WEDDEN OP TWEE PAARDEN – schepping en evolutie in een spagaat?

Paul OorspronkelijkVlak voor de zomer van 2017 bracht Gijsbert van den Brink zijn boek En de aarde bracht voort uit. Een paar maand later verscheen het boek Oorspronkelijk van Mart-Jan Paul op de markt. Beide schrijvers gaan in op de vraag of en hoe je de bijbelse gegevens over de schepping en de evolutietheorie met elkaar kunt combineren. Gijsbert van den Brink stelt voortdurend de vraag: stel dat het waar is wat de evolutietheorie allemaal beweert, haalt dat dan het hele bijbelse scheppingsverhaal onderuit? Zijn antwoord is: nee, het scheppingsverhaal en de gangbare evolutietheorie zijn goed met elkaar te verenigen. Mart-Jan Paul komt tot een heel andere conclusie: “de Bijbel is het Woord van God dat gezaghebbend over onze oorsprong spreekt” (blz. 466). Daarom sluit hij zich nadrukkelijk aan bij alle kerkvaders en reformatoren die “het begin van het boek steeds [hebben] opgevat als een betrouwbare weergave van het ontstaan van de wereld en van de gebeurtenissen in het begin van de mensheid” en “meenden dat de aarde hooguit zesduizend jaar geleden geschapen was door Gods bijzondere ingrijpen” (blz. 23). Bovendien is het volgens Mart-Jan Paul zo, dat de zeer verschillende theorieën over evolutie die in de 18e en 19e eeuw opkwamen “in meer of mindere mate samenhangen met verzet tegen het christelijk geloof.” Er is dus vaak ”vaak een samenhang tussen de persoonlijke levensbeschouwing en de voorgestelde theorie. Waar afstand genomen wordt van de Bijbelse beschrijving van het verleden, komen andere voorstellingen op”(blz. 60). Aan het eind van zijn boek leidt dat tot de volgende waarschuwing dat wie als christen op de vraag “of God evolutie als scheppingsmechanisme voor het ontstaan van de soorten gebruikt heeft (…) snel bevestigend antwoordt, weleens een wetenschapsopvatting kan hebben die op den duur op steeds meer punten in conflict komt met de Schrift” (blz. 465).

Onbijbels dualisme bij Van den Brink?

In zijn boek geeft Mart-Jan Paul ook de standpunten weer van christelijke wetenschappers die wel meer ruimte zien om de bijbelse gegevens over het begin van de schepping met de gegevens van de wetenschap te combineren. Eén van hen is Denis Alexander. In grote lijnen sluit Gijsbert van den Brink zich bij zijn opvattingen aan. Beiden mag je rekenen tot de theïstische evolutionisten (hoewel Gijsbert van den Brink zichzelf liever een evolutionistisch theïst noemt, omdat hij gelooft dat God deze wereld in de weg van evolutie geschapen heeft). Over Denis Alexander is het oordeel van Mart-Jan Paul niet mals. In aansluiting bij David Anderson stelt hij: “diens visie is een onbijbels dualisme. Alexander scheidt ‘het boek van de natuur’ van het ‘boek van de Schriftuur’. (…) Voor Alexander lijken de beweringen van de hedendaagse biologische wetenschap vaste waarheden te zijn, ook al wijzigen de details, terwijl de Bijbelteksten over de oorsprong slechte onzekere theologische duidingen opleveren. Ook al zijn voor hem de basale geloofsuitspraken nog steeds waar, zoals dát God geschapen heeft, vrij veel van de historische weergave in Genesis is niet langer houdbaar. (…) In theorie heeft de Bijbel bij hem het hoogste gezag –en dat kan in geloofszaken ook werkelijk zo zijn-, maar in de interpretatie van de eerste hoofdstukken van Genesis zijn het de externe factoren die de uitleg in sterke mate bepalen en ingrijpend veranderen” (blz. 271 / blz 271).

Dat zijn nogal forse uitspraken! Gijsbert van den Brink zou in navolging van Denis Alexander de bijbel langs de lat van de wetenschap en de evolutietheorie leggen. Daarmee zouden zij “een dualisme tussen geestelijk en lichamelijk” aannemen. Dat “blijft het punt” (blz. 271 noot 49). Ik snap deze kritiek wel. In mijn vorige blog ‘Houdt God onze voor de gek?’ gaf ik al aan, dat bij Gijsbert van den Brink de hedendaagse wetenschappelijke inzichten het uitgangspunt vormen. De bijbelse gegevens zijn daar volgens hem gelukkig goed mee te verenigen. Maar de actieve rol van God in het scheppingsproces worden wel heel erg passief geformuleerd. Maar om dat nu meteen ‘onbijbels dualisme’ te noemen, dat gaat me wel wat ver. Vooral omdat het een eigenlijk een heel merkwaardige uitspraak van Mart-Jan Paul is. Want verschillende keren in zijn boek schrijft hij dat de Bijbel niet geschreven is om ons natuurkundige informatie te verschaffen, maar vooral gericht is op het heil van de mensen (blz. 75), zodat we in Genesis geen antwoord krijgen op onze natuurkundige vragen (blz. 180), want “het eigenlijke wonder dat materie en leven tot aanzijn kwamen, wordt niet op natuurkundige wijze verteld, maar zo dat God de lof ontvangt als de Schepper” (blz. 170).

Toch verwerpt Mart-Jan Paul bijna alle wetenschappelijk theorieën over het ontstaan van de aarde omdat hij ondanks bovengenoemde passages vooral absoluut vast wil houden aan de letterlijke historiciteit van Genesis 1-3. Dat vind ik vreemd, want volgens de Nederlandse Geloofsbelijdenis maakt de schepping ons duidelijk hoe groot Gods eeuwige kracht en goddelijkheid is en maakt Hij Zich in de Bijbel nog duidelijker bekend “namelijk voor zover dat voor ons nodig is tot zijn eer en tot behoud van de zijnen” (citaat art. 2 NGB). Dus schept Denis Alexander geen vals dilemma als hij stelt dat de Bijbel een theologische boodschap bevat en geen natuurwetenschappelijk leerboek is (blz. 268).

De mal van de letterlijkheid bij Paul

Hoe kan het dat Mart-Jan Paul als het eropaan komt precies het tegenoverstelde doet als hij Denis Alexander en daarmee Gijsbert van den Brink verwijt? Hij wijst namelijk zeer nadrukkelijk alle nieuwe inzichten van de wetenschap af wanneer die niet met de letter van de Bijbel overeenkomen. Voor hem is de tekst van de Bijbel het uitgangspunt voor alle wetenschappelijke arbeid als het om de ouderdom van de aarde en de manier waarop God de wereld geschapen heeft (blz. 239). Dus is de aarde ongeveer 5.550 jaar (Griekse tekst) of 4.000 jaar (Hebreeuwse tekst) voor Christus in zes dagen geschapen (blz. 176, 188, 239). Wanneer christenen toch in een veel oudere aarde geloven, dan “lijkt hun argumentatie vooral ingegeven te zijn door externe factoren –de huidige datering- ; zij voeren weinig exegetische argumenten aan” (blz. 289). Hier merk je, dat Mart-Jan Paul in hetzelfde dualisme vervalt, maar dan omgekeerd: de exegese van de Bijbel heerst over de resultaten van de wetenschap. En dat terwijl beiden én elkaar aanvullen (NGB art. 2) én voor nieuwe inzichten vatbaar horen te zijn.

Hoe kan dit gebeuren? Ik denk dat een diep respect voor het gezag van de Bijbel als het onfeilbare Woord van God daar de oorzaak van is. Dat proef ik uit heel zijn boek. Maar vervolgens wordt de klassieke opvatting over hoe we de Bijbel moeten lezen, namelijk de letterlijk-historische interpretatie, de trechter waar alle resultaten van de moderne wetenschap doorheen moeten. En kunnen ze eenvoudig niet waar zijn als ze er niet doorheen passen. Dat leidt tot wonderlijke opvattingen bij Mart-Jan Paul:

*) De snelle groei van de gewassen en de bomen die op de derde dag ontkiemen en aan het eind van die dag ook al zaad en vruchten voortbrengen, moet je vergelijken met de wonderboom van Jona (blz. 144). Blijkbaar is het geen optie dat de HERE in één keer de fruitbomen in volgroeide vorm geschapen heeft, ook al denken sommige kerkvaders daar anders over (blz. 66) en kon Jezus op de bruiloft van Kana wel in één moment water in heerlijke oude wijn veranderen (blz. 275). Maar de optie van een ‘volwassen schepping’ lijkt bij voorbaat uitgesloten, omdat het de weg opent naar een ingeschapen ouderdom bij de schepping, incl. alle fossielen enzo (blz. 352). Op die manier zou God de mensen bedriegen (blz. 353).

*) Waarschijnlijk waren er geen dorens en distels vóór de zondeval. Want zij vormen, net als het met pijn kinderen krijgen, een signaal dat er echt iets gewijzigd is in de schepping. Als God dit onkruid wel ‘goed’ geschapen heeft, zijn hun eigenschappen waarschijnlijk door de zondeval veranderd (blz. 167). Is dit geen pure speculatie? Alle groene planten waren toch voedsel voor de dieren? Dat bepaalde planten na de zondeval de akkers zullen gaan overwoekeren wil toch niet zeggen dat ze daarvoor geen stekels hadden? Zelfs Augustinus nam aan dat er voor de zondeval dorens, distels en zelfs verscheurende dieren waren (blz. 73, noot 55).

*) “Vanuit de archeologie zijn er sterke aanwijzingen voor het bestaan van culturen in Sumerië [het huidige Irak] en in Egypte, rond 3000 v. Chr. Dit is niet goed te combineren met een zondvloed rond 2400 v. Chr. [volgens de Hebreeuwse tekst]. Volgens de LXX [de Griekse tekst van het Oude Testament] vond de zondvloed echter rond 3300 v. Chr plaats en dat past beter (blz. 188).” Het is niet alleen merkwaardig dat Mart-Jan Paul opeens de door bijbelgetrouwe theologen zeer betrouwbaar geachte Hebreeuwse Masoretentekst opeens inwisselt voor de Griekse Septuagint-vertaling die doorgaans als veel onbetrouwbaarder beschouwd wordt. Maar stel dat de Griekse tekst gelijk heeft. Dan zouden er dus binnen 300 jaar na de zondvloed twee hoogstaande culturen die een paar duizend kilometer van elkaar verwijderd liggen zijn ontstaan, terwijl er duizenden kilometers ten oosten van Irak in die tijd ook al een Chinese cultuur bestond. Terwijl er vanwege de zondvloed een geweldige braindrain heeft plaatsgevonden waardoor alle complexe technieken opnieuw moesten worden uitgevonden. Ook wiskundig gezien lijkt het zeer onwaarschijnlijk dat de mensheid zich in zulke aantallen vermenigvuldigde, dat er binnen 300 jaar over grote afstanden drie afzonderlijke hoogstaande culturen ontstaan zijn. En dan heb ik het er nog niet eens over dat de culturele samenlevingen in Egypte en China pas zijn ontstaan na de torenbouw van Babel, die volgens Gen. 10:25 in de tijd van Peleg plaatsvond.  Als je de LXX aanhoudt, is Peleg 400 jaar na de zondvloed geboren is. Alleen daarom al is het al te strakke tijdspad van Mart-Jan Paul ongeloofwaardig.

Een weinig oorspronkelijk boek

Mijn conclusie is dan ook, dat Mart-Jan Paul de gegevens van de wetenschap niet serieus neemt in zijn overwegingen bij schepping en evolutie. Hij stelt soms wel terechte vragen (hoofdstuk 4 over het vermeende wereldbeeld van de oud-oosterse culturen is het beste deel van zijn boek), maar komt zelf niet verder dan een halsstarrig vasthouden aan de letterlijkheid van de Bijbel als het om nieuwe feiten en theorieën m.b.t de ouderdom van de aarde gaat. Daarbij doet hij vaak een beroep op de oude kerkvaders, terwijl die, voor zover ik kan inschatten, op een ander front tegen griekse filosofen en gnostische religies streden (zoals Henk Bakker en Stefan Paas in 2009 al tegenover o.a. Mart-Jan Paul aantoonden in hun opstel De kerkvaders over Genesis). En hij wijst voortdurend op de niet-christelijke en vaak zelfs vijandige levensbeschouwingen van de wetenschappers die de evolutietheorie in het begin hebben uitgedragen. Dat lijkt mij een zwaktebod, want de technieken die de zeer goddeloze nakomelingen van Kaïn uitgevonden hebben, worden volgens Mart-Jan Paul gebruikt om de ark te bouwen (blz. 174).

Gijsbert van den Brink vertelde dat iemand eerst zijn boek gelezen had en er behoorlijk van onder de indruk was geraakt. Zou het allemaal toch anders zijn dan er letterlijk in de Bijbel staat? Daarna las hij het boek van Mart-Jan Paul. Daardoor kwam hij tot de conclusie dat de evolutietheorie niet bewezen is en dat de Bijbel gelukkig toch echt gelijk heeft. Ik vind dat het teleurstellende effect van dit boek. Het geeft aan de ene kant veel mensen een gevoel van schijnveiligheid en aan de andere kant brengt het mensen in een spagaat. Dan vind ik de benadering van Gijsbert van den Brink beter, ook al deel ik lang niet al zijn afwegingen en heb tegen een paar ervan echt serieuze bedenkingen. Maar hij staat wel in de lijn van de gereformeerde belijdenis die ‘natuur en genade’ niet van elkaar wil scheiden en de kennis vanuit de schepping niet tegenover de kennis vanuit de Bijbel stelt. Daarmee bepaalt de wetenschap niet de uitleg van de Bijbel, maar vullen die twee elkaar juist aan (zie dit artikel van Gijsbert van den Brink), zoals God Zelf ook in Psalm 19 laat weten.

 

Groningers in 1834 over Hendrik de Cock en de Afscheiding (deel 2 – Jaapks Raize)

‘Doe fiene kokse! ‘ riep een jongen van de andere school in Oldehove mij een keer toe op straat. Ik zal een jaar of zeven geweest zijn. Geen idee wat hij ermee bedoelde, maar wij van onze school riepen gewoon terug: “Openboaren hemmen segoaren ien oren en kont vol bloaren!’ Toen ik mijn vader vroeg waarom door de leerlingen van de andere school ‘fiene koksen’ genoemd werden (en ik met een paar anderen door eigen klasgenootjes soms  ‘artikeltje’ naar mijn hoofd geslingerd kreeg), legde hij met uit dat alle gereformeerden op het dorp zo genoemd werden omdat Hendrik de Cock in 1834 uit de Hervormde Kerk gezet was en daarmee de eerste gereformeerde dominee van de Afscheiding was (en hij vertelde me erbij dat ‘artikeltje’ nog gevoeliger lag in het dorp, omdat de Vrijmaking toen nog geen 30 jaar daarvoor plaatsgevonden had).

Jaapks RaizeOok in de tijd van de Afscheiding had je al voor- en tegenstanders van die ‘Cockse’ beweging. Uit die tijd stammen ook twee brochures die in het Gronings geschreven zijn. In die periode (1816-1851) verschenen de eerste liedjes, voordrachten en samenspraken in het Gronings. Ze hadden niet alleen een amuserende waarde, maar ook vaak een opbouwende functie, aldus het “Handboek Nedersaksische Taal- en Letterkunde” (2008, Van Gorcum), die daarbij expliciet vermeldt: “Dit laatste komt duidelijk naar voren in een aantal publicaties uit 1834, waar samenspraken in dialect gebruikt worden als pamflet in de strijd rondom de Afscheiding.” (blz. 340). De schrijver van En Grunneger Roeker heeft duidelijk sympathie voor de underdog in deze ‘Cockse’ twist en laat dat kort en krachtig in niet mis te verstane bewoordingen weten. In 1834 verscheen er nog een tweede brochure, nl. Jaapks Raize naa Domenei Kok. Twee keer zo lang als ‘En Grunneger Roeker’, minder ruig geschreven en met als duidelijke slotkonklusie dat wie niets van Hendrik de Cock heeft gehoord, ook niets gemist heeft. Wie in die tijd z’n Bijbel goed kende, had dit waarschijnlijk ook wel verwacht, want op de titelpagina van dit vlugschrift staat “Jak. 3 : 16, 17” – en daar staat, in de Staten-Vertaling van toen: Want waer nijdt ende twist-giericheyt is, aldaer is verwerringe, ende alle boosen handel. Maer de wijsheyt die van boven is, die is ten eersten suyver, daer na vreedsaem, bescheyden, geseggelick, vol van barmherticheyt ende van goede vruchten, niet partydelick oordeelende, ende ongeveynst. Daarna volgt een soort aanbeveling van een vriend van Jaap, waarna Jaap op rijm vertelt van zijn zondags uitstapje om dominee De Cock een te horen preken.

Jaapk, ik heb diin Raize lezen, | Mit genougen en vermaak. | Nee – neit raizen, ’t hoes te bliven | ‘k Leuf di goud – dus elk ziin zaak.

Elke goude Hedder weit toch, | Wat het best ziin kudde past; | En gait mit ’t verstand te rade, |In ziin huiden – dat stait vast.

Hei bi joe ein beste Doomnei; | O, wi hebben ook ein man, | Dei de Wet van onze Schepper| Klaar en duudliik maken kan.

Of hei leeraart in de kerk – | Of hei an het zeikbed stait: | Licht en troost vluit van ziin lippen, | En is graag tot hulp beraid.

“Mensken” – leert hei – “Zeit op Jezus – | Ook veur joe kwam hei op aard. | Volgt ziin leer – dan is joe, boven, | Hemelzalighaid bewaard.

Wekt vaak ’t vrömde lust tot raizen; | ’t Olde vrömde haagt mi neit. | Jaapk, ik dank di veur diin rimen – | ‘k Bin en bliiv joe deinaar   Peit

INLAIDING

In de week dan mout ik warken, | ’s Mörgens vroug en ’s avens laat, | Veur miin wiif en veur miin kinder: | Neimand vindt mi leeg bi straat.

Söndags gaa ik graag naa kerke; | Want onz’ Doomnei is ein man – | Dei, zoo wel an heile wizen: | As miin slag wat leeren kan.

‘k Hol heil veul van onze Leeraar; | Want hei geft gezonde kost; | En stait – ja, dat duur ik zeggen, | Trauw as Daviid op ziin post.

Nooit draigt hei, met Hel en Duvel;| Maar maakt ons ’t ook lang neit ligt. | “Laat het kwade en dou het goude | Mensken,” zegt hei,” da’s joen pligt.

Vake mout i ’t woord deurzuiken, | Doun zoo as ’t er schreven stait; | Immer ’t beste veurbeeld volgen, | Dan vindt joe de dood beraid.

Nooit zel ’t “Heere! Heere!” roupen, | Joe beraiden veur Gods Riik. | Leer en leven – les en wandel | Mout in alles ziin geliik.

Hou g’ ook raizen meugt deur ’t leven, | Of ’t joe veur of tegenga; | Bei het schaiden van de wereld, | Volgen joe joen warken naa.

Eng is ’t pad en naauw de poorte, | As i naa ’t geweiten leeft: | Maar vertrauw op uwe Vader, | Dei joe troost en bistand geeft.

Waant suk eimand uutverkoren, | Dei lopt op de breide baan; | En zel, deur de wide poorte, | Einmaal zeker binnen gaan.”

Doomnei ken allein ’t neit zeggen; | Maar hei dut net as hei leert. | Dit getuugt de heil gemeinte, | En elk, dei mit hom verkeert.

‘k Had ein tiidlang heuren praten | Van ein Kok dei spize maakt; | Dei, veur veule soort van monden, | Overheerliik lekker smaakt.

’t Was allein veur mi gein honger, | Waardeur ik nou wor verlaid, | Om eins naa dei Man te raizen; | Maar ook mit neischirighaid. 

Einmaal eis, dat onze Doomnei | Boeten ’t Dörp te preken had, | Zee miin scheerbaas mi: “Jaapk weis toe ‘t? | Kok preekt mörgen digt bi stad.”

RAIZE.

’t Plan was klaar – en, eer het haantje, | Söndags mörgens was ontwaakt, | En ons dörp nog lag te rusten; | Was ik al op raize raakt.

’t Mörgenlicht begon te dagen;| Dou ik ankwam in Zuudbrouk. | ‘k Luip regt oet, en kwam nog even | Mit de Zön, op Martenshouk.

Schoon ik maar alleine raisde, | Vol de weg mi heil neit lang, | Bi het dankleid van de vog’len | En heur mörgen Lofgezang.

‘k Huil de trekweg, dei mi laidde, | En mi brogte in de stad: Waar ik g’lukkig arriveirde, | Dou de klok net zeuven had.

‘k Had gein tiid om lang te plaistren: | ‘k Luip de Stad deur – Drapoort uut, | En kreeg daar – doch bi vergunning – | Plaas in ein gehuurde Schuut.

‘k Heurde al gaauw, dat al dei mensken | Raisden, mit het doul as ik: | Maar, mit al heur fine flaiten; | Was ik juust neit in miin schik.

‘k Heurde hier veul van Hel en Satan, | Net of ’t meer dan Kristus was. | ‘k Mos mi nier maar stille hollen, | Tegenspreken gaf gein pas.

’t Heil gezelschap was van meining, | Dat de Kok juust was de man, | Dei het beter, as al Doomneis | En Perfessers, zeggen kan.

Nooit zag ik nog zoo veul drökte. | ’t Was ein leven – ’t was ein wark – | Koetsen, Sezen, Korrewagens, | Net of ’t was Zuudlaarder mark.

Snik legde an – wi wassen over; | ’t Was ein beetje naa acht uur – | ‘k Sprong an wal, en had de plase, | Waar de kerk stond, in de kuur.

’t Heile Kerkhof was vol mensken. | ’t Vrömde, dat miin oog hiir zag, | Deed mi denken – ‘k mout het zeggen: | An de leste oordeilsdag.

‘k Docht, ik bin einmaal te Romen, | ‘k Mout de Paus nou ook ja zein. | Maar hou in de kerk te komen? | In mos ik er – kon ’t geschein.

‘k Drong er deur – ‘k stöt ’t volk op zide, | En kwam end’ling bi de deur; Zoo da’k in de kerk kon kiken – | ‘k Bleef er half in – en half veur.

’t Kerki was gepropt vol mensken – | ‘k Kon neit veur – of achteruut. | ‘k Most wel in de knipe bliven, | Tot dat Mester had geluud.

En dat luden mos nog duren, | Om en bi zoon drei keteir. | ’t Zol veur mi plezeir gaan heiten; | Maar het was mi gein plezeir.

End’ling heurde ik buten roupen: | “Mensken wiikt – de Doomnei komt!” | Nau an ’t wuilen; steuten, knoflen – | Wiil de toren klokke bromt. –

‘k Zag mi Doomnei nader dragen, | Op de scholders van de schaar, |En dou hei de deur passeirde. | Kwam ‘k een schrede vot, mit haar.

Al de gangen, banken, leunings | Hadden gein doem spaatsi meer – | Zölfs tot in de kerkeglazen – | Laggen heurders zuchtend neer.

Mester vong nu an mit lezen | Oet het hailig Bibelblad. | En dou kregen wi ein pruifje, | Waar ik heil gein smaak in had.

“Mis is ’t Jaapk,” zee ‘k tot mi zölven, | “Doe krigst ’t loopen neit betaald; | “Heurst dou wel van onze Doomnei, | “Dat hij ooit op and’ren smaalt?”

‘k Zöcht de heile preek te vatten, | Mit miin boeren klain verstand; | Maar, bi ’t wark van onze Leeraar, | Vond ‘k gein regel of verband. –

’t Woord, dat hier de tekst bevatte, | Heurde ik einmaal bi ons meer, | O, ’t was net as licht en duuster! | Dou kwamt juust op waarheid neer.

Bauwen was ’t en ommesmiten, | Einmaal? nee verschaiden keer. | ’t Nuimen van veul bibelplasen, | Daarmit gong de tiid er heer.

‘k Loerde, of ‘k Doomnei ook kon kiken, | Maar het volk ston tweiman hoog, | ‘k Zag de leuning, veur mi, boegen, | Zoo dat z’endling nedertoog.

‘k Zag dei arme mensken tuumlen; | Ja, het dee mi zeer in ’t hart – | Was ik zölf neit vastgenageld, | ‘k Had gedeild in piin en smart.

Waar is ’t – dat ik, deur dat breken, | Van dei bank, kreeg roem gezigt: | ‘k Mos wel bi mi zölf, getugen, | Dat ’t geluk an touval ligt. –

‘k Had nou vrei gezigt op Doomnei; | Maar nog wol ’t mi neit voldoun – | ‘k Wenste mi wel doezend malen, | Boeten deure mit fersoun.

‘k Keek de Doomnei liik in d’oogen – | En docht: duurst doe wolven an – | Doomnei! Doomnei! an ein wolfiin, | Doomnei, hast, doe dik diin man.

’t Heufd allein maar kon ‘k bewegen – | ‘k Zag dus even om mi tou; | Maar dou wor ik kant verlegen: | ‘k Wost neit meer te maken hou.

‘k Heurde stennen, schreiven, zuchten, | ’t Hart wor weik, bi zoon allarm, | ‘k Zuchtte mit het oog naa boven; | Dat suk onze God erbarm’!

‘k Mout ’t bekennen, ‘k wör haast bange, | ‘k Wos neit, wat er gaande was. | ‘k Was ook zoo van zins te schreiven; | Dou ’t mit Doomnei Amen was.

Was ’t mi neit tot hiertou smaakliik, | Wat de k o k had klaar gemaakt: | Ook ’t dissert – half gruin en röttig – | Ha’k nog nooit neit zoo min smaakt.

Graag ha’k, an het slöt, mit zöngen – | Maar de borst zat mi haast digt. | ‘k Huil mi stil – en ’t leste zingen, | Wör ook, boeten mi, verrigt.

’t Volk rees op, zoo veul ’t kon rizen, | En nou heurde ik bibeltaal: | Hail an onze Zaligmaker | Jezus Christus al te maal!

’t Sain tot oftogt was vernomen | Pas, of ’t volk ston ommekeird – | ’t Zet suk veurwaarts in beweging: | Nooit was ‘k zoo nog neit temteird,

Veur mi gaf het niks as koppen – | ‘k Docht mos starven op dit stond, | En neit eer als boeten ’t kerkhof, | Vuilde ik mit miin vouten grond.

‘k Docht, en zag bedaard in ’t ronde: | Wat het toch neischirighaid, | Sunt de tiid van mouder Eva, | Mennig mensken kind verlaid.

‘k Schol mi zölf uut veur ein dwaze, | Dei deur ziin neischirighaid; | Om van vrömd gebak te pruiven, | Tot zoon raize was verlaid.

‘k Wol nou graag ein beetje rusten; | Maar bina in ’t heile loug, | Was veur mi gein plasi open – | Neit in börgerhoes of kroug.

‘k Gong dus vort, na dat ‘k ein omzein, | Op deipskante zeten had; | Want ik had tot raisgezellen, | Heil veul mensken oet de stad.

‘k Heurde K o k nou rezenzeiren. | Veulen vonden ’t biister mooi – | Veulen vonden hom gein wachter | Bi ein goude schapenkooi.

Men wol ook miin oordeil weten, | Over Domenei ziin wark. | Nou kon ik neit langer zwigen, | ‘k Vuilde mi tot spreken stark.

“Volk!” zee’k – ‘k bid joe zeg mi eerst eis | Wat het Domenei gepreekt? | ‘k Wachtte ein beetje – nog ein omzein – | Allen zwigen – niemand spreekt,

’t Was gein wonder – wel zol roumen | Na ein feesteliik onthaal, | As ’t ein koeskas was van spizen, | Dei ons deinden tot het maal!

Bi de stad daar nam ik afschaid, | ‘k Wenste hail en beterschop; | Allen wensten mi goun raize, | En ik stapte allein fiks op

SLÖT.

’t Woord leert ons: er ziin veul woongen | In der braven Vaderland. – | Klain ken dan de schaar neit wezen, | Dei eins arft de zaalge stand.

Nee! gein leer van Dörds Sinode, | Vastgesteld veur eiw en jaar; | Zwaar belaan mit bloud en tranen, | Nee! Gods Woord blift eiwig waar.

Wat is anleg veur ontwikk’ling! | Wat is deugd – en pligtsgevoul! | Bint gein gaven van de Schepper! | En geft Hei ooit zönder doul?

’t Is ein leer van blinde haiden: | “God verdoumt en geft gena.” | Want, dan is de hoogste Leifde, | Wreider as Calligula.

Kristen! wee u, dei durft leeren | Anders as het woord van God – | I bin arger nog as tigers, \ En verdeint het zölfde lot.

Lasteraars, van uwe Schepper! | I verdraijen ’t leifde woord | En hebt mit joen snoode leugens, | Mensken hail en rust verstoord.

As ik neit zaai in de Lenten; | Ligt dan wel an God de schuld, | As miin land ligt wuist en ledig, | As elk ein ziin schuren vult?

Nee! dit is de leer des Bibels: | Dat ein ieder net zo maait – | Hier – en einmaal na dit leven; | Net zoo as hij hier ook zaait

Endling – om neit meer te rimen | Wat ik denk van Kok ziin leer? | Wel hom heuren – Wel hom lezen – | Dei niks heurt – dei heurt nog meer.

TOEGIFT

Men maakte in Dord een’ kost, | Voor ruim twee honderd jaren, | Waarvan men kon de kracht, | Tot op onze eeuw bewaren. | 

Hoe vaak ook opgestoofd, | Met look, of prei of uijen; | Behoudt hij voedzaamheid | Voor tragen en voor luijen. | 

En kan die Dordsche kost | Een ieders smaak niet streelen: | Zoo lang hij blijft bestaan | Zal hij gewis verdelen.

Trouwde Kaïn met zijn zus of met een vrouw uit de clan van Adam en Eva?

Gijsbert van den Brink schreef het boek En de aarde bracht voort. Daarin doet hij een poging om het orthodox-christelijk geloof en de gangbare evolutietheorie te laten samengaan. In hoofdstuk 7.5 van zijn boek behandelt Van den Brink het onderwerp De zondeval in een evolutionaire context (blz. 235-242). Hij is van mening dat de mensheid niet van één echtpaar kan afstammen, maar moet zijn voortkomen uit één relatief kleine populatie van zo’n 10.000-12.500 individuen in Afrika zo’n 200.000 jaar geleden, die samen de homo sapiens vormden. Pas veel later, ongeveer 45.000 jaar geleden, vindt er een plotselinge explosieve toename plaats van menselijke creativiteit en van religieus bewustzijn plaats. Het is niet vreemd of strijdig met de Bijbel, aldus Van den Brink, om te veronderstellen dat deze ‘culturele oerknal’ (blz. 236) ontstaan is doordat “God één van de vele geëvolueerde hominiden verkoos, deze de cognitieve sprong naar het echte mens-zijn liet maken en [hem] met zijn beeld toerustte” (blz. 238), waardoor hij een hoog genoeg ontwikkeld bewustzijnsniveau verkreeg om besef te hebben van transcedentie, van het bestaan van God en van wat goed en kwaad is. Daarbij staan Adam en Eva voor de eerste groep mensen die door hun Schepper persoonlijk werden aangesproken. Dat past bij het beeld dat bv. Paulus geeft van Adam en Eva als verbondshoofden en representanten van de mensheid. Dat geldt niet alleen voor hun nakomelingen, maar ook voor hun tijdgenoten, aldus Van den Brink.

In zijn samenvattende slothoofdstuk 10 Terugblik en vooruitblik brengt Van den Brink het op blz. 330 als volgt onder woorden: we moeten Adam en Eva “niet beschouwen als de enige toenmalige mensen. Ze kunnen beter gezien worden als de leiders -of vanuit theologisch perspectief: de verbondshoofden- van de eerste groep mensen die, vermoedelijk door een exponentiële verruiming van hun bewustzijn (een ‘cognitieve explosie’), de mogelijkheid ontving om een bewuste relatie met God aan te gaan.”

In noot 87 op blz. 237 schrijft Van de Brink vervolgens: “Natuurlijk strookt dit ook met vermeldingen uit Gen. 2-4 waaruit blijkt dat er meer mensen bestonden dan alleen Adam en Eva, zoals Kaïns vrouw (Gen. 4:17) en allen voor wie Kaïn bang was (Gen. 4:14), plus degenen voor wie hij een stad bouwde (Gen. 4:17).”

De suggestie dat deze bijbelse gegevens aanvullend bewijs zouden kunnen zijn voor de bewering dat Adam en Eva het aanspreekpunt waren voor een groep hominiden die God heeft uitgekozen om mens te worden naar zijn beeld, zijn naar mijn mening nogal zwak. Genesis 1-3 gaat er namelijk van uit, dat Adam en Eva als mensenpaar geschapen zijn. Pas na de zondeval in Genesis 3 krijgen Adam en Eva kinderen. Dat alle mensen op deze wereld uit dit echtpaar voortgekomen zijn, is vanuit vier gezichtspunten aannemelijk te maken.

1/ De biologie

Vanuit de biologie, en dan met name de biogeografie is aangetoond dat uit twee exemplaren die door omstandigheden geïsoleerd geraakt zijn, een complete levensvatbare populatie met uiteindelijk genoeg genetische variatie kan ontstaan, zodat het bezwaar van inteelt ondervangen wordt. In zijn boek Het lied van de dodo (Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1998) geeft David Quammen hiervan enkele voorbeelden.

Zowel de schepping van één mensenpaar als het feit dat Kaïn na de moord op zijn broer Abel samen met één van zijn zussen gevlucht is en zich elders heeft gevestigd, is dus een even aannemelijke mogelijkheid.

2/ De archeologie

Vanuit de archeologie en ook vanuit de taalwetenschap is aangetoond dat de term ‘stad’ niet in de eerste plaats duidt op een plek waar duizenden mensen tegelijk wonen, maar eerder op een vaste, omheinde, min of meer veilige plaats waar een aantal mensen zich blijvend gevestigd hebben. Dit in tegenstelling tot een dorp, zoals bv. uit Leviticus 25:31 duidelijk wordt. In zijn boek De Israëlitische stad (Uitgeverij Kok, Kampen, 1984) geeft C.H.J. de Geus aan, dat er in het Midden-Oosten in de vier millennia voor de christelijke jaartelling vooral sprake was van ‘kleinschalig urbanisme’ en dat ook agrarische nederzettingen met een wachttoren aangeduid werden als een stad (vgl. 2 Kon. 17:9) – zie ook R. De Vaux, Hoe het oude Israel leefde II, Uitgeverij J.J. Romen & Zonen, Roermond/Maaseik, 1961).

3/ De theologie

Vanuit de theologie kan ook nog worden aangedragen dat de toezegging van onsterfelijkheid die God aan de niet-gevallen mensheid heeft gedaan, ook voor de lichamelijke, natuurlijke dood gold. Pas wanneer de mens zou zondigen door van de vruchten van de boom van de kennis van goed en kwaad te eten, zou hij op die dag ‘voorzeker’ (NV’51) / ‘onherroepelijk’ (NBV) sterven (Gen. 2:17). Toch gebeurde dat niet en werden de eerste generaties mensen ongeveer 10x zou oud als tegenwoordig. Dat kan uitgelegd worden als een stuk genade van God, die als gevolg van de ongehoorzaamheid van de eerste mensen niet meteen zijn hele schepping laat vallen, en dus ook niet Adam en Eva niet meteen dood neer laat vallen. Hetzelfde geldt voor het feit dat Kaïn met zijn zus kon trouwen: de genetische degeneratie, waardoor er verhoogde risico’s op inteelt ontstaan, en die er mede de oorzaak van is dat een huwelijk tussen nabije bloedverwanten als on-etisch beschouwd wordt, was toen nog niet van toepassing. Peter Scheele schreef hierover het volgende boek: Degeneratie – het einde van de evolutietheorie, Uitgever Buijten en Schipperheijn, Amsterdam, 1997.

4/ De wiskunde

Tenslotte kan vanuit de wiskunde aangetoond worden dat een populatie zich binnen een korte periode explosief kan vermenigvuldigen. Volgens een betrouwbare berekening kom je dan tot de volgende aantallen:

In het jaar 130 na de zondeval 340 mensen (Kaïn slaat Abel dood – Gen. 4:8 i.c.m. Gen. 4:25)

In het jaar 250 jaar na de zondeval 27.023 mensen (‘In die tijd begon men de naam van de HERE aan te roepen’ – Gen. 4:26)

In het jaar 500 jaar na de zondeval 246.459.607 (korte tijd voor de geboorte van Henoch)

Daarbij ga ik uit van de volgende parameters:

  • 30 jaar = eerste kind (zie Gen. 11:14,18,22)
  • gemiddeld aantal kinderen = 30 per vrouw
  • gemiddeld 50% jongen/ 50% meisje
  • interval: één kind per vijf jaar (ervan uitgaande dat een vrouw weer vruchtbaar was nadat het kind van de borst af was – Gen. 21:8)
  • geen ingewikkelde complicaties meenemen zoals tweelingen / één man + twee vrouwen zoals Lamech / vroegtijdig overlijden of heengaan zoals Abel of Henoch (1 kind per 5 jaar is een ruime marge)
  • kruiselings in de stamboom kunnen een man en vrouw ook kinderen krijgen (vroege 4e generatie-man trouwt met late 3e generatie-vrouw)
  • gemiddelde leeftijd in de generaties tot de zondvloed 900, dus tot 500 jaar na de zondeval is het aantal sterfgevallen niet noemenswaardig van invloed

Samenvattend: Gijsbert van den Brink kan zich voorstellen dat Adam en Eva de stamleiders waren van een groep hominiden aan wie God collectief het vermogen gaf om in een bewuste wederkerige relatie met Hem te leven (blz. 237). Of dit werkelijk een aannemelijke hypothese is op grond van de gegevens die de wetenschap ons aanreikt, blijft voor mij een open vraag. Maar het gaat mij beslist te ver om als aanvullend argument te stellen, dat deze hypothese “natuurlijk strookt” met de gegevens uit Genesis 4, waarin ook meer mensen voorkomen dan Adam, Eva en hun twee zonen Kaïn en Abel.

Dit artikel is een essay dat geschreven is n.a.v. het boek van Gijsbert van den Brink als opdracht in het kader van de PEP (Permanente Educatie Predikanten). De wiskundige berekening is van de hand van dhr. G.J. Leeftink, derdejaars student AM -Advanced Mathematics- aan de Universiteit Twente.

Groningers in 1834 over Hendrik de Cock en de Afscheiding (deel 1 – Grunneger Roeker)

Op 1 december 2017 was ik in Kampen aanwezig bij de promotie van dr. Jan-Henk Soepenberg. Hij promoveerde die dag met het proefschrift ‘Op ongebaande wegen’ – een studie over ‘De Afscheiding in Amsterdam (1835) als landelijke proeftuin voor vrije kerken’. Tijdens de plechtigheid stelden verschillende opponenten kritische vragen aan de promovendus. Daarin kwam onder meer het beeld naar voren, dat ‘hervormden’ en ‘afgescheidenen’  elkaar soms behoorlijk wisten uit te schelden.

Grunneger RoekerDat herinnerde mij aan twee brochures uit 1834 waarin in het Gronings gereageerd wordt op de Afscheiding in Ulrum die in dat jaar plaats vond onder leiding van Hendrik de Cock. Ik heb die brochures ergens eind jaren ’80 / begin jaren ’90 in het archief van de ‘andere’ Theologische Universiteit aan de Oudestraat gevonden en laten kopiëren. Het is misschien wel aardig om te vertellen hoe dat ging. Ik zat wat te bladeren in de brochure ‘De dogmatische beteekenis der “Afscheiding” ook voor onzen tijd’ van dr. K. Schilder, een ‘uitgave van J.H. Kok N.V. te Kampen in het eeuwjaar der Afscheiding 1834’. Daarin wees Schilder erop, dat er in de tijd van de Afscheiding tientallen brochures verschenen zijn van voorstanders, tegenstanders en buitenstaanders zijn verschenen (blz. 20). Meer dan dertig ervan noemt Schilder dan met vindplaats in noot 98 (van blz. 52 t/m blz. 57!). Toen ik daar eens wat in zat te struinen, zag ik opeens, dat Schilder niet alleen een Groningse brochure noemde, maar van deze “Grunneger Roeker” zelfs bijna één hele pagina aanhaalde. Blijkbaar vond de grote K.S. het bijzonder komisch dat de kerkstrijd rond de Afscheiding zelfs in het Groningse dialekt werd uitgevochten! Mijn interesse was direkt gewekt, dus ik heb eerst tevergeefs in de vrijgemaakte bibliotheek aan de Broederweg en daarna met sukses in de synodale bibliotheek aan de Oudestraat deze brochure opgeduikeld. Maar dat was nog niet alles! Die “Grunneger Roeker” zat in een samengevat bundeltje met nóg twee Groningse brochures uit 1834. De eerste heette “IJn gesprek tusschen Pijteroom Oetverkoren en Paul, op ijne avond verziete, over het riek der waarhaid. (op riem.) deur Paul zölf beschreven.” En daarna volgde nog “Jaapks Raize naa domenei Kok. Op ein einvaudige wize deur hom zölf beschreven. (op riim).”
De ‘Grunneger Roeker’ is het kortst (8 pagina’s), het meest recht voor z’n raap en bevat ook het beste Gronings. ‘Pijteroom Oetverkoren’ is behoorlijk langdradig (28 pagina’s) en gaat niet over de Afscheiding maar, zoals de titel al verraadt, over de uitverkiezing. ‘Jaapks Raize’ gaat wel weer over de ‘Cockse twisten’, maar is ook wat aan de lange kant (15 pagina’s). Benieuwd naar de inhoud van die twee vlugschriften? Hier komt de ‘Grunneger Roeker’. Binnenkort volgt ‘Jaapks Raize’.

De ondertitel van deze brochure (‘Ook al over de Kockerij op de Groote Hofstede van Peiter’) verwijst, zoals ook K. Schilder op blz. 55 zegt, naar Petrus Hofstede de Groot, in die tijd professor theologie in Groningen en naar Hendrik de Cock, die in het gedicht ook een paar keer ‘de Haan’ genoemd wordt.

Op de binnenkant van de titelpagina staat een stichtelijke, of beter gezegd, een wat spottende bijbeltekst, nl: Ick sal dreck op uwe aengesichten stroyen. MAL. II. 3b.

En daarna start de anonieme schrijver zijn vijf pagina’s lange betoog!

( 3 ) VERMANING AN DE LEERAARS VAN DE REGFERMEIRDE KERKE.

Leive mensken! “wat viktorie!” | Ropt de Duvel nou in glorie, | Nou er zoveel leipe kwanten | Met zoo veule DÖRDSE Santen | Striiden over ’t waar geloof, | Schreiven mensk en beisten doof.

Wat bedut dat tiren, razen? | ’t Strekt tot spot van spottersbazen: | Ook dat zeut Perfessers flaiten, | Nog te duur veur olle daiten. | ’t Hekelriim, dat teunt genoug, | Hou men spot in stad en loug.

( 4 ) Wil men kristen-vrijhaid preken; | Laat men dan as mannen spreken, | Rond en flink en zönder flaijen | Zönder boegen, vringen, draijen; | “Förmeleiren! weg d’er met! | ’t Bibelwoord! allein de Wet!”

Das het wark van brave luden. | Mou’k dat wiizen nog beduden? | Leeraars! Leeraars! laat jou raden; | Holt jou an de Bibelbladen! | En holt met het plooijen op! | Of getroost jou schop op schop.

( 5 ) GROOT MIRAKEL. |DOL SPEKTAKEL.

Tot veurdeil van de Zundagschoulen, | Kiik het volk bij heile boulen!

Holla! wönder boven wönder! | Sla de blixem veur de dönder! | Jonge! en maak mij wat roem baan! | Ans mou’k van benauwdhaid stikken, | En verdold in ’t ronde flikken: | PEITER krait, nou krit DE HAAN!

Ons Perfessertien gong denken | (Zolt ziin harsenties ook krenken?) | Veir gedachten achter ein. | Kanst ze op veirtig ziidties lezen. | Vast wordt nou DE HAAN genezen: | PEITER snidt hom van de stein.

I “Bist de grootste gek der gekken, | (Heurst mij? HAAN!) en al diin bekken | Teunt, dou kenst de Geist nog neit. \ “Altiid mouten wie jae vedder, | ’t Schaap neit slegs, maar ook ziin Hedder. | II Zweur hij ans; das nix,” zegt PEIT. | ( 6 ) “Eiden mag men soms wel breken. | III En heufst na diin eid neit preken, | Ast hom deest an Kerkeleer. | IV Maar zoo is bij ons nooit zworen; | Schoon daar as Sunt Martens toren | ’t Förmeleir stait, Dört ter eer.”

Zoo kan PEITER disserteiren! | En de schuld glad weg pergeiren, | Dei DE HAAN op Leeraars smeet. | BRAUWER en REDDINGIES zamen | Smaakt het preuvien, zeggen: “Amen.” | En DE HAAN, dei löst een sch..t.

( 7 ) EN PRATIEN OVER ‘T STOKKIEN. | Hest ’t heurt; neem dan en klokkien.

(DERK en EVERT staan te praten | ’t Schimpen keunen bai neit laten.)

EVERT.

Hest het boukien lezen? | Waarin wordt bewezen, | Dat en Predekant, | Het hij zok verkeken; | Driest ziin eid mag breken | Zunder schade of schand.

Waarin daarbeneven | Ook nog stait beschreven | ’t Förmeleir van DÖRT, | Dat al de olle Doomnijs | Teikenden, as Oom eis, | Na ’t examen vort:

Waarbij dat ze zweuren | Nooit gien taal te veuren | Tegen DÖRDREGS leer! | In dat zulfde boukien | Stait (knap ’t as en koukien, | Walgt dij ’t neit te zeer.)

Denk reis an! met wanten! | Dat de Predekanten | Nooit in onze Kerk | ( 8 ) Zok an leer verbönden, | Deur de mensk oetvönden! | Hou liikt dij dat? DERK!

DERK.

Wip de Vent in ’t kakhoes | Met ziin vrome bakhoes, | Dei het volk beschit. | Laat hom spottrend spartlen; | En schreivt hij: +”das martlen!” | Vraag: wat HAAN al lidt.

Wil hij ’t volk beschiiten; | Laat dan hom ook kriiten | Midden in de stront. | Ropt hij: ” ‘k wil ’t neit weer doun!” | Help dan, zunder zeer doun. | Zoo maakst ’t nix te bont.

Wist dij neit de Classis, | Dat dit krek van pas is? | Hol dij driest daar an: | ’t Bin jae vrome Heeren, | Dei ons zuver leeren, | Hou het mout en kan.

Mout zij suspendeiren, | Dei neit om wil keiren, | Wat hom waarhaid is; | Wel zol ’t dan bekiiven, | Datst en zwiin latst driiven | In ziin drek en pis?

Niedrig und bescheiden – net als Jezus Zelf

– op bezoek bij de Evangelisch Reformierte Kirche in Neuhofen a/d Krems –

know-jesus-t-shirt-c28-1.pngOok in Oostenrijk en Zwitserland bestaan een aantal kleine gereformeerde kerken. Afgelopen maand, op zondag 19 november, bezocht ik in mijn vrije weekend de Evangelisch-Reformierte Kirche in Neuhofen. ‘s Morgens mocht ik er preken en ‘s avonds was ik aanwezig in de avonddienst waar verder over de preek doorgesproken werd. De preek ging over Micha 5:1-5 met als thema in het Engels: (K)NO(W) JESUS, (K)NO(W) PEACE. In het Duits kwamen zeven punten aan de orde, nl. Jezus onze Heer a) is nederig en bescheiden; b) regeert; c) is een Redder die bevrijdt; d) is eeuwig; e) vervult al Gods beloften; f) is een Herder; g) IS onze vrede.

De preek werd erg goed ontvangen. Dat kwam, merkte ik, omdat onze Geschwister in Neuhofen veel meer dan hier in Nederland ervan doordrongen zijn dat we pas echt Neuhofen - kerkgebouw deurvrede met God kunnen hebben dankzij Jezus Christus. Bij hen leeft echt het diepe besef van ‘Ohne Jesus kein Friede – Kenne Jesus, dann kennst du Frieden’. Eén van de gemeenteleden vertelde dat in haar nabije omgeving veel geliefden een algemeen geloof in God hebben, maar niet die persoonlijke band met Christus kennen. Daarom geloven ze oppervlakkig of zijn ze diep van binnen onzeker. In beide gevallen vermijden ze vaak elk inhoudelijk gesprek over het geloof.

’s Avonds bespraken we de preek in de Abendgottesdienst. Eén van de gemeenteleden zei: “Als je naar het bestaan van onze gemeente kijkt zijn wij net als onze Heiland: niedrig und bescheiden.” Dat kenmerkt de Evangelisch-Reformierte Kirche in Neuhofen. We bespraken ook een paar andere vragen, o.a. of ziekte uit Gods hand komt of niet. Die vraag houdt de gemeente bezig nu een broeder opnieuw vier chemokuren moet ondergaan incl. een beenmerg- / stamceltransplantatie.

Neuhofen 2017-11Op de foto na afloop van de morgendienst staan drie nieuwe gezichten. Joseph, een goede bekende van één van de gemeenteleden, kwam voor de eerste keer in de kerkdienst. Adam & Laura komen uit Hongarije en bezoeken sinds hun trouwen bijna elke zondagmorgen de kerkdienst. Ze zijn door hun plaatselijke Hongaarse predikant naar de ERKWB verwezen. Verder bezoekt Karl, een man van rond de 50, sinds een aantal maanden ’s avonds de kerkdienst. Dat zijn dus vier nieuwe gezichten! Op zo’n kleine gemeente van nog geen 25 leden (waaronder één familie met 8 kinderen die op 150 km. afstand woont en dus niet zo vaak de kerkdiensten kan bezoeken) is dat een groot getal. Dat heeft mij echt bemoedigd – God is goed!

Mijn wens is, dat we vanuit Nederland onze medegelovigen in Oostenrijk en Zwitserland niet vergeten, maar hen blijven bezoeken, voor ze blijven bidden en hen blijven ondersteunen. Waarom? Omdat we samen de vrede kennen waar de engelen op de geboortedag van Jezus van zongen: de vrede van God en de vrede met God dankzij Christus die Zelf onze vrede is.

 

ssro-logoDe SSRO (Stichting Steun Reformatie Oostenrijk) ondersteunt een aantal kleine gereformeerde kerken in Oostenrijk en Zwitserland. In Neuhofen a/d Krems, Rankweil, Wenen, Basel en Winterthur organiseren broeders en zusters activiteiten zoals bijbelcursussen, internetuitzendingen, vrouwenkringen, kinderclubs en kerstmarktstands. Zo brengt men het evangelie verder in een sterk geseculariseerde omgeving. In de afgelopen jaren mochten de meeste gemeenten nieuwe leden verwelkomen. Het bestuur van de SSRO is afkomstig uit de CGK, de GKV en de PKN (Geref. Bond). Kijk voor meer informatie op: http://www.ssro.nl of www.reformiert.at. Volg de SSRO op Facebook (SSRO.NL) of op Twitter (SSROnl). Giften zijn erg welkom op NL27 INGB 0000 0656 88 t.n.v. SSRO – Hasselt. Wilt u er deze keer bijzetten: ‘Kerstgift 2017’?

 

Met elkaar in gesprek over de vrouw in het ambt binnen de GKV

In juni 2017 namen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) het besluit om alle ambten open te stellen voor vrouwen. De plaatselijke kerken mogen zelf beslissen of ze dit wel of niet willen doen. Er is ook een deputaatschap Man/Vrouw in de kerk enoemd om de kerken te begeleiden in dit proces. Deze deputaten hebben een algemene handreiking opgesteld voor kerkenraden. Helaas is er verder nog weinig materiaal beschikbaar voor een goede bespreking op de kerkenraad en in de gemeente. Daarom wil ik hier graag het materiaal beschikbaar stellen dat we in GKV ‘Het Noorderlicht’ hebben opgesteld.

Wat hebben we gedaan? Eerst hebben we een gezamenlijke avond belegd voor alle ambtdagers. Daarin hebben we met elkaar gedeeld hoe iedereen persoonlijk over de synodebesluiten denkt. Daarna hebben we op ongeveer dezelfde manier aan alle gemeenteleden gevraagd hoe iedereen over vrouwen in de ambten denkt. Bij ons deden we dat vanwege de grootte van de gemeente in de kringen. Als voorstudie hebben alle ambtsdragers en alle gemeenteleden de synodebesluiten en twee artikelen ( voor en tegen) ontvangen. Ook hebben op twee achtereenvolgende zondagen twee verschillende gastpredikanten over het thema Man/Vrouw en Ambt gepreekt. We sluiten binnenkort af met een gemeente-avond en daarna zal de kerkenraad met de diakenen besluiten of en zo ja hoe we overgaan tot het openstellen van één of meer ambten voor vrouwen die belijdend lid van onze gemeente zijn.

Hieronder volgt een werkvorm voor het onderling gesprek. Het is geen handleiding voor de manier waarop de kerkenraad, al dan niet met de diaken, en al dan niet na de gemeente gehoord te hebben of zelfs mee heeft laten stemmen.

Opzet voor een KRINGAVOND over ‘VROUWEN in de AMBTEN’

Op deze manier hebben we in onze gemeente de kringavonden ingevuld. Ook de avond met de ambtsdragers zag er ongeveer zo uit. Iedere kring heeft het op z’n eigen manier ingevuld. Eén kring heeft bv. via YouTube de informatieve documentaire man vrouw in de kerk (met veel verschillende bekende en minder bekende GKV-ers, onder wie één zuster uit Assen-Peelo) bekeken.

Opening

Lees een passend bijbelgedeelte, bv. 1 Tessalonicenzen 5:12-28. Bid om de wijsheid van de Heilige Geest voor een goede avond. Zing eventueel een passend lied.

Ronde 1:   Hoe denk jij zelf over vrouwelijke ambtsdragers?

Ga in tweetallen met elkaar in gesprek. De één geeft haar/zijn mening. De ander luistert en stelt evt. vragen. Na drie minuten maak  je andere tweetallen. Nu geeft degene die in de vorige ronde geluisterd heeft, haar/zijn mening. Herhaal dit een aantal keren.

Ronde 2:   de Bijbel open

Op het A4-papier waarvan er meerdere uitgedeeld worden, staan een aantal uitgeschreven Bijbelteksten. Bespreek met de hele groep (of in twee kleinere groepen) waarom sommige bijbelteksten veel meer aandacht gekregen hebben dan andere. Hoe denk je dat dit zo gekomen is?

Ronde 3:   Elf vragen en twee dobbelstenen

Op het A4-papier staan elf stellingen. Gooi met twee dobbelstenen, tel de cijfers bij elkaar op en lees hardop de vraag voor die bij dat nummer hoort. Is het een even vraag, dan mag je ‘m zelf beantwoorden. Is het een oneven vraag, dan mag je iemand anders aanwijzen om de vraag te beantwoorden. Als een bepaald cijfer vaker gegooid wordt, kun je ook een andere vraag nemen die nog niet aan bod geweest is (even blijf even, oneven blijft oneven). Zorg ook dat iedereen een keer aan de beurt komt.

Ronde 4:   Naar de kern van de zaak

Zet op een flip-over of op een groot vel papier een kruis in het midden met daar een aantal cirkels omheen. Het kruis staat voor onze Heer Jezus Christus. Hij vormt de kern van ons geloof. Al het andere vloeit daaruit voort en hangt daarmee samen. Geef aan elke aanwezige vijf verschillende gekleurde of genummerde post-its. Elke kleur / elk nummer staan voor een onderwerp. Hoe belangrijk vind jij die? Plak ze in de cirkels. Hoe dichter bij het kruis, hoe belangrijker dit onderwerp voor jou is. Ga daarna met elkaar in gesprek over de keuzes die iedereen gemaakt heeft.

Kleur/nummer A:                Avondmaal vieren na belijdenis

Kleur/nummer B:                Doop als eenmalig teken van Gods verbond

Kleur/nummer C:                Psalmen of Opwekkingsliederen in de kerkdienst

Kleur/nummer D:                Twee kerkdiensten op zondag

Kleur/nummer E:                Vrouwen in het ambt

 

Ronde 5:   Turven

Elke gemeente moet een keus maken. Wat vind iedereen? Per onderdeel geeft iedereen haar/zijn mening (WEL / NIET). Eventueel kan de uitkomst genoteerd worden als dat voor het vervolg belangrijk is.

1/    Ik vind dat in onze gemeente vrouwen WEL / NIET diaken kunnen zijn.

2/    Ik vind dat in onze gemeente vrouwen WEL / NIET ouderling kunnen zijn.

3/    Ik vind dat in onze gemeente vrouwelijke dominees WEL / NIET mogen preken.

4/    Als meer 25% van onze gemeente moeite heeft met vrouwelijke ambtsdragers, moeten we het WEL / NIET invoeren.

5/ Andere kerken en bezwaarde broeders en zusters in het land roepen alle kerken op om pas in 2020 een besluit te nemen, nadat de volgende synode alle bezwaren behandeld heeft. Ik vind dit WEL / NIET een verstandig idee

6/    Welk besluit de kerkenraad met de diakenen uiteindelijk ook neemt, ik kan er WEL / NIET mee leven.

Misschien is het verstandig vraag 6) uit te splitsen om duidelijk te krijgen met welk besluit men niet kan leven. Nu kunnen zowel leden die echt TEGEN de vrouw in het ambt zijn als leden die echt VOOR de vrouw in het ambt zijn deze vraag met NIET beantwoorden. Ook zou nog een tweede, verdiepende vraag gesteld kunnen worden, nl.: welke consequenties denken degenen die NIET met een bepaald kerkenraadsbesluit kunnen leven, te gaan trekken?
Sluiting

Hou een korte rondvraag, zing evt. nog een passend lied en sluit af met gebed.

Als je deze werkvormen gebruiken wil: ga je gang! Voel je vrij om ze aan te passen of te veranderen. Belangrijk is, dat het gesprek in iedere gemeente op een positieve, fijngevoelige manier gevoerd wordt.

Mijn God geneest – ook door middel van ‘betekenisvol oplappen’

Meer dan 100 belangstellenden kwamen op 10 november 2017 naar Amsterdam voor een studiedag met als titel “Mijn God geneest”. Ik ben blij dat ik er bij was. De sprekers (Miranda Klaver, Gerrit Vreugdenhil, Hans Burger, Stefan Paas, Margriet van der Kooi en Cees van der Kooi) benaderden het thema ‘gebedsgenezing’ allemaal vanuit hun eigen invalshoek. Toch leverde dat niet veel verschil van mening op. In de beide doorpraatrondes (2x twee groepen van 50) kwam het tot wat meer diskussie.

Waar kwam die grote mate van eenheid vandaan? Ik denk door een gezonde kijk op de Bijbel. Namelijk: er is géén streeptheologie, maar er is al helemaal geen belofte dat Jezus Christus net als gisteren ook vandaag dezelfde is in de manier waarop Hij nog steeds mensen lichamelijk bij bosjes geneest – via speciale bedieningen en zalvingen en genezingsdiensten of via het gebedspastoraat in de plaatselijke gemeente.

Mooi vond ik ook, dat bijna algemeen werd erkend, dat de traditionele kerken de kracht van het gebed, de persoonlijke voorbede en de ziekenzalving teveel hebben laten liggen, zodat allerhande vrije groeperingen, vooral afkomstig uit Amerika, met veel bombarie in de naam van Jezus genezing komen brengen. Osborne, Zijlstra, Wimber, Clarcke – ze claimen vaak doorslaande successen, maar echt bewijs wordt zelden geleverd. Alleen het woord d’oorslaand’ is terecht, vaak als onbetaalde rekening van de traditionele kerken dus. Gelukkig lijkt het erop dat binnen de protestantse en gereformeerde kerken op dit punt de balans weer wat gevonden wordt – al is er binnen onze eigen GKV volgens mij nog steeds wel een inhaalslag te maken. Niet qua openheid, maar wel het om de plek van persoonlijke voorbede in de plaatselijke gemeente gaat.

Wat is mij opgevallen in de lezingen van deze studiedag? Afgezien van de plaats (te krappe zaal, teveel verplaatsingen, haperende catering – qua logistiek waren de beide studiedagen over ‘Schepping of Evolutie’ in Nijkerk en Kampen echt beter voor elkaar) vier dingen.

1/ Ongezond gefocust op gezondheid

De aandacht voor lichamelijke genezing is goed te verklaren vanuit de huidige Westerse tijdgeest. Daarin staat gezondheid bovenaan en kan men niet meer omgaan met persoonlijk lijden. Dus wordt alles op alles gezet om ziekte en handicap uit te bannen. Ook veel christenen krijgen hier een tik van mee. En als de reguliere medische wetenschap niets meer voor je kan doen, zoek je het als christen, net als veel andere mensen, in het alternatieve circuit. Alleen dan niet bij Jomanda en andere kwakzalvers, maar je wend je rechtstreeks tot God. Als zijn middelen niet werken, kan Hij het immers ook via een wonderbaarlijke genezing (‘on-middellijk’) doen?

Ik ben blij met deze insteek. Het geeft mij antwoord op een vraag die ik al langere tijd had. Namelijk: waarom is er juist in onze tijd zoveel belangstelling voor gebedsgenezing? Ik vond dat altijd een beetje raar. Want tot pakweg 1900 stierven de mensen bij bosjes aan allerlei onnozele ziektes en aan zo ongeveer alle vormen van kanker. Maar nooit lees je over massale gebedsgenezingsdiensten. Men kon dus blijkbaar beter omgaan met ziekte, handicap en dood. Sinds een jaar of 100 geneest en bewaart God de mensen juist bij bosjes van en voor allerlei ziekten. Maar we kunnen ook totaal niet meer met ziekte, handicap en dood omgaan.

2/ Genezingswonderen zijn missionair bedoeld

Zowel in het Nieuwe Testament als in de verhalen uit de kerkgeschiedenis krijg je sterk de indruk, dat genezingswonderen vooral bedoeld zijn om de waarheidsclaim van het Evangelie te onderstrepen: Jezus is echt de Zoon van God en de beloofde Messias die komen zou. Oftewel: wonderen hebben een missionair karakter. Je ziet het vandaag bij bv. moslims, maar ook in animistisch Afrika en in hindoeïstisch India. Op de studiedag werd het voorbeeld genoemd van iemand (moslim, hindoe of animist, het doet er niet toe) die blind door een ongeluk blind geworden was en die ergens vaag van Jezus gehoord had. Hij bad tot Jezus om genezing, kreeg op dat moment het licht in zijn ogen weer terug, kwam tot geloof, ging daarna op zoek naar andere christenen en is nu aangesloten bij een christelijke gemeente.

Voor mij was dit weer een eye-opener J. Wat betekent dit punt voor al die aandacht voor gebedsgenezing onder volwassen christenen in de westerse samenleving? Daar kun je twee kanten mee op: óf onze samenleving is weer zendingsgebied geworden; óf veel christenen zijn nog kinderen in het geloof. Hoewel ik het eerste onderschrijf, denk ik bij dat bij dit onderwerp het laatste het geval is. Want als die nieuwe gelovige die eerst blind was en nu weer kan zien, opnieuw een ernstig ongeval zou krijgen waardoor hij plotseling 100% doof zou worden, zou hij niet als eerste aan God vragen of hij zijn gehoor weer terug zou krijgen, vermoed ik. Want een volwassen christen weet, dat de belangrijkste vraag in dit leven niet is: ‘Hoe word ik beter?’, maar: ‘Hoe krijg en hou ik een gezonde relatie met God?’ Een mooi voorbeeld daarvan las ik in het volgende waar gebeurde verhaal van de mijnwerker met een dwarslaesie.

3/ Te veel aandacht voor het bovennatuurlijke

Wanneer groepen christenen veel nadruk leggen op het feit dat God en Jezus ook nu nog wonderbaarlijk kunnen en willen genezen, trekken ze het bovennatuurlijke leven en het alledaagse bestaan uit elkaar. Dat is een hele riskante operatie. Want daardoor wek je bij mensen de indruk, dat God en Jezus Zich in het gewone leven niet duidelijk laten zien, maar slechts op speciale momenten en door speciale emoties te ervaren zijn. Het gevolg is dat onder christenen de secularisatie en godsvervreemding toeneemt. Want als gesuggereerd wordt dat het dagelijkse leven minder met God en Jezus te maken hebben dan het bijzondere, is het risiko op teleurstellingen levensgroot, wanneer het niet lukt om God in het bovennatuurlijke te ervaren. Gevolg: je staat twee keer met lege handen. Zie dan nog maar eens je geloof te behouden!

Ook dit vond ik een verhelderend inzicht. In de Bijbel Jezus ons dat we ook in de gewone dagelijkse dingen Gods aanwezigheid mogen zien. Eén van de sprekers vertelde dat ‘ie zeer ongelukkig van de trap af gestuiterd was en dus een aantal maanden niets kon en mocht doen – behalve revalideren. Als je dan meteen het advies krijgt om naar een genezingsdienst hollen (wat natuurlijk niet gaat), mis je de liefde en de aandacht van de Heer die Hij je rechtstreeks geeft (berusting + besef van wie/wat echt belangrijk is), maar ook via andere mensen (aandacht, hulp, gebed). Als je het alleen maar van Gods bijzondere manier van spreken d.m.v. wonderen en speciale ervaringen verwacht, mis je een boel van zijn aanwezigheid in het alledaagse leven. Zoals een al weer wat gedateerd opwekkingslied (te vinden in de E&R-bundel, lied 123) het zegt:

Dit, dit is de wereld, de wereld waar ik in woon. Hier zijn de treden de zien van Gods troon. Wie hier omhoog klimt vanuit het gedruis, ontwaart de contouren van ’t vaderlijk huis.

En wat zijn die contouren dan volgens dit lied?

De daken met hun wirwar van antennes, het ronken van een vliegtuig in de nacht. ’t Reklamewoord dat telkens aan en uit flitst; ’t verkeerslicht waar ik dagelijks voor wacht. Het flatgebouw met helverlichte vensters, dat schittert als een lichtzuil in de nacht. En daaromheen, veel hoger dan de huizen, oneindigheid en verre sterrenpracht.

Ook daarin vind je, als je goed kijkt, God:

De hele wereld houdt Hij in zijn handen; Hij spreekt in stilte en in stadsgerucht van liefde en genade en erbarmen voor ieder, die in wanhoop tot Hem vlucht. 

4/ We zijn er bijna, maar nog niet helemaal

De massale gebedsgenezingen die je in het Nieuwe Testament tegenkomt staan ook in het kader van het hemelse Koninkrijk van God. Jezus laat op heel veel manieren zien hoe het eens weer worden zal. En dat laat Hij nog steeds op heel veel manieren zien. Daarom zien we in de wereld al veel sporen van dat hemelse Koninkrijk. Maar tegelijk zeggen Jezus en de apostelen dat de volle heerlijkheid nog moet aanbreken. Pas als Jezus terugkomt is alle pijn, verdriet en rouw voorbij en zullen er alleen nog maar vreugdetranen zijn. Dat moment kun je niet naar voren halen door te zeggen, dat God nu al belooft dat alle zieken in Jezus’ naam genezen zullen worden als ze maar geloven. Je kunt geen genezingen claimen. Het is, denk ik, zelfs de vraag of je ze mag verwachten. Maar als het gebeurt, mag je het wel dankbaar erkennen als een voorproefje van wat ons nog te wachten staat. Hans Burger zei het als volgt in zijn verhaal als volgt: “Daarom kun je genezingen mijns inziens typeren als ´betekenisvol oplappen´ en dat bedoel ik beslist niet denigrerend. Genezingen zijn betekenisvol. Als tekenen van de komende eeuw zijn ze een belangrijke verwijzing naar wat komt. Daarom zijn ze heel waardevol. Ze geven en versterken hoop op de genezing van heel de schepping en van heel ons lichamelijke bestaan.” (Lees hier zijn hele verhaal).

Ook dit vind ik een waardevolle benadering. Het leert mij om vandaag de dag te kunnen leven met het onvolkomene. Ook als het mijzelf of de mensen dicht om me heen overkomt. Maar dan hoef ik niet alles passief over mij heen te laten komen. Ik mag vol verwachting uitzien naar wat nog komen gaat. Dat ligt achter de horizon van dit leven. Maar ik mag God wel danken wanneer Hij mij al iets daarvan laat zien en ervaren.

11 november is de dag – Sint Maarten in Groningen

MARTIN, LIEBER HERRE!

Sint Maarten Tessel officieel (2)

Afbeelding uit het boek ‘Tessel viert Sint-Maarten’ van Marianne Witte (schrijfster) en Monica Maas (illustraties)

Op 11 november wordt in Groningen, Drente, West-Friesland, Noord-Brabant, Limburg en Belgisch-Vlaanderen het feest van Sint Maarten gevierd. Duizenden kinderen zien daar lange tijd reikhalzend naar uit. Het is, met Sinterklaas, hun mooiste feest. In optochten of alleen trekken ze er tegen het donker worden op uit, de huizen en boerderijen langs, voorzien van een lampion, een blikken bus met gaatjes, of (en dat is het oudst en het mooist) een bewerkte voederbiet, die is uitgehold en waarvan de dunne wand is bewerkt met uitsnijdingen. Binnen in brandt een kaart kaars en het effekt is prachtig. Een tweede, doch zeer belangrijk attribuut is een zakje, dat men om de hals draagt, en naarmate de toch langer duurt, wordt die zak steeds zwaarder door de milde gaven, die bij elke duur worden verstrekt: centen, stuivers, appels, peren, enz. Edoch: niets voor niets, er moet eerst worden gezongen. En dat doen ze dan, uit volle borst, zonder stemvork of blokfluit, maar met overgave:Sint Maarten - Elf november

San-Martino Liberale da Verona

De heilige Martinus.
Miniatuur van Liberale da Verona in een missaal (1420) van de Libreria Piccolo-mini te Siena.

Zo gaat dat al honderden jaren, want St. Maarten heeft het eeuwig leven. Dat geldt niet voor de inhoud van de zak, die ’s avonds laat wordt leeggestort en waarvan de inhoud correct wordt gedetermineerd.
En dat alles ter ere van St. Maarten. Wie was toch deze persoon? Eigenlijk heette hij Martinus van Tours. In 316 geboren als zoon van een Romeins magistraat, nam hij als 15-jarige knaap dienst in de Romeinse legers. Kort daarop moet het gebeurd zijn bij de poorten van Amiens, dat hij de helft van zijn lange mantel afsneed en aan een bedelaar gaf. De volgende nacht kwam Jezus hem persoonlijk daarvoor prijzen. Nadat hij gedoopt was bracht hij het na veel omzwervingen tot Bisschop van Tours (371). Hij was in de Middeleeuwen zeer populair en werd het symbool van vrijgevig-heid. In ons land is hij de patroon van de steden Groningen en Utrecht. Wie durft er nog te reppen over zuinige Groningers?

Sint Maarten 1455 Utrecht.jpg

Sint Maarten. Gepychromeerd kalkstenen beeld van een onbekende Utrechtse beeldhouwer (ca. 1455). Centraal museum Utrecht.

Hij wordt vaak afgebeeld als militair, zittend te paard, terwijl hij zijn mantel doorsnijdt en de ene helft aan een bedelaar geeft. Ook zien we hem als bisschop met een gans en een bedelaar aan zijn voeten. Zijn feestdag (11 november) viel in de tijd dat de wilde ganzen trekken. Vroeger werden op 11 november de St. Maartensganzen in de pot gestopt. Een oude Duitse canon (14e eeuw, Klooster Lambach) herinnert ons daaraan op fijnzinnige wijze en geeft ons ook een indruk van de soberheid in het Lambachs klooster:Sint Maarten - Martin LieberDe enige verwantschap met het lied-arsenaal van de tegenwoordige St. Maarten-klantjes lijkt me, dat de zak de plaats van de mond heeft ingenomen. De gans is namelijk vandaag verdwenen. Of herinnerd het volgende lied er nog aan?Sint Maarten - Kip Kap KogelDe hoge bisschopshoed en de lange slipjas zijn behouden gebleven, getuige het volgende lied:Sint Maarten - St Martinus bisschopVan de kledingstukken is het slechts een kleine stap naar de volgende: Sint Maarten - St Maarten de koeien.jpegHet feit dat St. Maarten in zijn leven veel weggaf, wordt in deze liederen op listige wijze uitgebuit: geef maar flink wat, dan kom ik ’t hele jaar niet weer: Sint Maarten - St Martinus roem van alle landenNogmaals: wie was St. Maarten? Juist, u vat het al: hij was een brave man. Hoor maar: Sint Maarten - St Maarten was een brave manNatuurlijk houdt iedereen daarvan, dus: open die zak! Het is beter te geven dan te ontvangen, zei St. Maarten, en dat had hij niet van zichzelf. Toch zijn er lieden, die zelfs op zijn verjaardag de deur stijf dichthouden. Dat gaat niet aan, als je eerst welgemeend zingt: Sint Maarten - St Maarten is jarig vandaagWanneer je dan geen respons krijgt, probeer je het nog eens, nu in ’t Gronings: Sint Maarten - Mien lutje lanteernNog niks te zien of te horen? Eén keer nog, een nieuw liedje: Sint Maarten - LampionnetjeHelaas geen geluk, geen gaven, geen zak open. Omdat drie keer scheepsrecht is, is nu bewezen dat de bewoners van dit huis geen oog en oor hebben voor het lijden der jeugdige mensheid. Voor zoiets is maar één lied, overigens niet geheel naar de geest van de goedheiligman, maar je moet ook maar zoiets meemaken: Sint Maarten - St Martinus bokkepootO zo!
Dat St. Maarten bij zulke slechte lieden in zijn opwinding wel eens letterlijk en figuurlijk zijn hoofd stoot blijkt uit het vervolg van dit lied, dat op dezelfde melodie deze ondeugende tekst krijgt:
‘Sint Martinus bokkeram, vloog op kop tegen ’t schiethuus an.
Au, au, au wat dee dat zeer, St. Martinus komt niet weer.’
Doch dit zijn uitzonderingen, vrijwel iedereen geeft. Waar je wat extra krijgt, kun je vertrouwelijk worden:Sint Maarten - St Martinus tuutjeAGerrit Jan Leeftinkl deze liederen leven gelukkig echt. Ik heb ze op onze stoep meermalen horen zingen. Ook in de school kom je ze tegen. Er zal wel van streek tot streek verschil zijn, maar dit onderwerp biedt ook in de klas grote mogelijkheden op 11 november. Of je wilt of niet, op de middag van die dag kun je in de klas ook slecht iets anders doen dan bieten snijden en zingen: St. Maarten was een brave man!

Gerrit Leeftink (* 30-04-1937  † 28-04-1994)
Oldehove (Gr.), aug. ‘76

Verschenen in ‘De Pyramide’- Tijdschrift voor muzikale opvoeding / Orgaam van de Gehrelsvereniging, Dertigste jaargang nummer 6, oktober 1976

Het isolement en de eigen kracht

Geloven in een geïndividualiseerde samenleving – als christen en als kerk.

In Assen bestaat het zogenaamde ‘Pastoresconvent’. Daarin komen zo’n 4 à 5 keer per jaar alle voorgangers en geestelijk verzorgers van de zeer diverse christelijke geloofsgemeenschappen bij elkaar. Ik vind die ontmoetingen altijd erg waardevol. Tegelijk stelt het mij voor de vraag: wat verbindt ons aan elkaar als voorgangers? Is dat alleen ons werkterrein – dus de imam en de rabbi en de humanistische raadsheer/vrouw zijn ook welkom? Of hebben we meer gemeenschappelijk? Het geloof in de God van de Bijbel of in Jezus als Heer of de christelijke traditie? En hoe sterk benadruk je dat dan? Ja, mag dat überhaupt wel? Of ben je dan op voorhand al te exclusief bezig? Ik vind dit een spannend onderwerp. Voor alle christenen en kerken in onze samenleving. Hoe stel je je als persoon en als gemeenschap tegenover de maatschappij en de mensen om je heen? Daarin zie je heel verschillende strategieën.

Exclusief kerk-zijn

Als Gereformeerde Kerken met de zelfgekozen bijnaam ‘vrijgemaakt’ (vandaar de afkorting GKV) en de spotnaam ‘artikeltjes’ hebben we in de eerste pak ‘m beet 50 jaar van ons bestaan (1944 – half jaren ’90) gekozen voor de exclusiviteit. Heel lang hanteerden we een bekende uitspraak van Groen van Prinsterer als een soort geuzen-slogan: In het isolement ligt onze kracht. Inmiddels zijn we er als vrijgemaakte isolement groengereformeerden toch wel achter gekomen dat er een behoorlijk groot verschil is tussen een zelfgekozen isolement of een isolement waarin je door de buitenwacht gedrongen wordt. En we zijn er ook stukje bij beetje achter gekomen dat je je kracht niet moet zoeken in het je afzetten tegen de grote boze wereld (vooral in de andere kerken waar alles zo slecht en verderfelijk en zorgelijk is), maar dat je je kracht moet zoeken in je eigen overtuiging. Oftewel: niet het negatieve bij de ander bindt een kerkelijke gemeenschap samen, maar je kunt pas iets uitstralen als je de positieve verbindende elementen bij jezelf weet te benoemen.

Dat laatste heeft iets heel postmoderns: ga uit van je eigen kracht. Maar tegelijk is het ook iets heel bijbels-christelijk: ga uit van de eigen kracht van het Evangelie van Jezus Christus. Zonder te veroordelen. Maar wel door duidelijk te zijn over je missie en je kernwaarden. En dus ook over de grenzen van je identiteit.

Spannend

Op dit punt ervaar ik een spanningsveld, zowel in mijn christen-zijn als in hoe we samen kerk willen zijn. Hoe handhaaf je als persoon je christelijke principes en hoe behoud je als kerkelijke gemeente je bijbelgetrouwe identiteit in een geïndividualiseerde samenleving? Iedereen mag immers autonoom zelf de belangrijkste keuzes van het leven maken. Of het echt autonoom is, kun je je afvragen, maar de tendens is toch nog steeds: ‘Elke keus is goed als je die maar bewust maakt.’ En meteen daar achteraan zit de tendens: ‘Dus waag het niet om een ander om zijn of haar keus te veroordelen’. Zelfs als je als christen je eigen standpunt in het publieke domein van media of politiek neerzet, word je al van onverdraagzaamheid beschuldigd door met name de wat hoger geschoolde elite. Een aantal jaren noemde Kluun dat in zijn boekje God is gek “de dictatuur van het atheïsme”. Hij vond dat de zendingsdrang van het atheïsme in de media te vergelijken met een intellectuele kruistocht tegen christenen.

Wat zet je daar tegenover als christen en als kerk? Hoe baken je je positie af? Dat vind ik niet gemakkelijk in deze tijd. Maar ik wil wel een poging doen om dat duidelijk te maken. Daar gebruik ik twee voorbeeld voor.

Het glas en de wijn

Eerst het beeld van een goed glas wijn. Wat moet er goed zijn? Het glas of de wijn? De wijn natuurlijk. Daar gaat het om. Maar zonder een goed glas kun je de wijn niet drinken. Vorm en inhoud hebben dus alles met elkaar te maken, als je denkt vanuit het voorbeeld van een goed glas wijn.

Dat geldt ook als je nadenkt over het christelijk geloof en de betekenis ervan voor de samenleving van vandaag. Volgens mij moet je steeds jezelf als voorganger en ook jezelf als geloofsgemeenschap bevragen op de vorm én de inhoud van je christelijke overtuiging. Sterker nog: zonder vaste vormen vervaagt de inhoud, is mijn overtuiging.

Tegelijk zie ik heel goed het gevaar van formalisme: de vaste vorm wordt belangrijker dan de inhoud. Dat gevaar zag Jezus in zijn tijd op aarde heel scherp bij die stroming in het jodendom die zich het meest serieus met het geloof bezig hield: de farizeeën. Op gezag van mijn leermeester Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit in Kampen, prof. Jakob van Bruggen, neem ik maar even aan dat deze groepering in hoog aanzien stond bij de meeste mensen, omdat ze zo consequent vanuit het geloof in de God van Abraham, Izaäk en Jakob leefden. Naar God toe en naar hun naaste toe. Consequent en ook radikaal door de zonde te benoemen en af te wijzen. Maar Jezus laat volgens mij zien dat heel die farizeese geloofsbeleving gebaseerd is op vorm en veel minder op inhoud. Want Hijzelf is de inhoud – en juist de farizeeën wijzen Hem af als de Zoon van God en het Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt.

Voor mij als gereformeerd predikant is de spannende vraag in deze tijd: hoe bewaak ik de inhoud van het christelijk geloof zonder dat ik een formalist wordt? Zowel als het om de leer gaat: hoe spreken we in de kerk over God en over Jezus, over wie Ze zijn en wat Ze doen? Als om het leven: wanneer mag je zeggen dat iemand qua levensstijl echt niet meer het voorbeeld van Jezus (Johannes 13:15) en God (Efeziërs 5:1) volgt? Want je kunt de spelregels van het christelijk geloof best aanpassen aan de behoeften van de tijd. Zo PVT 2015 - Nijmegen 2gebeurt dat ook in sommige sporten. Maar je kunt onmogelijk volhouden dat als we afspreken om van het net een doel te maken en om de bal niet meer met de handen, maar alleen nog met de voeten aan te raken, dat we dan nog steeds met dezelfde sport te maken hebben.

Waar ligt, als het om geloven binnen de christelijke traditie gaat, dan de grens tussen vorm en inhoud? Voor mij ligt die, als predikant binnen de gereformeerde traditie, in de belijdenis van de Twaalf Artikelen van het onbetwijfeld christelijk geloof. Want daarin staat wat – of liever nog: Wie mij bezielt en inspireert. Als ik daar niet meer mee uit de voeten zou kunnen, zou ik m’n ambt als predikant neerleggen en iets gaan doen met ‘mens en religie’ of zo. Ik besef dat als je in onze tijd zegt dat de Twaalf Artikelen het uitgangspunt zijn voor het echte christen-zijn en kerk-zijn, dat zo’n overtuiging heel exclusief overkomt. Terwijl ik tegelijk juist vanuit de christelijke traditie ook hart heb voor de stad waarin wij wonen en vooral voor alle mensen die hier leven.

Concentratie – Integratie 

Daarom wil in een tweede beeld naar voren halen. Dat beeld ontleen ik aan mijn zeer gewaarde overbuurman uit Nijmegen, waar ik van 1999 tot 2005 predikant was. Mijn overbuurman was betrokken katholiek en directeur van een mega-basisscholen-conglomeraat waarin al het katholieke, protestantse en algemeen-bijzonder onderwijs in samengevoegd was. We hebben bijzonder goede gesprekken gevoerd over de plaats die je als maatschappij-betrokken christen in de samenleving moest innemen. Hij zei tegen mij: Ernst, weet je, bij jullie vrijgemaakt-gereformeerde scholen zie ik een sterke focus op de handhaving van je identiteit. Bij onze algemeen-christelijke scholen-organisatie daarentegen zie ik een sterke focus op de plek die iedereen moet innemen in de samenleving. Jullie sterke punt is concentratie en ons sterke punt is integratie.

Ik vond dat een prachtige vondst, die twee typeringen, omdat ze zo waardenvrij zijn. Er zit geen veroordeling in. Want welk bedrijf wil zich nu niet concentreren op z’n core-business? En welke organisatie wil nu niet een respectabele, zinvolle plek midden in de samenleving innemen? Maar ik voel meteen weer de spanning. Het blijft voor alles wat zich christelijk noemt blijkbaar heel lastig om de concentratie op de bijbelse uitgangspunten en de integratie en acceptatie in de samenleving te combineren. Als je openlijk uitkomt voor je uitgangspunt dat Jezus de Zoon van God is die als Lam van de God de zonde van wereld wegneemt, en vanuit zijn liefde als inspiratiebron maatschappelijke hulp wilt verlenen aan vrouwen die vast zitten in de prostitutie (Het Scharlaken Koord) of in probleemwijken met jongeren aan de slag wilt (Youth for Christ) of op maatschappelijk vlak vraag en aanbod bij elkaar wilt brengen (Stichting Present), kun je nog zo hard roepen dat je aan integratie wilt werken, maar je concentratie op Jezus Christus roept bij de seculiere atheïsten, of ze nu links of rechts zijn, een boel weerstand op. Volgens hen is er maar één manier waarop christenen hun plek in het maatschappelijke veld mogen innemen: op persoonlijke titel in niet-religieus-gebonden organisaties.

De balans

Het gaat dus om de vraag: hoe bewaak je je christelijke identiteit (concentratie) terwijl je toch zoveel mogelijk je plaats in de samenleving (integratie) wilt innemen? En hoe vind je daarin de balans? Als GKV zitten we nog steeds vooral op de lijn van de concentratie, denk ik. Dat vind ik terecht, ook al loop je het risiko dat het lijntje naar boven belangrijker wordt dan het lijntje naar elkaar. Terwijl Jezus heel de wet samenvatte in het dubbel-gebod van de liefde: God boven alles en je naaste als jezelf. Omgekeerd dreigt een nog groter risiko namelijk: als je alleen maar vanuit de naastenliefde denkt en handelt, raak je uiteindelijk je inspiratiebron kwijt. Want die moet ik, als ik de Bijbel serieus neem, toch echt van buiten onszelf in onszelf komen. Het is God die van alle mensen houdt en voor heel zijn schepping zorgt. En Jezus maakt Zichzelf bekend als de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt bij die God van liefde en zorg uit dan via Hem. Maar hoe geef je daar vorm aan zonder exclusief en veroordelend te zijn? Als christen? En als kerkgemeenschap? Dat is voor mij een open vraag. En tegelijk mag ik daar keuzes in maken. Als christen. Als kerkgemeenschap. Niet uit eigen kracht. Ook niet om het isolement te zoeken. Maar “in het vertrouwen dat God het ons toestaat deze keuzes te maken” (Hebreeën 6:3).

“Onbedoeld zwanger? Vier het leven!”

Abortus onbedoeld zwanger“Onbedoeld zwanger? Vier het leven!” Op het eerste gezicht misschien een wat gekke slogan, maar de aanleiding was als volgt. In onze kerk preken we nog steeds met enige regelmaat  uit de Heidelbergse Catechismus. In 52 hoofdstukken (‘Zondagen’ genoemd) worden de centrale onderdelen van het christelijk geloof behandeld. De Zondagen 34 t/m 44 gaan over de betekenis van de Tien Geboden. In het Zesde Gebod zegt God: Pleeg geen moord. Zondag 40 van de catechismus behandelt dat gebod en stelt er drie vragen over.

Vraag 105: Wat eist God in het zesde gebod?

Antwoord: Dat ik mijn naaste niet van zijn eer beroof, niet haat, kwets of dood. Dit mag ik niet doen met gedachten, woorden of gebaren en nog veel minder met de daad, ook niet door middel van anderen, maar ik moet juist alle wraakzucht afleggen. Ook mag ik mijzelf geen letsel toebrengen, evenmin mag ik mijzelf moedwillig in gevaar begeven. De overheid draagt dan ook het zwaard om de doodslag te weren.

Vraag 106: Het gaat dus in dit gebod niet alleen om doodslag?

Antwoord: Nee. Door de doodslag te verbieden leert God ons ook dat Hij afgunst, haat, toorn en wraakzucht als de wortel van deze zonde haat en dat dit alles voor Hem doodslag is.

Vraag 107: Maar is het genoeg dat wij onze naaste, zoals gezegd, niet doden?

Antwoord: Nee, want terwijl God afgunst, haat en toorn verbiedt, gebiedt Hij dat wij onze naaste liefhebben als onszelf, jegens hem geduldig, vredelievend, zachtmoedig, barmhartig en vriendelijk zijn, zijn schade zoveel mogelijk voorkomen en dat wij ook onze vijanden goed doen.

Wat bij mij bleef haken toen ik deze woorden op me liet inwerken waren de zinnetjes: Ik mag mijzelf geen letsel toebrengen en evenmin mag ik mijzelf moedwillig in gevaar begeven. De overheid draagt dan ook het zwaard om de doodslag te weren. Ik dacht: als God het niet goed vindt om jezelf iets aan te doen, dan geldt dat toch zeker voor het ongeboren leven dat een aanstaande moeder met zich meedraagt! En ik dacht daarbij: wat voor overheid hebben we eigenlijk hier in Nederland, die toestaat dat van de 200.000 baby’s die geboren hadden kunnen worden, zo’n 30.000 in de moederschoot worden vermoord. Hoezo ‘doodslag weren’? Het is eerder ‘doodslag stimuleren’! En zo kwam ik uit bij vragen rondom abortus. Dat is al 50 jaar heel normaal in Nederland. En toch went het nooit. Er blijft altijd veel over te doen. Zeker ook de laatste tijd. Maar wat vind ik er eigenlijk zelf van? En wat voor standpunten neem jij in? Dus besloot ik om mij ook maar eens aan een Kahoot-quiz wagen. Met vijf vragen.

Abortus Foetus CreatiefVraag 1 sluit aan op het Zesde Gebod: ‘Pleeg geen moord.’ Nou, schreef een jonge moeder mij een keer, dat geldt zeker voor abortus, want ook al vindt heel Nederland het zo normaal als wat: “Abortus blijft wat mij betreft hoe dan ook moord!!!” (de drie uitroeptekens zijn van haar)

  1. Hier ben ik het helemaal mee eens
  2. Hier kan ik mij totaal niet in vinden
  3. Dat is per situatie verschillend

Toch zijn er veel verschillende situaties waarin er voor een abortus gekozen wordt. Vraag 2 was daarom : wanneer vind jij dat een abortus wél zou mogen?

  1. Als het leven van de moeder serieus gevaar loopt.
  2. Bij antwoord 1) én na een verkrachting
  3. Bij antwoord 1) en 2) én als het kind een zware handicap heeft
  4. Als de moeder goede redenen heeft om geen kind te krijgen

Vraag 3 ging over tienerzwangerschappen. Ook in Nederland komt dat nog steeds veel voor. Wat moet je dan doen? Neem de volgende situatie: Sandra van 17 wordt onbedoeld zwanger. Ze heeft geen vaste vriend. Ze woont op kamers en is net aan een goede opleiding begonnen. Terug naar huis kan niet, want haar ouders zijn gescheiden. Ze overweegt een abortus en vraagt wat jij zou doen. Wat voor advies geef jij?

  1. “Het is jouw keus. Denk er goed over na.”
  2. “Als je je kindje laat weghalen, zondig je heel erg tegen God.”
  3. “Ik begrijp heel goed dat jij in jouw situatie voor een abortus kiest.”

Abortus Down NIPTEen andere reden om voor abortus te kiezen is de kans dat je kind gehandicapt is. Tegenwoordig is er veel te doen rondom de NIP-test. Daarom kan het syndroom van Down vroegtijdig ontdekt worden. Wat doe je dan? Bij vraag 4 keken we eerst naar een interview (minuut 13:05-13:25) met een jonge vrouw die het Down-syndroom heeft. Ze komt uit Denemarken, waar al bijna geen Down-kinderen geboren worden. Aan de hand daarvan kwam Vraag 4: ‘Als ik van te voren zou weten dat ons kind het Down-syndroom heeft …’

  1. Zou ik mijn kind zonder meer houden.
  2. Zou ik het een hele moeilijke keus vinden.
  3. Zou ik waarschijnlijk voor een abortus kiezen.

De laatste vraag ging over David en de relatie die hij met zijn buurvrouw Batseba kreeg. Toen ze onbedoeld zwangerschap werd, deed David er alles aan om het te verdoezelen.. Stel nou eens dat David in onze tijd geleefd had? Wat zou hij dan gedaan hebben? Dat was Vraag 5: Als David in onze tijd geleefd had, had hij bij Batseba vast aangedrongen op een abortus.

  1. Ja, want David wilde kost wat het kost de schijn ophouden.
  2. Nee, want David was ook in zijn zwakheid een gelovige koning.
  3. Geen idee, gelukkig maar dat David niet voor die keus stond

Het verhaal van David en Batseba staat in 2 Samuel 11. En zoals een zwangerschap niet verborgen kan blijven, kwam ook deze enorme misstap van David uiteindelijk toch aan het licht. 2 Samuel 11 eindigt namelijk met de zin: “Naar het oordeel van de HERE was het wel degelijk slecht wat David gedaan had.” Dus komt de profeet Nathan bij David en vertelt hem wat voor grote zonden (moord en doodslag) David begaan heeft. Je kunt het nalezen in 2 Samuel 12:1-25.

Bij de laatste vraag over David ligt het misschien voor de hand om als antwoord te geven: Geen idee of David op een abortus zou hebben aangedrongen als hij in onze tijd geleefd had. Maar ik heb zo’n bang gevoel dat het antwoord Ja, want David wilde kost wat het kost de schijn ophouden wel eens dichter bij de waarheid zou kunnen zitten. Als je ten einde raad bewust je buurman om het leven laat brengen, ben je volgens mij ook bereid om een ongeboren kindje op te offeren voor je goede naam en karrière.

Bij dit gedeelte moest ik denken aan het andere zinnetje uit de catechismus: tegenover ‘niet doodslaan’ staat ‘je naaste liefhebben en zijn schade zoveel mogelijk voorkomen. Maar weet je wat het is? Veel mensen willen hun eigen schade of nadeel of ongemak zoveel mogelijk beperken. Dat zag je bij David. Dat zie je vandaag nog steeds. Ten koste van, als het echt niet anders kan, andermans leven. En hoe zwakker en kwetsbaarder dat leven is, hoe gemakkelijker dat gaat. En dan kom je op 30.000 abortussen per jaar in Nederland.

Nu geldt er in Nederland een verplichte bedenktijd van vijf dagen om aan te geven dat abortus een ingrijpende zaak is waar je niet zo maar voor kiest. In België wordt zelfs de term ‘noodsituatie’ gebruikt. Maar uit onderzoek (bron: katholiekforum) blijkt dat die noodsituatie in 95% van de gevallen onder één van de volgende categorieën valt: *momenteel geen kinderwens; * de vrouw voelt zich te jong; * voltooid gezin; * ‘ideaal’ kindertal bereikt. Zijn dat noodsituaties die het ombrengen van jong leven wettigen?

Embryo gezichtIn de Bijbel vertelt God ons, dat het leven al in de moederschoot begint. Daarom staat er in Exodus 21:22 een regel, dat er schadevergoeding moet worden betaald aan een vrouw, als ze door de schuld van iemand anders een miskraam krijgt. En hoe mooi bezingt David in Psalm 139:13-18 dat God het Zelf geweest is, die hem als jongste en 7e zoon van 9 kinderen (hoezo ‘voltooid gezin’) die hem in de buik van zijn moeder weefde – “wonderbaarlijk is wat U gemaakt hebt.” In Jeremia 1:5 kunt je lezen hoe God Jeremia al in de moederschoot voorbestemd had als zijn profeet. In het Nieuwe Testament lees je in Lukas 1:41-45 over de kleine Johannes die in de buik van zijn moeder Elisabeth een vreugdedansje maakt als Maria plotseling op bezoek komt. Ze is nog maar net in verwachting, maar toch noemt Elisabeth haar al ‘de moeder van mijn Heer’. En later, in Markus 10:13-16, neemt Jezus Zelf kleine kinderen als voorbeeld. In de volwassen wereld van toen telden die niet mee. Maar bij God en bij Jezus wel! Juist wat zwak is, is kostbaar in Gods ogen!

Vandaag zijn de ongeboren kinderen de zwaksten in de samenleving. Hun leven mag geen naam hebben. Je laat immers alleen maar ‘iets’ weghalen? En het heeft geen enkele bescherming – het recht van de sterkste zegeviert. En als je denkt: maar elke vrouw mag toch zelf de beslissing nemen om het te houden of niet, zeker na een verkrachting of als je weet dat het kind een ernstige handicap zal krijgen … zelfs dan geef ik iedereen het advies daar nog eens goed over na te denken. Volgens mij zit je heel snel op een glijdende schaal. Als mensen spelen we voor God als wij de kwaliteit en levenskansen bepalen van een baby die met een achterstand geboren wordt. David heeft in een andere psalm, Psalm 31, gezegd: ‘Mijn tijden zijn in Gods hand.’ Als mensen elkaars leven in hun hand gaan nemen, is dat volgens de Bijbel moord. Dat geldt ook voor abortus. Zeker als de voornaamste reden is, dat deze zwangerschap echt niet bedoeld was of gelegenheid komt.

David Batseba ChagallMaar dan moet je er wel iets bij zeggen. Twee dingen eigenlijk. In het verhaal van David is Batseba de grote afwezige, lijkt het wel. OK, ze was er zelf bij toen ze onbedoeld zwanger werd. Maar had ze veel keus? Mannen veroorzaken vaak de ellende, maar daarna zie je ze niet meer. In de tijd van Jezus zie je dat ook. In Johannes 8:1-11 brengen de joodse leiders een vrouw bij Jezus die betrapt is toen ze vreemd ging of in het bordeel lag te rotzooien. Volgens de wet van Mozes moeten er dan twee mensen voor de rechtbank worden aangeklaagd vanwege overspel. Maar men brengt alleen het hoertje bij Jezus. Zo gaat het vaak: de vrouw wordt niet gehoord (zoals bij Batseba) of de vrouw staat er alleen voor (zoals dat hoertje). Vandaag gebeurt nog steeds hetzelfde. En natuurlijk, je bent er altijd zelf bij geweest als je zwanger raakt. Alleen bij verkrachting en bij incest is het echt tegen je eigen wil. Maar als iedereen je laat stikken zodra er zich nieuw leven aandient, vind je het dan gek dat de druk om een abortus te ondergaan zo groot wordt, dat veel vrouwen het ook doen?

Wat is dan een goede, bewogen houding? Nou, dat is het tweede: kijk naar hoe Jezus met die vrouw omgaat. Hij zegt niet tegen haar dat zij zo’n grote zondaar is. Dat zegt Hij juist tegen de mannen om haar heen. Hij zegt wel twee andere dingen tegen haar. Als eerste: ‘Ook Ik veroordeel je niet.’ En als tweede: ‘Ga maar, en zondig vanaf nu niet meer.’ Dat vind ik mooi. Jezus zegt eigenlijk tegen haar: ‘Ondanks wat er gebeurd is, vier het leven!’ Maar, zegt Hij erbij, stapel geen zonde op zonde. Dus als je onbedoeld zwanger bent, of misschien zelfs wel ongewenst … je wilt daarnaast toch ook niet nog de moord van je kindje op je geweten hebben?

Sterker nog … dat willen we toch samen niet? Het tegenovergestelde van ‘Pleeg geen moord’ is ‘Heb je naaste lief als jezelf’.  Hoe breng je dat in de praktijk als het om het ongeboren leven gaat? Gelukkig zijn er alternatieven. ChavahBijvoorbeeld het initiatief om tienermoeders die er alleen voor staan, op te vangen. In Groningen kan dat sinds 2016 bij “CHAVAH” – een leef- en leerhuis voor jonge moeders. Op www.chavah.nl vind je meer informatie. Taeke en Agnes Venema, de oprichters van Chavah, komen tijdens kerkdiensten of op een avond graag een presentatie geven over hun missie en hun werk. Hun missie is gebaseerd op het gebod van Jezus om elkaar lief te hebben zoals Hij ons liefgehad heeft. Daarom willen ze jonge meiden die onbedoeld zwanger geraakt zijn, een tijdelijk thuis bieden, waar ze tot rust kunnen komen en leren het leven –van hunzelf en van hun kleine– weer te  vieren. Bekijk eens de introvideo van Chavah op YouTube (klik hier). Meeleven kan altijd. Meehelpen ook. En bidden natuurlijk. Voor iedereen die onbedoeld zwanger is  En voor al het ongeboren leven.

Benieuwd naar hoe er in Assen-Peelo gestemd werd over de vijf vragen?
Vraag 1: ‘Abortus blijf wat mij betreft hoe dan ook moord!!!’   1) 65%   2) 5%   3) 30%
Vraag 2: Wanneer vind jij  dat een abortus wél zou mogen?   1) 60%   2) 30%   3) 3%   4) 7%
Vraag 3: Sandra (17) is onbedoeld zwanger, overweegt een abortus en vraagt jou om advies. Wat zeg je dan?   1) 60%   2) 35%   3) 5%
Vraag 4: Als ik van de voren zou weten dat ons kind het Downsyndroom heeft, zou ik …   1) 80%   2) 17%   3) 3%
Vraag 5: Als David in 2018 geleefd had, zou hij bij Batseba vast aangedrongen hebben op een abortus   1)   33%   2) 32%   3) 35%