Het burgerlijk huwelijk is failliet. Ook onder christenen. Niet alleen omdat veel meer christenen (jong én oud) gaan samenwonen. Maar ook omdat christenen die bewust níet willen samenwonen, totaal geen waarde meer hechten aan het moment dat ze het trouwboekje op het stadhuis ontvangen. Steeds vaker komt het voor dat er op maandag of dinsdag voor de wet getrouwd wordt. Even langs het stadhuis, dan zijn we officieel getrouwd. Maar de echte trouwdag komt pas op vrijdag, of soms zelf een aantal weken of maanden later. Dan wordt het bruiloftsfeest gevierd en in de kerk om een zegen gevraagd over het pas gesloten huwelijk.
Want wat stelt het burgerlijk huwelijk nu voor? “Het hoort zo,” zei een stel tegen mij, “anders zijn we officieel niet getrouwd. Dus doen we het ook netjes. Maar we zien die dag niet als onze trouwdag. Het echte begin van ons huwelijk vieren we drie dagen later met familie en vrienden. Die dag, de dag van onze bruiloft, is de dag die er werkelijk toe doet. Dan willen we ook graag Gods zegen over ons huwelijk ontvangen. En als trouwdatum staat ook vrijdag de 13e in onze trouwringen; niet dinsdag de 10e, toen we ’s morgens om half tien in een genabuurde gemeente waar het gratis was, even een kwartiertje met de wederzijdse ouders (meer mensen mochten er niet bij zijn) een krabbeltje zetten bij een ambtenaar van de burgerlijke stand. Het enige leuke van die dinsdag was, dat we daarna gezellig geluncht hebben met onze wederzijdse ouders.”
Dit is echt dé huwelijkstrend onder jonge christenen in 2016. Je kunt het er over hebben waarom zo’n trend ontstaat. Oppervlakkig gezien is de reden: het scheelt tijd op de trouwdag en het scheelt weer een paar honderd Euro. Maar wat is er eigenlijk aan de hand? Daarover heeft de hoogleraar ethiek van de Theologische Universiteit in Kampen, Ad de Bruijne, de afgelopen jaren veel nagedacht. Hij schreef in het Nederlands Dagblad van 13 augustus 2016 een column met de titel ‘Niet elke bruiloft is een huwelijk’. Hij is er steeds meer van overtuigd dat het burgerlijk huwelijk in de afgelopen jaren zo sterk veranderd is, dat het beter zou zijn als christenen hun huwelijk weer in de kerk zouden sluiten. Maar ja, omdat dat in Nederland nou eenmaal niet kan, zitten we voorlopig aan dat burgerlijk huwelijk vast. Ook al is dat niet meer automatisch de meeste geschikte vorm van het huwelijk zoals God dat instelde bij de schepping.
Nu zag je al dat de trouwdag voor veel mensen niet meer het officiële feestelijk begin van hun relatie is. Het wordt steeds meer een willekeurig gekozen moment van twee mensen die al lang een relatie hebben waarin ze met elkaar samenwoonden. Om het even in de woorden van Ad de Bruijne te zeggen: Het burgerlijk huwelijk markeert niet meer het begin van je verbondenheid voor het leven, maar vormt een vooral rituele romantische vervolggebeurtenis, die de zelfexpressie en beleving van een liefdespaar dient. En wat voor vervolggebeurtenis! De manier waarop de man zijn vrouw ten huwelijk vraagt en de vrijgezellenfeesten die daarop volgen vragen al de nodige tijd, geld en aandacht. En de dag van de bruiloft zelf moet toch wel zo uniek zijn, dat je die nooit van je leven meer vergeet. Wie om die redenen gaat trouwen na al een flink aantal jaren te hebben samengewoond, sluit geen huwelijk meer, maar geeft een feestje. Waarom? Omdat iedereen die een relatie heeft, ergens de behoefte heeft om samen een keer helemaal in het middelpunt van de belangstelling te staan.
Datzelfde verlangen hebben ook christenen die niet willen samenwonen, maar openlijk tegenover elkaar, tegenover familie, vrienden en collega’s en tegenover God willen laten weten dat ze de rest van hun leven met elkaar willen delen. Maar de overheid speelt daarin geen rol meer. Dus halen jonge stellen ‘even’ een boterbriefje op het gemeentehuis en volgt in hun beleving de echte trouwdag pas een halve week of een half jaar later. Ad de
Bruijne noemt dat de “verschoven gevoelswaarde van het burgerlijk huwelijk”.
Je kunt je afvragen hoe erg dat is. Eigenlijk vind ik het wel een mooie ontwikkeling. Het laat zien waar jonge christenen die niet willen samenwonen het meeste waarde aan hechten. Aan een openlijk begin van hun relatie met iedereen die ze daar graag bij willen hebben. Inclusief hun hemelse Vader en Jezus die bruiloften en huwelijken draagt en redt. Maar het burgerlijk huwelijk is failliet. Door de overheid zelf volledig uitgehold. Dus dat moment hoeft er op de trouwdag zelf echt niet bij.
De nieuwe tendens van ‘even langs het gemeentehuis’ en een tijdje later voor het gevoel echt trouwen biedt ook nieuwe kansen voor hoe je als christelijke gemeente omgaat met stellen die samenwonen. Als deze trend normaal begint te worden, kun je binnen de gemeente van Jezus Christus elkaar er makkelijker op aanspreken om óók je vrijblijvende samenwoonrelatie te wettigen. Zo van: als je echt blijvend voor elkaar kiest, is het prima om zelf te bepalen wanneer je je bruiloftsfeest geeft. Maar maak wel een officieel begin met elkaar, zodat iedereen weet dat je echt een relatie bent aangegaan zoals God die bij de schepping bedoelde.
Ik zie maar één probleem. Als de trouwdag niet meer samenvalt met de huwelijkssluiting, moet je je afvragen of op elke trouwdag nog wel een kerkdienst belegd kan worden waarin om Gods zegen over het huwelijk gevraagd wordt, met trouwbeloften en al. Daar heb ik geen moeite mee bij de trendsetters van 2016. Zij koppelen wel het burgerlijk huwelijk los van hun trouwdag, maar zien beiden als de start van een relatie zoals God die bedoeld heeft. Maar hoe geloofwaardig is een kerkdienst als een christelijk stel eerst een aantal
jaren heeft samengewoond zonder daar officieel God en zijn gemeente bij te betrekken? Wanneer men dan later op een zelfgekozen moment een feest organiseert met de aankondiging ‘Wij gaan trouwen!’ – moet de dominee dan automatisch op komen draven omdat men pas dan wél Gods zegen wil ontvangen over hun relatie? Wat mij betreft is de kerkelijke bevestiging van een vervolggebeurtenis nog wel een dingetje. Misschien dat Ad de Bruijne ook daar zijn licht nog eens over kan laten schijnen :-).
Republikeinen. Conservatief: men is erg gehecht aan individuele vrijheden en verworvenheden en heeft daarom een gloeiende hekel aan teveel invloed van de overheid op allerlei persoonlijke keuzes. En vanuit ethisch oogpunt: de Democraten staan bekend als super-liberaal wanneer het gaat om abortus, want ze staan het toe tot in de negende maand van de zwangerschap.
“Waar was jij op de dag dat Groot-Brittanië uit de EU stapte?” Zou dat over 10 jaar net zo’n vraag zijn als: “Waar was jij op 9/11 toen twee vliegtuigen zich in de Twin Towers boordern? of is al die vreugde of droefenis over de Brexit een hype? Hoe dan ook: ik was in Londen op donderdag 23 juni 2016 en hoorde daar op vrijdagmorgen ‘live on television’ de toespraak van Cameron die z’n terugtreden bekendmaakte. Het Britse volk had gekozen en hij vond zichzelf als minister-president én fervent ‘RemaIN’-er niet geschikt om de onderhandelingen over een Brexit te leiden. Maar hoe denken de christenen in Groot-Btittanië over de Brexit?
Naast een scala aan activiteiten vindt dus jaarlijks de EMA-conferentie plaats met
verzoenen. Om dat te laten weten, gebruikt Hij mensen, ook vandaag nog. Door de kracht van zijn Woord en zijn Geest kunnen die mensen het ook volhouden als voorgangers en voorbeelden. Met aansprekende bijbeluitleg en bemoedigende toespraken en, niet te vergeten, prachtige Engelse hymnen begeleid door één piano, één gitaar en één solist was dit de rode draad van alle drie de dagen.
beide kampen op de EMA-conferentie. Ook al had men heel goed door, dat het Brexit-referendum het land echt heel erg verdeelde (Schotten <–> Engelsen, stad <–> platteland, jongeren <–> ouderen). Maar de christenen legden, zowel op de conferentie als persoonlijk thuis, de uitkomst van het referendum in de handen van God. Ze baden vrijmoedig om een uitslag waarmee God zijn weg zou gaan. Want, zeiden ze daarbij, via menselijke wegen die vaak vol vooroordelen en eigenbelang zijn, is het God die alles in zijn almachtige hand houdt. Hij regeert soeverein.
Regelmatig moet ik met mijn Opel Astra naar de garage. Meestal word ik geholpen door Rob. Altijd vriendelijk. Altijd in voor een praatje. Laatst kregen we het over geven van giften. ‘Dat is best lastig, dominee. Als christen moet je vrijgevig zijn. Maar waar leg je de grens? Want er komt geen eind aan al die goede doelen. Voor je het weet heb je geen rooie cent meer over.’ Ik denk dat er een goede vuistregel uit de Bijbel is af te leiden. Twee vuistregels zelfs. En een uitdaging.
bedenken. Maar wie zo redeneert, is ver verwijderd van de richtlijn van 10% die God zijn kinderen voorhoudt. Wie telkens redenen bedenkt om zo weinig mogelijk giften te hoeven geven is ook ver verwijderd van de levenshouding die Jezus zijn volgelingen voorhoudt: ‘Niet wie heeft, maar wie geeft is pas rijk.’
Met deze tweede vuistregel hoef je je ook niet schuldig te voelen wanneer je niet aan elk goed doel iets geeft. Als christen is je eerste opdracht om je kerkelijke gemeente in stand te houden. Dat is vandaag de plaats waar je God hebt leren kennen en waar je Hem vereert. Dus mag je daar ook royaal aan geven, in de kollekte, via de VVB, aan de zending en voor de diakonie. Uit al die andere algemene goede doelen mag je kiezen wat jou het meeste aanspreekt. Dat heeft vaak te maken met wat je meemaakt in je familie of in je omgeving. Maar je hoeft je niet schuldig te voelen wanneer het maar om kleine bedragen gaat. Wie niet christen is kan veel aan algemene doelen geven. Wie wel christen is heeft al een doel gevonden voor 2/3 van zijn of haar 10%.
Wij leven na Goede Vrijdag . Wij weten veel meer. Voor christenen is ‘geven’ vooral een uiting van dankbaarheid. Als je weet dat Jezus alle gegeven heeft, waarom zou je dan nog moeite hebben om 10% van je inkomen terug te geven aan de Heer en aan je naasten in nood? Tim Keller slaat de spijker op z’n kop als hij schrijft: “We moeten daarom niet denken dat Gods maatstaf voor vrijgevigheid bij nieuwtestamentische christenen lager zou zijn dan bij de oudtestamentische gelovigen.” Integendeel: “Nog anders gezegd, tienden geven is voor christenen een minimumeis van vrijgevigheid en recht doen.” ( Tim Keller, Ruim baan voor gerechtigheid, blz. 205, noot 35)
Heel Nederland, op een kleine republikeinse minderheid na, houdt van de Oranjes. Je kunt er over denken wat je wilt, maar Nederland en het Huis Oranje-Nassau vormen al zo’n 450 jaar een nauwe band. Soms werd met een beroep op het drievoudig snoer uit Prediker 4:12 zelf gesproken van het verbond tussen God, Nederland en Oranje. Dat laatste vinden veel christenen vandaag toch wel een beetje erg overdreven, maar zo’n verwijzing naar de bijbel geeft wel aan, dat we als christenen in Nederland altijd erg dankbaar geweest zijn voor de (geloofs-)vrijheid die de eerste stadhouders van Oranje, de prinsen Willem (de Zwijger), Maurits en Frederik Hendrik in de tijd van de Tachtigjarige Oorlog voor Nederland bevochten hebben. Daarin mag je nog steeds Gods voorzienende hand zien. Vandaar de verbondenheid die veel Nederlanders nog steeds met het Huis van Oranje ervaren.
In de kerk zingen we rond de verjaardag van de Koning(in) en rond 30 april altijd twee verzen van het enige officiële koningslied, het Wilhelmus. Dat is een goede gewoonte. Want of je nu een hartelijk voorstander van de monarchie bent of diep in je hart liever een republiek hebt – uiteindelijk is iedere staatsvorm door mensen bedacht. Wat dat betreft hou ik het persoonlijk liever bij onze mengvorm van monarchie en democratie. Onze staatsvorm kennen we al eeuwenlang en heeft z’n waarde bewezen. Daardoor heerst er in ons land een verbondenheid die je in republieken als Frankrijk en Italië niet ziet. En in ons land heb je geen macho-mannetjes als Trump, Putin of Erdogan die als premier en president zichzelf koning wanen, waardoor ze de tegenstellingen in het land alleen maar vergroten.
referendum trouwens überhaupt drie keer niks. We hebben een parlement dat we één keer in de vier jaar (als het kabinet de rit tenminste uitzit) met z’n allen kiezen. Dat is, zou je kunnen zeggen, een bindend referendum over alle zaken die de regering besloten heeft en waar de oppositie vaak totaal andere gedachten over heeft. En met die uitslag moeten we het met z’n allen weer maximaal vier jaar doen. Dus waarom zou je dan voor elk apart onderwerp nog eens de mening van de hele bevolking moeten vragen? Bovendien vraagt de regering bij een raadgevend referendum de bevolking niet om met een bepaald besluit in te stemmen of het af te stemmen. Nee, de regering vraagt de bevolking slechts om raad. Het is maar een advies. De regering mag het overnemen, maar het hoeft niet. Omdat ik vind dat in Den Haag de mensen zitten die we samen in onze (on)wijsheid gekozen hebben om ons land in alle (on)wijsheid te besturen, heb ik geen behoefte om bij zaken die ik te onbelangrijk of te ingewikkeld vind, de regering van advies te dienen. Voor dit Oekraïne-referendum gold wat mij betreft beide.
definitie tegen een correctief referendum. Maar waarom zou ik moreel verplicht moeten zijn om aan de regering mijn advies te geven over een onderwerp dat in mijn ogen volstrekt willekeurig en totaal onbelangrijk is? Alleen omdat een paar organisaties toevallig genoeg handtekeningen bij elkaar gekregen hebben om zo’n raadgevend referendum mogelijk te maken? Dan is er volgens mij niets mis met het standpunt: ‘Ik NEE-geer het referendum en blijf lekker thuis’. Waren er op 6 april maar meer JA-stemmers bij moeder thuis gebleven, denk ik dan. Want de negatieve gevoelens over de Oekraïne en de hele Europese Unie leven onder nog geen 20% van de bevolking. Dat aantal stemde namelijk NEE. En laten de SP en de PVV samen nu ook ongeveer 20% van de zetels in de Tweede Kamer hebben. Maar door die ruim 12% JA-stemmers is de uitslag van dit referendum wel rechtsgeldig. Net als 10 jaar geleden bij het referendum over de Europese grondwet. Toen stemde ook ruim 60% tegen. Maar toen ging het om een referendum dat door de overheid zelf was uitgeschreven. Toen kwamen er ook bijna 2x zoveel kiezers (zo’n 63%) naar de stembus. Dat was tenminste een duidelijk referendum: iedereen wist waar het echt om ging, dus was de opkomst hoog en gaf de Nederlandse bevolking een helder signaal af richting regering en Europa. 

terugkomt, heeft zijn gezicht zo’n stralende glans, dat hij een doek voor zijn gezicht moet doen omdat de Israelieten er niet tegen kunnen. Het verhaal is te lezen in 
En ik niet alleen. Heel de wijk Peelo heeft het opgemerkt. De kunst is nu, om dat gevoel vast te houden. Om ook met een eigen kerkgebouw iets te laten van de hemelse glans van onze Heer. Als kinderen van één Vader. Met hoofd en hart en handen. Door te blijven vragen of de Heilige Geest op ons wil blijven inwerken.
moeizucht, hoor je sommige mensen wel eens zeggen. Maar zo is het, als het goed is, niet bedoeld. Het is vooral een kwestie van oprechte belangstelling en welgemeende aandacht. Want waar gaat het uiteindelijk om? Om het Gods verlangen is dat mensen hun hart aan Hem geven en in hun relatie ervaren hoe goed en fijn het is om samen de HERE te dienen, in Jezus te geloven en voor Hem te leven.


