Een geloofsgesprek aan de keukentafel (de engel Gabriël op bezoek bij Maria)

De beste gesprekken vinden meestal plaats aan de keukentafel. Zo stel ik me ook het gesprek tussen Gabriël en Maria voor. Bij mij zit het plaatje in het hoofd van Gabriël die plotseling in de deuropening staat en Maria, die net aan haar rondje huis begonnen is, aanspreekt. Niet persé zoals in dit plaatje, maar wel in die trant. Na de begroeting zijn Gabriël en Maria ergens gaan zitten, stel ik me zo voor. Misschien wel aan de keukentafel. Want ja, daar vinden meestal de beste gesprekken plaats.

Nu was dit wel een heel bijzonder gesprek. Maria krijgt van Gabriël te horen dat zij ‘bij God in de gunst staat’ (NBV), genade gevonden heeft bij God’ (HSV), ‘door God is uitgekozen voor iets moois’ (BGT). Want Maria zal de moeder worden van de lang verwachte Verlosser van Israel, de grote Zoon van God , die voor altijd als Koning op de troon van David zal regeren over al Gods kinderen.

MARIA

Drie keer reageert Maria hierop. Drie keer heel gelovig. Eerst denkt ze lang  na over deze mededeling. Dat is gelovige reaktie 1. En als ze het allemaal verwerkt heeft stelt ze maar één vraag. Dat is gelovige reaktie 2. Ze neemt,  lijkt het haast, zonder meer aan dat zij de moeder van de beloofde Messias mag worden. Ze vraagt zich alleen af: ‘Hoe zal ik zwanger worden? Want om een kind te krijgen heb je ook een man nodig en zo ver zijn Jozef en ik nog niet gegaan.’ Ook op die vraag geeft Gabriël een antwoord. En hij geeft er een hint bij:  ‘Wist je dat tante Elisabeth op haar 65e ook nog een kind krijgt?’ Maria begrijpt wat Gabriël daarmee zeggen wil, want ze reist meteen af van Nazareth naar de heuvels van Judea. Want dit nieuws is te groot om met iemand anders over te praten. Ze kan als dochter van 16 toch niet thuiskomen met: ‘Mama! Je zult het niet geloven, maar vanmorgen stond er een engel in de deuropening. Het was Gabriël. En aan de keukentafel hadden we toch een bijzonder gesprek!’ Nee, inderdaad … dat zou Maria’s moeder niet geloven. Laat staan dat ze ’s avonds aan Jozef voorstelt om een wandelingetje te maken en hem dan bij het meer van Galilea vertelt: ‘Zeg Josh,  je zult het wel een apart verhaal vinden, maar binnenkort krijgen we een kindje. Nee, ’t is niet van iemand anders, maar van God. Zullen we er even bij gaan zitten? Dan leg ik het je wel even uit.’ Nou, dat is inderdaad zo apart, Maria weet niet eens hoe ze het geloofwaardig aan Jozef kan vertellen. Dus wijst Gabriël haar op Elisabeth, die geen kinderen kon krijgen, maar nu ook zo wonderlijk, tegen alle verwachting in, al dik zes maanden zwanger is.

Maar eerst zegt Maria nog: ‘De Heer wil ik dienen. Laat er met mij gebeuren wat u gezegd hebt.’ Deze gelovige reaktie 3 is helemaal in lijn met de eerste twee. Ze gelooft wat Gabriël net gezegd heeft: ‘Want niets is voor God onmogelijk.’ Ze zet een stap in het geloof waarvan ze de gevolgen totaal niet kan overzien.

EEN STAP IN GELOOF

Een stap in het geloof zetten. Omdat God het van je vraagt. Wanneer gebeurt dat? Wanneer kun je dat? Als de Heilige Geest over je komt en de kracht van God je overschaduwt. Dat zal bij Maria op een bijzondere manier gebeuren, zegt de engel Gabriël. Zo werd zij de moeder van Jezus, haar Heer.

Maar de Heilige Geest was al op een gewone manier over Maria gekomen. Ze had de kracht van God al in zich. Want ze geloofde. Dat is ook een wonder trouwens, want het geloof ontstaat volgens Jezus op de manier van een geboorte. Je wordt opnieuw geboren als de Heilige Geest in jou het geloof verwekt.

En als dát gebeurt … sta je versteld van wat dat uitwerkt. Bij Maria – 16 jaar oud en bijna zwanger. Bij anderen. Maar ook bij jezelf: ‘Wat U in uw Woord tegen mij zegt, Heer, ik ben bereid om dat te doen.’

Wat wil God vandaag van jou? Stel je die vraag en denk daarbij aan Maria. Die reageerde drie keer vanuit een gelovige houding. Als God iets tegen je zegt – hoe luister je dan? Als God iets van je wil – hoe reageer je dan? Als God iets van je vraagt – wat doe je dan?

Denk bij deze vraag ook aan Jezus onze Heer. Toen God tegen Jezus zei: ‘Leg je glorie af’ – zei Jezus: ‘Ik ben bereid om te gaan, Vader.’  Toen God tegen Jezus zei: ‘Nu wil Ik dat je gaat’– zei Jezus: ‘Hier ben Ik om uw wil te doen.’ Toen God tegen Jezus zei: ‘Drink de beker tot  de laatste druppel leeg’ – zei Jezus: ‘Laat uw plan doorgaan.’

DE HEER IS MET JE

En vergeet tenslotte het meest onbekende zinnetje dat Gabriël tegen Maria sprak niet: ‘Maria, de Heer is met je.’ Dat is God altijd. Maar Hij zegt het nog eens extra duidelijk als er iets bijzonders van je gevraagd wordt. Ja, Jezus heeft het gezegd toen Hij naar de hemel ging. Want Hij wist toen al, dat  gelovigen vandaag zich zo vaak afvragen: ‘Hoe hou ik het vol als christen? Waarom sta ik er voor mijn gevoel zo vaak alleen voor? Ik twijfel zo vaak en m’n geloof wordt zo gemakkelijk onderuit gehaald.’  Herinner je je dan de famous last words van onze Heer: ‘Ik ben bij jullie, van dag tot dag, tot aan de voltooiing van de wereld.’

Je hoeft geen Maria te zijn om daar op te vertrouwen. Vraag de Heilige Geest alleen wel om hetzelfde geloof als Maria. ‘Heer, hier ben ik om uw wil te doen.’ En hoor dan de Heilige Geest fluisteren: ‘Ga maar, want de Heer is met je.’

‘O God, verlos onze Palestijnse medechristenen uit al hun benauwdheden’

Op 13 november schreef ik voor CVandaag het opiniestuk ‘Bijbelse retoriek van sommige pro-Israël christenen is ongepast‘ over christenen die met een beroep op het Oude Testament onvoorwaardelijk de kant van Israel kiezen in het conflict met de Palestijnen. Hieronder volgt de tekst van dat opiniestuk. Maar eerst nog twee vooropmerkingen.

In het Nederlands Dagblad van 27 november stond een interview met Bernard Reitsma die goed onder woorden brengt hoe ongerijmd het is om allerlei profetieën en beloften van God zomaar op het Israel van nu te plakken.

Op 28 november publiceerde CVandaag een interview met Willem Ouweneel, die van mening is dat alleen christenen die wél geloven dat de Bijbelse profetieën over en beloften aan Israel vandaag in vervulling gaan. Volgens hem horen ‘vrijzinnigen’ én ‘aanhangers van de vervangingstheologie’ niet bij de ‘bijbelgetrouwe gelovigen’. Zelf zet hij een is-gelijk-teken tussen Israel toen en Israel nu. “Terwijl het volk Israël in het Oude Testament streed tegen de Amalekieten of de Filistijnen, zo strijdt het volk nu tegen Hamas.” En dus vindt hij het volkomen terecht dat om Psalm 25 vers 22 (O God, verlos Isral uit al zijn benauwdheden) op de politieke situatie van vandaag toe te passen, zoals de organisatie ‘Christenen voor Israël’ meteen na de pogrom van Hamas deed.

Voor mij was het aanhalen van Psalm 25 vers 22 juist de reden om in CVandaag onderstaand opiniestuk te schrijven. Ik had daarbij zelf als kop de titel bedacht: ‘O God, verlos België uit al z’n benauwdheden’ of ‘Als je Bijbel en politiek door elkaar haalt’.

Een aantal jaren geleden bezocht ik met een groep jongeren van 18-20 jaar een gebedsuur tijdens de jaarlijkse Week van Gebed. In drie rondes mochten we in groepjes bidden voor ‘de kerk’, ‘de wereld’ en ‘Israel’. Eén van de jongeren vroeg zich hardop af: “Waarom Israel? Waarom niet België?” Ik heb zijn verbaasde opmerking altijd onthouden. Inderdaad, waarom zou je als christen apart voor het land en de staat en de Joodse burgers van Israel bidden, meer dan voor andere landen en mensen?

Sinds de gruwelijke oorlog in Israel en Gaza die Hamas op 7 oktober jl. ontketend heeft, zijn er veel christenen die Bijbelteksten citeren om hun steun aan Israel te betuigen. De november-editie van Israëlaktueel, het blad van ‘Christenen voor Israël’, plaatste op de voorpagina een grote foto met in vetgedrukte letters: “O God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden.” Psalm 25:22 

Nu sta ik achter Israel als het gaat om z’n bestaansrecht. En ik sta achter Israel als het gaat om het recht zichzelf te verdedigen tegen de intense Jodenhaat van Hamas en anderen die Palestina van de rivier tot de zee ‘Judenfrei’ willen maken.

Ik begrijp ook, dat premier Netanyahu het Oude Testament gebruikt om het bestaan van Israel als vrije natie te legitimeren. Want hij is zelf een Jood. Vanuit zijn perspektief heeft het Joodse volk een historisch, goddelijk recht om het land te bewonen dat God hen beloofd heeft.

Het is opmerkelijk dat Natanyahu al op 22 september 2023 tijdens zijn toespraak bij de Verenigde Naties in New York een bijbelgedeelte aanhaalde. Hij hield de leden van de Algemene Vergadering voor, wat er volgens Deuteronomium 27 en 28 op de bergen Ebal en Gerizim gebeurde, toen Israel het beloofde land binnentrok. “Mozes zei dat het lot van het volk bepaald zou worden door de keuze die zij zouden maakten tussen ‘de zegen en de vloek.’ Diezelfde keuze heeft door de eeuwen heen weergalmd – niet alleen voor het volk van Israël, maar voor de hele mensheid. We staan ​​vandaag voor een dergelijke keuze. Het zal bepalen of we de zegeningen zullen genieten van een historisch stukje grenzeloze welvaart en hoop, of zullen lijden onder de vloek van een gruwelijke oorlog van terrorisme en wanhoop,” aldus Netanyahu. Hij zei dit omdat Israel en Saoedi-Arabië binnenkort een vredesakkoord zouden ondertekenen. Dat “zal werkelijk een nieuw Midden-Oosten creëren.” Maar, waarschuwde hij erbij, “er zit een addertje onder het gras zit. Het radicale, giftige terreurregime in Teheran is vastbesloten dit alles te dwarsbomen en nog meer vernietigingszaden in het Midden-Oosten te zaaien.” (zie bron)

Amper twee weken later bleek hoe giftig die adder was, met alle gevolgen van dien tot de dag van vandaag. Intense Jodenhaat leidt tot onbarmhartige Jodenwraak. Op 25 oktober sprak Netanyahu het Israelische volk toe en verwees daarbij naar een profetie van Jesaja. “Onze oorlog tegen Hamas is een test voor de hele mensheid. Het is een strijd tussen de as Iran-Hezbollah-Hamas van het kwaad en de krachten van vrijheid en vooruitgang. Licht zal duisternis verslaan. Met vereende kracht, met een diep geloof dat we een gerechtvaardigde strijd voeren en dat Israel eeuwig zal bestaan, zullen we de profetie van Jesaja 60:18 realiseren: ‘Van geweld in je land wordt niets meer vernomen, noch van verwoesting en rampspoed binnen uw grenzen. Je zult je muren Redding noemen en je poorten Roem.’ Samen zullen we vechten en samen zullen we overwinnen.” (zie bron)

Netanyahu verwijst naar het Oude Testament omdat hij het ziet als Gods boek voor het Joodse volk. Christenen zien dat anders. Gods boek bestaat uit twee delen en gaat over Gods belofte en de realisatie ervan dat Hij Jezus Christus zal sturen om heel de wereld te bevrijden van zonde en schuld en van de aarde weer een paradijs van vrede en veiligheid te maken. Iedereen die vóór zijn komst Jezus als Messias en Redder verwachtte en tijdens zijn leven op aarde in Hem geloofde en iedereen die daarna vanaf Pinksteren Hem als Messias en Redder erkent, hoort bij dat ene volk van God. Al die mensen, die in Christus een nieuwe schepping zijn, zijn “het Israel van God” en delen in de vrede en barmhartigheid dankzij het kruis van Jezus Christus onze Heer, zoals Paulus in Galaten 6:14-18 zegt. Dat ware Israel bestaat uit alle mensen die wandelen in het voetspoor van het geloof van Abraham (Romeinen 4:12).

In het Oude Testament koos God voor het smalspoor van het Joodse volk. Alleen incidenteel traden er ook gelovigen uit de heidenen toe. Sinds Pinksteren verbreedt God Zelf “het burgerschap van Israel” tot heidenen en Joden die zich verbonden weten met Christus en die dankzij Hem samen door één Geest toegang hebben tot de Vader (Efeziërs 2:11-22). Geen wonder dat Paulus daarom ook de belofte dat God het land Kanaän aan de nakomelingen van Abraham, Isaak en Jakob zal geven, zonder problemen verbreedt tot “een goed en lang leven op aarde” (Efeziërs 6:3).

Het lijkt mij daarom ongepast om Bijbelteksten over Israel uit het Oude Testament toe te passen  op steun aan de staat en de Joodse burgers van Israel vandaag. Dan krijg je van die vreemde toepassingen zoals ‘Christenen voor Israel’ dat je een Psalm over persoonlijke geloofsvervolging uit het jaar 1000 vóór Christus gaat toepassen op de politieke situatie in Israel anno 2023.

Voor je het weet, praat je daarmee ook andere ontwikkelingen goed, zoals het wangedrag van de Joodse kolonisten op de Westelijke Jordaanoever, die als gangsters de lokale Palestijnse bevolking verjagen, omdat heel Judea en Samaria door God aan het Joodse volk beloofd is. En zelfs Gaza zou dan geheel gezuiverd mogen worden van de niet-Joodse bevolking, want er staat immers in Rechters 1:18: “Ook veroverden de Judeeërs het hele gebied van Gaza, het hele gebied van Askelon en het hele gebied van Ekron.”

Van dit soort bijbelse retoriek zouden christenen zich verre moeten houden. Het zou veel mooier zijn als mijn geloofsgenoten van ‘Christenen voor Israël’ het Oude Testament weer via de lens van Messias Jezus (Pasen) en zijn Heilige Geest (Pinksteren) gaan lezen. Dan zeg je in 2023 met Psalm 25 vers 22: ‘O God, verlos de Eritrese en Noord-Koreaanse christenen uit al hun benauwdheden.” Of nog beter, betrek deze Psalm op de Palestijnse christenen, die al eeuwenlang het land bewonen, van wie sommigen een stamboom hebben die teruggaat tot 400 na Christus en van wie de voorouders misschien wel met Pinksteren op het tempelplein stonden en bij de eerste 3000 christenen hoorden die Jezus als Messias erkenden en zich lieten dopen. Vanuit de onopgeefbare en onvoorwaardelijke verbondenheid die christenen wereldwijd met elkaar voelen bid ik als eerste voor hen: “O God, erbarm U over onze Palestijnse broeders en zusters die klem zitten tussen twee onverdraagzame vuren.”

Wat een geluk dat ik in Nederland woon! – Dankdag 2023

Het gaat goed met Nederland! De mannen zijn jong en vol kracht, de vrouwen zijn mooi en sterk. Alle voorraadkasten en bankrekeningen zijn goed gevuld, vol met voedsel, meer dan genoeg saldo. In de weilanden lopen koeien, schapen en geiten, het zijn er ontelbaar veel. Ze produceren een overvloed aan melk, vlees en wol. In Nederland wordt niemand aangevallen en niemand hoeft te vluchten. Niemand huilt, niemand heeft verdriet. Gelukkig zijn mensen die een goed leven hebben. Ja, de mensen in Nederland zijn meer dan gelukkig! (vrij naar Psalm 144:12-15 BGT)

Wat een geluk dat ik in Nederland woon!

  1. Waar de jeugd nog steeds een toekomst heeft

Op de eerste woensdag van november vieren veel christenen dankdag voor gewas en arbeid. Maar als David na een moeilijke periode God gaat danken voor alle zegeningen, begint hij op een bijzondere manier. Onze meest kostbare gewassen en bouwwerken, dat zijn onze kinderen, onze zonen en dochters. Hen zet David voorop. Want jongeren zijn de toe­komst van de kerk en de toekomst van het land. Daarom vraagt David: laat onze zonen gezond en sterk opgroeien. Lichamelijk én in het geloof. Allebei.

Het gaat bij jongens niet alleen om uitgaan en veel verdienen. God vindt het veel belangrijker wáár je opgroeit. Dicht bij water. In de Bijbel is water bijna altijd het beeld van God en Jezus. Zij zijn de bronnen van levend water. En let dan op wat er bij staat: in hun jeugd met ​liefde​ verzorgd. Hoe bijzonder is dat! Dat je als ouders en als volwassenen zo met je jongeren omgaat, dat geen sprake is van scheefgroei, maar van geestelijke groei, qua karakter en qua geloof. Dat maakt van onze jongens krachti­ge, jonge bomen, jong en vol kracht, van wie je later veel vruchten kunt verwachten. Hoe mooi is dat! Hetzelfde geldt voor onze dochters, zegt David. Hij vraagt God, of ze sierlijk mogen zijn. Lichamelijk én in het geloof. Allebei.

Het gaat bij meiden niet alleen om het uiterlijk en om versierd te worden. God vindt het veel belangrijker dat je je als persoon goed ontwikkelt. Als een hoekzuil van een paleis. In de Bijbel is dat vaak het beeld van Gods huis, zijn tempel, de kerk. Dáár wil God jou als meisje, als jonge vrouw, een speciale plek geven. En let dan op wat er bij staat: zo sierlijk gesneden. Hoe bijzonder is dat! Dat je als ouders en als volwassenen zo met je jongeren omgaat, dat ze innerlijk gevormd worden met een eerlijk, gelovig karakter. Dat maakt van onze meiden een lust voor het oog, ook in het oog van God! Dan word je iemand op wie anderen kunnen bouwen. Hoe mooi is dat!

Als de HERE zulke jongeren geeft, is dat iets om voor te danken. Van alle welvaart is dit toch wel het belangrijkste: dat onze kinderen goed terecht komen, op hun eigen plek en werk, met vrienden en misschien man of vrouw. En, nog belangrijker, dat ook zíj in het geloof God als hun Vader zien en in de voetsporen van Jezus willen gaan. Dat is ook een zegen op de arbeid van ouders, nl. Gods zegen op de geloofsopvoeding. Daarvoor mag je op dankdag de HERE ook hartelijk danken

Wat een geluk dat ik in Nederland woon!

  1. Waar de welvaart nog steeds op peil is

Toch blijft David daar niet bij stil staan. Hij zoekt het goede voor zijn volk, en daarom durft hij God ook om een bloeiende handel en een krachtige eko­nomie te vragen. Niemand in het land mag honger leiden of onder de armoedegrens raken. Vandaar de vraag om goed gevulde schuren en een uitgebreide veestapel. Schapen en geiten waren er vooral voor het vlees en de wol en het leer. Ook de runderen worden genoemd. Er staat ‘onze kudden doorvoed’, maar alle andere vertalingen hebben het over ‘runderen’. Je kunt het ook vertalen met: ‘dat onze runderen zwaarbeladen zijn’, zoals de HSV het doet. Daarmee komt ook de transportsector in beeld, in die tijd het vervoer van allerlei produkten naar de markt of naar de molens of naar de leerlooiers of naar de slachterijen. Die leveren weer aan de bakkers, de schoenmakers en de slagers. Zo komt de hele bevolking aan eten en kleding. Met elkaar leveren we met ons werk en met onze inzet een bijdrage aan de welvaart van het land. Ieder op zijn of haar door God gegeven plek. Soms is het elke dag hetzelfde, soms is het heel afwisselend. Het zijn allemaal kleine beekjes, die sámen één grote bron van welvaart vormen. Maar zie je ook die ene andere bron, waar al die beekjes vandaan komen? Zie je die zegen ook? Dat is Gods goedheid, die zich over het hele land verspreidt.

Wat een geluk dat ik in Nederland woon!

  1. Waar we nog steeds in veiligheid leven

Er is nog iets waar David God hartelijk voor bedankt. Er is vrede in heel het land! Je hoeft niet bang te zijn voor een vijandelijke inval. Je hoeft je niet bang te zijn dat je morgen moet vluchten. Hoe anders is dat in andere gebieden waar het oorlog is – in Oekraine, in Israel en de Palestijnse gebieden. Hoe anders is dat in landen waar  natuurrampen plaatsvinden – aardbevingen en overstromingen.

Maar hier in Nederland? Iedereen mag hier in alle vrijheid leven en z’n mening geven. Bijna iedereen gaat er in 2024 op vooruit. Kijk es om je heen in de wereld en besef hoe gezegend we in vergelijking daarmee zijn! Geen enkele reden voor een weeklacht op de pleinen, zoals David het zegt. 

Wat een geluk dat ik in Nederland woon!

  1. Waar we nog steeds in God mogen geloven

Ondertussen wordt er wat afgemopperd in Nederland. Hoe zou dat nu zo komen? Nou, als David zegt: ‘Gelukkig het volk dat zo mag leven’ – met gezonde kinderen, met een hoog welvaartsniveau en in een vrij en veilig land, dat wil iedereen wel!

Maar als David daar dan aan toevoegt: ‘Gelukkig het volk dat de HERE als God heeft’ – die afsluiter is voor veel mensen eerder een afknapper. Nee, laat dat maar zitten. Een fijn en gezond gezin, een mooi huis, zonder zorgen kunnen genieten – dat maakt veel mensen gelukkig. Maar het geloof in God? Geloven is achterhaald. Geloven is regeltjes. Geloven legt alleen maar beperkingen op. En zelfs als er al een God zou zijn, dan bemoeit Hij Zich niet met die tijdelijke dingen. ‘Daar had Jezus geen verstand van’, zei eens een liberale boer, toen iemand tegen hem zei: ‘Zie je de zegen van God ook?’

Die boer is vast niet de enige. Sterker nog … als christen denk je dat ook wel eens, toch? Zo door de week kost het best wel moeite dat verband te blijven zien tussen Gods zegen en ons werk. Maar als je erover nadenkt, dan zie je als christen toch wel dat bijna iedereen iets heeft om voor te danken? Als kind mooi speelgoed en vrienden op school, als jongere een opleiding en je hobby’s, als volwassene je werk en je gezin, als oudere de aanvullende zorg als je nog zelfstandig woont, in het seniorencomplex of in het verzorgingstehuis.

Onze goede God laat Psalm 144 nog steeds, ook in 2023, in vervulling gaan. Wat welvaart betreft komen de meesten van ons niets veel tekort. Die gewone dingen hebben ook met het geloof te maken. God vindt het niet beneden zijn stand om voor al die dagelijkse behoeften te zorgen. Hij regelt de vrucht­baarheid van koeien, schapen en de velden. Hij geeft paarden hun kracht. Hij vergeet zelfs de mussen op het dak niet.

Laten we niet vergeten onze hemelse Vader voor al die gewone zaken te danken. Want, zegt de Heidelbergse Catechismus in Zondag 45, al die goede dingen zijn van God afkom­stig, en onze inspan­ning, ons werk en zelfs alles wat God ons geeft, is op zichzelf zinloos, omdat we er zonder Gods zegen niets aan hebben.

Veel Nederlanders willen vooral geluk. God wil jou en mij meer geven: zijn zegen. Ook in de gewone dingen. Als je in voorspoed leeft, word je pas gelukkig als je God de eer daarvoor geeft. En alleen als je Jezus hebt, ben je pas echt rijk.

12 Onze zonen zijn als jonge planten, in hun jeugd met ​liefde​ verzorgd, onze dochters als de hoekzuilen van een paleis, zo sierlijk gesneden, 13 onze schuren gevuld, van voorraad en voedsel voorzien, onze schapen en ​geiten, met duizenden, met tienduizenden op onze velden, 14 onze kudden doorvoed, geen inval, geen uittocht, geen weeklacht op onze pleinen. 15 Gelukkig het volk dat zo mag leven, gelukkig het volk dat de HEER als God heeft. Psalm 144 : 12 – 15 (NBV21)

Leden die vertrekken – hoe delen we dat in de NGK 2023 mee?

Vroeger, toen we nog ‘Gereformeerde Kerken in Nederland’ heetten met ‘(vrijgemaakt)’, werkten we met attestaties bij overschrijving naar zusterkerken (eerst alleen GKV, later ook CGK en NGK). Als men lid werd van een andere kerk (PKN, baptist, rooms) werd dat afgekondigd als een onttrekking. Als men zich nergens bij aansloot, werd dat een onttrekking genoemd. Beide werden vaak ‘met droefheid’ meegedeeld. Inmiddels zijn horen we per 1 mei 2023 allemaal tot het kerkverband van de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK) en hebben we een nieuwe kerkorde. Daar staat het volgende in als het om leden gaat die verhuizen of die niet langer lid willen zijn van onze gemeente.

C10 verhuizing

C10.1 Gemeenteleden die verhuizen, ontvangen op hun verzoek en na bekendmaking aan de gemeente een schriftelijke aanbeveling voor de kerkenraad van de gemeente waarheen zij vertrekken.

C11 onttrekking

C11.1 Wanneer iemand aangeeft niet langer tot de gemeente te willen behoren, zich zonder kennisgeving bij een andere kerkgemeenschap aansluit of bij verhuizing naar elders geen aanbeveling aanvraagt, en daar ondanks inspanningen van de kerkenraad en de gemeente bij blijft, berust de kerkenraad hierin en maakt hij de beëindiging van het lidmaatschap aan de gemeente bekend.

De nieuwe kerkorde maakt geen onderscheid meer tussen een ‘attestatie’ bij overgang naar een zusterkerk en een overschrijving naar een ander kerkgenootschap. Als men zich wil aansluiten bij een andere gemeente krijgt men, ongeacht het kerkgenootschap, een ‘schriftelijke aanbeveling’ mee en wordt de gemeente hierover geïnformeerd. Als iemand zich nergens bij wil aansluiten, wordt het lidmaatschap beëindigd en wordt de gemeente hierover geïnformeerd. Het woord ‘attestatie’ wordt niet meer gebruikt en het woord ‘onttrekking’ ook niet meer in hoe de kerkenraad de beëindiging van het lidmaatschap aan de gemeente bekend maakt.

Hoe deel je dat nu mee aan de gemeente? Dat gebeurt altijd in een kerkdienst. Als iemand daar echt bezwaar tegen maakt, wordt het alleen vermeld in het kerkblad (net als bij een muziekvereniging op sportclub waar ook nieuwe leden en leden die bedanken vermeld worden).

In NGK ‘De Lichtbron’ te Balkbrug, waar ik predikant ben, hebben we het volgende besloten:

Bij een kerkelijke overgang wordt altijd, ongeacht bij welke kerk men zich aansluit, gesproken van een overschrijving. Wanneer iemand nergens anders lid wil worden, noemen we dat een uitschrijving. Beiden worden door de kerkenraad beoordeeld en op een zondagmorgen aan de gemeente bekendgemaakt. De overschrijvingaan het begin van de dienst, de uitschrijving vlak voor het tweede gebed na de preek.

Bij een overschrijving wordt ook de nieuwe kerk genoemd. Dat kan een NGK of CGK of vGKN zijn als zusterkerk, maar ook wie vertrekken naar een PKN-gemeente of overstappen naar één van de twee nieuw-vrijgemaakte kerkverbanden of zich willen aansluiten bij een baptistenkerk of een Moziekgemeente krijgen zo’n kerkelijke overschrijving mee.

Bij een uitschrijving vermelden we alleen de naam van het gemeentelid. Er wordt niet meer bij gezegd, dat we hier ‘met droefheid’ kennis van nemen, maar wel dat we het jammer vinden dat iemand zich niet aansluit bij een andere gemeente. De gevoelens bij een uitschrijving zullen, net als bij een overschrijving, in het gebed bij de HERE gebracht worden.

Vroeger was het gebruikelijk dat alleen belijdende leden een attestatie ontvingen als ze ergens anders lid werden. Bij doopleden werd het lidmaatschapsbewijs rechtstreeks naar de nieuwe kerk gestuurd. Dat laatste doen we niet meer. Vanwege de steeds strengere privacywetgeving ontvangen ook doopleden zelf de ‘aanbevelingbrief’.

We hebben ook besloten om, net als vroeger, bij een kerkelijke overgang de nieuwe kerk daarvan op de hoogte te stellen door middel van een vooraankondiging. Dat is geen controledwang, maar hoort bij een goede overdracht van de pastorale zorg.

En we geven aan elk kerklid dat zich laat uitschrijven zijn of haar kerkelijke gegevens mee. Dat gebeurt nu af en toe als iemand daar om vraagt. Het is beter om dat standaard  bij elke uitschrijving te doen. Dan is het betreffende gemeentelid er zelf verantwoordelijk voor om die weer in te leveren als hij of zij na verloop van tijd zich toch weer (God zij dank!) bij een gemeente wil aansluiten. Daar hoeft de kerk waar men in het verleden bij hoorde dan niet tot in lengte van jaren zorg voor te dragen.

Ook dit doen we in Balkbrug op basis van de bepalingen in de nieuwe kerkorde:

C9 kerkelijke registratie

C9.1 De kerkenraad draagt zorg voor een goede registratie van wie tot de gemeente behoren.

C9.2 De geregistreerde gegevens worden zorgvuldig beheerd en alleen gebruikt voor kerkelijke doeleinden.
Dat betekent ook, dat er geen blanco attestaties worden afgegeven. Wie zegt: ik ga eerst een tijdlang rondkijken om te zien of ik een fijne gemeente vindt die bij mij past, krijgt van ons het advies om dat in alle rust te doen, maar om daarna aan te geven bij welke kerk men zich wil aansluiten. Als die keus op de lange baan geschoven wordt, constateren we na een half jaar tot een jaar, dat iemand is vertrokken zonder zich te laten overschrijven.

Tenslotte nog een anekdote: een week nadat we dit besluit genomen hadden, vroeg een collega mij: ‘Dus jullie geven altijd een attestatie / aanbevelingsbrief mee, ook als gemeenteleden overstappen naar Mozaiek?’ Ik antwoordde hem: ‘Jazeker! Als het tenminste een plaatselijke Mozaiek-gemeente is, en dan met een berichtje aan Adrian Verbree en A.P. Feijen als het Mozaiek0523 is 😁.’

HAMAS EN HET CHRISTELIJKE ‘ISRAËLISME’

Onder deze titel publiceerde dr. Steven Paas op 10 oktober 2023 dit artikel op LinkedIn. Hij laat zien dat zowel de haat tegen het huidige Israel als de liefde voor het huidige Israel gevoed worden door dezelfde wortel: een extreme religieuze fixatie op het land en het volk van de Joden. Met zijn instemming mag ik zijn artikel ook hier delen.

Giftige hartstocht

Zaterdagochtend 7 oktober begon een moorddadige terreur-aanval op Israël door de Palestijnse ‘Islamitische verzetsbeweging’ Hamas. Het Arabische woord ‘hamas’ betekent zoiets als: hartstocht, ijver. In dit geval hebben die woorden een zeer giftige lading. Ze staan nu voor een afschuwelijke moordpartij op niets vermoedende Israëlische burgers onder wie veel jonge mensen. Het betreft ernstige oorlogsmisdaden die onmiddellijk onze sympathie voor Israël wekken. Ook onder de Palestijnn vallen veel onschuldige slachtoffers. We leven mee met de nabestaanden van alle partijen en met de gegijzelden en we bidden voor hen

Voor veel christenen bevestigt de terreurdaad van Hamas de opvatting dat hier opnieuw sprake is van een aanval op ‘Gods oogappel’, die in wezen gericht is tegen Gods plan voor de wereld. Dat doet me denken aan woorden van de directeur van ‘Christenen voor Israël’, Cornelis Kant. Onlangs poneerde hij de altijd durende betekenis van Israël en het Joodse volk in Gods heilsplan voor de wereld (‘the everlasting significance of Israel and the Jewish people in God’s salvation plan for the world.’). De gepassioneerde Israël-haat van Hamas staat lijnrecht tegenover de religieuze Israëlverheffing door veel hedendaagse christenen. Tegelijk hebben ze meer met elkaar te maken dan hun vertegenwoordigers zouden willen.

Doorgetrokken heil-positie

Kant vertegenwoordigt met zijn bewering de opvatting van christenen die menen dat ‘Israël’ – meestal wordt daarmee het Joodse volk of de moderne Israëlische staat bedoeld – een uitzonderlijke religieuze positie in Gods heilsplan heeft en een bijzondere glorierijke toekomst tegemoet gaat. Dat leidt men af uit een bepaalde interpretatie van de profetische beloften van herstel en verlossing voor Israël in het Oude Testament. Het Nieuwe Testament zou die specifieke heilsbeloften voor Israël bevestigen. Vaak wordt dan gewezen op het Jood-zijn van Jezus en op Romeinen 9-11, waar Paulus met de woorden ‘zo zal heel Israël zalig worden’ (11:26, HSV) een massale bekering van het Joodse volk in het vooruitzicht zou stellen. Niet zelden verbindt men aan die interpretatie een verwachting van een wereldomvattende bloeitijd voor de Kerk.

In verschillende publicaties (op LinkedIn verzameld onder: ‘Focust de Bijbel op Israël of op Jezus Christus?’ ) heb ik onderzoek gedaan naar dat doortrekken naar het huidige Joodse volk van de oudtestamentische bijzondere uitverkorenheid van Israël als demonstratie van Gods handelen met de wereld. Mijn conclusie is dat deze veronderstelling stuit op veel bezwaren in de Schrift, zowel hermeneutisch als exegetisch. Immers, het specifieke verbondshandelen van God met Israël – als metafoor voor Zijn handelen met de wereld –  is een voorafschaduwing van de definitieve vervulling ervan door Christus. In Christus wordt Israël niet vervangen door de Kerk. Maar in Hem is wat God bedoelde met Israël geldig voor alle volken voor wie Israël als voorbeeld diende, zonder onderscheid. Onder de nieuwe bedeling van Gods genadeverbond is Israël nog steeds cultureel uniek en waardevol, evenals elk volk en land, maar in Gods plan met de wereld is het Joodse volk niet uitzonderlijker dan alle andere volken. Dat plan kent geen raciale of geografische prioriteiten. Christus zendt tot vandaag Zijn boodschappers naar alle volken en verzamelt zo Zijn ene bijzondere ‘volk van God’, de Kerk (van Joden en niet-Joden). De specifieke instrumentele uitverkorenheid van oudtestamentisch Israël is overgegaan naar alle volken. Zo sprak de Joodse predikant Christiaan Salomon Duytsch (1734-1795) op p. 91 van zijn korte dogmatiek Jehova verheerlijkt, Amsterdam 1769 (Zie K. Exalto, in: De Waarheidsvriend, 23-9-1976). Zo spreekt vandaag ook de Joodse christen-theoloog Steve Wohlberg in zijn lezingen en publicaties over Israël in de eindtijd.

Doorgetrokken oordeel-positie

Er is echter nog een ander zwaarwegend argument tegen het eenzijdig religieus verheffen van Israël boven de volken. In het Oude Testament was Israël immers niet alleen een instrument of demonstratie om aan de wereld Zijn liefde en genade te tonen. Gods handelen met Israël liet de wereld ook de oordelen zien waarmee Hij Israël strafte als het Hem ongehoorzaam was. Zij die het Joodse volk religieus verbijzonderen met een eenzijdig beroep op Gods eeuwige trouw en liefde zijn inconsequent of op zijn minst onvolledig. Zij zouden ook de oudtestamentische noties van Gods toorn en oordelen in rekening moeten brengen. Het is merkwaardig dat weinigen die consequentie trekken. Dat kan komen door een oppervlakkige doordenking van de verbanden tussen het Oude en het Nieuwe Testament. De oorzaak kan ook zijn dat men, in het licht van beruchte aspecten van de Europese geschiedenis, beducht is om oudtestamentische oordeelsteksten te betrekken op het huidige Israël. Daarmee kun je namelijk in problemen raken.

Een voorbeeld is het boek De kring rond de Messias: Israël als volk van de lijdende Heer (Zoetermeer 2002). De auteur is Abraham (Bram) van de Beek. Deze begaafde hoogleraar is niet bang om buiten de lijnen te kleuren. Als weinigen is hij zich ervan bewust dat als je van Gods heilsbeloften voor Israël spreekt, je Zijn oordelen over Israël niet mag verzwijgen. Daarom brengt hij in zijn theologie de positie van Israël niet alleen in verband met een bijzondere heilsverwachting maar ook met het lijden van het Joodse volk door de eeuwen heen (77-143). Het trekken van die consequentie is een daad van theologische ‘eerlijkheid’. Maar daarmee kom je tegelijk op glad ijs. Want, wordt zo het spreken over de akelige werkelijkheid van het Joodse lijden niet salonfähig gemaakt? Meer dan twintig jaar na het verschijnen van dit knap geschreven en tot doordenken aanzettende boek heeft de Vrije Universiteit het van de verplichte literatuurlijst voor studenten gehaald. Als reden werd aangevoerd dat Van de Beeks theologische logica studenten kan verleiden tot een afglijden naar antisemitisme. Met deze vorm van bijna-censuur wordt Bram van de Beek besmet met de odeur van Jodenhaat. Volstrekt ten onterechte, want het is buiten kijf dat deze integere hoogleraar elke vorm van antisemitisme verafschuwt.

Zijn fout is niet dat hij de weg zou banen voor het antisemitisme, maar dat hij, evenals andere op het na-Bijbelse Israël gefocuste theologen, de oudtestamentische aparte religieuze positie en toekomst van Israël doortrekt naar het Joodse volk van vandaag, alsof Christus dat schaduwbeeld niet had vervuld, zowel wat betreft de heilsbeloften als wat de oordeelsdreigingen aangaat. Van de Beek hanteert een variant van de algemene opvatting in het ‘Israëlisme’. Hij doet dat met een redenering waardoor het Joodse volk niet alleen als ‘Gods oogappel’ wordt verheven tot een bijzondere heilspositie en toekomst, maar ook – in een dynamische tegenstelling – dat de Joden worden getroffen door een weg van pijnlijke vernedering. Zo kan er ruimte ontstaan voor een theologie waarin pogroms, vervolgingen, deportaties, genocides en uiteindelijk de Shoah (Holocaust) een plaats krijgen. Ook de afschuwelijke moordpartijen van Hamas kunnen een theoretische acceptatie ontvangen in zo’n denk-systeem, niet in morele zin uiteraard, maar als onontkoombaar fenomeen. Het mag duidelijk zijn dat ik deze visie van een doorgetrokken oordeel-positie van de Joden niet minder onaanvaardbaar vind dan de visie van een voortgaande uitzonderlijke heil-positie voor het Joodse volk.

Dezelfde wortel

De Jodenhaat van enerzijds bijvoorbeeld het Nazisme en terreur-organisaties als Hamas en anderzijds de extreme Israëlverheffing van veel christenen hebben naar mijn inzicht ten diepste te maken met hetzelfde verschijnsel: het religieus/ ideologisch verbijzonderen van Israël, hetzij als te elimineren vijand hetzij als vertroeteld idool. Israël is het beste af niet alleen zonder antisemitisme maar ook zonder filosemitisme. Beide verschijnselen worden gevoed door dezelfde wortel: een extreme religieuze fixatie op het land en het volk van de Joden. Als Hamas niet uit was geweest op het in de naam van Allah vernietigen van de Joden in Israël en het fanatiek koesteren van het alleenrecht van Palestina hadden voorbije vredesinitiatieven waarschijnlijk al lang tot (meer) vrede kunnen leiden. Als Israël zich niet had vastgebeten in de positie van bezettende macht of kolonisator en de Palestijnen gelijke politieke (burger)rechten had gegeven (desgewenst in een eigen staat toen dat nog kon) waren de problemen vermoedelijk niet zo hoog opgelopen als nu het geval is.

Westerse christenen met hun vaak door schuldgevoelens gevoede Israëlliefde hebben de problemen verergerd door eenzijdig de rechten van Israël te steunen en die van de Palestijnen te negeren of verdacht te maken. Daardoor hebben ze onbedoeld bijgedragen aan de escalatie van het conflict. Dit is vooral pijnlijk voor de Palestijnse christenen, die zich niet gesteund en beschermd zagen door hun broeders en zusters in Amerika en Europa. Het christelijke ‘Israëlisme’ is vooral schadelijk voor de geloofwaardigheid van het Bijbelse geloof en daarmee voor de effectiviteit van de missionaire taak van de Kerk. Die schade blijft niet beperkt tot het christelijke getuigenis onder Joden en (Palestijnse) Moslims. Oog in oog met de onverzoenlijkheid in Israël-Palestina moeten we terugvallen op Christus van wie gezegd is: ‘Want Hij is onze vrede’ (Efeze 2: 14).

Dr. Steven Paas bestudeert Israëlvisies en is actief op de terreinen van kerkgeschiedenis, missiologie, en de lexicografie van het Chichewa, een veel gesproken taal in centraal Afrika.

JODENHAAT leidt tot JODENWRAAK

Het was een gruwelijke pogrom op zaterdag 7 oktober 2023 door de terroristen van Hamas. Net als de eerste die Haman wilde organiseren in de tijd van koning Ahasveros van Perzië. Net als de eeuwen erna in West-Europa, in Oost-Europa en in de Arabische landen. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen soldaten en burgers of tussen volwassenen en kinderen. Het gaat erom zoveel mogelijk slachtoffers te maken, omdat iedereen die tot dat andere volk of die andere religie behoort, niet mag blijven leven.

Een pogrom is een genocide in het klein. Engeland deed het in de 19e eeuw met de Ieren. Turkije deed het in de 20e eeuw met de Armenen. Hitler deed het op grote schaal tijdens de Holocaust. En Hamas deed het op 7 oktober 2023. Het waren vooropgezette moorddadige plannen, schreef het Nederlands Dagblad: “In papieren die op gedode Hamas-terroristen zijn aangetroffen, was te lezen hoe deze zeer gedetailleerde instructies bevatten om basisscholen en dergelijke aan te vallen, of om ‘zoveel als mogelijk te doden’.”

Een pogrom wordt ingegeven door intense haat. Ongeacht de context. En dus lijkt het mij ongepast om meteen de context erbij te halen om deze gruwelijke slachtpartij met meer dan 1.200 doden, waaronder kinderen, vrouwen en ouderen te ‘verklaren’. Om het met cabaretier Hans Teeuwen te zeggen: “Jodenhaters hebben helemaal geen context nodig. Ze haten Joden en daarom moeten ze dood, daarom moeten ze verkracht, daarom moeten ze onthoofd, en daarom moeten ze verbrand.”

Wat mij bij deze Hamas-pogrom opvalt is, dat veel sympathisanten voor de Palestijnse zaak meteen in de reflex schieten dat vooral de onderdrukking van de Palestijnen door de staat Israel de diepere oorzaak is van deze gruwelijke moorden.  

Mijn broer Martijn, onverdacht onafhankelijk in het Israelisch-Palestijnse konflikt, twitterde (volg hem op @amleeftink, zou ik zeggen): “Kun je als moslim ook eens iets volledig en hartgrondig als terreur veroordelen, zonder steeds weer alle schuld bij de ander neer te leggen? Erkennen dus dat er ook aan moslim-zijde soms iets niet deugt ipv in slachtofferrol te blijven hangen?”  

Ik denk dat wie een gruwelijke pogrom niet onomwonden veroordeelt, voet geeft aan de intense Jodenhaat van Hamas-terroristen en hun sympathisanten. Dat na deze slachtpartij door tienduizenden Nederlanders geroepen wordt ‘Free Palestine – from the river to the sea’ is zorgelijk.

Er is alleen één verschil. Deze pogrom was niet gericht tegen een zwakke, verdrukte minderheid die geen schijn van kans had te ontsnappen. Deze pogrom was gericht tegen een sterke tegenstander die keihard terugslaat. Daar kun je van alles van vinden. Dat moet je zelfs heel kritisch volgen. Maar volgens mij moet je wel blijven letten op de volgorde in de gebeurtenissen sinds 7 oktober 2023. En dat is: Intense Jodenhaat leidt tot Onbarmhartige Jodenwraak.

Dus ja, ik steun Israel in zijn poging om het Hamas-terrorisme met wortel en tak uit te roeien. Er was geen enkel excuus aan te voeren voor de aangerichte gruweldaden, en dus is er ook geen enkele reden om Israel het recht van zelfverdediging te onthouden.

Maar wat ik wel zie is dit: de haat zit aan beide kanten. Op de Westoever zien Joodse kolonisten hun kans schoon. Ze doen aan ordinair landjepik door Palestijnse inwoners uit hun dorpen te jagen en van hun grondgebied te verdrijven. Er vindt daar een etnische zuivering plaats, volgens kritische Israelitische burgers. Bij dat eenzijdige geweld van Israelische kant zijn sinds 7 oktober al 54 Palestijnen omgekomen, aldus het Nederlands Dagblad. Sommigen simpelweg neergeknald door gemaskerde Joodse kolonisten die hun gang kunnen gaan omdat de Israelitische overheid hen al jarenlang hun gang laat gaan en de aanwezige politie en soldaten wegkijken. Kolonisten die er dezelfde mening op na houden als de terroristen van Hamas: Free Eretz Yisrael – from the river tot he sea’.

Zondag 15 oktober werden voorgangers opgeroepen om te bidden voor de situatie in Israel, Palestina en Gaza. Waarvoor moet ik in vredesnaam bidden, dacht ik. “Geef vrede, Heer, geef vrede. De wereld wil slechts strijd” – Lied 285 uit het oude Liedboek misschien? Maar al snel bedacht ik mij, dat dat te algemeen was. De onvrede en de onverdraagzaamheid zit veel ook in mijzelf. Dus heb ik dit gebeden:

We bidden ook om vrede in de wereld. Zoveel conflicten. Zoveel haat. In Oekraïne en Rusland, in Azerbeidzjan en Armenië. En nu weer zo intens in het Midden-Oosten. Intense Jodenhaat leidt tot onbarmhartige Jodenwraak. Ontferm U, Heer. En als we bidden om vrede – geef vrede, Heer, geef vrede: dan is het niet alleen de wereld die slechts strijd wil, maar dan bidden we U ook: bekeer ons felle hart. Ontferm U, Heer. Over de burgers van Israël. Over de inwoners van de Gaza-strook. Over de Palestijnen die wonen op de Westoever en de joodse kolonisten die daar illegaal verblijven. Temper hun haat en hun woede. Ontferm U, Heer. Ontferm U vooral over de christenen daar – de Palestijnse christenen die daar al eeuwenlang wonen en de Messiasbelijdende Joden die daar zijn thuisgekomen. Zij zitten het meeste klem. Laat U zien, Here Jezus, als de Vredevorst voor alle mensen. Laat uw licht schijnen in al die harde harten. Geef vrede, Heer, ja, geef ons uw vrede.

Een evenwichtige christelijke visie op genderdysforie, transgender en transitie (deel 3)

Aan het begin van deze drieluik schreef ik, hoe jammer het is dat in orthodox-christelijk Nederland de evenwichtige visie van prof. dr. J. Douma niet eens meer genoemd wordt. Zowel de Gereformeerde Bond in 2021 als de Nederlandse Patiënten Vereniging in 2023 wijzen elke vorm van transitie als onbijbels af. Daarmee stellen zij het lichaam van de mens boven de ziel van mens en doen zijn geen recht aan de desastreuze gevolgen van de zondeval.

Al in 1988 deel 1 en 1993 deel 2 schreef prof. Douma over dit onderwerp. Dat waren misschien nog wat eerste gedachten die voor correctie vatbaar waren. Maar in 1997, vlak voor zijn emeritaat als hoogleraar christelijke ethiek aan de Theologische Universiteit in Kampen en bijzonder hoogleraar medische ethiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam ging hij in zijn diepgravende ‘Medische ethiek’ nogmaals in op genderdysforie en transitie. Hij doet dat in het hoofdstuk dat over ‘Orgaantransplantatie’ gaat in paragraaf 16:11 (vanaf blz. 347 t/m 349):

16.11 Transseksuele operaties

Wat is er met de transseksueel aan de hand? Een transseksueel is iemand die de stellige overtuiging heeft dat hij in een verkeerd lichaam huist. Hij beleeft zichzelf als man of vrouw, maar leeft in een lichaam dat het omgekeerde veronderstelt. De term transseksualiteit kan de indruk geven, dat er sprake is van een seksueel probleem. Maar het is een identiteitsprobleem. Transseksualiteit is het verschijnsel ‘waarbij iemand met de normale in- en uitwendige geslachtsorganen van de ene sekse in de onweerlegbare overtuiging leeft tot de andere sekse te behoren.’ [Kuiper, 1991, 2]. De transseksueel vertegenwoordigd een extreme vorm van wat wij genderdysforie noemen, d.w.z. hij voelt zich diep ongelukkig omdat hij niet in staat is als lid van het geslacht (‘gender’) te leven waartoe hij biologisch lijkt te behoren. De transseksueel heeft een afkeer van het eigen lichaam, met name van de geslachtsorganen, die hij niet als zijn (haar) eigen kan aanvaarden. Een sterk verlangen drijft hem (haar) om lichamelijk anders te zijn.

Er zijn pogingen gedaan transseksualiteit te verklaren. Een nieuwe theorie veronderstelt, dat de differentiatie van man of vrouw in de hersenstructuur anders kan zijn dan de uiterlijke geslachtskenmerken aanwijzen. Deze hersendifferentiatie zou pas afgesloten worden tussen het tweede en vierde levensjaar. Maar evenals voor homoseksualiteit is er (nog) geen overtuigend antwoord gegeven op de vraag naar de oorsprong van transseksualiteit. Zie voor verklaringen en onzekerheden op dit terrein Van Leeuwen [1996, 27vv].

In transseksualiteit hebben we met een ander verschijnsel te maken dan in homoseksualiteit. Een homofiel heeft geen afkeer van zijn (haar) eigen lichaam, een transseksueel heeft dat wel. Evenmin is de transseksueel te vergelijken met een travestiet, die er behagen in schept zich in de kleren van het andere geslacht te steken. Want ook de travestiet kent niet de haat van het eigen lichaam.

Het verschijnsel is waarschijnlijk van alle tijden. Het is verschillende culturen aanwezig.

Tot voor kort was men van mening dat transseksuelen psychisch zwaar gestoorde mensen waren, voor wie dan ook psychiatrische hulp nodig was. Maar dergelijke behandelingen brengen, naar het lijkt, geen baat. Daarom is de vraag urgent of, als het gendergevoel onwrikbaar blijkt, een lichamelijke reparatie niet aan te bevelen is. De resultaten ervan leiden niet tot het wegnemen van alle moeiten. Van een ‘restitutio ad integrum’ is geen sprake [Gooren 1990. 26] en geslachtsoperatie is geen panacee [Kuiper 1991, 68]. Toch geven veel transseksuelen aan dat zij zich nu hun ‘detransseksualisatie’ veel gelukkiger voelen dan daarvoor.

Uiteraard hebben we hier met een diep ingrijpende operatie te maken. Is een dergelijke ingreep moreel geoorloofd? Duidelijk is dat men niet tot een dergelijke operatie kan overgaan, of het moet vaststaan, dat we te maken hebben met a) een grote nood, b) een psychiatrisch niet te verhelpen stoornis en c) een operatieve geslachtsaanpassing die baat brengt.

Het valt niet in te zien waarom we alleen maar zouden mogen proberen de psyche bij het lichaam aan te passen – iets wat langdurig geprobeerd is, maar kennelijk zonder veel succes. Waarom mogen we ook het omgekeerde niet proberen: het lichaam bij de psyche aanpassen? De nood van de transseksueel is evident.

De gedachte dat we te maken zouden hebben met een gril van deze tijd, waarin alles moet mogen, vind ik voorbijgaan aan de diepe nood van de transseksueel. O’Donnovan [1984, 18vv] relativeert die nood door genderdysforie te beschouwen als índuced primarily by social influences’. Mijn vraag: creëren dergelijke invloeden de transseksuele gevoelens of versterken ze die alleen maar? Wat de mogelijkheden van psychiatrische hulp betreft: ik ga af op het oordeel van deskundigen dat psychiatrische behandeling niets oplevert. Tenslotte maak ik uit interviews en enquêtes op, dat veel transseksuelen voor hun operatie dankbaar zijn en niet meer terug zouden willen naar hun oude situatie. Er zijn spijtoptanten, maar hun aantal is klein.

Een veel gehoorde tegenwerping is dat God ieder van ons geschapen heeft, en wel zó als we lichamelijk zijn. Maar wie zegt dat God ons zus of zo geschapen heeft en er stilzwijgend mee bedoelt, dat we dan ook zo in de wereld moeten blijven als we erin gekomen zijn, vergeet dat bij veel kinderen na (en tegenwoordig soms als voor) hun geboorte wordt ingegrepen om hun leven mogelijk of draaglijk te maken. Operaties kunnen ook met de geslachtsbepaling te maken hebben. In gevallen van hermafroditisme maken we geen bezwaar tegen een corrigerend operatie. Dan zijn zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtskenmerken bij hetzelfde individu aanwezig.

We grijpen in, zonder daarmee te ontkennen dat God de mens op een onderscheiden manier als man of vrouw geschapen heeft (2.7.1).

2.7.1 Wellicht komt de moeite die aan het man- of vrouw-zijn verbonden kan zijn, nergens sterker uit dan in het fenomeen van de transseksualiteit. Een transseksueel is iemand die de stellige overtuiging heeft dat hij in een verkeerd lichaam huist. Hij beleeft zichzelf als man of vrouw, maar leeft in een lichaam dat het omgekeerde veronderstelt. Een sterk verlangen drijft hem om lichamelijk ander te zijn. Evenals niet-transseksuelen ervaart de transseksueel zijn (psychische) gender-identiteit als iets authentieks, als onvervreemdbaar, iets waaraan niet te tornen valt. Het zou een ontkenning zijn van zichzelf, als hij die eigen gender-identiteit opgaf [Gooren 1987, 12]. Als het gender-gevoel onwrikbaar blijkt, mag er dan nagedacht worden over de vraag, of een lichamelijke reparatie – hoe gebrekkig die ook altijd zal zijn – niet aan te bevelen is? Men heeft geprobeerd de psyche bij het lichaam aan te passen. Mag ook het omgekeerde plaatsvinden, nl. het lichaam bij de psyche aanpassen? Ik kom hier later op terug (16.11).

Waarom mogen we dan niet ingrijpen, juist omdat God de mens als man of vrouw en niet als transseksueel geschapen heeft? Wij maken onderscheid tussen Gods goede schepping en deze door de zonde verstoorde wereld. Kennelijk is die verstoring ook binnengeslopen in een zo basaal gegeven als het man- of vrouw-zijn. En als we met betrekking tot andere handicaps proberen die weg te nemen of te verzachten, waarom zou dat bij transseksualiteit dan niet mogen? We kunnen zo’n verzoek niet met een simpel beroep op Genesis 1 afwijzen.

Wie de operatieve ingreep principieel niet afwijst, neemt het standpunt in dat het man- of vrouw-zijn niet zonder meer bepaald is door lichamelijk kenmerken: heeft iemand mannelijke geslachtsorganen, dan is hij man; heeft iemand vrouwelijke geslachtsorganen, dan is zij vrouw. In veruit de meeste gevallen is dat zo. Maar er zijn blijkbaar uitzonderingen. De mens is meer dan zijn lichaam en dat meerdere kan ons in deze gestoorde wereld soms zelfs tot de conclusie brengen dat hij (zij) een ander is dan zijn (haar) lichaam doet vermoeden. Er is in dat geval sprake van een incongruentie tussen lichaam en ik-besef [Valenkamp 1991, 400vv]. De mens heeft een lichaam, maar hij is meer dan zijn lichaam. Zijn ‘ik’ valt er niet mee samen. Psychische verschijnselen moeten evenzeer in rekening gebracht worden als de fysieke om tot een volledig beeld te komen van wie de mens is.

Ook christenen kunnen met transseksualiteit problemen hebben, zelfs zo dat zij het leven nauwelijks meer aan kunnen en met zelfmoordplannen rondlopen. Er is tot nu toe weinig gedaan om hen in hun nood met een verantwoord christelijk advies te helpen. Zo’n advies is niet eenvoudig en waarschijnlijk ook moeilijk eenstemmig te geven. Dat blijkt o.a. uit het rapport Transseksualiteit, dat door het prof. dr. G.A. Lindeboom Instituut in 1996 werd uitgegeven. Het doet weldadig aan dat de samenstellers van dit rapport eenstemmig vinden dat ook een transseksueel die besluit een geslachtsaanpassende operatie te ondergaan, moet kunnen blijven rekenen op pastorale begeleiding en opvang binnen de gemeente. Tegelijk bleef er onder de samenstellers van het rapport verdeeldheid inzake ethische beoordeling van geslachtsaanpassende ingrepen.

Ook wanneer we, zoals ik zelf, geslachtsaanpassende operaties niet principieel veroordelen, blijven er genoeg ethische vragen over. Kan iemand na zo’n operatie ook aan een huwelijksrelatie beginnen? Juist omdat we van aanpassing moeten spreken en een integrale verandering van geslacht niet mogelijk is, is een huwelijk niet vanzelfsprekend. Verder, is de prijs van zo’n operatie niet te hoog als een transseksueel getrouwd (geweest) is en kinderen heeft? Het leed is niet alleen groot bij transseksuelen, maar zeker ook bij hun familieleden. Kinderen vervreemden van hun vader of moeder, wanneer hun vader of moeder verder als vrouw of hun moeder verder als man door het leven gaat.

Wanneer het voor de aanpassing van het geslacht technisch mogelijk wordt geslachtsorganen te transplanteren, moet dezelfde bedenking die we in 16.3 aan de orde stelden ook hier gelden. Orgaantransplantatie kent morele grenzen, die worden overschreden als testes en ovaria beschikbaar worden gesteld. De transseksueel kan door een operatie verlichting van zijn genderdysforie ontvangen; maar hij kan niet de illusie koesteren, dat hij op grond van zijn eigen identiteit met betrekking tot procreatie lichamelijk normaal zal functioneren.

Geciteerde literatuur

Gooren, L.G.J., Hij ten Zij, Amsterdam: VU 1990

Jochemsen, H. (red.), Transseksualiteit, Ede: Prof. dr. G.A. Lindeboom Instituut 1996

Kuiper, A.J., Transseksualiteit. Evaluatie van geslachtsaanpassende behandeling, Amsterdam/Utrecht: Elinkwijk 1991

Leeuwen, M. van, Verklaringstheorieën, in Jochemsen, H. (red.), Transseksualiteit, 27-33

O’Donovan, O., Begotten or made?, Oxford: University Press 1984

Valenkamp, M., De problematiek van transsexualiteit en operatieve veranderingen aan het menselijk lichaam vanuit wijsgerig-antropologisch en ethisch perspectief, in Koers (Potchefstroom), jg. 56 (1991), 383-407

Douma, J., Medische ethiek, Kampen: Uitgeverij Kok, 1997,  46 (2.7.1), 347-349 (16.11)

De bijbelse visie van ds. Henk de Jong op Israël

Vrijdag 29 september 2023 vond het herdenkingssymposium ‘Christus in het Oude Testament’ – De bijbels-theologische erfenis van Henk de Jong plaats. Henk de Jong (1932-2023) was vanaf 1959 predikant in eerst de GKV en daarna de NGK. Hij was een invloedrijk theoloog met de uitleg van het Oude Testament als specialisatie. In de discussie over de verhouding tussen de christelijke kerk en het volk Israel was hij één van de prominente voorstanders van het zandlopermodel: het volk Israel in het Oude Testament is de weg en de trechter die tot Jezus Christus leidt en na Pinksteren verbreedt het volk Israel zich tot iedereen die Jezus erkent als de door God beloofde Messias, net zoals de gelovigen in het Oude Testament uitzagen naar de komst van Jezus als de door God beloofde Messias. Volgens hem is de kerk niet in de plaats van Israel gekomen, maar is er ook geen zelfstandige plaats voor het Joodse volk inclusief de landbelofte.

Henk de Jong – foto https://onderwegnaar1kerk.nl

In 2012 was Henk de Jong één van de ondertekenaars van een Open Brief over Israël aan Nederlandse Christenen. Samen met o.a. Jos Strengholt, Steven Paas en Wubbo Wierenga keren ze zich tegen toenemende tendens onder bijbelgetrouwe christenen om in de stichting en het bestaan van de staat Israel een vervulling van bijbelse beloften te zien. Hieronder volgt de tekst van deze ‘Open Brief’

“Ondergetekenden stellen vast dat de verhouding tussen kerk of gemeente en Israël hoog op de agenda staat van veel christenen in Amerika en Europa. Dat is ook het geval in Nederland waar we terugzien op een traditie van positieve belangstelling voor Joodse mensen aan wie in ons land sinds de 16e eeuw bescherming is geboden. Evenals elders werden veel Nederlandse orthodoxe christenen in hun waardering voor de Joden gevoed vanuit zekere eindtijdverwachtingen, die voortkwamen uit theologische ontwikkelingen in het 17e en 18 eeuwse Piëtisme (in Nederland: Nadere Reformatie) en in de theologie van de Bedelingenleer of het Dispensationalisme, die in de 19e eeuw veel aanhang kreeg.

Kerk der eeuwen onder kritiek
De gruwel van de Shoah of Holocaust, die ons land niet is voorbijgegaan, heeft een onuitwisbare indruk gemaakt. Een diepe indruk is ook gemaakt door de stichting van de staat Israël, in het bijzonder toen die bestand bleek tegen de vijandige aanvallen van omringende naties. Deze ontwikkelingen hebben de sympathie van Nederlanders voor de Joden verdiept en verbreed. Dat is begrijpelijk. Het is een goede correctie op een historie van antisemitisme in Europa en een positief tegenwicht ten opzichte van de felle en onredelijke vijandigheid die de huidige staat Israël en de Joden vooral vanuit de islamitische wereld ervaren.
Er is echter ook een andere tendens. Tegelijk heeft namelijk bij velen de gedachte zich vastgezet dat de ellende die de Joden in de afgelopen 2000 jaar hebben ervaren voor een groot deel te wijten valt aan de kerk en aan de klassieke theologie, zowel die van de Oudheid en de Middeleeuwen als die van de Reformatie en daarna. Als reactie heeft men de kerk der eeuwen zeer zwaar onder kritiek gesteld. Zij is beschuldigd van het in stand houden van een ‘vervangingstheologie’, waarin Gods beloften aan Israël ten onrechte aan de kerk worden gegeven. De kerk of de gemeente van Christus wordt dan ook aangewezen als hoofdschuldige in de traditie van antisemitisme en Jodenvervolging.
Al of niet gestimuleerd door bovengenoemde eindtijdverwachtingen is er o.a. in de reformatorische en evangelische kerken van Nederland een beweging ontstaan die streeft naar een fundamentele herijking van Kerk en theologie, die men ‘onopgeefbaar verbonden’ wil doen zijn aan het volk, het land en de godsdienst van het Judaïsme van hedendaags Israël. Parallel daaraan probeert een groep theologen een ‘nieuw perspectief op Paulus’ in te voeren, met ruimte voor een meer Joods-vriendelijke uitleg van de paulinische geschriften, die ertoe neigt het reformatorische verstaan van de leer van de rechtvaardiging door geloof alleen onder druk te zetten. Vanuit het Christenzionisme in Noord Amerika, dat veel geestelijke en politieke macht uitoefent, ondergaat de Nederlandse beweging invloed.

Bezwaren tegen deze kritiek
Ondergetekenden maken op grond van de Schrift grondig bezwaar tegen pogingen om het klassieke christelijke geloof op die manier te verbinden met Israël en het Judaïsme. Wij willen ons niet in de eerste plaats mengen in het politieke debat over Israël en de Palestijnen, waarin de christen-zionisten niet aflaten hun standpunt te geven. Maar wij willen laten zien dat de Heilige Schrift geen grond geeft aan een Israëltheologie die het volk, het land en de religie van na-Bijbels Israël op die wijze relateert aan het heil van mensen en derhalve abnormale proporties geeft. In dit verband herinneren we aan een waarschuwing in de Barmer Thesen, die hoewel ontstaan in een geheel andere context het zelfde kernpunt raken: ‘Wij verwerpen de valse leer, als zou de kerk als bron van haar verkondiging behalve en naast het ene Woord van God ook nog andere gebeurtenissen en machten, gestalten en waarheden als Gods openbaring kunnen en moeten erkennen’. Tevens verwerpen wij elke etikettering die ons aanduidt als vervangingstheologen of (potentiële) antisemieten.
Wij zijn er van overtuigd dat de aanhangers van deze Israëltheologie de Bijbel verkeerd lezen en dat dit desastreuze gevolgen heeft voor het belijden van de Kerk. Daarom spreken wij ons uit. We hebben ons aangesloten bij een aantal theologen, voornamelijk in de Angelsaksische wereld, die hun stem hebben verheven tegen het idee van een eenzijdig geprivilegieerde heilsstatus van Israël en voor de onpartijdigheid van het Evangelie.
In de kern van de zaak gaat het om twee onterechte vooronderstellingen.

Ten eerste, de bewering dat God het huidige Israël uitzonderlijk goed gezind is, en dat dit geschiedt op basis van etnische afkomst en niet op basis van de genade van Christus alleen zoals aangegeven in het Evangelie.

Ten tweede, de bewering dat de bijbelse beloften van een land en van herstel zijn vervuld in een bepaalde geografische streek, ‘Heilig Land’ genoemd en door God exclusief bedoeld zijn alleen voor één etnische groep.
Als gevolg van deze onjuiste vooronderstellingen zijn veel christenen en anderen misleid ten aanzien van de bijbelse leer over het volk van God, het land van Israël, en de onpartijdigheid van het evangelie.

Tien Stellingen
In de volgende tien stellingen maken wij onze overtuiging openbaar. We doen geen aanval op het oprechte geloof van hen die in deze zaak het niet met ons eens zijn. Beseffend dat sommige aanhangers van gangbare christenzionistische opvattingen ons zullen afwijzen, voelen we ons toch door de Schrift en door ons geweten gedrongen om voor de zaak van Christus en de waarheid deze stellingen naar voren te brengen.

1. Het Evangelie is een aanbod door God van eeuwig zalig leven, evenzeer aan Joden als aan de niet-Joden, als een gratis geschenk in Jezus Christus. Eeuwig leven kun je niet verdienen en je kunt je er niet waardig voor maken; het is ook niet gebaseerd op etnische afkomst of op natuurlijke geboorte.

2. Alle mensen, zowel Joden als niet-Joden, zijn zondaren en als zodanig vallen ze van nature onder de vloek van het oordeel van God. Omdat Gods norm volkomen gehoorzaamheid is en omdat allen zondaren zijn, kan niemand in eigen kracht vrede of eeuwig leven verwerven. Bovendien, buiten Christus om kan niemand van enige etnische groep een speciale gunst van God ontvangen. Buiten Christus om bestaat geen enkele belofte van een aards land of van een erfenis in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde aan enig mens, Jood of niet-Jood. Iets anders onderwijzen of impliceren is niets anders dan het evangelie zelf compromitteren.

3. God is de Schepper van de hele mensheid. Hij is barmhartig en heeft er geen genoegen in om zondaren te straffen. Maar God is ook heilig en rechtvaardig en daarom moet Hij de zonde straffen. Vandaar dat God, om te voldoen aan zowel zijn rechtvaardigheid als aan zijn barmhartigheid, voor allen, Jood en niet-Jood, de weg der zaligheid heeft aangewezen alleen in Christus.

4. Jezus Christus is geheel God en geheel mens. Hij kwam naar de wereld om zondaren te redden. In zijn dood aan het kruis was Jezus het lam van God dat de zonde van de wereld wegdraagt, in gelijke mate die van de Jood en die van de niet-Jood. De dood van Jezus heeft de offers in de Joodse tempel voor altijd vervuld en voor eeuwig beëindigd.
Allen die God willen eren en dienen, moeten nu tot Hem komen door Christus, in geest en in waarheid. De eredienst aan God kan niet meer worden geïdentificeerd met een specifiek hedendaags aards heiligdom. Hij ontvangt eer alleen door Jezus Christus, die de eeuwige tempel is.

5. God geeft in zijn erfenis eeuwig leven aan allen die Christus ontvangen en op Hem alleen rusten, alleen door het geloof.

6. De beloften van de erfenis die God gaf aan Abraham zijn effectief gemaakt door Christus, die het ware zaad van Abraham is. Deze beloften zijn en kunnen niet effectief worden gemaakt door het houden van Gods wet door de zondige mens. De beloften worden gedaan alleen aan degenen die geloven in Christus, de ware Erfgenaam van Abraham. Alle geestelijke voordelen worden verkregen van Jezus. Buiten Hem om heeft men geen deel aan de beloften. Omdat Jezus Christus de Middelaar is van het abrahamitische verbond, zullen allen die Hem zegenen door God worden gezegend en zullen allen die Hem en zijn volk vloeken vervloekt worden door God.
Deze beloften slaan niet op enige bijzondere etnische groep, maar op de kerk van Jezus Christus, het ware Israël. Het volk van God, hetzij de ware gelovigen van Israël in de woestijn in het Oude Testament, hetzij het ‘Israël van God’ te midden van de heidense Galaten in het Nieuw Testament, is één lichaam dat door Jezus Christus de belofte van de eeuwige stad ontvangt, het eeuwige Zion, dat neerdaalt vanuit de hemel. Deze erfenis wordt verwacht door het volk van God van alle tijden en plaatsen.

7. Jezus heeft geleerd dat zijn opstanding de wederoprichting van de ware tempel van God is. Hij is in de plaats gekomen van de priesters, de offers en het heiligdom van Israël, door deze te vervullen in zijn verheerlijkte priesterlijke bediening en door eens en voor allen zijn offer te brengen voor de wereld, zowel voor de Jood als voor de niet-Jood. Gelovigen uit alle naties worden nu ingevoegd en samengevoegd in deze derde tempel, de kerk die Jezus heeft beloofd te bouwen.

8. Simon Petrus sprak over de wederkomst van de Here Jezus in verband met het laatste oordeel en de straf van zondaren. Het is leerzaam dat deze zelfde ‘apostel van de besnijdenis’ niets zegt over het herstel van het Koninkrijk voor Israël in het land Palestina. In plaats daarvan richt hij de hoop van zijn lezers, die nadenken over de wederkomst van Jezus, op de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont.

9. Het recht van welke etnische of godsdienstige groep dan ook op een bepaald gebied in het Midden-Oosten kan niet worden ontleend aan de Schrift. De speciale landbeloften aan Israël in het Oude Testament werden in feite vervuld onder Jozua. Het Nieuwe Testament spreekt duidelijk en profetisch over de vernietiging van de tweede tempel in AD 70. Geen enkele schrijver in het Nieuwe Testament voorziet een opnieuw bijeenkomen van etnisch Israël in het land, zoals de profeten van het Oude Testament hadden voorzien na de vernietiging van de eerste tempel in 586 vC.
Bovendien worden de landbeloften van het Oude Testament al in het Oude Testament zelf en in het Nieuw Testament voortdurend en doelbewust uitgebreid om de universele heerschappij van de Messias te tonen. Hij regeert vanuit de hemel op de troon van David en Hij nodigt alle volken door het evangelie van genade om deel te nemen aan zijn universele en eeuwige heerschappij.

10. Ondeugdelijke christelijke theologie betreffende het ‘Heilige Land’ heeft bijgedragen aan tragische wreedheid gedurende de kruistochten in de Middeleeuwen. Het is beklagenswaardig dat vandaag ondeugdelijke christelijke theologie aan seculier Israël een goddelijk mandaat geeft om niet-Israëlisch ‘Palestina’ blijvend in bezit te houden, waardoor Palestijnse mensen worden gemarginaliseerd en beschouwd als eigenlijk ‘Kanaänieten’.
Dit Israël-dogma gaat in tegen de leer van het Nieuwe Testament en doet de opdracht van het evangelie geweld aan. Bovendien, christenen die gewelddadige confiscatie en bezetting van Palestijns land aanmoedigen met hun theologie, lopen het risico mede schuldig te zijn aan bloedvergieten. Zijn wij als christenen niet geroepen om te bidden en te werken voor vrede en om beide partijen te waarschuwen dat zij die leven bij het zwaard, ook zullen omkomen door het zwaard? Alleen het evangelie van Jezus Christus kan verzoening brengen tussen Israëliers en Palestijnen en hoop geven op een eeuwige en volmaakte erfenis. Slechts door Jezus Christus kun je weet hebben van werkelijke vrede op aarde.

Het koninkrijk van Christus
Het beloofde messiaanse koninkrijk van Jezus Christus is al gevestigd. De komst ervan markeert het doel waarop de menselijke geschiedenis is gericht. Dit koninkrijk van de Messias gaat door met zich ten volle te verwerkelijken naarmate gelovige Joden en niet-Joden van elke generatie worden toegevoegd tot de gemeenschap van gezaligden. Dat koninkrijk zal in finale en eeuwige vorm worden gemanifesteerd bij de terugkeer van koning Christus in al zijn heerlijkheid.
Van alle naties heeft het Joodse volk een vooraanstaande rol gespeeld bij het komen van het messiaanse koninkrijk. In het Nieuwe Testament wordt gezegd dat aan hen de woorden van God werden toevertrouwd, de aanneming, de heerlijkheid, de verbondsbeloften, de wet, en de dienst aan God. Van hen zijn de aartsvaders Abraham, Izak en Jakob en uit hen kwam wat het vlees betreft de Christus voort. Het heil is inderdaad uit de Joden. Echter christenen weten tegelijk dat er buiten Christus om geen redding is. Juist daarom moeten zij met droefheid erkennen dat de Joden in de geschiedenis vaak zijn onderdrukt, soms op tragische wijze in de naam van het kruis.
Maar wat te zeggen van het ongeloof van Israël? Heeft hun ongeloof het effect van Gods trouw aan hen weggenomen? Nee, God behandelt Israël niet anders dan enig ander volk. Hij heeft het volk van Israël niet volledig verworpen en we sluiten ons aan bij de apostel Paulus in zijn ernstige gebed om redding voor zijn Joodse volksgenoten naar het vlees. Zoals in de wereld als geheel is er altijd een rest geweest en zal er altijd een rest zijn, die zalig wordt. Tegelijk geldt dat evenmin als de hele wereldbevolking, Israël in zijn geheel de zegening zal ervaren van deel te hebben aan het messiaanse koninkrijk. Maar dit laat staan dat de Joden die tot geloof komen in Jezus Christus samen met alle andere gelovigen in Hem zullen delen in zijn regering, nu al in de tijd en straks ook in de eeuwigheid. Samen met andere gelovigen vormen de gelovige Joden het ware Israël van God, de kerk van Jezus Christus.
De huidige seculiere staat van Israël is niet een authentieke of profetische verwerkelijking van het messiaanse koninkrijk van Jezus Christus. Ook moet men geen dag verwachten waarop het koninkrijk van Christus een onderscheidenheid van de Joden zal demonstreren, hetzij als een volk, hetzij als een land of als een stelsel van ceremoniële instituten en praktijken. In plaats daarvan zal onze tijd eindigen met de komst van de finale en eeuwige fase van het koninkrijk van Messias Jezus. Op dat moment zullen alle ogen, ook van hen die Hem hebben doorstoken, de koning zien in zijn heerlijkheid. Elke knie zal buigen en elke tong zal verklaren dat Jezus Christus de Here is, tot de eer van God de Vader. De koninkrijken van deze wereld zullen van het koninkrijk van onze God worden en van zijn Christus, en Hij zal voor altijd regeren.

Oproep
In het licht van deze grootse profetische verwachting in het Nieuwe Testament willen wij onze door het Christenzionisme beïnvloede reformatorische en evangelische broeders en zusters oproepen om terug te keren tot de kernboodschap van de Schrift, zoals die in de Reformatie is herontdekt. Wij en anderen worden zalig alleen, ‘sola’, door genade, alleen door de Schrift, alleen door het geloof, ja alleen door en in Jezus Christus. Buiten Christus om geestelijk gefascineerd zijn door fysiek Israël kan het ‘sola’ van de genade slechts ondermijnen. We zijn geroepen terug te keren naar de verkondiging van het vrije aanbod van de genade van het evangelie aan alle volken, inclusief alle kinderen van Abraham. Daartoe behoren ook alle Joden en Palestijnen.
Als ondertekenaars van deze Open Brief willen we samen met Joodse en Palestijnse christenen, verdrukt en gemarginaliseerd als ze vaak zijn, bidden en werken voor de doorwerking van de boodschap van de vredevorst onder hun volksgenoten die Jezus Christus nog niet kennen als redder.

De ‘Open Brief’ met noten, ondertekenaars en reakties is terug te vinden op https://strengholt.blogspot.com/2012/09/open-brief-over-israel-aan-nederlandse.html?m=1

Wie komen er op de plaatsen 5, 6 en 7 op de ChristenUnie-lijst?

Zaterdag 30 september wordt op het partijcongres van de ChristenUnie de kieslijst voor de aanstaande Tweede Kamer vastgesteld. Opvallend is, dat twee van de vijf zittende kamerleden door de selectiecommissie op onverkiesbare plaatsen zijn gezet. Nico Drost (1980) is op plaats 7 gezet. Hij is sinds januari 2023 Tweede Kamerlid en was dat in 2019 ook al even toen Stieneke van der Graaf (1984) zwangerschapsverlof had. Nu is diezelfde Stieneke op plaats 9 gezet. Zij is al sinds oktober 2017 Tweede Kamerlid. Bij de verkiezingen in 2017 en 2021 stond zij op plaats 6, maar mocht beide keren als vijfde ChristenUnie-parlementariër de Kamer in omdat Carola Schouten minister werd. In beide jaren had Stieneke, op stemmenkanon Gert-Jan Segers (2017: 260.999 en 2021: 238.225) en vaste nr. 2 Carola Schouten (2017: 33.192 en 2021: 47.008) na, de meeste voorkeurstemmen, nl. 11.526 in 2017 en 11.497 in 2021, op de voet gevolgd door Don Ceder (2017: 8.276 en 2021: 10.318).

Nu staat Stieneke op 9 en Nico op 6. In principe zijn dat twee onverkiesbare plaatsen. Daarom doen 542 leden een voorstel om Stieneke op plaats 5 van de kandidatenlijst te zetten en Nico, als Stieneke op plaats 5 komt, op plaats 6 te late staan. De huidige nr. 5, Joëlle Gooijer-Medema (1976) zakt dan naar plaats 7. Als argumentatie voeren de  indieners aan:

Het is van groot belang dat bestaand talent gekoesterd wordt door de partij en ervaring passende ruimte blijft houden op de kieslijst. In Den Haag is een leegloop te zien van ervaren en inhoudelijk sterke Kamerleden, in veel andere partijen, maar nu ook binnen de ChristenUnie. De zittende fractie van de ChristenUnie is nieuw, jong en fris. Nog geen van onze Kamerleden heeft twee termijnen volgemaakt. Het vernieuwingsargument gaat daarom wat ons betreft niet op. In het huidige politieke klimaat vinden wij continuïteit, stabiliteit en ervaring zwaar wegen. Wij zijn het al met al niet eens met de weging van continuïteit en vernieuwing op de voorgestelde kandidatenlijst.

Specifiek over Stieneke noemen de indieners nog twee argumenten:

Over de persoon: Met Stieneke van der Graaf wordt een talentvol Kamerlid, met een door haar zorgvuldig opgebouwd politiek profiel behouden. Stieneke van der Graaf draagt met hart en ziel bij aan de christelijk-sociale missie en geniet brede waardering voor haar werk binnen en buiten de partij.

Over de spreiding: De ChristenUnie heeft veel leden en kiezers buiten de Randstad en is in de regio goed vertegenwoordigd in raden en Staten. Inhoudelijk laat de ChristenUnie zich kenmerken door naast aandacht voor het Randstedelijk gebied ook specifiek de belangen van de regio te behartigen. Dit is ook terug te zien aan de lijst vanaf plek 10. Van de bovenste 5 kandidaten op de voorgestelde kandidatenlijst wonen er 4 in de Randstad. Stieneke van der Graaf is geworteld in Overijssel en woonachtig in Groningen. Door de top 5 op deze wijze aan te passen, is er een betere overeenkomst met de spreiding van de ChristenUnie-stemmer.

Het partijbestuur ontraadt dit voorstel en noemt daarvoor een aantal argumenten (cursief = citaat).

1/ Het bestuur wil graag een goede teamsamenstelling wat betreft diversiteit en kennis in de fractie van de ChristenUnie. Omdat het thema ‘zorg en medische ethiek’ binnen de ChristenUnie topprioriteiten zijn en in de samenleving een steeds belangrijker item wordt, is het beter om iemand die op dit cruciale gebied veel kennis en ervaring heeft (Joëlle Gooijer-Medema) op plaats 5 te zetten dan iemand als Stieneke, die net als de nrs. 1 en 3  (Mirjam Bikker en Don Ceder) een juridische achtergrond heeft.

2/ Voor het bestuur is het belangrijk dat, naast competenties, ook stijlen en persoonlijkheden in de fractie in balans zijn. Nu heeft ChristenUnie het luxeprobleem dat we meer Kamerwaardige kandidaten hebben dan realistisch haalbare zetels. Daarom is er door de selectiecommissie nadrukkelijk gekeken naar een optimale teamsamenstelling in de top-6 van de kieslijst, zonder dat daarmee de kundigheid of geschiktheid van lager geplaatste kandidaten zoals Stieneke van der Graaf in twijfel getrokken worden.

3/ Regionale binding moet je niet versmallen tot ‘woonplaats’. Mirjam Bikker en Pieter Grinwis wonen weliswaar net als Don Ceder en Joëlle Gooijer-Medema in de Randstad, maar hebben vanuit hun persoonlijke achtergrond een sterke binding met de regio en het platteland mee, en de nummers 4 en 6 op de kandidatenlijst komen uit Overijssel (Alwin te Rietstap) en Gelderland (Nico Drost). Daarmee is het Landelijk Bestuur van mening dat dit voor de ChristenUnie cruciale aspect van ‘regionale binding’ in een goede balans is.

4/ Wat het punt van politieke continuïteit betreft, zijn Mirjam Bikker, Pieter Grinwis  en Don Ceder alle drie nog maar sinds maart 2021 Tweede Kamerlid, maar liepen Mirjam en Pieter daarvoor al jarenlang mee op het Binnenhof (Mirjam sinds 2006 als beleidsmedewerker en Eerste Kamerlid, Pieter sinds 2003 als beleidsmedewerker). Dat is niet een beetje maar een bak ervaring. Met ook op nummer 3 en 6 een zittend kamerlid is ervaring stevig geborgd.

5/ Het bestuur onderstreept aan het eind nog een keer de belangrijke rol die voor Joëlle Gooijer-Medema, de huidige nr. 5, is weggelegd in de nieuwe fractie vanwege het thema ‘zorg’. Dat is één van de topprioriteiten van de ChristenUnie en één van de grootste uitdagingen de komende jaren voor ons land. Dat vraagt om volksvertegenwoordigers met kennis van zaken en voeten in de klei. Joëlle Gooijer-Medema is zo iemand. Zij werkte zelf in de zorg, was jaren leidinggevende in de ouderenzorg en heeft in haar tijd als wethouder ook op dit thema haar sporen verdiend en zorgt daarmee voor een beter onderscheiden profiel binnen de fractie voor wat betreft zowel ChristenUnie-kernthema’s als professionele achtergrond. Ze maakt de fractie veelzijdiger en [daarom]  is de toegevoegde waarde van Joëlle Gooijer-Medema op plek 5 voor het profiel van de fractie van groot belang.

Het woord is zaterdag aan de leden.

Persoonlijk vind ik de argumentatie m.b.t. ervaring en continuïteit zwak. Van de vijf huidige ChristenUnie-parlementariërs zit Stieneke van der Graaf al sinds eind 2017 in de Tweede Kamer. Mirjam Bikker, Pieter Grinwis en Don Ceder zitten er pas sinds maart 2021 en Nico Drost is nog geen tien maanden kamerlid.

Het argument dat drie kamerleden met een juristen-achtergrond niet handig is, is op zich ook een wat vreemd argument. Blijkbaar was dat drie jaar geleden geen reden om dezelfde drie personen op de plaatsen 3, 4 en 6 te zetten.

De argumentatie dat het in de top van de lijst met de regionale spreiding van kamerleden wel goed zit is ook merkwaardig. Aandacht voor de regio is echt wat anders dan afkomstig uit de regio. Zeker als  je beseft dat Stieneke twee verkiezingen achter elkaar na Gert-Jan Segers en Carola Schouten met 11.500 stemmen de meeste ChristenUnie-kiezers uit met name de noordelijke drie provincies aan zich wist te binden, o.a. vanwege de aardbevingsproblematiek daar. Dan is het raar en misschien ook wel van weinig inlevingsvermogen getuigend, dat zij als de eerste ChristenUnie-kandidaat uit het Noorden pas op plek 9 staat.

Ook vind ik het niet echt sterk dat het bestuur enerzijds zegt: we hebben een luxeprobleem als het om het aantal geschikte kandidaten gaat, maar anderszijds zegt: we kunnen eigenlijk geen geschiktere kandidaat voor plek 5 vinden dan iemand die nog maar net één jaar geleden begonnen is aan haar eerste periode als wethouder Jeugd, Ouderen en Armoede in Delft. Als je in juni 2022 heel bewust aan zo’n klus begint, hoe fair is het dan om binnen 1½ deze functie, waar je 4 jaar voor getekend hebt, in te ruilen voor een nieuwe mooie stap op je carrière-ladder, omdat die mogelijkheid zich door de val van het kabinet toevallig drie jaar eerder aandient? Had de partijtop van de ChristenUnie je dan niet gewoon je karwei als wethouder moeten laten afmaken en je in 2027 hoog op de lijst moeten zetten?

Blijven er twee argumenten over die in mijn ogen voor het partijbestuur een goede reden kunnen zijn om een zittend kamerlid waarvan het partijbestuur zegt dat haar persoonlijke competenties niet ter discussie staan, slechts op de 9e plaats van de kieslijst te zetten:

– een verschuiving binnen de thema’s die voor ChristenUnie topprioriteiten zijn;

– de wenselijkheid van een optimale teamsamenstelling qua stijlen en persoonlijkheden.

We zien wel wat de ChristenUnie-leden komende zaterdag beslissen. En daarna is het woord aan de Christen-Unie-kiezers.

Geloofsgroei werkt als slowfood: ‘hoe langer hoe meer’

Een aantal jaren geleden kwam ik een oude schoolvriend tegen. Hij was jarenlang vrijgemaakt geweest, maar ergerde zich aan de lauwheid in onze kerken. Uiteindelijk werd hij, samen met zijn vrouw, lid van een baptistengemeente. Maar ook daar liep hij na verloop van tijd tegen hetzelfde aan. Dus is hij nu lid geworden van een charismatische gemeente waar volgens hem de Geest wel volop werkt en alle ruimte krijgt. 

Misschien is dit een extreem voorbeeld. Maar ik vind het wel herkenbaar. Er leeft bij veel christenen een sterk verlangen naar meer. We mogen van de Geest van Christus veel verwachten en daar moeten we ons ook naar uitstrekken. Daarbij mag je niet te klein van God denken. Met groot enthousiasme wordt iedere christen opgeroepen zich helemaal open te stellen voor de werking van de Heilige Geest. Hij geeft je een volheid van nieuwe krachten.

Regelmatig hoor ik dan uitdrukkingen als: ‘Ga staan in de overwinning van Christus!’ En: ‘De Heer wil je meer geven dan je tot nu toe van Hem ontvangen hebt’.

Als gevolg daarvan wordt de levensheiliging een heel belangrijk criterium waaraan wordt afgemeten of iemand echt ‘in de Heer’ is. Jezus Christus wil je immers MEER geven! Dan moet je dat ook in geloof aanpakken en oppakken. Dit is een hele optimistisch benadering van het leven als christen. Maar tegelijk stelt het ook hele hoge eisen aan je. Je hoeft immers niet meer te zondigen als je echt door de Heilige Geest Jezus als Redder en Heer aanvaard hebt.

In de Bijbel tref ik een heel andere toon aan. Daar wordt je als christen niet beoordeeld op je daden, maar op je motivatie. God kijkt niet naar hoe perfect jij bent; Hij kijkt naar je hart. Wat je voor God 100% bent (een totaal nieuw mens dankzij het bloed van Jezus) zul je in dit leven steeds meer worden (een groeiend christen dankzij de Geest van Jezus).

Je wordt als christen in dit leven dus ‘hoe langer hoe meer’ wat je in de ogen van God al bent.

Die woorden kwam ik weer tegen in de Heidelbergse Catechismus, toen ik over Zondag 26 preekte. En je komt het vaker tegen. Ik wil de passages die ik gevonden heb graag even noemen:

Zondag 26:70 ‘Wij zijn door de Heilige Geest vernieuwd en tot leden van Christus geheiligd, zodat wij hoe langer hoe meer van de zonde afsterven en godvrezend leven en onberispelijk leven.’

Zondag 30:81 ‘Het avondmaal van de Here is ingesteld voor hen die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te versterken en hun leven te beteren.’

Zondag 32:89 ‘Het afsterven van de oude mens houdt ook in dat wij onze zonden hoe langer hoe meer haten en ontvluchten.

Form. Avondmaal ‘Geef ons door uw Heilige Geest dat wij ons hoe langer hoe meer vol vertrouwen aan uw Zoon Jezus Christus overgeven. (…) Laat ons steeds meer groeien in het nieuwe verbond in Christus’ bloed.

Hierin zie ik een hele realistische benadering van het leven als christen. Ook in andere passages kom je heel duidelijk tegen, dat de HERE ons niet beoordeelt op de invulling van ons geloofsleven, maar op de geloofshouding waarmee wij in het leven staan. Ik noem er nog een paar:

Zondag 1:1 ’Door zijn Heilige Geest maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven.’

Zondag 44:115 ‘Wij bidden God om de genade van de Heilige Geest, om steeds meer naar het beeld van God vernieuwd te worden, totdat wij na dit leven het doel, namelijk de volmaaktheid, bereiken.’

Dordtse Leerregels III/IV 16 ‘Nu begint door de Geest een gewillige en oprechte gehoorzaamheid de overhand te krijgen.’

Dordtse Leerregels V 10 ‘De gelovigen leggen zich met heilige ernst toe op een goed geweten en goede werken..’

Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 24 ‘Het geloof, dat door de liefde werkt, beweegt de mens ertoe, zich te oefenen in de werken die God in zijn Woord geboden heeft.’

Form. Volwassenendoop en GeloofsbelijdenisVerlang je ernaar (vorige versie: begeert u van harte) God en je naaste lief te hebben en met de wereld van de zonde te breken?’

Form. Avondmaal ‘De zelfbeproeving eist, dat ieder zichzelf afvraagt of hij gezind is voortaan uit dankbaarheid met heel zijn leven God de Here te dienen en of hij zich ernstig voorneemt, voortaan in liefde en vrede met zijn naaste te leven.’

Form. Avondmaal ‘Wij begeren tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven.’

Niet wat ik ervan maak geeft in dit leven de doorslag. God kijkt naar mijn verlangen: om van Jezus Christus te zijn, voor Jezus Christus te leven en straks bij Jezus Christus te zijn.

Deze gereformeerde visie op het christelijke leven krijgt van J.I. Packer (1926-2020), een van de meest bekende bijbelgetrouwe theologen van onze tijd, in zijn boek ‘Wandelen door de Geest’ het positieve kenmerk mee van ‘realisme’.

Het is een benadering die rust geeft. Ik hoef mijzelf als christen niet te beoordelen op mijn eigen geloofsprestaties. Ik mag rust vinden bij wat ik bij Paulus op verschillende plaatsen lees, dat God een goed werk bij en in mij begonnen is. En dat zal Hij ook af maken, zodat ik op de dag van de terugkomst van Jezus zuiver, onberispelijk en helemaal vol van Christus zal zijn (Fil. 1:6-11). En dat geloof deel ik met mijn broers en zussen, zodat we samen, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, volledig toegroeien naar Hem die ons Hoofd is: Christus. Zo bouwen we elkaar op door de liefde (Ef. 4:15-16).

Geloven is allereerst: bij Jezus tot rust komen. ‘Kom bij Mij als je vermoeid bent en onder lasten gebukt gaat. Dan zal Ik je rust geven, werkelijk rust voor je ziel.’ (Mat. 11:28-30)

Rust. Daar begint het mee. Die rust geeft kracht. Kracht om hoe langer hoe meer als christen te leven. En als iemand dan zegt: ‘Kweek je met zo’n houding geen slappe, zorgeloze christenen?’ Dan zeg ik met Zondag 24:64 ‘Nee, want het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort.’