Pastorale problemen en een verschuivende geloofsleer

Je loopt als gelovige ergens tegen aan. De praktijk botst met wat je altijd zo geleerd hebt. En je vraagt je af: klopt de bijbelse leer wel? Je denkt er over na en je gaat studie maken van het onderwerp dat je zo bezig houdt. Aan het eind kom je tot de konklusie: in zijn Woord spreekt de HERE er anders over dan ik altijd gedacht heb. Onze gereformeerde leer zoals we die in de belijdenisgeschriften geformuleerd hebben, komt niet helemaal overeen met wat de Bijbel erover zegt.Vervolgens schrijf je een boek of een artikel om anderen te laten delen in je nieuwe visie op dit onderwerp. Of je draagt het uit bij een inleiding op de bijbelstudievereniging of, als je predikant bent, vanaf de kansel.

DENKPROCES

Niets mis mee, zou je zeggen. Zo moet dat toch? Bestudeer de Bijbel, want zo wil de Heilige Geest je wijsheid geven. (Johannes 5:39 en 2 Timoteüs 3:15). En dan is het toch prima als je samen tot nieuwe konklusies komt? Het Woord van onze God moet immers in alle tijden een aktuele toepassing krijgen? Toch vraag ik mij af of het denkproces wat hier plaats vindt wel juist is. Wat mij al een tijd lang opvalt is, is het volgende. Vanuit de praktijk wordt de theorie geherformuleerd. Maar dan wel op een wijze, die volgens mij te weinig recht doet aan de bijbelse fundering van dat specifieke stukje geloofsleer waar men tegen aan loopt.  Deze manier van denken vind ik te kort door de bocht.  Dat zal ik straks uitleggen. Eerst een aantal voorbeelden.

1) GEREFORMEERD MAAKT DEPRESSIEF

Veel gereformeerde mensen staan niet echt blij in het leven. Integendeel, ze hebben een negatief zelfbeeld en zijn daarom sneller depressief. De oorzaak is ook bekend: in de Heidelbergse Catechismus staat het zinnetje: ‘Wij zijn zo verdorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds en uit op elk kwaad.’ Zie je wel, dat de gereformeerde leer depressieve mensen maakt? En daarom kom je vanuit de liefde van God tot een positiever mensbeeld.

2) WIE LIJDT ER HET MEEST?

Als christen kom je om je heen en in je eigen leven soms zoveel leed tegen, dat het bijna niet te dragen is. Hoe kun je daar pastoraal mee omgaan, als je tegelijk in de kerk hoort, dat de Here Jezus gelukkig het ergste lijden voor ons aan het kruis gedragen heeft? Daarmee suggereer je tegenover mensen in grote nood: je eigen moeiten en verdriet kunnen nog zo erg zijn, maar vergeleken met het lijden van Jezus Christus valt het daarbij in het niet. Vanuit je pastorale bewogenheid kom je vervolgens tot de theorie, dat de Here Jezus juist met ons kan meevoelen, omdat Hij als mens precies hetzelfde lijden heeft doorgemaakt als wij.

3) IN LIEFDE TROUW ZIJN

Je kent persoonlijk een paar medechristenen met een homoseksuele geaardheid. Je wilt graag pastoraal naast deze broeders en zusters gaan staan. Want je merkt, hoe oprecht en gelovig velen van hen verlangen naar een man of vrouw om het leven mee te delen. Vanuit je grote bewogenheid met hen kom je na diepgaande studie tot de conclusie, dat in de Bijbel het grote gebod van de liefde, gepaard met levenslange trouw aan de HERE en de naaste, centraal staat. En die nuance vind je ook bij Paulus terug, als hij zegt: ‘Alles is toegestaan, maar niet alles is goed.’ (1 Korintiërs 6:12 en 10:23)

4) MEER VAN DE GEEST

Je ervaart bij jezelf en in de Gereformeerde Kerken een gebrek aan geloofsbeleving. Het lijkt wel, alsof er geen verlangen naar de doorwerking van de Heilige Geest is. Hoe is dat zo gekomen? Na onderzoek in de Bijbel trek je de conclusie dat de gereformeerde belijdenisgeschriften vooral rationalistisch en verstandelijk over het werk van Christus vóór ons spreken en dat er te weinig aandacht is voor het werk van de Geest van Christus ín ons. Tegelijk lees je in deze Bijbel dat daar veel meer ruimte geboden wordt voor (bijzondere) ervaringen van de Geest dan in onze gereformeerde kerken altijd geleerd is.

5) JE MOET DANKBAAR ZIJN

In gesprekken met mede-kerkgangers signaleer je dat velen van hen de verlossing uit de macht van de zonde als een genade-werk van Jezus Christus bestempelen. Maar als je doorvraagt wat dat voor hen betekent, krijg je van diezelfde gereformeerden vervolgens te horen, dat ze nu graag aan God willen laten zien dat ze Hem daar erg dankbaar voor zijn. En je ziet dat ze dat proberen te doen door zelf uit eigen kracht een perfekt gereformeerd leven te leiden. Je komt tot de conclusie, dat de Heidelbergse Catechismus daar mede aanleiding toe geeft door te spreken van Ellende –  Verlossing – Dankbaarheid. Want jezelf verlossen kun je niet, maar je kunt wel zelf laten zien hoe dankbaar je bent. En dat is niet bijbels: ook je heiliging en je christelijke leven is iets wat de Heilige Geest in jou bewerkt en dus een genadegeschenk van God.

6) BLIJVEN STEKEN BIJ DE ZONDE

Tegelijk constateer je in diezelfde gesprekken, dat veel gereformeerde broeders en zusters blijven steken in het ‘ik-ellendig-mens-geloof’ van Romeinen 7. Ze hebben een ‘ja-maar’ geloof en komen maar niet toe aan een nieuwe christelijke levensstijl door de kracht van de Geest, zoals Romeinen 8 daar over spreekt. Als je daar wat dieper over nadenkt, zie je opeens de relatie met de wekelijkse voorlezing van de Tien Geboden en de vele zondagen van de Catechismus over de Wet. Daardoor krijg je als christen ook gemakkelijk een schuldgevoel aangepraat. Want je moet dankbaar zijn, maar wat brengen je ervan terecht? En dus ga je nog beter je best doen met het leven onder de wet. Zet daar de Bijbel eens tegenover! Die heeft toch duidelijk ook oog voor die andere insteek, nl. de roeping om vrij te zijn en het ‘ik-vermag-alle-dingen-door-Hem-die-mij-kracht-geeft-geloof’.

7) MET DE KINDERDOOP DE GENADE OP ZAK

Je ergert je aan zoveel lauwheid bij al die gereformeerde gelovigen. Tegelijk zeggen ze allemaal wel, dat ze kind van God zijn en bij het verbond horen. Net alsof je dan automatisch ‘binnen’ bent! En plotseling besef je, dat de kinderdoop daar een belangrijke oorzaak van is. Dat wekt de indruk dat je Gods genade altijd paraat hebt. Maar in de Bijbel lees je, dat mensen zich bewust tot God bekeren moeten, want ‘wie gelooft en zich laat dopen zal gered worden’ (Markus  16:16). Zie je wel? Door al die nadruk op het verbond en de kinderdoop kweek je gemakzuchtige gelovigen.

LANGE HALEN – SNEL THUIS

Ik herken heel vaak de pastorale problemen in bovenstaande situaties. Maar naar mijn bescheiden mening wordt er bij de oplossingsrichting een denkfout gemaakt. We signaleren een pastoraal probleem en we denken dat het aan de gereformeerde leer ligt. En dus doen we ons best om aan te wijzen waar de gereformeerde manier van omgaan met de Bijbel niet klopt. Of waar de gereformeerde belijdenisgeschriften het aan het verkeerde eind hebben. Die analyse is, denk ik, meestal niet terecht. Met als gevolg, dat de oplossing ook niet deugt.

In de meeste gevallen is er wat anders aan de hand. Niet de gereformeerde leer is de oorzaak van persoonlijke moeiten of een gezamenlijke eenzijdigheid. Nee, het zijn de kloven tussen geloof en ervaring en tussen leer en leven die ons vaak parten spelen. Dan is het mij te gemakkelijk om te zeggen, dat de gereformeerde leer de oorzaak van alle ellende is.

Het is volgens mij niet moeilijk om bij elk van de zeven genoemde voorbeelden vanuit de Bijbel, maar zeker ook vanuit de gereformeerde belijdenisgeschriften aan te tonen, dat de geschetste problematiek vooral z’n oorzaak vindt in onze eenzijdigheid.

1) De gereformeerde leer maakt mensen niet depressief, want er wordt een reële uitweg uit de ellende aangewezen.

2) De gereformeerde leer erkent de diepte van het lijden en ziet reikhalzend uit naar de verlossing van geest, ziel, lichaam en schepping.

3) De gereformeerde leer ontkent niet dat iedere christen tegenover God zichzelf mag zijn, maar wil graag dat we onze individuele keuzes op die van Jezus onze Heer afstemmen.

4) De gereformeerde belijdenis staat vol van ervaringen door de Geest, waardoor we Jezus leren omhelzen en van binnen volstrekt bovennatuurlijk, liefdevol en wonderbaar worden aangeraakt.

5) De gereformeerde belijdenis leert ons juist om niet naar onze prestaties te kijken, maar naar onze motivatie.

6) De gereformeerde belijdenis zelf geeft duidelijk aan dat Christus ons door zijn Heilige Geest vernieuwen wil.

7) En de gereformeerde belijdenis neemt juist duidelijk afstand van de gedachte dat als God in de doop met jou zijn verbond sluit, je vanzelf automatisch de hemel binnen komt.

DE ‘BASICS’ WEER VAN ZOLDER HALEN

De gepresenteerde oplossingen gaan allemaal teveel uit van de praktijk. Om die kloppend te maken bij pastorale nood of om te vormen naar de eigen wenselijkheid, wordt de oorzaak bij de gereformeerde theologie gezocht. Die moet dan worden aangepast.

Het is veel moeilijker om eerst zelf als gereformeerd christen en zelf als gereformeerde kerken kritisch voor de spiegel van Gods Woord te gaan staan. En om daarna te constateren, dat we op een bepaald gebied scheefgegroeid zijn, terwijl onze papieren (de Bijbel én onze belijdenissen) heel evenwichtig zijn en daarom heel goed in staat zijn onze geloofsleer en ons geloofsleven prima in balans te houden.

Vervolgens is het nog moeilijker om te belijden, dat het dus onze eigen persoonlijke en collectieve schuld is, dat we in bepaalde eenzijdigheden zijn vervallen, en dat we daarom terug moeten keren naar de weg die God Zelf ons allang in de Bijbel heeft aangewezen en waar onze voorvaders in de gereformeerde belijdenissen allang oog voor gehad hebben.

Voor mij ligt de uitdaging hem hierin, om weer persoonlijk en gezamenlijk te gaan beleven, wat we allang als geloofskennis in onze bijbel en in onze belijdenisgeschriften hebben staan. Dan schuiven we de oorzaak van allerlei moeiten en ontwikkelingen niet langer op onze gereformeerde geloofsleer, maar maken we ons, door de Geest geleid, weer eigen wat we in Christus al lang op papier hebben staan.

Hoofdzaak ‘GEZOND’ – ook met een dwarslaesie?

“Als je maar gezond blijft.” Ik hoor het mensen vaak zeggen. Maar wat is ‘gezond’? Alweer meer dan 10 jaar geleden sprak ik daar eens over met iemand die niet in God gelooft en niets met Jezus heeft. Hij zei tegen mij: “Dus jij hoopt eigenlijk dat ik een ernstig ongeluk krijg of zo, waardoor ik tot inkeer kom en in God ga geloven?” Dat vond ik een wat ongemakkelijke wending in het gesprek. Ik heb gezegd, dat ik hem beslist geen rampzalige dingen in zijn leven gun, behalve als tegenslag de manier is waarop God iemand tot nadenken wil stemmen en tot geloof wil brengen. Dat was ergens in de eerste jaren van deze eeuw.

Wilhelm Busch Jesus unser SchicksalDe mijnwerker

Een paar jaar geleden kwam ik een prachtig voorbeeld tegen over hoe God tegenslag gebruikt om iemand tot geloof te brengen. In een preek over de verlamde man uit Markus 2:1-12 heb ik het als afsluiting gebruikt. Deze zomer heb ik die preek ook in Oostenrijk in het Duits gehouden. Men vond het zeer eindrucksvoll. Dat kwam ook, omdat dit waargebeurde verhaal in het Duits beschreven is in het boek Jesus unser Schicksal van de in Duitsland zeer bekende evangelisatie-predikant Wilhelm Busch (1897-1966). Hij vertelt in dat boek o.a. het verhaal van een verlamde mijnwerker met de naam Amsel.

Het ongeluk

Amsel had in de mijnen door een vallend rotsblok een dwarslaesie opgelopen. Daardoor zat hij nu in een rolstoel, zonder enige hoop op genezing. Als dominee van het mijnwerkersdorp zocht Wilhelm Busch hem op in zijn armzalige arbeiderswoning. Daar stonden de drankflessen op tafel. En toen Busch binnenkwam, begon Amsel te vloeken en te tieren en te schreeuwen: “Wat doe jij hier, schijnheilige zwartrok, wegwezen hier! Waar was die God van jou, toen die steen op mij viel en mijn ruggewervels brak? Waarom laat Hij zoiets gebeuren?”  De mijnwerker ging zo te keer, dat Busch zich in de hel waande. Maar wat gebeurde er een paar weken later? Door een paar gelovige collega’s werd Amsel meegenomen naar de bijbelstudie van de mannengroep. Waarschijnlijk hebben ze hem niet eens gevraagd, maar gewoon meegenomen. Net als de vier vrienden van de verlamde man in Markus 2. Daar hoorde Amsel voor het eerst over Gods liefde voor verloren mensen. En het wonder gebeurde: hij kwam tot geloof. Nog geen half jaar later was hij eigendom van Jezus Christus geworden. Hij is nooit meer uit zijn rolstoel gekomen. Maar hij werd een totaal ander mens. Een verschil van dag en nacht. “Waar men vroeger alleen maar vloeken hoorde, klonken nu Jezus-liederen. De oude vrienden bleven weg; daarvoor kwamen nieuwe in de plaats. De flessen met drank verdwenen; daarvoor in de plaats lag de Bijbel op tafel. Vrouw en kinderen leefden op,” schrijft Wilhelm Busch.

De afloop

Wilhelm Busch fotoJaren later bezocht de predikant zijn oud-gemeentelid nog een keer. En dat bezoek heeft een onvergetelijke indruk op hem gemaakt. Hij kwam binnen en vroeg: “Amsel, hoe gaat het met je?” En dit was, wat Amsel antwoordde: “Busch, binnenkort zal ik sterven, ik voel het. Dan kom ik in de hemel voor de troon van God te staan. Het eerste wat ik dan zal doen is op mijn knieën voor Hem neervallen en Hem danken dat Hij mij deze dwarslaesie bezorgd heeft.” “Amsel toch,” onderbrak dominee Busch hem geschrokken, “wat zeg je daar nou?” Maar Amsel antwoordde: “Ik weet wat ik zeg. Kijk, als me dat niet overkomen was, als God mij zo goddeloos verder had laten leven, was ik recht toe recht aan de hel ingelopen, in de eeuwige verdoemenis. Dus moest God in zijn reddende liefde wel zo snoeihard ingrijpen, dat Hij mijn ruggewervels moest breken. Anders had ik nooit zijn Zoon, Jezus Christus, gevonden. Door Jezus ben ik een vrolijk kind van God geworden, dankzij mijn rolstoel. En daarom wil ik Hem voor dit verschrikkelijke zware ongeluk bedanken.”

Wilhelm Busch Jezus onze bestemmingDe uitspraak

En toen kwam de zin, die Wilhelm Busch nooit meer vergeten zou: “Want het is beter in een rolstoel bij Jezus te horen en een kind van God te zijn, dan met twee gezonde benen de hel in te springen.” Dat zei Amsel, de mijnwerker met een dwarslaesie!  Hij had begrepen waarom Jezus de verlamde man eerst zijn zonden vergaf en daarna pas zei: “Sta op en loop.”

In dit leven geldt niet als eerste: ‘Hoofdzaak gezond!’. Veel belangrijk is: ‘Hoofdzaak een gezonde relatie met God!’

Gods Geest werkt overal: wees er op vakantie getuige van!

Bijbelgetrouwe kerken heb je in Nederland in meervoud. In de rest van de wereld moet je ze vaak met een zaklantaarntje zoeken. Toch zijn ze er wel. De vakantietijd is de ideale gelegenheid om kennis te maken met andere christenen die ook in de Naam van de Heer samenkomen.

Gods Geest werkt in de Alpen

SSRO kruis en logoHier in Nederland kunnen we het ons haast niet voorstellen, maar in heel Oostenrijk en Zwitserland zijn er vijf kleine  Evangelisch-Reformierte Kirchen die samen het kerkverband van de ERKWB vormen. Het jaar 2015 is om twee redenen een bijzonder jaar voor de kleine gereformeerde kerken in de Alpen.

Begin dit jaar meldde zich een zesde kerk aan. Namelijk de ‘Living Spring’-gemeente  uit Zürich. Deze gemeente bestaat uit ethnische Chinezen. Ze willen graag een bijbelgetrouwe gemeente zijn en doordat ze in contact kwamen met ds. Kurt Vetterli uit Basel willen ze zich nu graag aansluiten bij de ERKWB. Tijdens de jaarlijkse synode die op 7 en 8 mei in Wenen gehouden werd, hebben ze zich voorgesteld en is de toelating tot het kerkverband in gang gezet. Deze gemeente houdt kerkdiensten in het Mandarijn-Chinees + één keer in de maand een Duitstalige kerkdienst. De kerkdiensten in het Mandarijn worden via internet ook gevolgd door vele christenen in China. Ook hier geeft de Geest van Christus onverwachtse mogelijkheden en worden deuren  geopend!

Mayer Reinhard und BernadetteNa de zomer zullen er ook wekelijks kerkdiensten gehouden worden in Bludenz. Deze stad ligt zo’n 30 km. ten zuiden van Rankweil. Ds. Reinhard Mayer heeft er contacten opgebouwd met christenen. Nu biedt zich de mogelijkheid aan om na de zomervakantie wekelijks kerkdiensten te gaan houden in het gebouw(tje) van de YMCA in Bludenz. De gemeente in Rankweil is erg blij met die mogelijkheid en ziet daar het werk van Gods Geest in. Christus Zelf opent deuren – van gebouwen en van mensenharten.

Duitstalige kerkdiensten

Deze kerken houden, uiteraard in het Duits, op de volgende tijden hun kerkdiensten.

  1. In Basel komt de Evangelisch-Reformierte Kirche tot en met eind juli 2015 elke zondag om 10.00 uur samen in het CVJM-Haus Riehen, Kornfeldstrasse 83, 4125 Riehen. Voor augustus zie www.erkwb.ch.
  2. In Winterthur komt de Evangelisch-Reformierte Kirche elke zondag om 10.00 uur samen aan de Schlachthofstrasse 19, 8406 Winterthur.
  3. In Wenen komt de ‘New City Wien’-gemeente elke zondag om 16:00 uur samen in de Wiedner Haupstrasse 45-47, 1040 Wien. Zie verder www.newcitywien.at.
  4. In Neuhofen an der Krems komt de Evangelisch-Reformierte Kirche elke zondag om 9:30 uur samen aan de Steyerstrasse 35, A-4501, Neuhofen an der Krems. Maar deze kleine gemeente houdt begin juli haar gemeente-weekend aan de Wolfgangsee. Daar houden ze op zondag 5 juli om 10:30 uur een kerkdienst in de Evangelische Kirche van St. Wolfgang. Dit kerkje staat pal aan het meer aan het eind van van Robert-Stolz-Straße, 5360 St. Wolfgang im Salzkammergut.
  5. In Rankweil komt de Evangelisch-Reformierte Kirche elke zondag om 10:00 uur samen in ‘Gebouw A14’, Feldkreuzweg 13, A-6830 Rankweil. Dit gebouw bevindt pal naast afrit 36 (Feldkirch Nord) van de A14 van Bregenz naar Bludenz.

Zie voor meer informatie de sites www.erkwb.ch en  www.reformiert.at.

Nederlandstalige kerkdiensten in Oostenrijk – Vorarlberg

In Rankweil worden tijdens de zomervakantie voor vakantiegasten uit Zwitserland, Liechtenstein, Vorarlberg en Zuid-Duitsland op drie zondagen Nederlandse kerkdiensten gehouden, namelijk op:

  • Zondag 12 juli – voorgang br. C. Catsburg
  • Zondag 26 juli – voorganger ds. L.E. Leeftink
  • Zondag 2 augustus – voorganger br. Cees Catsburg

Deze diensten worden belegd door de Evangelish-Reformierte Kirche van Rankweil en beginnen om 17.00 uur in ‘Gebouw A14’, Feldkreuzweg 13, A-6830 Rankweil.

De Geest opent deuren en harten

Dat de kerkdeuren van deze kleine gemeentes elke zondag openstaan, is het werk van de Heilige Geest. Elke keer als vakantiegasten uit Nederland de Duitstalige kerkdiensten bezoeken, is dat een enorme bemoediging voor de broeders en zussen in Oostenrijk en Zwitserland.

De kerken in Oostenrijk en Zwitserland hebben een zusterkerkrelatie met de GKV-kerken in Nederland en onderhouden ook persoonlijke contacten met de CGK, de NKG en de HHK. De Stichting Steun Reformatie Oostenrijk ondersteunt de kerken geestelijk en financieel. Meer informatie kun je vinden op de website www.sssro.nl. Daar is ook het Oostenrijkbulletin te lezen, het kwartaalblad van de SSRO. Je vindt er nog meer informatie en verhalen over hoe het Evangelie van Jezus Christus ook in de Alpen mensen raakt. Je kunt je ook abonneren en donateur van de SSRO worden. De broers en zussen in Oostenrijk en Zwitserland stellen belangstelling, gebed en steun uit Nederland zeer op prijs.

Overal vind je christenen – ook op vakantie

Maar voor iedereen die op vakantie gaat naar het buitenland geldt: zoek daar de broers en zussen in het geloof op! Vaak zijn het kleine kerkjes en zijn ze heel erg blij met Nederlandse gasten. Als de diensten in het Duits of Engels zijn, hoeft de taal niet eens het grootste probleem te zijn. Maar ook al zou je maar een klein gedeelte verstaan, dan nog proef je de geloofsverbondenheid! Zoek dus even lekker op internet voordat je weggaat, zou ik zeggen. Iets met ‘kerk’ en ‘gereformeerd’ en ‘evangelisch’ in de taal van dat land, en je vindt vast wel wat in een straal van 50 kilometer. Dat zijn geen afstanden in de vakantie – voor een pretpark maak je hetzelfde ritje ook ;-).

Abortus – NIPT-test – Downsyndroom

Embryo gezichtOp zondag 28 juni 2015 preekte ik over het Zesde Gebod. Daar zegt God: “Pleeg geen moord.” De Heidelbergse Catechismus legt dat onder andere zo uit: “De overheid draagt dan ook het zwaard om de doodslag te weren.” Maar vandaag de dag hebben we in Nederland een probleem. Juist als het om het meest kwetsbaarste leven gaat, geeft de overheid alle ruimte om dat leven vroegtijdig te beëindigen. Dat ligt niet aan de overheid trouwens – in een democratie is de overheid de afspiegeling van wat de burgers vinden. En wat vindt Nederland in grote meerderheid tegenwoordig? Het ongeboren leven heeft nog geen naam en het versleten leven mag geen naam meer hebben. En daarom laten mensen hun te verwachten kindje weghalen als het een afwijking heeft en vragen ze om een spuitje voor hun demente ouders als ze de aftakeling niet meer kunnen aanzien.

De NIPT-test om te checken op het synodroom van Down

In de laatste maanden is er nogal wat ophef geweest over de NIPT-test. ‘De Niet-Invasieve Prenatale Test (NIPT) kan zwangere vrouwen uitsluitsel geven over of het kindje lijdt aan het Down Syndroom’ aldus de omschrijvingen op internet. Tot voor kort had je de combinatietest om te onderzoeken of je zwanger was van een kindje met Down-syndroom. Die werd niet aan iedereen aangeboden, alleen aan moeders met een verhoogd risico. Als daaruit bleek dat je een kans van meer dan 1 op de 200 had op een Down-kindje, kreeg je een vervolgtest, de NIPT-test. Die is nu zover doorontwikkeld, dat minister Schipper de NIPT-test standaard aan wil bieden als zwangerschapstest aan elke vrouw. Net zoals de 20-weken-echo. Allebei met het oog op mogelijke afwijkingen van het nog ongeboren kind in de moederschoot. De 20-weken-echo wordt nog wel eens als een ‘pret-echo’ gezien. Dan weet je wat het wordt en kun je de babykamer alvast blauw of roze inrichten. Maar officieel zegt de overheid nadrukkelijk, dat de 20-weken-echo geen ‘pret-echo’ is. Het gaat om een medisch onderzoek naar de mogelijkheid van afwijkingen. En bij de NIPT-test is dat al helemaal zo, maar dan speciaal om te kijken of er sprake is van het Down-syndroom. En wat is daar de bedoeling van? Op haar website kopt de artsenfederatie KNMG met grote letters:

Goede informatie en keuzevrijheid vrouw essentieel bij NIPT

DownsyndroomToen dacht ik: kijk, hier komt de aap uit de mouw. Je moet wel weten, vindt minister Schippers, of je een kindje met Downsyndroom krijgt. Ook al is die kans maar 1 op de 700 bij vrouwen onder de dertig. En als je dan te horen krijgt, dat je een zoon of dochter met Down krijgt, moet je wel heel erg sterk in je schoenen staan om het te houden, want op dit moment laat 75% van de moeders die de diagnose ‘Down-syndroom’ te horen krijgt, het ongeboren leven wegaborteren. En je mag er niets van zeggen, want volgens de artsenfederatie KNMG is ‘expliciete ruimte en respect voor de keuze na de test essentieel’. Maar dat is wel de keuzevrijheid van de aanstaande moeder. Die gaat boven alles. Ook boven het ongeboren leven. Met als vervelend risico dat de 25% die wel besluit om hun kindje te houden later geconfronteerd wordt met opmerkingen als: ‘Een mongooltje? Die had je toch kunnen laten weghalen?’ Terecht is dan ook volgens mij veel protest geweest tegen de algemene invoering van de NIPT-test.

Eerbied voor het leven begint vroeg

Vraag jezelf eens af of je als christen wel mee zou willen doen aan de NIPT-test. En bereid je er maar op voor, als je wél meedoet en de test wijst uit dat de kans op Down heel erg groot is, dat veel verloskundigen, artsen en gynaecologen als eerste zullen zeggen: ‘We begrijpen het heel goed al je het niet wilt houden.’ Gelukkig, denk ik, is de acceptatie binnen christelijke kringen nog heel erg hoog. Maar wat zeg je als je niet-christelijke collega op het werk zegt: ‘Ik heb de NIPT-test gedaan en het is waarschijnlijk een Downie’. Of je sportmaatje op de sportschool die niets met het christelijk geloof heeft zegt: ‘Mijn vriendin is zwanger en nu blijkt het een kindje met Down te zijn.’ Meer dan 75% kans dat ze erover beginnen dat ze het weg willen laten halen voor de 24e week. Wat voor advies zou jij dan geven?

Moederschoot JeremiaEerbied voor het leven begint vroeg. Het vraagt ook om vertrouwen. Vertrouwen op God. Hij is de Vader van al het leven. Ook het ongeboren leven. Zelfs vóórdat ik verwekt werd, kende Hij mijn naam al en stonden al mijn jaren tot op de dag nauwkeurig in zijn boek opgeschreven, zingt David in Psalm 139. God zegt het Zelf in Jeremia 1. Durf je op die God te vertrouwen? Als het om je eigen leven gaat en om het ongeboren leven? We kunnen wel denken dat we alles zelf in de hand hebben. Maar dat is niet zo. Juist toen ik over het Zesde Gebod nadacht, besefte ik weer, dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat kinderen gezond geboren worden. Soms kunnen er geen kinderen komen. Soms komt de kleine veel te vroeg en mag het na een paar uur alweer terug naar God. Soms is de hele periode van de zwangerschap negen maanden lang afzien. Soms krijg je een kind met een zware handicap. Soms blijkt pas later dat je zoon of dochter een diagnose met bijbehorend rugzakje heeft. En om alle risico’s dan maar zoveel mogelijk uit te sluiten  neemt onze samenleving het recht op leven van ongeboren kinderen in eigen hand. Officieel beslist de moeder. Maar hoe vaak is het ook de druk van de omgeving?

Moord met voorbedachte rade?

Abortus ja of neeAbortus is een grondrecht geworden. Geen eerbied voor het leven, maar meestal moord met voorbedachten rade. In Nederland staat er geen straf op. Maar hoe zouden God de Vader en Jezus onze Heer er over oordelen? God, die een God van liefde en genade is? Jezus bij wie alle kinderen en hun moeders welkom zijn? Veel vrouwen die een abortus ondergaan hebben, kampen later met verlies- en schuldgevoelens. Heel vaak hebben ze hun kindje in gedachten een naam gegeven. Bij God is er vergeving voor elke zonde. En Jezus zei eens tegen een vrouw die zich heel erg schuldig voelde: “Ik veroordeel je niet.” Hij zei er ook nog wat bij: “Ga heen en zondig  vanaf nu niet meer.”

 

Vraag aan iemand die vóór abortus is:

Bent u ook een tiener geweest?                         JA
Bent u ook een kind geweest?                            JA
Bent u ook een baby geweest?                           JA
Bent u ook een foetus geweest?                         JA
Bent u ook een embryo geweest?                      JA
Bent u ook een zaadcel geweest?                      Eh … nee

Dus uw leven begon ook bij de bevruchting …

Eens zien we elkaar weer – de dood is het einde niet

NIKS NA DE DOOD is wat veel mensen geloven. Jongeren noemen het tegenwoordig YOLO. In mijn jaren als jongere (de jaren ’80) zong Toontje Lager een goddeloos nummer met de titel “Niks na de dood” en troostte Klein Orkest iedereen  met de gedachte “Over 100 jaar zijn jullie allemaal dood – en wij ook”.

Die gedachte, dat het met de dood afgelopen is, zal iedereen wel eens bekruipen. Ook als christen. Je kunt er op zondag nog zo mooi samen van zingen, maar is het ook echt zo, dat het geloof in God als je Vader en in Jezus als je Verlosser je echt troost wanneer iemand uit je meest nabije omgeving plotseling of na een lang ziekbed komt te overlijden?

UITRUSTEN

In de Bijbel wil onze Heer Jezus ons die troost wel geven. In Openbaring 14 vers 13 horen we Hem zeggen: ‘Gelukkig zijn zij die in verbondenheid met de Heer sterven. Zij mogen uitrusten van hun inspanningen, want hun daden vergezellen hen.’ Het sterven van de gelovigen die ons zijn voorgegaan wordt hier dus uitgelegd als ‘uitrusten van hun inspanningen’. Dat vind ik zelf een mooie omschrijving. Als iemand in Jezus geloofde als zijn of haar Heer, mag je ervan overtuigd zijn, dat hij of zij het nu beter heeft. Want na je sterven ben je bij Hem, Jezus, je Heer! En dus is het een waar woord wat Paulus schrijft in 1 Tessalonicenzen 4 vers 13, dat je als christen niet op dezelfde manier ‘bedroefd bent, zoals de andere mensen, die geen hoop hebben.’ In de oude bijbelvertaling kon je lezen, dat Paulus het 2x heeft over ‘hen, die ontslapen zijn’ (in vers 13 en in vers 14).  Daarmee bedoelt hij de gelovigen ‘die in Christus gestorven zijn’ (vers 16).  

ONTSLAPEN

In de bijbelvertaling die we in onze kerk gebruiken,  de NBV van 2004, is dat woord ‘ontslapen’ vervangen met het veel algemenere woord ‘de doden’. Dat vind ik jammer. Want het gaat om de vraag die de christenen toen in Tessalonika heel erg bezig hield: zal mijn gestorven man en zullen onze twee gestorven kindertjes er wel bij zullen zijn als Jezus terugkomt? Dan gebruikt Paulus volgens mij expres het woord ‘ontslapen’ om aan te geven, dat het sterven van een christen geen straf op de zonde meer is, maar een wachttijd tot het moment dat Jezus terugkomt. Na slapen word je eens weer wakker, en daarom kon Jezus van het dochtertje van Jairus en van Lazarus ook zeggen, dat ze sliepen.

Ik heb dit een tijd terug aan het Nederlands Bijbelgenootschap geschreven, maar zij gaven als antwoord, dat het woord ‘ontslapen’ (dat twaalf keer voorkomt in het N.T.)  een synoniem is voor ‘sterven’. ‘Ontslapen’ klinkt daarbij als een eufemisme en verzacht het hardere ‘sterven’ of ‘dood gaan’ iets. Maar dat laatste was voor de vertalers in 2004 geen doorslaggevend argument om het woord ‘ontslapen’  te handhaven. Zij vonden vooral,  dat ‘ontslapen’ een te ouderwets woord geworden was.

Ik denk daar toch anders over. Paulus maakt juist bewust van deze fijne nuancering gebruik, omdat er verschil zit in het sterven van Jezus en het sterven van wie in Hem geloven. Hij heeft het immers in vers 16 over ‘zij die in Christus sterven’ (NV’51) / ‘de doden die Christus toebehoren’. Als je dat gelooft, is ‘ontslapen’ een fijngevoelige omschrijving die aangeeft, dat de dood niet meer het laatste woord.

Wat dat betreft vind ik het jammer, dat deze nuance is verdwenen uit de NBV.

DE DOOD PROEVEN

Dat geldt ook van de uitdrukking ‘de dood proeven / smaken’. Die wordt in het N.T. 5x gebruikt. Drie keer in hetzelfde verband door de Here Jezus (Mat. 16:28 = Mark. 9:1 = Luk. 9:27) en verder nog een keer door de Here Jezus in Joh. 8:52 en tenslotte in Hebr. 2:9. In de NBV staat nu alleen nog in Joh. 8:52, dat Jezus zegt: ‘Wie mijn woord bewaart zal de dood nooit proeven.’ Op de andere vier plaatsen staat nu ‘sterven’ of ‘de dood’. Ook dat vind ik erg jammer. Want volgens mij gebruiken de Here Jezus en de schrijver van Hebreeën die uitdrukking om aan te geven, dat de dood een bittere vijand is. Maar wie gelooft, hoeft die bitterheid niet meer persoonlijk te proeven, ook al moet je nog sterven. Want Jezus heeft door de genade van God  voor allen de dood als vijand echt gesmaakt en geproefd, zegt Hebreeën 2:9. En dus hoeven de mensen die in Hem geloven, de dood niet meer op die manier te ondergaan, zegt Jezus in de andere vier Bijbelgedeeltes. Ik denk dus, dat de bijbelschrijvers deze uitdrukking niet voor niets als synoniem voor ‘sterven’ gebruikt hebben.

Ook dit heb ik een tijd terug aan het Nederlands Bijbelgenootschap voorgelegd. De reaktie was toen, dat het werkwoord voor ‘proeven’ ook vertaald kan worden als ‘(de dood) ervaren’ of ‘(de dood) meemaken’. In het Nederlands zeg je in dat geval gewoon ‘sterven’. Alleen in Joh. 8:52 staat nu nog ‘de dood proeven’, omdat het in vers 51 over ‘de dood zien’ gaat. In die passage gaat het dus om twee beeldende omschrijvingen van het sterven. Ook zei men dat het verschil tussen ‘sterven’ en ‘de dood in zijn bitterheid proeven’  theologische van aard is, want in het Grieks staat het woord ‘bitterheid’ er niet bij. Maar men was wel gevoelig voor het argument dat als er vijf keer een synoniem voor ‘sterven’ gebruikt wordt, je die uitdrukking ook best in het Nederlands vijf keer kunt gebruiken. Dat wil niet zeggen, dat ze het bij de herziening van de NBV in 2016 ook zullen overnemen, want het hangt mede van het tekstverband af.

Ik hoop, dat de uitdrukking ‘de dood proeven’ weer alle vijf de keren in onze vertaling wordt opgenomen. Zo blijf je dicht bij de grondtekst en kun je als bijbeluitlegger aangeven, dat de Here Jezus echt de dood in z’n volle omvang als straf van God ondergaan heeft (Hebr. 2:9), terwijl wie in Hem gelooft, daar niet meer op die manier bang voor hoeft te zijn. Want, zegt Paulus in 1 Kor. 15: ‘Dood, waar is je overwinning? Dood, waar is je angel?’ De angel is eruit, want Jezus Christus onze Heer heeft de dood overwonnen. En dus zullen ook onze geliefden, die in Christus gestorven zijn, eens weer opstaan. Zelfs nu al mag je zeggen: ze zijn wél gestorven, maar ze zijn níet dood. Ze zijn bij Jezus hun Redder en Heer.

HOOP

Dat is een kwestie van geloof. Je ziet bij een begrafenis of een crematie iets anders. Je voelt tot in lengte van jaren het gemis. En toch … toch zien we elkaar eens weer bij de Here Jezus. Eerst in de hemel. Straks op de nieuwe aarde. Dat geeft echt hoop in al het verdriet. Dat wil Paulus ons juist graag meegeven: Troost elkaar met deze woorden.

Voor de liefhebber: alle info over de NBV, de keuzes bij het vertalen en de herziening die er in 2016 aankomt is te vinden op www.nbv.nl, een aparte website van het Nederlands Bijbelgenootschap.
Zie ook vorige blogs zoals
In de hemel is de Heer en Colton heeft Jezus daar gezien –  12 juni 2013
Vol verlangen zingen op weg naar die grote dag – 24 mei 2014
Heaven is for real – een oppervlakkige film en een aardig dagboek over Colton Burpos bezoek aan de hemel – 11 januari 2015
Herkenning in de hemel – maar hoe? – 20 maart 2015

De geest van Charlie – flauw kinderspel of puur occultisme?

Nederlands Dagblad Charlie Charlie potlodenJe neemt een vel papier en twee potloden, je tekent een grote plus, zet linksboven + rechtsonder ‘NEE’ en rechtsboven + linksonder ‘JA’ en legt dan de beide potloden kruiselings over elkaar heen precies op de lijnen van de grote plus. Daarna zeg je “Charlie, Charlie, are you here?” en je wacht tot het bovenste potlood gaat bewegen. Zo krijg je antwoord op je eerste vraag. En daarna kun je verder. Flauw kinderspel of puur occultisme?

Volgens sommige christenen is het puur occultisme. Dus moeten alle christelijke scholen het verbieden (ND Charlie op scholen) en moet er op de EO-jongerendag heel duidelijk tegen gewaarschuwd worden  (ND Charlie op EO-jongerendag)  Anderen zien het gevaar niet zo en Nederlands Dagblad Charlie Charlie bakstenenvinden juist dat dit flauwe kinderspel veel te veel nadruk krijgt door het meteen als een groot occult gebeuren te bestempelen. Wees eerst eens nuchter en kijk of er ook andere verklaringen zijn voor bewegende potloden. Pas als twee bakstenen uit zichzelf zouden gaan bewegen, zou er echt sprake van occulte machten zijn, zoals CGK-dominee Wim de Bruin uit Purmerend schrijft in ND Charlie baksteen en iets uitvoeriger op zijn blog Niets engs aan Charlie.

Clown fear horrorWie heeft er gelijk? Zelf ben ik behoorlijk kritisch op medechristenen die achter elk onverklaarbaar verschijnsel een boze geest zien en die via de volgende bedenkelijke redenering menen dat we als christenen zomaar een occulte beïnvloeding te pakken hebben:  A) Je hebt bepaalde tradities en gewoonten; –> B) Uit die tradities en gewoonten spreekt een bepaalde geest; –> C) Die geest wordt een echte persoon en dus is er sprake van demonen; –> D) Deze demonen verbinden zich aan alles wat jij óf je voorouders in huis hebben gehaald; –> E) Al die occulte invloeden moet je traceren en in de naam van Jezus verwijderen.

Halloween pompoenEen typisch voorbeeld van zulke moderne bangmakerij is het boekje ‘Occulte machten en bevrijding’ van dr. M.J. Paul uit 2005. Het is onvoorstelbaar hoe deze bijbelgetrouwe gereformeerde theoloog alles op één grote hoop gooit. Zijn evangelische collega Richard Mayhue laat gelukkig een heel ander, bijbelser geluid horen (klik hier voor een dubbele boekbespreking). Ik ben dus tegen moderne bangmakerij en misplaatste konkreetheid, zoals ik met Halloween ook al blogde (Alleen een oen loopt met een pompoen).

Maar hier is er toch wel wat anders aan de hand, vind ik. In de Bijbel lees ik overduidelijk dat onze goede God het ten strengste verbiedt om boze geesten aan te roepen. En hoe je het ook wendt of keert, dat doe je wel als je voor de lol boven een groot JA/NEE-papier met twee potloden “Charlie, Charlie, ben je hier?” gaat roepen. Dan ga je volgens mij een grens over. Dus moet je hier gewoon niet aan beginnen. Wat dat betreft snap ik de christelijke scholen. En verder moet je het ook niet groter maken dan het is. Dus moet je er op de EO-jongerendag verder geen aandacht aan besteden. Tot slot: wie over het onderwerp ‘occultisme’ nog eens een preek over lezen wil of er eentje wil houden als preeklezer – er staat er eentje op deze weblog onder Preken OT n.a.v. Deut 18 vs 13-15: U moet volledig op de HERE, uw God, gericht zijn. Ook al luisteren de volken in het land dat u in bezit zult nemen wel naar wolkenschouwers en waarzeggers, ú heeft de HERE, uw God, dat verboden. Hij zal in uw midden profeten laten opstaan. Naar hen moet u luisteren.

Bidden voor je kinderen – elke dag (ook als ze groot zijn en eigen wegen gaan)

Bidden 4In Assen-Peelo staan regelmatig jonge ouders aan de doopvont. Elke keer weer zijn dat prachtig diensten. In het Gereformeerd Kerkboek staan drie doopformulieren. In nummer 2 krijgen gelovige ouders de opdracht mee dat zij ‘dagelijks voor hun kinderen behoren te bidden.’ 

Dat geldt niet alleen voor als de kinderen jong zijn en nog thuis. Het geldt ook als de kinderen groot zijn en zelfstandig door het leven gaan. Een voorbeeld daarvan is Job. In de Bijbel kun je lezen, dat Job voor al zijn kinderen blijft bidden, juist ook als ze volwassen geworden zijn. Want voor volwassenen kinderen zijn de risico’s om God kwijt te raken in het leven net zo groot als voor kinderen en jongeren. En als de kinderen de deur uit zijn beseffen de ouders des te meer dat ze zelf geen invloed meer uit kunnen oefenen op de geloofskeuzes van hun kinderen.

Jongeren hoofdenWat dan overblijft is de opdracht die je bij de doop van je kinderen al van de HERE krijgt: blijf dagelijks voor ze bidden! We zeggen wel eens: dat is het enige wat je voor ze kunt doen – bidden. Maar vergeet niet: dat is ook het belangrijkste wat je voor ze kunt doen! Of je kinderen nu meelevend gelovig of juist niet meer gelovig zijn. Job bad voor zijn gelovige kinderen, omdat hij zichzelf kende en wist hoe gemakkelijk je in je hart God vaarwel kan zeggen. Een andere redelijk bekende gelovige, Monica, bad elke dag voor haar zoon Augustinus die echt met God gebroken had. Haar gebed werd tijdens haar leven al verhoord. Dat gebeurt niet altijd. Maar het mag je, als ouders, wel bemoedigen om ermee door te gaan – met het bidden voor je kinderen. Want de vraag is niet of God wel luistert naar wat wij van Hem vragen. De vraag is eerder of jij en ik het wel volhouden om de namen van onze kinderen telkens weer in Gods handen te leggen.

 

 

Afgedwaald

Ook hij is een verbondskind, en hij heeft

daarnaast meer dan hij nodig had gekregen:

verstand, gezondheid, dagelijks zon en regen,

en ouders die hem hebben voorgeleefd

 

hoe zinvol alles wordt als God ons geeft

Zijn liefdevolle zorg op onze wegen,

hoe goed het leven is onder Zijn zegen,

wanneer je dankbaar naar Zijn wetten leeft.

 

En toch is hij de herder kwijtgeraakt.

Hij voelt zich thuis op nieuwgekozen paden

en maakt zelf uit waardoor hij zich laat binden.

 

Wij blijven achter: door God klein gemaakt,

maar blijven voor hem bidden, vastberaden.

Laat hij zich ooit weer door de Herder vinden?

 

 

Harm Sijnstra – Zuidlaren

 

 

Wat wil God in mijn leven? Hoe ontdek ik zijn plan met mij?

Ik denk dat elke christen zich deze vraag wel eens stelt. Dan gaat het over Gods leiding in mijn leven. Kan ik die ontdekken? Hoe weet ik zeker, dat het Gods wil is dat ik een bepaald richting zal inslaan of een bepaalde keuze zal maken?

pijl-rechtsIn het boek De christen als tijdgenoot van John Stott kwam ik een heel goed advies tegen. Hij zegt daar: “In het algemeen gesteld, is het terecht als we zeggen dat Gods wil voor zijn volk te vinden is in het Woord van God.” En even later: “De bijzondere wil van God is echter niet in de Schrift te vinden. De bijbel bevat echter wel uitgangspunten die relevant zijn voor bijzondere vragen. “ (allebei op blz. 126). Vervolgens noemt hij er vijf. Daar heb ik zelf veel aan gehad en dus geef ik ze graag door. Inclusief de bijbeltekst die John Stott aan elke tip verbindt.

Tip 1: Verleen altijd voorrang aan Gods bekende wil

Je eigen wil is vaak het grootste struikelblok voor de ontdekking van Gods wil. Iedereen kent wel het verkeersbord dat aangeeft dat je andere voertuigen voorrang moeten verlenen. Zo moet je ook voorrang verlenen en toegeven aan Gods bedoeling. In de Bijbel kom je veel dingen tegen die de HERE gebiedt of verbiedt. Zo maakt Hij zijn wil bekend aan wie bereid zijn die te volgen. Denk aan Psalm 25 vers 9: Wie nederig zijn leidt Hij in het rechte spoor, Hij leert hun zijn paden te gaan.

Tip 2: Bid tot God als je vragen hebt

God maakt zijn wil alleen maar aan jou bekend als je die werkelijk wilt kennen. Een vage overgave is niet voldoende. Je moet er aanhoudend en vol verwachting om vragen. Want God is je hemelse Vader. Hij verwent zijn kinderen niet, maar wil dat je je wensen in gebed aan Hem kenbaar maakt. Jezus moedigt je in Matteüs 7 vers 7 aan: Vraag en er zal je gegeven worden. Kinderen die niet vragen, worden volgens Jakobus overgeslagen: U krijgt niets, omdat u niet bidt. (hoofdstuk 4 vers 2).

Tip 3: Praat veel met anderen

In het protestantse christendom is ‘het recht op eigen oordeel’ een van haar sterkste punten. Toch moet je je niet inbeelden dat dit betekent dat je al je beslissingen alleen moet nemen. Integendeel, God geeft je familie en vrienden en een christelijke gemeente. Voel je niet te goed om met anderen te praten en hen om advies te vragen.  In Spreuken 13 vers10 staat: Wie goede raad ter harte neemt, is wijs. Dus maak van je beslissingen groepsbeslissingen, die door kring van mensen waarin God je geplaatst heeft, gedragen worden.

Tip 4: Gebruik je verstand

Ook al moet je je overgeven aan wat de Bijbel zegt, God bidden om raad en anderen om advies vragen, uiteindelijk moet je zelf de beslissing nemen. Gods wil niet dat je bent zoals paarden en ezels die geen verstand hebben, maar met bit en toom bedwongen worden (Psalm 32 vers 8+9). Hij wil je niet door dwang of door irrationele voorgevoelens een bepaalde richting in laten slaan, maar heeft je daarvoor vooral het verstand gegeven, waardoor je persoonlijk bij het maken van keuzes de voor- en nadelen kunt afwegen.

 Tip 5: Neem de tijd en wacht rustig af

Mensen maken meer fouten door overhaast een besluit te nemen dan door een beslissing uit te stellen. Neem er de tijd voor om te ontdekken wat Gods plan met jouw leven is, want als je haast hebt of ongeduldig wordt, ben je verkeerd bezig. Het duurde ongeveer tweeduizend jaar voor God zijn belofte aan Abraham, dat Jezus Christus geboren zou worden, vervulde. Het duurde tachtig jaar om Mozes voor te bereiden op zijn levenswerk. Het volwassen worden van de mens duurt ongeveer vijfentwintig jaar. Als je een beslissing moeten nemen binnen een bepaalde tijdsperiode moeten we dat natuurlijk doen. Maar als je niet aan een bepaalde tijd gebonden bent nog steeds geen zekerheid hebt, is het verstandiger om te wachten. Bedenk dan, dat God tegen jou hetzelfde zegt als tegen Jozef en Maria, toen Hij hen met het kind Jezus naar Egypte zond: ‘Blijf daar tot Ik je weer roep.’ (Matteüs 2 vers 13).

Gods wil is zo klaar als een klontje … achteraf bekeken

Ik kwam bij John Stott z’n adviezen terecht bij het maken van een preek over Handelingen 16 – het moment van de oversteek van het Evangelie van Azië naar Europa.

‘Kom over en help ons!’ – deze oproep wordt in christelijke kringen regelmatig gebruikt als er dringend mensen nodig zijn voor de het kerkelijk werk, de evangelisatie, de zending of het christelijk barmhartigheidswerk.

Asia NT‘Kom over en help ons!’ – bij Paulus zijn het geen mensen die een beroep op hem doen, maar is het God Zelf die via een visioen Paulus Europa instuurt. Dat staat in Handelingen 16 vers 9+10. Maar als je de drie verzen ervoor leest, valt het op, dat de Heilige Geest Paulus eerst een aantal keren tegen houdt om een andere weg in te slaan. Eerst verhindert de Geest Paulus om Gods Woord in Asia te verkondigen. Hij mag dus niet linksaf slaan om richting Efeze te gaan. Daarna staat de Geest het hem niet toe om rechtsaf te slaan, richting Bitynië aan de Zwarte Zee. Er staat niet bij, dat Paulus rechtstreekse ingevingen van de Heilige Geest kreeg. Misschien was de weg naar Efeze te onveilig of kreeg Paulus net op het moment dat de karavaan naar Bitynië zou vertrekken buikgriep. Hoe dan ook, Paulus zal een paar keer gedacht hebben: ‘Wat is Gods plan met onze zendingsreis?’ Pas achteraf werd het hem duidelijk.

Soms moet ik van te voren wat meer vertrouwen hebben in de God die mijn leven leidt. Achteraf zie ik vaak beter waar alles toe dient en leidt.

Pinksteren: hoe benader je belangstellende niet-christenen?

Handelingen is het boek van de Heilige Geest. De apostelen trekken de wereld in om in alle steden en dorpen eerst de Joden en dan de Grieken het goede nieuws over Jezus Christus te vertellen. Door de Heilige Geest komen duizenden tot geloof.

Niet-Joodse ‘vereerders van God’Heilige Geest duif

Wat mij opvalt is, dat ze vaak met meest positief ontvangen worden door mensen die regelmatig de joodse synagoge bezoeken, maar zich nog niet tot het jodendom bekeerd hebben. In het boek Handelingen worden ze een paar keer ‘proselieten’ genoemd (Hand. 2:11, 6:5, 13:43 –  in de oude vertalingen stond ‘Jodengenoten’). Letter betekent dat: ‘erbij gekomen zijn’.  Het zijn mensen die op zoek waren naar  de zin van het leven en daarbij het antwoord op hun levensvragen bij het joodse geloof gevonden hebben. Als heidenen hebben ze de God van Abraham, Isaak en Jakob leren kennen. Maar omdat ze geen geboren Joden waren, konden ze alleen maar toetreden tot het Jodendom als ze zich aan heel de Joodse wet en alle voorschriften van de Joodse traditie gingen houden. Daarom bleven de meesten van hen toch maar liever als vaste gast de synagoge bezoeken. Behalve de drie keren dat ze ‘proselieten’ genoemd worden, staat in Handelingen nog vaker dat ze ‘vereerders van God’ zijn (Hand. 10:2+22+35, Hand. 13:16+26+43+50, Hand. 16:14, Hand. 17:4+17, Hand. 18:7). Soms staat er uitdrukkelijk bij, dat het om Griekse mensen gaat. Veel van deze ‘vereerders van God’ kwamen door de evangelieverkondiging van Paulus en de andere apostelen tot geloof in Jezus Christus. Ze werden vaak de meest aktieve leden van de nieuwe christelijke gemeentes, omdat Christus ook voor hen heel de wet vervuld had en omdat Hij in zijn gemeente geen onderscheid tussen Jood en heiden maakt.

Niet-christelijke ‘Godzoekers’

Vandaag beleven wij steeds vaker iets soortgelijks.  Mensen met weinig of geen kerkelijke achtergrond komen met ons in kontakt. Soms als levenspartner van een gemeentelid, soms meegenomen door vrienden, soms omdat ze zelf op zoek zijn gegaan bijvoorbeeld via internet. Ze kennen de negatieve verhalen over de kerk die steeds weer in de media opduiken. Verhalen van vroeger (de kruistochten, die strakke gereformeerden) en verhalen van nu (seksueel misbruik door priesters en voorgangers, homo’s die niet welkom zijn in de kerk). Toch zijn ze in hun zoektocht naar de zin van het leven geïnteresseerd geraakt in het christendom. Meestal doordat ze persoonlijk iemand leerden kennen, die ze als oprecht en belangstellend christen hebben leren kennen. Dat wekte hun interesse.

Toch is er een belangrijk verschil met de vroeg-christelijke kerk. Wie zich in de Grieks-Romeinse tijd tot de God van de Joden bekeerde en zich na Pinksteren bij de christelijke gemeente aansloot, geloofde daarvoor in allerlei andere goden. Vandaag komen mensen vaak tot geloof vanuit een achtergrond waarin geloof en de vraag naar God amper nog een rol speelt. Kort geleden stond in het ND (15 mei) en in het DvhN (18 mei) dat in 2014 nog maar net 50% van de Nederlanders bij een ‘godsdienstige groepering’ hoort. Eind jaren ’90 was dat nog 60%, in 2010 niet meer dan 55% en nu dus nog maar de helft van Nederland. De andere helft is niet-religieus. Bij ons in het Noorden spant Groningen de kroon (34%) en zijn Drenthe en Friesland met 40% en 43% de nummers drie en vier wat betreft minst kerkelijke provincies. En ook al noemt de 50% van de bevolking zichzelf religieus of gelovig noemt,  van alle Nederlanders bezoekt maar iets meer dan 10%  wekelijks de kerk (of de moskee). Gereformeerde christenen die trouw naar de kerk gaan op zondag zijn dus echt een minderheid in Nederland! Meer dan de helft van Nederland is tegenwoordig niet gedoopt en krijgt van huis uit niets meer mee over God, Jezus en de Bijbel.

Zoekers positief benoemen

Nu las ik laatst een interessante vraag: hoe praten wij als kerk en als christenen over mensen die niet gelovig en vaak ook niet gedoopt zijn? Hoe wij over hen spreken verraadt namelijk hoe wij over hen denken. Een niet-christen noemen wij vaak een ongelovig, niet-kerkelijk, ongedoopt of religie-loos. We beschrijven daarmee een gemis. We benadrukken daarmee vooral wat mensen niet zijn. Ze zijn géén christen. Dat is een negatieve kwalificatie.

Waarom zou je het niet omdraaien? Waarom zou je niet het positieve beschrijven bij veel mensen die niet christelijk zijn opgevoed, maar wel op zoek zijn naar een positieve invulling van hun leven? Termen als zoeker of sympathisant of belangstellende of gastvriend klinken veel positiever. Misschien is het een idee om niet-leden die regelmatig in onze kerken komen, zelf te vragen hoe ze hun positie zouden willen noemen. Want de redenen waarom hun wegen zich met die van ons kruisen, zijn zo verschillend!

Dat het aantal niet-christelijke Nederlanders per jaar met bijna 1% toeneemt, is duidelijk. Maar er zijn geen cijfers over het aantal Nederlanders die, zelf niet gelovig opgevoed, op zoek zijn naar de zin van het leven en naar een God die zoveel van mensen houdt dat Hij zijn eigen Zoon naar deze wereld gestuurd heeft.

Hoe benaderen wij  zulke, soms bewuste, vaak onbewuste Godzoekers? Een houding van openheid en een sfeer van vriendelijkheid laat anderen zien: ‘Jij bent welkom bij ons, we zien in jou een geschenk van God, we hebben elkaar veel te bieden.’ Is dat de manier waarop wij andersdenkenden aanspreken? En willen wij ook van hen leren wat hen beweegt in hun zoektocht naar God?

De Heilige Geest zorgt voor een open houding

Toen onze Heer Jezus Christus terug naar de hemel ging, heeft Hij ons als christenen beloofd dat we niet alleen zouden achterblijven. De Heilige Geest zou komen om ons bij te staan. Niet voor niets wordt in de dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren in veel kerken gebeden om de komst van de Heilige Geest. Die kan en wil ons als kerkgemeenschap en ook persoonlijk de kracht geven om in deze tijd van afnemende gelovigheid open te staan en goed te reageren op mensen die zoeken naar de zin van hun leven en die, vaak via wonderlijke wegen, door Jezus onze Heer Zelf op hun zoektocht christenen tegenkomen. Christenen zoals jij en ik.

Zij die het geloof aanvaard hadden, stonden in de gunst bij het hele volk. De Heer breidde hun aantal dagelijks uit met mensen die gered wilden worden. (Handelingen 2 vers 47)

 

KINDERDOOP NORMAAL – UITSTEL SOMS – HERDOOP NOOIT

– over de doop van kinderen  in de eerste driehonderd jaar na Pinksteren –

Er zijn christenen die tegen het dopen van kinderen zijn. Daarom doen ze het op latere leeftijd nog een keer over. Soms heel erg eerlijk (‘de kinderdoop is onbijbels, dus nu laat ik me pas echt dopen’), soms wat omfloerst (‘ik waardeer mijn kinderdoop wel, maar ik laat me nu op geloof dopen’). In beide gevallen wordt vaak gezegd, dat er in het Nieuwe Testament en in de eerste 300 jaar van de christelijke kerk geen kinderen gedoopt werden. De kinderdoop zou pas ingevoerd zijn, toen het christendom tot staatsgodsdienst werd verklaard door keizer Constantijn. Klopt dat? Nee dus.

Het DOPEN van KINDEREN: een PRAKTIJK zonder DOGMA

Strange - kinderen in de vroeg-christelijke kerkIk heb al meer dan 15 jaar een heel mooi boekje in mijn kast staan met als titel ‘Kinderen in de vroeg-christelijke kerk’. Het is geschreven door dr. W.A. Strange en in 1999 verschenen bij Uitgeverij Barnabas.  Ik sla nu even over wat dr. Strange allemaal zegt over  de plek van de kinderen in die tijd. In elk geval wordt duidelijk, dat Jezus de kinderen voor vol aanzag (‘Laat de kinderen bij Me komen, hou ze niet tegen’ – Markus. 10:14). Ook Petrus zegt bij de uitstorting van de Heilige Geest nadrukkelijk, dat Gods belofte van vergeving van zonden en van de Heilige Geest  ook voor de kinderen van de gelovigen geldt (Handelingen 2:39). In de rest van Handelingen kun je lezen, dat  als volwassenen tot geloof komen en toetreden tot de kerk, ze zich laten met heel hun gezin laten dopen. En voor Paulus en Johannes horen de kinderen er helemaal bij in de christelijke gemeente (Efeziërs 6:1-3, Kolossenzen 3:20, 1 Johannes 2:12-14).

Maar betekent dit ook, dat vanaf het eerste begin de kinderen ook gedoopt werden?

Ja, toont dr. Strange overtuigend aan. Kinderen werden in de vroeg-christelijke kerk gewoon op dezelfde manier in de gemeente opgenomen als hun ouders die, zeker in de eerste eeuwen, op volwassen leeftijd tot geloof kwamen en gedoopt werden. “Kinderen waren onlosmakelijk verbonden met het gezin, en daarom was het vanzelfsprekend voor ouders dat bij hun bekering ook de kinderen, samen met hen, de doop zouden ontvangen. De gedachte dat het kind als zelfstandig individu te zijner tijd vrij is zelf te beslissen, is een visie van onze tijd, die echter vreemd is aan de wereld van het Nieuwe Testament. Wij moeten onze opvattingen niet projecteren op het Nieuwe Testament en zijn schrijvers.” (blz. 123/124) Op grond van o.a. Efeziërs en Kolossenzen komt hij tot de conclusie: “Zo  moet een christelijke gemeente van de eerste eeuw er hebben uitgezien. Zij die van buiten kwamen, gingen de gemeente binnen door de poort van de doop. Zij die binnen de gemeenschap geboren werden, gingen binnen door dezelfde poort, want, zegt Efeziërs: ‘er is één Here, één geloof, één doop’.” (Efeziërs 4:5 – blz. 125) Het was dus gebruikelijk in de christelijke kerk van de eerste eeuwen geweest, dat ook de kinderen van de gelovigen gedoopt werden. Het was alleen ‘een praktijk zonder dogma’ en dus kwam er ook kritiek op.

UITSTEL van de DOOP

Toen theologen als Tertullianus en Origines zich later (rond het jaar 200) met de fundering van de doop bezig gingen houden, hadden ze allebei theologisch gezien moeite met de kinderdoop. Beiden vonden, dat je de vergeving van de zonden en het nieuwe leven in geloof zo serieus moest nemen, dat het beter was om als kind van christelijke ouders te wachten met de doop tot je als jongvolwassene steviger in je schoenen stond.  Origines bleef trouw aan de kinderdoop die, schreef hij, ‘een traditie van de kerk’ is. Tertullianus adviseerde ouders om de doop van hun kinderen uit te stellen. Maar, zegt Strange, Tertullianus heeft nergens als argument aangevoerd “dat de kinderdoop iets nieuws was, dat enkele generaties daarvoor in de kerk was ingevoerd.” Voor het afwijzen van de kinderdoop kon Tertullianus “de sterkste troefkaart niet uitspelen: het verwijzen naar het gezag van de apostelen.” (beide citaten op blz. 114) Tertullianus hoorde in 200 na Christus dus tot de vernieuwers in de kerk. En zelfs als vernieuwer wilde Tertullianus de kinderdoop niet afschaffen. “Hij ontkende niet dat jongere en oudere kinderen gedoopt mochten worden. Hij vroeg zich alleen af of het van wijsheid getuigde kinderen bloot te stellen aan het veeleisende leven van gedoopte christenen.” (blz. 117) Omdat Tertullianus een gezaghebbende kerkvader was, heeft zijn standpunt wel wat invloed gehad in de vroeg-christelijke kerk. Het kwam in de 3e en 4e eeuw regelmatig voor dat christenen de doop van hun kinderen uitstelden totdat  die de ‘jaren des onderscheids’ bereikt hadden.  Dat overkwam ook Augustinus, die rond 400 na Christus leefde. Zijn moeder Monica was christen en heeft haar zoon gelovig  opgevoed, maar niet als kind laten dopen. Dat heeft Augustinus altijd betreurd. Hij zegt ergens dat het jammer is dat “zelfs vandaag de dag” christenen hun kinderen niet meteen als baby laten dopen. (blz. 118) De vernieuwers verloren blijkbaar alweer terrein.

Augustinus zelf was de theoloog die de praktijk van ‘één doop tot vergeving van zonden’ theologisch zo heeft uitgelegd, dat voor iedereen duidelijk werd, waarom de christelijke kerk in de eerste eeuwen ook de kinderen van de gelovigen heeft gedoopt.  Dat kon Augustinus doen, zegt Strange, omdat de leer over de kinderdoop “een uitvloeisel was van wat sinds de tijd van het Nieuwe Testament altijd al stilzwijgend is aangenomen.”  (blz. 127) Hoe je het ook wendt of keert, in de vroeg-christelijke kerk was de kinderdoop normaal, kom je ook tendensen tegen om de doop uit te stellen, maar lees je nergens dat wie als kind gedoopt was, nog een keer de doop kon ontvangen.

DOOP in het teken van DISCIPELSCHAP

Dr. Strange trekt in zijn laatste hoofdstuk een aantal lijnen door naar vandaag.

Doop - eerste belofteAllereerst zegt hij, dat volgens hem “de christelijke kerk vanaf  het eerste begin kinderen  gedoopt heeft.” (blz. 140) Maar dat gebeurde nooit uit gewoonte. Dus  mag ook vandaag de dag het dopen van kinderen nooit een geïsoleerd ritueel zijn van ouders die “menen lid te kunnen zijn  van een kerk zonder actief aan het kerkelijk leven deel te nemen.”  Want bij de doop gaat het, bijbels gezien, naast vergeving van zonden ook om het leven in Gods koninkrijk.  “Als de kinderdoop van vandaag een voortzetting wil zijn van de doop in het Nieuwe Testament, dan moet er een nauw verband zijn tussen doop en discipelschap.” (beide citaten op blz. 141)

Verder benadrukt dr. Strange heel sterk, dat de belangrijkste geloofsopvoeding binnen het christelijke gezin plaatsvindt. Want in de Bijbel benadert Jezus de kinderen altijd via de ouders. Dus op dat thema moeten we “blijven hameren (…), namelijk dat ouders ernst moeten maken met hun vitale taak in het voorgaan van hun kinderen in gebed en discipelschap.” (blz. 148)

Toch blijft er ook een belangrijke taak over voor de christelijke gemeente. Daarin heeft Jezus aan kinderen een volwaardige, ja zelfs centrale plaats gegeven. Dus moeten kerken ook vandaag hun best doen met de aanwezigheid van kinderen rekening te houden en aan kinderen een plaats te geven in de diensten.  Dat kan op verschillende manieren, als het maar de bedoeling is om ze niet op een zijspoor te zetten, maar bij de kerkdiensten te betrekken met als motivatie “het brengen van kinderen tot kennis van en liefde voor de Here.”  Zo’n kerk “staat dichter bij de nieuwtestamentische kerk, dan een kerk waarin kinderen niet welkom  zijn, of waar ze geheel  aangewezen zijn op eigen activiteiten.” (beide citaten blz. 140) Want, is de laatste zin van het boek van Strange: “Een kerk die trouw is aan haar Heer, kan die trouw niet beter laten zien dan in haar zorg voor kinderen, die Hij zo intens heeft liefgehad.” (blz. 146)

 

Over de kinderdoop schreef ik nog een paar blogs:
Wanneer laat je je kind dopen?
Sela over de doop
Te vroeg of te laat, maar niet dubbel