevraagd wordt door gemeenteleden. Het is in eerste instantie bijzonder te waarderen dat die vraag komt! Zeker als duidelijk wordt, dat de wens om een kerkelijke samenkomst wel ietsje dieper gaat dan de wens om samen een prachtig bruidsboeket of een mooie trouwauto uit te zoeken.

Drie ijkpunten

Waaraan kun je als kerkenraad beoordelen of een aanstaand bruidspaar vanuit een oprechte wens en, als het om de gelovige gaat, een gelovig verlangen graag een soort kerkdienst op hun trouwdag wil houden? Als kerkenraad van Assen-Peelo hebben we samen drie konkrete ijkpunten gevonden.

1/ Oprecht geloof

Allereerst moet er bij de kerkelijke helft van het aanstaande bruidspaar een levend geloof gevonden worden, zowel in woorden als in daden. Te denken valt aan kerkgang, aan deelname aan het gemeentelijke leven en aan de indrukken van de ambtsdragers tijdens huisbezoek en andere gesprekken die gevoerd zijn. Ook bij de niet-kerkelijke wederhelft moet een welwillende houding zijn tegenover de gelovige partner en tegenover de kerkelijke gemeenschap, ook al gelooft hij/zij zelf (nog) niet.

2/ Geen ‘trouwdienstje spelen’

Bij een kerkelijke huwelijksbevestiging worden de huwelijksbeloften tegenover God en zijn gemeente herhaald. Wanneer één van de twee geliefden daar niet oprecht antwoord op kan geven, moet ook de schijn vermeden worden. Dat betekent a) dat het huwelijksformulier niet gelezen wordt; b) het ja-woord ook niet op een andere manier tegenover God en zijn  gemeente herhaald wordt; c) er niet op de knielbank geknield wordt om een persoonlijke zegen van de HERE te ontvangen; d) er geen officiële trouwdienst belegd wordt, maar een gewone kerkdienst op verzoek van het bruidspaar.

3/ Wel als kerk Gods Woord laten klinken op de trouwdag

Huwelijk trouwbijbel ringenHet was altijd al gebruikelijk om ook Gods zegen te vragen over gemengde huwelijken, gedwongen huwelijken, huwelijken na samenwonen of echtscheiding, en in andere situaties, bijvoorbeeld als iemand om psychische redenen niet voor in de kerk durfde te zitten. Bijna altijd werd dan de zondag erop in de kerkdienst voor het pasgetrouwde echtpaar gebeden. Als dit op de zondag erna kan, is er geen principieel bezwaar om dit ook op de trouwdag zelf te doen. Als kerk wil je graag op de hoogtepunten en dieptepunten van het leven met het Woord van de HERE bij de mensen zijn. Ook als het geen trouwdienst kan zijn, is er nog veel mogelijk. Zo doen we dat in onze kerken ook bij het overlijden van gemeenteleden: dan wordt er geen kerkdienst gehouden. Maar we beleggen wel een samenkomst  waarin een dominee voorgaat. Dat is een samenkomst die de familie belegt, maar die toch ook heel duidelijk vanuit de kerkelijke gemeente gehouden wordt. Vanuit dat oogpunt kan een kerkenraad ook vrijmoedig zijn medewerking verlenen aan een kerkelijke samenkomst op de trouwdag van een huwelijk dat niet kerkelijk bevestigd kan worden. Met de twee voorwaarden die hierboven genoemd zijn er de volgende mogelijkheden:

  1. Een kerkdienst of samenkomst beleggen en die, net als bij een trouwdienst, ook afkondigen.
  2. Een ‘orde van dienst’ volgen met een aantal vaste elementen van een kerkdienst, zoals ook tijdens begrafenissen of doordeweekse diensten zoals biddag, dankdag en oudjaar gebeurt.
  3. De trouwbijbel overhandigen met bijbehorende toespraak.
  4. Dit huwelijk en dit echtpaar in gebed aan de HERE opdragen.

Beloning van verkeerde keuzes?

Je kunt je natuurlijk afvragen, of we als kerk hiermee niet onwenselijke situaties goedkeuren. Wanneer de dominee vanaf de preekstoel vanuit Gods Woord verkondigt, dat de HERE relaties tussen een gelovige en een ongelovige afkeurt en echtscheidingen verafschuwt , haal je de scherpte van die oproep niet onderuit door op gemengde of tweede huwelijken toch een kerkdienst of samenkomst te beleggen?
Het lijkt me belangrijk om dan vooral dit goed voor ogen te houden: als kerk hebben we van de Here Jezus de opdracht om zijn Evangelie te laten klinken. Dat geldt in alle situaties van het leven. Dus mag dat ook tijdens de samenkomst op de trouwdag van een stel dat niet officieel in de kerk kan trouwen.  Als maar duidelijk is, wat de motivatie van het echtpaar is. En als maar wel helder is, hoe de invulling  van de samenkomst er uit ziet. De wezenlijke elementen die bij een kerkelijke huwelijksbevestiging horen, vind je in zo’n dienst van Woord en gebed niet terug. Het wordt dus geen ‘trouwdienst–light’.  Maar we willen wel graag Gods Woord laten horen, juist op zo’n bijzondere dag! Voor de gelovige helft. Voor de (nog) niet gelovige wederhelft. Voor alle familie en vrienden die om het echtpaar heen staan. Zo doen we dat ook op begrafenissen en zelfs op crematies. Ook als de familie dan in meerderheid niet-kerkelijk of niet meer gelovig is, grijpen we toch de kans om te vertellen wie God is en wil zijn met beide handen aan. Bovendien – wat de één een beetje als een beloning van een verkeerde keus ziet, zal een ander misschien ervaren als behoorlijk minimalistisch, omdat er in vergelijking met trouwdiensten in andere kerken meer niet mag dan wel.

Royaal gereformeerd zijn

In onze kerken willen we graag royaal én goed gereformeerd zijn. Dat betekent: geef elkaar de ruimte die de Bijbel ons biedt en handhaaf samen de grenzen de Bijbel ons aangeeft. Wanneer er geloof gevonden wordt, mogen we samen vooruit kijken. Dat  doet Jezus onze Heer ook. Zonder de zonde goed te praten (integendeel!) zegt Hij tegen gelovige mensen: “Ga heen en zondig vanaf nu niet meer.” In zijn voetspoor moet het mogelijk zijn om als plaatselijke kerk bij gemengde huwelijken en bij een tweede huwelijk na echtscheiding het volgende uit te spreken:

Wanneer een kerkelijke huwelijksbevestiging niet mogelijk is, maar er wordt wel oprecht geloof gevonden bij één of beide partners, zal de kerkenraad, als daarom gevraagd wordt, ruimhartig meewerken aan een kerkelijke samenkomst. Tijdens zo’n dienst zullen de onderdelen die duidelijk bij een kerkelijke huwelijksbevestiging horen (formulier, beloften + jawoord, persoonlijke zegen op knielbank) niet voorkomen.

Overweldigende liefde

Maria vond, dat Jezus er vermoeid uitzag. Ze zag de lijnen in z’n gezicht en de wallen onder z’n ogen. Maar toen Jezus haar zag, lichtten zijn ogen op. ‘Maria, fijn je te zien’, zei Hij. ‘Ik ben blij dat U er bent, Heer’,  zei ze. ‘Het is alweer zo lang geleden.’  Ze wist, dat Hij lange tijd uit de buurt van Jeruzalem gebleven was. Het was te gevaarlijk voor Hem. De joodse leiders wilden Hem doden. ‘Ik maak me zorgen’, zei Maria. Jezus glimlachte en schudde langzaam z’n hoofd. ‘Je bent bezorgd voor niks, lieve Maria. Mijn leven is in de hand van mijn Vader.’

Maria zalfolieMaar de manier waarop Hij het zegt verraadt de spanning. Net alsof het een verborgen boodschap is. Er trekt een rilling door Maria heen als ze samen naar de woonkamer lopen. Er zal iets vreselijk fout gaan. Ze voelt het. Het gaat tegen alle logica van de mensen in. Zonet hadden ze Jezus nog als een koning binnengehaald. De verwachtingen zijn hooggespannen. Het zal alleen heel anders zijn dan de meesten denken. Maria weet het gewoon. Ze heeft een soort zesde zintuig, een bang voorgevoel. Er gaat iets ergs gebeuren met Jezus. Maria voelt dat goed aan. Jezus zelf weet: Ik ben op weg naar Jeruzalem . Ik ben op weg naar mijn arrestatie. Ik ben op weg naar een bewuste dood. Hij spreekt er openlijk over met zijn leerlingen. Maar niemand wil Hem geloven. Alleen Maria voelt het aan. Daarom doet zij iets heel bijzonders. De enige passende aktie. Ze komt met een daad van overweldigende liefde.

Weet je wat overweldigende liefde is? Als je je dochter van bijna 3 jaar naar bed brengt. Je zingt een liedje voor haar. Je vertelt een verhaaltje aan haar. Je zegt een gebedje op met haar. Daarna stop je haar lekker onder en zegt: ‘Jessica, ik hou van jou’. Maar je bent de kamer nog niet uit, of je hoort: ‘Ik hou meer van jou, mama!’ Dus ga je terug, geeft haar nog een dikke kus en zegt: ‘En ik het meest van jou, Jessica.’ Maar alweer: je bent de kamer nog niet uit, of ze roept je achterna: ‘En ik van jou het allermeest van de héééle wereld!’ Wow! Game over! Het allermeest van de héééle wereld! Dat is pas echt overweldigend! Je dochter houdt niet het meest van haar favoriete pop. Of een uitstapje naar een grote speeltuin. Of een verjaardag met een grote taart en mooie kadootjes. Nee, ze houdt van jou – van jou meer dan van de héééle wereld. Dat is overweldigende liefde. Daarvoor gaat alles aan de kant. Daarvoor heb je alles over. Je wenst alleen maar dat je nóg meer zou kunnen geven. Niets is te kostbaar. Niets is te overdreven. Je hart wil dat je geeft – alles geeft.

Dat doet Maria als ze Jezus zalft met die zeer kostbare, zuivere nardusolie.  Daarmee geeft ze alles wat ze heeft aan Jezus. Als ze Hem ziet binnenkomen, weet ze gewoon:  binnenkort zal Jezus sterven. Waarom? Hoe? Is dat  Gods plan? Maria heeft geen idee … maar dit weet ze wel: Jezus is mijn alles, en dus geef ik Hem alles wat ik heb. Alles wat ik heb, als uitdrukking van mijn overweldigende  liefde.

maria zalving JezusDie olie was niet het meest kostbare wat Maria gaf. ‘Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn’ had Jezus al eens eerder gezegd.  Het kostbaarste wat Maria geeft, is haar hart.  Dus breekt ze de hals van het flesje spontaan eraf. Ze giet de hele inhoud over het hoofd van Jezus uit. Ze stopt niet halverwege, maar laat de parfum echt rijkelijk vloeien. Tot de laatste druppel! Zodat de olie de voeten van Jezus bereikt. En dan doet Maria nog iets heel aparts. Ze maakt haar haar los en droogt de voeten van Jezus ermee af. Voor Maria maakt het allemaal niets uit. Ze wil niets achterhouden. Al haar liefde gaat uit naar Jezus.

Wat zie je daarna? Iedereen valt over haar heen. Vooral Judas. Eén persoon reageert niet negatief. Jezus. Hij wijst Maria niet af en geeft haar geen berisping.  Nee, zegt Hij: ‘Laat haar met rust, waarom vallen jullie haar lastig? Ze heeft iets goed voor Mij gedaan. Ze heeft mijn  lichaam nu al met olie gebalsemd. Dat heeft ze gedaan met het oog op mijn begrafenis.’

Ongemakkelijk. Zo voel ik me altijd een beetje bij dit verhaal. Wat Maria doet – ik vind het eigenlijk geen overweldigende liefde. Ik vind het eerder overdreven liefde. Voor Judas was het zelfs aanleiding om met Jezus te kappen. Weg met Hem! Wie vindt zulke verkwisting nou goed?  Ik wil niet Judas zijn. Maar waarom ben ik dan toch zo kritisch over Maria? Weet je, als ik kritisch ben op anderen, zeg ik vooral iets over mijzelf.

Maria heeft een hart vol dankbaarheid
Judas heeft een hart vol bitterheid
Maria komt met totale overgave
Judas komt met een verborgen agenda
Maria hoort wat Jezus zegt – en antwoordt met liefde
Judas hoort ook wat Jezus zegt – maar loopt weg en verraadt zijn Heer
Maria geeft zichzelf helemaal
Judas houdt alles voor zichzelf
Maria bedelft Jezus onder kussen
Judas verraadt Jezus met één kus

Op wie lijk ik? Overweldigende liefde  is een beetje raar. Maar echte liefde kost de gever altijd wat. Anders is het een gift – je doet het voor het goede doel en hebt er zelf niet echt last van. Maria geeft álles. Maria geeft zichzelf. Ze geeft zich helemaal. Hoe is dat met mij? Hoeveel hou ik van Jezus? Het allermeest van de héééle wereld?

1 Zes dagen voor Pesach ging Jezus naar Betanië, naar Lazarus die hij uit de dood had opgewekt. 2 Daar hield men ter ere van hem een maaltijd; Marta bediende, en Lazarus was een van de mensen die met hem aanlagen. 3Maria nam een kruikje kostbare, zuivere nardusolie, brak het flesje, goot de olie uit over zijn hoofd, zalfde de voeten van Jezus en droogde ze af met haar haar. De geur van de olie trok door het hele huis. 4 Sommige aanwezigen zeiden geërgerd tegen elkaar: ‘Waar is deze verkwisting goed voor?’ Judas Iskariot, een van de leerlingen, degene die hem zou uitleveren, vroeg: 5 ‘Waarom is die olie niet voor driehonderd denarie verkocht om het geld aan de armen te geven?’ 6 Dat zei hij niet omdat hij zich om de armen bekommerde – hij was een dief: hij beheerde de kas en stal eruit. 7 Maar Jezus zei: ‘Laat haar, ze doet dit voor de dag van mijn begrafenis; 8 de armen zijn immers altijd bij jullie, maar ik niet.’ 9 Ik verzeker jullie: waar ook maar ter wereld het goede nieuws verkondigd wordt, zal ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’ 10 Toen ging Judas Iskariot, een van de twaalf, naar de hogepriesters om hem aan hen uit te leveren. 11 Toen zij dit hoorden, waren ze opgetogen en beloofden ze hem geld te zullen geven. En hij zon op een mogelijkheid om hem op een geschikt moment uit te leveren. Johannes 12:1-8 + Markus 14:3b,4,9-11

Herkenning in de hemel – maar hoe?

Het boek “De jongen die in de hemel was” is sinds 2013 een beststeller in Nederland. Ook de film “Heaven is for real”  (in 2014 naar aanleiding van het boek verschenen) is al door duizenden mensen Burpo jongen hemel 2e drukbekeken. Waarom vinden mensen dit boek en deze film zo interessant? Omdat een vierjarig jongetje, Colton Burpo, tijdens een operatie een blik in de hemel heeft mogen werpen. Hij zegt dat hij daar Jezus gezien heeft en ook nog zijn overleden zusje en zijn al veel eerder overleden overgrootvader. Van het boek en de film kun je van alles vinden. Ik schreef op mijn weblog al voordat het boek een rage werd In de hemel is de Heer – en Colton heeft Jezus daar gezien. En wat ik van de film vind in vergelijking met het boek kun je lezen op Heaven is for real – een oppervlakkige film.

Hoe je ook over de ervaringen van de kleine Colton denkt, de twee vragen die veel mensen bezig blijft houden zijn:

  1. Hoe konkreet mogen wij ons een voorstelling van de hemel maken? Herken je daar echt je familie en vrienden weer, als ze tenminste gelovig zijn gestorven? Of kan dat niet, omdat je dan in de hemel ook mensen zou missen?
  2. Hoe betrokken zijn de gestorven gelovigen in de hemel met alles wat er hier op aarde gebeurt? Zien ze ons nog en leven ze intensief met ons mee? Of kan dat niet, omdat er dan ook verdriet in de hemel zou zijn?

Dat zijn vragen waar je lang over na kunt denken en eigenlijk nooit over uitgepraat raakt. Toch kun je er op grond van de Bijbel wel iets over zeggen.

1. De gelovigen in de hemel leven echt!

In de hemel leven de gelovigen echt. Want een mens bestaat uit lichaam en ziel. Als hier op aarde een mens sterft, worden die twee gescheiden. De ziel verlaat het lichaam en keert terug tot God, zegt Prediker. Jezus onze Heer zegt in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus, dat de engelen de zielen van de gestorven gelovigen naar de HERE God en de Heer Jezus toebrengen in de hemel. “En ik, Johannes, zag de zielen van hen die onthoofd waren omdat ze van Jezus hadden getuigd en over God hadden gesproken. Zij waren tot leven gekomen en heersten samen met de Messias duizend jaar lang.” Letterlijk staat er: “Zij leefden” (zo heeft de oude Statenvertaling het ook). Zij leefden namelijk na hun dood gewoon verder. Johannes zegt daarna: “Dit is de eerste opstanding. Gelukkig en heilig zijn zij die deel hebben aan de eerste opstanding. De tweede dood heeft geen macht over hen.” Die eerste opstanding is, om het zo te zeggen, het hemels leven van de gestorven gelovigen. Zij leven verder in de hemel, maar wel op een nieuwe manier. En het is een tijdelijke periode, want de hemel is niet onze eindbestemming. Het is eerder een prachtige wachtkamer. Want Jezus onze Heer neemt al Gods kinderen mee naar de nieuwe aarde als Hij terugkomt op de wolken.

In de hemel zijn de gestorven gelovigen dus zichzelf. Niet ‘gewoon’ zichzelf zoals hier op aarde, want hier op aarde beantwoordde ons leven niet volledig aan Gods doel. Dus is de herkenning in de hemel ook niet ‘gewoon’ een voortzetting van relaties zoals die hier op aarde was. Nee, alles staat dan in het kader van de relatie met onze hemelse Vader en met Jezus onze Heer. Daar gaat het om, en daarom schrijft Paulus ook: Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en is opgestaan, moeten wij ook geloven dat God door Jezus de doden naar zich toe zal leiden, samen met Jezus zelf. (1 Tess. 4:14). Hoe konkreet die herkenning is, daar kun je over twisten. Colton zegt dat hij in de hemel Jezus onze Heer gezien heeft én z’n overgrootvader én z’n overleden zusje. De één zal dit voor waar aannemen, de ander blijft zich afvragen of dat echt zo zal zijn. Ik wil graag doorgegeven wat een bekende stem uit het verleden hierover heeft gezegd. Het is Prof. Dr. H. Bavinck. Die schreef ruim 100 jaar geleden vier kloeke delen ‘Gereformeerde Dogmatiek’. In het laatste deel gaat hij in op dit thema. Op blz. 619 schrijft hij:

De hoop op het weerzien aan de overzijde van het graf is volkomen natuurlijk, echt menselijk en ook in overeenstemming met de Heilige Schrift. Want deze leert eeuwig leven van individuele mensen in dienst van Gods naam. De vreugde van de hemel ligt daarom wel allereerst in de gemeenschap met Christus, maar vervolgens toch ook in de gemeenschap met de zaligen onderling. Het hoogste wat Paulus wenste was, te sterven om bij Christus te zijn. Maar Jezus stelt zelf de vreugde van de hemel voor onder het beeld van een maaltijd, waar allen aanzitten met Abraham, Izak en Jakob. De hoop op het weerzien is daarom op zichzelf niet verkeerd, als zij maar ondergeschikt blijft aan het verlangen naar de gemeenschap van Christus.

2. De gelovigen in de hemel leven mee!

Maar wat doen de zielen van de gelovigen daar in de hemel? Vaak wordt gevraagd of er ook herkenning is en of de gelovigen die al bij de Heer zijn ons vanuit de hemel kunnen zien. Ook hierover kun je niet te veel met zekerheid zeggen, dus ik zou er wat voorzichtig mee zijn. Eén ding is wel zeker: de gestorven gelovigen die in de hemel zijn, leven mee met het wel en wee op de aarde. We hebben een wolk van geloofsgetuigen om ons heen die ons aanmoedigen in de wedstrijd van het geloof (Hebr. 12). In Openbaringen 6 hoort Johannes de zielen onder het altaar roepen: “Hoe lang duurt het nog, Heer Jezus, voor U terugkeert om ons bloed te wreken aan de goddelozen die op de aarde wonen?” De gelovigen in de hemel leven mee met wat er op aarde gebeurt. In het boek over Colton staat (op blz. 121), dat zijn grootmoeder heel blij is wanneer ze hoort dat haar vader, die nooit over z’n geloof praatte, toch in de hemel is. Ze vraagt zich af hoe het kan dat hij zijn achterkleinzoon die meer dan 25 jaar na zijn dood geboren is, in de hemel erkent. Is het een kwestie van meeleven en dus meekijken met wat er op aarde gebeurt? Of is het een aanvoelen van dingen waar wij hier op aarde vanwege de zonde geen antenne voor hebben? Ook hier schrijft Prof. Dr. H. Bavinck over in deel 4 van zijn dogmatiek (nog steeds blz. 619):

Anderzijds is het ook geen ongerijmde gedachte, dat de zaligen in de hemel verlangen naar de gelovigen die op aarde zijn. Al geeft de Schrift ons geen recht te geloven, dat de zaligen in de hemel alles weten wat hier op aarde gebeurt, toch is het waarschijnlijk, dat zij van ons als strijdende kerk hier op aarde minstens evenveel weten als wat wij hier op aarde van hen in de hemel weten. En dat weinige, gevoegd bij de kennis, die zij uit hun eigen herinnering bezitten en die misschien telkens door mededelingen van engelen en pas gestorvenen uitgebreid wordt, is voldoen om hen steeds met belangstelling te laten denken aan deze aarde en aan de machtige worsteling die hier gestreden wordt.

De laatste gedachtes van Bavinck vind ik wel wat speculatief. Volgens mij zegt de Bijbel er niet zoveel over hoe de gestorven gelovigen precies aan hun informatie komen. Eén ding weten ze wel: zij zijn boven binnen, terwijl de geloofsstrijd beneden op aarde verder gaat. Zelf zou ik het willen vergelijken met hoe wij geïnformeerd worden via radio en televisie over het wereldnieuws: we weten lang niet alles, maar genoeg om mee te leven en onder de indruk te raken. Zo mag je zeggen dat de gelovigen in de hemel in grote lijnen zien wat er op aarde gebeurt. Ze volgen als het ware het hemelse journaal van de wereldgeschiedenis. Daarom vragen ze ook aan de Heer Jezus of Hij snel een einde wil maken aan de vervolging van de christenen.

3. De gelovigen in de hemel kijken uit naar de nieuwe aarde!

Veel christenen, en ik ook, zouden graag een blik in de hemel willen werpen. Toch is het belangrijk om voor ogen te houden, dat de hemel niet het mooiste en belangrijkste mag zijn waar je als gelovige naar uitziet of waar je jezelf en anderen mee kan troosten. De hemel is niet onze eindbestemming. De gestorven gelovigen wonen daar na hun sterven maar tijdelijk. Pas ná de jongste dag keert het paradijs op aarde weer terug. Dán krijgen al Gods kinderen ook een nieuw, perfekt en volmaakt lichaam terug. Na de jongste dag breekt de tijd aan, dat de hemel en de aarde weer bij elkaar horen. Dan wordt de aarde weer paradijs, net als in het begin. Dan is het contact en de relatie met God de Vader en met Jezus Christus eindelijk 100%. En komen alle mensen volledig tot hun recht. Ja, iedereen zal daar helemaal tot bloei komen. Ieder zal zijn of haar gaven en talenten volledig benutten. Je zult er volledig jezelf kunnen zijn. Maar juist op de nieuwe aarde betekent ‘jezelf zijn’ ook: ‘er helemaal voor God de Vader en Jezus Christus zijn’. Want Zij staan in alles centraal: “In de stad zal de troon van God en van het Lam staan en zijn dienaren zullen Hem daar vereren.” (Openbaring 22:3) Dáár gaat alles om in de hemel en op de nieuwe aarde. Dat maakt het leven tot een eeuwig feest. Want wat zal het een feest zijn om voor altijd samen met God en Jezus te zijn!

Afgeslacht door ISIS – 21 nieuwe zielen erbij aan de voet van het altaar

“Ik zag aan de voet van het altaar de zielen van al degenen die geslacht waren omdat ze over God hadden gesproken en vanwege hun getuigenis.”  (Openbaring 6 vers 9)ISIS - 21 koptische christenen icoon 2“Opdat wij niet vergeten.” Bij die uitdrukking denken we aan de Tweede Wereldoorlog. De gruweldaden van Nazi-Duitsland, vooral de genocide van zes miljoen Joden en de dood van honderdduizenden andere slachtoffers van dat regime, mogen nooit vergeten worden.

Eind februari – begin maart was de Syrisch-Orthodoxe patriarch Aphrem II in ons land. Hij is het hoofd van ruim 1,5 miljoen christenen die oorspronkelijk uit het Turkije, Syrië en Irak komen. Er wonen 9.000  syrisch-orthodoxe christen in Nederland. Daarom is patriarch Aphrem II bij ons op bezoek. Gisteren was hij in Den Haag in de Tweede Kamer. Dit is wat hij de regering en het parlement voorhield: “De Westerse wereld is de christenen in het Midden-Oosten volledig vergeten.”

Dat maakte indruk op mij. Net als de beide schilderijen die in deze weblog staan. De christenheid in het Midden-Oosten heeft het extreem moeilijk. Waar is de betrokkenheid van de Nederlandse samenleving?  Die is, denk ik, echt ongeïnteresseerd geworden. Dat heeft een reden. Omdat meer dan de helft van onze bevolking in de afgelopen 50 jaren gefrustreerd afstand genomen heeft van het christelijk geloof en ‘de kerk’ met machtsmisbruik en bekrompenheid associeert, hebben de opiniemakers een blinde vlek gekregen voor het lot van vervolgde christenen. En wie daar aandacht voor vraagt, wordt weggezet als aanhangers van het CDA en de ChristenUnie die alleen maar aandacht vragen voor mede-christenen.  Maar als ik naar christelijk Nederland kijk, vraag ik mezelf af: waar is ons gebed? Wat doet het ons, dat onze medechristenen zo gruwelijk worden vervolgd en vermoord? En hoe reageren we daarop?

Een paar dagen na de onthoofding van 21 koptische christenen door ISIS in Libië maakte een Egyptische kunstenaar een schilderij. Het stond op een weblog van een diaken van een koptische kerk in Amerika (zie From Orange Jumpsuits to White Robes).  Zijn vrouw had er een artikel bij geschreven. Ze had de video zelf niet willen zien – en ik ook niet. Maar, schreef ze, mijn man heeft het wel gezien en hoorde de Artwork by: Wael Mories21 mannen als laatste uitroepen: “Ya Rabbi, Yasooah” (Mijn Heer, Jezus) en “Yasooah” (Jezus). Tot in de dood zijn ze Jezus trouw gebleven en Hem gevolgd. Zo brengt Petrus het onder woorden (1 Pe. 2:21-23): Ook Christus heeft geleden, om uwentwil, en u daarmee een voorbeeld gegeven. Treed dus in de voetsporen van Hem die geen enkele zonde beging en over wiens lippen geen leugen kwam. Hij werd gehoond en hoonde zelf niet, Hij leed en dreigde niet, Hij liet het oordeel over aan Hem die rechtvaardig oordeelt. Zo staat het op dit schilderij. Hij ging voorop. In een oranje overall. Tot in de dood. Dat is wat Jezus zijn volgelingen opdraagt én wat Hij zelf voor zijn volgelingen gedaan heeft. En dus, omdat ze Jezus trouw bleven tot in de dood, kregen deze 21 koptische christenen uit Egypte in plaats van een oranje overall een wit gewaad. Zo staat het in Openbaring 6 vers 11a: Ieder van hen kreeg witte kleren. Op aarde hadden zij, symbolisch, hun kleren al gewassen in het bloed van het Lam. Ze zijn trouw gebleven aan hun Heer, zelfs met het mes op de keel. Dus ontvangen ze in de hemel het feestkleed  uit de handen van hun Heer. Maar er staat nog iets. De zielen aan de voet van het altaar aan God vragen: ‘O heilige en betrouwbare Heer, hoe lang duurt het nog, voordat U de mensen die deze gruweldaden begaan hebben, zult straffen?’ En dan krijgen zij het verbijsterende antwoord: ‘Nog even geduld, want het getal van de martelaren is nog niet vol.’ (Openbaring 6 vers 11b)

Hier op aarde denk ik dan al gauw: niet alleen de westerse wereld, maar God Zelf heeft zijn kerk in het Midden-Oosten vergeten! Want waarom grijpt de Heer niet in? Het kost mij moeite om vraag, net als de zielen aan de voet van het altaar, bij God Zelf neerleggen en daar te laten.

Ondertussen lees en hoor ik, hoe de koptische kerk en de koptische christenen aan alle kanten, tot in de interviews van de 21 weduwen toe, een heel ander geluid laten horen dan de moord en dreiging blazende ISIS-strijders die niets anders willen dan dood en verderf zaaien. Net als de vrouw van die koptische christen bij het schilderij, zeggen ze allemaal: hier op aarde moeten wij onze vijanden liefhebben en bidden voor wie ons vervolgen, want alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel, heeft Jezus Zelf gezegd. Ik las op internet de volgende reaktie van een priester van de Koptische kerk richting de moordenaars van ISIS: “Toch houden we van jullie, omdat jullie deel zijn van Gods schepping. We blijven voor jullie bidden. Wat jullie gedaan hebben – daarmee hebben jullie ons geen kwaad aangedaan, maar heb je alleen maar jezelf beschadigd.” En de koptische paus Tawadros II riep binnen een week de 21 koptische gastarbeiders officieel uit tot martelaren van de kerk. Hij deed er diezelfde oproep bij om met liefde te antwoorden op deze gruweldaad. Want als christen weet je toch, dat God eens de ultieme Rechter zal zijn.

Ik weet niet of ik uit mezelf die vergevingsgezindheid zou kunnen opbrengen als mijn geliefden iets heel ergs aangedaan wordt. Volgens mij zijn wij hier in het Westen allemaal mensen met een kort lontje geworden. God is totaal anders. Hij heeft eindeloos geduld. Maar als zijn geduld op is, berg je dan maar. Openbaringen 6 eindigt met de dag dat God en Jezus alles recht zullen zetten. Die dag wordt ‘de grote dag van hun toorn’ genoemd. Je kunt je afvragen, of het wel past God de Vader en bij Jezus onze Heer dat ze in boosheid uitbarsten. Daarover zou ik het volgende willen zeggen. Bedenk deze drie dingen:

1/ Als ik nadenk over Gods toorn, begrijp ik weer des te beter hoe afschuwelijk God de zonde vindt. Er is bij Hem sprake van rechtvaardige boosheid.

2/ Als ik nadenk over Gods toorn, wil ik weer des te meer God zo te dienen, als Hij dat graag wil, met eerbied en ontzag. Er is bij Hem sprake van ontzagwekkende heerlijkheid.

3/ Als ik nadenk over Gods toorn, raak ik weer des te dieper onder de indruk van zijn liefde voor mij. Want om mij van de eeuwige ondergang te redden liet Hij Jezus eerst op aarde komen om aan het kruis te sterven. Zelfs in het eindoordeel wordt Jezus aangeduid als ‘het Lam dat eruit ziet alsof het geslacht was’. Dat is het eerste waar God mee komt. Hij laat Jezus in mijn leven komen om mij het geloof te geven. Er is bij Hem sprake van royale genade!

Als ik dat laatste geloof –royale genade–, hoef ik voor dat eerste niet bang te zijn – rechtvaardige boosheid–, maar durf ik ondanks de serieuze werkelijkheid van zijn toorn, toch volledig op Hem vertrouwen – ontzagwekkende heerlijkheid.  Want wat God in zijn liefde doet, doet Hij graag. En wat Hij in zijn toorn doet, doet Hij met tegenzin. Maarten Luther zei al, dat God zijn rechterhand gebruikt om liefdevol om de mensen heen te slaan en zijn linkerhand om de mensen te straffen, en dat Hij zijn beide handen niet op dezelfde manier gebruikt. Een liefdevolle God die met zijn oordeel komt – het is voor ons moeilijk te kombineren. Maar voor God niet. Gelukkig maar.

Bij het eerste schilderij: Op 21 februari verklaarde de koptisch paus Tawadros II de 21 koptische christenen die door ISIS vermoord zijn, tot martelaars en heiligen. Zij zullen elk jaar op 15 februari herdacht worden. Tony Rezk, een Egyptische kunstenaar die in Virginia – Amerika woont, schilderde op 21 februari deze icoon van de 21 martelaren, waarvan er 20 uit Egypte kwamen en 1 uit Ghana. Naast witte gewaden ontvingen zij uit de hand van de engelen ieder een gouden kroon.
Bij het tweede schilderij: Op 15 februari 2015 liet ISIS een barbaarse video zien van de onthoofding van 21 Egyptische gastarbeiders in Libië aan het strand van de Middellandse Zee. Zij waren allemaal koptische christenen op zoek naar werk. De Egyptische  kunstenaar Wael Mories, zelf een koptisch christen uit Caïro, plaatste op 16 februari een indrukwekkend schilderij  van deze gruwelijke moordpartij op zijn Facebook-pagina. Jezus ging, in oranje overall, voorop zonder een ISIS-strijder achter Hem. Hij nam opnieuw vrijwillig zijn kruis op.
Deze blog is als overdenking uitgesproken tijdens de Middag-Pauze-Dienst op 4 maart 2015 in de Bethelkerk (de voormalige Joodse synagoge) aan de Groningerstraat in Assen.

Een kleine stap in een bepaalde richting: een vrouw op de kansel in de GKV

Ineke Baron preekt in GKVZondag 31 mei 2015 is het zover. Ineke Baron, lid van de GKV van Haulerwijk en gevangenispastor in Veenhuizen, mag de preek verzorgen in een kerkdienst van haar eigen gemeente. Ze doet dit in het kader van haar stage, want ze volgt een opleiding theologie (eerst aan de Theologische Universiteit in Kampen en nu aan het Baptisten Seminarium in Amsterdam) en daar hoort ook het maken én houden van preken bij. Omdat deze stagepreken op video moeten worden vastgelegd en dat in de gevangenis van Veenhuizen niet is toegestaan, heeft Ineke gevraagd of zij, onder verantwoordelijkheid van de kerkeraad en de predikant die voorgaat, de preek mag verzorgen. Daarin heeft de kerkeraad van Haulerwijk na zorgvuldig onderzoek toegestemd.

‘Het is maar stage’ of ‘de strijd is nu beslecht’?

In de landelijke pers werd het nieuws gisteren, 4 maart 2015, bekend en ook meteen, gevraagd of ongevraagd, van kommentaar voorzien. Volgens het Nederlands Dagblad heeft ds. Paul Voorberg, in 2014 voorzitter van de Generale Synode, geen moeite met dit besluit. Het staat, zegt hij, “duidelijk in het kader van haar opleiding en niet in het teken van de vrouw in het ambt, dus laten we hier niet teveel aan ophangen.” Een heel ander geluid laat JT horen op de site werkenaanheid. Hij stelt (overigens onder de nogal denigrerende kop Ach, alleen maar een onderdeeltje van haar opleiding…?) dat nu in de praktijk de wissel richting de vrouw in het ambt is omgegaan. Want Ineke Baron heeft het verzoek ingediend om te mogen preken in een officiële kerkdienst. Zij wil dus graag Gods Woord verkondigen in een publieke eredienst. Volgens de Heidelbergse Catechismus is de verkondiging van het heilig evangelie in de kerkdienst één van de sleutels van het koninkrijk der hemelen. Nu mag een vrouw tijdens haar stageperiode voorgaan in het brengen van Gods Woord vanaf de kansel. Als je dat toestaat, wordt het wel heel moeilijk om uit te leggen dat een vrouw dat in andere situaties niet mag.

Ik denk de “werkenaaneenheid” hierin gelijk heeft. Als je als kerkeraad iemand toestemming geeft om in het kader van een preekstage op zondag voor te gaan in de kerkdienst, laat je hem of haar publiek Gods Woord verkondigen. Dat vind ik toch echt een andere setting dan een proefpreek die een student in de collegezaal houdt. Preken op zondag is toch duidelijk een stap verder. Dan ga je voor het ‘eggie’. Vroeger noemden we dat spreekconsent en moest je daar bij de classis eerst een examen voor afleggen. Tegenwoordig mogen studenten alleen in gemeentes preken als ze door de Universiteit hiertoe geschikt bevonden zijn. En die stage-preken staan allemaal in het kader van de opleiding tot predikant binnen de GKV (of het nu gemeentepredikant of gevangenispredikant is).

Er wordt wél een stap gezet

De kerkeraad van Haulerwijk zegt, dat hij met synode om nog geen ruimte te laten voor vrouwelijke ambtsdragers, ter discussie wil stellen. En dus verbaast de raad zich erover, dat dit zo breed uitgemeten wordt in de pers. Formeel heeft men in Haulerwijk gelijk. Ineke Baron is niet aangesteld tot ambtsdrager. Ze heeft alleen maar een stageadres nodig in het kader van haar opleiding  tot gevangenispredikant. Maar daarmee kun je niet zeggen: en dus is er niets aan de hand. Voor het eerst krijgt binnen de GKV een vrouw officieel toestemming van een kerkeraad om vanaf de kansel het evangelie te verkondigen. Onder begeleiding van een predikant, dat wel, maar dat gaat altijd zo in een stageperiode. (Even tussen haakjes: Ineke Baron zal volgens het ND alleen het inhoudelijke deel voor haar rekening nemen – dat zal toch betekenen dat ze hele dienst leiden? Want ik neem aan dat de zegen, het gebed, de bijbellezing en de liedkeus net zo inhoudelijk zijn als de preek zelf) Daarmee wordt, of men het nu wil of niet, een bepaald signaal afgegeven, namelijk: binnen de GKV mogen vrouwen in principe voorgaan in kerkdienst. De kerkeraad van Haulerwijk kan niet oprechte verbaasd zijn over alle aandacht die men nu krijgt, tenzij men grenzeloos naïef geweest is in het verlenen van toestemming aan Ineke Baron om te mogen preken. En dat is niet het geval, heb ik begrepen, want ze zijn niet over één nacht ijs gegaan.

Een klein stap in Haulerwijk – een grote stap binnen de GKV?

Je kunt er van alles van vinden, van dit besluit. Hoe je het ook wendt of keert , een vrouw gaat het woord doen op zondag 31 mei in de morgendienst die door de kerkeraad de GKV van Haulerwijk belegd wordt. De een zal het een teken van zorgvuldigheid vinden. De ander een teken van verval. Zelf zie ik het zo: we zitten als GKV-kerken in een proces waar we pas echt aan begonnen zijn met het rapport M/V uit 2013 en alles wat dat losmaakte op de Generale Synode van 2014  en binnen de kerken. Nu wordteen stap gezet die een bepaalde richting uitwijst. Die stap sluit aan bij het advies dat prof. dr. A.L.Th de Bruijne aan de GS van 2014 pleitte ervoor, dat de synode de noodzaak zou erkennen “om vrouwen meer dan tot nu toe gebruikelijk in te schakelen bij taken die begrepen kunnen worden in het verlengde van Bijbelse taken waarin vrouwen ook al deelden (prediking, pastoraat, organisatie, vergaderen)” en uit te spreken dat de plaatselijke kerken in beginsel vrij zijn om daarin stappen te zetten.” Tegelijk vond hij dat de synode de plaatselijke kerken moeten oproepen “om daarbij zoveel als mogelijk nog terughoudend te zijn met de neiging dergelijke taken te institutionaliseren tot ‘ambt’ en te wachten op bredere consensus binnen de kerken als geheel (in welke richting dan ook).”

Ik denk dat de kerkeraad van Haulerwijk zich helemaal in het spoor van dit advies begeven heeft.

Mijn eerdere blogs over de diskussie rondom de vrouw in het ambt zijn:

Welke G/geest is er uit de fles? – 20 mei 2014; Geestelijke wijsheid i.p.v. ongeduld of afstel bij vrouw in ambt – 9 juni 2014; Appel aan de synode over het besluit ‘M/V in de kerk’ – 17 juni 2014

Op weg naar Pasen het Johannes-evangelie in de Bijbel in Gewone Taal lezen

NBG Bijbel in Gewone Taal“Dominee, hebt u dat leesrooster nog waarin je het hele bijbelboek Johannes tot aan Pasen kunt lezen in de Bijbel in Gewone Taal? U deelde die gistermiddag uit in de kerkdienst waarin we de BGT-bijbelquiz deden. Ik wil die graag gebruiken als ik ’s avonds voor mezelf uit de Bijbel lees.” Dat mailde een jongere me vandaag. Ik antwoordde:  “Jazeker, ik neem er vanavond nog wel wat mee naar catechisatie.” Pasen 2015 leesrooster Johannes BGT - deel 1

Het gaat om het leesrooster dat in de uitgave van het Johannes-evangelie in de Bijbel in Gewone Taal staat. Die is op 12 februari door de EO en het NBG verspreid onder alle abonnees van de EO-Visie. Je kon ook extra exemplaren aanvragen, maar de belangstelling was zo groot, dat men er vóór de middag al helemaal doorheen was. Dus heb ik het leesrooster maar ingescand, gekopieerd en zondagmiddag verspreid. Als je op 19 februari begint, kom je precies op Tweede Paasdag  bij het slot van Johannes uit. Ik zou zeggen: doen! Als je op de volgende link klikt, krijg je het rooster op A4. Uitprinten en lezen maar!

Pasen 2015 leesrooster Johannes-Evangelie BGT in 47 dagen