De paus, het celibaat en seksueel misbruik

In mijn vakantie lees ik het liefst een paar ontspannen boeken zoals historische non-fictie of een detective-serie. Deze zomer heb ik de twee dikke pillen ‘Trinity’ (1976) en ‘Verlossing’ (1995) van Leon Uris uitgelezen. De eerst had ik jaren geleden al eens gelezen. De tweede had ik tot nu toe gemist, maar was ook de moeite van het lezen waard, hoewel er iets minder een duidelijke lijn inzit als in Trinity.

In beide boeken staat de Ierse strijd om onafhankelijkheid in de jaren 1885 – 1916 centraal. Fictieve hoofdpersonen worden in een historisch kader gezet. Leon Uris belicht de Ierse kwestie wel heel erg vanuit het recht op vrijheid van de Ieren. Maar als ook maar de helft van wat hij beschrijft waar is, begrijp ik heel goed waarom veel Nederlanders ruim 100 jaar geleden geen enkele sympathie hadden voor de Engelsen. Ierland is echt eeuwenlang als wingewest uitgebuit door Engeland en de bevolking ontzettend gekleineerd en onderdrukt.

Drie broers uit de katholieke familie Larkin spelen in beide boeken een belangrijke rol. De oudste zoon, Conor, gaat aktief in het verzet tegen de Engelse bezetters. De tweede zoon, Liam, houdt zich buiten alle tweestrijd en emigreert naar Nieuw-Zeeland, maar zijn zoon Rory treedt in de voetsporen van zijn oom Conor. De derde zoon, Dary, wordt priester en wil alleen op geweldloze manier het recht op een vrij en zelfstandig Ierland steunen.

Een priester over het celibaat

In het tweede deel wordt Dary verliefd op Rachael, de dochter van een adellijke Ierse vrijheidsstrijdster. Hij vraagt uiteindelijk aan zijn bisschop om het priesterschap te mogen neerleggen zodat hij met Rachael kan trouwen. Hij kan ook niet meer achter het celibaat van de rooms-katholieke kerk staan.

Op dit punt moest ik denken aan de huidige crisis in de rooms-katholieke kerk vanwege alle schandalen rondom seksueel misbruik door priester en bisschoppen die telkens weer opduiken. Paus Franciscus heeft zich daar, toen hij deze maand (augustus 2018) in Ierland op bezoek was, uitvoerig voor verontschuldigd en om vergeving gevraagd.

Ik vond het treffend hoe Leon Uris in 1995 onder woorden brengt wat er nu precies zo erg is aan het verplichte celibaat voor priester in de rooms-katholieke kerk. Leon Uris laat het priester Dary Larkin zeggen als hij voor de keus staat om de relatie met Rachael te verbreken of om als priester uit te treden. Tegen Rachael zegt hij dan het volgende:

“Mijn leven lang ben ik door de Kerk volgestopt, doordrenkt met de zonde tussen  man en vrouw. (…) Voor sommige priesters is kuisheid een geschikte manier van leven. Dat zij zo. Maar ik heb de besten van onze soort dronkaards en erger zien worden. En wat me echt heeft verscheurd  is dat een priester een alcoholist kan zijn, dat hij met jongetjes kan spelen, maar dat God hem heeft verboden een vrouw aan te raken. Dat is onze grootste zonde. En dan die verdomde schijnheiligheid van de Kerk, die het wegmoffelt en zich zelfs tegen onze slachtoffers keert. (…) De waarheid is: ZE HEBBEN TEGEN ME GELOGEN. Het kan Gods wil niet zijn dat de man celibatair blijft. (…) De liefde tussen man en vrouw is de hoogste lof die je God kunt toezwaaien. (…) Ik wil priester zijn – maar om de beste priester te zijn die ik kan zijn, heb ik jou als mijn vrouw nodig.”

Leon Uris laat priester Dary nog een paar dingen zeggen over de Kerk die van priesters geslachtsloze mensen maakt om ze met lichaam en ziel slaaf te maken van de Kerk en die op alle vragen antwoordt dat men het dogma van het celibaat zonder vragen moet accepteren.

Hoe dan ook, deze passage raakte mij vanwege de aktualiteit van vandaag. Als christenen worden we allemaal aangekeken op de schandalen van seksueel misbruik die in de rooms-katholieke kerk telkens weer opduiken.  In de media en door de meeste niet-gelovigen worden zijn alle kerken één pot nat en is de paus het schijnheilige opperhoofd van al die hypokriete christenen die een totaal verwrongen kijk op seksualiteit hebben. Voor de buitenwereld maakt het niet meer uit of je gereformeerd, protestants, evangelisch of katholiek bent.

Geen verplicht celibaat meer

Toen ik op me liet inwerken wat Dary Larkin over het celibaat zegt, bedacht ik opeens het volgende: het is allemaal mooi en prachtig wat paus Franciscus zegt en doet. Hij verdient echt meer credits dan de vele kritische reakties die hij uit de seculiere hoek krijgt. Maar volgens mij kan de paus en met hem de rooms-katholieke kerk maar op één manier echt een overtuigende stap zetten om te laten zien dat men diep berouw heeft over al het seksueel misbruik binnen de kerk. En dat is door te verklaren dat de kerk eeuwenlang gedwaald heeft door het celibaat verplicht op te leggen aan priesters van de kerk. Zolang het celibaat niet wordt afgeschaft, blijven oprechte woorden mooie woorden en is het dweilen met de kraan open als het om het bestrijden van seksueel misbruik in de kerk gaat. Want dan onthoudt de kerk aan zijn voorgangers het mooiste geschenk dat God Zelf in de schepping gelegd heeft en waar Adam zo enthousiast van zong: de liefde tussen man en vrouw. Je hebt gelovigen die daar zonder kunnen, zoals Paulus. Maar hij zag het celibaat dan ook als een gave voor sommigen; niet als een verplichting voor allen.

 

 

 

Naäman in de tempel van Rimmon – dus wij naar de roomse kerk of naar de moskee?

Naaman JordaanIn 2 Koningen 5 staat het verhaal over de wonderlijke weg die de HERE met Naäman is gegaan. In dit artikel wil ik speciaal aandacht vragen voor de verzen 18 en 19. Naäman heeft net gezegd dat hij in het vervolg alleen nog maar offers voor de HERE wil brengen. Daarom wil hij graag zoveel ‘gewijde grond’ meenemen naar Damaskus als twee ezels kunnen dragen. Dat is geen kwestie van bijgeloof. Integendeel: Naäman brengt daarmee tot uitdrukking, dat hij echt gelooft in de God van Abraham, Isaak en Jakob, die zich door zijn verbond aan het volk en het land Israel verbonden heeft.

Naämans allerlaatste verzoek is dan: ‘Maar moge de HERE dit aan uw knecht vergeven: wanneer mijn heer in de tempel van Rimmon komt om zich aldaar neer te buigen, terwijl hij op mijn arm leunt, zodat ik mij in de tempel van Rimmon moet neerbuigen – als ik mij dan neerbuig inn de tempel van Rimmon, moge de HERE deze zaak aan uw knecht vergeven.’ De reaktie van Elisa daarop is kort en krachtig: ‘Ga in vrede.’

Wat kun je uit het antwoord van Elisa afleiden? Keurt hij het goed dat Naäman toch nog de tempel van  Rimmon, de god van Aram blijft bezoeken? Want Rimmon was de belangrijkste god van de Arameeërs. Hij werd ook wel de god Hadad genoemd. Hij is de god van het weer, speciaal van het onweer. Hadad betekent ‘verbreker’ of ‘verwoester’ en Rimmon betekent in het aramees ‘bruller’ of ‘donderaar’.

Het is heel aardig, dat in de tijd van de Reformatie sommige christenen het voorbeeld van Naäman, die in de tempel van Rimmon zich neerbuigt, gebruikt hebben om te verdedigen waarom ze lid van de rooms-katholieke kerk bleven. Want, zeiden zij: wij aanbidden daar geen afgoden of heiligen of de maagd Maria, maar alleen maar de enige ware God en Jezus Christus.

Beeldenstorm Domkerk Utrecht

Foto: Pepijntje, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons

In 1566, midden in de tijd van de beeldenstorm en de vervolgingen door de Inquisitie, schreef een lutheraan, dat het niet erg was om beelden in de kerk te hebben, wanneer ze maar niet als afgodsbeelden aanbeden werden. En als dat wel gebeurt, is het niet de plicht van het gewone volk, maar de taak van de overheid, om ze te verwijderen. Zo deed bv. koning Hizkia dat met de gouden slang uit de woestijntijd. In zijn pamflet haalt deze lutherse schrijver ook het voorbeeld van Naäman aan. Hij schrijft:

“De vrome man Naäman ging toch met zijn goddeloze koning in een tempel (2 Kon. 5) waar men afgoderij bedreef, en hij wachtte als een dienaar op zijn heer de koning. Toch deed hij daarmee geen zonde, omdat hij ze niet aanbad. Maar hij riep in de afgoden-kerk de ware God aan, want alle huizen zijn van God en de afgod is niets, spreekt Sint Paulus. Wat willen de beeldenstormers er nu van zeggen, dat de profeet Elisa Naäman niet verbiedt, de ware God in het afgoden-huis te aanbidden? Zoiets zou geen beeldenstormer toegelaten hebben, zozeer walgen die heilige lieden van de afgoden.” (J.J. van Toorenenbergen, 1871, blz. 4)

Marnix Aldegonde portret 2Op dit pamflet heeft Marnix van St. Aldegonde (de vermoedelijke dichter van ons Wilhelmus) gereageerd. Pas veel later is een manuskript van hem ontdekt en uitgegeven met de titel: Vande beelden aff geworpen inde Nederlanden in Augusto 1566. Marnix gaat uitvoerig in op het voorbeeld van Naäman. Volgens Marnix is het heel duidelijk dat Naäman na zijn genezing in geen andere God op aarde gelooft dan de God van Israel. Daarom heeft hij (Naäman dus) er ook grote moeite mee, om in Damaskus de tempel van Rimmon binnen te gaan en daar zelfs te knielen. Toch zal hij wel moeten, omdat de koning op zijn schouders wil leunen bij het aanbidden van Rimmon. Daarvoor vraagt Naäman Elisa bij voorbaat om vergeving, en die wordt hem ook door Elisa verleend.

Volgens Marnix mag je uit dit voorbeeld beslist niet de konklusie trekken, dat Naäman, als hij toch in de tempel van Rimmon kwam, daar tot God ging bidden. Want terecht heeft de lutheraan gezegd, dat je God overal kunt aanbidden. Dus haalt hij dit voorbeeld alleen maar aan om begrip te kweken dat mensen in tijden van vervolging wel in een kerk mogen komen waar men beelden van heiligen als afgoden aanbid, om daar zelf in zijn hart God te aanbidden.

Naäman heeft in de tempel van Rimmon juist níet tot God gebeden, want hij kwam daar niet als gelovige om zich neer te buigen voor God, maar hij kwam er slechts in dienst van de koning om als knielbank voor zijn koning te fungeren. Marnix schrijft dan ook:

“Het is helder dat het zo opgevat moet worden: omdat Naäman geen brandoffers meer offeren wil aan de afgoden van zijn koning, is daarmee wel duidelijk dat hij daarmee openlijk te kennen gaf, dat de aanbidding van Rimmon ook een gruwelijke afgoderij was. En daarom hoefde hij in de tempel niet te komen om de God van Israel daar te aan te roepen. Hij kwam er alleen maar om zijn meester te dienen.” (J.J. van Toorenenbergen, 1871, blz. 19)

Luther PlaymobilMarnix haalt dan een voorbeeld uit zijn tijd aan. De keurvorst van Saksen moest regelmatig het zwaard van de keizer van het Duitse Rijk dragen bij belangrijke gebeurtenissen. Dat moest hij ook doen, als de keizer de mis bijwoonde. Maar de keurvorst liet iedereen weten (via een ‘openbare protestatie’) dat hij de mis en al wat daar plaatsvond, voor een godslasterlijke afgoderij hield. Toch wilde hij wel in zo’n kerkdienst aanwezig zijn, maar niet om daar de ware God te aanbidden of ook maar enigszins de afgoderij die in mis plaats vond goed te praten, maar enkel vanwege zijn burgerlijke en politieke verplichtingen tegenover de keizer.

Marnix erkent, dat je het woord ‘neerbuigen’ ook kunt uitleggen als: ‘in aanbidding je voor God neerbuigen’. Dat kan namelijk overal (zelfs ‘in een openbaer hoerenhuys oft bordeel’ zegt hij erbij). Maar Marnix ontkent, dat zowel Naäman als de keurvorst van Saksen bewust naar de afgodentempel of naar de roomse mis gegaan zijn om God te aanbidden. Hij schrijft:

“Maar zou men expres daarheen gaan om door zulke huichelarij het kruis van het Evangelie te ontlopen, dan verloochent men daarmee openlijk de naam van God en van Christus Jezus, geeft men aanstoot aan zijn zwakke medegelovigen en heeft men deel gekregen aan de tafel van de duivel.” (J.J. van Toorenenbergen, 1871, blz. 20)

Marnix wijst daarbij op de drie vrienden van Daniël. Zij bleven niet voor het gouden beeld van Nebukadnezar staan om in hun hart God te aanbidden. Marnix trekt de konklusie, dat het voorbeeld van Naäman aansluit bij wat Paulus in 2 Korintiërs 6 schrijft: er is geen overeenstemming tussen Christus en Belial en geen gemeenschappelijke grondslag van de tempel van God met de afgoden.

Als je al een les uit de geschiedenis van Naäman zou kunnen trekken is het deze, aldus Marnix:

“Niemand mag een afgodentempel binnengaan, tenzij hij naar het voorbeeld van Naäman van te voren via een openbare belijdenis verantwoording aflegt en iedereen te kennen geeft, dat hij daar niet naar toe gaat vanwege huichelachtig gedrag, maar slechts vanwege zijn politieke verplichtingen. Op grond daarvan zullen anderen hem misschien verontschuldigen.” (J.J. van Toorenenbergen, 1871, blz. 23)

Ik wil bij deze leerzame diskussie uit de kerkhistorie twee opmerkingen maken.

  1. Heidelbergse CatechismusAfgodendienst en de rooms-katholiek mis worden door Marnix met elkaar op één lijn gesteld. Is dat uit reaktie op de felle vervolgingen van die tijd, omdat elke niet-rooms-katholieke ketter door Rome op de brandstapel werd gebracht? Of is het nog steeds terecht, om met Zondag 30:80 van de Heidelbergse Catechismus te zeggen, dat de roomse mis in de grond van de zaak niet anders dan een verloochening van het enige offer en lijden van Christus en een vervloekte afgoderij. Let wel: in de grond van de zaak betekent, dat je nagaat, wat de mis ten diepste is; het betekent niet, dat je iedere rooms-katholieke gelovige als een vervloekte afgodendienaar typeert (dat doet de catechismus ook niet, in tegenstelling tot het concilie van Trente in die tijd. Dat sprak wel uit, dat iedereen die de ketterse ideeën van de ‘nije leere’ aanhing, of men nu luthers, calvinistisch of dopers was, ook persoonlijk vervloekt was).
  1. Andere gelovigen kunnen op dit punt dwalen, maar wel integer zijn. Wanneer je zelf als gelovig christen wel het onderscheid weet tussen dwaling en bijbelse leer – in hoeverre mag je dan toch de konklusie trekken: ‘we vereren dezelfde God’? Mag je dan ook aanwezig zijn in een dienst van een ‘dwalend’ kerkgenootschap? iftar maaltijdBijvoorbeeld als nieuw-vrijgemaakte in een trouwdienst van de gewone vrijgemaakte kerk? Of als protestants-gereformeerde bij een overdoop-dienst in een evangelische gemeente? Of als christen bij een iftar-maaltijd tijdens of op het suikerfeest aan het eind van de ramadan? Mag dat dan alleen maar wanneer je expliciet uitspreekt tegen welke dwalingen je bezwaar hebt en hoe de HERE God volgens jou wel wil dat iedereen Hem dient?
De gemoderniseerde citaten zijn te vinden in de driedelige editie “Philips van Marnix van St. Aldegonde, Godsdienstige en kerkelijke geschriften” van de hand van J.J. van Toorenenbergen, 1871, 1873 en 1878, Uitgeverij Martinus Nijhoff, ’s Gravenhage. Over het genoemde pamflet Vande beelden aff geworpen schreef Sybe Bakker in 1976 een doktoraalscriptie onder de titel “Marnix contra een Martinist”.

Welke medechristenen ontmoet jij op vakantie in het buitenland?

kerkje-tschagguns.jpgWie de hittegolf in Nederland ontvluchten wil, moet wel op vakantie naar het buitenland gaan. Natuurlijk kun je ook verkoeling vinden aan de Noordzeekust of op de Waddeneilanden. Maar in het buitenland kun je het figuurlijk hogerop zoeken – richting Scandinavië en Schotland; of letterlijk hogerop – de heuvels van de Ardennen, de Vogezen en de Harz in of de hoge bergen van de Alpen en de Pyreneeën in. En het moet al raar lopen, of daar ontmoet je ook medechristenen.

Omdat er in de zomertijd altijd een beetje minder nieuws is, besteden kranten ook aandacht aan de kleinere dingen die het leven leuk of ingewikkeld maken. En dus komt in het Nederlands Dagblad elk jaar de diskussie weer naar boven: bezoek je als christen op je vakantie-adres Nederlandstalige kerkdiensten of ga je naar de plaatselijke kerk om daar je internationale broeders en zusters te ontmoeten?

It depends. Voor wie dit niet begrijpt: Het hangt er van af. Dat is meteen de belangrijkste reden waarom er voor beiden wat valt te zeggen.

Bezoek de plaatselijke kerk

Persoonlijk heeft het mijn voorkeur om in het buitenland de lokale kerk op te zoeken. In Nederland zijn we tot op de dag van vandaag door de HERE God gezegend met een groot aantal christenen en dus ook veel en vaak grote plaatselijke kerken. In bijna heel Europa is dat vaak anders. Daar komen christenen op zondag bij elkaar in kleine gemeentes. Die stellen het erg op prijs stellen dat medechristenen op vakantie zondags hun kerkdienst bezoeken. Het valt ze ook op dat het bijna altijd Nederlanders zijn die dat doen trouwens. Het geeft hen het gevoel dat ze niet de enigen zijn die hun vertrouwen op God en Jezus Christus stellen, maar dat ze deel uit maken van de kerk van alle tijden en plaatsen. Omgekeerd is het (voor mij tenminste) erg bemoedigend om te ervaren dat de Heilige Geest op heel veel plaatsen en manieren mensen tot geloof in Jezus Christus brengt. En dan maakt het eigenlijk niet zoveel uit of je van zo’n buitenlands-talige kerkdienst alles verstaat en begrijpt. Er is voldoende herkenning, vooral als het een bijbelgetrouwe gemeente is, omdat we samen Jezus als Heer belijden. Op internet kun je heel gemakkelijk een lokale kerk in de buurt vinden. Vaak is het niet eens zo heel ver rijden vanaf je vakantiebestemming.

Mijn lijstje van plaatselijke kerken die ik de afgelopen 10 jaar in het buitenland bezocht:

Duitsland: in Bad-Salzuflen gingen tijdens onze vakanties in het Weserbergland (vlakbij de bekende stad Hameln) regelmatig naar de kleine Bekennende Evangelische Kirche (geen website, adres: Salzuflerstraße 37, 32108 Bad Salzuflen-Wüsten, kerkdienst om 10:00 uur). Deze gemeente onderhoudt contacten met andere Bekennende Evangelische Gemeinden, zoals in Osnabrück, Hannover en Duisburg.

In Gedern (deelstaat Hessen, tussen Frankfurt en Fulda) bezochten we de Evangelisch-Freikirchliche Gemeinde, een baptistengemeente die daar al sinds 1856 bestaat (www.efg-gedern-limeshain.de) en die samen met 800 andere gemeentes is aangesloten bij de BEFG (www.baptisten.de)

In Hamburg bestaat sinds 1947 ‘Die Arche’, van oorsprong een evangelische baptistengemeente, die sinds 2008 zichzelf nadrukkelijk ‘Evangelisch-Reformierte Freikirche’ noemt en dat ook uitvoerig uitlegt (https://www.arche-gemeinde.de/ueber-uns/warum-reformiert/).

Galway RPCEngeland: in Helston (Cornwall) bezochten we de Helston Baptist Church (www.helstonbaptist.org.uk). Deze kleine gemeente is aangesloten bij de Fellowship of Independent Evangelical Churches (www.fiec.org.uk).

Frankrijk: in Lannion (Bretagne) bezochten we de plaatselijke Eglise Protestante Evangélique (www.eglise-lannion.fr). Alle meer dan 50 EPE-gemeentes zijn te vinden op www.france-mission.org.

Ierland: in Galway bezochten we de Covenant Christian Fellowship (www.galway.rpc.org). Deze kleine gemeente is de meest zuidelijke van bijna 40 Reformed Presbyterian Churches die allemaal te vinden zijn op www.rpc.org.

Oostenrijk: drie kleine gereformeerde kerken vind je je Rankweil (Vorarlberg), Neuhofen an der Krems (Oberösterreich, vlak bij Linz) en in Wenen. Samen met twee gereformeerde kerken in Zwitserland vormen ze de ERKWB (Evangelisch Reformierte SSRO logo rood grootKirche Westminster Bekenntnis). Zie www.reformiert.at. Deze kerken worden vanuit Nederland ondersteund door de Stichting Steun Reformatie Oostenrijk (www.ssro.nl) en starten in het najaar van 2018 een kerkplantingsproject in Innsbruck (Tirol) en in 2019 in Graz (Steiermark).

Schotland: hier bezochten we vlak bij het meer van Loch Ness de Free Church van Glenurquhart (Drumnadrochit). Deze kleine gemeente is één van de ongeveer 100 kerken die samen The Free Church of Scotland vormen. Het is een presbyteriaans kerkverband (presbyteriaans is de Engelse variant van gereformeerd). Alle kerken zijn te vinden op www.freechurch.org.

Zweden: hier bezochten we in Gislaved (Zuid Zweden, provincie Jönköpings länn) de ‘Gislaved Frikyrkoförsämling’, een vrij traditionele pinkstergemeente (www.gislavedsfrikyrkoforsamling.se).

Zwitserland: in Brig (Wallis) bezochten we de plaatselijke Evangelisch Reformierte Kirche (www.ref-kirche-brig.ch). Deze kerk is aangesloten bij de landelijke Schweizerische Evangelische Kirchenbund (www.kirchenbund.ch) met zo’n 1.000 kerken en iets minder dan 2½ miljoen leden. Het is, zeg maar, de PKN van Zwitserland, maar naar mijn indruk een stuk vrijzinniger.

Bezoek een Nederlandse kerkdienst 

Toch kan ik me goed voorstellen dat er ook veel mensen zijn die op vakantie graag een Nederlandse kerkdienst bezoeken. Want tijdens een kerkdienst gaat het om meer dan alleen maar je buitenlandse broeders en zusters ontmoeten. Je wilt ook graag Gods Woord horen, tot Hem bidden en voor Hem zingen. En als je van de taal van je vakantieland bijna niets begrijpt, wordt dat toch wel heel lastig. Persoonlijk was ik blij dat we die ene keer dat we in Tsjechië op een (christelijke) camping stonden, er op de beide zondagen een Nederlandse kerkdienst gehouden werd. En het jaar dat we in Zweden de plaatselijke kerk bezochten, was het echt wel een dingetje om te begrijpen waar het over ging, vooral omdat de voorganger beide zondagen het vertikte om de Nederlandse gasten in het Engels welkom te heten (‘Ik preek voor de eigen gemeente’, vertelde hij in beter Engels dan ik spreek na afloop). En toen onze dochter vanwege haar studie een half jaar in Barcelona woonde, gingen wij met haar naar de International Church omdat daar Engels de voertaal was.

Een tweede goede reden is, dat je in het buitenland blijkbaar meer de eenheid in het geloof waardeert en dus makkelijker over kerkelijke verschilpunten heenstapt. Daar wordt in de krant en op internet nog wel eens wat zuur op gereageerd, in de trant van: ‘Waarom kunnen christenen in het buitenland wel samen bij elkaar in de kerk zitten en bouwen ze in Nederland meteen weer een muurtje om hun eigen kerkelijke gemeente?’ Maar ik vind dat niet terecht. Er zijn nl. twee opties die ik niet echt geweldig vind: *) overal exclusieve vakantiediensten voor baptisten, vrijgemaakten, gergemmers, evangelischen, bonders, christelijk-gereformeerden, pinkstergelovigen etc. of **) in je eigen tentje/ caravan/ camper/ huisje/ hotelkamer een Nederlandse kerkdienst volgen of een Nederlandse preek lezen. Wanneer je in het buitenland elkaar als Nederlandse mede-christenen ontmoet, kom je er vaak al snel achter dat het geloof in Jezus Christus ons met elkaar verbindt. Natuurlijk zijn er ook onderwerpen waarover we van mening verschillen en die soms best wel belangrijk en dus kerk-scheidend kunnen zijn. Maar dat hoeft toch niet te verhinderen dat we elkaar als christen de hand kunnen reiken? Dat gebeurt zelfs in Nederland op veel terreinen niet. Dus als je dan samen in dezelfde regio ergens in het buitenland op vakantie bent, waarom zou je dan niet samen in een kerkdienst op zondag bij elkaar komen om Gods Woord te horen en je geloof te belijden? Ik denk zelfs, dat dat een positief effect heeft op het groeien naar nog meer kerkelijke eenheid in Nederland. Je kunt beter het goede van wat er in het buitenland wel mogelijk is benadrukken (het glas is halfvol) dan voortdurend aangeven hoe jammer en beschamend het is dat we in Nederland op zondag nog steeds niet samen in één kerk kunnen en willen zitten (het glas halfleeg).

Rankweil - zomerdienst met gastenVan harte aanbevolen!

Er zijn een paar sites die aangeven waar je binnen Europa een Nederlandse kerkdienst kunt bezoeken. De beste vind ik www.kerkdiensten-buitenland.nl, omdat die ook de kerktijden van de eigen, plaatselijke kerk vermeldt. Zoals van de vijf kerken van de ERKWB in Oostenrijk en Zwitserland.

Maar misschien is het wel net zo bemoedigend om (ook) ’s morgens om 10:00 uur de Duitstalige dienst te bezoeken. Al was het alleen maar om mee te maken hoe fijn het is om onder begeleiding van twee ervaren accordeonisten tot eer van God te zingen – ‘Samen in de naam van Jezus heffen wij een loflied aan!’ En ook om de  Oostenrijkse broeders en zusters te ontmoeten natuurlijk – ‘Want de Geest spreekt alle talen en doet ons elkaar verstaan!’

Buitenwaarts bidden

Bidden is praten met God. Vanuit het christelijk geloof bekeken is de relatie tussen God en ons er een van Vader en kind. Dat betekent dat je begint met ‘opwaarts bidden’ – je dankt en eert God om wie Hij is. Ook mag je nadenken over jezelf: hoe leef jij als kind van God in verbondenheid met Hem? Dat is ‘binnenwaarts bidden’. In deze blog iets over het ‘buitenwaarts bidden’. Dan gaat het over alles wat je bij God neer mag leggen als het gaat om eigen wensen en verlangens, maar net zo als het gaat om wat anderen en wat deze wereld nodig heeft. ‘Buitenwaarts bidden’ vergt doorzettingsvermogen en er komt vaak strijd aan te pas. Je kunt ook drie types onderscheiden.

Doorzettingsvermogen

In heel de Bijbel kom je tegen dat gelovigen God nadrukkelijk en aanhoudend om hulp vragen. Hetzelfde geldt als je voor anderen bidt. Paulus vraagt in Romeinen 15:30 aan zijn medebroeders en –zusters: In de naam van onze Heer Jezus Christus en met een beroep op de liefde van de Geest, vraag ik u dringend om samen met mij vurig tot God te bidden. Zulke krachtige gebeden missen hun uitwerking niet, zegt Jakobus in zijn brief. God gebruikt zulke gebeden om ‘in zekere zin’ (de uitdrukking is van Johannes Calvijn) de loop van de dingen te beïnvloeden (op het gebed van Elia regende het 2½ jaar niet en daarna wel weer). Hoe Hij dat doet is niet na te rekenen. God leidt de geschiedenis en de gebeurtenissen, maar toch laat Hij daarin onze gebeden meewegen. En omgekeerd is het net zo: gelovigen in de Bijbel die bidden om bescherming of genezing, nemen zelf ook maatregelen en medicijnen (Nehemia bidt om bescherming en zet wachters op de muren van Jeruzalem; Jesaja laat Hizkia weten dat zijn gebed om genezing verhoord is, maar hij moet nog wel de ontstoken plek laten behandelen).

Konkreet

Als je God ergens om vraagt, moet je Hem ook de redenen vertellen waarom je denkt dat waar je om vraagt het beste is voor jezelf of voor de ander. Daarmee voorkom je dat je een wensenlijstje bij God neerlegt, zo van: ‘en ziet U maar wat U ermee doet’. Als je nadenkt over waarom hoort je dingen je aan God vraagt, laat je zijn licht over jouw verzoeken schijnen. Dat geeft, als je klaar bent met je gebed, rust: je hebt je zorgen en lasten op God afgewenteld, en dat vindt Hij prima, want je ligt Hem na aan het hart en daarom steunt Hij je (Psalm 55:23 = 1 Petrus 5:7).

In Gods handen leggen

Tegelijk is het ook goed om elke keer uit te spreken: ‘Maar als U iets beters in gedachten hebt, is dat ook goed.’ Dat bad ook Jezus erbij, toen Hij in Getsémané vroeg of de lijdensbeker aan Hem voorbij mocht gaan. Als je namelijk niet kunt accepteren dat God ook anders kan beslissen, is er iets dat belangrijker is dan God zelf. Dan staat je liefde in de verkeerde volgorde, zei Augustinus.

Er zijn theologen die zeggen dat de toevoeging ‘als U het wilt’ of  ‘uw wil geschiede’ betekent, dat je je indekt tegen teleurstellingen. En dat je daardoor een passieve en lijdzame gelovige wordt. Maar dat is alleen maar zo als je geen vertrouwen in God hebt. Of als je niet nadenkt over waarom je je wensen en verlangens aan God voorlegt. Maar als je God echt kent als je hemelse Vader, vind je uiteindelijk de balans tussen *) al je verlangens zonder terughoudendheid aan Hem bekendmaken; en *) vol vertrouwen de uitkomst ervan aan Gods wijsheid overlaten. Want God geeft veel meer dan wij vragen of denken (Efeziërs 3:20) en geeft tegelijk Hij je zelfs midden in de crisis vrede en rust (Psalm 4:9).

Drie soorten voorbede

Tenslotte: ‘buitenwaarts bidden’ is een kwestie van vragen, klagen en wachten.

1) Vragen. Jezus onze Heer leert ons bidden om ‘ons dagelijks brood’. Dan gaat het om wat je zelf nodig hebt en wat anderen nodig hebben. Denk daarbij aan de gewone dingen van elke dag en de mensen die je elke dag tegenkomt. Denk daarbij ook aan de noodzaak voor iedereen om bij God te blijven of Hem te leren kennen. Denk aan zowel de kerk als de wereld dichtbij en veraf. En vergeet niet om ook voor je tegenstanders en vijanden te bidden.

2) Klagen. In de Bijbel geeft God ons ook alle ruimte om te klagen. Wij denken al snel dat dat ‘zeuren’ wordt. Maar bij God is dat niet zo. Psalm 39 en Psalm 88 zijn pikdonkere gebeden, net als het grootste gedeelte van Klaagliederen. Soms is het besef dat God er is en het vertrouwen op Hem helemaal weg. Dat veel christenen niet durven klagen heeft meestal als reden, dat je aan God wilt laten zien dat je zonder te twijfelen altijd blij zijn wil aanvaard. Het past ook bij de westerse mentaliteit van ‘niet jammeren, maar kiezen op elkaar’.  Maar in feite is dat verkapt wetticisme: je wilt laten zien dat je goed genoeg bent om Gods gunst te verdienen. Maar God wil juist dat we al onze gedachten en gevoelens in gebed bij Hem brengen. Dus ook wat ons langdurig verdriet doet mogen we al klagend steeds weer onder zijn aandacht brengen.

3) Wachten. Het ‘wachten op God’ is een wat minder concrete manier van bidden, omdat het meer om de houding gaat. Als de weduwe elke dag naar de rechter gaat om haar gelijk te halen, is de moraal van dat verhaal dat “God zeker recht verschaffen [zal]  aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem roepen” (Lukas 18:8). Maar Gods tijdpad is lang niet altijd gelijk aan die van ons. Dus kan Petrus zeggen: “De Heer is niet traag met het nakomen van zijn belofte, zoals sommigen menen” (2 Petrus 3:9). Een ‘snelle’ vervulling zou wel eens schadelijk voor ons kunnen zijn. Als het goed is zie je dat achteraf vaak wel bij bepaalde keuzes of wendingen in je leven. Wat dat betreft zijn er geen ‘onverhoorde gebeden’, want God zal zijn kinderen nooit een schorpioen of een slang geven, maar altijd het goede en zijn Heilige Geest (Matteüs 7:11 en Lukas 11:13). De Enige voor wie de hemel echt van koper was, is Jezus geweest toen Hij aan het kruis echt door God verlaten was. Hij werd gestoken door de schorpioen en dronk de gifbeker leeg. Daarom luistert God nu altijd naar ons als wij, zelfs in de diepste nood, ‘mijn God, waar bent U?’ roepen.

Ontleend aan Tim Keller, Bidden – vertrouwelijke omgang met de ontzagwekkende God, Uitgeverij van Wijnen – Frankeker, 2015. Met name hoofdstuk 14

Binnenwaarts bidden

De vorige blog ging over ‘Opwaarts bidden’. Als je in je vrije gebed, net als in het Onze Vader, eerst de tijd neemt om tegen God te zeggen hoe geweldig Hij is als Persoon en hoe blij jij met Hem bent om Wie Hij is, kleurt dat meteen de toon van de rest van je gebed.

Eén van de belangrijkste eigenschappen van God is, dat Hij een God van liefde en genade is. Een God, die ons graag onze zonden en schulden vergeeft. Dat is niet logisch. Want God is zo heilig, dat Hij onrecht en slechtheid niet ongestraft kan laten. En zowel in de Bijbel als in ons eigen leven komen we er steeds weer op uit dat wij als mensen voortdurend tegen Gods wil ingaan – ook al beloven we elke keer beterschap. Toch wil God ons blijven vergeven, ook al kost Hem dat de hoogste prijs: het offer van onze Heer Jezus Christus aan het kruis. Mensen vergeven is dus niet iets wat natuurlijk bij God hoort, wat Hij elke keer als we het vragen wel even doet, want daar is Hij voor.

David is in Psalm 130 diep onder de indruk als hij zingt: “Als u de zonden blijft gedenken, HERE, wie houdt dan stand? Maar bij U is vergeving, daarom eert men U met ontzag.”

Later schrijft Johannes in zijn brief (1 Johannes 1:9): “Belijden we onze zonden, dan zal Hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven.”  God vergeeft ons niet omdat Hij in de eerste plaats genadig is, maar omdat Hij trouw en rechtvaardig  is. Want, zegt Johannes even verder (1 Johannes 2:1-2): “Mocht één van u echter toch zondigen, dan hebben wij een pleitbezorger bij de Vader: Jezus Christus, de rechtvaardige. Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden.” Oftewel: het zou onrechtvaardig van God zijn en Hij zou onbetrouwbaar zijn, als Hij ons alsnog zou straffen voor onze zonden waarvoor Christus al vergeving verdiend heeft. Hij droeg de straf en betaalde onze schuld. “In Hem zijn wij door zijn bloed verlost en zijn onze zonden vergeven”, schrijft Paulus ergens (Efeziërs 1:7). Vergeving is dus een gratis geschenk dat tegelijk oneindig veel gekost heeft. Hoe meer je dit beseft, hoe meer je als christen ook voor twee risiko’s bewaard wordt.

Risiko 1: Als je niet meer doorhebt wat het God gekost heeft om ons vergeving te schenken, doe je alleen maar plichtmatig en oppervlakkig schuldbelijdenis. Ten diepste verandert er van binnen niets in je. Je erkent wel het verkeerde gedrag en de gevolgen ervan, maar niet de motieven erachter. Je zult ook pas toegeven dat je echt fout zat, als het niet anders kan. Maar echt verdriet om wat je anderen en God Zelf met je gedrag of woorden of houding hebt aangedaan is er niet.

Risiko 2: Als je niet durft te geloven dat God ook werkelijk jouw  zonden vergeven heeft, ga je er voortdurend onder gebukt (‘Dit vergeeft God me nooit’). En de weg van berouw en bekering wordt een martelgang, omdat je erdoor wilt bewijzen dat je voldoende schuldbesef hebt om door God vergeven te worden. Je denkt dat Hij je pas weer accepteert, als je bij Hem weer enigszins een voldoende staat. Eigenlijk wil je daarmee –op z’n minst voor een deel- je vergeving terugverdienen in eigen naam, in plaats van volledig een beroep te doen op Gods genade in Jezus’ naam.

Wat heeft dit nu met ‘binnenwaarts bidden’ te maken?

Nou, als je met ‘opwaarts bidden’ begonnen bent (‘Hoe groot zijt Gij’ – Opwekking 407), mag je daarna ook over jezelf nadenken. Hoe staat het met je verlangen om ook echt als kind van God te leven? En hoe oprecht vraag je om vergeving, elke keer als je Hem weer gekwetst of genegeerd of afgewezen hebt? Als je bidt, mag je die gevoelens uitspreken. Niet vanuit de gevolgen van de zonde: ‘Heer, wilt U mij vergeven, want ik heb er zo’n puinhoop van gemaakt.’ Ook niet vanuit angst: ‘Heer, laat mij hiermee ophouden, anders ben ik bang dat U mij voor eeuwig zult straffen.’ Maar vanuit de houding: ‘Heer, waarom heb ik U dit aangedaan? Hoe kan ik nu zo egoïstisch of overbezorgd of haatdragend of hoogmoedig of (vul maar in …) reageren, terwijl ik weet dat U onvoorwaardelijk van mij houdt omdat Jezus zijn leven er voor over had om mij weer terug bij U te brengen?’

Om op deze manier ‘binnenwaarts’ te bidden, geeft Tim Keller in zijn boek ’Bidden’ een paar tips.

  1. Denk in (de voorbereiding op) je gebed na over de kernwaarheden van het Evangelie – Jezus die stierf uit liefde; hoe Hij 100% voor ons is gegaan; de hoge prijs van zijn offer; God die ons als zijn kinderen aanneemt. Daardoor ga je de zonde niet alleen laten uit angst voor de gevolgen nu of de straf van God straks, maar ga je de zonde ook steeds meer haten omdat het in alles tegen het echte leven met God ingaat.
  2. Denk in (de voorbereiding op) je gebed na over elk van de Tien Geboden of elk van de vruchten van de Geest uit Galaten 5:22-24. Niet om daardoor zelf de zonde onder de knie te krijgen en uit eigen kracht te laten zien hoe goed je ze al kunt houden en toepassen. Maar door via deze geboden en vruchten steeds weer je eigen motivatie en houding helder te krijgen: geeft het mij blijdschap als ik ze in de praktijk breng en doet het me verdriet als me dat niet lukt en ik juist het omgekeerde doe of zeg of denk?
  3. Focus je in je gebed op je eigen houding als christen. Dat kan door vier elementen terug te laten komen in je gebed:
    1. God, maak dat ik me heel klein en nederig voel
    2. God, maak dat ik vurig verlang naar het goede
    3. God, maakt dat ik brand van liefde
    4. God, maak dat ik me helemaal op U richt

Onderzoek bij elke vier eerst, wat je houding op dit onderdeel is en waar je in de praktijk tegenaan loopt. Durf daarbij je eigen tekorten expliciet onder woorden te brengen. Bijvoorbeeld:

  1. O Heer, ik ben nogal hoogmoedig en statusgevoelig, maar U, Heer Jezus …
  2. O Heer, ik ben nogal opvliegend en gauw geïrriteerd , maar U, Heer Jezus …
  3. O Heer, ik ben nogal afstandelijk en kil, maar U, Heer Jezus …
  4. O Heer, ik heb nogal last van overbezorgheid en angst, maar U, Heer Jezus …

‘Binnenwaarts bidden’  betekent nadenken over wie je zelf bent en wilt zijn in de nabijheid van God. Maar dan wel altijd met een beroep op Christus. Want zelf krijgen we de vlek van de zonde niet uit ons leven. Veel mensen praten zichzelf een schoon gevoel aan door net te doen alsof er geen zonde is. Anderen blijven maar poetsen en wrijven , maar voelen zich er steeds schuldiger en minderwaardiger door. Die twee taktieken werken niet. Maar als je in gebed naar Jezus toegaat, Hem dankt voor zijn werk aan het kruis, je eigen zonde toegeeft en er afstand van doet, ontvang je van de Heilige Geest opnieuw de zekerheid dat God echt onvoorwaardelijk van je houdt. En ontvang je van Hem de motivatie om graag en met blijdschap het je als een hemelse Vader in alles naar de zin te maken.

Ontleend aan Tim Keller, Bidden – vertrouwelijke omgang met de ontzagwekkende God, Uitgeverij van Wijnen – Frankeker, 2015. Met name hoofdstuk 13

Een handdruk van een vrouwelijke ouderling

Meestal preek ik zondags één keer thuis en één keer uit. ‘Thuis’ is uiteraard altijd in ‘Het Noorderlicht’ in Assen-Peelo. ‘Uit’ hangt af van de collega met wie ik ruil. Begin mei mocht ik naar een gemeente waar de ouderling van dienst me voor de dienst vertelde: ‘Deze  maand worden bij ons de eerste drie vrouwelijke ouderlingen bevestigd.’ Toen ik deze maand daar weer moest preken, kreeg ik van te voren van de preekvoorziener het gebruikelijke lijstje met afspraken over de plaatselijke gewoontes toegemaild. Deze keer stond er, in het rood, een extra zinnetje tussen:  “We maken u er op attent dat we in onze gemeente naast mannelijke ook vrouwelijke ouderlingen hebben. Dat kan dus betekenen dat een vrouw ouderling van dienst is in de dienst waarin u hoopt te voor te gaan.”

Dit vind ik een voorbeeld van zorgvuldigheid. Immers: als ik als dominee ergens anders voorga, ben ik in die gemeente te gast. Als gastpredikant hou ik me aan de afspraken en gewoontes van die gemeente. Dat is ook de betekenis van de handdruk vóór en ná de kerkdienst. Dat komt misschien wat formeel over, maar er zit echt een mooie gedachte achter: het is de plaatselijke kerk die voorgangers vraagt om Gods Woord te verkondigen in de kerkdiensten. Dat doet een gemeente onder leiding van de raad van oudsten. Die heeft men gekozen in het besef dat Christus Zelf op die manier geschikte mensen roept tot deze taak. Het is niet de predikant die op eigen gezag het Woord van God brengt. Het is de kerkenraad die de verantwoordelijkheid draagt voor gezonde, bijbelse prediking. Aan het begin van de dienst krijgt de voorganger het vertrouwen door middel van die handdruk en aan het eind van de dienst geeft de handdruk aan dat de kerkenraad dankbaar is voor het door de predikant gebrachte Woord van God. Want de eigen predikant is niet de enige die de plaatselijke kerk bestuurt en de gastpredikant komt slechts op uitnodiging in een zusterkerk Gods Woord brengen. Dat vraagt een bescheiden opstelling van een dominee. Het kan volgens mij niet zo zijn, zoals wel eens gebeurd is een flink aantal jaren geleden, dat een gastpredikant weigerde de Apostolische Geloofsbelijdenis in beurtzang te laten zingen omdat hij daar zelf op tegen was.

Maar goed, in deze gastgemeente wordt aan gastpredikanten van te voren meegedeeld, dat de ouderling van dienst vanaf juni 2018 ook een vrouw kan zijn. Dat is fijn om te horen. Het is vooral fijngevoelig. Want eigenlijk zou deze gemeente dit helemaal niet hoeven te melden. “Predikanten die op verzoek van een kerkenraad ergens voorgaan, dragen geen verantwoordelijkheid voor de wijze waarop een kerkenraad ter plaatse de ambtelijke dienst heeft ingericht. Zij schikken zich naar het beleid in de zusterkerk zonder daarover te willen heersen.” (Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk, blz. 79 van de eerste druk). Toch stelt deze gemeente mij en mijn collega’s van te voren op de hoogte van de mogelijkheid dat er tijdens een ruildienst een zuster op het rooster kan staan als ouderling van dienst. Ik vind dat een voorbeeld van hoe we in deze discussie met elkaar om horen te gaan. Deze gemeente zet gastpredikanten niet voor het blok, maar houdt op voorhand rekening met mogelijke gevoeligheden.

Tegelijk, en dat vind ik ook wijs, volgt er geen tweede zinnetje in de trant van: ‘Als u hier ernstige moeite mee hebt, zullen wij proberen voor een mannelijke ouderling van dienst te zorgen.’ Nee, deze gemeente laat het bij de gastpredikant zelf liggen wat hij met deze informatie doet. Dat lijkt me terecht. Als je ergens een probleem mee hebt, moet je zelf beslissen hoe je daarmee om gaat. Pas als een gastpredikant zelf aangeeft principiële moeiten te hebben met een vrouwelijke ouderling van dienst, kan er naar een oplossing gezocht worden. Misschien heeft deze gemeente die al achter de hand, maar waarop zou ze daarop vooruitlopen? Ze heeft melding gedaan van hoe het op zondag rondom de eredienst geregeld is. Nu ligt de bal bij de voorganger die a.s. zondag langs komt.

Terug in Assen vertelde ik aan een paar mensen dat ik afgelopen zondag voor het eerst de handdruk ontvangen had van een vrouwelijke ouderling. “Kreeg je er ook een zoen bij?” reageerde iemand voor de grap. Maar volgens mij is de ‘heilige kus’ geen bindend voorschrift in onze kerken, dus wat mij betreft laten we het elke kerkdienst bij twee hartelijke handdrukken (M/M of V/M).

Opwaarts bidden

Als Jezus zijn leerlingen leert bidden, begint Hij met een lofprijzing. Onze Heer zet dus de aanbidding van God voorop. De Amerikaanse predikant Tim Keller maakte in een preek over het ‘Onze Vader’ een keer de opmerking dat deze volgorde het volgende betekent: maak in je vrije gebed ook eerst tijd om tegen God te zeggen hoe geweldig Hij is als Persoon en hoe blij jij met Hem bent om Wie Hij is, voordat je Hem bestookt met al je vragen en wensen. Een vrouw uit zijn gemeente nam dat advies ter harte en vertelde hem een paar week later dat ze nu heel anders aan het bidden was. “Eerder werkte ik mijn gebedslijstje af. Maar hoe meer aandacht ik besteedde aan alle problemen en behoeften die ik had, hoe ongeruster en bezorgder ik werd. Nu heb ik me aangeleerd om eerst na te denken over hoe goed en wijs mijn God is, en hoeveel van mijn gebeden Hij in het verleden al beantwoord heeft. En als ik dan aan mijn eigen noden toekom, merk ik dat ik ze veel gemakkelijker in zijn handen kan leggen. Ik voel ik me steeds rustiger worden in plaats van onrustig.”

Als je begint met groot van God te denken en dat ook uit te spreken, kun je daarna ook alle andere dingen bij God neerleggen – of het nu om vergeving of om voorbede of om dankzegging gaat.

Maar hoe doe je dat nu, God aanbidden in je gebed?  In zijn boek ‘Bidden’ geeft Tim Keller drie tips over hoe je kunt leren God steeds meer te aanbidden.

A/ Maak van alle dingen die je plezier geven een reden om God te aanbidden. Als je dat doet, zul je merken dat je niet alleen God bedankt voor die mooie dingen, maar dat je God ook gaat danken om Wie Hij is: “Wat bent U goed dat U dit aan mij geeft!” Juist door de gewone dingen van elke dag (een prachtig stukje natuur, een lekkere maaltijd, een mooi boek, een fijn gesprek, even heerlijk sporten) aan God te verbinden, neemt de lofprijzing toe.

B/ Je kunt ook je gebed opbouwen volgens een vast patroon. Dat ziet er als volgt uit:

  • De aanspraak – noem een naam of eigenschap van God. Bijvoorbeeld: ‘Goede God’.
  • De uitwerking – breng onder woorden wat deze karaktertrek van God betekent. Bijvoorbeeld: ‘U zorgt voor alle mensen, of ze nu in U geloven of niet, want elke dag gaat de zon op en ontvangen we eten en drinken uit uw hand.’
  • De bede – wat wil je van God vragen als het om dit punt gaat. Bijvoorbeeld: ‘Wilt U ervoor zorgen dat ik weer gezond wordt / na mijn studie een baan vindt.’
  • Het verlangen – het goede wat er uit volgt en wat je zelf ook wilt als God je gebed verhoord. Bijvoorbeeld: ‘Dan kan ik weer voor anderen zorgen, groeit mijn vertrouwen in U en zien ook de mensen om mij heen dat U werkelijk goed bent.’
  • Noem altijd de naam van Jezus – Hij is de enige Persoon die ervoor zorgt dat je vrijmoedig God durft aan te spreken. Bijvoorbeeld: ‘Dat vraag ik U in Jezus Naam, want Hij heeft alles weer goed gemaakt tussen U en ons. Amen.’

C/ Je kunt ook op een rijtje zetten wie en hoe God is en wat Hij allemaal doet. Zulke ‘lijstjes’ kun je zelf maken. Maar je vind ze bv. ook in de Twaalf Artikelen of in art. 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Of in sommige Psalmen die echt Gods grootheid bezingen. Als je zo’n lijstje maakt of erbij pakt, kun je alles wat er staat, hardop naar God toe uitspreken. Als je dan ‘Hij / Hem / zijn’ verandert in ‘U / uw’ krijg je allemaal lofprijzingen! En als je nog verder wilt gaan, kun je daarna ook God gaan danken voor al zijn dagelijkse, geestelijke en bijzondere zegeningen.

Een goed gebed begint dus met opwaarts bidden. Zo heeft Jezus onze Heer het ons geleerd. Je kunt er gewoon mee beginnen en daarbij vragen om zijn Geest. Die legt je dan de woorden wel in de mond.

Ontleend aan Tim Keller, Bidden – vertrouwelijke omgang met de ontzagwekkende God, Uitgeverij van Wijnen – Frankeker, 2015. Met name hoofdstuk 12

Eén jaar na de GKV-besluiten over de vrouw in het ambt (deel 2 – standpunten)

Man-Vrouw in de kerkHet is alweer een jaar geleden dat de generale synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) uitsprak dat er bijbelse argumenten zijn om niet alleen gelovige mannen, maar ook gelovige vrouwen toe te laten tot het ambt van predikant, ouderling of diaken. De plaatselijke kerken mochten vervolgens zelf weten of en hoe zij hieraan invulling geven. In deel 1 van dit tweeluik gaf ik aan wat na één jaar de stand van zaken is. In deze blog wil ik een poging wagen de verschillende standpunten weer te geven. Met op voorhand m’n excuses voor het feit dat het een lange blog is geworden.

Voorstanders

Bij de voorstanders van de vrouw in het ambt valt mij op dat de argumentatie per persoon een beetje verschilt. In de afgelopen jaren ben ik de volgende argumenten tegengekomen:

A] Op grond van Gods Woord is het duidelijk dat vrouwen toegelaten mogen worden tot het ambt van predikant en ouderling. In de afgelopen eeuwen heeft de kerk de Bijbel verkeerd gelezen onder invloed van de gangbare cultuur en door een te letterlijk lezen van de Bijbel. Door voortschrijdend inzicht kunnen we nu open en eerlijk zeggen, net als vroeger bij de slavernij: we hebben het altijd verkeerd gezien.

B] Op grond van Gods Woord is het goed te verdedigen dat vrouwen toegelaten mogen worden tot het ambt van predikant en ouderling. Onder invloed van de traditie zijn er nog (veel?) gelovigen en kerken die van mening zijn dat vrouwen geen predikant of ouderling mogen worden. Daarin moeten we rekening houden met elkaar, want Paulus roept in Romeinen 14 de sterken op om niet neer te kijken op het standpunt van de zwakken. Beiden baseren hun mening op Gods Woord en doen dat tot eer van de Heer.

C] Gods Woord is geschreven in een bepaalde tijd, waarin de culturele omstandigheden een belangrijke rol spelen. Onze tijd en cultuur is heel anders. Als in de patriarchale culturen van het Oude en Nieuwe Testament soms, bij uitzondering, vrouwen door God Zelf geroepen kunnen worden om geestelijk leiding te geven aan Gods volk en aan de christelijke gemeente, is het binnen onze egalitaire cultuur geoorloofd om op alle niveaus vrouwen met hun gaven in de gemeente in te zetten. Die keus is niet in strijd met Schrift en belijdenis, maar valt   onder de categorie ‘kerkinrichting’.

D] Gods Woord is als het om het vraagstuk of vrouwen dominee of ouderling mogen worden niet duidelijk. Er lijken bijbelgedeeltes vóór en bijbelteksten tégen te zijn. Wanneer je dat volledig wilt honoreren, moet je elkaar als kerken op dit punt de christelijke vrijheid gunnen om een eigen besluit te nemen, gelovig biddend om wijsheid en leiding van de Heilige Geest en vanuit het verlangen om de eenheid in de gemeente te bewaren.

Ik denk zelf dat de synode van 2017 met haar besluiten vooral op lijn D) zit en daarom de toelating van vrouwen tot de ambten aan de plaatselijke kerken overlaat. Ik heb meteen na die besluiten vorig jaar juni geschreven, dat ik dat een verstandig besluit vindt. Want als het echt zo is dat we elkaar aanvaarden als christenen die hun geloofszekerheid volledig funderen op het verlossingswerk van Christus, geldt bij andere zaken dat je elkaar veel ruimte moet durven geven. ‘Bij twijfel niet inhalen’ uit angst voor het hellend vlak heeft in de kerkgeschiedenis bijna altijd geleid tot een opeenstapeling van geboden en verboden. Die valkuil van wetticisme is alle eeuwen door onder bijbelgetrouwe christenen veel groter geweest dan de valkuil van wetteloosheid.

Tegelijk blijft het wat onbevredigend om alleen maar te zeggen: we komen er op grond van de Bijbel niet uit, dus doe plaatselijk wat wijs is en de vrede dient. Vandaar ook de andere drie lijnen die ik signaleer. Persoonlijk vind ik lijn A) nogal exclusief. Alsof de tegenstanders van vrouwen in de ambten het eeuwenlang verkeerd gelezen en begrepen hebben. Dat geldt ook voor lijn B): volgens mij gaat het niet aan om christenen die oprecht menen dat de Bijbel geen ruimte laat voor vrouwelijke predikanten en ouderlingen, als de zwakke broeders en zusters in het geloof te typeren. Uiteindelijk geloof ik meer in lijn C): met de Bijbel als bron is het de Heilige Geest die in de waarheid leidt en Gods wegen in de tijd schrijft (hier schreef ik daar al eerder over). Ik vind het best spannend om daar konkrete standpunten aan te koppelen, zoals het toelaten van vrouwen in de ambten. Maar ik denk wel dat dit de weg is die God alle eeuwen door met zijn volk en zijn kerk gegaan is: je staat als kerk en als christen midden in de wereld, maar wordt wel opgeroepen om anders te zijn dan de wereld om je heen, zonder je door allerlei niet-heilsnoodzakelijke gewoontes en standpunten van diezelfde wereld te vervreemden. Laat het vooral Jezus Christus Zelf zijn, waar de niet-gelovigen zich aan ergeren.

Tegenstanders

Bij de tegenstanders van de vrouw in het ambt kom ik de volgende drie redeneringen tegen:

1] De Bijbel is niet meer de norm voor ons leven als christenen vandaag, want door de nieuwe hermeneutiek krijgen de huidige cultuur en het moderne levensgevoel veel meer invloed. Dus wordt de rol van de Bijbel beperkt tot ‘bron’ en hoef je de toepassing niet meer rechtstreeks uit de Bijbel af te leiden. Dat wordt goedgepraat met een beroep op de leiding van de Heilige Geest. Maar daardoor laat je steeds meer bindende richtlijnen van de Bijbel los en geeft er een eigen invulling aan die aansluit bij wat de maatschappij normaal vindt (de huidige cultuur) en waar veel kerkleden zonder problemen intuïtief mee akkoord gaan (het moderne levensgevoel).

2] In de Bijbel staan veel regels die je niet één op één in onze tijd kunt toepassen. Dus moet je onderscheid maken tussen het voorschrift zelf en de bedoeling ervan. ‘Drink wat wijn voor je maagproblemen’, zegt Paulus tegen Timoteüs. En aan de christenen in Korinte schrijft hij: ‘Groet elkaar met de heilige kus.’ Wij zouden vandaag zeggen: ‘Neem meer rust en eet wat gezonder.’ En we begroeten elkaar met een handdruk, schouderklop of een ‘hug’. Dat is prima. Maar als er een direkt beroep op de Bijbel gedaan wordt, vallen voorschrift en toepassing samen. En dat is zo bij het verbod van Paulus voor vrouwen om onderwijs te geven en gezag uit te oefenen, want dat wordt door hem gefundeerd op de schepping (Adam eerst) en de zondeval (Eva eerst). Als je aan dit voorschrift gaat tornen, haal je het gezag van de Bijbel onderuit. Dan wordt uiteindelijk alles relatief. Zo kom je uiteindelijk uit bij het ontkennen van het verzoenend lijden en sterven van Christus.

3] In de Bijbel leert God ons dat iedereen voor Hem gelijkwaardig is. Na de zondeval is dat niet meer het geval. Dankzij Christus vindt het herstel plaats. Hij neemt kinderen net zo serieus als volwassenen en zet vanaf Pinksteren de deuren van het heil wagenwijd open voor Samaritanen, Ethiopiërs, Romeinen, Grieken, mannen, vrouwen, bazen, slaven – ja, voor iedereen die gelooft dat de naam van Jezus de enige is op aarde door wie we vergeving van onze zonden en eeuwig leven ontvangen. Maar die gelijkwaardigheid betekent nog niet dat alle christenen een gelijke verantwoordelijkheid hebben. Integendeel: in de Bijbel worden alleen mannen structureel geroepen tot het ambt. In het Oude Testament waren er in Israel alleen mannelijke priesters die het Woord van God onderwezen en uitlegden, in het Nieuwe Testament stelt Jezus onze Heer alleen mannen aan als apostel. En in de nieuwe christelijke gemeentes stellen de apostelen, mede op grond van het Oude Testament, alleen mannen aan als oudsten die onderricht geven en de verkondiging beoordelen. Veel Amerikaanse theologen, waaronder Tim & Kathy Keller (presbyteriaans) en Albert Mohler (baptist) nemen hun uitgangspunt in het zogenaamde ‘complementarisme’. Zij vinden dat man en vrouw gelijk zijn geschapen als beeld van God, maar dat man en vrouw ook zijn geschapen om elkaar aan te vullen. Daarbij hebben ze elk hun eigen taken en rollen. ‘Leiderschap’ is in deze visie een opdracht die God aan mannen toevertrouwt, zowel in huis als in de kerk, en dus is er bijbelse gezien geen ruimte voor vrouwelijke predikanten en ouderlingen.

Ik deel de laatste twee redeneringen niet. Voor mijn gevoel zijn het constructies om het eigen standpunt te onderbouwen. Bij reden 3) vind ik het bijvoorbeeld erg zwak dat het ambt van predikant en ouderling nu opeens met dat van priester vergeleken wordt. Als dat terecht is, heeft het ons inderdaad misschien iets te zeggen dat in het Oude Testament alleen mannen priester mochten worden. Maar ik heb altijd op catechisatie geleerd, dat alle gelovigen sinds Pinksteren profeet én priester én koning zijn. Met daarbij vaak de opmerking, dat je het niet één op één op de ambten kunt plakken, maar dat er wel raakvlakken zijn: de predikant lijkt op een profeet de Gods Woord brengt, de ouderling lijkt op een koning die geestelijke leiding geeft en regeert, en de diaken lijkt op de priester die dienend bezig is zelf en anderen op te roepen tot een dankbaar leven. Maar nu zou het leer- en regeer-ambt in onze kerken plotseling helemaal geënt zijn op de functie van priester in het Oude Testament? Het lijkt mij wat ver gezocht.

Ook reden 2) vind ik niet sterk. Het scheert voor mij alles teveel over één kam. Dat doet volgens mij geen recht aan achterliggende redenen van al die verschillende voorschriften en adviezen in de Bijbel. Belangrijke besluiten uit Handelingen over het eten van offervlees en concrete voorschriften zoals het zalven van zieken door Jakobus passen we vandaag ook niet één op één toe. Belangrijk bij elk voorschrift dat je aan elkaar oplegt is de bedoeling ervan: Brengt het je dichter bij Christus? Bouwt het je geloof op? Bevordert het een christelijke levensstijl? Als je op zulk soort vragen ‘ja’ kunt zeggen, is de manier waarop je die doelen bereikt, niet meer bindend, maar moet je elkaar christelijke vrijheid gunnen. Dat werd in 1568 al uitvoerig betoogd door Marnix van St. Aldegonde, toen er in de Gereformeerde Kerk in Londen een enorm konflikt uitbrak over de macht die de kerkenraad daar naar zich toe trok (lees hier mijn blog over Marnix’ pleidooi voor christelijke vrijheid).

Ik snap wel de bezorgdheid die uit reden 1 spreekt. Maar ik ben het er niet mee eens. We hebben als christenen namelijk geen boek-geloof. We geloven in God als onze Drie-Enige Heer. Hij regeert over ons met zijn Woord en Geest (Zondag 12 H.C.) en vergadert, beschermt en onderhoudt zijn gemeente door zijn Geest en Woord (Zondag 21 H.C.). Volgens mij moeten we die twee niet tegen elkaar uitspelen. Dat kan op twee manieren: door alles dicht te timmeren met een beroep op bijbelteksten óf door alles goed te praten omdat, vaak na gebed, de Heilige Geest iemand rust en een goed gevoel geeft. Het eerste is vaak de makkelijkste weg; de weg van de traditie. Je hoeft niet al te veel zelf na te denken als christen. Het tweede is de meer riskante weg; de weg van het moderne levensgevoel. Het is de weg van het individualisme. Elke christen mag z’n eigen keuzes maken – het maakt niet uit wat de rest er van vindt en wat God er in de Bijbel over zegt. Ik herken het gevaar dat we vandaag, zeker binnen de GKV, vooral die tweede weg willen bewandelen. Maar de oplossing ligt volgens mij niet in het nadrukkelijk vasthouden aan de eerste weg. In de Bijbel zie je dat de breuk met de voorschriften van de besnijdenis en het houden van heel de Mozaïsche wet onderbouwd wordt met deze woorden: “In overeenstemming met de Heilige Geest hebben wij besloten u geen andere verplichtingen op te leggen dan wat strikt noodzakelijk is.” (Hand. 15:8). En in Hebreeën 6:3 staat een zinnetje waar ik altijd overheen gelezen heb: “Wij maken deze keuze in het vertrouwen dat God het ons toestaat.” In beide teksten proef ik de zorgvuldigheid om in nieuwe tijden en wisselende situaties zo goed mogelijk te luisteren naar wat God Zelf oip grond van zijn Woord en door de leiding van zijn Heilige Geest vandaag concreet aan ons wil laten weten. Als we samen respectvol naar willen luisteren, is het verwijt niet terecht dat we ons verwijderen van de Bijbel en de kerkelijke traditie.

NIemeijer boekje 1Niemeijer

‘Wat vind je van het boekje van Pieter Niemeijer?’ Nou, daar vind ik inderdaad wel wat van, ook al heb ik alleen de eerste druk gelezen: Over zwijgteksten, scheppingswerk en Geesteswerk is een goed boekje. Heel evenwichtig laat Niemeijer zien dat je als christen zorgvuldig de Bijbel kunt lezen en toch tot verschillende conclusies kunt komen als het om het onderwerp ‘vrouwen in de ambten’ gaat.

Sterk vind ik met name het accent dat Niemeijer legt op de positie van man en vrouw in het huwelijk. Het wederzijds respekt voor elkaar breng je in gevaar door allebei je eigen gang te gaan. “Honoreer in de kerk en in heel je leven het huwelijk waarin je als man en vrouw één bent, en waarbij de man het hoofd is.” Dus past het christelijke vrouwen niet om in het openbaar hun eigen man te passeren of te bekritiseren en mogen mannelijke ambtsdragers niet volkomen los van hun vrouw hun werk doen. [blz. 40] Ook benadrukt hij voortdurend dat bij de besluiten over de vrouw in het ambt niet het evangelie zelf in geding is, maar dat het om de inrichting van het kerkelijk leven gaat. Het is dus geen kernzaak van het geloof waarvoor je de kerk verlaten moet. [blz. 73]

Fors vind ik twee passages in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2. In hoofdstuk 1 merkt Niemeijer op, dat de Gereformeerde Kerken er zes jaar voor nodig hadden (van 1936-1942) om de ‘nieuwe’ meningen van prof. K. Schilder en anderen over verbond, doop, genade en wedergeboorte’ af te wijzen als in strijd met de Bijbel, de belijdenis, zonder dat de ‘gangbare’ leringen van prof. Kuyper en zijn volgelingen getoetst werden. In 2017 werden de vrijgemaakte kerken door het internationale verband van gereformeerde kerken (de ICRC) binnen een maand geschorst omdat ze afweken van de klassieke uitleg van de zwijgteksten, zonder dat de ICRC tijd nam voor nadere studie van zowel de gangbare mening als de nieuwe visie op de vrouw in het ambt. “Een opstelling die vergelijkbaar is met en misschien nog wel rigoureuzer is dan de ‘synodale’ opstelling van indertijd”, zegt Niemeijer op het oog voorzichtigjes op blz. 15/16. In hoofdstuk 2 haalt Niemeijer Maarten Luther aan. Die maakte nadrukkelijk onderscheid tussen zaken die het heil raken (‘ik ben alleen door Christus gered’) en persoonlijke principes en keuzes. En dan knalt Niemeijer er deze passage in (blz. 34): “Ook de vraag van vrouw en ambt beslist niet over mijn heil. Wie dat zegt, zou zich volgens Luther bezondigen aan afgoderij en aan respectloosheid jegens Christus, onze enige Verlosser.”

Niemeijer boekje 2e drukOngelijk heeft Niemeijer volgens mij op twee puntjes. Hij stelt op blz. 44 terecht dat ‘onderwijzen en gezag oefenen’ in 1 Tim. 2:12 gelezen moet worden als ‘met gezag onderwijzen’. Voor het woord ‘gezag oefenen’ gebruikt Paulus een Grieks woord dat in de Bijbel nergens voorkomt en ook verder bijna nooit gebruikt wordt. Dus sluit Niemeijer zich aan bij Myriam Klinker en Rob van Houwelingen, die allebei dat Griekse woord uitleggen als: ‘(hun man) de les lezen’. Dat mogen vrouwen niet doen in de samenkomsten van de gemeente. Het klopt dat dit de mening van Rob van Houwelingen is. Maar Myriam Klinker is juist van mening, dat het Griekse woord een neutrale betekenis heeft en dat het in de Grieks-Romeinse cultuur per definitie niet gebruikelijk was dat vrouwen het woord voerden in openbare samenkomsten. Zij is van mening dat Paulus met deze opmerking geen onnodige weerstanden wil opwekken bij mensen die voor het eerst in de kerk komen en het evangelie horen. Een tweede puntje waar Niemeijer volgens mij geen gelijk in heeft is de “relativerende opmerking” op blz. 73, dat de Nederlandse versie van de Nederlandse Geloofsbelijdenis het in de artikelen 30+31 niet over mannelijke ambtsdragers heeft, in tegenstelling tot de Engelstalige versie. Inderdaad staat in de oudste en in de meest recente Nederlands vertaling dat er ‘personen die (ge)trouw zijn’ moeten worden verkozen [slot art. 30] en staat er in het Engels “when faithfull men are chosen”, maar in art. 31 gaat het erover dat ‘hij’ moet wachten tot ‘hij’ door God geroepen wordt en daardoor zeker weet dat ‘zijn’ roeping van de Here komt. Gezien de tijd waarin de NGB ontstaan is (1563) lijkt het me minder juist om te veronderstellen dat ‘personen’ bewust neutraal geformuleerd is en dat ‘hij’ / ‘zijn’ alleen maar gebruikt is omdat dat meestal in de hij-vorm gebeurt wanneer het over ‘een iegelijk’ / ‘iedereen’ gaat.

niemeijer pieter fotoLeuk is tenslotte de afsluiting van hoofdstuk 9. In 2005 besloot de synode voor het eerst om onderzoek te doen naar de zaak van man, vrouw en ambt. Toen dat besluit viel, ging de voorzitter in zijn slottoespraak ook op dit besluit in. Niemeijer citeert daar een aantal zinnen uit [blz. 80], maar vermeldt er niet bij dat ene Pieter Niemeijer voorzitter van die synode was :-).

 

 

Is de hemel saai? – de Twaalf Artikelen in 30 dagen (dag 30)

Herman van Wijngaarden - Zo is datDag 30

Is de hemel saai?

en het eeuwige leven – Als de Apostolische Geloofsbelijdenis een muziekstuk was, zou er nu een grandioze finale los­barsten. Perfect gewoon, puur genieten! Eeuwig leven, altijd bij Jezus zijn! Iets mooi­ers bestaat er toch niet?

Toch denken veel mensen juist eerder aan een heel saai muziekstuk. Want hen is verteld dat het eeuwige leven alleen dít is: eeu­wig zingen voor Gods troon. En dat lijkt hen toch wel erg eento­nig worden. Ze houden niet eens van zin­gen!

Maar dat is natuurlijk een misverstand. Denk je nu echt dat de God die zo’n schitterende aarde heeft gemaakt, met zóveel om van te genieten, een hemel zou maken waar het minder mooi is? Denk je nu echt dat je in de hemel iets zult missen wat je op aarde zo leuk of zo lekker vond? Natuurlijk niet! Iemand schreef: ‘Als je in de hemel graag snoepjes en hamsters wilt, zullen ze er zijn.’ En vul dan zelf maar in waar jij van geniet.

Dat het eeuwige leven natuurlijk in de eerste plaats is: altijd bij Jezus zijn, dat maakt het er alleen maar mooier op. Want wat kun je nou liever willen, dan zijn bij Hem die zo oneindig veel van je houdt? Geloof in Hem, Hij maakt ook voor jou alle dingen nieuw. Zo is dat!

Lezen: Openbaring 21:1-7

Als deze verzen een film waren, welke muziek –uit je eigen cd-verzameling- vind je er dan bij passen? Zoek muziek uit waar je echt blij van wordt!

Een nieuw lichaam – de Twaalf Artikelen in 30 dagen (dag 29)

Herman van Wijngaarden - Zo is datDag 29

Een nieuw lichaam

de opstanding van het vlees (= lichaam) – Je lichaam, daar kun je als tiener best veel mee bezig zijn. Je bent tenslotte volop in ontwikkeling. En soms is dat fijn, maar soms ook lastig. In ieder geval vind je je li­chaam heel belangrijk; het hoort helemaal bij je. Het is een stukje van jezelf.

De Bijbel vindt het lichaam óók belangrijk. Vroeger dachten ze dat het lichaam alleen maar een omhulsel voor de ziel was, maar dat is onbijbels. Het is dus óók niet zo dat je na de opstanding als een ziel of een engel door de hemel zweeft ofzo. De gelovigen krijgen een nieuw lichaam, dat heeft de Here God beloofd.

Hoe dat gaat, weten we niet precies. Paulus zegt dat je het moet vergelijken met wat er met zaad gebeurt: het oude lichaam sterft en wordt gezaaid. Wat er op­staat, is dan natuurlijk niet meer het zaad zelf. Er wordt een nieuw, ver­heerlijkt lichaam opge­wekt. Je bent het aan de ene kant weer helemaal zelf, en toch is het hele­maal anders. Dat zal echt heerlijk zijn: een li­chaam zonder ziekte, zonde en handicap. Iets om naar te verlangen!

Lezen: 1 Korintiërs 15:35-44

’t Is waar: een moeilijk tekstgedeelte. Maar probeer er toch één gedachte uit te halen die je snapt en voor vandaag kunt meenemen.