HAMAS EN HET CHRISTELIJKE ‘ISRAËLISME’

Onder deze titel publiceerde dr. Steven Paas op 10 oktober 2023 dit artikel op LinkedIn. Hij laat zien dat zowel de haat tegen het huidige Israel als de liefde voor het huidige Israel gevoed worden door dezelfde wortel: een extreme religieuze fixatie op het land en het volk van de Joden. Met zijn instemming mag ik zijn artikel ook hier delen.

Giftige hartstocht

Zaterdagochtend 7 oktober begon een moorddadige terreur-aanval op Israël door de Palestijnse ‘Islamitische verzetsbeweging’ Hamas. Het Arabische woord ‘hamas’ betekent zoiets als: hartstocht, ijver. In dit geval hebben die woorden een zeer giftige lading. Ze staan nu voor een afschuwelijke moordpartij op niets vermoedende Israëlische burgers onder wie veel jonge mensen. Het betreft ernstige oorlogsmisdaden die onmiddellijk onze sympathie voor Israël wekken. Ook onder de Palestijnn vallen veel onschuldige slachtoffers. We leven mee met de nabestaanden van alle partijen en met de gegijzelden en we bidden voor hen

Voor veel christenen bevestigt de terreurdaad van Hamas de opvatting dat hier opnieuw sprake is van een aanval op ‘Gods oogappel’, die in wezen gericht is tegen Gods plan voor de wereld. Dat doet me denken aan woorden van de directeur van ‘Christenen voor Israël’, Cornelis Kant. Onlangs poneerde hij de altijd durende betekenis van Israël en het Joodse volk in Gods heilsplan voor de wereld (‘the everlasting significance of Israel and the Jewish people in God’s salvation plan for the world.’). De gepassioneerde Israël-haat van Hamas staat lijnrecht tegenover de religieuze Israëlverheffing door veel hedendaagse christenen. Tegelijk hebben ze meer met elkaar te maken dan hun vertegenwoordigers zouden willen.

Doorgetrokken heil-positie

Kant vertegenwoordigt met zijn bewering de opvatting van christenen die menen dat ‘Israël’ – meestal wordt daarmee het Joodse volk of de moderne Israëlische staat bedoeld – een uitzonderlijke religieuze positie in Gods heilsplan heeft en een bijzondere glorierijke toekomst tegemoet gaat. Dat leidt men af uit een bepaalde interpretatie van de profetische beloften van herstel en verlossing voor Israël in het Oude Testament. Het Nieuwe Testament zou die specifieke heilsbeloften voor Israël bevestigen. Vaak wordt dan gewezen op het Jood-zijn van Jezus en op Romeinen 9-11, waar Paulus met de woorden ‘zo zal heel Israël zalig worden’ (11:26, HSV) een massale bekering van het Joodse volk in het vooruitzicht zou stellen. Niet zelden verbindt men aan die interpretatie een verwachting van een wereldomvattende bloeitijd voor de Kerk.

In verschillende publicaties (op LinkedIn verzameld onder: ‘Focust de Bijbel op Israël of op Jezus Christus?’ ) heb ik onderzoek gedaan naar dat doortrekken naar het huidige Joodse volk van de oudtestamentische bijzondere uitverkorenheid van Israël als demonstratie van Gods handelen met de wereld. Mijn conclusie is dat deze veronderstelling stuit op veel bezwaren in de Schrift, zowel hermeneutisch als exegetisch. Immers, het specifieke verbondshandelen van God met Israël – als metafoor voor Zijn handelen met de wereld –  is een voorafschaduwing van de definitieve vervulling ervan door Christus. In Christus wordt Israël niet vervangen door de Kerk. Maar in Hem is wat God bedoelde met Israël geldig voor alle volken voor wie Israël als voorbeeld diende, zonder onderscheid. Onder de nieuwe bedeling van Gods genadeverbond is Israël nog steeds cultureel uniek en waardevol, evenals elk volk en land, maar in Gods plan met de wereld is het Joodse volk niet uitzonderlijker dan alle andere volken. Dat plan kent geen raciale of geografische prioriteiten. Christus zendt tot vandaag Zijn boodschappers naar alle volken en verzamelt zo Zijn ene bijzondere ‘volk van God’, de Kerk (van Joden en niet-Joden). De specifieke instrumentele uitverkorenheid van oudtestamentisch Israël is overgegaan naar alle volken. Zo sprak de Joodse predikant Christiaan Salomon Duytsch (1734-1795) op p. 91 van zijn korte dogmatiek Jehova verheerlijkt, Amsterdam 1769 (Zie K. Exalto, in: De Waarheidsvriend, 23-9-1976). Zo spreekt vandaag ook de Joodse christen-theoloog Steve Wohlberg in zijn lezingen en publicaties over Israël in de eindtijd.

Doorgetrokken oordeel-positie

Er is echter nog een ander zwaarwegend argument tegen het eenzijdig religieus verheffen van Israël boven de volken. In het Oude Testament was Israël immers niet alleen een instrument of demonstratie om aan de wereld Zijn liefde en genade te tonen. Gods handelen met Israël liet de wereld ook de oordelen zien waarmee Hij Israël strafte als het Hem ongehoorzaam was. Zij die het Joodse volk religieus verbijzonderen met een eenzijdig beroep op Gods eeuwige trouw en liefde zijn inconsequent of op zijn minst onvolledig. Zij zouden ook de oudtestamentische noties van Gods toorn en oordelen in rekening moeten brengen. Het is merkwaardig dat weinigen die consequentie trekken. Dat kan komen door een oppervlakkige doordenking van de verbanden tussen het Oude en het Nieuwe Testament. De oorzaak kan ook zijn dat men, in het licht van beruchte aspecten van de Europese geschiedenis, beducht is om oudtestamentische oordeelsteksten te betrekken op het huidige Israël. Daarmee kun je namelijk in problemen raken.

Een voorbeeld is het boek De kring rond de Messias: Israël als volk van de lijdende Heer (Zoetermeer 2002). De auteur is Abraham (Bram) van de Beek. Deze begaafde hoogleraar is niet bang om buiten de lijnen te kleuren. Als weinigen is hij zich ervan bewust dat als je van Gods heilsbeloften voor Israël spreekt, je Zijn oordelen over Israël niet mag verzwijgen. Daarom brengt hij in zijn theologie de positie van Israël niet alleen in verband met een bijzondere heilsverwachting maar ook met het lijden van het Joodse volk door de eeuwen heen (77-143). Het trekken van die consequentie is een daad van theologische ‘eerlijkheid’. Maar daarmee kom je tegelijk op glad ijs. Want, wordt zo het spreken over de akelige werkelijkheid van het Joodse lijden niet salonfähig gemaakt? Meer dan twintig jaar na het verschijnen van dit knap geschreven en tot doordenken aanzettende boek heeft de Vrije Universiteit het van de verplichte literatuurlijst voor studenten gehaald. Als reden werd aangevoerd dat Van de Beeks theologische logica studenten kan verleiden tot een afglijden naar antisemitisme. Met deze vorm van bijna-censuur wordt Bram van de Beek besmet met de odeur van Jodenhaat. Volstrekt ten onterechte, want het is buiten kijf dat deze integere hoogleraar elke vorm van antisemitisme verafschuwt.

Zijn fout is niet dat hij de weg zou banen voor het antisemitisme, maar dat hij, evenals andere op het na-Bijbelse Israël gefocuste theologen, de oudtestamentische aparte religieuze positie en toekomst van Israël doortrekt naar het Joodse volk van vandaag, alsof Christus dat schaduwbeeld niet had vervuld, zowel wat betreft de heilsbeloften als wat de oordeelsdreigingen aangaat. Van de Beek hanteert een variant van de algemene opvatting in het ‘Israëlisme’. Hij doet dat met een redenering waardoor het Joodse volk niet alleen als ‘Gods oogappel’ wordt verheven tot een bijzondere heilspositie en toekomst, maar ook – in een dynamische tegenstelling – dat de Joden worden getroffen door een weg van pijnlijke vernedering. Zo kan er ruimte ontstaan voor een theologie waarin pogroms, vervolgingen, deportaties, genocides en uiteindelijk de Shoah (Holocaust) een plaats krijgen. Ook de afschuwelijke moordpartijen van Hamas kunnen een theoretische acceptatie ontvangen in zo’n denk-systeem, niet in morele zin uiteraard, maar als onontkoombaar fenomeen. Het mag duidelijk zijn dat ik deze visie van een doorgetrokken oordeel-positie van de Joden niet minder onaanvaardbaar vind dan de visie van een voortgaande uitzonderlijke heil-positie voor het Joodse volk.

Dezelfde wortel

De Jodenhaat van enerzijds bijvoorbeeld het Nazisme en terreur-organisaties als Hamas en anderzijds de extreme Israëlverheffing van veel christenen hebben naar mijn inzicht ten diepste te maken met hetzelfde verschijnsel: het religieus/ ideologisch verbijzonderen van Israël, hetzij als te elimineren vijand hetzij als vertroeteld idool. Israël is het beste af niet alleen zonder antisemitisme maar ook zonder filosemitisme. Beide verschijnselen worden gevoed door dezelfde wortel: een extreme religieuze fixatie op het land en het volk van de Joden. Als Hamas niet uit was geweest op het in de naam van Allah vernietigen van de Joden in Israël en het fanatiek koesteren van het alleenrecht van Palestina hadden voorbije vredesinitiatieven waarschijnlijk al lang tot (meer) vrede kunnen leiden. Als Israël zich niet had vastgebeten in de positie van bezettende macht of kolonisator en de Palestijnen gelijke politieke (burger)rechten had gegeven (desgewenst in een eigen staat toen dat nog kon) waren de problemen vermoedelijk niet zo hoog opgelopen als nu het geval is.

Westerse christenen met hun vaak door schuldgevoelens gevoede Israëlliefde hebben de problemen verergerd door eenzijdig de rechten van Israël te steunen en die van de Palestijnen te negeren of verdacht te maken. Daardoor hebben ze onbedoeld bijgedragen aan de escalatie van het conflict. Dit is vooral pijnlijk voor de Palestijnse christenen, die zich niet gesteund en beschermd zagen door hun broeders en zusters in Amerika en Europa. Het christelijke ‘Israëlisme’ is vooral schadelijk voor de geloofwaardigheid van het Bijbelse geloof en daarmee voor de effectiviteit van de missionaire taak van de Kerk. Die schade blijft niet beperkt tot het christelijke getuigenis onder Joden en (Palestijnse) Moslims. Oog in oog met de onverzoenlijkheid in Israël-Palestina moeten we terugvallen op Christus van wie gezegd is: ‘Want Hij is onze vrede’ (Efeze 2: 14).

Dr. Steven Paas bestudeert Israëlvisies en is actief op de terreinen van kerkgeschiedenis, missiologie, en de lexicografie van het Chichewa, een veel gesproken taal in centraal Afrika.

JODENHAAT leidt tot JODENWRAAK

Het was een gruwelijke pogrom op zaterdag 7 oktober 2023 door de terroristen van Hamas. Net als de eerste die Haman wilde organiseren in de tijd van koning Ahasveros van Perzië. Net als de eeuwen erna in West-Europa, in Oost-Europa en in de Arabische landen. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen soldaten en burgers of tussen volwassenen en kinderen. Het gaat erom zoveel mogelijk slachtoffers te maken, omdat iedereen die tot dat andere volk of die andere religie behoort, niet mag blijven leven.

Een pogrom is een genocide in het klein. Engeland deed het in de 19e eeuw met de Ieren. Turkije deed het in de 20e eeuw met de Armenen. Hitler deed het op grote schaal tijdens de Holocaust. En Hamas deed het op 7 oktober 2023. Het waren vooropgezette moorddadige plannen, schreef het Nederlands Dagblad: “In papieren die op gedode Hamas-terroristen zijn aangetroffen, was te lezen hoe deze zeer gedetailleerde instructies bevatten om basisscholen en dergelijke aan te vallen, of om ‘zoveel als mogelijk te doden’.”

Een pogrom wordt ingegeven door intense haat. Ongeacht de context. En dus lijkt het mij ongepast om meteen de context erbij te halen om deze gruwelijke slachtpartij met meer dan 1.200 doden, waaronder kinderen, vrouwen en ouderen te ‘verklaren’. Om het met cabaretier Hans Teeuwen te zeggen: “Jodenhaters hebben helemaal geen context nodig. Ze haten Joden en daarom moeten ze dood, daarom moeten ze verkracht, daarom moeten ze onthoofd, en daarom moeten ze verbrand.”

Wat mij bij deze Hamas-pogrom opvalt is, dat veel sympathisanten voor de Palestijnse zaak meteen in de reflex schieten dat vooral de onderdrukking van de Palestijnen door de staat Israel de diepere oorzaak is van deze gruwelijke moorden.  

Mijn broer Martijn, onverdacht onafhankelijk in het Israelisch-Palestijnse konflikt, twitterde (volg hem op @amleeftink, zou ik zeggen): “Kun je als moslim ook eens iets volledig en hartgrondig als terreur veroordelen, zonder steeds weer alle schuld bij de ander neer te leggen? Erkennen dus dat er ook aan moslim-zijde soms iets niet deugt ipv in slachtofferrol te blijven hangen?”  

Ik denk dat wie een gruwelijke pogrom niet onomwonden veroordeelt, voet geeft aan de intense Jodenhaat van Hamas-terroristen en hun sympathisanten. Dat na deze slachtpartij door tienduizenden Nederlanders geroepen wordt ‘Free Palestine – from the river to the sea’ is zorgelijk.

Er is alleen één verschil. Deze pogrom was niet gericht tegen een zwakke, verdrukte minderheid die geen schijn van kans had te ontsnappen. Deze pogrom was gericht tegen een sterke tegenstander die keihard terugslaat. Daar kun je van alles van vinden. Dat moet je zelfs heel kritisch volgen. Maar volgens mij moet je wel blijven letten op de volgorde in de gebeurtenissen sinds 7 oktober 2023. En dat is: Intense Jodenhaat leidt tot Onbarmhartige Jodenwraak.

Dus ja, ik steun Israel in zijn poging om het Hamas-terrorisme met wortel en tak uit te roeien. Er was geen enkel excuus aan te voeren voor de aangerichte gruweldaden, en dus is er ook geen enkele reden om Israel het recht van zelfverdediging te onthouden.

Maar wat ik wel zie is dit: de haat zit aan beide kanten. Op de Westoever zien Joodse kolonisten hun kans schoon. Ze doen aan ordinair landjepik door Palestijnse inwoners uit hun dorpen te jagen en van hun grondgebied te verdrijven. Er vindt daar een etnische zuivering plaats, volgens kritische Israelitische burgers. Bij dat eenzijdige geweld van Israelische kant zijn sinds 7 oktober al 54 Palestijnen omgekomen, aldus het Nederlands Dagblad. Sommigen simpelweg neergeknald door gemaskerde Joodse kolonisten die hun gang kunnen gaan omdat de Israelitische overheid hen al jarenlang hun gang laat gaan en de aanwezige politie en soldaten wegkijken. Kolonisten die er dezelfde mening op na houden als de terroristen van Hamas: Free Eretz Yisrael – from the river tot he sea’.

Zondag 15 oktober werden voorgangers opgeroepen om te bidden voor de situatie in Israel, Palestina en Gaza. Waarvoor moet ik in vredesnaam bidden, dacht ik. “Geef vrede, Heer, geef vrede. De wereld wil slechts strijd” – Lied 285 uit het oude Liedboek misschien? Maar al snel bedacht ik mij, dat dat te algemeen was. De onvrede en de onverdraagzaamheid zit veel ook in mijzelf. Dus heb ik dit gebeden:

We bidden ook om vrede in de wereld. Zoveel conflicten. Zoveel haat. In Oekraïne en Rusland, in Azerbeidzjan en Armenië. En nu weer zo intens in het Midden-Oosten. Intense Jodenhaat leidt tot onbarmhartige Jodenwraak. Ontferm U, Heer. En als we bidden om vrede – geef vrede, Heer, geef vrede: dan is het niet alleen de wereld die slechts strijd wil, maar dan bidden we U ook: bekeer ons felle hart. Ontferm U, Heer. Over de burgers van Israël. Over de inwoners van de Gaza-strook. Over de Palestijnen die wonen op de Westoever en de joodse kolonisten die daar illegaal verblijven. Temper hun haat en hun woede. Ontferm U, Heer. Ontferm U vooral over de christenen daar – de Palestijnse christenen die daar al eeuwenlang wonen en de Messiasbelijdende Joden die daar zijn thuisgekomen. Zij zitten het meeste klem. Laat U zien, Here Jezus, als de Vredevorst voor alle mensen. Laat uw licht schijnen in al die harde harten. Geef vrede, Heer, ja, geef ons uw vrede.

Een evenwichtige christelijke visie op genderdysforie, transgender en transitie (deel 3)

Aan het begin van deze drieluik schreef ik, hoe jammer het is dat in orthodox-christelijk Nederland de evenwichtige visie van prof. dr. J. Douma niet eens meer genoemd wordt. Zowel de Gereformeerde Bond in 2021 als de Nederlandse Patiënten Vereniging in 2023 wijzen elke vorm van transitie als onbijbels af. Daarmee stellen zij het lichaam van de mens boven de ziel van mens en doen zijn geen recht aan de desastreuze gevolgen van de zondeval.

Al in 1988 deel 1 en 1993 deel 2 schreef prof. Douma over dit onderwerp. Dat waren misschien nog wat eerste gedachten die voor correctie vatbaar waren. Maar in 1997, vlak voor zijn emeritaat als hoogleraar christelijke ethiek aan de Theologische Universiteit in Kampen en bijzonder hoogleraar medische ethiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam ging hij in zijn diepgravende ‘Medische ethiek’ nogmaals in op genderdysforie en transitie. Hij doet dat in het hoofdstuk dat over ‘Orgaantransplantatie’ gaat in paragraaf 16:11 (vanaf blz. 347 t/m 349):

16.11 Transseksuele operaties

Wat is er met de transseksueel aan de hand? Een transseksueel is iemand die de stellige overtuiging heeft dat hij in een verkeerd lichaam huist. Hij beleeft zichzelf als man of vrouw, maar leeft in een lichaam dat het omgekeerde veronderstelt. De term transseksualiteit kan de indruk geven, dat er sprake is van een seksueel probleem. Maar het is een identiteitsprobleem. Transseksualiteit is het verschijnsel ‘waarbij iemand met de normale in- en uitwendige geslachtsorganen van de ene sekse in de onweerlegbare overtuiging leeft tot de andere sekse te behoren.’ [Kuiper, 1991, 2]. De transseksueel vertegenwoordigd een extreme vorm van wat wij genderdysforie noemen, d.w.z. hij voelt zich diep ongelukkig omdat hij niet in staat is als lid van het geslacht (‘gender’) te leven waartoe hij biologisch lijkt te behoren. De transseksueel heeft een afkeer van het eigen lichaam, met name van de geslachtsorganen, die hij niet als zijn (haar) eigen kan aanvaarden. Een sterk verlangen drijft hem (haar) om lichamelijk anders te zijn.

Er zijn pogingen gedaan transseksualiteit te verklaren. Een nieuwe theorie veronderstelt, dat de differentiatie van man of vrouw in de hersenstructuur anders kan zijn dan de uiterlijke geslachtskenmerken aanwijzen. Deze hersendifferentiatie zou pas afgesloten worden tussen het tweede en vierde levensjaar. Maar evenals voor homoseksualiteit is er (nog) geen overtuigend antwoord gegeven op de vraag naar de oorsprong van transseksualiteit. Zie voor verklaringen en onzekerheden op dit terrein Van Leeuwen [1996, 27vv].

In transseksualiteit hebben we met een ander verschijnsel te maken dan in homoseksualiteit. Een homofiel heeft geen afkeer van zijn (haar) eigen lichaam, een transseksueel heeft dat wel. Evenmin is de transseksueel te vergelijken met een travestiet, die er behagen in schept zich in de kleren van het andere geslacht te steken. Want ook de travestiet kent niet de haat van het eigen lichaam.

Het verschijnsel is waarschijnlijk van alle tijden. Het is verschillende culturen aanwezig.

Tot voor kort was men van mening dat transseksuelen psychisch zwaar gestoorde mensen waren, voor wie dan ook psychiatrische hulp nodig was. Maar dergelijke behandelingen brengen, naar het lijkt, geen baat. Daarom is de vraag urgent of, als het gendergevoel onwrikbaar blijkt, een lichamelijke reparatie niet aan te bevelen is. De resultaten ervan leiden niet tot het wegnemen van alle moeiten. Van een ‘restitutio ad integrum’ is geen sprake [Gooren 1990. 26] en geslachtsoperatie is geen panacee [Kuiper 1991, 68]. Toch geven veel transseksuelen aan dat zij zich nu hun ‘detransseksualisatie’ veel gelukkiger voelen dan daarvoor.

Uiteraard hebben we hier met een diep ingrijpende operatie te maken. Is een dergelijke ingreep moreel geoorloofd? Duidelijk is dat men niet tot een dergelijke operatie kan overgaan, of het moet vaststaan, dat we te maken hebben met a) een grote nood, b) een psychiatrisch niet te verhelpen stoornis en c) een operatieve geslachtsaanpassing die baat brengt.

Het valt niet in te zien waarom we alleen maar zouden mogen proberen de psyche bij het lichaam aan te passen – iets wat langdurig geprobeerd is, maar kennelijk zonder veel succes. Waarom mogen we ook het omgekeerde niet proberen: het lichaam bij de psyche aanpassen? De nood van de transseksueel is evident.

De gedachte dat we te maken zouden hebben met een gril van deze tijd, waarin alles moet mogen, vind ik voorbijgaan aan de diepe nood van de transseksueel. O’Donnovan [1984, 18vv] relativeert die nood door genderdysforie te beschouwen als índuced primarily by social influences’. Mijn vraag: creëren dergelijke invloeden de transseksuele gevoelens of versterken ze die alleen maar? Wat de mogelijkheden van psychiatrische hulp betreft: ik ga af op het oordeel van deskundigen dat psychiatrische behandeling niets oplevert. Tenslotte maak ik uit interviews en enquêtes op, dat veel transseksuelen voor hun operatie dankbaar zijn en niet meer terug zouden willen naar hun oude situatie. Er zijn spijtoptanten, maar hun aantal is klein.

Een veel gehoorde tegenwerping is dat God ieder van ons geschapen heeft, en wel zó als we lichamelijk zijn. Maar wie zegt dat God ons zus of zo geschapen heeft en er stilzwijgend mee bedoelt, dat we dan ook zo in de wereld moeten blijven als we erin gekomen zijn, vergeet dat bij veel kinderen na (en tegenwoordig soms als voor) hun geboorte wordt ingegrepen om hun leven mogelijk of draaglijk te maken. Operaties kunnen ook met de geslachtsbepaling te maken hebben. In gevallen van hermafroditisme maken we geen bezwaar tegen een corrigerend operatie. Dan zijn zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtskenmerken bij hetzelfde individu aanwezig.

We grijpen in, zonder daarmee te ontkennen dat God de mens op een onderscheiden manier als man of vrouw geschapen heeft (2.7.1).

2.7.1 Wellicht komt de moeite die aan het man- of vrouw-zijn verbonden kan zijn, nergens sterker uit dan in het fenomeen van de transseksualiteit. Een transseksueel is iemand die de stellige overtuiging heeft dat hij in een verkeerd lichaam huist. Hij beleeft zichzelf als man of vrouw, maar leeft in een lichaam dat het omgekeerde veronderstelt. Een sterk verlangen drijft hem om lichamelijk ander te zijn. Evenals niet-transseksuelen ervaart de transseksueel zijn (psychische) gender-identiteit als iets authentieks, als onvervreemdbaar, iets waaraan niet te tornen valt. Het zou een ontkenning zijn van zichzelf, als hij die eigen gender-identiteit opgaf [Gooren 1987, 12]. Als het gender-gevoel onwrikbaar blijkt, mag er dan nagedacht worden over de vraag, of een lichamelijke reparatie – hoe gebrekkig die ook altijd zal zijn – niet aan te bevelen is? Men heeft geprobeerd de psyche bij het lichaam aan te passen. Mag ook het omgekeerde plaatsvinden, nl. het lichaam bij de psyche aanpassen? Ik kom hier later op terug (16.11).

Waarom mogen we dan niet ingrijpen, juist omdat God de mens als man of vrouw en niet als transseksueel geschapen heeft? Wij maken onderscheid tussen Gods goede schepping en deze door de zonde verstoorde wereld. Kennelijk is die verstoring ook binnengeslopen in een zo basaal gegeven als het man- of vrouw-zijn. En als we met betrekking tot andere handicaps proberen die weg te nemen of te verzachten, waarom zou dat bij transseksualiteit dan niet mogen? We kunnen zo’n verzoek niet met een simpel beroep op Genesis 1 afwijzen.

Wie de operatieve ingreep principieel niet afwijst, neemt het standpunt in dat het man- of vrouw-zijn niet zonder meer bepaald is door lichamelijk kenmerken: heeft iemand mannelijke geslachtsorganen, dan is hij man; heeft iemand vrouwelijke geslachtsorganen, dan is zij vrouw. In veruit de meeste gevallen is dat zo. Maar er zijn blijkbaar uitzonderingen. De mens is meer dan zijn lichaam en dat meerdere kan ons in deze gestoorde wereld soms zelfs tot de conclusie brengen dat hij (zij) een ander is dan zijn (haar) lichaam doet vermoeden. Er is in dat geval sprake van een incongruentie tussen lichaam en ik-besef [Valenkamp 1991, 400vv]. De mens heeft een lichaam, maar hij is meer dan zijn lichaam. Zijn ‘ik’ valt er niet mee samen. Psychische verschijnselen moeten evenzeer in rekening gebracht worden als de fysieke om tot een volledig beeld te komen van wie de mens is.

Ook christenen kunnen met transseksualiteit problemen hebben, zelfs zo dat zij het leven nauwelijks meer aan kunnen en met zelfmoordplannen rondlopen. Er is tot nu toe weinig gedaan om hen in hun nood met een verantwoord christelijk advies te helpen. Zo’n advies is niet eenvoudig en waarschijnlijk ook moeilijk eenstemmig te geven. Dat blijkt o.a. uit het rapport Transseksualiteit, dat door het prof. dr. G.A. Lindeboom Instituut in 1996 werd uitgegeven. Het doet weldadig aan dat de samenstellers van dit rapport eenstemmig vinden dat ook een transseksueel die besluit een geslachtsaanpassende operatie te ondergaan, moet kunnen blijven rekenen op pastorale begeleiding en opvang binnen de gemeente. Tegelijk bleef er onder de samenstellers van het rapport verdeeldheid inzake ethische beoordeling van geslachtsaanpassende ingrepen.

Ook wanneer we, zoals ik zelf, geslachtsaanpassende operaties niet principieel veroordelen, blijven er genoeg ethische vragen over. Kan iemand na zo’n operatie ook aan een huwelijksrelatie beginnen? Juist omdat we van aanpassing moeten spreken en een integrale verandering van geslacht niet mogelijk is, is een huwelijk niet vanzelfsprekend. Verder, is de prijs van zo’n operatie niet te hoog als een transseksueel getrouwd (geweest) is en kinderen heeft? Het leed is niet alleen groot bij transseksuelen, maar zeker ook bij hun familieleden. Kinderen vervreemden van hun vader of moeder, wanneer hun vader of moeder verder als vrouw of hun moeder verder als man door het leven gaat.

Wanneer het voor de aanpassing van het geslacht technisch mogelijk wordt geslachtsorganen te transplanteren, moet dezelfde bedenking die we in 16.3 aan de orde stelden ook hier gelden. Orgaantransplantatie kent morele grenzen, die worden overschreden als testes en ovaria beschikbaar worden gesteld. De transseksueel kan door een operatie verlichting van zijn genderdysforie ontvangen; maar hij kan niet de illusie koesteren, dat hij op grond van zijn eigen identiteit met betrekking tot procreatie lichamelijk normaal zal functioneren.

Geciteerde literatuur

Gooren, L.G.J., Hij ten Zij, Amsterdam: VU 1990

Jochemsen, H. (red.), Transseksualiteit, Ede: Prof. dr. G.A. Lindeboom Instituut 1996

Kuiper, A.J., Transseksualiteit. Evaluatie van geslachtsaanpassende behandeling, Amsterdam/Utrecht: Elinkwijk 1991

Leeuwen, M. van, Verklaringstheorieën, in Jochemsen, H. (red.), Transseksualiteit, 27-33

O’Donovan, O., Begotten or made?, Oxford: University Press 1984

Valenkamp, M., De problematiek van transsexualiteit en operatieve veranderingen aan het menselijk lichaam vanuit wijsgerig-antropologisch en ethisch perspectief, in Koers (Potchefstroom), jg. 56 (1991), 383-407

Douma, J., Medische ethiek, Kampen: Uitgeverij Kok, 1997,  46 (2.7.1), 347-349 (16.11)

De bijbelse visie van ds. Henk de Jong op Israël

Vrijdag 29 september 2023 vond het herdenkingssymposium ‘Christus in het Oude Testament’ – De bijbels-theologische erfenis van Henk de Jong plaats. Henk de Jong (1932-2023) was vanaf 1959 predikant in eerst de GKV en daarna de NGK. Hij was een invloedrijk theoloog met de uitleg van het Oude Testament als specialisatie. In de discussie over de verhouding tussen de christelijke kerk en het volk Israel was hij één van de prominente voorstanders van het zandlopermodel: het volk Israel in het Oude Testament is de weg en de trechter die tot Jezus Christus leidt en na Pinksteren verbreedt het volk Israel zich tot iedereen die Jezus erkent als de door God beloofde Messias, net zoals de gelovigen in het Oude Testament uitzagen naar de komst van Jezus als de door God beloofde Messias. Volgens hem is de kerk niet in de plaats van Israel gekomen, maar is er ook geen zelfstandige plaats voor het Joodse volk inclusief de landbelofte.

Henk de Jong – foto https://onderwegnaar1kerk.nl

In 2012 was Henk de Jong één van de ondertekenaars van een Open Brief over Israël aan Nederlandse Christenen. Samen met o.a. Jos Strengholt, Steven Paas en Wubbo Wierenga keren ze zich tegen toenemende tendens onder bijbelgetrouwe christenen om in de stichting en het bestaan van de staat Israel een vervulling van bijbelse beloften te zien. Hieronder volgt de tekst van deze ‘Open Brief’

“Ondergetekenden stellen vast dat de verhouding tussen kerk of gemeente en Israël hoog op de agenda staat van veel christenen in Amerika en Europa. Dat is ook het geval in Nederland waar we terugzien op een traditie van positieve belangstelling voor Joodse mensen aan wie in ons land sinds de 16e eeuw bescherming is geboden. Evenals elders werden veel Nederlandse orthodoxe christenen in hun waardering voor de Joden gevoed vanuit zekere eindtijdverwachtingen, die voortkwamen uit theologische ontwikkelingen in het 17e en 18 eeuwse Piëtisme (in Nederland: Nadere Reformatie) en in de theologie van de Bedelingenleer of het Dispensationalisme, die in de 19e eeuw veel aanhang kreeg.

Kerk der eeuwen onder kritiek
De gruwel van de Shoah of Holocaust, die ons land niet is voorbijgegaan, heeft een onuitwisbare indruk gemaakt. Een diepe indruk is ook gemaakt door de stichting van de staat Israël, in het bijzonder toen die bestand bleek tegen de vijandige aanvallen van omringende naties. Deze ontwikkelingen hebben de sympathie van Nederlanders voor de Joden verdiept en verbreed. Dat is begrijpelijk. Het is een goede correctie op een historie van antisemitisme in Europa en een positief tegenwicht ten opzichte van de felle en onredelijke vijandigheid die de huidige staat Israël en de Joden vooral vanuit de islamitische wereld ervaren.
Er is echter ook een andere tendens. Tegelijk heeft namelijk bij velen de gedachte zich vastgezet dat de ellende die de Joden in de afgelopen 2000 jaar hebben ervaren voor een groot deel te wijten valt aan de kerk en aan de klassieke theologie, zowel die van de Oudheid en de Middeleeuwen als die van de Reformatie en daarna. Als reactie heeft men de kerk der eeuwen zeer zwaar onder kritiek gesteld. Zij is beschuldigd van het in stand houden van een ‘vervangingstheologie’, waarin Gods beloften aan Israël ten onrechte aan de kerk worden gegeven. De kerk of de gemeente van Christus wordt dan ook aangewezen als hoofdschuldige in de traditie van antisemitisme en Jodenvervolging.
Al of niet gestimuleerd door bovengenoemde eindtijdverwachtingen is er o.a. in de reformatorische en evangelische kerken van Nederland een beweging ontstaan die streeft naar een fundamentele herijking van Kerk en theologie, die men ‘onopgeefbaar verbonden’ wil doen zijn aan het volk, het land en de godsdienst van het Judaïsme van hedendaags Israël. Parallel daaraan probeert een groep theologen een ‘nieuw perspectief op Paulus’ in te voeren, met ruimte voor een meer Joods-vriendelijke uitleg van de paulinische geschriften, die ertoe neigt het reformatorische verstaan van de leer van de rechtvaardiging door geloof alleen onder druk te zetten. Vanuit het Christenzionisme in Noord Amerika, dat veel geestelijke en politieke macht uitoefent, ondergaat de Nederlandse beweging invloed.

Bezwaren tegen deze kritiek
Ondergetekenden maken op grond van de Schrift grondig bezwaar tegen pogingen om het klassieke christelijke geloof op die manier te verbinden met Israël en het Judaïsme. Wij willen ons niet in de eerste plaats mengen in het politieke debat over Israël en de Palestijnen, waarin de christen-zionisten niet aflaten hun standpunt te geven. Maar wij willen laten zien dat de Heilige Schrift geen grond geeft aan een Israëltheologie die het volk, het land en de religie van na-Bijbels Israël op die wijze relateert aan het heil van mensen en derhalve abnormale proporties geeft. In dit verband herinneren we aan een waarschuwing in de Barmer Thesen, die hoewel ontstaan in een geheel andere context het zelfde kernpunt raken: ‘Wij verwerpen de valse leer, als zou de kerk als bron van haar verkondiging behalve en naast het ene Woord van God ook nog andere gebeurtenissen en machten, gestalten en waarheden als Gods openbaring kunnen en moeten erkennen’. Tevens verwerpen wij elke etikettering die ons aanduidt als vervangingstheologen of (potentiële) antisemieten.
Wij zijn er van overtuigd dat de aanhangers van deze Israëltheologie de Bijbel verkeerd lezen en dat dit desastreuze gevolgen heeft voor het belijden van de Kerk. Daarom spreken wij ons uit. We hebben ons aangesloten bij een aantal theologen, voornamelijk in de Angelsaksische wereld, die hun stem hebben verheven tegen het idee van een eenzijdig geprivilegieerde heilsstatus van Israël en voor de onpartijdigheid van het Evangelie.
In de kern van de zaak gaat het om twee onterechte vooronderstellingen.

Ten eerste, de bewering dat God het huidige Israël uitzonderlijk goed gezind is, en dat dit geschiedt op basis van etnische afkomst en niet op basis van de genade van Christus alleen zoals aangegeven in het Evangelie.

Ten tweede, de bewering dat de bijbelse beloften van een land en van herstel zijn vervuld in een bepaalde geografische streek, ‘Heilig Land’ genoemd en door God exclusief bedoeld zijn alleen voor één etnische groep.
Als gevolg van deze onjuiste vooronderstellingen zijn veel christenen en anderen misleid ten aanzien van de bijbelse leer over het volk van God, het land van Israël, en de onpartijdigheid van het evangelie.

Tien Stellingen
In de volgende tien stellingen maken wij onze overtuiging openbaar. We doen geen aanval op het oprechte geloof van hen die in deze zaak het niet met ons eens zijn. Beseffend dat sommige aanhangers van gangbare christenzionistische opvattingen ons zullen afwijzen, voelen we ons toch door de Schrift en door ons geweten gedrongen om voor de zaak van Christus en de waarheid deze stellingen naar voren te brengen.

1. Het Evangelie is een aanbod door God van eeuwig zalig leven, evenzeer aan Joden als aan de niet-Joden, als een gratis geschenk in Jezus Christus. Eeuwig leven kun je niet verdienen en je kunt je er niet waardig voor maken; het is ook niet gebaseerd op etnische afkomst of op natuurlijke geboorte.

2. Alle mensen, zowel Joden als niet-Joden, zijn zondaren en als zodanig vallen ze van nature onder de vloek van het oordeel van God. Omdat Gods norm volkomen gehoorzaamheid is en omdat allen zondaren zijn, kan niemand in eigen kracht vrede of eeuwig leven verwerven. Bovendien, buiten Christus om kan niemand van enige etnische groep een speciale gunst van God ontvangen. Buiten Christus om bestaat geen enkele belofte van een aards land of van een erfenis in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde aan enig mens, Jood of niet-Jood. Iets anders onderwijzen of impliceren is niets anders dan het evangelie zelf compromitteren.

3. God is de Schepper van de hele mensheid. Hij is barmhartig en heeft er geen genoegen in om zondaren te straffen. Maar God is ook heilig en rechtvaardig en daarom moet Hij de zonde straffen. Vandaar dat God, om te voldoen aan zowel zijn rechtvaardigheid als aan zijn barmhartigheid, voor allen, Jood en niet-Jood, de weg der zaligheid heeft aangewezen alleen in Christus.

4. Jezus Christus is geheel God en geheel mens. Hij kwam naar de wereld om zondaren te redden. In zijn dood aan het kruis was Jezus het lam van God dat de zonde van de wereld wegdraagt, in gelijke mate die van de Jood en die van de niet-Jood. De dood van Jezus heeft de offers in de Joodse tempel voor altijd vervuld en voor eeuwig beëindigd.
Allen die God willen eren en dienen, moeten nu tot Hem komen door Christus, in geest en in waarheid. De eredienst aan God kan niet meer worden geïdentificeerd met een specifiek hedendaags aards heiligdom. Hij ontvangt eer alleen door Jezus Christus, die de eeuwige tempel is.

5. God geeft in zijn erfenis eeuwig leven aan allen die Christus ontvangen en op Hem alleen rusten, alleen door het geloof.

6. De beloften van de erfenis die God gaf aan Abraham zijn effectief gemaakt door Christus, die het ware zaad van Abraham is. Deze beloften zijn en kunnen niet effectief worden gemaakt door het houden van Gods wet door de zondige mens. De beloften worden gedaan alleen aan degenen die geloven in Christus, de ware Erfgenaam van Abraham. Alle geestelijke voordelen worden verkregen van Jezus. Buiten Hem om heeft men geen deel aan de beloften. Omdat Jezus Christus de Middelaar is van het abrahamitische verbond, zullen allen die Hem zegenen door God worden gezegend en zullen allen die Hem en zijn volk vloeken vervloekt worden door God.
Deze beloften slaan niet op enige bijzondere etnische groep, maar op de kerk van Jezus Christus, het ware Israël. Het volk van God, hetzij de ware gelovigen van Israël in de woestijn in het Oude Testament, hetzij het ‘Israël van God’ te midden van de heidense Galaten in het Nieuw Testament, is één lichaam dat door Jezus Christus de belofte van de eeuwige stad ontvangt, het eeuwige Zion, dat neerdaalt vanuit de hemel. Deze erfenis wordt verwacht door het volk van God van alle tijden en plaatsen.

7. Jezus heeft geleerd dat zijn opstanding de wederoprichting van de ware tempel van God is. Hij is in de plaats gekomen van de priesters, de offers en het heiligdom van Israël, door deze te vervullen in zijn verheerlijkte priesterlijke bediening en door eens en voor allen zijn offer te brengen voor de wereld, zowel voor de Jood als voor de niet-Jood. Gelovigen uit alle naties worden nu ingevoegd en samengevoegd in deze derde tempel, de kerk die Jezus heeft beloofd te bouwen.

8. Simon Petrus sprak over de wederkomst van de Here Jezus in verband met het laatste oordeel en de straf van zondaren. Het is leerzaam dat deze zelfde ‘apostel van de besnijdenis’ niets zegt over het herstel van het Koninkrijk voor Israël in het land Palestina. In plaats daarvan richt hij de hoop van zijn lezers, die nadenken over de wederkomst van Jezus, op de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont.

9. Het recht van welke etnische of godsdienstige groep dan ook op een bepaald gebied in het Midden-Oosten kan niet worden ontleend aan de Schrift. De speciale landbeloften aan Israël in het Oude Testament werden in feite vervuld onder Jozua. Het Nieuwe Testament spreekt duidelijk en profetisch over de vernietiging van de tweede tempel in AD 70. Geen enkele schrijver in het Nieuwe Testament voorziet een opnieuw bijeenkomen van etnisch Israël in het land, zoals de profeten van het Oude Testament hadden voorzien na de vernietiging van de eerste tempel in 586 vC.
Bovendien worden de landbeloften van het Oude Testament al in het Oude Testament zelf en in het Nieuw Testament voortdurend en doelbewust uitgebreid om de universele heerschappij van de Messias te tonen. Hij regeert vanuit de hemel op de troon van David en Hij nodigt alle volken door het evangelie van genade om deel te nemen aan zijn universele en eeuwige heerschappij.

10. Ondeugdelijke christelijke theologie betreffende het ‘Heilige Land’ heeft bijgedragen aan tragische wreedheid gedurende de kruistochten in de Middeleeuwen. Het is beklagenswaardig dat vandaag ondeugdelijke christelijke theologie aan seculier Israël een goddelijk mandaat geeft om niet-Israëlisch ‘Palestina’ blijvend in bezit te houden, waardoor Palestijnse mensen worden gemarginaliseerd en beschouwd als eigenlijk ‘Kanaänieten’.
Dit Israël-dogma gaat in tegen de leer van het Nieuwe Testament en doet de opdracht van het evangelie geweld aan. Bovendien, christenen die gewelddadige confiscatie en bezetting van Palestijns land aanmoedigen met hun theologie, lopen het risico mede schuldig te zijn aan bloedvergieten. Zijn wij als christenen niet geroepen om te bidden en te werken voor vrede en om beide partijen te waarschuwen dat zij die leven bij het zwaard, ook zullen omkomen door het zwaard? Alleen het evangelie van Jezus Christus kan verzoening brengen tussen Israëliers en Palestijnen en hoop geven op een eeuwige en volmaakte erfenis. Slechts door Jezus Christus kun je weet hebben van werkelijke vrede op aarde.

Het koninkrijk van Christus
Het beloofde messiaanse koninkrijk van Jezus Christus is al gevestigd. De komst ervan markeert het doel waarop de menselijke geschiedenis is gericht. Dit koninkrijk van de Messias gaat door met zich ten volle te verwerkelijken naarmate gelovige Joden en niet-Joden van elke generatie worden toegevoegd tot de gemeenschap van gezaligden. Dat koninkrijk zal in finale en eeuwige vorm worden gemanifesteerd bij de terugkeer van koning Christus in al zijn heerlijkheid.
Van alle naties heeft het Joodse volk een vooraanstaande rol gespeeld bij het komen van het messiaanse koninkrijk. In het Nieuwe Testament wordt gezegd dat aan hen de woorden van God werden toevertrouwd, de aanneming, de heerlijkheid, de verbondsbeloften, de wet, en de dienst aan God. Van hen zijn de aartsvaders Abraham, Izak en Jakob en uit hen kwam wat het vlees betreft de Christus voort. Het heil is inderdaad uit de Joden. Echter christenen weten tegelijk dat er buiten Christus om geen redding is. Juist daarom moeten zij met droefheid erkennen dat de Joden in de geschiedenis vaak zijn onderdrukt, soms op tragische wijze in de naam van het kruis.
Maar wat te zeggen van het ongeloof van Israël? Heeft hun ongeloof het effect van Gods trouw aan hen weggenomen? Nee, God behandelt Israël niet anders dan enig ander volk. Hij heeft het volk van Israël niet volledig verworpen en we sluiten ons aan bij de apostel Paulus in zijn ernstige gebed om redding voor zijn Joodse volksgenoten naar het vlees. Zoals in de wereld als geheel is er altijd een rest geweest en zal er altijd een rest zijn, die zalig wordt. Tegelijk geldt dat evenmin als de hele wereldbevolking, Israël in zijn geheel de zegening zal ervaren van deel te hebben aan het messiaanse koninkrijk. Maar dit laat staan dat de Joden die tot geloof komen in Jezus Christus samen met alle andere gelovigen in Hem zullen delen in zijn regering, nu al in de tijd en straks ook in de eeuwigheid. Samen met andere gelovigen vormen de gelovige Joden het ware Israël van God, de kerk van Jezus Christus.
De huidige seculiere staat van Israël is niet een authentieke of profetische verwerkelijking van het messiaanse koninkrijk van Jezus Christus. Ook moet men geen dag verwachten waarop het koninkrijk van Christus een onderscheidenheid van de Joden zal demonstreren, hetzij als een volk, hetzij als een land of als een stelsel van ceremoniële instituten en praktijken. In plaats daarvan zal onze tijd eindigen met de komst van de finale en eeuwige fase van het koninkrijk van Messias Jezus. Op dat moment zullen alle ogen, ook van hen die Hem hebben doorstoken, de koning zien in zijn heerlijkheid. Elke knie zal buigen en elke tong zal verklaren dat Jezus Christus de Here is, tot de eer van God de Vader. De koninkrijken van deze wereld zullen van het koninkrijk van onze God worden en van zijn Christus, en Hij zal voor altijd regeren.

Oproep
In het licht van deze grootse profetische verwachting in het Nieuwe Testament willen wij onze door het Christenzionisme beïnvloede reformatorische en evangelische broeders en zusters oproepen om terug te keren tot de kernboodschap van de Schrift, zoals die in de Reformatie is herontdekt. Wij en anderen worden zalig alleen, ‘sola’, door genade, alleen door de Schrift, alleen door het geloof, ja alleen door en in Jezus Christus. Buiten Christus om geestelijk gefascineerd zijn door fysiek Israël kan het ‘sola’ van de genade slechts ondermijnen. We zijn geroepen terug te keren naar de verkondiging van het vrije aanbod van de genade van het evangelie aan alle volken, inclusief alle kinderen van Abraham. Daartoe behoren ook alle Joden en Palestijnen.
Als ondertekenaars van deze Open Brief willen we samen met Joodse en Palestijnse christenen, verdrukt en gemarginaliseerd als ze vaak zijn, bidden en werken voor de doorwerking van de boodschap van de vredevorst onder hun volksgenoten die Jezus Christus nog niet kennen als redder.

De ‘Open Brief’ met noten, ondertekenaars en reakties is terug te vinden op https://strengholt.blogspot.com/2012/09/open-brief-over-israel-aan-nederlandse.html?m=1

Wie komen er op de plaatsen 5, 6 en 7 op de ChristenUnie-lijst?

Zaterdag 30 september wordt op het partijcongres van de ChristenUnie de kieslijst voor de aanstaande Tweede Kamer vastgesteld. Opvallend is, dat twee van de vijf zittende kamerleden door de selectiecommissie op onverkiesbare plaatsen zijn gezet. Nico Drost (1980) is op plaats 7 gezet. Hij is sinds januari 2023 Tweede Kamerlid en was dat in 2019 ook al even toen Stieneke van der Graaf (1984) zwangerschapsverlof had. Nu is diezelfde Stieneke op plaats 9 gezet. Zij is al sinds oktober 2017 Tweede Kamerlid. Bij de verkiezingen in 2017 en 2021 stond zij op plaats 6, maar mocht beide keren als vijfde ChristenUnie-parlementariër de Kamer in omdat Carola Schouten minister werd. In beide jaren had Stieneke, op stemmenkanon Gert-Jan Segers (2017: 260.999 en 2021: 238.225) en vaste nr. 2 Carola Schouten (2017: 33.192 en 2021: 47.008) na, de meeste voorkeurstemmen, nl. 11.526 in 2017 en 11.497 in 2021, op de voet gevolgd door Don Ceder (2017: 8.276 en 2021: 10.318).

Nu staat Stieneke op 9 en Nico op 6. In principe zijn dat twee onverkiesbare plaatsen. Daarom doen 542 leden een voorstel om Stieneke op plaats 5 van de kandidatenlijst te zetten en Nico, als Stieneke op plaats 5 komt, op plaats 6 te late staan. De huidige nr. 5, Joëlle Gooijer-Medema (1976) zakt dan naar plaats 7. Als argumentatie voeren de  indieners aan:

Het is van groot belang dat bestaand talent gekoesterd wordt door de partij en ervaring passende ruimte blijft houden op de kieslijst. In Den Haag is een leegloop te zien van ervaren en inhoudelijk sterke Kamerleden, in veel andere partijen, maar nu ook binnen de ChristenUnie. De zittende fractie van de ChristenUnie is nieuw, jong en fris. Nog geen van onze Kamerleden heeft twee termijnen volgemaakt. Het vernieuwingsargument gaat daarom wat ons betreft niet op. In het huidige politieke klimaat vinden wij continuïteit, stabiliteit en ervaring zwaar wegen. Wij zijn het al met al niet eens met de weging van continuïteit en vernieuwing op de voorgestelde kandidatenlijst.

Specifiek over Stieneke noemen de indieners nog twee argumenten:

Over de persoon: Met Stieneke van der Graaf wordt een talentvol Kamerlid, met een door haar zorgvuldig opgebouwd politiek profiel behouden. Stieneke van der Graaf draagt met hart en ziel bij aan de christelijk-sociale missie en geniet brede waardering voor haar werk binnen en buiten de partij.

Over de spreiding: De ChristenUnie heeft veel leden en kiezers buiten de Randstad en is in de regio goed vertegenwoordigd in raden en Staten. Inhoudelijk laat de ChristenUnie zich kenmerken door naast aandacht voor het Randstedelijk gebied ook specifiek de belangen van de regio te behartigen. Dit is ook terug te zien aan de lijst vanaf plek 10. Van de bovenste 5 kandidaten op de voorgestelde kandidatenlijst wonen er 4 in de Randstad. Stieneke van der Graaf is geworteld in Overijssel en woonachtig in Groningen. Door de top 5 op deze wijze aan te passen, is er een betere overeenkomst met de spreiding van de ChristenUnie-stemmer.

Het partijbestuur ontraadt dit voorstel en noemt daarvoor een aantal argumenten (cursief = citaat).

1/ Het bestuur wil graag een goede teamsamenstelling wat betreft diversiteit en kennis in de fractie van de ChristenUnie. Omdat het thema ‘zorg en medische ethiek’ binnen de ChristenUnie topprioriteiten zijn en in de samenleving een steeds belangrijker item wordt, is het beter om iemand die op dit cruciale gebied veel kennis en ervaring heeft (Joëlle Gooijer-Medema) op plaats 5 te zetten dan iemand als Stieneke, die net als de nrs. 1 en 3  (Mirjam Bikker en Don Ceder) een juridische achtergrond heeft.

2/ Voor het bestuur is het belangrijk dat, naast competenties, ook stijlen en persoonlijkheden in de fractie in balans zijn. Nu heeft ChristenUnie het luxeprobleem dat we meer Kamerwaardige kandidaten hebben dan realistisch haalbare zetels. Daarom is er door de selectiecommissie nadrukkelijk gekeken naar een optimale teamsamenstelling in de top-6 van de kieslijst, zonder dat daarmee de kundigheid of geschiktheid van lager geplaatste kandidaten zoals Stieneke van der Graaf in twijfel getrokken worden.

3/ Regionale binding moet je niet versmallen tot ‘woonplaats’. Mirjam Bikker en Pieter Grinwis wonen weliswaar net als Don Ceder en Joëlle Gooijer-Medema in de Randstad, maar hebben vanuit hun persoonlijke achtergrond een sterke binding met de regio en het platteland mee, en de nummers 4 en 6 op de kandidatenlijst komen uit Overijssel (Alwin te Rietstap) en Gelderland (Nico Drost). Daarmee is het Landelijk Bestuur van mening dat dit voor de ChristenUnie cruciale aspect van ‘regionale binding’ in een goede balans is.

4/ Wat het punt van politieke continuïteit betreft, zijn Mirjam Bikker, Pieter Grinwis  en Don Ceder alle drie nog maar sinds maart 2021 Tweede Kamerlid, maar liepen Mirjam en Pieter daarvoor al jarenlang mee op het Binnenhof (Mirjam sinds 2006 als beleidsmedewerker en Eerste Kamerlid, Pieter sinds 2003 als beleidsmedewerker). Dat is niet een beetje maar een bak ervaring. Met ook op nummer 3 en 6 een zittend kamerlid is ervaring stevig geborgd.

5/ Het bestuur onderstreept aan het eind nog een keer de belangrijke rol die voor Joëlle Gooijer-Medema, de huidige nr. 5, is weggelegd in de nieuwe fractie vanwege het thema ‘zorg’. Dat is één van de topprioriteiten van de ChristenUnie en één van de grootste uitdagingen de komende jaren voor ons land. Dat vraagt om volksvertegenwoordigers met kennis van zaken en voeten in de klei. Joëlle Gooijer-Medema is zo iemand. Zij werkte zelf in de zorg, was jaren leidinggevende in de ouderenzorg en heeft in haar tijd als wethouder ook op dit thema haar sporen verdiend en zorgt daarmee voor een beter onderscheiden profiel binnen de fractie voor wat betreft zowel ChristenUnie-kernthema’s als professionele achtergrond. Ze maakt de fractie veelzijdiger en [daarom]  is de toegevoegde waarde van Joëlle Gooijer-Medema op plek 5 voor het profiel van de fractie van groot belang.

Het woord is zaterdag aan de leden.

Persoonlijk vind ik de argumentatie m.b.t. ervaring en continuïteit zwak. Van de vijf huidige ChristenUnie-parlementariërs zit Stieneke van der Graaf al sinds eind 2017 in de Tweede Kamer. Mirjam Bikker, Pieter Grinwis en Don Ceder zitten er pas sinds maart 2021 en Nico Drost is nog geen tien maanden kamerlid.

Het argument dat drie kamerleden met een juristen-achtergrond niet handig is, is op zich ook een wat vreemd argument. Blijkbaar was dat drie jaar geleden geen reden om dezelfde drie personen op de plaatsen 3, 4 en 6 te zetten.

De argumentatie dat het in de top van de lijst met de regionale spreiding van kamerleden wel goed zit is ook merkwaardig. Aandacht voor de regio is echt wat anders dan afkomstig uit de regio. Zeker als  je beseft dat Stieneke twee verkiezingen achter elkaar na Gert-Jan Segers en Carola Schouten met 11.500 stemmen de meeste ChristenUnie-kiezers uit met name de noordelijke drie provincies aan zich wist te binden, o.a. vanwege de aardbevingsproblematiek daar. Dan is het raar en misschien ook wel van weinig inlevingsvermogen getuigend, dat zij als de eerste ChristenUnie-kandidaat uit het Noorden pas op plek 9 staat.

Ook vind ik het niet echt sterk dat het bestuur enerzijds zegt: we hebben een luxeprobleem als het om het aantal geschikte kandidaten gaat, maar anderszijds zegt: we kunnen eigenlijk geen geschiktere kandidaat voor plek 5 vinden dan iemand die nog maar net één jaar geleden begonnen is aan haar eerste periode als wethouder Jeugd, Ouderen en Armoede in Delft. Als je in juni 2022 heel bewust aan zo’n klus begint, hoe fair is het dan om binnen 1½ deze functie, waar je 4 jaar voor getekend hebt, in te ruilen voor een nieuwe mooie stap op je carrière-ladder, omdat die mogelijkheid zich door de val van het kabinet toevallig drie jaar eerder aandient? Had de partijtop van de ChristenUnie je dan niet gewoon je karwei als wethouder moeten laten afmaken en je in 2027 hoog op de lijst moeten zetten?

Blijven er twee argumenten over die in mijn ogen voor het partijbestuur een goede reden kunnen zijn om een zittend kamerlid waarvan het partijbestuur zegt dat haar persoonlijke competenties niet ter discussie staan, slechts op de 9e plaats van de kieslijst te zetten:

– een verschuiving binnen de thema’s die voor ChristenUnie topprioriteiten zijn;

– de wenselijkheid van een optimale teamsamenstelling qua stijlen en persoonlijkheden.

We zien wel wat de ChristenUnie-leden komende zaterdag beslissen. En daarna is het woord aan de Christen-Unie-kiezers.

Geloofsgroei werkt als slowfood: ‘hoe langer hoe meer’

Een aantal jaren geleden kwam ik een oude schoolvriend tegen. Hij was jarenlang vrijgemaakt geweest, maar ergerde zich aan de lauwheid in onze kerken. Uiteindelijk werd hij, samen met zijn vrouw, lid van een baptistengemeente. Maar ook daar liep hij na verloop van tijd tegen hetzelfde aan. Dus is hij nu lid geworden van een charismatische gemeente waar volgens hem de Geest wel volop werkt en alle ruimte krijgt. 

Misschien is dit een extreem voorbeeld. Maar ik vind het wel herkenbaar. Er leeft bij veel christenen een sterk verlangen naar meer. We mogen van de Geest van Christus veel verwachten en daar moeten we ons ook naar uitstrekken. Daarbij mag je niet te klein van God denken. Met groot enthousiasme wordt iedere christen opgeroepen zich helemaal open te stellen voor de werking van de Heilige Geest. Hij geeft je een volheid van nieuwe krachten.

Regelmatig hoor ik dan uitdrukkingen als: ‘Ga staan in de overwinning van Christus!’ En: ‘De Heer wil je meer geven dan je tot nu toe van Hem ontvangen hebt’.

Als gevolg daarvan wordt de levensheiliging een heel belangrijk criterium waaraan wordt afgemeten of iemand echt ‘in de Heer’ is. Jezus Christus wil je immers MEER geven! Dan moet je dat ook in geloof aanpakken en oppakken. Dit is een hele optimistisch benadering van het leven als christen. Maar tegelijk stelt het ook hele hoge eisen aan je. Je hoeft immers niet meer te zondigen als je echt door de Heilige Geest Jezus als Redder en Heer aanvaard hebt.

In de Bijbel tref ik een heel andere toon aan. Daar wordt je als christen niet beoordeeld op je daden, maar op je motivatie. God kijkt niet naar hoe perfect jij bent; Hij kijkt naar je hart. Wat je voor God 100% bent (een totaal nieuw mens dankzij het bloed van Jezus) zul je in dit leven steeds meer worden (een groeiend christen dankzij de Geest van Jezus).

Je wordt als christen in dit leven dus ‘hoe langer hoe meer’ wat je in de ogen van God al bent.

Die woorden kwam ik weer tegen in de Heidelbergse Catechismus, toen ik over Zondag 26 preekte. En je komt het vaker tegen. Ik wil de passages die ik gevonden heb graag even noemen:

Zondag 26:70 ‘Wij zijn door de Heilige Geest vernieuwd en tot leden van Christus geheiligd, zodat wij hoe langer hoe meer van de zonde afsterven en godvrezend leven en onberispelijk leven.’

Zondag 30:81 ‘Het avondmaal van de Here is ingesteld voor hen die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te versterken en hun leven te beteren.’

Zondag 32:89 ‘Het afsterven van de oude mens houdt ook in dat wij onze zonden hoe langer hoe meer haten en ontvluchten.

Form. Avondmaal ‘Geef ons door uw Heilige Geest dat wij ons hoe langer hoe meer vol vertrouwen aan uw Zoon Jezus Christus overgeven. (…) Laat ons steeds meer groeien in het nieuwe verbond in Christus’ bloed.

Hierin zie ik een hele realistische benadering van het leven als christen. Ook in andere passages kom je heel duidelijk tegen, dat de HERE ons niet beoordeelt op de invulling van ons geloofsleven, maar op de geloofshouding waarmee wij in het leven staan. Ik noem er nog een paar:

Zondag 1:1 ’Door zijn Heilige Geest maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven.’

Zondag 44:115 ‘Wij bidden God om de genade van de Heilige Geest, om steeds meer naar het beeld van God vernieuwd te worden, totdat wij na dit leven het doel, namelijk de volmaaktheid, bereiken.’

Dordtse Leerregels III/IV 16 ‘Nu begint door de Geest een gewillige en oprechte gehoorzaamheid de overhand te krijgen.’

Dordtse Leerregels V 10 ‘De gelovigen leggen zich met heilige ernst toe op een goed geweten en goede werken..’

Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 24 ‘Het geloof, dat door de liefde werkt, beweegt de mens ertoe, zich te oefenen in de werken die God in zijn Woord geboden heeft.’

Form. Volwassenendoop en GeloofsbelijdenisVerlang je ernaar (vorige versie: begeert u van harte) God en je naaste lief te hebben en met de wereld van de zonde te breken?’

Form. Avondmaal ‘De zelfbeproeving eist, dat ieder zichzelf afvraagt of hij gezind is voortaan uit dankbaarheid met heel zijn leven God de Here te dienen en of hij zich ernstig voorneemt, voortaan in liefde en vrede met zijn naaste te leven.’

Form. Avondmaal ‘Wij begeren tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven.’

Niet wat ik ervan maak geeft in dit leven de doorslag. God kijkt naar mijn verlangen: om van Jezus Christus te zijn, voor Jezus Christus te leven en straks bij Jezus Christus te zijn.

Deze gereformeerde visie op het christelijke leven krijgt van J.I. Packer (1926-2020), een van de meest bekende bijbelgetrouwe theologen van onze tijd, in zijn boek ‘Wandelen door de Geest’ het positieve kenmerk mee van ‘realisme’.

Het is een benadering die rust geeft. Ik hoef mijzelf als christen niet te beoordelen op mijn eigen geloofsprestaties. Ik mag rust vinden bij wat ik bij Paulus op verschillende plaatsen lees, dat God een goed werk bij en in mij begonnen is. En dat zal Hij ook af maken, zodat ik op de dag van de terugkomst van Jezus zuiver, onberispelijk en helemaal vol van Christus zal zijn (Fil. 1:6-11). En dat geloof deel ik met mijn broers en zussen, zodat we samen, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, volledig toegroeien naar Hem die ons Hoofd is: Christus. Zo bouwen we elkaar op door de liefde (Ef. 4:15-16).

Geloven is allereerst: bij Jezus tot rust komen. ‘Kom bij Mij als je vermoeid bent en onder lasten gebukt gaat. Dan zal Ik je rust geven, werkelijk rust voor je ziel.’ (Mat. 11:28-30)

Rust. Daar begint het mee. Die rust geeft kracht. Kracht om hoe langer hoe meer als christen te leven. En als iemand dan zegt: ‘Kweek je met zo’n houding geen slappe, zorgeloze christenen?’ Dan zeg ik met Zondag 24:64 ‘Nee, want het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort.’

Bedrijfsopvolging bij boer en profeet

In VERBINDING, het magazine van de christenagrariërs van CCA en GMV, schreef ik dit artikel over een boerenzoon die zijn vader niet opvolgde; hij maakte een opmerkelijke carrière-switch.

(Foto voorpagina: Karla Leeftink Natuurfotografie)

Bedrijfsopvolging of carrière-switch?

-over hoe Elisa profeet werd- (1 Koningen 19:19-21 en 2 Koningen 2:7-14)

Familiebedrijven hebben iets romantisch. Tot 2013 was touwfabriek Van der Lee het oudste familiebedrijf in Nederland. Vanaf 1545 tot 2013 stond er altijd een Van der Lee aan het roer. Eind 2013 werd het na 468 jaar en 13 generaties overgenomen door een staalfabrikant. In 2023 bestaat de modezaak Van Westen Mannen uit Zaamslag in Zeeuws-Vlaanderen precies 100 jaar. Inmiddels staat de vierde generatie klaar.

Bij ons koningshuis loopt er een direkte (vrouwelijke) lijn van Willem van Oranje naar Willem-Alexander. Het huis van Oranje regeert dus, op twee stadhouderloze tijdperken en wat jaren Franse en Duitse bezetting na, al bijna 450 jaar over ons land.

Toch zijn dit uitzonderingen. In slechts een kwart van de gevallen gaat een bedrijf over van ouder op kind. Nog een generatie verder heeft in nog maar 10% van de gevallen een familielid de lei­ding. De kans dat een familiebedrijf het langer dan 50 jaar uithoudt, is dus niet zo groot. Je kunt beter een goede direkteur of mana­ger van buiten aantrekken dan de zaak overdragen aan je zoon of dochter.

BOODSCHAP

In de tijd dat Elia leefde, geloofde bijna niemand meer in God. Als profeet van de HEER had Elia het niet gemakkelijk met de boodschap die hij moest overbrengen: “Keer je af van je eigen gekozen afgoden en ga weer geloven in onze God, die hemel en aarde gemaakt heeft, de God van Abraham, Isaak en Jakob, de God die ons uit Egypte bevrijd heeft en via Mozes zijn heilzame geboden aan ons gegeven heeft.”

Onvermoeibaar was Elia geweest. Hij had in de wedstrijd ‘wie kan vuur uit de hemel laten regenen’ de macht van HEER laten zien. Toen hadden de Israëlieten gejuicht: “De HEER is God, de HEER is God!” Maar meteen na die glorieuze overwinning moet Elia maken dat hij wegkomt. Izebel is woedend op hem en wil hem binnen 24 uur dood in handen hebben.

Elia slaat op de vlucht en ziet het niet meer zitten. In de woestijn zegt hij tegen God: “HEER, het heeft geen zin meer. De Israelieten hebben het verbond dat U met hen gesloten had, naast zich neer gelegd. Ze trekken zich niets meer van U aan. Ik heb me volledig ingezet, maar ben alleen overge­ble­ven. Ik heb er genoeg van, HEER, laat mij hier sterven.” Maar God zelf overtuigt Elia om verder te gaan en Elisa te zalven als opvolger.

Maar met welk perspektief? Zullen er wel gelovigen overblijven? Of was het aanbidden van de HEER iets voor de liefhebber, was het lezen uit de wetten van Mozes net zoiets als een familiebedrijf, dat ook wel over 50 jaar verdwenen zou zijn? Zorgelijke tijden dus. Wil je laatste gelovige het licht uit doen?

Dat scenario was toen heel reëel. Net als vandaag. Denk jij ook wel eens: het christelijk geloof hangt in Nederland aan een zijden draadje? Is het binnenkort afgelopen met de kerk in Nederland, omdat iedereen wel op internet z’n geestelijke voedsel kan halen?

FAMILIEBEDRIJF

Elia mag het stokje overdragen aan Elisa. De zaak van God blijft bestaan. Maar voor Elisa betekent het wel een carrière-switch. Hij laat het familiebedrijf van zijn ouders achter. Van landbouwer wordt hij profeet. Eerst profeet in opleiding bij Elia, daarna zijn opvolger.

Elisa kiest er bewust voor om in het spoor van Elia verder te gaan. Om die reden had hij gevraagd om een dubbel aandeel in de geest van Elia. Want hij was er diep van doordrongen dat je niet uit eigen kracht profeet kunt zijn. Geloven doet een mens niet uit zichzelf. Daar heb je de Heilige Geest voor nodig.

God verhoort Elisa’s wens. Hij is getuige van de hemelvaart van Elia. Zo wijst de HEER hem Zelf aan als opvolger. Alleen Elia’s harige profetenmantel blijft achter, dezelfde mantel die Elia hem bij zijn roeping toege­worpen had. Die mantel is nu zijn ambtskleed. Daarmee maakt God hem duidelijk: ‘Jij, Elisa, zult optreden in de lijn van Elia. Bij je taak als pro­feet zul je, net als hij, kracht van mijn Geest krijgen.’ Dat blijkt direkt: als Elisa alleen bij de Jordaan terugkomt, her­haalt hij met de opgerolde mantel het teken van Elia. Zo kan Elisa als profeet beginnen en zo gaat het Woord van de HEER verder.

Dat Woord blijft bekend in Israel. En als Elisa sterft, krijgt hij net als Elia de eretitel: ‘Strijdwagens en ruiterij van Israel!: hij heeft voor Israel meer betekend dan Israels leger. Dat was in die dagen in een felle strijd gewikkeld met de Arameeërs uit Damaskus. De zelfstandigheid van het tienstammenrijk stond op het spel. Maar Elia en Elisa gingen voorop in het gevecht tegen een veel gevaarlijker vijand: de Baäldienst. Als zij er niet geweest waren, zou mense­lijkerwijs gesproken het geloof in de HEER uit Israel verdwenen zijn en was Israel geestelijk vernietigd. Maar door de tomeloze inzet van Elia waren er nog 7.000 gelovigen overgebleven. Van de prediking van Elisa ging nog meer wervingskracht uit. Zo zorgde God er zelf voor dat zijn Woord bekend bleef in Israel. Dat Woord houdt eeuwig stand.

ROEPING

Vandaag is er ook veel in beweging. We leven in onzekere tijden. Bedrijfsopvolging is verre van vanzelfsprekend. Dat bepaalt ons bij onze roeping. Waar wil God dat we ons inzetten voor Hem en onze medemens. En in welke voetsporen wil je vooral dat je kinderen gaan?

Elisa zou de het landbouwbedrijf van zijn vader overnemen. Het liep anders, hij werd geen boer, maar profeet, en nam de taak van Elia over. Iemand anders werd boer in zijn plaats. Beiden zetten het werk van hun voorganger voort. Daarin zie ik Gods leiding. Hij zorgt steeds voor aflossing van de wacht. Ook in zware tijden, zowel ekonomisch als qua geloof.

En of je een belangrijke positie hebt als ‘strijdwagens en ruiters van Israel’ of je doet gewoon je werk, Jezus roept ieder van ons op om als christen eerlijk de kost te verdienen en goede, opbouwende woorden te spreken (Efeziërs 4:28-29). Of je nu in de startblokken staat als bedrijfsopvolger of wanneer je een carrière-switch gaat maken.

Ds. Ernst Leeftink is predikant van NGK “De Lichtbron” in Balkbrug en NGK ‘De Hooge Eschkerk’ in Oosterwolde (Fr.)

Wie noemt zichzelf ‘de Roos van Saron’?

In de Bijbel geven God en Jezus Zichzelf vele namen en titels. Onlangs noemde de Christelijke Gereformeerde predikant W.L. van der Staaij onze Heer Jezus Christus de Roos van Saron.  Hij deed dat in  de openingstoespraak van de Haamstedeconferentie 2023 die van 28-30 augustus gehouden werd. Het ging over de vrijmoedigheid van het geloof, vanuit Handelingen 4 en dan met name vers 13:  “Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, (…) kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren.” Het was een mooie opening van de conferentie. Goede Bijbeluitleg met een aktuele toepassing naar vandaag toe. En dat alles in een bevindelijk taalkleed. Ergens halverwege (rond minuut 19:00) kwam opeens de Roos van Saron om de hoek kijken, toen Van der Staaij zijn toehoorders de vrijmoedigheid van de apostelen voorhield:  

“Is dat het wat ons drijft? Dat wij ook niet kunnen laten om te spreken wat wij, ja, eerst in de binnenkamer hebben gezien, hebben gehoord, boven het Woord van God gebogen. En dat die Roos van Saron, die heerlijke geur, ons leven mag doortrekken, dat het te ruiken is: ze zijn met Jezus geweest. Waardoor je vrijmoedig en vastberaden dat Woord mag doorgeven. Ja, het werkt dus wat uit, die omgang met de Here Jezus.”

Ik dacht: die typering van Christus hoor ik niet zo vaak in mijn vrolijk-orthodox-gereformeerde omgeving, dus laat ik eens kijken waar die vandaan komt. Nou, dat was vlug gevonden. In Hooglied 2:1 staat: ‘Ik ben een roos van Saron, een lelie der dalen.’ De bloem die SV, de HSV en de BGT vertalen met ‘roos’ wordt in de NV51 en de GNB met ‘narcis’ vertaald en in de NBV en de NBV21 met ‘lelie’.

Nu is het Hooglied een door de Heilige Geest geïnspireerd bijbelboek waarin de liefde tussen een jongen en een meisje prachtig bezongen wordt. Volgens een bepaalde uitleg gaat het daarbij niet zozeer om de menselijke liefde, maar om de liefde tussen Jezus Christus als Bruidegom en de christelijke kerk als zijn bruid. De opstellers van de Statenvertaling uit 1637 hangen die vergeestelijkende uitleg aan. Ook de Herziene Statenvertaling van 2010 kiest voor deze uitleg. In de HSV staat in de marge telkens ‘zij’ en ‘Hij’ om aan te geven dat de ene keer de kerk als Bruid van Christus aan het woord is en de andere keer de Bruidegom – Christus Zelf.

De vraag is nu: wie zegt er in Hooglied 2: 1 van zichzelf: Ik ben een roos van Saron, een lelie der dalen.’ In sommige bevindelijke christelijke kringen is de Roos van Saron een geliefde aanduiding voor onze Heer Jezus Christus. Een mooi voorbeeld daarvan is de bekende Engelse baptistenpredikant Charles H. Spurgeon. In een overdenking uit zijn dagboek schrijft hij over de roos van Saron: 

“Dit de schoonste en zeldzaamste roos. Jezus is niet slechts een roos, maar een roos van Saron, evenals Hij, zijn gerechtigheid vergelijkende bij ‘goud’ er bijvoegt: ‘het goud van Ophir,’ het allerbeste (…), en het huis vervullende met een liefelijke geur. (…) Gezegende roos, bloei eeuwig in mijn hart!”

HET MEISJE NOEMT ZICHZELF EEN ROOS VAN SARON

Maar wat blijkt? Volgens zowel de Statenvertaling als de Herziene Statenvertaling is het niet de jongen dit van zichzelf zegt, maar is hier het meisje aan het woord! Het gaat het dus, als je Hooglied geestelijk opvat, niet over Christus Zelf, maar over zijn Bruid – de kerk.

De auteurs van de Statenvertaling zeggen in de Kanttekeningen, dat volgens sommigen hier de Bruidegom spreekt, maar zelf kiezen ze nadrukkelijk voor andere optie:

“Overmits hier gesproken wordt van de roos, wassende in de velden van Saron, en van de leliën in de dalen (…), zoo schijnt het dat hiermede wordt te kennen gegeven dat de kerk van Christus verdrukking onderworpen is, gelijk de bloemen des velds van ieder, die daar voorbijgaat, lichtelijk afgeplukt en van de beesten vertreden en afgebeten worden. Deze zin blijkt de rechte te zijn uit vs. 2.”

In de Herziene Statenvertaling staat in de marge van dit vers niet ‘Hij’, maar ‘zij’. Oftewel: de kerk van Christus tooit zichzelf met de titels ‘een roos van Saron’ en ‘een lelie der dalen’.

Nu zegt dit niet alles. De Herziene Statenvertaling houdt in een noot de optie open dat hier (net als in de twee verzen eraan vooraf) ‘Hij´ aan het woord is. En volgens een reformatorische collega noemen de kanttekeningen beide opties, dus is het heel legitiem om Christus de Roos van Saron te noemen die met zijn heerlijke geur het leven van zijn volgelingen doortrekt.

GEVOEL MAG DE UITLEG NIET BEPALEN

Maar zo gemakkelijk kun je je er volgens mij niet van afmaken. En wel om twee redenen. Allereerst: veel christenen die graag de typering van Christus als de Roos van Saron gebruiken, zijn van mening dat de mannen die de Statenvertaling hebben opgesteld door de Heilige Geest geleid zijn. Daarom vinden ze alle andere vertalingen tot aan de HSV aan toe minder bijbelgetrouw. Volgens hen moet je ook de kanttekeningen als integraal onderdeel van de Statenvertaling zeer serieus nemen. Als dat jouw opvatting is, kun je volgens mij niet opeens zeggen: ‘Ook al kiezen de Statenvertalers heel bewust voor de uitleg dat in Hooglied 2:1 het meisje aan het woord is en geven ze nadrukkelijk aan dat het hier om de kerk van Christus gaat die als een roos in het open veld en een lelie in het open dal aan allerlei verdrukking onderworpen is – toch kiezen wij, omdat wij zo gehecht zijn aan de geliefde bevindelijke typering dat Christus als Bruidegom voor zijn kerk als bruid de Roos van Saron, voor de andere interpretatie die de Statenvertaling wel als mogelijkheid noemt, maar zeer onwaarschijnlijk acht. Dat is volgens mij een erg mensgerichte manier van bijbellezen: de exegese / uitleg van Gods Woord wordt bepaald door het gevoel dat de lezer bij de tekst heeft.

SCHRIFT MET SCHRIFT VERGELIJKEN

Dat brengt mij bij de tweede reden waarom je volgens mij,  wanneer je Hooglied strikt op Christus en zijn kerk toepast, de uitdrukking ‘een roos van Saron’ niet op Jezus kunt toepassen. Je moet als exegeet altijd kijken in welk verband een woord of een passage staat. Nu komt de uitdrukking ‘een roos van Saron’ verder niet voor in Hooglied en ook niet in de rest van de Bijbel (alleen in Jesaja 35:1+2 komen ‘roos’ en ‘de Saron’ in hetzelfde verband voor, namelijk dat de woestijn weer in bloei zal staan als een roos -vs. 1- en er zo prachtig zal uitzien als de Libanon, de Karmel en de Saron). Maar de lelie, de tweede bloem waarmee het meisje zich in Hooglied 2:1 vergelijkt, staat nog zeven keer in het hele boek Hooglied: de lelie. Daarvan gaat het drie keer om de lelie als beeldende taal voor iets moois (4:5 – uw beide borsten, 5:13 – zijn lippen, 7:2 – uw buik). Maar de andere vier keer is het de jongen die zijn meisje een lelie noemt. Ik citeer ze alle vier uit de Statenvertaling

In Hooglied 2:1 zegt het meisje: “Ik ben eene roos van Saron, eene lelie der dalen.” Meteen reageert de jongen door in Hooglied 2:2 met de woorden: “Gelijk eene lelie onder de doornen, alzoo is mijne vriendin onder de dochteren.” De kanttekeningen zeggen, dat het hier over de ware kerk gaat.

In Hooglied 2:16 zegt het meisje: “Mijn liefste is mijn, en ik de zijne, die weidt onder de leliën.” De kanttekeningen zeggen hier, dat de lelies ‘het gezelschap der godzaligen’ is.

In Hooglied 6:2 zegt het meisje:  “Mijn liefste is afgegaan in zijnen hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven en om de leliën te verzamelen.” De kanttekeningen zeggen over dat laatste: ‘om tot zich te vergaderen zijn uitverkoren volk, hetwelk vergeleken wordt bij de leliën onder de doornen.’

En in Hooglied 6:3 zegt het meisje opnieuw: “Ik ben mijns liefsten, en mijn liefste is mijn, die onder de leliën weidt.” Hier zeggen de kanttekeningen dat de lelies een beeld zijn van ‘een overvloedige, lustige weide, tot verkwikking en tot eeuwigen troost zijner schapen.’

PAS OP VOOR KLANKEXEGESE

Uit dit vergelijkend Bijbelonderzoek blijkt duidelijk, dat in Hooglied het beeld van de lelie nooit voor de jongen gebruikt wordt. Dan is het onwaarschijnlijk dat in Hooglied 2:1 de jongen aan het woord is en zichzelf een roos van Saron en een lelie der dalen noemt. Zeker als meteen daarop in vers 2 de jongen exact hetzelfde woord voor lelie gebruikt en zijn meisje zo noemt.

Hetzelfde geldt voor Hooglied 1:16. Daar zet de HSV, net als 2:1, zonder uitleg in de marge een * met onderaan: ‘zij – Of: Hij’. Alleen maar, vermoed ik, om tegemoet te komen aan lezers dieRoos van Saronvanuit geliefd bevindelijk taalgebruik op Christus willen laten slaan. Maar in 1:16 zegt het meisje ‘Mijn Liefste’. Dat woord wordt in heel Hooglied 31x gebruikt en is dan altijd een aanduiding van de Bruidegom. Dat geldt ook voor 1:16. Nu zegt in de HSV ook de Bruidegom 1x ‘liefste’ tegen zijn bruid, nl. in Hooglied 7:6. Maar daar staat een ander Hebreeuws woord dan voor ‘mijn liefste’, en volgens de Statenvertaling en veel bijbeluitleggers (COT / POT) betekent het eerder ‘liefde’ dan ‘liefste’.

Als dan ook nog eens de kanttekeningen van de voor veel reformatorische christenen meest bijbelgetrouwe Nederlandse vertaling (zowel letterlijk als qua eerbied voor Gods Woord) telkens de lelie op het meisje = de kerk als Bruid van Christus betrekken, en de lelies op de uitverkoren gelovigen, kun je als bijbelgetrouwe exegeet moeilijk anders dan erkennen, dat in Hooglied 2:1 het meisje aan het woord is en zichzelf vergelijkt met een geurige roos die staat te schitteren in de vlakte van Saron en een lelie die prachtig in bloei staat in een lieflijk beekdal.

Volgens mij is het dan niet logisch om te zeggen dat Jezus Christus onze Heer de meest voortreffelijke Roos van Saron is die ons leven met zijn heerlijke geur wil doortrekken. Dat is een vorm van klank-exegese: op het gevoel af een bijbelse term op de verkeerde Persoon toepassen.

WEES ALS KERK VAN CHRISTUS EEN WELRIEKENDE ROOS VAN SARON

Je zou beter kunnen benadrukken dat christenen persoonlijk en de christelijke kerk er alles aan moeten doen om, geheiligd door de Heilige Geest, als een Roos van Saron de lieflijke geur van het Evangelie te verspreiden. Dat past ook nog eens bij de vergelijking die Paulus in 2 Korintiërs 2:15+16 maakt: “Wij zijn voor God een aangename geur van Christus, onder hen die gered worden (…) een levensgeur, die leidt tot het leven.” Christenen en kerken die goed bekend staan verspreiden een heerlijke geur. Ze ruiken net zo lekker als een Saron-roos.

Groene preek: Wees zuinig op Gods spullen!

“Helaas is uw preek niet de winnende.” Dat kregen 62 theologen en 75 lekenpredikers te horen van de jury die moest kiezen welke twee ingezonden preken het meest aansprekend groen waren. Johan Lock en ds. Willem Maarten Dekker waren de terechte winnaar. Er zijn geen nrs. 2, 3 enz. bekend gemaakt. Geen idee dus wat de jury van mijn ingezonden groene preek vond. Hieronder de tekst, de preek en de plaatjes.

Deuteronomium 22:6-7

Stel dat je onderweg bent en in een boom of op het land een nest ontdekt waarin een vogel op haar jongen of haar eieren zit. Dan mag je het nest uithalen, maar het moederdier moet je laten vliegen. Het is verboden én de jongen én het moederdier te pakken. Wie zich hieraan houdt, zal lang en gelukkig leven.

Voor mij is het elk jaar weer een fascinerend gevoel, wanneer je in het voorjaar de eerste kieviten weer mag begroeten. Als je deze weken ergens door de groene velden fietst, hoor je al gauw die heel eigen roep van de kievit. Je kijkt eens, en ja hoor, daar buitelt hij al over de akkers, met zijn karakteristieke zwart-witte verenpakje, en je hoort hem alsmaar roepen: kie-oe-wiet-wiet-wiet, kie-oe-wiet. Als je stopt om wat meer aandacht aan hem te schenken, zie je misschien wel, dat hij elke meeuw of kraai die te dicht in de buurt komt, aanvalt, door er in scheervlucht op af te duiken. Zo jaagt hij ze met ongekende felheid weg. Dan weet je: hier in de buurt zit een vrouwtje op haar nest met vier eieren. En het is de kunst, om dan zo’n nestje te vinden. Dat valt nog niet mee, want een kievit op het nest is bijna niet te zien, en de eieren al helemaal niet vanwege hun groene schaal met bruine en zwarte vlekken.

Wat hebben kievitseieren nu met het geloof te maken? Voor mij dit, dat je in de natuur ziet, hoe mooi God de wereld gemaakt heeft. De levende natuur, dat is Gods eigen schep­ping! Hij wil dat we met zijn wereld zorgvuldig omgaan. Het mag geen wanbeheer worden.

Maar we weten allemaal, wat voor puinhoop we als mensheid er in de afgelopen 100 jaar van gemaakt hebben. Olierampen, luchtvervuiling, opwarming van de aarde, illegale houtkap, giftig water dat stiekem geloosd wordt. Enzovoort enzovoorts. En hoe doen jij en ik het zelf, in het klein? Jongeren (maar zij niet alleen!) smijten lege verpakkingen en frisdrankblikjes achteloos langs de kant van de weg, volwassenen nemen voor elk kleinigheidje de auto. Dat het slecht is voor het milieu? Boeie! Maar óók daardoor wordt het leven in de natuur bedreigd. Liefde voor de natuur moet je leren. Daarom gaat het vanavond over de vraag: hoe ben jij en hoe zijn wij met de schepping bezig? Hoe verantwoord en bewust? Want:

God ziet graag dat je zuinig bent op zijn spullen

Hoe ga je om met de natuur en milieu? In de bijbel staan daar geen direkte uitspraken over. Want die tijd was de natuur, met de wilde dieren voorop, voor het grootste deel nog een bedreiging voor de mensen. Wilde dieren moest je dus verjagen. Het probleem van uitstervende dieren en planten is ver van het bijbelse toneel verwijderd.

Verder is het ook best wel belangrijk om te beseffen: de natuur is door God geschápen en mag door de mensen ge­bruikt worden. Er is dus geen eigen zelfstandige plaats voor ‘Moeder Natuur’ of ‘Moeder Aarde’. En waarom niet? Dat hangt samen met het geloof in God: er mag niet iets of iemand voor God in de plaats komen. Ook de natuur of het milieu mag niet vergoddelijkt worden.

Waarom staat zo’n voorschrift over eieren zoeken dan in de Bijbel? Om twee redenen, denk ik.

Allereerst: Israel is een vogelrijk land. Er komen zo’n 350 verschillende soorten voor. Mozes geeft de Israelieten niet voor niets een lange en gedetailleerde lijst van reine en onreine vogels. Die eerste mag je eten, en dus werd er jacht op gemaakt met pijl en boog of met het klapnet. Psalm 124 verwijst ernaar en in Amos 3:5 staat: ‘Duikt ooit een vogel in een klapnet neer als het aas ontbreekt? Slaat ooit een klapnet dicht zonder dat er iets te vangen is?’ De HERE vergelijkt zijn volk zelfs één keer met vogels die met een klapnet gevangen worden. Als de Israelieten van het Tienstammenrijk de HERE in crisistijd niet om hulp vragen, maar hun toevlucht ergens anders zoeken, bij Egypte of bij Assyrië, staat er in Hosea 7:12 + 13a dat God over zijn ongelovige volk zegt: “Als zij nog eens op weg gaan, zal Ik mijn net over hen uitspreiden. Ik haal ze neer als vogels uit de lucht. Zodra Ik hun zwerm hoor, neem Ik ze gevangen. Onheil kome over hen, omdat zij van Mij zijn weggevlogen.” Oftewel: wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen, net zoals een jonge vogel die zich te ver van z’n moeder verwijderd. Denk maar aan de jonge eendjes in de sloten die door snoeken of reigers of ratten worden gepakt als ze net even te ver uit de buurt van de moedereend zijn.

Vogels zijn dus belangrijk voor de Israelieten. Ze zorgen voor voldoende voedsel. Dat is de eerste reden, waarom deze bepaling door Mozes in Deuteronomium wordt opgenomen. Het is een kwestie van gezond verstand om, als je een vogelnest vindt, de moeder te sparen. Dezelfde overweging kom je tegen bij de wet ter bescherming van bomen in hoofdstuk 20:19-20 van Deuteronomium: “Als u een stad langdurig moet belegeren, mag u haar boomgaarden niet vernietigen. Laat de bijl rusten en laat de bomen staan, want u moet er zelf van eten, en bovendien: is een boom soms een mens, dat u tegen hem moet strijden? Alleen de bomen waarvan u weet dat ze geen vruchten geven, mag u vernietigen of omhakken om ze te gebruiken voor de belegering van de stad waarmee u in oorlog bent.” De Israelieten mogen níet de taktiek van de verschroeide aarde toepassen, want én voor hezelf én voor de vijanden moet de mogelijk­heid blijven bestaan, om in leven te blijven. Daarom mogen vruchtbo­men niet zomaar gerooid worden, en daarom mogen vogelsoorten niet uitgeroeid worden. Zo hebben de Israelieten zélf baat bij een verant­woord omgaan met de natuur.

Toch is er nog een tweede reden voor dit voorschrift over een ­nest met een broedende vogel. Die is minstens zo belangrijk. Namelijk: God wil dat je eerbied hebt voor ál het leven dat Hij geschapen heeft. Als je een vogel mét haar jongen of eieren meeneemt, verstoor je het evenwicht in de natuur. Zo mag je niet omgaan met Gods schepping. God wil ons juist eerbied bijbrengen voor zijn schepping. En dus ook voor alles wat er in de natuur leeft. In Genesis 1 kun je lezen hoe God de wereld in zes dagen gemaakt heeft en er Zelf het stempel ‘zeer goed’ opzette. Adam en Eva kregen van God de opdracht de opdracht mee om het paradijs te bewerken en te bewaren en te heersen over alle dieren. Er is dus geen gelijkheid tussen mens en dier. Maar mens en natuur waren wel met elkaar in harmonie. De dieren trekken vredig bij Adam langs om van hem allemaal een naam te krijgen. Stel je eens voor, wat een prachtgezicht dat geweest moet zijn. Daarin laat Adam zien, dat hij beeld van God is. Pas na de zondeval is alles anders geworden. Dan lukt het niet meer om de natuur volledig in bedwang te houden. Dán pas wordt het mooie kruid ónkruid en begint het te woekeren. Dán pas worden de dieren wild en gevaar­lijk. Dán pas beginnen mensen ook mísbruik van de natuur te maken.

Maar God blijft van ons vragen dat we zorgvuldig met heel de natuur omgaan. Het is zíjn schepping! Dat blijkt wel heel duidelijk uit de geschiedenis van Noach. Als de zondvloed voorbij is, wat belooft God dan? Dan belooft God, dat Hij nóóit weer alle mensen en dieren zal uitroeien door ze te laten verdrinken. Hij geeft er zelfs een prachtig teken bij: de regenboog. Maar aan wíe belooft God dat allemaal? Aan Noach natuurlijk. En aan Sem, Cham en Jafeth. Ja, maar óók aan de dieren. God zegt tegen Noach: Dit is het teken van het verbond dat Ik met alle levende wezens op aarde gesloten heb. God is dus niet alleen vriendelijk voor de mensen, maar ook voor de dieren. En dáárom moeten wij het ook zijn. God vraagt respekt voor héél zijn schepping. Planten en dieren mag je gebruiken voor eten en kleding en noem maar op. Maar de opdracht om te heersen over de schepping betekent niet, dat we als mensen dieren mogen mishandelen, komplete bossen mogen vernielen, zeeën mogen vervuilen en ijskappen laten smelten. Dat is geen góed beheer, maar wanbeheer.

Hoe breng je dat konkreet in de praktijk? Ik zou zeggen: laat iedereen dat maar voor zichzelf bepalen. Als je de woorden van Spreuken 12 maar ter harte neemt: ‘Een rechtvaar­dige zorgt goed voor zijn vee, een goddeloze is alleen maar wreed.’ Dat geldt uiteraard voor boeren, want het gaat over vee, en dan ben je als christen wel verplicht om over intensieve veehouderij en bio-industrie na te denken. Tot hoever mag dat gaan?

Maar ook: hoe ga jij zelf met dieren om? Trek je een kat aan z’n staart, of leg je er in de laatste dagen voor oud en nieuw een strijker onder? Bind je de hond maar aan een boom, als je in de zomer op vakantie gaat? Heb je wel eens nagedacht over scharreleieren en plofkippen?

Liefde voor de natuur en respect voor Gods schepping blijkt in de kleine dingen. Bijvoorbeeld hoe de Israelieten omgaan moeten met een vogel die op haar eieren zit. De eieren meenemen én tegelijk de moeder doden mag niet. Iets dergelijks staat in Leviti­kus 22:28: ‘Een rund, schaap of geit mag je niet tegelijk met z’n eigen jong op dezelfde dag slachten.’ Twee generaties tegelijk doden is een aanslag op het voortbestaan van de soort. Dan ben je bezig het leven in de schepping egoïstisch voor jezelf op te gebruiken. De HERE ziet het graag anders. Ja, Hij ziet graag dat je zuinig bent op zijn spullen.

Verloste mensen – als je door de Heilige Geest christen bent geworden, dan bekommer je je om meer dan alleen je eigen zieleheil. Dan begin je weer een paradijsmens te worden. Iemand die beseft: God heeft mij als rentmeester over zijn goede schepping aangesteld. Onthoud steeds: de aarde is, met al wat leeft, met al wat zij aan schatten heeft, het wettig eigendom des HEREN! Het is Góds schepping! Laten we dat niet vergeten. Want al die aandacht voor het milieu in onze tijd, tot en met een Partij voor de Dieren in de Tweede Kamer – al die aandacht kun je bij veel mensen ook verklaren uit het feit, dat ze niet meer in God geloven, en in een leven na dit leven. Dan ga je óf oppervlakkig leven: leve de vrolijkheid en de lol – YOLO!!; óf je zoekt een nieuwe vulling in je leven, en heel vaak wordt dat het milieu. Want deze aarde die we hebben, is de enige werkelijkheid die er is. Maar als christen weet je toch beter! Déze aarde is van God, en voor Hém leven we. Vergeet tegelijk niet, dat de wereld zoals wij die nu kennen, eens ten onder gaat. Er komt dus een keer een eind aan onze aarde. Maar juist omdát je dat weet, mag je van alle dingen in het leven wél ge­bruik maken, zegt Paulus in 1 Korintiërs 7. Want wie het kleine (deze oude, door de zonde aangetaste aarde) niet eert, is het grote (de nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont en waar de leeuw en het lammetje met elkaar spelen) niet weerd.

Wees dus zuinig op Gods spullen! Op zijn Woord, op zijn kerk, op zijn kinderen, maar ook op zijn schepping, want zie, die was zeer goed.

De scholen zijn weer begonnen – het leven als christen gaat gewoon door

Aan alles komt een eind. Dat geldt ook voor de vakanties. Het is alweer september. Werk, school en studie, het gewone leventje is weer begonnen.

In de kerk is dat ook zo. De bijbelstudie gaat weer van start. De catechisaties gaan weer beginnen. We maken plannen voor gezamenlijke ontmoeting en verdieping.

Toen ik daar wat over nadacht, zag ik plotseling een klein verschilletje tussen school en werk aan de ene kant en het christen-zijn aan de andere kant. Van school en werk heb je vakantie. En als je vrij bent, in het weekend en in de vakanties, heb je géén school en neem je (als het goed is) het werk níet mee naar huis.

Christen-zijn is andere koek. Of je het beseft of niet, God is dagelijks met jou op pad. En omgekeerd vindt Hij het fijn, wanneer jij dagelijks je contactmomenten met Hem hebt. Dagelijks een ommetje.

In Psalm 68 vers 20 staat het allebei, afhankelijk van de vertaling die je kiest: Geprezen zij de Here. Dag aan daag draagt Hij ons. (NV51) Of: Geprezen zij de Heer, dag aan dag. Deze God draagt ons. (NBV21)

Het eerste -dat God ons elke dag draagt- gaat vanzelf. Want dat heeft God beloofd. En dan doet Hij het ook. Dankzij Jezus Christus is Hij onze hemelse Vader. Als Vader heeft Hij ons grenzeloos lief en is Hij eindeloos geduldig.

Het tweede -dat wij God elke dag prijzen- gaat niet vanzelf. Dat weet God, want net zoals een moeder haar kind kent, kent Hij ons. Daarom helpt Hij ons daarbij. Op heel veel manieren. Zodat wij leren, een leven lang leren zelfs, om toch met God te blijven wandelen. Door alle ups en downs heen aan zijn Vaderhand.  Niet alleen op zondag. Niet alleen in tijden van nood. Maar ‘dag in dag uit’.

Dat wens ik iedereen toe: dat je elke dag even een ommetje met God maakt. Dan laat je je namelijk leiden door de Geest en volg je de richting die de Geest je wijst, zegt Paulus tegen de Galaten (5:25).

Dat is ‘leven als christen’. Daar heb je geen vakantie van. Dat doe je in je vakantie én na je vakantie. Op zondag én zes dagen per week. Van jongs af aan tot en met je oude dag. En je doet het, als het enigszins kan, samen. Daar zijn we samen kerk voor.

Ga met God! Dagelijks op weg met je Schepper en Vader.

Ga met Jezus! Dagelijks op weg met je Redder en Vriend.

Laat je leiden door de Heilige Geest! Dagelijks op weg met gevouwen handen.