Trouwde Kaïn met zijn zus of met een vrouw uit de clan van Adam en Eva?

Gijsbert van den Brink schreef het boek En de aarde bracht voort. Daarin doet hij een poging om het orthodox-christelijk geloof en de gangbare evolutietheorie te laten samengaan. In hoofdstuk 7.5 van zijn boek behandelt Van den Brink het onderwerp De zondeval in een evolutionaire context (blz. 235-242). Hij is van mening dat de mensheid niet van één echtpaar kan afstammen, maar moet zijn voortkomen uit één relatief kleine populatie van zo’n 10.000-12.500 individuen in Afrika zo’n 200.000 jaar geleden, die samen de homo sapiens vormden. Pas veel later, ongeveer 45.000 jaar geleden, vindt er een plotselinge explosieve toename plaats van menselijke creativiteit en van religieus bewustzijn plaats. Het is niet vreemd of strijdig met de Bijbel, aldus Van den Brink, om te veronderstellen dat deze ‘culturele oerknal’ (blz. 236) ontstaan is doordat “God één van de vele geëvolueerde hominiden verkoos, deze de cognitieve sprong naar het echte mens-zijn liet maken en [hem] met zijn beeld toerustte” (blz. 238), waardoor hij een hoog genoeg ontwikkeld bewustzijnsniveau verkreeg om besef te hebben van transcedentie, van het bestaan van God en van wat goed en kwaad is. Daarbij staan Adam en Eva voor de eerste groep mensen die door hun Schepper persoonlijk werden aangesproken. Dat past bij het beeld dat bv. Paulus geeft van Adam en Eva als verbondshoofden en representanten van de mensheid. Dat geldt niet alleen voor hun nakomelingen, maar ook voor hun tijdgenoten, aldus Van den Brink.

In zijn samenvattende slothoofdstuk 10 Terugblik en vooruitblik brengt Van den Brink het op blz. 330 als volgt onder woorden: we moeten Adam en Eva “niet beschouwen als de enige toenmalige mensen. Ze kunnen beter gezien worden als de leiders -of vanuit theologisch perspectief: de verbondshoofden- van de eerste groep mensen die, vermoedelijk door een exponentiële verruiming van hun bewustzijn (een ‘cognitieve explosie’), de mogelijkheid ontving om een bewuste relatie met God aan te gaan.”

In noot 87 op blz. 237 schrijft Van de Brink vervolgens: “Natuurlijk strookt dit ook met vermeldingen uit Gen. 2-4 waaruit blijkt dat er meer mensen bestonden dan alleen Adam en Eva, zoals Kaïns vrouw (Gen. 4:17) en allen voor wie Kaïn bang was (Gen. 4:14), plus degenen voor wie hij een stad bouwde (Gen. 4:17).”

De suggestie dat deze bijbelse gegevens aanvullend bewijs zouden kunnen zijn voor de bewering dat Adam en Eva het aanspreekpunt waren voor een groep hominiden die God heeft uitgekozen om mens te worden naar zijn beeld, zijn naar mijn mening nogal zwak. Genesis 1-3 gaat er namelijk van uit, dat Adam en Eva als mensenpaar geschapen zijn. Pas na de zondeval in Genesis 3 krijgen Adam en Eva kinderen. Dat alle mensen op deze wereld uit dit echtpaar voortgekomen zijn, is vanuit vier gezichtspunten aannemelijk te maken.

1/ De biologie

Vanuit de biologie, en dan met name de biogeografie is aangetoond dat uit twee exemplaren die door omstandigheden geïsoleerd geraakt zijn, een complete levensvatbare populatie met uiteindelijk genoeg genetische variatie kan ontstaan, zodat het bezwaar van inteelt ondervangen wordt. In zijn boek Het lied van de dodo (Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1998) geeft David Quammen hiervan enkele voorbeelden.

Zowel de schepping van één mensenpaar als het feit dat Kaïn na de moord op zijn broer Abel samen met één van zijn zussen gevlucht is en zich elders heeft gevestigd, is dus een even aannemelijke mogelijkheid.

2/ De archeologie

Vanuit de archeologie en ook vanuit de taalwetenschap is aangetoond dat de term ‘stad’ niet in de eerste plaats duidt op een plek waar duizenden mensen tegelijk wonen, maar eerder op een vaste, omheinde, min of meer veilige plaats waar een aantal mensen zich blijvend gevestigd hebben. Dit in tegenstelling tot een dorp, zoals bv. uit Leviticus 25:31 duidelijk wordt. In zijn boek De Israëlitische stad (Uitgeverij Kok, Kampen, 1984) geeft C.H.J. de Geus aan, dat er in het Midden-Oosten in de vier millennia voor de christelijke jaartelling vooral sprake was van ‘kleinschalig urbanisme’ en dat ook agrarische nederzettingen met een wachttoren aangeduid werden als een stad (vgl. 2 Kon. 17:9) – zie ook R. De Vaux, Hoe het oude Israel leefde II, Uitgeverij J.J. Romen & Zonen, Roermond/Maaseik, 1961).

3/ De theologie

Vanuit de theologie kan ook nog worden aangedragen dat de toezegging van onsterfelijkheid die God aan de niet-gevallen mensheid heeft gedaan, ook voor de lichamelijke, natuurlijke dood gold. Pas wanneer de mens zou zondigen door van de vruchten van de boom van de kennis van goed en kwaad te eten, zou hij op die dag ‘voorzeker’ (NV’51) / ‘onherroepelijk’ (NBV) sterven (Gen. 2:17). Toch gebeurde dat niet en werden de eerste generaties mensen ongeveer 10x zou oud als tegenwoordig. Dat kan uitgelegd worden als een stuk genade van God, die als gevolg van de ongehoorzaamheid van de eerste mensen niet meteen zijn hele schepping laat vallen, en dus ook niet Adam en Eva niet meteen dood neer laat vallen. Hetzelfde geldt voor het feit dat Kaïn met zijn zus kon trouwen: de genetische degeneratie, waardoor er verhoogde risico’s op inteelt ontstaan, en die er mede de oorzaak van is dat een huwelijk tussen nabije bloedverwanten als on-etisch beschouwd wordt, was toen nog niet van toepassing. Peter Scheele schreef hierover het volgende boek: Degeneratie – het einde van de evolutietheorie, Uitgever Buijten en Schipperheijn, Amsterdam, 1997.

4/ De wiskunde

Tenslotte kan vanuit de wiskunde aangetoond worden dat een populatie zich binnen een korte periode explosief kan vermenigvuldigen. Volgens een betrouwbare berekening kom je dan tot de volgende aantallen:

In het jaar 130 na de zondeval 340 mensen (Kaïn slaat Abel dood – Gen. 4:8 i.c.m. Gen. 4:25)

In het jaar 250 jaar na de zondeval 27.023 mensen (‘In die tijd begon men de naam van de HERE aan te roepen’ – Gen. 4:26)

In het jaar 500 jaar na de zondeval 246.459.607 (korte tijd voor de geboorte van Henoch)

Daarbij ga ik uit van de volgende parameters:

  • 30 jaar = eerste kind (zie Gen. 11:14,18,22)
  • gemiddeld aantal kinderen = 30 per vrouw
  • gemiddeld 50% jongen/ 50% meisje
  • interval: één kind per vijf jaar (ervan uitgaande dat een vrouw weer vruchtbaar was nadat het kind van de borst af was – Gen. 21:8)
  • geen ingewikkelde complicaties meenemen zoals tweelingen / één man + twee vrouwen zoals Lamech / vroegtijdig overlijden of heengaan zoals Abel of Henoch (1 kind per 5 jaar is een ruime marge)
  • kruiselings in de stamboom kunnen een man en vrouw ook kinderen krijgen (vroege 4e generatie-man trouwt met late 3e generatie-vrouw)
  • gemiddelde leeftijd in de generaties tot de zondvloed 900, dus tot 500 jaar na de zondeval is het aantal sterfgevallen niet noemenswaardig van invloed

Samenvattend: Gijsbert van den Brink kan zich voorstellen dat Adam en Eva de stamleiders waren van een groep hominiden aan wie God collectief het vermogen gaf om in een bewuste wederkerige relatie met Hem te leven (blz. 237). Of dit werkelijk een aannemelijke hypothese is op grond van de gegevens die de wetenschap ons aanreikt, blijft voor mij een open vraag. Maar het gaat mij beslist te ver om als aanvullend argument te stellen, dat deze hypothese “natuurlijk strookt” met de gegevens uit Genesis 4, waarin ook meer mensen voorkomen dan Adam, Eva en hun twee zonen Kaïn en Abel.

Dit artikel is een essay dat geschreven is n.a.v. het boek van Gijsbert van den Brink als opdracht in het kader van de PEP (Permanente Educatie Predikanten). De wiskundige berekening is van de hand van dhr. G.J. Leeftink, derdejaars student AM -Advanced Mathematics- aan de Universiteit Twente.

Groningers in 1834 over Hendrik de Cock en de Afscheiding (deel 1 – Grunneger Roeker)

Op 1 december 2017 was ik in Kampen aanwezig bij de promotie van dr. Jan-Henk Soepenberg. Hij promoveerde die dag met het proefschrift ‘Op ongebaande wegen’ – een studie over ‘De Afscheiding in Amsterdam (1835) als landelijke proeftuin voor vrije kerken’. Tijdens de plechtigheid stelden verschillende opponenten kritische vragen aan de promovendus. Daarin kwam onder meer het beeld naar voren, dat ‘hervormden’ en ‘afgescheidenen’  elkaar soms behoorlijk wisten uit te schelden.

Grunneger RoekerDat herinnerde mij aan twee brochures uit 1834 waarin in het Gronings gereageerd wordt op de Afscheiding in Ulrum die in dat jaar plaats vond onder leiding van Hendrik de Cock. Ik heb die brochures ergens eind jaren ’80 / begin jaren ’90 in het archief van de ‘andere’ Theologische Universiteit aan de Oudestraat gevonden en laten kopiëren. Het is misschien wel aardig om te vertellen hoe dat ging. Ik zat wat te bladeren in de brochure ‘De dogmatische beteekenis der “Afscheiding” ook voor onzen tijd’ van dr. K. Schilder, een ‘uitgave van J.H. Kok N.V. te Kampen in het eeuwjaar der Afscheiding 1834’. Daarin wees Schilder erop, dat er in de tijd van de Afscheiding tientallen brochures verschenen zijn van voorstanders, tegenstanders en buitenstaanders zijn verschenen (blz. 20). Meer dan dertig ervan noemt Schilder dan met vindplaats in noot 98 (van blz. 52 t/m blz. 57!). Toen ik daar eens wat in zat te struinen, zag ik opeens, dat Schilder niet alleen een Groningse brochure noemde, maar van deze “Grunneger Roeker” zelfs bijna één hele pagina aanhaalde. Blijkbaar vond de grote K.S. het bijzonder komisch dat de kerkstrijd rond de Afscheiding zelfs in het Groningse dialekt werd uitgevochten! Mijn interesse was direkt gewekt, dus ik heb eerst tevergeefs in de vrijgemaakte bibliotheek aan de Broederweg en daarna met sukses in de synodale bibliotheek aan de Oudestraat deze brochure opgeduikeld. Maar dat was nog niet alles! Die “Grunneger Roeker” zat in een samengevat bundeltje met nóg twee Groningse brochures uit 1834. De eerste heette “IJn gesprek tusschen Pijteroom Oetverkoren en Paul, op ijne avond verziete, over het riek der waarhaid. (op riem.) deur Paul zölf beschreven.” En daarna volgde nog “Jaapks Raize naa domenei Kok. Op ein einvaudige wize deur hom zölf beschreven. (op riim).”
De ‘Grunneger Roeker’ is het kortst (8 pagina’s), het meest recht voor z’n raap en bevat ook het beste Gronings. ‘Pijteroom Oetverkoren’ is behoorlijk langdradig (28 pagina’s) en gaat niet over de Afscheiding maar, zoals de titel al verraadt, over de uitverkiezing. ‘Jaapks Raize’ gaat wel weer over de ‘Cockse twisten’, maar is ook wat aan de lange kant (15 pagina’s). Benieuwd naar de inhoud van die twee vlugschriften? Hier komt de ‘Grunneger Roeker’. Binnenkort volgt ‘Jaapks Raize’.

De ondertitel van deze brochure (‘Ook al over de Kockerij op de Groote Hofstede van Peiter’) verwijst, zoals ook K. Schilder op blz. 55 zegt, naar Petrus Hofstede de Groot, in die tijd professor theologie in Groningen en naar Hendrik de Cock, die in het gedicht ook een paar keer ‘de Haan’ genoemd wordt.

Op de binnenkant van de titelpagina staat een stichtelijke, of beter gezegd, een wat spottende bijbeltekst, nl: Ick sal dreck op uwe aengesichten stroyen. MAL. II. 3b.

En daarna start de anonieme schrijver zijn vijf pagina’s lange betoog!

( 3 ) VERMANING AN DE LEERAARS VAN DE REGFERMEIRDE KERKE.

Leive mensken! “wat viktorie!” | Ropt de Duvel nou in glorie, | Nou er zoveel leipe kwanten | Met zoo veule DÖRDSE Santen | Striiden over ’t waar geloof, | Schreiven mensk en beisten doof.

Wat bedut dat tiren, razen? | ’t Strekt tot spot van spottersbazen: | Ook dat zeut Perfessers flaiten, | Nog te duur veur olle daiten. | ’t Hekelriim, dat teunt genoug, | Hou men spot in stad en loug.

( 4 ) Wil men kristen-vrijhaid preken; | Laat men dan as mannen spreken, | Rond en flink en zönder flaijen | Zönder boegen, vringen, draijen; | “Förmeleiren! weg d’er met! | ’t Bibelwoord! allein de Wet!”

Das het wark van brave luden. | Mou’k dat wiizen nog beduden? | Leeraars! Leeraars! laat jou raden; | Holt jou an de Bibelbladen! | En holt met het plooijen op! | Of getroost jou schop op schop.

( 5 ) GROOT MIRAKEL. |DOL SPEKTAKEL.

Tot veurdeil van de Zundagschoulen, | Kiik het volk bij heile boulen!

Holla! wönder boven wönder! | Sla de blixem veur de dönder! | Jonge! en maak mij wat roem baan! | Ans mou’k van benauwdhaid stikken, | En verdold in ’t ronde flikken: | PEITER krait, nou krit DE HAAN!

Ons Perfessertien gong denken | (Zolt ziin harsenties ook krenken?) | Veir gedachten achter ein. | Kanst ze op veirtig ziidties lezen. | Vast wordt nou DE HAAN genezen: | PEITER snidt hom van de stein.

I “Bist de grootste gek der gekken, | (Heurst mij? HAAN!) en al diin bekken | Teunt, dou kenst de Geist nog neit. \ “Altiid mouten wie jae vedder, | ’t Schaap neit slegs, maar ook ziin Hedder. | II Zweur hij ans; das nix,” zegt PEIT. | ( 6 ) “Eiden mag men soms wel breken. | III En heufst na diin eid neit preken, | Ast hom deest an Kerkeleer. | IV Maar zoo is bij ons nooit zworen; | Schoon daar as Sunt Martens toren | ’t Förmeleir stait, Dört ter eer.”

Zoo kan PEITER disserteiren! | En de schuld glad weg pergeiren, | Dei DE HAAN op Leeraars smeet. | BRAUWER en REDDINGIES zamen | Smaakt het preuvien, zeggen: “Amen.” | En DE HAAN, dei löst een sch..t.

( 7 ) EN PRATIEN OVER ‘T STOKKIEN. | Hest ’t heurt; neem dan en klokkien.

(DERK en EVERT staan te praten | ’t Schimpen keunen bai neit laten.)

EVERT.

Hest het boukien lezen? | Waarin wordt bewezen, | Dat en Predekant, | Het hij zok verkeken; | Driest ziin eid mag breken | Zunder schade of schand.

Waarin daarbeneven | Ook nog stait beschreven | ’t Förmeleir van DÖRT, | Dat al de olle Doomnijs | Teikenden, as Oom eis, | Na ’t examen vort:

Waarbij dat ze zweuren | Nooit gien taal te veuren | Tegen DÖRDREGS leer! | In dat zulfde boukien | Stait (knap ’t as en koukien, | Walgt dij ’t neit te zeer.)

Denk reis an! met wanten! | Dat de Predekanten | Nooit in onze Kerk | ( 8 ) Zok an leer verbönden, | Deur de mensk oetvönden! | Hou liikt dij dat? DERK!

DERK.

Wip de Vent in ’t kakhoes | Met ziin vrome bakhoes, | Dei het volk beschit. | Laat hom spottrend spartlen; | En schreivt hij: +”das martlen!” | Vraag: wat HAAN al lidt.

Wil hij ’t volk beschiiten; | Laat dan hom ook kriiten | Midden in de stront. | Ropt hij: ” ‘k wil ’t neit weer doun!” | Help dan, zunder zeer doun. | Zoo maakst ’t nix te bont.

Wist dij neit de Classis, | Dat dit krek van pas is? | Hol dij driest daar an: | ’t Bin jae vrome Heeren, | Dei ons zuver leeren, | Hou het mout en kan.

Mout zij suspendeiren, | Dei neit om wil keiren, | Wat hom waarhaid is; | Wel zol ’t dan bekiiven, | Datst en zwiin latst driiven | In ziin drek en pis?

Niedrig und bescheiden – net als Jezus Zelf

– op bezoek bij de Evangelisch Reformierte Kirche in Neuhofen a/d Krems –

know-jesus-t-shirt-c28-1.pngOok in Oostenrijk en Zwitserland bestaan een aantal kleine gereformeerde kerken. Afgelopen maand, op zondag 19 november, bezocht ik in mijn vrije weekend de Evangelisch-Reformierte Kirche in Neuhofen. ‘s Morgens mocht ik er preken en ‘s avonds was ik aanwezig in de avonddienst waar verder over de preek doorgesproken werd. De preek ging over Micha 5:1-5 met als thema in het Engels: (K)NO(W) JESUS, (K)NO(W) PEACE. In het Duits kwamen zeven punten aan de orde, nl. Jezus onze Heer a) is nederig en bescheiden; b) regeert; c) is een Redder die bevrijdt; d) is eeuwig; e) vervult al Gods beloften; f) is een Herder; g) IS onze vrede.

De preek werd erg goed ontvangen. Dat kwam, merkte ik, omdat onze Geschwister in Neuhofen veel meer dan hier in Nederland ervan doordrongen zijn dat we pas echt Neuhofen - kerkgebouw deurvrede met God kunnen hebben dankzij Jezus Christus. Bij hen leeft echt het diepe besef van ‘Ohne Jesus kein Friede – Kenne Jesus, dann kennst du Frieden’. Eén van de gemeenteleden vertelde dat in haar nabije omgeving veel geliefden een algemeen geloof in God hebben, maar niet die persoonlijke band met Christus kennen. Daarom geloven ze oppervlakkig of zijn ze diep van binnen onzeker. In beide gevallen vermijden ze vaak elk inhoudelijk gesprek over het geloof.

’s Avonds bespraken we de preek in de Abendgottesdienst. Eén van de gemeenteleden zei: “Als je naar het bestaan van onze gemeente kijkt zijn wij net als onze Heiland: niedrig und bescheiden.” Dat kenmerkt de Evangelisch-Reformierte Kirche in Neuhofen. We bespraken ook een paar andere vragen, o.a. of ziekte uit Gods hand komt of niet. Die vraag houdt de gemeente bezig nu een broeder opnieuw vier chemokuren moet ondergaan incl. een beenmerg- / stamceltransplantatie.

Neuhofen 2017-11Op de foto na afloop van de morgendienst staan drie nieuwe gezichten. Joseph, een goede bekende van één van de gemeenteleden, kwam voor de eerste keer in de kerkdienst. Adam & Laura komen uit Hongarije en bezoeken sinds hun trouwen bijna elke zondagmorgen de kerkdienst. Ze zijn door hun plaatselijke Hongaarse predikant naar de ERKWB verwezen. Verder bezoekt Karl, een man van rond de 50, sinds een aantal maanden ’s avonds de kerkdienst. Dat zijn dus vier nieuwe gezichten! Op zo’n kleine gemeente van nog geen 25 leden (waaronder één familie met 8 kinderen die op 150 km. afstand woont en dus niet zo vaak de kerkdiensten kan bezoeken) is dat een groot getal. Dat heeft mij echt bemoedigd – God is goed!

Mijn wens is, dat we vanuit Nederland onze medegelovigen in Oostenrijk en Zwitserland niet vergeten, maar hen blijven bezoeken, voor ze blijven bidden en hen blijven ondersteunen. Waarom? Omdat we samen de vrede kennen waar de engelen op de geboortedag van Jezus van zongen: de vrede van God en de vrede met God dankzij Christus die Zelf onze vrede is.

 

ssro-logoDe SSRO (Stichting Steun Reformatie Oostenrijk) ondersteunt een aantal kleine gereformeerde kerken in Oostenrijk en Zwitserland. In Neuhofen a/d Krems, Rankweil, Wenen, Basel en Winterthur organiseren broeders en zusters activiteiten zoals bijbelcursussen, internetuitzendingen, vrouwenkringen, kinderclubs en kerstmarktstands. Zo brengt men het evangelie verder in een sterk geseculariseerde omgeving. In de afgelopen jaren mochten de meeste gemeenten nieuwe leden verwelkomen. Het bestuur van de SSRO is afkomstig uit de CGK, de GKV en de PKN (Geref. Bond). Kijk voor meer informatie op: http://www.ssro.nl of www.reformiert.at. Volg de SSRO op Facebook (SSRO.NL) of op Twitter (SSROnl). Giften zijn erg welkom op NL27 INGB 0000 0656 88 t.n.v. SSRO – Hasselt. Wilt u er deze keer bijzetten: ‘Kerstgift 2017’?

 

Met elkaar in gesprek over de vrouw in het ambt binnen de GKV

In juni 2017 namen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) het besluit om alle ambten open te stellen voor vrouwen. De plaatselijke kerken mogen zelf beslissen of ze dit wel of niet willen doen. Er is ook een deputaatschap Man/Vrouw in de kerk enoemd om de kerken te begeleiden in dit proces. Deze deputaten hebben een algemene handreiking opgesteld voor kerkenraden. Helaas is er verder nog weinig materiaal beschikbaar voor een goede bespreking op de kerkenraad en in de gemeente. Daarom wil ik hier graag het materiaal beschikbaar stellen dat we in GKV ‘Het Noorderlicht’ hebben opgesteld.

Wat hebben we gedaan? Eerst hebben we een gezamenlijke avond belegd voor alle ambtdagers. Daarin hebben we met elkaar gedeeld hoe iedereen persoonlijk over de synodebesluiten denkt. Daarna hebben we op ongeveer dezelfde manier aan alle gemeenteleden gevraagd hoe iedereen over vrouwen in de ambten denkt. Bij ons deden we dat vanwege de grootte van de gemeente in de kringen. Als voorstudie hebben alle ambtsdragers en alle gemeenteleden de synodebesluiten en twee artikelen ( voor en tegen) ontvangen. Ook hebben op twee achtereenvolgende zondagen twee verschillende gastpredikanten over het thema Man/Vrouw en Ambt gepreekt. We sluiten binnenkort af met een gemeente-avond en daarna zal de kerkenraad met de diakenen besluiten of en zo ja hoe we overgaan tot het openstellen van één of meer ambten voor vrouwen die belijdend lid van onze gemeente zijn.

Hieronder volgt een werkvorm voor het onderling gesprek. Het is geen handleiding voor de manier waarop de kerkenraad, al dan niet met de diaken, en al dan niet na de gemeente gehoord te hebben of zelfs mee heeft laten stemmen.

Opzet voor een KRINGAVOND over ‘VROUWEN in de AMBTEN’

Op deze manier hebben we in onze gemeente de kringavonden ingevuld. Ook de avond met de ambtsdragers zag er ongeveer zo uit. Iedere kring heeft het op z’n eigen manier ingevuld. Eén kring heeft bv. via YouTube de informatieve documentaire man vrouw in de kerk (met veel verschillende bekende en minder bekende GKV-ers, onder wie één zuster uit Assen-Peelo) bekeken.

Opening

Lees een passend bijbelgedeelte, bv. 1 Tessalonicenzen 5:12-28. Bid om de wijsheid van de Heilige Geest voor een goede avond. Zing eventueel een passend lied.

Ronde 1:   Hoe denk jij zelf over vrouwelijke ambtsdragers?

Ga in tweetallen met elkaar in gesprek. De één geeft haar/zijn mening. De ander luistert en stelt evt. vragen. Na drie minuten maak  je andere tweetallen. Nu geeft degene die in de vorige ronde geluisterd heeft, haar/zijn mening. Herhaal dit een aantal keren.

Ronde 2:   de Bijbel open

Op het A4-papier waarvan er meerdere uitgedeeld worden, staan een aantal uitgeschreven Bijbelteksten. Bespreek met de hele groep (of in twee kleinere groepen) waarom sommige bijbelteksten veel meer aandacht gekregen hebben dan andere. Hoe denk je dat dit zo gekomen is?

Ronde 3:   Elf vragen en twee dobbelstenen

Op het A4-papier staan elf stellingen. Gooi met twee dobbelstenen, tel de cijfers bij elkaar op en lees hardop de vraag voor die bij dat nummer hoort. Is het een even vraag, dan mag je ‘m zelf beantwoorden. Is het een oneven vraag, dan mag je iemand anders aanwijzen om de vraag te beantwoorden. Als een bepaald cijfer vaker gegooid wordt, kun je ook een andere vraag nemen die nog niet aan bod geweest is (even blijf even, oneven blijft oneven). Zorg ook dat iedereen een keer aan de beurt komt.

Ronde 4:   Naar de kern van de zaak

Zet op een flip-over of op een groot vel papier een kruis in het midden met daar een aantal cirkels omheen. Het kruis staat voor onze Heer Jezus Christus. Hij vormt de kern van ons geloof. Al het andere vloeit daaruit voort en hangt daarmee samen. Geef aan elke aanwezige vijf verschillende gekleurde of genummerde post-its. Elke kleur / elk nummer staan voor een onderwerp. Hoe belangrijk vind jij die? Plak ze in de cirkels. Hoe dichter bij het kruis, hoe belangrijker dit onderwerp voor jou is. Ga daarna met elkaar in gesprek over de keuzes die iedereen gemaakt heeft.

Kleur/nummer A:                Avondmaal vieren na belijdenis

Kleur/nummer B:                Doop als eenmalig teken van Gods verbond

Kleur/nummer C:                Psalmen of Opwekkingsliederen in de kerkdienst

Kleur/nummer D:                Twee kerkdiensten op zondag

Kleur/nummer E:                Vrouwen in het ambt

 

Ronde 5:   Turven

Elke gemeente moet een keus maken. Wat vind iedereen? Per onderdeel geeft iedereen haar/zijn mening (WEL / NIET). Eventueel kan de uitkomst genoteerd worden als dat voor het vervolg belangrijk is.

1/    Ik vind dat in onze gemeente vrouwen WEL / NIET diaken kunnen zijn.

2/    Ik vind dat in onze gemeente vrouwen WEL / NIET ouderling kunnen zijn.

3/    Ik vind dat in onze gemeente vrouwelijke dominees WEL / NIET mogen preken.

4/    Als meer 25% van onze gemeente moeite heeft met vrouwelijke ambtsdragers, moeten we het WEL / NIET invoeren.

5/ Andere kerken en bezwaarde broeders en zusters in het land roepen alle kerken op om pas in 2020 een besluit te nemen, nadat de volgende synode alle bezwaren behandeld heeft. Ik vind dit WEL / NIET een verstandig idee

6/    Welk besluit de kerkenraad met de diakenen uiteindelijk ook neemt, ik kan er WEL / NIET mee leven.

Misschien is het verstandig vraag 6) uit te splitsen om duidelijk te krijgen met welk besluit men niet kan leven. Nu kunnen zowel leden die echt TEGEN de vrouw in het ambt zijn als leden die echt VOOR de vrouw in het ambt zijn deze vraag met NIET beantwoorden. Ook zou nog een tweede, verdiepende vraag gesteld kunnen worden, nl.: welke consequenties denken degenen die NIET met een bepaald kerkenraadsbesluit kunnen leven, te gaan trekken?
Sluiting

Hou een korte rondvraag, zing evt. nog een passend lied en sluit af met gebed.

Als je deze werkvormen gebruiken wil: ga je gang! Voel je vrij om ze aan te passen of te veranderen. Belangrijk is, dat het gesprek in iedere gemeente op een positieve, fijngevoelige manier gevoerd wordt.

Mijn God geneest – ook door middel van ‘betekenisvol oplappen’

Meer dan 100 belangstellenden kwamen op 10 november 2017 naar Amsterdam voor een studiedag met als titel “Mijn God geneest”. Ik ben blij dat ik er bij was. De sprekers (Miranda Klaver, Gerrit Vreugdenhil, Hans Burger, Stefan Paas, Margriet van der Kooi en Cees van der Kooi) benaderden het thema ‘gebedsgenezing’ allemaal vanuit hun eigen invalshoek. Toch leverde dat niet veel verschil van mening op. In de beide doorpraatrondes (2x twee groepen van 50) kwam het tot wat meer diskussie.

Waar kwam die grote mate van eenheid vandaan? Ik denk door een gezonde kijk op de Bijbel. Namelijk: er is géén streeptheologie, maar er is al helemaal geen belofte dat Jezus Christus net als gisteren ook vandaag dezelfde is in de manier waarop Hij nog steeds mensen lichamelijk bij bosjes geneest – via speciale bedieningen en zalvingen en genezingsdiensten of via het gebedspastoraat in de plaatselijke gemeente.

Mooi vond ik ook, dat bijna algemeen werd erkend, dat de traditionele kerken de kracht van het gebed, de persoonlijke voorbede en de ziekenzalving teveel hebben laten liggen, zodat allerhande vrije groeperingen, vooral afkomstig uit Amerika, met veel bombarie in de naam van Jezus genezing komen brengen. Osborne, Zijlstra, Wimber, Clarcke – ze claimen vaak doorslaande successen, maar echt bewijs wordt zelden geleverd. Alleen het woord d’oorslaand’ is terecht, vaak als onbetaalde rekening van de traditionele kerken dus. Gelukkig lijkt het erop dat binnen de protestantse en gereformeerde kerken op dit punt de balans weer wat gevonden wordt – al is er binnen onze eigen GKV volgens mij nog steeds wel een inhaalslag te maken. Niet qua openheid, maar wel het om de plek van persoonlijke voorbede in de plaatselijke gemeente gaat.

Wat is mij opgevallen in de lezingen van deze studiedag? Afgezien van de plaats (te krappe zaal, teveel verplaatsingen, haperende catering – qua logistiek waren de beide studiedagen over ‘Schepping of Evolutie’ in Nijkerk en Kampen echt beter voor elkaar) vier dingen.

1/ Ongezond gefocust op gezondheid

De aandacht voor lichamelijke genezing is goed te verklaren vanuit de huidige Westerse tijdgeest. Daarin staat gezondheid bovenaan en kan men niet meer omgaan met persoonlijk lijden. Dus wordt alles op alles gezet om ziekte en handicap uit te bannen. Ook veel christenen krijgen hier een tik van mee. En als de reguliere medische wetenschap niets meer voor je kan doen, zoek je het als christen, net als veel andere mensen, in het alternatieve circuit. Alleen dan niet bij Jomanda en andere kwakzalvers, maar je wend je rechtstreeks tot God. Als zijn middelen niet werken, kan Hij het immers ook via een wonderbaarlijke genezing (‘on-middellijk’) doen?

Ik ben blij met deze insteek. Het geeft mij antwoord op een vraag die ik al langere tijd had. Namelijk: waarom is er juist in onze tijd zoveel belangstelling voor gebedsgenezing? Ik vond dat altijd een beetje raar. Want tot pakweg 1900 stierven de mensen bij bosjes aan allerlei onnozele ziektes en aan zo ongeveer alle vormen van kanker. Maar nooit lees je over massale gebedsgenezingsdiensten. Men kon dus blijkbaar beter omgaan met ziekte, handicap en dood. Sinds een jaar of 100 geneest en bewaart God de mensen juist bij bosjes van en voor allerlei ziekten. Maar we kunnen ook totaal niet meer met ziekte, handicap en dood omgaan.

2/ Genezingswonderen zijn missionair bedoeld

Zowel in het Nieuwe Testament als in de verhalen uit de kerkgeschiedenis krijg je sterk de indruk, dat genezingswonderen vooral bedoeld zijn om de waarheidsclaim van het Evangelie te onderstrepen: Jezus is echt de Zoon van God en de beloofde Messias die komen zou. Oftewel: wonderen hebben een missionair karakter. Je ziet het vandaag bij bv. moslims, maar ook in animistisch Afrika en in hindoeïstisch India. Op de studiedag werd het voorbeeld genoemd van iemand (moslim, hindoe of animist, het doet er niet toe) die blind door een ongeluk blind geworden was en die ergens vaag van Jezus gehoord had. Hij bad tot Jezus om genezing, kreeg op dat moment het licht in zijn ogen weer terug, kwam tot geloof, ging daarna op zoek naar andere christenen en is nu aangesloten bij een christelijke gemeente.

Voor mij was dit weer een eye-opener J. Wat betekent dit punt voor al die aandacht voor gebedsgenezing onder volwassen christenen in de westerse samenleving? Daar kun je twee kanten mee op: óf onze samenleving is weer zendingsgebied geworden; óf veel christenen zijn nog kinderen in het geloof. Hoewel ik het eerste onderschrijf, denk ik bij dat bij dit onderwerp het laatste het geval is. Want als die nieuwe gelovige die eerst blind was en nu weer kan zien, opnieuw een ernstig ongeval zou krijgen waardoor hij plotseling 100% doof zou worden, zou hij niet als eerste aan God vragen of hij zijn gehoor weer terug zou krijgen, vermoed ik. Want een volwassen christen weet, dat de belangrijkste vraag in dit leven niet is: ‘Hoe word ik beter?’, maar: ‘Hoe krijg en hou ik een gezonde relatie met God?’ Een mooi voorbeeld daarvan las ik in het volgende waar gebeurde verhaal van de mijnwerker met een dwarslaesie.

3/ Te veel aandacht voor het bovennatuurlijke

Wanneer groepen christenen veel nadruk leggen op het feit dat God en Jezus ook nu nog wonderbaarlijk kunnen en willen genezen, trekken ze het bovennatuurlijke leven en het alledaagse bestaan uit elkaar. Dat is een hele riskante operatie. Want daardoor wek je bij mensen de indruk, dat God en Jezus Zich in het gewone leven niet duidelijk laten zien, maar slechts op speciale momenten en door speciale emoties te ervaren zijn. Het gevolg is dat onder christenen de secularisatie en godsvervreemding toeneemt. Want als gesuggereerd wordt dat het dagelijkse leven minder met God en Jezus te maken hebben dan het bijzondere, is het risiko op teleurstellingen levensgroot, wanneer het niet lukt om God in het bovennatuurlijke te ervaren. Gevolg: je staat twee keer met lege handen. Zie dan nog maar eens je geloof te behouden!

Ook dit vond ik een verhelderend inzicht. In de Bijbel Jezus ons dat we ook in de gewone dagelijkse dingen Gods aanwezigheid mogen zien. Eén van de sprekers vertelde dat ‘ie zeer ongelukkig van de trap af gestuiterd was en dus een aantal maanden niets kon en mocht doen – behalve revalideren. Als je dan meteen het advies krijgt om naar een genezingsdienst hollen (wat natuurlijk niet gaat), mis je de liefde en de aandacht van de Heer die Hij je rechtstreeks geeft (berusting + besef van wie/wat echt belangrijk is), maar ook via andere mensen (aandacht, hulp, gebed). Als je het alleen maar van Gods bijzondere manier van spreken d.m.v. wonderen en speciale ervaringen verwacht, mis je een boel van zijn aanwezigheid in het alledaagse leven. Zoals een al weer wat gedateerd opwekkingslied (te vinden in de E&R-bundel, lied 123) het zegt:

Dit, dit is de wereld, de wereld waar ik in woon. Hier zijn de treden de zien van Gods troon. Wie hier omhoog klimt vanuit het gedruis, ontwaart de contouren van ’t vaderlijk huis.

En wat zijn die contouren dan volgens dit lied?

De daken met hun wirwar van antennes, het ronken van een vliegtuig in de nacht. ’t Reklamewoord dat telkens aan en uit flitst; ’t verkeerslicht waar ik dagelijks voor wacht. Het flatgebouw met helverlichte vensters, dat schittert als een lichtzuil in de nacht. En daaromheen, veel hoger dan de huizen, oneindigheid en verre sterrenpracht.

Ook daarin vind je, als je goed kijkt, God:

De hele wereld houdt Hij in zijn handen; Hij spreekt in stilte en in stadsgerucht van liefde en genade en erbarmen voor ieder, die in wanhoop tot Hem vlucht. 

4/ We zijn er bijna, maar nog niet helemaal

De massale gebedsgenezingen die je in het Nieuwe Testament tegenkomt staan ook in het kader van het hemelse Koninkrijk van God. Jezus laat op heel veel manieren zien hoe het eens weer worden zal. En dat laat Hij nog steeds op heel veel manieren zien. Daarom zien we in de wereld al veel sporen van dat hemelse Koninkrijk. Maar tegelijk zeggen Jezus en de apostelen dat de volle heerlijkheid nog moet aanbreken. Pas als Jezus terugkomt is alle pijn, verdriet en rouw voorbij en zullen er alleen nog maar vreugdetranen zijn. Dat moment kun je niet naar voren halen door te zeggen, dat God nu al belooft dat alle zieken in Jezus’ naam genezen zullen worden als ze maar geloven. Je kunt geen genezingen claimen. Het is, denk ik, zelfs de vraag of je ze mag verwachten. Maar als het gebeurt, mag je het wel dankbaar erkennen als een voorproefje van wat ons nog te wachten staat. Hans Burger zei het als volgt in zijn verhaal als volgt: “Daarom kun je genezingen mijns inziens typeren als ´betekenisvol oplappen´ en dat bedoel ik beslist niet denigrerend. Genezingen zijn betekenisvol. Als tekenen van de komende eeuw zijn ze een belangrijke verwijzing naar wat komt. Daarom zijn ze heel waardevol. Ze geven en versterken hoop op de genezing van heel de schepping en van heel ons lichamelijke bestaan.” (Lees hier zijn hele verhaal).

Ook dit vind ik een waardevolle benadering. Het leert mij om vandaag de dag te kunnen leven met het onvolkomene. Ook als het mijzelf of de mensen dicht om me heen overkomt. Maar dan hoef ik niet alles passief over mij heen te laten komen. Ik mag vol verwachting uitzien naar wat nog komen gaat. Dat ligt achter de horizon van dit leven. Maar ik mag God wel danken wanneer Hij mij al iets daarvan laat zien en ervaren.

11 november is de dag – Sint Maarten in Groningen

MARTIN, LIEBER HERRE!

Sint Maarten Tessel officieel (2)

Afbeelding uit het boek ‘Tessel viert Sint-Maarten’ van Marianne Witte (schrijfster) en Monica Maas (illustraties)

Op 11 november wordt in Groningen, Drente, West-Friesland, Noord-Brabant, Limburg en Belgisch-Vlaanderen het feest van Sint Maarten gevierd. Duizenden kinderen zien daar lange tijd reikhalzend naar uit. Het is, met Sinterklaas, hun mooiste feest. In optochten of alleen trekken ze er tegen het donker worden op uit, de huizen en boerderijen langs, voorzien van een lampion, een blikken bus met gaatjes, of (en dat is het oudst en het mooist) een bewerkte voederbiet, die is uitgehold en waarvan de dunne wand is bewerkt met uitsnijdingen. Binnen in brandt een kaart kaars en het effekt is prachtig. Een tweede, doch zeer belangrijk attribuut is een zakje, dat men om de hals draagt, en naarmate de toch langer duurt, wordt die zak steeds zwaarder door de milde gaven, die bij elke duur worden verstrekt: centen, stuivers, appels, peren, enz. Edoch: niets voor niets, er moet eerst worden gezongen. En dat doen ze dan, uit volle borst, zonder stemvork of blokfluit, maar met overgave:Sint Maarten - Elf november

San-Martino Liberale da Verona

De heilige Martinus.
Miniatuur van Liberale da Verona in een missaal (1420) van de Libreria Piccolo-mini te Siena.

Zo gaat dat al honderden jaren, want St. Maarten heeft het eeuwig leven. Dat geldt niet voor de inhoud van de zak, die ’s avonds laat wordt leeggestort en waarvan de inhoud correct wordt gedetermineerd.
En dat alles ter ere van St. Maarten. Wie was toch deze persoon? Eigenlijk heette hij Martinus van Tours. In 316 geboren als zoon van een Romeins magistraat, nam hij als 15-jarige knaap dienst in de Romeinse legers. Kort daarop moet het gebeurd zijn bij de poorten van Amiens, dat hij de helft van zijn lange mantel afsneed en aan een bedelaar gaf. De volgende nacht kwam Jezus hem persoonlijk daarvoor prijzen. Nadat hij gedoopt was bracht hij het na veel omzwervingen tot Bisschop van Tours (371). Hij was in de Middeleeuwen zeer populair en werd het symbool van vrijgevig-heid. In ons land is hij de patroon van de steden Groningen en Utrecht. Wie durft er nog te reppen over zuinige Groningers?

Sint Maarten 1455 Utrecht.jpg

Sint Maarten. Gepychromeerd kalkstenen beeld van een onbekende Utrechtse beeldhouwer (ca. 1455). Centraal museum Utrecht.

Hij wordt vaak afgebeeld als militair, zittend te paard, terwijl hij zijn mantel doorsnijdt en de ene helft aan een bedelaar geeft. Ook zien we hem als bisschop met een gans en een bedelaar aan zijn voeten. Zijn feestdag (11 november) viel in de tijd dat de wilde ganzen trekken. Vroeger werden op 11 november de St. Maartensganzen in de pot gestopt. Een oude Duitse canon (14e eeuw, Klooster Lambach) herinnert ons daaraan op fijnzinnige wijze en geeft ons ook een indruk van de soberheid in het Lambachs klooster:Sint Maarten - Martin LieberDe enige verwantschap met het lied-arsenaal van de tegenwoordige St. Maarten-klantjes lijkt me, dat de zak de plaats van de mond heeft ingenomen. De gans is namelijk vandaag verdwenen. Of herinnerd het volgende lied er nog aan?Sint Maarten - Kip Kap KogelDe hoge bisschopshoed en de lange slipjas zijn behouden gebleven, getuige het volgende lied:Sint Maarten - St Martinus bisschopVan de kledingstukken is het slechts een kleine stap naar de volgende: Sint Maarten - St Maarten de koeien.jpegHet feit dat St. Maarten in zijn leven veel weggaf, wordt in deze liederen op listige wijze uitgebuit: geef maar flink wat, dan kom ik ’t hele jaar niet weer: Sint Maarten - St Martinus roem van alle landenNogmaals: wie was St. Maarten? Juist, u vat het al: hij was een brave man. Hoor maar: Sint Maarten - St Maarten was een brave manNatuurlijk houdt iedereen daarvan, dus: open die zak! Het is beter te geven dan te ontvangen, zei St. Maarten, en dat had hij niet van zichzelf. Toch zijn er lieden, die zelfs op zijn verjaardag de deur stijf dichthouden. Dat gaat niet aan, als je eerst welgemeend zingt: Sint Maarten - St Maarten is jarig vandaagWanneer je dan geen respons krijgt, probeer je het nog eens, nu in ’t Gronings: Sint Maarten - Mien lutje lanteernNog niks te zien of te horen? Eén keer nog, een nieuw liedje: Sint Maarten - LampionnetjeHelaas geen geluk, geen gaven, geen zak open. Omdat drie keer scheepsrecht is, is nu bewezen dat de bewoners van dit huis geen oog en oor hebben voor het lijden der jeugdige mensheid. Voor zoiets is maar één lied, overigens niet geheel naar de geest van de goedheiligman, maar je moet ook maar zoiets meemaken: Sint Maarten - St Martinus bokkepootO zo!
Dat St. Maarten bij zulke slechte lieden in zijn opwinding wel eens letterlijk en figuurlijk zijn hoofd stoot blijkt uit het vervolg van dit lied, dat op dezelfde melodie deze ondeugende tekst krijgt:
‘Sint Martinus bokkeram, vloog op kop tegen ’t schiethuus an.
Au, au, au wat dee dat zeer, St. Martinus komt niet weer.’
Doch dit zijn uitzonderingen, vrijwel iedereen geeft. Waar je wat extra krijgt, kun je vertrouwelijk worden:Sint Maarten - St Martinus tuutjeAGerrit Jan Leeftinkl deze liederen leven gelukkig echt. Ik heb ze op onze stoep meermalen horen zingen. Ook in de school kom je ze tegen. Er zal wel van streek tot streek verschil zijn, maar dit onderwerp biedt ook in de klas grote mogelijkheden op 11 november. Of je wilt of niet, op de middag van die dag kun je in de klas ook slecht iets anders doen dan bieten snijden en zingen: St. Maarten was een brave man!

Gerrit Leeftink (* 30-04-1937  † 28-04-1994)
Oldehove (Gr.), aug. ‘76

Verschenen in ‘De Pyramide’- Tijdschrift voor muzikale opvoeding / Orgaam van de Gehrelsvereniging, Dertigste jaargang nummer 6, oktober 1976

Het isolement en de eigen kracht

Geloven in een geïndividualiseerde samenleving – als christen en als kerk.

In Assen bestaat het zogenaamde ‘Pastoresconvent’. Daarin komen zo’n 4 à 5 keer per jaar alle voorgangers en geestelijk verzorgers van de zeer diverse christelijke geloofsgemeenschappen bij elkaar. Ik vind die ontmoetingen altijd erg waardevol. Tegelijk stelt het mij voor de vraag: wat verbindt ons aan elkaar als voorgangers? Is dat alleen ons werkterrein – dus de imam en de rabbi en de humanistische raadsheer/vrouw zijn ook welkom? Of hebben we meer gemeenschappelijk? Het geloof in de God van de Bijbel of in Jezus als Heer of de christelijke traditie? En hoe sterk benadruk je dat dan? Ja, mag dat überhaupt wel? Of ben je dan op voorhand al te exclusief bezig? Ik vind dit een spannend onderwerp. Voor alle christenen en kerken in onze samenleving. Hoe stel je je als persoon en als gemeenschap tegenover de maatschappij en de mensen om je heen? Daarin zie je heel verschillende strategieën.

Exclusief kerk-zijn

Als Gereformeerde Kerken met de zelfgekozen bijnaam ‘vrijgemaakt’ (vandaar de afkorting GKV) en de spotnaam ‘artikeltjes’ hebben we in de eerste pak ‘m beet 50 jaar van ons bestaan (1944 – half jaren ’90) gekozen voor de exclusiviteit. Heel lang hanteerden we een bekende uitspraak van Groen van Prinsterer als een soort geuzen-slogan: In het isolement ligt onze kracht. Inmiddels zijn we er als vrijgemaakte isolement groengereformeerden toch wel achter gekomen dat er een behoorlijk groot verschil is tussen een zelfgekozen isolement of een isolement waarin je door de buitenwacht gedrongen wordt. En we zijn er ook stukje bij beetje achter gekomen dat je je kracht niet moet zoeken in het je afzetten tegen de grote boze wereld (vooral in de andere kerken waar alles zo slecht en verderfelijk en zorgelijk is), maar dat je je kracht moet zoeken in je eigen overtuiging. Oftewel: niet het negatieve bij de ander bindt een kerkelijke gemeenschap samen, maar je kunt pas iets uitstralen als je de positieve verbindende elementen bij jezelf weet te benoemen.

Dat laatste heeft iets heel postmoderns: ga uit van je eigen kracht. Maar tegelijk is het ook iets heel bijbels-christelijk: ga uit van de eigen kracht van het Evangelie van Jezus Christus. Zonder te veroordelen. Maar wel door duidelijk te zijn over je missie en je kernwaarden. En dus ook over de grenzen van je identiteit.

Spannend

Op dit punt ervaar ik een spanningsveld, zowel in mijn christen-zijn als in hoe we samen kerk willen zijn. Hoe handhaaf je als persoon je christelijke principes en hoe behoud je als kerkelijke gemeente je bijbelgetrouwe identiteit in een geïndividualiseerde samenleving? Iedereen mag immers autonoom zelf de belangrijkste keuzes van het leven maken. Of het echt autonoom is, kun je je afvragen, maar de tendens is toch nog steeds: ‘Elke keus is goed als je die maar bewust maakt.’ En meteen daar achteraan zit de tendens: ‘Dus waag het niet om een ander om zijn of haar keus te veroordelen’. Zelfs als je als christen je eigen standpunt in het publieke domein van media of politiek neerzet, word je al van onverdraagzaamheid beschuldigd door met name de wat hoger geschoolde elite. Een aantal jaren noemde Kluun dat in zijn boekje God is gek “de dictatuur van het atheïsme”. Hij vond dat de zendingsdrang van het atheïsme in de media te vergelijken met een intellectuele kruistocht tegen christenen.

Wat zet je daar tegenover als christen en als kerk? Hoe baken je je positie af? Dat vind ik niet gemakkelijk in deze tijd. Maar ik wil wel een poging doen om dat duidelijk te maken. Daar gebruik ik twee voorbeeld voor.

Het glas en de wijn

Eerst het beeld van een goed glas wijn. Wat moet er goed zijn? Het glas of de wijn? De wijn natuurlijk. Daar gaat het om. Maar zonder een goed glas kun je de wijn niet drinken. Vorm en inhoud hebben dus alles met elkaar te maken, als je denkt vanuit het voorbeeld van een goed glas wijn.

Dat geldt ook als je nadenkt over het christelijk geloof en de betekenis ervan voor de samenleving van vandaag. Volgens mij moet je steeds jezelf als voorganger en ook jezelf als geloofsgemeenschap bevragen op de vorm én de inhoud van je christelijke overtuiging. Sterker nog: zonder vaste vormen vervaagt de inhoud, is mijn overtuiging.

Tegelijk zie ik heel goed het gevaar van formalisme: de vaste vorm wordt belangrijker dan de inhoud. Dat gevaar zag Jezus in zijn tijd op aarde heel scherp bij die stroming in het jodendom die zich het meest serieus met het geloof bezig hield: de farizeeën. Op gezag van mijn leermeester Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit in Kampen, prof. Jakob van Bruggen, neem ik maar even aan dat deze groepering in hoog aanzien stond bij de meeste mensen, omdat ze zo consequent vanuit het geloof in de God van Abraham, Izaäk en Jakob leefden. Naar God toe en naar hun naaste toe. Consequent en ook radikaal door de zonde te benoemen en af te wijzen. Maar Jezus laat volgens mij zien dat heel die farizeese geloofsbeleving gebaseerd is op vorm en veel minder op inhoud. Want Hijzelf is de inhoud – en juist de farizeeën wijzen Hem af als de Zoon van God en het Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt.

Voor mij als gereformeerd predikant is de spannende vraag in deze tijd: hoe bewaak ik de inhoud van het christelijk geloof zonder dat ik een formalist wordt? Zowel als het om de leer gaat: hoe spreken we in de kerk over God en over Jezus, over wie Ze zijn en wat Ze doen? Als om het leven: wanneer mag je zeggen dat iemand qua levensstijl echt niet meer het voorbeeld van Jezus (Johannes 13:15) en God (Efeziërs 5:1) volgt? Want je kunt de spelregels van het christelijk geloof best aanpassen aan de behoeften van de tijd. Zo PVT 2015 - Nijmegen 2gebeurt dat ook in sommige sporten. Maar je kunt onmogelijk volhouden dat als we afspreken om van het net een doel te maken en om de bal niet meer met de handen, maar alleen nog met de voeten aan te raken, dat we dan nog steeds met dezelfde sport te maken hebben.

Waar ligt, als het om geloven binnen de christelijke traditie gaat, dan de grens tussen vorm en inhoud? Voor mij ligt die, als predikant binnen de gereformeerde traditie, in de belijdenis van de Twaalf Artikelen van het onbetwijfeld christelijk geloof. Want daarin staat wat – of liever nog: Wie mij bezielt en inspireert. Als ik daar niet meer mee uit de voeten zou kunnen, zou ik m’n ambt als predikant neerleggen en iets gaan doen met ‘mens en religie’ of zo. Ik besef dat als je in onze tijd zegt dat de Twaalf Artikelen het uitgangspunt zijn voor het echte christen-zijn en kerk-zijn, dat zo’n overtuiging heel exclusief overkomt. Terwijl ik tegelijk juist vanuit de christelijke traditie ook hart heb voor de stad waarin wij wonen en vooral voor alle mensen die hier leven.

Concentratie – Integratie 

Daarom wil in een tweede beeld naar voren halen. Dat beeld ontleen ik aan mijn zeer gewaarde overbuurman uit Nijmegen, waar ik van 1999 tot 2005 predikant was. Mijn overbuurman was betrokken katholiek en directeur van een mega-basisscholen-conglomeraat waarin al het katholieke, protestantse en algemeen-bijzonder onderwijs in samengevoegd was. We hebben bijzonder goede gesprekken gevoerd over de plaats die je als maatschappij-betrokken christen in de samenleving moest innemen. Hij zei tegen mij: Ernst, weet je, bij jullie vrijgemaakt-gereformeerde scholen zie ik een sterke focus op de handhaving van je identiteit. Bij onze algemeen-christelijke scholen-organisatie daarentegen zie ik een sterke focus op de plek die iedereen moet innemen in de samenleving. Jullie sterke punt is concentratie en ons sterke punt is integratie.

Ik vond dat een prachtige vondst, die twee typeringen, omdat ze zo waardenvrij zijn. Er zit geen veroordeling in. Want welk bedrijf wil zich nu niet concentreren op z’n core-business? En welke organisatie wil nu niet een respectabele, zinvolle plek midden in de samenleving innemen? Maar ik voel meteen weer de spanning. Het blijft voor alles wat zich christelijk noemt blijkbaar heel lastig om de concentratie op de bijbelse uitgangspunten en de integratie en acceptatie in de samenleving te combineren. Als je openlijk uitkomt voor je uitgangspunt dat Jezus de Zoon van God is die als Lam van de God de zonde van wereld wegneemt, en vanuit zijn liefde als inspiratiebron maatschappelijke hulp wilt verlenen aan vrouwen die vast zitten in de prostitutie (Het Scharlaken Koord) of in probleemwijken met jongeren aan de slag wilt (Youth for Christ) of op maatschappelijk vlak vraag en aanbod bij elkaar wilt brengen (Stichting Present), kun je nog zo hard roepen dat je aan integratie wilt werken, maar je concentratie op Jezus Christus roept bij de seculiere atheïsten, of ze nu links of rechts zijn, een boel weerstand op. Volgens hen is er maar één manier waarop christenen hun plek in het maatschappelijke veld mogen innemen: op persoonlijke titel in niet-religieus-gebonden organisaties.

De balans

Het gaat dus om de vraag: hoe bewaak je je christelijke identiteit (concentratie) terwijl je toch zoveel mogelijk je plaats in de samenleving (integratie) wilt innemen? En hoe vind je daarin de balans? Als GKV zitten we nog steeds vooral op de lijn van de concentratie, denk ik. Dat vind ik terecht, ook al loop je het risiko dat het lijntje naar boven belangrijker wordt dan het lijntje naar elkaar. Terwijl Jezus heel de wet samenvatte in het dubbel-gebod van de liefde: God boven alles en je naaste als jezelf. Omgekeerd dreigt een nog groter risiko namelijk: als je alleen maar vanuit de naastenliefde denkt en handelt, raak je uiteindelijk je inspiratiebron kwijt. Want die moet ik, als ik de Bijbel serieus neem, toch echt van buiten onszelf in onszelf komen. Het is God die van alle mensen houdt en voor heel zijn schepping zorgt. En Jezus maakt Zichzelf bekend als de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt bij die God van liefde en zorg uit dan via Hem. Maar hoe geef je daar vorm aan zonder exclusief en veroordelend te zijn? Als christen? En als kerkgemeenschap? Dat is voor mij een open vraag. En tegelijk mag ik daar keuzes in maken. Als christen. Als kerkgemeenschap. Niet uit eigen kracht. Ook niet om het isolement te zoeken. Maar “in het vertrouwen dat God het ons toestaat deze keuzes te maken” (Hebreeën 6:3).

“Onbedoeld zwanger? Vier het leven!”

Abortus onbedoeld zwanger“Onbedoeld zwanger? Vier het leven!” Op het eerste gezicht misschien een wat gekke slogan, maar de aanleiding was als volgt. In onze kerk preken we nog steeds met enige regelmaat  uit de Heidelbergse Catechismus. In 52 hoofdstukken (‘Zondagen’ genoemd) worden de centrale onderdelen van het christelijk geloof behandeld. De Zondagen 34 t/m 44 gaan over de betekenis van de Tien Geboden. In het Zesde Gebod zegt God: Pleeg geen moord. Zondag 40 van de catechismus behandelt dat gebod en stelt er drie vragen over.

Vraag 105: Wat eist God in het zesde gebod?

Antwoord: Dat ik mijn naaste niet van zijn eer beroof, niet haat, kwets of dood. Dit mag ik niet doen met gedachten, woorden of gebaren en nog veel minder met de daad, ook niet door middel van anderen, maar ik moet juist alle wraakzucht afleggen. Ook mag ik mijzelf geen letsel toebrengen, evenmin mag ik mijzelf moedwillig in gevaar begeven. De overheid draagt dan ook het zwaard om de doodslag te weren.

Vraag 106: Het gaat dus in dit gebod niet alleen om doodslag?

Antwoord: Nee. Door de doodslag te verbieden leert God ons ook dat Hij afgunst, haat, toorn en wraakzucht als de wortel van deze zonde haat en dat dit alles voor Hem doodslag is.

Vraag 107: Maar is het genoeg dat wij onze naaste, zoals gezegd, niet doden?

Antwoord: Nee, want terwijl God afgunst, haat en toorn verbiedt, gebiedt Hij dat wij onze naaste liefhebben als onszelf, jegens hem geduldig, vredelievend, zachtmoedig, barmhartig en vriendelijk zijn, zijn schade zoveel mogelijk voorkomen en dat wij ook onze vijanden goed doen.

Wat bij mij bleef haken toen ik deze woorden op me liet inwerken waren de zinnetjes: Ik mag mijzelf geen letsel toebrengen en evenmin mag ik mijzelf moedwillig in gevaar begeven. De overheid draagt dan ook het zwaard om de doodslag te weren. Ik dacht: als God het niet goed vindt om jezelf iets aan te doen, dan geldt dat toch zeker voor het ongeboren leven dat een aanstaande moeder met zich meedraagt! En ik dacht daarbij: wat voor overheid hebben we eigenlijk hier in Nederland, die toestaat dat van de 200.000 baby’s die geboren hadden kunnen worden, zo’n 30.000 in de moederschoot worden vermoord. Hoezo ‘doodslag weren’? Het is eerder ‘doodslag stimuleren’! En zo kwam ik uit bij vragen rondom abortus. Dat is al 50 jaar heel normaal in Nederland. En toch went het nooit. Er blijft altijd veel over te doen. Zeker ook de laatste tijd. Maar wat vind ik er eigenlijk zelf van? En wat voor standpunten neem jij in? Dus besloot ik om mij ook maar eens aan een Kahoot-quiz wagen. Met vijf vragen.

Abortus Foetus CreatiefVraag 1 sluit aan op het Zesde Gebod: ‘Pleeg geen moord.’ Nou, schreef een jonge moeder mij een keer, dat geldt zeker voor abortus, want ook al vindt heel Nederland het zo normaal als wat: “Abortus blijft wat mij betreft hoe dan ook moord!!!” (de drie uitroeptekens zijn van haar)

  1. Hier ben ik het helemaal mee eens
  2. Hier kan ik mij totaal niet in vinden
  3. Dat is per situatie verschillend

Toch zijn er veel verschillende situaties waarin er voor een abortus gekozen wordt. Vraag 2 was daarom : wanneer vind jij dat een abortus wél zou mogen?

  1. Als het leven van de moeder serieus gevaar loopt.
  2. Bij antwoord 1) én na een verkrachting
  3. Bij antwoord 1) en 2) én als het kind een zware handicap heeft
  4. Als de moeder goede redenen heeft om geen kind te krijgen

Vraag 3 ging over tienerzwangerschappen. Ook in Nederland komt dat nog steeds veel voor. Wat moet je dan doen? Neem de volgende situatie: Sandra van 17 wordt onbedoeld zwanger. Ze heeft geen vaste vriend. Ze woont op kamers en is net aan een goede opleiding begonnen. Terug naar huis kan niet, want haar ouders zijn gescheiden. Ze overweegt een abortus en vraagt wat jij zou doen. Wat voor advies geef jij?

  1. “Het is jouw keus. Denk er goed over na.”
  2. “Als je je kindje laat weghalen, zondig je heel erg tegen God.”
  3. “Ik begrijp heel goed dat jij in jouw situatie voor een abortus kiest.”

Abortus Down NIPTEen andere reden om voor abortus te kiezen is de kans dat je kind gehandicapt is. Tegenwoordig is er veel te doen rondom de NIP-test. Daarom kan het syndroom van Down vroegtijdig ontdekt worden. Wat doe je dan? Bij vraag 4 keken we eerst naar een interview (minuut 13:05-13:25) met een jonge vrouw die het Down-syndroom heeft. Ze komt uit Denemarken, waar al bijna geen Down-kinderen geboren worden. Aan de hand daarvan kwam Vraag 4: ‘Als ik van te voren zou weten dat ons kind het Down-syndroom heeft …’

  1. Zou ik mijn kind zonder meer houden.
  2. Zou ik het een hele moeilijke keus vinden.
  3. Zou ik waarschijnlijk voor een abortus kiezen.

De laatste vraag ging over David en de relatie die hij met zijn buurvrouw Batseba kreeg. Toen ze onbedoeld zwangerschap werd, deed David er alles aan om het te verdoezelen.. Stel nou eens dat David in onze tijd geleefd had? Wat zou hij dan gedaan hebben? Dat was Vraag 5: Als David in onze tijd geleefd had, had hij bij Batseba vast aangedrongen op een abortus.

  1. Ja, want David wilde kost wat het kost de schijn ophouden.
  2. Nee, want David was ook in zijn zwakheid een gelovige koning.
  3. Geen idee, gelukkig maar dat David niet voor die keus stond

Het verhaal van David en Batseba staat in 2 Samuel 11. En zoals een zwangerschap niet verborgen kan blijven, kwam ook deze enorme misstap van David uiteindelijk toch aan het licht. 2 Samuel 11 eindigt namelijk met de zin: “Naar het oordeel van de HERE was het wel degelijk slecht wat David gedaan had.” Dus komt de profeet Nathan bij David en vertelt hem wat voor grote zonden (moord en doodslag) David begaan heeft. Je kunt het nalezen in 2 Samuel 12:1-25.

Bij de laatste vraag over David ligt het misschien voor de hand om als antwoord te geven: Geen idee of David op een abortus zou hebben aangedrongen als hij in onze tijd geleefd had. Maar ik heb zo’n bang gevoel dat het antwoord Ja, want David wilde kost wat het kost de schijn ophouden wel eens dichter bij de waarheid zou kunnen zitten. Als je ten einde raad bewust je buurman om het leven laat brengen, ben je volgens mij ook bereid om een ongeboren kindje op te offeren voor je goede naam en karrière.

Bij dit gedeelte moest ik denken aan het andere zinnetje uit de catechismus: tegenover ‘niet doodslaan’ staat ‘je naaste liefhebben en zijn schade zoveel mogelijk voorkomen. Maar weet je wat het is? Veel mensen willen hun eigen schade of nadeel of ongemak zoveel mogelijk beperken. Dat zag je bij David. Dat zie je vandaag nog steeds. Ten koste van, als het echt niet anders kan, andermans leven. En hoe zwakker en kwetsbaarder dat leven is, hoe gemakkelijker dat gaat. En dan kom je op 30.000 abortussen per jaar in Nederland.

Nu geldt er in Nederland een verplichte bedenktijd van vijf dagen om aan te geven dat abortus een ingrijpende zaak is waar je niet zo maar voor kiest. In België wordt zelfs de term ‘noodsituatie’ gebruikt. Maar uit onderzoek (bron: katholiekforum) blijkt dat die noodsituatie in 95% van de gevallen onder één van de volgende categorieën valt: *momenteel geen kinderwens; * de vrouw voelt zich te jong; * voltooid gezin; * ‘ideaal’ kindertal bereikt. Zijn dat noodsituaties die het ombrengen van jong leven wettigen?

Embryo gezichtIn de Bijbel vertelt God ons, dat het leven al in de moederschoot begint. Daarom staat er in Exodus 21:22 een regel, dat er schadevergoeding moet worden betaald aan een vrouw, als ze door de schuld van iemand anders een miskraam krijgt. En hoe mooi bezingt David in Psalm 139:13-18 dat God het Zelf geweest is, die hem als jongste en 7e zoon van 9 kinderen (hoezo ‘voltooid gezin’) die hem in de buik van zijn moeder weefde – “wonderbaarlijk is wat U gemaakt hebt.” In Jeremia 1:5 kunt je lezen hoe God Jeremia al in de moederschoot voorbestemd had als zijn profeet. In het Nieuwe Testament lees je in Lukas 1:41-45 over de kleine Johannes die in de buik van zijn moeder Elisabeth een vreugdedansje maakt als Maria plotseling op bezoek komt. Ze is nog maar net in verwachting, maar toch noemt Elisabeth haar al ‘de moeder van mijn Heer’. En later, in Markus 10:13-16, neemt Jezus Zelf kleine kinderen als voorbeeld. In de volwassen wereld van toen telden die niet mee. Maar bij God en bij Jezus wel! Juist wat zwak is, is kostbaar in Gods ogen!

Vandaag zijn de ongeboren kinderen de zwaksten in de samenleving. Hun leven mag geen naam hebben. Je laat immers alleen maar ‘iets’ weghalen? En het heeft geen enkele bescherming – het recht van de sterkste zegeviert. En als je denkt: maar elke vrouw mag toch zelf de beslissing nemen om het te houden of niet, zeker na een verkrachting of als je weet dat het kind een ernstige handicap zal krijgen … zelfs dan geef ik iedereen het advies daar nog eens goed over na te denken. Volgens mij zit je heel snel op een glijdende schaal. Als mensen spelen we voor God als wij de kwaliteit en levenskansen bepalen van een baby die met een achterstand geboren wordt. David heeft in een andere psalm, Psalm 31, gezegd: ‘Mijn tijden zijn in Gods hand.’ Als mensen elkaars leven in hun hand gaan nemen, is dat volgens de Bijbel moord. Dat geldt ook voor abortus. Zeker als de voornaamste reden is, dat deze zwangerschap echt niet bedoeld was of gelegenheid komt.

David Batseba ChagallMaar dan moet je er wel iets bij zeggen. Twee dingen eigenlijk. In het verhaal van David is Batseba de grote afwezige, lijkt het wel. OK, ze was er zelf bij toen ze onbedoeld zwanger werd. Maar had ze veel keus? Mannen veroorzaken vaak de ellende, maar daarna zie je ze niet meer. In de tijd van Jezus zie je dat ook. In Johannes 8:1-11 brengen de joodse leiders een vrouw bij Jezus die betrapt is toen ze vreemd ging of in het bordeel lag te rotzooien. Volgens de wet van Mozes moeten er dan twee mensen voor de rechtbank worden aangeklaagd vanwege overspel. Maar men brengt alleen het hoertje bij Jezus. Zo gaat het vaak: de vrouw wordt niet gehoord (zoals bij Batseba) of de vrouw staat er alleen voor (zoals dat hoertje). Vandaag gebeurt nog steeds hetzelfde. En natuurlijk, je bent er altijd zelf bij geweest als je zwanger raakt. Alleen bij verkrachting en bij incest is het echt tegen je eigen wil. Maar als iedereen je laat stikken zodra er zich nieuw leven aandient, vind je het dan gek dat de druk om een abortus te ondergaan zo groot wordt, dat veel vrouwen het ook doen?

Wat is dan een goede, bewogen houding? Nou, dat is het tweede: kijk naar hoe Jezus met die vrouw omgaat. Hij zegt niet tegen haar dat zij zo’n grote zondaar is. Dat zegt Hij juist tegen de mannen om haar heen. Hij zegt wel twee andere dingen tegen haar. Als eerste: ‘Ook Ik veroordeel je niet.’ En als tweede: ‘Ga maar, en zondig vanaf nu niet meer.’ Dat vind ik mooi. Jezus zegt eigenlijk tegen haar: ‘Ondanks wat er gebeurd is, vier het leven!’ Maar, zegt Hij erbij, stapel geen zonde op zonde. Dus als je onbedoeld zwanger bent, of misschien zelfs wel ongewenst … je wilt daarnaast toch ook niet nog de moord van je kindje op je geweten hebben?

Sterker nog … dat willen we toch samen niet? Het tegenovergestelde van ‘Pleeg geen moord’ is ‘Heb je naaste lief als jezelf’.  Hoe breng je dat in de praktijk als het om het ongeboren leven gaat? Gelukkig zijn er alternatieven. ChavahBijvoorbeeld het initiatief om tienermoeders die er alleen voor staan, op te vangen. In Groningen kan dat sinds 2016 bij “CHAVAH” – een leef- en leerhuis voor jonge moeders. Op www.chavah.nl vind je meer informatie. Taeke en Agnes Venema, de oprichters van Chavah, komen tijdens kerkdiensten of op een avond graag een presentatie geven over hun missie en hun werk. Hun missie is gebaseerd op het gebod van Jezus om elkaar lief te hebben zoals Hij ons liefgehad heeft. Daarom willen ze jonge meiden die onbedoeld zwanger geraakt zijn, een tijdelijk thuis bieden, waar ze tot rust kunnen komen en leren het leven –van hunzelf en van hun kleine– weer te  vieren. Bekijk eens de introvideo van Chavah op YouTube (klik hier). Meeleven kan altijd. Meehelpen ook. En bidden natuurlijk. Voor iedereen die onbedoeld zwanger is  En voor al het ongeboren leven.

Benieuwd naar hoe er in Assen-Peelo gestemd werd over de vijf vragen?
Vraag 1: ‘Abortus blijf wat mij betreft hoe dan ook moord!!!’   1) 65%   2) 5%   3) 30%
Vraag 2: Wanneer vind jij  dat een abortus wél zou mogen?   1) 60%   2) 30%   3) 3%   4) 7%
Vraag 3: Sandra (17) is onbedoeld zwanger, overweegt een abortus en vraagt jou om advies. Wat zeg je dan?   1) 60%   2) 35%   3) 5%
Vraag 4: Als ik van de voren zou weten dat ons kind het Downsyndroom heeft, zou ik …   1) 80%   2) 17%   3) 3%
Vraag 5: Als David in 2018 geleefd had, zou hij bij Batseba vast aangedrongen hebben op een abortus   1)   33%   2) 32%   3) 35%

Kathy Keller: waarom het ambt ‘only for men’ is

“It’s a pity,” zouden ze Amerika zeggen. Oftwel: jammer dat het boekje van Kathy Keller (inderdaad, de vrouw van Tim) over vrouw en ambt al in 2014 uitgekomen is, maar nog steeds niet in het Nederlands is vertaald. Nu in de Gereformeerde Kerken waar ik lid van ben, de vrouw in het ambt tot een vrije kwestie is verklaard, is het misschien wat mosterd na de maaltijd om in Nederland nog met een aparte uitgave van dit boekje te komen. Aan de andere kant brengt Kathy Keller een geluid naar voren die ze zelf ‘een complementaire M/V-visie’ noemt. Alle redenen om er kennis van te nemen. En ook om er iets van te vinden uiteraard.

Kathy Keller fotoKathy Keller verhuisde in 1989 met haar man Tim naar hartje New York. Samen startten ze de Redeemer Church. Daar hanteert men op grond van de Bijbel een complementaire M/V-visie: Jezus Christus heeft in zijn kerk aparte functies en rollen ingesteld voor mannen en vrouwen – niet om elkaar uit te sluiten, maar om elkaar aan te vullen. Dus kennen ze binnen Redeemer geen vrouwelijke ouderlingen en predikanten, maar verder worden vrouwen volledig ingeschakeld als het gaat om het geven van leiding en onderwijs. Dat levert soms felle discussies en stevige teleurstellingen op. Daarom stelt Kathy Keller zichzelf steeds weer de vraag: “Hoe kan ik mensen van de 21ste eeuw duidelijk maken dat het idee van aparte, elkaar aanvullende M/V rollen niet overkomt als een ouderwetse opvatting waar we ons voor moeten schamen, maar als een goed geschenk van onze hemelse Vader?”

In haar boek benadert Kathy Keller deze vraag van twee kanten. Het zijn precies dezelfde punten die ook in het ‘Pijnpuntenrapport’ van het deputaatschap ‘M/V en ambt’ aan de orde komen.

In de eerste plaats is er de vraag: “Hoe herkennen we wat God in de Bijbel vandaag tegen ons wil zeggen? Wat doen we met de cultuurverschuivingen die plaatsgevonden hebben nadat de Bijbel geschreven werd? Moeten we nu echt de dingen die zo lang geleden geschreven werden -in een tijd en samenleving zo verschillend van de onze- nog steeds gehoorzaam zijn? Wat betekent ‘gehoorzaam zijn aan de tekst’ feitelijk?” Hier gaat het om de vraag van de hermeneutiek: hoe lees en interpreteer je de Bijbel?

In de tweede plaats is er de vraag: “Als vrouwen niet mogen dienen in het ambt, zeg je daarmee dan eigenlijk niet dat vrouwen minderwaardig of minder begaafd of minder vol van de Geest zijn dan mannen? En dan, als ze zich door God geroepen voelen, dit een verkeerd en zondig verlangen is?” Hier gaat het om de vraag van de positie elke gelovige in de gemeente van Christus: worden vrouwen toch als tweederangs leden behandeld binnen het lichaam van Christus?

  1. Wat wil God vandaag tegen ons zeggen?

Tijdens haar studie theologie leerde Kathy Keller de Bijbel pas echt kennen als het geïnspireerde en betrouwbare Woord van God. Ze kwam tot deze conclusie op grond van de volgende waarneming: “Jezus vertrouwde op de inspiratie van het Oude Testament en Hij beloofde dat ook het Nieuwe Testament betrouwbaar zou zijn. Hij hield nooit op met het citeren van de Schriften, zelfs niet toen Hij aan het kruis hing (Ps. 22). Hij ademde de Schriften! Hij nam ze zo serieus! Zou ik dan, als zijn discipel, ook niet dit perspectief van Hem over het gezag en de betrouwbaarheid van de Schriften moeten overnemen?” Voor haarzelf betekende deze ontdekking een enorme verandering in haar houding tegenover de Bijbel. Ze ging vertrouwen op Gods Woord als de waarheid die haar geschonken was om haar te helpen bloeien, en dus ging ze daar niet meer tegen protesteren als haar persoonlijke overtuigingen en Gods geboden met elkaar botsten. Ze koos er bewust voor om haar eigen inzichten en keuzes te onderwerpen aan de Schrift, omdat ze Christus de overwinning wilde geven.

Als het om het onderwerp ‘vrouwen in de kerk’ gaat, zijn er volgens Kathy twee grondregels: a) de Bijbel spreekt zichzelf niet tegen – en je moet duidelijke gedeeltes gebruiken om minder begrijpelijke tekst te verklaren ; b) elke tekst moet begrepen worden in de context – je moet kijken wat de bedoeling van de geïnspireerde schrijver is voor de eerste hoorders, zowel historisch, cultureel als sociaal. Als je je aan deze principes houdt, zul je een manier ontdekken om Gods geopenbaarde wil in alles te gehoorzamen, zelfs als onze culturele situatie heel anders is dan de situatie waarin het eerst geopenbaard werd.

Abstract equality of men and womenDeze principes moet je ook toepassen op de ‘terreurteksten’ (zoals feministen volgens Kathy Keller 1 Korintiërs 14:34-35 en 1 Timoteüs 2:11-12 wel eens noemen) over positie van vrouwen in de kerk. Beide teksten betekenen volgens Kathy Keller niet dat christenvrouwen op geen enkele manier in de kerk openlijk het woord mogen voeren. Heel de Bijbel staat namelijk vol van vrouwen die wel in het openbaar profeteren, verkondigden en bidden. Het gedeelte uit 1 Kor. 14:34-35 is minder duidelijk, omdat je uit 1 Kor. 11 en 14 kunt afleiden dat vrouwen in de samenkomsten wel mochten profeteren en bidden. Dus moet je kijken naar die andere bijbeltekst waar Paulus ook zegt dat vrouwen moeten zwijgen, nl. 1 Tim. 2:11-12. Daar zegt Paulus duidelijk, dat het niet toegestaan is dat vrouwen ‘gezaghebbend onderwijs’ mogen geven in de officiële samenkomst van de gemeente. Alle andere vormen van openbaar spreken en publiek onderwijs geven zijn dus toegestaan. Alleen deze ene vorm wordt door Paulus verboden. Volgens Kathy Keller is dat de vorm van het beoordelen van profetieën (1 Kor. 11 t/m 14) en het bewaken van de apostolische leer (1 Tim. 1 t/m 6). Dit onderwijs wordt ‘gezaghebbend’ genoemd om twee redenen. Ten eerste omdat hier een eindoordeel gegeven wordt over wat er tot nu toe in de samenkomsten gezegd is: was het een profetie of een uitleg die overeen kwam met de waarheid van Gods Woord of werd hier een dwaling of, nog erger, dwaalleer verkondigd? Ten tweede omdat bij dit eindoordeel ook een oordeel wordt uitgesproken over de verkondiger en de luisteraars: wie een ander evangelie dan het goede nieuws van Jezus Christus brengt of wie niet wil luisteren naar de goede, heilzame boodschap van Gods Woord,  wordt vermaand, van het Avondmaal afgehouden en uiteindelijk  uit de christelijke gemeente verbannen, want zo iemand is geen onderdeel van en hoort niet thuis in het lichaam van Christus. Volgens Kathy Keller is die opdracht is alleen voor ouderlingen gereserveerd en in Gods wijsheid is die functie in heel de Bijbel alleen bestemd voor mannen.

Hoe moeten we daar vandaag mee omgaan? Er dringen zich namelijk twee vragen op, aldus Kathy Keller. 1) Moeten we iets dat zo lang geleden gezegd is nu nog gehoorzamen of zelfs in overweging nemen, terwijl tijden en plaatsen nu zo anders zijn? En 2) Waarom heeft God de zaken op deze manier voorgeschreven met specifieke M/V taakverdeling? Op beide vragen geeft ze een antwoord.

We moeten gehoorzamen aan Gods voorschriften op het punt van vrouwen in de kerk, zegt Kathy Keller. Ze vindt het argument dat Paulus een vrouwenhater echte onzin. Verder vindt ze de redenering dat deze teksten alleen maar betrekking hadden op problemen in sommige kerken in die tijd onjuist. Want Paulus zegt in 1 Kor. 14:37b dat wat hij schrijft ‘een bevel van de Heer is’ en geeft aan Timoteüs instructies voor alle gemeentes over ‘hoe men zich moet gedragen in het huis van God, dat wil zeggen de kerk van de levende God , fundament en pijler van de waarheid.’ (1 Tim. 3:15b). Ze is het ook niet eens met het argument dat de culturele situatie tegenwoordig zo veranderd is, dat we niet langer hoeven of kunnen gehoorzamen aan het voorschrift dat het gezaghebbend onderwijs in de officiële kerkdienst niet toekomt aan vrouwen. Want dan beoordelen we Gods gezaghebbende openbaring aan de hand van wat wij op dit moment in onze tijd acceptabel vinden. De minste waardering heeft Kathy Keller voor het standpunt dat deze kwestie zo ingewikkeld en verwarrend is, dat we daarom elkaar maar moeten accepteren, en dus begaafde vrouwen die zich daartoe geroepen voelen liefdevol moeten toelaten als ouderling en predikant. Daarin schuilt een verkeerde, postmoderne opvatting over ‘waarheid’. Ook is er geen onduidelijkheid over de het feit dat God verschillende rollen toebedeelt aan mannen en vrouwen in de kerk. Het punt is alleen: wil je de plaats en de rol die God je geeft in het leven en in zijn gemeente in dank en vreugde aannemen en je vol vertrouwen neerleggen bij zijn goedheid? Of ga je Gods plannen bekritiseren en accepteer je ze met een flinke portie tegenzin, zelfmedelijden en boosheid omdat dat nu eenmaal zo moet?

Kathy Keller kiest voor het eerste. Ook als ze op de vraag waarom God aan mannen en vrouwen in de kerk verschillende rollen heeft gegeven het eerlijke antwoord geeft: “Ik weet het niet.” Wat ze wel weet is dit: vrouwen worden aangemoedigd om in woord en daad een aktieve bijdrage te leveren in de kerk, dus ook in onderwijs, vermaning en bemoediging. Alleen de beoordeling of het onderwijs in de gemeente wel in overeenstemming is met de apostolisch leer, de waarheid, het Woord van God komt vrouwen niet toe, omdat deze taak exclusief aan de oudsten van de gemeente is toevertrouwd en de Bijbel nergens de mogelijkheid open laat voor vrouwen om deze functie te bekleden of om te beweren dat dit slechts een verbod is voor bepaalde tijden of situaties. Dus is het onze taak om ook in de 21ste dit bijbels gebod te gehoorzamen.

  1. Hoe ‘vrouwonvriendelijk’ is de uitsluiting van vrouwen?

In dit onderdeel van haar boek gaat Kathy Keller in op twee vragen. Allereerst hoe je (als vrouw) met vreugde dit bijbelse voorschrift kunt gehoorzamen. En vervolgens hoe je dit voorschrift op een begrijpelijke manier aan de man kunt brengen in onze hedendaagse cultuur.

Op de eerste vraag geeft ze als antwoord, dat juist een onderdrukkend, vrouwonvriendelijk klimaat in de kerk veel schade heeft aangericht. Daardoor zijn veel vrouwen diep gekwetst en is de halve kerk op non-aktief gesteld. Als christelijke kerk moet je er daarom voor zorgen dat er geen onderscheid gemaakt wordt als het om de inzet van gaven in de gemeente gaat. En dat alle wel-toegestane functies zoveel mogelijk door mannen en vrouwen uitgevoerd worden. Maar op grond van fouten in het verleden en de emoties die dat tot op de dag van vandaag bij vrouwen oproept moet je niet anders aan gaan kijken tegen het bijbelse voorschrift dat vrouwen in de christelijke gemeente geen gezaghebbend onderwijs mogen uitoefenen. Die combinatie betekent in New York dat de Redeemer Church dus geen vrouwen bevestigt als (regerende of lerende) ouderlingen, terwijl ze vrouwen juist wel toelaat in alle andere functies binnen de gemeente.

Daar kun je moeite mee blijven houden. Waarom zou je vrouwen weren van bepaalde rollen als ze overduidelijk van de Heilige Geest de gaven voor die functie ontvangen hebben en de roeping ervaren om te dienen in de rol van herder en/of leraar? Volgens Kathy Keller is dat een verkeerd dilemma. Want gaven zijn niet hetzelfde als rollen. Dus waarom vindt iemand het noodzakelijk om eerst een specifieke titel of functie te bemachtigen? Waarom zouden iemands gaven pas waardevol zijn als die in één specifieke rol kunnen worden uitgeoefend, namelijk van ouderling of predikant? Omgekeerd ziet Kathy Keller ook dat veel mannen juist niet meer de rol van geestelijk leiderschap in de kerk en in het gezin op zich te nemen.

Hoe kom je dan toch zover dat je als man wel durft te gaan dienen in het ambt van ouderling of predikant en dat je als vrouw afziet van dat verlangen? Door ons samen op Jezus te richten. Hij is de Zoon van God, één van wezen en dus helemaal gelijkwaardig aan de Vader, maar neemt toch vrijwillig de rol van dienstknecht op zich. Volgens Kathy Keller kunnen we dit spanningsveld van het Bijbels mysterie van Gods drie-eenheid moeilijk uitleggen zonder menselijke rolmodellen die dezelfde waarheden in eenzelfde soort rollen uitbeelden. En dus hebben we mannen en vrouwen nodig om hun rollen uit te oefenen in de veiligheid van kerk en huisgezin om zo de volheid van Jezus te laten zien aan de wereld om ons heen.

Bovendien laten we als christenen daarmee het verschil tussen de wereld en de kerk zien. In de wereldse samenleving mogen mannen en vrouwen vaak niet onderscheiden worden. Maar die gelijkheid, waarbij gelijken ook verwisselbaar moeten zijn, is, zoals C.S. Lewis al schreef, een fantasie. Want God heeft ons als mannelijk en vrouwelijk geschapen met verschillende taken, en niet als uniseks schepselen, hermafrodieten of met een keuzeoptie. Als we met de M/V rollen zoals God die bepaald heeft, gaan knoeien, zal dit tot onze eigen schade zijn. Terwijl in een gevallen en zondige wereld mensen elkaar altijd zullen onderdrukken en minachten op grond van hun geslacht, hebben we in de kerk toegang tot bekering en vergeving. Dat zijn essentiële gereedschappen waarmee mannen en vrouwen hun stralende mantels van verschillen kunnen blijven dragen om zo samen te leven als gevallen en vrijgekocht volk van God, in staat om elkaar te vergeven omdat we in Christus door God vergeven zijn.

Als je echt overtuigd bent van Gods wijsheid, liefde, en goedheid, kun je ook het goede zien in de taken en functies die God aan mannen en vrouwen heeft toebedeeld. Want dan stel je, als je verlangens en Gods geboden met elkaar botsen, als het er op aan komt in geloof toch je vertrouwen op Gods ontwerp, en niet op je eigen beperkte denkraam.

De kracht en de zwakte bij Kathy Keller

Kathy Keller MV boekNa het lezen van dit boek zijn er bij mij vier dingen blijven hangen, eerlijk te verdelen in twee sterke en twee zwakke punten.

Sterk vind ik het onderscheid in gaven en functies. Het is beslist niet waar dat ik pas volledig geaccepteerd ben in de kerk van Christus als ik altijd en overal alles moet kunnen doen wat bij mijn gaven past. Dat is echt een postmoderne eenzijdigheid. Sterk vind ik ook de nadruk op het ‘complementaire perspektief’ zoals Redeemer die hanteert. Dat wil zeggen dat mannen en vrouwen elkaar aanvullen, zowel in gaven als in rollen. Dat is een hele bijbelse gedachte die in onze volstrekt geïndividualiseerde samenleving vaak slecht begrepen wordt.

Zwak vind ik het antwoord ‘Ik weet het niet’ op de vraag waarom vrouwen niet in het ambt van ouderling en predikant zouden mogen dienen. Als dat echt het antwoord is, zou je vanuit christelijk oogpunt elkaar juist de vrijheid moeten geven. Maar de grootste zwakte van Kathy Keller zit ‘m voor mij hierin, dat ze een absolute koppeling legt tussen ‘gezaghebbend onderwijs’ en ‘functies’ en ‘alleen voor mannen’, zonder dat ze ingaat op de vraag waarom in de joodse traditie en dus ook in de eerste christelijke gemeente de taak van het bewaken van de gezonde bijbelse leer alleen bij mannen is neergelegd. Daarmee legt ze een niet-gemotiveerde basis onder haar hele betoog dat het gezaghebbende ambt in het Nieuwe Testament én in de kerk van de 21ste eeuw ‘only for men’ is. Maar als de fundamenten onder een betoog niet hard gemaakt worden, berust het hele verhaal feitelijk op drijfzand. Of beter, want met ‘drijfzand’ doe ik Kathy Keller geen recht: het is een aannemelijk standpunt, maar wie er vanuit de Bijbel gelovig anders over denkt kan net zo goed gelijk hebben.

Kathy Keller publiceerde haar boek Jesus, Justice, & Gender Roles in 2014. Een complete werkvertaling van dit  boek is te vinden op www.depoarte.org. Hier staat ook informatie over een studiedag die op 21 oktober 2017 gehouden werd in Drachten onder de titel ‘De Complementaire Visie – M/V rollen in de kerk en in het christelijke gezin’.

Ik ben geen zondaar – de theologie van de DoorBrekers

Onder deze titel heeft Peter Paauwe, voorganger van ‘DoorBrekers’ in Barneveld, deze zomer een serie van zeven preken gehouden. Als afsluiting heeft ‘DoorBrekers Worship’ begin september 2017 een mooi opwekkingsnummer uitgebracht,  ook met de titel ‘Ik Ben Geen Zondaar’.  De tekst is als volgt:

1) U nam de eerste stap, strekte uw hand uit, vanuit de eeuwigheid werd U een mens.

U brak de vijandschap door uw genade, verzoening werd gebracht voor iedereen.

Refrein: Hoe heerlijk, hoe groot is uw naam. Verlosser, wij aanbidden uw naam.

Messias, U maakt alles nieuw. Alles is nieuw.

2) Mijn zonden uitgewist, redding ontvangen,

in U een nieuwe mens, van zonden bevrijd. U maakte mij vrij.

3) Het is volbracht, de prijs betaald, eens voor alle zonden.

Of ik nu val of ik nu sta, ik ben geen zondaar. Ik ben geen zondaar.

Ik vind het een mooie tekst. OK, je kunt over de zin ‘verzoening werd gebracht voor iedereen’ nog wel een boom opzetten, maar die woorden verwijzen naar 1 Johannes 2:2. Ik vind de tekst vooral hierom  goed, omdat het heel bijbels is om onderscheid te maken tussen wat ik als christen dankzij Jezus Christus in de ogen van God ben (Zijn geliefd kind! Géén zondaar meer!) en wat ik als christen nog steeds doe zolang ik hier op aarde rondwandel (Een struikelende zondaar). Want zo ideaal als in de reklame waarin alle kritiek op een persoon met een vrolijke glimlach en zonder enig onvertogen woord in ontvangst genomen wordt (“Annet? Die taart van jou is echt niet te hachelen” ), zo perfect worden wij in dit leven nog niet vernieuwd naar het beeld van God. Die volmaaktheid ligt nog achter de horizon en bereiken we pas na dit leven, zoals Paulus in bv. Filippenzen 3:12-21 heel erg duidelijk maakt. Er zit volgens de Bijbel nog wel een verschil tussen ‘zondaar zijn’ en ‘zonde doen’.

In het  Reformatorisch Dagblad van 15 september plaatste de CGK-theoloog Michael Mulder toch wat kritische opmerkingen bij dit lied (klik hier). Want volgens hem houdt Peter Paauwe, de voorganger van DoorBrekers, er een bedenkelijke uitleg op na. Hij zou met ‘Ik ben geen zondaar meer’ bedoelen, dat er bij een christen geen zonde meer kan zijn als hij echt opnieuw geboren is. Want wie opnieuw geboren is, is kind van God, is overgezet van de duisternis van het rijk van de duivel in het licht van het koninkrijk van de hemelen en dus kun je niet meer zondigen omdat je uit God geboren bent. Zo staat het immers in 1 Johannes 3 vers 9?

Ik dacht: dat wil ik toch even uit de mond van Peter Paauwe zelf horen. Dus heb ik één van zijn zeven preken beluisterd. Ze dragen allemaal als titel ‘Ik Ben Geen Zondaar’, gelukkig met een nummer erachter en een tweede titel. Hoewel ik de titel van deel 4 erg interessant vond (‘Ik Ben Vrijgemaakt’ ;-), heb ik me beperkt  tot deel 6: ‘Ik Kan Niet Zondigen’.

DoorBrekers StellingEn inderdaad, Peter Paauwe doet een flink aantal uitspraken in die preek van drie kwartier die mooi klinken, maar niet bijbels zijn. Hij husselt namelijk door elkaar wie we dankzij Jezus Christus zijn en hoe we in de praktijk van alle dag als volgeling van Christus leven. Of eigenlijk: hij haalt het niet door elkaar, nee, hij benadrukt voortdurend alleen maar dat eerste. Ongeveer op deze manier:  als je tot geloof komt en Jezus als Heer aanvaardt, word je in één keer van het koninkrijk van de duisternis overgeplant in het koninkrijk van de hemel. “En in dit koninkrijk heb ik geen zonde meer, in dit koninkrijk ben ik verlost van de zonden, ben ik verlost van de macht van de zonden, en ik ben continue rein, ik ben continue heilig, ik ben continue vergeven, ik heb het eeuwige leven, ik zit in de hemel, en als ik in de hemel ben kan ik geen zonde hebben.” Dat is, lijkt mij, wel heel kort door de bocht. Natuurlijk hoef je al je zonden niet telkens opnieuw te belijden. Maar dat is wat anders dan dat je niet meer in zonde valt (1 Joh. 2:1). Ons hart kan ons nog steeds aanklagen (1 Joh. 3:20). Maar daar hoor je Peter Paauwe niet over.

Want, en dat is de tweede uitglijder, hij zegt alweer voortdurend in zijn preek dat christenen de wet niet meer kunnen overtreden omdat die wet bij het koninkrijk van de duisternis hoort en niet bij het koninkrijk van de hemel, want daar regeert alleen maar de wet van genade, vrijheid, Geest, waarheid en overwinning. En dus, zegt hij: “Ik kan wel overtredingen hebben, maar het wordt geen zonde omdat ik niet onder de wet ben.” Peter Paauwe haalt daarvoor Maarten Luther aan; die heeft immers 500 jaar geleden voor de grootste opwekking ter wereld gezorgd. In zijn uitleg van de Galaten (hier digitaal na te lezen)  zou Luther ook voortdurend benadrukken, dat een christen die zich helemaal aan Christus toevertrouwt, een nieuwe mens geworden is, burger van Gods nieuwe wereld, “waar geen wet is, geen zonde, geen geweten, geen dood, maar de meest vrije vreugde, gerechtigheid, genade, vrede, leven, heil en heerlijkheid.” En Luther zei daar nog iets bij: “Daarom is het de hoogste kunst en wijsheid van de christen, niets te willen weten van de wet (…) en moeten christenen zo voor God leven,  alsof er helemaal geen wet is.” Want, zegt Luther vervolgens: “Als u namelijk de wet niet uit uw gedachten zet en uw gedachten niet zo op de zuivere genade zou richten, dan kunt gij niet zalig worden.” Dus, zie je wel …  Luther zei het zelf: “Waar geen wet is, daar is ook geen overtreding”! En zo komt Peter Paauwe tot zijn conclusie dat je als christen geen zonde meer kunt doen. Want bij God is er geen wet die je veroordeelt, maar mag je altijd leven van genade en van Gods overvloed, word je nooit veroordeeld en altijd vrijgesproken, of je nu staat of struikelt.

Tsja … nu snap ik ook waarom er in de clip van “Ik Ben Geen Zondaar” een moderne Luther voor komt die alleen maar deze éne stelling aan de kerkmuur timmert. Het is een nogal eenzijdige boodschap als je alles op één grote hoop gooit en zelfs Maarten Luther voor je karretje wilt spannen. Die heeft namelijk wel wat meer gezegd dan dat je niet meer onder de wet hoeft te leven als christen. En Luther heeft al helemaal niet gezegd dat hij nooit zondigt, omdat de wet alleen maar geldt in het koninkrijk van satan. Integendeel, op maandag 18 september kreeg ik mijn wekelijks Luther-citaat in de mailbox binnen (abonneren kan via www.maartenluther.com). Deze keer ging die over het onderwerp ‘Tegelijk heilig en onheilig’. Wat hij in één van zijn Paaspreken uit 1533 zei is volgens mij zo Bijbels als wat en niet zo eenzijdig als de theologie van de DoorBrekers in Barneveld:

Luther Playmobil“Een Christen is op hetzelfde moment een zondaar en een heilige, tegelijk slecht en goed. Want wat onze persoon aangaat zijn we in zonden, en wat onze eigen naam aangaat zijn we zondaren. Maar Christus geeft ons een nieuwe naam. Hij noemt ons: ‘Uw-zonden-zijn-u-vergeven’. Die naam houdt in: omwille van Christus zijn al uw zonden vergeten en vergeven. Zo is het beide wáár: de zonden zijn er – want de oude-Adam is nog niet helemaal gestorven – en ze zijn er ook niet, omdat God ze om Christus’ wil niet wil zien.

Voor mijn ogen zijn ze er, ik zie en voel ze wel degelijk! Maar hier is Christus – Hij laat aan mij verkondigen: ’Ik moet boete doen.’ Dat is: ik moet belijden dat ik een zondaar ben, én in zijn Naam vergeving van zonden geloven (vgl. Handelingen 5:31).

Want de boete – hoewel deze niet gemist kan worden – is op zich niet genoeg om de zonden weg te nemen. Het moet zovér met je komen dat je in de Naam van Christus gelooft en zó ook voor jezelf de vergeving van zonden ontvangt. Waar dit geloof is, daar ziet God geen zonden meer. Want daar sta je voor God niet in je eigen naam, maar in de Naam van Christus – Hij kleedt en versiert je met zijn genade en gerechtigheid.

Dat doet Hij, hoewel je in eigen waarneming een arme zondaar bent en vol zit met zwakheid en ongeloof. Toch hoef je daarvan geen doodschrik te krijgen – hoe zou je anders de prediking van de boete nog kunnen horen? Daarom, zeg dan: ‘Ach Heer, ik ben een arme zondaar, dat weet ik, maar U zegt: “Zo zal het toch niet met je blijven, want Ik heb bevel gegeven dat in mijn Naam vergeving van zonden gepredikt moet worden”’ (vgl. Lukas 24:47).”

Tenslotte: als het Woord van God bij de DoorBrekers in Barneveld nogal eenzijdig verkondigd wordt (“Als ik geen zondaar meer ben, kan ik ook niet meer zondigen”), is het lied ‘Ik Ben Geen Zondaar’ dan ook automatisch fout? Nee, dat denk ik niet. Volgens mij maakt setting waarin je het zingt het verschil. Dus klik maar aan: ‘Ik Ben Geen Zondaar’.