Is er plaats voor het huidige Israel in Gods heilsplan? – een longread

Neemt het huidige Joodse volk nog altijd een bijzondere plaats in binnen Gods heilsplan? In deze openingsbrief start ds. Ernst Leeftink een theologische briefwisseling met prof. dr. Jan Hoek over deze veelbesproken vraag. De briefwisseling bestaat uit zes brieven, drie van elke auteur, en wordt de komende weken vervolgd. De openings-brief van de Nederlandse gereformeerde predikant nodigt hopelijk uit een verdiepend gesprek over een actueel en belangrijk onderwerp binnen de christelijke wereld.

‘Huidige Joodse volk is niet Gods volk’

BRIEF 1 van Ernst aan Jan (13-01-2026)

Dag Jan,

Het is me een genoegen om aan het begin van dit nieuwe jaar met jou in een briefwisseling van gedachten te mogen wisselen over de vraag of het huidige Joodse volk nog altijd een bijzondere plaats inneemt in Gods heilsplan met heel de wereld. Dat is een interessante vraag waar de meningen sterk over verdeeld zijn.

Als ik het Nieuwe Testament serieus neem, moet mijn antwoord op die vraag zijn: nee, het huidige Joodse volk neemt binnen Gods heilsplan met heel de wereld geen bijzondere plaats meer in. Het is nog wel van betekenis, namelijk als waarschuwend voorbeeld en als teken van hoop.

Maar voordat ik dat verder onderbouw, wil ik eerst proberen jouw visie zo goed mogelijk te verwoorden. Die heb je in de afgelopen maanden op verschillende plaatsen uiteengezet. Bij jou staat voorop, als ik het goed begrijp: “De HEERE laat zijn volk niet vallen. De weg van God met Israël is niet vervangen door de kerk, maar in Christus juist verdiept en verbreed.” Daar zeg ik van harte ja en amen op.

Mijn hoogleraar ethiek, prof. dr. Jochem Douma (1931–2020), huldigde hetzelfde standpunt. Gods volk heeft na Pinksteren een enorme uitbreiding ondergaan. Naast Joden krijgen ook heidenen een volwaardige plaats binnen Gods volk. Dat gebeurde in het Oude Testament al sporadisch. Denk bijvoorbeeld aan Rachab, Ruth en Naäman.

Tijdens zijn leven op aarde bracht Jezus dit met woord en daad in praktijk. Denk aan de Romeinse hoofdman (Lukas 7), de vrouw uit de regio Tyrus (Mattheüs 15) en de Samaritaanse vrouw (Johannes 4). En denk aan de woorden van onze Heer dat Hij Herder zal zijn van één kudde, samengesteld uit twee groepen schapen die naar zijn stem horen (Johannes 10).

Vanaf Pinksteren doorbreekt de Geest alle grenzen. Wat je geslacht, je nationaliteit of je maatschappelijke status ook is, alle mensen die Jezus aannemen als hun Verlosser vormen samen het ene volk van God. Zowel Petrus (Handelingen 10:34 en 15:9) als Paulus (Romeinen 2:11, 3:22 en 10:12) maken duidelijk dat God daarbij geen enkel onderscheid maakt tussen Joden die Jezus al eeuwenlang als de beloofde Messias erkennen en heidenen die nu pas tot geloof komen. De eersten waren al burgers van Gods volk en blijven dat. De laatsten ontvangen dit burgerschap nu pas.

Vanaf Pinksteren delen beide groepen in het burgerschap van Israël (Efeziërs 2:12 en 19). Dat uitgebreide en verbrede Israël is vanaf Pinksteren het ene volk van God, Ammi, waarover Hij zich opnieuw ontfermd heeft: Ruchama. Zij mogen zich kinderen van de levende God noemen en dat ook weten. Zo gaat de profetie van Hosea over Lo Ammi dat weer Ammi wordt en Lo Ruchama die weer Ruchama wordt in vervulling. Paulus (Romeinen 9:24–26) en Petrus (1 Petrus 2:9–10) zeggen dat nadrukkelijk.

De weg van God met zijn volk is dus inderdaad in Christus verdiept en verbreed, zoals jij schrijft. Vanaf Pinksteren bestaat Gods Israël uit alle gelovigen die hun vertrouwen stellen op de naam van Jezus Christus. Zij delen samen en op gelijke wijze in het heil dat God in het Oude Testament aan Abraham en zijn nakomelingen beloofd heeft. Die redding komt bij de Joden vandaan, zegt Jezus tegen de Samaritaanse vrouw. Dat moet iedere niet-Joodse christen bescheiden maken. Het vraagt om eerbied voor de wortel waaruit wij leven, namelijk Gods verbond met Abraham, zoals jij het ergens treffend verwoordde.

Maar dan begrijp ik niet hoe je tegelijk kunt zeggen dat het huidige Joodse volk ook nog steeds Gods volk is, zij het op paradoxale wijze, namelijk gebroken en onder aanvechting. Je baseert dat op Romeinen 11:1, waar Paulus zegt dat God zijn volk niet verstoten heeft. Ook lees je in het Oude Testament dat Gods verkiezing van Israël eeuwig is en dat zijn verbond onverbrekelijk is. Daarom is het huidige ongelovige fysieke Joodse volk volgens jou nog steeds door God uitverkoren en is een aantal beloften nog niet volledig vervuld. Vanuit die gedachte zie jij het ontstaan van de staat Israël als een bijzonder teken van Gods trouw en verwacht je dat Hij nog grootse plannen heeft met wat jij noemt “zijn volk”.

Eerlijk gezegd kan ik je hierin niet volgen. Waar lees jij in het Nieuwe Testament dat God nog steeds twee volken heeft? Een verbreed geestelijk Israël én een etnisch Joods Israël? En waar lees jij in het Nieuwe Testament dat Israël naar het vlees, zoals Paulus zijn volksgenoten noemt in 1 Korintiërs 10:18, die Jezus verworpen hebben, nog steeds Gods volk of Gods oogappel wordt genoemd?

Ik lees in Mattheüs 8 dat Jezus zegt dat veel gelovigen uit alle volken het Koninkrijk van God zullen binnengaan omdat zij in Hem geloven. Tegelijk zegt Hij dat veel kinderen en erfgenamen van datzelfde Koninkrijk die niet in Hem geloven, worden geworpen in de buitenste duisternis. Daarmee doelt onze Heer op zijn eigen joodse volk dat Hem heeft afgewezen en voor een groot deel nog steeds afwijst.

Paulus zegt in Romeinen 11:17 dat zij de afgehouwen takken van de edele olijfboom zijn. Dat zijn de Joden uit Paulus’ dagen die Jezus hebben verworpen. In Romeinen 11:28 noemt Paulus hen zelfs vijanden vanwege het Evangelie. Dat ongelovige deel kun je volgens mij onmogelijk blijven beschouwen als onderdeel van de edele olijfboom Israël. Ook kun je er geen tweede boom van maken die op een of andere manier toch nog aan de wortel verbonden zou zijn.

Daarom geloof ik niet dat het huidige Joodse volk nog steeds Gods volk is. Ook niet op paradoxale wijze. En ik geloof al helemaal niet dat het ontstaan van de Joodse staat Israël in 1948 een teken is van Gods trouw. De vraag is dan immers: trouw waaraan? In het hele Nieuwe Testament kom ik geen enkele aanwijzing tegen dat Jezus ooit nog een aards rijk zal stichten voor alle Joden die niet in Hem geloven, met Israël als heilig land, Jeruzalem als heilige stad en een herstelde offerdienst in de tempel. Waarom zijn zoveel christenen daar dan toch zo sterk op gefocust?

De focus op het Joodse volk als tweede volk van God met eigen beloften kom ik in het Nieuwe Testament nergens tegen. Zij zijn het overblijfsel van de afgehouwen takken, omdat zij vijanden van het Evangelie zijn, zegt Paulus in Romeinen 11:28. Dat maakt hen tot een waarschuwend voorbeeld. Zonder geloof in Jezus hoor je niet bij Gods volk en kom je het Koninkrijk niet binnen.

Tegelijk zijn zij ook een teken van hoop. God schrijft niemand definitief af. Want ieder uit het Joodse volk die zich bekeert en zijn ongeloof opgeeft, zal door God opnieuw worden ingeënt op de edele olijfboom, schrijft Paulus in Romeinen 11:23. Zo wordt een verloren oudste broer of zus opnieuw ingeschreven als burger van Israël. Dat geldt net zo goed voor moslims die Jezus niet erkennen als Zoon van God en voor gedoopte christenen die met God en Jezus hebben gebroken.

Ik wil afsluiten met twee vragen waarop jij misschien een antwoord kunt geven.

  1. Waarom slaan veel christenen het hele Nieuwe Testament over door beloften uit het Oude Testament rechtstreeks te betrekken op het huidige Joodse volk en op het aardse Israël en Jeruzalem? Wordt daarmee niet een fundamentele regel van bijbeluitleg genegeerd, namelijk dat alles vanuit Christus moet worden verstaan? Augustinus verwoordde het kernachtig: “In het Oude Testament ligt het Nieuwe Testament verborgen. In het Nieuwe Testament wordt het Oude Testament onthuld.”
  2. Waarom focussen veel christenen zich bij de plaats van het huidige Joodse volk in Gods heilsplan vooral op enkele moeilijk te interpreteren teksten, zoals Handelingen 1:6 en Romeinen 11:26, in plaats van het hele Nieuwe Testament te laten meewegen? Worden daarbij niet twee belangrijke regels van gereformeerde bijbeluitleg vergeten, namelijk dat je Schrift met Schrift moet vergelijken en dat je moeilijke passages uit de Bijbel moet verklaren vanuit de gedeeltes die makkelijker uit te leggen zijn?

    Tot zover mijn openingsbrief.

Hartelijke groet en in alles Gods nabijheid en wijsheid toegebeden,

Ernst


‘Gods weg met Israël is geen tijdelijk intermezzo’  

BRIEF 1 van Jan aan Ernst (15-01-2026)

Dag Ernst,

Een gesprek met een evangelische theoloog als prof. dr. Willem Ouweneel zou zeker over andere discussiepunten en meningsverschillen gaan dan de vragen die tussen ons spelen. Zo zijn we het er samen over eens dat het genadeverbond dat God met Abraham en zijn nageslacht heeft opgericht, nog altijd geldig is. Het nieuwe verbond van Jeremia 31 is het vernieuwde verbond. Dat betekent dat er continuïteit is in de discontinuïteit.

Gedeelde overtuiging
In doopdiensten zingen we dankbaar met Psalm 105 dat God het verbond met Abraham, Zijn vriend, bevestigt van kind tot kind. Ook zingen we met Psalm 87 dat het blijde nageslacht van heidenen geteld wordt als in Israël ingelijfd, om zo de naam van Sions kinderen te dragen. Broeder Ouweneel zou deze toepassing van de betreffende psalmen kwalificeren als vervangingstheologie.

Je geeft aan het begin van je brief mijn visie zorgvuldig weer en zegt tot mijn vreugde ja en amen op de uitspraak dat de Heere Zijn volk niet laat vallen en dat de weg van God met Israël niet is vervangen door de kerk, maar in Christus juist is verdiept en verbreed. Gezien deze gedeelde overtuiging staan we dicht bij elkaar.

Het is inderdaad een goede zaak om op een rustige en respectvolle wijze met elkaar door te denken over de plaats van het huidige Joodse volk in de weg die de Heere gaat door de geschiedenis, de grote Toekomst van Christus tegemoet. Fijn dat je daartoe bereid bent. Wij kennen elkaar niet persoonlijk, maar weten op voorhand van elkaar dat we eerbiedig willen luisteren naar het Woord van God en dat wij ons beiden bewegen binnen de kaders van de gereformeerde theologie.

Ik zou het ook zo willen formuleren: de God en Vader van Jezus Christus is onverminderd de God van Israël, ook sinds Pinksteren. Ten overvloede merk ik op dat ik daarmee niet de staat Israël bedoel, maar het volk van Israël, ook wel aangeduid als de Joden, zonder de tien stammen uit te sluiten.

Christus: Messias van Israël en Licht voor de volken
Jezus is de Messias van Israël, de Knecht des Heeren van wie Jesaja profeteert dat het voor Hem te gering zou zijn om alleen de stammen van Jakob op te richten. Hij is gegeven tot een licht voor de heidenvolken, om Gods heil te zijn tot aan het einde van de aarde (Jes. 49:6).

Bijzonder is hoe Simeon hierbij aansluit in zijn lofzang: een licht om de heidenen te verlichten en tot heerlijkheid van Gods volk Israël (Luk. 2:32). Dat in het rijk van Christus de lijnen van het koningschap van David worden doorgetrokken, maakt de engel Gabriël duidelijk in zijn woorden tot Maria (Luk.1:32-33) en zingt Zacharias er vol vreugde over (Luk. 1: 68-79). Ook de engel boven de velden van Efratha verkondigt grote blijdschap voor heel het volk (Luk.2:10). Daarmee wordt in de eerste plaats het volk Israël bedoeld. De Redder is allereerst tot Israël gekomen.

Geen tijdelijk intermezzo
Gods weg met Israël is geen tijdelijk intermezzo geweest en heeft niet slechts pedagogische betekenis gehad. Met eerbied gesproken was Israël voor God geen opstapje om tot iets anders te komen. In Christus zet Hij Zijn inzet met het volk Israël op verbrede wijze voort.

Sinds Pinksteren is de stroom van Gods heil buiten de bedding van het volk Israël getreden. De uitstorting van de Geest in Handelingen 2 blijft nog beperkt tot Joden en jodengenoten, pas later worden ook heidenen bereikt. Wij kunnen er niet dankbaar genoeg voor zijn dat wij als heidenen volledig bij het volk van God mogen horen.

Toch is hiermee niet alles gezegd. Hier ligt waarschijnlijk een verschil tussen jou en mij. De geestelijke eenheid in Christus betekent geen nivellering. Denk aan Galaten 3:28. De eenheid van man en vrouw in Christus heft onderlinge verschillen niet op. Zo geldt dat ook voor de eenheid van Jood en Griek.

Binnen het ene huisgezin van Christus erkennen wij Messiasbelijdende Joden met respect als onze oudste broers en zussen. Zij mogen hun eigen gebruiken behouden, zolang deze niet als verdienstelijk of zaligmakend worden gezien. God bemint variatie en diversiteit. Eenheid sluit verscheidenheid niet uit.

Eén volk van God, geen twee wegen tot zaligheid

Je vraagt waar ik in het Nieuwe Testament lees dat God twee volken zou hebben. Mijn antwoord is dat ik dit nergens lees en ook niet leer. God heeft één volk. Dat volk is de ene kerk die van Adam af bestaat tot aan de jongste dag.

Toch wordt in zowel evangelische als reformatorische kring vaak gesproken over de Joden als Gods volk of Gods oude verbondsvolk. Dat kan verwarrend en gevaarlijk zijn. Er zijn geen twee wegen tot zaligheid. Jood en heiden worden alleen behouden door het geloof in Christus.

Toch kunnen we met Paulus Israël blijven aanduiden als Gods volk dat Hij niet heeft verstoten (Rom. 11:1-2). In navolging van de Hongaarse theoloog István Tatai spreek ik van een paradoxale existentie van Israël. Israël dat de Messias verwerpt, is te vergelijken met afgerukte takken van de edele olijfboom. Die takken zijn niet verbrand. Ze liggen er nog. Gods verbond is niet opgeheven. Daarom mogen wij hopen dat God deze takken opnieuw zal inenten, zodat geheel Israël zalig zal worden (Rom.11:26).

Oudtestamentische beloften en de hoop van Israël

En, Ernst, hier kom ik bij mijn vraag aan jou. Hoe doe jij recht aan de vele oudtestamentische beloften die weliswaar in Christus principieel zijn vervuld, maar nog niet finaal, nog niet volkomen? Delen wij als kerk niet in de aan Israël geschonken verwachting van het koninkrijk van God?

Paulus zegt immers dat hij in Rome gevangen zit om de hoop van Israël (Hand. 28:20, zie ook Hand. 26:6-7). Die hoop is niet los verkrijgbaar van de beloften aan het volk Israël zelf. De profetieën en de psalmen zijn onmiskenbaar tot dit volk gericht. Hoe zou de uiteindelijke vervulling daarvan dan grotendeels buiten Israël om kunnen gaan?

Paulus zelf kon met zo’n gedachte niet leven. Hij worstelde intens met God, totdat hem duidelijk werd dat de genadegaven en de roeping van God onberouwelijk zijn. God heeft allen in ongehoorzaamheid opgesloten, om Zich over allen te ontfermen (Rom. 11:32). Ontferming heeft het laatste woord. En daarop past uiteindelijk alleen aanbidding.

De staat Israël in het licht van Gods voorzienigheid

Vanuit deze hoop kijk ik ook naar de oprichting van de staat Israël in 1948. Die staat is geen rechtstreekse vervulling van specifieke Bijbelse beloften. Het is een seculiere staat die onder Gods voorzienigheid een plaats heeft gekregen tussen de volken.

Maar wie had, na de moord op zes miljoen Joden, durven denken dat dit volk opnieuw een nationale bestaansvorm zou krijgen? Geeft deze wederopstanding uit de dood ons niet te denken? Mogen we dit, ondanks alle menselijke en zondige kanten, voorzichtig duiden als een aanwijzing dat de God van Israël nog bijzondere plannen heeft met dit volk?

Daarbij past grote terughoudendheid. De Bijbel is geen puzzelboek. We mogen de rechten van Palestijnen nooit negeren of onrecht rechtvaardigen met een beroep op de Schrift. Evenmin mogen we het koninkrijk van God vereenzelvigen met nationalistische belangen of geweld. Dat staat haaks op de verkondiging van Jezus zelf.

Alle reden om door te praten. Ik zie uit naar jouw reactie.

Met broederlijke groet,

Jan


‘Vanaf Pinksteren heeft geen enkel volk meer een streepje voor’  

BRIEF 2 van Ernst aan Jan (20-01-2026)

Beste Jan,

Hartelijk dank voor jouw eerste brief. Ik vind het ook prettig om op deze manier met elkaar van gedachten te wisselen over de plaats van het Joodse volk in Gods heilsplan met heel de wereld. Waar ik vooral blij mee ben, is ons gezamenlijke uitgangspunt: de Bijbel als Gods betrouwbare Woord.

Daarin laat Hij ons zien hoe Hij na de zondeval zijn verlossingsplan voorbereidt, hoe Hij op de door Hem bestemde tijd dat plan door Jezus Christus ten uitvoer heeft gebracht, en hoe Hij vanaf Pinksteren door zijn Geest wereldwijd gaat om ‘een onafzienbare menigte, die niemand tellen kon, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het lam. Luid riepen ze: ‘De redding komt van onze God, die op de troon zit, en van het Lam!’” (Openbaring 7:9-10).

Schriftvervulling en de reikwijdte van het heil

Hierin zie ik, net als jij, Jesaja 49 en Psalm 87 in vervulling gaan. Daarbij gaat het niet over de toekomst van het land Israël of de stad Jeruzalem, maar over de manier waarop God zijn machtige naam over heel de aarde zal uitbreiden. Het heil is uit de Joden, maar bestemd voor heel de wereld.

Ik ben blij dat we samen constateren dat deze Bijbelse opvatting niets van doen heeft met wat velen ons beiden denigrerend en diskwalificerend als ‘vervangingstheologie’ in de schoenen proberen te schuiven.

Voor ik verder op je brief inga, wil ik nog even stilstaan bij Psalm 87. Deze psalm lees ik als bijbelgetrouw christen met het oog op de komst van Christus. In Psalm 87 valt mij op dat de ‘stad van God’ daar consequent ‘Sion’ genoemd wordt en niet ‘Jeruzalem’. Daaruit mag je volgens mij afleiden dat Psalm 87 niet over het aardse Jeruzalem gaat, maar over de plaats waar God woont.

Dat was tot de komst van Jezus in zijn tempel. Vanaf het moment dat Jezus op het toneel verschijnt, is Hij de tempel. En vanaf Pinksteren zijn alle gelovigen over heel de wereld Gods tempel, zowel persoonlijk als wanneer zij samenkomen als gemeente.

Gods volk na Pinksteren

Psalm 87 gaat dus over de vraag waar je God kunt loven en prijzen en wie God mogen loven en prijzen. Na Pinksteren is dat overal waar gelovigen samenkomen in de naam van Jezus. Er is dan geen onderscheid meer tussen “Grieken of Joden, besnedenen of onbesnedenen, barbaren, Skythen, slaven of vrijen, maar dan is Christus alles in allen” (Kolossenzen 3:11).

En waar Christus alles in allen is, hoor je bij Gods volk. Dan heeft God je uitgekozen en hoor je bij de heiligen die Hij liefheeft (Kolossenzen 3:12).

De gelovige rest binnen Israël

Nu over jouw brief. Volgens mij trek je iets te snel de conclusie dat wij het eens zijn over het volgende: dat de weg van God met Israël in Christus verdiept en verbreed is, doordat God na Pinksteren onverminderd de God van het Joodse volk Israël blijft. Dat laatste vind ik te algemeen gesteld.

Natuurlijk is God trouw aan zijn volk Israël. Maar is uit heel het Oude Testament niet duidelijk dat de HERE daarbij de gelovige ‘rest’ op het oog heeft? Dat blijkt bijvoorbeeld uit Jesaja 10:21 en 22 en wordt door Paulus in Romeinen 9:27 nadrukkelijk onderstreept.

Dat ‘overblijfsel’ zal weer terugkeren tot hun God en weer talrijk worden als zandkorrels aan de zee. Zij zullen weer ‘Ammi’, mijn volk, genoemd worden. Want God heeft Zich weer over hen ontfermd door hen te verzamelen onder één Leider. Zij zullen Hem weer aanspreken met ‘mijn God’ (Hosea 2:1-3 en 3:23-25).

Israël na Pinksteren en Paulus’ uitleg

Jij schrijft: ‘Gods weg met Israël was geen tijdelijk intermezzo en geen opstapje om tot het eigenlijke te komen.’ Mijn vraag aan jou is of je hier het Israël van God, dat na Pinksteren bestaat uit iedereen die in de door God beloofde Leider gelooft, niet uitspeelt tegen het Joodse Israël dat tot Pinksteren Gods volk was, maar daarna tot op de dag van vandaag is afgesneden van de edele olijfboom en geen deel meer uitmaakt van de ware wijnstok.

Zij hebben immers voor het overgrote deel hun eigen Messias verworpen. Jij zult dan zeggen dat Paulus toch duidelijk aangeeft dat God zijn volk niet verstoten heeft. Dat klopt. Maar Paulus vat dat niet collectief op. Integendeel, hij verwijst naar zijn eigen geloof: “Ik ben zelf een Israëliet die in Jezus gelooft.” Ook wijst hij op de 7.000 gelovigen die in de tijd van Elia overgebleven waren.

“En zo is er ook nu een klein deel, een rest, een overblijfsel, over dat God uit genade uitgekozen heeft” (Romeinen 11:5). Op die manier blijft God trouw aan zijn volk. Hij verstoot niemand. Mensen plaatsen zichzelf buiten Gods genade en daarmee buiten zijn volk door niet te geloven.

Paulus en Petrus betrekken in Romeinen 9:24-26 en 1 Petrus 2:10 de woorden van Hosea over ‘Lo-Ammi’ en ‘Lo-Ruchama’, die dankzij Gods ontferming weer tot Gods kinderen aangenomen worden, op de toeloop van de heidenchristenen. Maar zou je er dan ook niet eerlijk bij moeten zeggen dat de enorme verbreding van Gods volk na Pinksteren ook tot een versmalling heeft geleid? Van het Joodse volk maken nu alleen de Joden die Jezus Christus geloven nog deel uit.

Israël als trechter en het oude verbondsvolk

Zou je niet mogen zeggen dat het etnische volk Israël in Gods heilsplan met de wereld als een trechter heeft gefunctioneerd? God liet tot de komst van de Messias de volken grotendeels links liggen om na Pinksteren weer voluit wereldwijd te gaan.

Het deel van het Joodse volk dat niet in Jezus gelooft, wordt door velen ‘Gods oude verbondsvolk’ genoemd. Jij merkt terecht op dat we zorgvuldig moeten onderscheiden wat we daarmee bedoelen. Ik zie het zo en gebruik daarbij deze vergelijking.

Vierhonderd jaar geleden vestigden een aantal Nederlanders zich in Zuid-Afrika. Na verloop van tijd noemden zij zich Afrikaners. Zij bleven zich nauw verbonden voelen met Nederland en omgekeerd was dat lange tijd ook het geval. Maar na vier eeuwen kun je niet meer volhouden dat zij daar en wij hier één volk vormen.

Verwantschap en afgebroken takken

Het zijn twee volken met een duidelijke verwantschap geworden. Wanneer een Afrikaner naar Nederland emigreert, zal hij zich enerzijds snel thuis voelen, maar anderzijds ook moeten wennen aan de gang van zaken hier.

Vanaf het Nieuwe Testament tot op de dag van vandaag zie ik hetzelfde patroon. Joden die Jezus verwerpen, zijn niet meer Gods volk. De verwantschap is echter overduidelijk nog aanwezig. Dat geldt ook voor moslims, die in een later stadium van de geschiedenis van Gods ene volk op aarde Jezus hebben afgewezen als Gods beloofde Verlosser. Zij vormen een tweede stapel afgebroken takken.

En dat geldt ook voor de gedoopte Nederlandse natie die vanaf de jaren zestig massaal God en Jezus de rug heeft toegekeerd. Dat is stapel drie. Het hartzeer van Paulus over die eerste stapel takken is hetzelfde als dat van MBB-christenen (Muslim Backgrond Believers) over hun familie en landgenoten die nog moslim zijn.

En hetzelfde als het verdriet dat de ons beider bekende theoloog Henk de Jong had over zijn eigen generatie.

Verdriet, betrokkenheid en beloften

Mijn vraag aan jou is of voor jou de doorgaande lijn van Gods trouw anders ligt bij de eerste stapel afgehouwen takken, de ongelovige Joden vanaf Pinksteren tot vandaag, dan bij later afgebroken takken, zoals moslims vanaf het jaar 600 en Nederlanders sinds 1960 tot in het derde en vierde geslacht.

Moeten alle christenen in 2025 over het ongeloof van het Joodse volk op dezelfde intense wijze verdriet hebben als Paulus dat had? Of mag ik vooral verdriet hebben over al die gedoopte Nederlanders die niets meer met Jezus hebben? En mijn Syrische schoonzus over haar landgenoten die Mohammed boven Jezus plaatsen?

Je vraagt mij ook hoe ik aankijk tegen de vele beloften uit het Oude Testament die, zoals jij het zegt, wel ten principale maar nog niet finaal in Christus vervuld zijn. Volgens mij kent de Bijbel dit onderscheid niet. Daarom stel ik jou een wedervraag. Welke beloften uit het Oude Testament moeten volgens jou nog letterlijk in vervulling gaan?

Heb ik het goed dat jij, met een slag om de arm, de stichting van de staat Israël daaronder schaart? Je zegt dat het geen rechtstreekse vervulling is van specifieke Bijbelse beloften. Maar op grond van welke indirecte verwachtingen dan wel? Ligt er volgens jou nog een derde tempel in het verschiet?

Of moeten we dat geestelijk verstaan, omdat Ezechiël en Johannes in Openbaring het kubisme als kunstvorm weliswaar niet kenden, maar het wel in hun visioenen gezien hebben?

Waar ik vooral benieuwd naar ben, is of je deze indirecte verwachting ook vanuit het Nieuwe Testament kunt onderbouwen. Ik lees bij Jezus en bij alle apostelen dat het aardse Jeruzalem met zijn tempel er niet meer toe doet. Wij hebben immers in de hemel een altaar en verwachten vandaaruit het nieuwe Jeruzalem.

Eén volk of meerdere trajecten

Wanneer jij met ‘finaal’ bedoelt dat er nog beloften van God uitstaan, kan ik daarin meegaan. Nog niet al Gods beloften zijn vervuld. Jezus moet bijvoorbeeld nog terugkomen op de wolken. De vraag is alleen voor wie die beloften uitstaan. Zijn zij bestemd voor Gods gelovige volk op aarde? Of is er na Pinksteren nog een apart traject voor het etnische oude verbondsvolk Israël? Daarnaast vraag ik mij af hoe die beloften uitstaan.

In mijn optiek zitten veel christenen vast in een te concreet denken als het om het Joodse volk gaat. Net als de apostelen in Handelingen 1, Petrus in Handelingen 8 en de Joodse christenen in Handelingen 15. Na Pinksteren kostte het hen grote moeite om de gedachte los te laten dat Gods beloften aan een aards Israël verbonden waren. Zij moesten leren om anders te denken.

Niet: zij worden pas gered als zij bij ons komen. Maar: wij worden op dezelfde manier gered als zij, alleen door de genade van de Here Jezus, zoals Petrus zegt in Handelingen 15:11.

Eerst de Jood en dan de Griek

Ik zie het ‘eerst de Jood en dan de Griek’ daarom als een fase vlak na Pinksteren. Net zoals Jezus vlak voor zijn hemelvaart zei: “Jullie zullen mijn getuigen zijn, te beginnen in Jeruzalem, Judea en Samaria, tot aan de einden der aarde.” Inmiddels zijn we bijna tweeduizend jaar verder en heeft geen enkel volk meer een streepje voor.

Tot zover. Het is een lange tweede brief geworden, met veel gedachten en weinig concrete vragen aan jouw adres. Hopelijk vind je voldoende aanknopingspunten om hierover verder door te praten.

Een hartelijke, christelijke groet,

Ernst


‘Ook na Pinksteren blijft Israël Gods verkoren volk’   

BRIEF 2 van Jan aan Ernst (22-01-2026)

Beste Ernst,

Ons gesprek komt goed op stoom. Je schrijft in je tweede brief over wederzijdse herkenning, maar geeft ook aan dat we niet te snel moeten concluderen dat we het eens zijn. Ik waardeer het dat je zo helder aangeeft op welke punten onze wegen uiteengaan en waarom een voortgezette dialoog zinvol is.

Er komt veel aan de orde. Om ons gesprek te stroomlijnen, reageer ik puntsgewijs op jouw overwegingen.

  1. Openbaring 7 en Psalm 87

Wat is dat een geweldig visioen van de ontelbare menigte gezaligden in Openbaring 7:9-17. Het is een rijke bemoediging voor de gemeente van Christus, die ook in de tijd dat Johannes dit mocht doorgeven een kleine minderheid vormde in een vijandige wereld.

Aan dit visioen gaat dat van de 144.000 verzegelden vooraf, ‘uit alle stammen van de Israëlieten’ (verzen 1-8). Die stammen worden ook met name genoemd: Juda, Ruben, Gad, Aser, Naftali, Manasse, Simeon, Levi, Issaschar, Zebulon, Jozef en Benjamin. Pas nadat deze stammen zijn opgesomd, volgt: ‘Hierna zag ik, en zie, een grote menigte die niemand tellen kon.’

Dit onderscheid en deze volgorde bevestigen mij in de gedachte dat er ook na Pinksteren een heilshistorisch reliëf is tussen Jood en Griek, tussen Israël en de volkeren. Een reliëf binnen de in Christus gegeven eenheid.

Dat in Psalm 87 Jeruzalem consequent met Sion wordt aangeduid, vloeit voort uit het gegeven dat de psalm zich concentreert op de eredienst in de tempel. Psalm 122 maakt bijvoorbeeld duidelijk dat er net zo goed ‘Jeruzalem’ had kunnen staan. Sion was het kloppend hart van Jeruzalem en wordt in Psalm 87 wel onderscheiden van ‘alle woningen van Jakob’ (vers 2), maar niet van de stad zelf.

Het gaat dus te ver om te stellen dat deze psalm helemaal niet over het aardse Jeruzalem gaat. Ik zing met vrijmoedigheid psalmen als 87 en 122 met toepassing op de eredienst in de gemeente van Christus, maar zonder de oorspronkelijke betekenis en setting van deze liederen uit het oog te verliezen. We mogen als christenen de Psalmen delen met Israël, maar niet stelen van Israël.

  • De rest en de volheid

Ernst, ik vraag me af waarom je niet voluit voor je rekening kunt nemen dat de HEERE, de trouwe Verbondsgod, onverminderd de God van het Joodse volk Israël blijft. Je vindt dat te algemeen gesteld, hoewel je ook zegt: ‘Natuurlijk is God trouw aan zijn volk Israël.’

Je verbindt die trouw aan de restgedachte, zoals in Jesaja 10:21: ‘Die rest zal terugkeren, de rest van Jakob, naar de sterke God.’ In deze scherpe oordeelsprediking wordt duidelijk dat de God van Israël hevig kan toornen op zijn volk en dat het volk daardoor zelfs gedecimeerd zal worden. Tegelijkertijd is in de terugkeer van de rest een nieuwe toekomst voor heel het volk gewaarborgd. Gods oordeel is niet het laatste woord.

Al ging het volk Israël de weg van geestelijke hoererij, de afgodendienst, toch zegt de Heere: ‘Ik zal u voor eeuwig tot Mijn bruid nemen’ (Hosea 2:18).

Kun je nu zeggen dat deze beloften van een nieuwe, hoopvolle toekomst hun uiteindelijke vervulling hebben gevonden in het feit dat slechts een kleine minderheid van het Joodse volk tot Christus is gekomen? De apostel Paulus dacht daar kennelijk anders over. Hij was ongetwijfeld blij met iedere Jood die tot bekering kwam en het evangelie aanvaardde, maar hij lag er wakker van dat de grote meerderheid van zijn volk de Messias Jezus afwees.

In die worsteling gaf de rest, waartoe hij zelf behoorde, hem zicht op de volheid die nog zal volgen. De Joden die, net als Paulus, Jezus als Messias belijden, zijn de regendruppels die de stortbui aankondigen wanneer uiteindelijk de massale bekering van Joden tot de Heiland zal plaatsvinden. Deze verwachting speelt voor mij mee wanneer ik bid: ‘Uw koninkrijk kome.’

  • Geen tijdelijk intermezzo

Ik besef dat ik duidelijker moet zijn over de bedoeling van mijn zin in de vorige brief: ‘Gods weg met Israël was geen tijdelijk intermezzo en geen opstapje om tot het eigenlijke te komen.’ Als ik jou goed begrijp, zie jij dat juist wel zo.

Je gebruikt in dit verband zelfs een zakelijk en technisch beeld wanneer je schrijft dat het etnische volk Israël in Gods heilsplan met de wereld als een trechter heeft gefunctioneerd. Maar het Oude Testament spreekt niet op deze afstandelijke manier over Gods verhouding tot zijn verkoren volk Israël.

Ik citeer de door jou genoemde en door ons beiden gewaardeerde Henk de Jong: ‘Verkiezen is het in vrijheid aangaan en beleven van een exclusieve relatie van genegenheid en waardering, waarbij opties in andere richting bewust worden uitgesloten.’ De HEERE heeft liefde opgevat voor dit volk. Het heeft uit pure genade een bijzondere plek gekregen in Gods hart (Deuteronomium 7:6-8).

Omdat het hier een tere liefdesrelatie betreft, doet het God ook zo veel wanneer zijn bruid Hem ontrouw is. Hij kan dit volk dan ook niet terzijde leggen als een instrument dat zijn functie heeft vervuld. In de diepste wegen van toorn en oordeel blijft God hartstochtelijk bewogen met dit volk, waarvan Hij niet los kan komen. Lees Hosea 11:8-9 en zie daar Gods hart.

Nooit zal Hij zijn Israël definitief prijsgeven. Hij zal, ondanks alles, ‘Sion nog troosten en Jeruzalem nog verkiezen’ (Zacharia 1:17). Zo is onze God, zo kennen wij Hem.

  • De olijfboom en de losse takken

Voortbordurend op Paulus’ beeldspraak over de olijfboom en de takken zie jij, naast de afgehouwen Joodse takken, nog andere stapels liggen. Je noemt Arabische takken, moslims, en Nederlandse takken. Je vraagt je af of we niet vooral daarover verdriet moeten hebben, zoals Paulus dat had over zijn eigen volk.

Ik vind het creatief hoe je met dit beeld omgaat, maar acht het exegetisch en Bijbels theologisch onhoudbaar. Met de olijfboom bedoelt Paulus Gods verbond met Abraham en zijn nageslacht. Dit verbond is niet gesloten met Ismaël en diens nageslacht, en evenmin met het Nederlandse volk, al waren er ooit theologen die meenden dat Nederland ‘het Israël van het westen’ was.

Het verschil tussen Jood en heiden is dat de Jood uit de olijfboom wordt afgehouwen omdat hij Christus verwerpt, terwijl de heiden wordt ingeënt zodra hij Christus in geloof aanneemt.

Ook ik heb meer verdriet over familieleden die met een gedoopt voorhoofd God de rug hebben toegekeerd dan over Joodse ongelovigen die ik niet persoonlijk ken. Dat is menselijk en ik denk niet dat de Heere mij dat kwalijk neemt. Tegelijkertijd zou het onjuist zijn wanneer ik het diepe verdriet van Paulus niet meer zou meevoelen, vanuit de gedachte dat de verwerping van de Messias al zo vele eeuwen duurt. Ik moet die pijn blijven voelen, juist omdat het ‘de Zijnen’ zijn die Hem niet aangenomen hebben (Johannes 1:11).

Ook de vergelijking met de Afrikaners gaat naar mijn overtuiging niet op. Emigranten gaan na verloop van tijd behoren tot het volk waarbij zij zich hebben gevoegd. Zij worden Canadees, Amerikaan of Australiër. Het Joodse volk is echter niet geassimileerd als een druppel in de oceaan van de volken. Het heeft zijn eigenheid behouden. Dat is een groot wonder en heeft alles te maken met Gods bijzondere zorg voor deze specifieke afgehouwen natuurlijke takken.

  • Vervulde en nog niet vervulde beloften?

Een volgend belangrijk gesprekspunt is de vraag of we kunnen spreken van nog niet vervulde beloften naast beloften die in Christus zijn vervuld. Zo’n tweedeling acht ik onjuist. Ik stel daartegenover dat alle beloften uit het Oude Testament in Christus zijn vervuld.

De Opgestane maakt het zijn discipelen duidelijk dat ‘alles vervuld moest worden wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de Psalmen’. Daarna ‘opende Hij hun verstand, zodat zij de Schriften begrepen’ (Lukas 24:44-45). Zij zagen ineens hoe alle Schriften van Jezus getuigden. Er blijft dus geen gedeelte over dat niet op Hem wijst.

Door de komst en het volbrachte werk van Christus is het koninkrijk van God doorgebroken. Tegelijk blijft er een spanning tussen vervulling en voleinding, tussen het gekomen en het komende Rijk. Dat is te vergelijken met de status van gelovigen. Zij zijn met Christus opgewekt en in de hemel gezet, maar leven tegelijk nog in gebrokenheid en vergankelijkheid.

Zo kunnen we ook naar de geschiedenis kijken. Sinds Pasen en Pinksteren is deze een aflopende zaak. Het ene grote heilsfeit waarnaar wij uitzien, is de glorieuze wederkomst van Christus. Toch gebeurt er nog veel, zoals het boek Openbaring laat zien. Nu in de hemel het pleit is beslecht, voert de duivel een gewelddadig schrikbewind op aarde.

Tegelijk is er ook een ander perspectief, zoals Openbaring 20 laat zien. Christus regeert. Daarom is de geschiedenis niet alleen kommer en kwel. Tussen de stormen door zijn er opklaringen. Voor de wederkomst van de Heere mogen we goede ontwikkelingen verwachten van de Heilige Geest. Iets van Christus’ heerschappij licht nu al op, zij het in flitsen en fragmenten. Denk aan opwekkingen en reformaties in de kerken, maar ook aan geestelijke omkeer onder Joden.

De principiële vervulling van de beloften in Christus voedt juist de verwachting van voortgaande vervulling, totdat alles uitloopt op de finale vervulling. Dat is de voleinding van de wereld en de komst van een nieuwe hemel en aarde.

  • Hoe lezen we de profetieën?

Het laatste punt dat ik kort wil aanstippen, is zeer omvangrijk en hangt samen met het voorgaande. Je vraagt mij welke beloften uit het Oude Testament volgens mij nog letterlijk in vervulling moeten gaan en of ik daar de stichting van de staat Israël onder reken.

Nee, dat gebeuren is als zodanig geen vervulling van een oudtestamentische belofte. Ook komt er geen derde tempel, ondanks de uitvoerige beschrijving daarvan door de profeet Ezechiël (40-48). Jouw opmerking over kubisme als kunstvorm vind ik treffend.

Wel zal de Heere op ongedachte wijze ‘voor Israël het koninkrijk weer herstellen’, zoals de apostelen na veertig dagen onderwijs van Jezus hadden begrepen (Handelingen 1:6). Niet als een politieke entiteit met wereldse macht, want Jezus’ koninkrijk is van een andere orde. Dat hebben de apostelen ingezien en anders zou Jezus hen zeker hebben gecorrigeerd.

Als voorbeeld van beloften die hoop geven, noem ik het visioen van Ezechiël 37. Eerst worden de dorre doodsbeenderen tot skeletten gevormd. Daarna worden zij met vlees en huid bekleed. Vervolgens worden zij opnieuw levend gemaakt. In het licht van dit visioen is het niet uitgesloten dat de stichting van de staat Israël een eerste stap in die richting is.

Ik zie uit naar de afsluitende ronde van ons gesprek.

Met broederlijke groet,

Jan


‘Geen speciale beloften meer voor één volk’  

BRIEF 3 van Ernst aan Jan (27-01-2026)

Dag Jan,

We naderen het einde van onze briefwisseling over de plaats van het Joodse volk in Gods heilsplan met heel de wereld. Ik ben blij dat we het over veel dingen eens zijn. Vooral over het feit dat er geen tweede weg of manier is om Gods Koninkrijk binnen te gaan dan via Jezus Christus.

Toch blijf ik op één punt met een vraag zitten. Namelijk: waarom blijf jij zo volhardend vasthouden aan de gedachte dat de beloften van onze God in het Oude Testament over Israël nog steeds gedeeltelijk gelden voor een religieus-etnische groep mensen die zich Joods noemen en waarvan 45 procent in de staat Israël woont?

Het mysterie van Christus en de uitbreiding van Israël

Terwijl diezelfde God in het hele Nieuwe Testament laat weten: mijn ene volk Israël heeft sinds Pinksteren een geweldige uitbreiding ondergaan. De apostel Paulus noemt dit het ‘mysterie van Christus. Het is onder vorige generaties niet aan de mensen onthuld, maar nu door de Geest geopenbaard aan zijn heilige apostelen en profeten: de heidenen delen door Christus Jezus ook in de erfenis, maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben ook deel aan dezelfde belofte, op grond van het evangelie’ (Efeziërs 3:4b-6).

Aan de christenen in Efeze had Paulus net daarvoor namelijk geschreven: ‘Bedenk dat u – u die eigenlijk door uw afkomst heidenen bent – destijds niet verbonden was met Christus en geen deel had aan het burgerschap van Israël (…) en de beloften die daarbij hoorden’ (Efeziërs 2:11-12). En dan zegt Paulus in het vervolg van hoofdstuk 2 nadrukkelijk dat vanaf Pinksteren bij dat ene Israël nu iedereen mag horen die door het bloed van Christus en dankzij de Heilige Geest weer in vrede met God leeft.

Eén lichaam, één tempel, één volk

Dat ene Israël bestaat, zegt Paulus, uit joodse christenen die vanouds dichtbij waren en uit heidenchristenen die eens ver weg waren. Samen zijn ze nu verzoend tot één lichaam en zijn ze ‘burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten met Christus Jezus Zelf als hoeksteen. Vanuit Hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel, die gewijd is aan Hem, de Heer, in wie ook u samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door de Geest’ (Efeziërs 2:19b-22).

Als ik dit op mij laat inwerken, Jan, dan snap ik niet hoe volgens jou de profetieën en de psalmen van het Oude Testament toch nog deels betrekking hebben op en vervuld moeten worden in wat we vandaag ‘het Joodse volk’ noemen. Zie je dan niet hoe Psalm 87 na Pinksteren volgens Paulus in vervulling is gegaan? De Filistijnen, Tyriërs en Moren delen nu in de burgerrechten van Israël. Samen zijn zij de tempel van God die in Psalm 87 bezongen wordt.

En Openbaring 7 laat dan toch zien dat de twaalf stammen van Israël de oudtestamentische onderbouw zijn en dat de onafzienbare, niet te tellen menigte uit alle landen en volken en talen de nieuwtestamentische bovenbouw vormt van Gods ene volk?

Geen etnisch voorrecht

Dat is een samengestelde eenheid. Dat ben ik met je eens. Dat laat ook Openbaring 21 ons zien. Het nieuwe Jeruzalem is gefundeerd op de namen van de twaalf apostelen en haar poorten dragen de naam van de twaalf stammen van Israël.

Maar het reliëf zit volgens mij niet in afkomst, maar in de heilshistorische volgorde. Van Abraham tot Pinksteren bestond het Israël van God grotendeels uit Joden met enkele toetreders van buiten. Vanaf Pinksteren volgt een grote toevloed van heidenen. Daardoor verandert de etnische samenstelling van Gods ene volk ingrijpend.

Hoe kun je dan zeggen dat christenen de psalmen niet meer met het joodse volk delen maar van hen stelen, wanneer zij die lezen als heenwijzing naar Christus? Is het niet juist omgekeerd dat christenen in dialoog met religieuze Joden met diep respect en in alle bescheidenheid eerlijk zouden moeten zeggen dat er ‘tot op de dag van vandaag bij jullie een sluier ligt over het lezen van het Oude Testament die alleen in Christus kan worden weggenomen’ (2 Korintiërs 3:14)?

Dezelfde vermenging van Gods ene volk Israël en het huidige joodse volk zie ik bij jouw uitleg van Zacharia 1:17. Daar lees jij een blijvende verkiezing van het etnische joodse volk in. Met die manier van Bijbellezen heb ik moeite. Dan lees je het Oude Testament los van het Nieuwe Testament en verlaat je een fundamentele gereformeerde leesregel, want ‘de Schriften getuigen over Mij’, zegt Jezus in Johannes 5:39.

Trechter of terzijdestelling?

Ik snap ook niet zo goed waarom jij het beeld van de trechter opvat als een terzijdestelling van het joodse volk. Het is toch zonneklaar dat God vanaf Abraham tot Pinksteren zijn heil via ‘het kleinste van al de volken’ (Deuteronomium 7:7) liet laten lopen en dat Hij na Pinksteren weer wereldwijd gaat? Wat is er op tegen om voor die tijdelijke versmalling het beeld van een trechter of een zandloper te gebruiken?

Hetzelfde geldt voor jouw uitleg van Jesaja 10 en Hosea 2. Jij ziet daarin een waarborg van de HERE van een nieuwe toekomst voor het joodse volk Israël, omdat God in Hosea 2:18 beloofd heeft dat Hij hen voor eeuwig tot zijn bruid zal aannemen. Dus moeten er volgens jou nog heel veel Joden tot geloof komen. Want in de tweeduizend jaar tussen Pinksteren en 2026 is maar ‘een kleine minderheid van het Joodse volk tot Christus gekomen’, zeg je.

Jij verbindt daaraan de verwachting van een nog komende massale bekering van het joodse volk. Met respect, maar dat vind ik wishful thinking. Ik vind het ook miskenning van het feit dat de christelijke kerk tot op de dag van vandaag gedragen wordt door de duizenden joodse christenen die eerst in Jeruzalem en daarna in het hele Romeinse rijk tot geloof in Christus kwamen.

Hun kinderen en kleinkinderen vormen de basis en ‘tot in het duizendste geslacht’ zijn hun nakomelingen vandaag nog te vinden. Alleen: niet meer herkenbaar als joods-christelijk.

Mijn broer die in Libanon theologie gestudeerd heeft, sprak daar met een christen uit Bethlehem. Hij zei: mijn stamboom gaat terug tot 400 na Christus en zo lang zijn wij ook al christen. Ik denk dan: pak er nog dik 350 jaar bij en het is aannemelijk dat zijn voorouders bij de 3.000 Joden hoorden die zich op de eerste Pinksterdag in de naam van Jezus lieten dopen.

En in de negentiende eeuw zijn er relatief veel Joden tot geloof in Jezus gekomen. Denk bijvoorbeeld aan Isaac da Costa. Stel dat veel van hun nakomelingen in de vijfde generatie oprecht christenen zijn. Als die via de moederlijn geboren zijn, zijn ze vandaag volgens de rabbijnse traditie nog Joods. Maar de kans lijkt mij heel aannemelijk dat die vijfde generatie zich vooral gewoon ‘christen’ noemt.

Net zoals Willem-Alexader zich gewoon Nederlander voelt, ook al waren zowel zijn vader, zijn grootvader, zijn overgrootvader en zijn betovergrootmoeder Duits.

Pinksteren geen regendruppel

Het is dus geen ‘kleine minderheid’ van de christenen die joodse wortels heeft. Doe je de Heilige Geest niet te kort door zijn Pinksterwerk, waarmee Hij ontelbaar veel Joden door de eeuwen heen tot geloof gebracht heeft en tot in het zoveelste geslacht bij de HERE bewaard heeft, als ‘regendruppels’ te betitelen? Verwijt je Hem daarmee niet indirect dat het met Pinksteren niet massaal genoeg was, zodat Hij eigenlijk Zichzelf nog een keer in de overtreffende trap als ‘stortbui’ over het Joodse volk in het laatst der dagen moet uitstorten?

Ook ik hoop en bid om bekering van velen. Ik hoop echt dat Gods genade veel groter zal zijn dan ik ooit zal kunnen bevatten. Maar nergens in de Bijbel lees ik de belofte dat er voor één groep mensen die Jezus verworpen heeft, op het laatste nippertje voor zijn terugkomst nog een massale bekering beloofd is. Hebben alle niet-christelijke Joden tussen Pinksteren en de jongste dag dan pech gehad?

Voor je het weet kom je zomaar uit bij een partiële alverzoening, zoals de Christenen voor Israël-dominee Henk Poot dat verwoordt: ‘En of geheel Israël dan ook werkelijk geheel Israël is? Waarom niet? (…) Ontfermt God zich dan soms alleen over een deel van hen die ongehoorzaam geweest zijn, bijvoorbeeld alleen hen die het geluk hebben om te zullen leven als de Messias op aarde verschijnen zal? (…) Waarom zou het totale verharde deel van Israël niet gerechtvaardigd kunnen worden bij de komst van de Messias’ (De Koning der Joden, blz. 88-89).

Oude Testament gelezen door het Nieuwe

Jan, zou het niet goed zijn om van dit onbijbelse geluid afstand te nemen? Dat kan alleen door het Oude Testament consequent te lezen door de bril van het Nieuwe Testament. Sinds Pinksteren delen gelovigen uit de hele wereld in het burgerschap van Israël. Dat is de ware verbreding.

Er staan geen speciale beloften voor een volk of staat meer uit. Voor iedereen geldt dezelfde belofte: geloof in Jezus Christus. Hij is de hoop van Israël en het licht voor de wereld.

Straks zal elk oog Hem zien.

Een hartelijke groet, in Christus verbonden,

Ernst


‘Eenheid van de Kerk nivelleert Israël niet’   

BRIEF 3 van Jan aan Ernst (29-01-2026)

Beste Ernst,

Het is waardevol om openhartig met elkaar van gedachten te wisselen bij een open Bijbel. Daarom ben ik je dankbaar voor je drie brieven. De uitkomst van onze briefwisseling is zeker niet dat we het in alles eens zijn geworden. Dat hadden we beiden ook niet verwacht. Maar we hebben oprecht geprobeerd elkaars gedachten goed te begrijpen en elkaars motieven te peilen.

Christenen hebben heel verschillende visies op Gods weg met het volk Israël. Helaas leiden gesprekken daarover maar al te vaak tot onderlinge verwijdering, met hete hoofden en koude harten. Er vallen harde woorden wanneer men elkaar enerzijds beschuldigt van verblinding en van verloochening van Christus als de enige Weg tot behoud, en anderzijds van antisemitische tendensen. Ik vind dat beschamend en denk dat de Heilige Geest erdoor bedroefd wordt. Wij beiden hebben in elk geval oprecht geprobeerd niet tot dat niveau af te dalen.

In jouw laatste brief onderstreep je sterk de eenheid van de Kerk in Christus. Op dat punt verschillen we niet van opvatting. Ik stem helemaal met je in dat we diep dankbaar mogen zijn voor de geweldige uitbreiding sinds Pinksteren. Als heidenen van afkomst mogen we er door Gods genade in Christus helemaal bij horen. In die zin is Psalm 87 zeker vervuld in de christelijke gemeente, waarbinnen de scheidingsmuren tussen Israël en de volken zijn neergehaald. Efeze 2 zegt daar heerlijke dingen over die uitnodigen tot lofprijzing van onze drie ene God.

Gelaagdheid van Gods beloften

Juist omdat we het op dit punt zo eens zijn, kun je niet begrijpen waarom ik, en ik citeer, “volhardend blijf vasthouden aan de gedachte dat de beloften van onze God in het Oude Testament over Israël nog steeds gedeeltelijk gelden voor een religieus etnische groep mensen die zich Joods noemen en waarvan 45 procent in de staat Israël woont”.

Deze weergave van mijn positie is niet geheel correct. Het is niet mijn bedoeling om binnen de beloften van het Oude Testament te selecteren, door sommige beloften te labelen als uitsluitend voor het Joodse volk bestemd en andere als op de christelijke kerk gericht. Er zijn heel wat Israël-theologieën waarin dat wel gebeurt, met als gevolg dat Israël en de kerk van elkaar worden gescheiden als twee naast elkaar bestaande volken van God. Zoals ik al eerder heb geschreven, kan ik in die gedachtegang niet meegaan. God heeft maar één Kerk, die uit Joden en Grieken, dat wil zeggen niet-Joden, bestaat.

Wat ik wel bedoel, is dat we bij alle beloften van God zouden moeten openstaan voor de voortgaande realisering ervan, hoewel ze in Christus ten principale vervuld zijn. Prof. dr. Mart Jan Paul onderscheidt mijns inziens terecht een viervoudige vervulling van Gods beloften:

  1. in de oudtestamentische tijd, bijvoorbeeld de intocht in het beloofde land en de terugkeer uit de ballingschap
  2. in Christus en de gemeente sinds Pinksteren
  3. in de tijd die nog rest tot de jongste dag
  4. in de voleinding, het eschaton

Deze onderscheiding kan niet klakkeloos op elke belofte worden toegepast, maar is een goed hulpmiddel om verschillende dimensies in Gods beloften te herkennen. De oudtestamentische beloften kennen onmiskenbaar een zekere gelaagdheid.

Dubbele volheid

In de vorige ronde van onze briefwisseling kwam Openbaring 7 aan de orde. We zijn het erover eens dat het in dit visioen gaat om een samengestelde eenheid. De 144.000 verzegelden zijn niet dezelfde als de grote menigte die niemand tellen kon. Het is ook duidelijk dat de 144.000 uit de twaalf stammen van Israël afkomstig zijn.

Dat het hier zou gaan om een oudtestamentische onderbouw en een nieuwtestamentische bovenbouw staat echter niet in de tekst en is dus een kwestie van interpretatie. Mijn uitleg zou eerder zijn dat hier twee keer een volheid wordt aangeduid: de volheid van Israël naast de volheid van de gelovigen uit de volkeren. Deze twee worden niet genivelleerd, maar zijn niettemin in Christus één, omdat allen hun gewaden gewassen en wit gemaakt hebben in het bloed van het Lam (Openbaring 7:14).

Van deze dubbele volheid zal pas sprake zijn wanneer de geschiedenis ten einde is gekomen. De Geest is nog volop bezig met het binnenhalen van deze oogst.

Gestolen psalmen?

Ernst, ik snap wel dat je met onbegrip reageert op mijn formulering dat wij de Psalmen wel mogen delen met Israël, maar niet stelen van Israël. Het is inderdaad een scherpe uitdrukking. Maar is het niet zo dat in vele eeuwen christelijke exegese van de Psalmen vaak vergeten is dat contemporaine gelovige Joden deze liederen hartelijk liefhadden en er hun verhouding tot Jahwe in verwoord vonden? Denk bijvoorbeeld aan de vreugde van de wet, vertolkt in Psalm 119.

Dat geldt niet voor moslims, voor aanhangers van andere religies of voor atheïsten. Orthodox-gereformeerde theologen gingen graag bij rabbijnen te rade over de exegese van de Psalmen. Het is zeker waar dat er een sluier ligt over Joodse lezers die de Messias Jezus niet in de Psalmen ontdekken. Daarover zal het getuigend gesprek tussen Joden en christenen moeten gaan. Het betreft dan echter wel een bron die we samen delen.

Juist deze verbondenheid, ondanks de scheiding, is in vele eeuwen kerkgeschiedenis buiten beeld geweest. Met als verschrikkelijk gevolg de verguizing van het jodendom en zelfs dat het zaad van antisemitisme binnen een gekerstende cultuur wortel kon schieten en welig kon tieren. Wie met recht de kwalificatie vervangingstheologie afwijst, zal expliciet afstand nemen van deze eeuwenoude traditie van verguizing van de Joden.

Gereformeerde leesregel

Ik verhaspel Gods ene volk, de Kerk, en het huidige Joodse volk niet als ik uit Zacharia 1:17 de conclusie trek dat God het Joodse volk nooit zal prijsgeven, omdat het nog steeds Zijn bruid en Zijn Israël is. Opnieuw geldt dat mijn positie genuanceerder is dan jouw weergave.

Ik meen dat de HEERE niet los is van Zijn oude verbondsvolk, hoewel er in dit verbond een diepe kloof en crisis is gekomen door de verwerping van de Messias. Ten onrechte verwijt je mij dat ik een gereformeerde leesregel zou verlaten door het Oude Testament buiten het Nieuwe Testament om te lezen. Het moet je toch te denken geven dat ik mij in het gezelschap bevind van vele onverdacht gereformeerde theologen uit verleden en heden.

Je weet net zo goed als ik dat vele vertegenwoordigers van het puritanisme en van de Nadere Reformatie hebben gesproken over een bijzondere verwachting voor het volk van Israël. Zie hiervoor het proefschrift van dr. Theo van Campen, Gans Israël. Hoe zou dat toch komen? Is dat een vreemd insluipsel in hun gereformeerde theologie? Dat lijkt onwaarschijnlijk, omdat het zoveel uitnemende representanten van die theologie betreft.

Ik denk eerder dat deze verwachting voortvloeit uit de kern van het gereformeerd belijden: de HEERE is de God van het ene verbond en Hij is de verkiezende God die trouw blijft aan wat Zijn hand begon. Langs ongedachte wegen licht Gods trouw telkens weer op. Daar moeten we het allemaal van hebben.

Trechter of zandloper

Op zichzelf genomen kan het beeld van een trechter of zandloper gebruikt worden om aan te geven hoe de Schepper van hemel en aarde in Zijn heilsgeschiedenis te werk gaat, vanaf de universele inzet via versmalling naar opnieuw wereldwijde uitbreiding. Maar die weg betekent niet dat het volk Israël zelf als een gebruikte trechter terzijde kan worden gelegd.

Als je het zo ziet, misken je dat de HEERE niet afstandelijk een plan uitvoert waarin het door Hem verkoren volk slechts binnen een tijdelijk experiment figureert en vervolgens grotendeels van het toneel verdwijnt. Ik heb al gewezen op de hartstochtelijke taal van God in de profetie van Hosea en Zijn liefdesverklaring in Deuteronomium. Door heel het Oude Testament heen worstelt de HEERE om het hart van Zijn volk.

Zou Hij dan tegelijkertijd een plan uitvoeren dat inhoudt dat verreweg het grootste deel van dit volk buiten het heil valt?

Ik verwijt de Heilige Geest niet dat Hij te weinig Joden tot bekering heeft gebracht. Hoe zou ik zoiets durven? Nooit mogen we tekortdoen aan het machtige werk dat de Geest door de eeuwen heen heeft verricht. En laten we ook de factor van menselijke verantwoordelijkheid, in dit geval de verharding van Joodse kant, niet uit het oog verliezen.

Paulus, die ongetwijfeld diep dankbaar was voor iedere Jood die tot Christus kwam, bleef niettemin worstelen met de prangende vraag waarom het grootste deel van zijn volk zich verhardde. Dat hij uitzicht krijgt op een toekomst waarin geheel Israël zalig zal worden, betekent niet dat hij zich tevreden stelt met wishful thinking. Wat hem troost en tot aanbidding brengt, is een gegronde verwachting.

Overigens deel ik graag in jouw wishful thinking naar aanleiding van Romeinen 2:12 tot 16. Persoonlijk ken ik dat ook bij het lezen van Zacharia 12:9 tot 13:1. Het zal toch een geweldig wonder zijn wanneer generaties Joden die de Messias Jezus niet hebben aangenomen, op de jongste dag met Hem geconfronteerd worden die zij doorstoken hebben. Dat zij zich dan met diep verdriet zullen bekeren en alsnog gereinigd worden in de Bron van Jezus, om met terugwerkende kracht te delen in de verzoening die Hij heeft bewerkt. Als het toch zo eens mocht zijn.

Geen alverzoening

Met jou verwerp ik de gedachte van potentiële alverzoening. Ik las ooit een beeld waarin de plaats van de huidige Joden wordt vergeleken met een slapend kind in de auto. Die auto komt op zijn bestemming aan zonder dat het kind weet heeft van de weg erheen. Zo zouden de Joden zalig worden zonder kennis van de weg van de verzoening in Christus.

Dit beeld is verwerpelijk en in strijd met het nieuwtestamentisch getuigenis, bijvoorbeeld met Handelingen 4:12. Collega Henk Poot kan het beste zelf aangeven hoe de van hem aangehaalde uitspraak geïnterpreteerd moet worden. Hij stelt de vraag waarom het totale verharde deel van Israël niet gerechtvaardigd zou kunnen worden bij de komst van de Messias. Bedoelt hij dat als wishful thinking?

Laten we in elk geval duidelijk stellen dat rechtvaardiging alleen mogelijk is in de weg van het geloof in de gekruisigde en opgestane Christus. Hoe dan ook, de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE. Jood en niet Jood zullen eenstemmig het lied zingen van het Lam van God, tot eer van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

In die verwachting trekken we samen voort, Ernst. Wij kennen nog ten dele en wij profeteren nog ten dele. Maar dan zullen wij kennen zoals wij gekend zijn, tot oneindige verwondering en aanbidding.

Sjaloom, in christelijke verbondenheid,

Jan

Dit is het einde van een briefwisseling tussen Jan Hoek en Ernst Leeftink. De drie brieven van beide heren zijn in dit dossier terug te vinden.

Twijfelachtig bijbelgebruik over de positie van niet-joden in Israel / Palestina

Steun voor Israel baseren op foutief aangehaalde teksten uit het Oude Testament over niet-Joden die je vandaag als vreemdelingen goed moet behandelen in het Groot Israel dat God sinds 1948 teruggaf aan zijn oude bondsvolk – dat lijkt mij een onzalige vermenging van geloof en politiek.

In het Nederlands Dagblad van 13 september werd aan een aantal woordvoerders van christelijke organisaties gevraagd wat men ervan vond dat de tweestatenoplossing weer in het regeerprogramma van het nieuwe kabinet staat.

Zoals te verwachten vond de directeur van ‘Christenen voor Israël’ het maar niets. De internationale uitspraak van de Verenigde Naties die in 1948 tot het ontstaan van de joodse staat Israël geleid heeft naast een beoogde Palestijnse staat is meer “een oplossing van buiten ten koste van de autonomie van Israël.” Zijn stellingname: “Laat Israël zijn eigen zaken maar oplossen.” Alsof je in het conflict tussen Oekraïne en Rusland zegt: een oplossing van buiten gaat ten koste van de autonomie van de Russische bevolking in de Donbass. Laat Putin zijn eigen zaken maar oplossen.” Niet voor niets vindt ‘Christenen voor Israël’ dat het huidige Israël eigenlijk de grenzen hoort te krijgen van het bijbelse Israël. Geloof in de eigen interpretatie van het Oude Testament gaat boven het accepteren van internationale uitspraken over een eerlijke verdeling van het land tussen Joden en Arabieren.

Zorgelijker vond ik de opmerking van de directeur van het Centrum voor Israëlstudiës (CIS). Dit centrum gaat uit van de Gereformeerde Zendingsbond, de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Christelijke Hogeschool Ede. Men voelt zich verbonden met het Joodse volk en vraagt aandacht voor de positie en plaats van Israël in het heilsplan van God, en dat vanuit gereformeerd perspectief, nl. in aansluiting ‘bij een lijn in de traditie van de gereformeerde theologie, die via de Nadere Reformatie in ons land altijd veel oog heeft gehad voor de bijzondere positie van Gods uitverkoren verbondsvolk.’ (zie https://hetcis.nl/over-ons/visie).

Het CIS doet geen uitspraak over politieke kwesties tussen Joden en Palestijnen, dus laat ook in het midden of het de tweestatenoplossing ondersteunt. “Christenen voor Israël is voor één Joodse staat inclusief de Westbank. Het CIS kiest niet voor één oplossing, maar zoekt naar wegen waarin de mensen hier [in Israel/Palestina] vreedzaam kunnen leven. Als dat een tweestaten-oplossing is: prima! Als dat één staat is waarin iedereen gelijke rechten heeft: prima!’, twitterde Geert de Korte die als Israëlwerker aan het CIS verbonden is.

Dat zei hij in reactie op mijn tweet dat ook het CIS in het ND-artikel de tweestatenoplossing verwerpt. Want, had de directeur van het CIS gezegd: “In de Bijbel hebben er altijd vreemdelingen gewoond in het land, en de opdracht aan Israël is om goed met de vreemdelingen om te gaan.” Inderdaad wordt hier niet gezegd, dat de tweestatenoplossing van tafel moet. Ik heb ruiterlijk toegegeven dat mijn reaktie te kort door de bocht was. Maar tegelijk blijft het een zorgelijke opmerking. Het vermengt oud-testamentisch bijbelgebruik en huidige politiek met elkaar.

Met bovengenoemde uitspraak wordt namelijk, zoals ik daarna in een draadje op Twitter aangaf en dat ik hier in één artikel uitrol, de suggestie gewekt dat het bijbelse Israel gelijk staat aan de joodse staat Israel. Onvermeld wordt, dat deze politieke joodse staat sinds 1948 volgens internationaal recht gevestigd is op een deel van het geografische gebied tussen Jordaan en Middellandse Zee en dat de Arabische bevolking als gelijkwaardige partij ook recht heeft op een eigen staat. Bijna alle Arabieren verwierpen deze twee-staten-oplossing verworpen, want heel Palestina is heilige grond voor moslims en hooguit worden christenen en joden vanuit een welwillende houding als dhimmi’s = tweederangs burgers getolereerd. Maar omgekeerd doen veel Joden [de kolonisten op de Westbank en de extreem-rechtse partijen in het parlement en de regering] net zo: ze verwerpen de twee-staten-oplossing en willen heel Israel/Palestina, waar ooit een korte tijd (1.011 – 716 voor Chr.) hun voorouders over regeerden, annexeren voor één dominante bevolkingsgroep, waarbij de rest welwillend als vreemdeling en bijwoner getolereerd wordt

Het is erg ongelukkig dat het CIS de opdracht aan het O.T.-ische Israel m.b.t. vreemdelingen en bijwoners in haar midden één-op-één toepast op de huidige situatie door vreemdelingen in het bijbelse land en in het huidige Israel op één lijn met elkaar te stellen. Daarmee wordt (onbedoeld of onuitgesproken) de suggestie gewekt: de grenzen van het huidige Israel vallen samen met die van het O.T., incl. ‘Judea & Samaria’ (die je dan ook nooit ‘Westelijke Jordaanoever’ of ‘Westbank’ mag noemen). Dat is bedenkelijke theologie die in het N.T. nergens (figuurlijk en letterlijk 😊) grond vindt. Als er al een belofte aan dat deel van het joodse volk zou zijn zijn Messias verworpen heeft, wordt dat door geen enkele N.T.-ische bijbelschrijver aan een nieuwe landbelofte gekoppeld.

Niet door Jakobus in Handelingen 15:16-18 als hij over het herstel van het vervallen huis van David spreekt: Dan keer Ik terug op mijn schreden. Ik zal het vervallen huis van David herbouwen, wat is neergehaald zal Ik weer opbouwen. Ik zal dit huis doen herrijzen, zodat de mensen die overgebleven zijn de Heer zullen zoeken, evenals alle volken over wie mijn naam is uitgeroepen. Zo spreekt de Heer, die dit van oudsher heeft aangekondigd. Niet door Paulus in Efeziërs 6:3, waar hij de landbelofte verbreedt tot heel de aarde: Dan zal het u goed gaan en zult u lang leven op aarde. Niet door Petrus in 1 Petrus 2:9-10 in zijn uitleg van Exodus 19:6 en Hosea 1+2 over wie echt Gods volk is: Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht. Eens was u geen volk, nu bent u Gods volk; eens werd u ontferming onthouden, nu ontvangt u Gods ontferming.

De vermenging van religie en politiek door christenen die iets met het joodse volk en de staat Israel hebben is enorm schadelijk, zowel voor de politiek als voor het christelijk geloof. Wat betreft de politiek: door te verwijzen naar de vreemdeling in het O.T.-ische Israel legitimeer je de kolonisatie van de Westbank in strijd met alle internationale afspraken – ook al keur je het landjepik door terrorkolonisten af, evenals het regeringbeleid dat eigendomsrechten (Tent of Nations) van de niet-Joodse bevolking, die daar soms al vanaf 400 na Chr. woont, met de voeten schendt.

Als je als christelijke organisatie niks kritisch over joodse kolonisten of de Israelische regering wilt zeggen, omdat je je niet politiek wilt profileren, maar vervolgens vanuit het O.T. wel (bewust CvI of onbewust – CIS) konklusies trekt over wie + wat bij ‘Israel’ hoort, maak je impliciet wél een keus, nl.: Joden hebben meer recht op een Groot Israel dan de overige bewoners die daar al veel langer of net zo lang wonen op hun eigen zelfstandige staat – en het maakt niet uit dat de internationale gemeenschap daar al 80 jaar anders over oordeelt. Ondertussen vervreemden we daarmee al onze medechristenen in het Midden-Oosten: zij, die geen vreemdelingen of bijwoners meer zijn, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God (Efeziërs 2:19 – HSV), zijn minder belangrijk dan aanhangers van de joodse religie die bewust Jezus als Messias verwerpen.

Dat krijg je als de visie op Israel zo belangrijk wordt, dat het welhaast een tweede geloofsanker wordt. Van zulke ankers zijn we in onze vroegere GKV – nu NGK net een beetje af. Bij ons stond Christus jarenlang in de schaduw van zijn kerk. Helaas zie ik nu hetzelfde gebeuren. Namelijk: vanuit een overdreven Israel-liefde komt Christus in de schaduw van het joodse volk te staan. Welke schadelijke gevolgen dat heeft voor het christelijke geloof uit) zie je bij ds. Henk Poot, een vooraanstaand Christenen-voor-Israel-man die alle Joden op voorhand zalig verklaart. Hij schrijft [op blz. 88 van zijn boek ‘De Koning der Joden’: “Ook omwille van hen, de vaderen, Abraham, Isaak en Jakob blijven alle Israëlieten geliefden van God. En of geheel Israël dan ook werkelijk geheel Israël is? Waarom niet? Ontfermt God zich soms alleen over hen die het geluk hebben om te leven als de Messias op aarde verschijnen zal?”

Geef mij tegenover deze partiële alverzoening buiten het geloof in Jezus om dan maar de nuchter-bijbelse visie van bv. ds. Henk de Jong, die ooit [in zijn artikel ‘Gods blijvende trouw aan Israël volgens Romeinen 11:25-26’] schreef: “Laat ik zeggen dat ook ik net als Paulus mijn verwanten naar het vlees heb over wie ik een gedurige smart voel: al die gedoopte Europeanen die behoren tot de kring van het verbond maar die het bloed van dat verbond waardoor zij geheiligd waren onheilig achten en zelfs vertrappen (Hebr. 10 : 29). Het verdriet daarover staat mij nader dan over het ongeloof van de Joden uit Paulus’ dagen.”

Tenslotte: ik ben pro-Israel. Intense jodenhaat is m.i. de oorzaak van alle ellende. Daar zit de duivel achter. Maar niet op een exclusieve manier. De duivel zit ook achter christenhaat door communisten en moslims en achter moslimhaat door hindoes en boeddhisten. En nu voor het eerst in de geschiedenis Joden in Israel zich niet lijdzaam naar de slachtbank laat leiden, maar terecht (en soms: te) ongenadig hard terugslaan, wordt het er niet beter op met die jodenhaat – zie mijn blog.  

Even terzijde: typerend is wel, dat 2 miljoen Palestijnse, niet-Joodse Israelische staatsburgers onder geen beding willen ruilen met hun 2 miljoen Palestijnse volksgenoten die in Gaza onder de diktatuur van Hamas zuchten, en ook niet met de 3 miljoen Palestijnen op de Westbank.

Maar steun voor Israel baseren op foutief aangehaalde O.T.-ische teksten over niet-Joden die je vandaag als vreemdelingen goed moet behandelen in het Groot Israel dat God sinds 1948 teruggaf aan zijn oude bondsvolk – dat lijkt mij een onzalige vermenging van geloof en politiek.

Tot zover mijn draadje. Wat ik er op Twitter niet bij schreef was, dat ik mij helemaal kan vinden in de woordvoerder van de PKN. Die zei dat zijn kerk al in 2008 uitgesproken heeft dat zowel Israel als de Palestijnen recht hebben op een zelfstandig bestaan en dat voor de kerk het internationaal recht bij uitstek het oriëntatiepunt is voor een oplossing van het conflict in het Midden-Oosten. Daar zeg ik ‘amen’ op.

De joodse familie Leman uit Balkbrug – weggevoerd om nooit meer terug te komen

In Balkbrug wordt de dodenherdenking op 4 mei altijd bij het monument gehouden waar de namen op staan van de negen mannen die op 6 april 1945, op de dag dat de eerste Canadezen arriveerden, nog door de Duitsers zijn geëxecuteerd (lees hier). Elk jaar er in van te voren ook een herdenkingsdienst gehouden met een korte toespraak van de burgemeester of een wethouder van Hardenberg, een even korte overdenking van één van de predikant en een verhaal uit de oorlog – opdat wij niet vergeten.

Dit jaar werd het ooggetuige-verslag van de joodse familie Leman voorgelezen door Linda Assink en Susan Zeeman. Er woonden drie families Leman in Balkbrug, aan de Meppelerweg 11, 44 en 46. Hier volgt het verhaal van één van hen:

Enkele jaren geleden zijn een aantal struikelstenen gelegd op het trottoir aan de Meppelerweg. Ze geven aan dat daar vóór de Tweede wereldoorlog joden hebben gewoond. Zo woonde en werkte Isaac Leman aan de Meppelerweg 9. Het joodse gezin bestond uit Isaac Leman, zijn vrouw Telka en kinderen.

Isaac Leman was in de zomer van 1931 verloofd met de in Winschoten geboren en woonachtige Telka de Jonge. Het huwelijk werd gesloten op 11 februari 1932 in Winschoten. Volgens de huwelijksakte was Telka naaister van beroep en Isaac manufacturier. Ze runden een manufacturenwinkel. De namen en jaartallen van het joodse gezin staan op de struikelstenen te lezen.

Isaac Leman vertelde over die tijd: ‘Net als alle andere Avereester Joden hebben wij in Balkbrug steeds meer last gekregen van de inperkende maatregelen die na de Duitse inval en machtsovername meer en meer werden ingevoerd. In de zomer van 1941 waren onze kinderen Betje en Leo 8 en 6 jaar oud. Na de zomervakantie werden zij uitgesloten van het reguliere onderwijs. Voor Joodse kinderen verboden, heet dat. Er was nog een Joodse school in Zwolle. Maar dat was wel ver weg. Vanaf 3 mei 1942 moesten wij een Jodenster dragen. Net als alle Joden van 6 jaar en ouder. In datzelfde jaar werd ik met alle Joodse mannen in de regio opgeroepen om ons te melden voor tewerkstelling in de Joodse werkkampen. Zo kwam ik in juli 1942, in het werkkamp Conrad bij Rouveen om te gaan werken aan de aanleg van de Afschuttingsweg en de naastgelegen sloot. Zaterdagmorgen 3 oktober werd het werkkamp alweer ontruimd en de mannen, waaronder ikzelf, werden via het station Meppel naar station Hooghalen gebracht om van daar de laatste kilometers naar kamp Westerbork te voet af te leggen. In het kader van de gezinshereniging werden mijn vrouw en kinderen ook opgehaald uit Balkbrug en overgebracht naar kamp Westerbork. Zo kwamen Telka en onze kinderen Betje en Leo ook in het kamp. In kamp Westerbork kwamen we in een chaotische toestand terecht. In een weekend groeide de kamppopulatie van 2.000 naar ruim 15.000 mensen tegelijkertijd. We moesten in ellenlange rijen staan voor de registratie. Het ging dag en nacht door. De barakken waren overvol. Er waren veel te weinig bedden. Er was te weinig voedsel en mensen moesten die nacht doorbrengen onder de blote hemel. Op de eerste maandag, 5 oktober 1942, vertrok een groot transport en in de weken daarna was er een wekelijks ritme van transporten op maandag en vrijdag.”

Isaac Leman schreef een brief: Waarde Vrienden, nog zitten we in Westerbork en wil ik jullie toch nog een brief schrijven daar ik het nu nog doen kan. We zijn allen goed gezond hopende dat bij u alle hetzelfde is. Ik ben werkzaam gekomen in de keuken waar G. Massier zijn zoon chefkok is en daar ik in de keuken ben kan ik hier hoogst waarschijnlijk blijven. Mijn vrouw en kinderen zitten niet zo vast en als die weggaan, ga ik natuurlijk mee. Maar als het enigszins kan willen we hier natuurlijk graag blijven. Mijn vrouw is hier werkzaam als huishoudster en vliegen de dagen ons voorbij. Zie je nog kans om een klein pakje te stuuren met wat boter, een beetje tabak, een pakje waschpoeder, klein stukje vet en een worst. Als het niet gaat moeten jullie het niet doen. Als je dan hebt en je kunt het wel missen, mag je ook wel een paar boterbonnen zenden. Je moet er jezelf niet in bekorten. Hoe gaat het anders op Nw Leusen. Alles nog bij het oude. Nu echte waarde vrienden de beste wenschen en hartelijke groeten en Gods zegen op al uw wegen. Hoe is het met je waarde moeder? Doe de groeten aan alle bekenden, speciaal aan jullie van Isaac Leman, vrouw en kinder. Het adres is T. Leman, barak 48f, Westerbork, Hooghalen.

Isaac Leman hoopte langer te kunnen blijven in Kamp Westerbork, in ieder geval totdat zijn vrouw en kinderen moesten vertrekken. Dat lukte niet. Vier weken na aankomst moest hij op vrijdag 30 oktober 1942 zonder zijn lieve Telka, Betje en Leo op transport richting Auschwitz. Daar moest hij onder dwang werken. Dit is het laatste wat over Isaac Leman bekend is. Hij is nooit meer terug gekomen.

Douma over Openbaring 20, Romeinen 11, het Oude Testament en Israel nu

In 2009 gaven de Kamper hoogleraar ethiek Jochem Douma (1933-2020) en de bijbelleraar en columnist Adrian Verbree, nu predikant van NGK-0523, een aantal lezingen over Bijbelse onderwerpen. Eén avond ging over het onderwerp ‘Hoe staan wij als christenen tegenover Israël?’ Prof. Douma hield twee referaten, over ‘Israel en het duizendjarig rijk’ en over ‘Israel en onze toekomst’. N.a.v. hiervan kwamen er veel vragen binnen die allemaal beantwoord zijn en met de tekst van de lezingen naderhand aan de bezoekers zijn toegestuurd. Hier volgen deze vragen en antwoorden, met medeweten en instemming van ds. Verbree. In de beantwoording verwijst Douma regelmatig naar zijn toen net verschenen boek, waarvan hij zelf een samenvatting geeft: ‘Christenen voor Israël?’.

Vragen i.v.m. Openbaring 20

Men heeft mij gevraagd, zowel tijdens de discussie op de avonden alsook daarna, wat ik nu zelf van Openb. 20 vind. Laat ik beginnen met de opmerking dat ik met alle drie opvattingen over Openb. 20 moeite heb. Niemand kan ons dwingen perse één ervan de kiezen.

Wanneer het amillennialisme (Augustinus e.a.) de duizend jaar opvat als de periode in de kerkgeschiedenis tussen de hemelvaart en Christus’ wederkomst, vraag ik mij af of men dan de totale binding van de satan (Openb. 20,1-3) serieus neemt. Satan wordt in de diepte gegooid en de put boven hem wordt gesloten en verzegeld, opdat de volken niet meer door hem misleid zouden worden. Maar hoe kan de zó weggeborgen satan dan tijdens de kerkgeschiedenis nog als een brullende leeuw (1 Petr. 5,8) rondgaan?!

Het postmillennialisme gelooft in een ‘gouden eeuw’ aan het einde van onze geschiedenis en het kan lijken dat het postmillennialisme die eeuw laat samenvallen met het duizendjarig rijk. Maar dat is vaak onduidelijk bij verdedigers van dit standpunt. Waar vinden we echter in het Nieuwe Testament de aankondiging van een geweldige bekering van heidenen en Joden, die de aarde vol zal maken van de grootheid van de Heer? Waar krijgen we de indruk dat Jezus bij zijn terugkomst ontvangen wordt door een wereld die Hem alle hulde komt brengen, omdat men zich tot Hem bekeerd heeft? Ik krijg uit allerlei teksten juist de indruk dat Jezus juist weinig geloof op aarde zal vinden, dat er veel afval van het geloof zal zijn en dat Hij juist komt om zijn vijanden uit te schakelen (o.a. Luc. 18,8; 1 Tim. 5,3vv; 2 Tess. 2,8vv; 1 Tim.4,1vv). Nergens lees ik dat het met de verkondiging crescendo gaat aan het einde van de tijden.

Het premillennialisme neemt de duizend jaar in Openb. 20 letterlijk en ziet er het vrederijk in zoals het Oude Testament daarover heeft gesproken. Maar ik herhaal wat ik al gezegd en geschreven heb:

a) Het gaat in Openb. 20 over de zielen van hen die gedood zijn en met Christus regeren. We hebben niet te maken met mensen die nog op aarde leven, maar die reeds gestorven waren. Het zijn martelaren van de kerk, over wie reeds eerder in Openb. 2,11; 3,11.21; 6,9 gesproken is.

b) Hier bevinden we ons in de hemel waar de troon van Christus is en waar zij die vanwege hun geloof zijn omgebracht met Christus regeren (vgl. Openb. 20,4v met 3,21). Ik vermeld opnieuw de teksten die duidelijk maken dat tronen in het boek Openbaring in de hemel staan (1,4; 3,21; 4,2vv 5,1vv; 6,16, etc.). De regerende martelaren zijn tegelijk priesters in de tempel, die we in de hemel aantreffen (Openb. 7,15; 11,19; 14,15.17; 15,5vv; 16,17).

c) Het belangrijkste argument dat ik tegen de premillennialistische opvatting heb, is hun tekening van het duizendjarig rijk als een specifiek Joodse aangelegenheid, waarbij Christus als Messias in en vanuit Jeruzalem over de aarde regeert. Deze opvatting waarin Israël en de kerk tot twee aparte grootheden en twee aparte volken worden, verwerp ik met overtuiging. Ik heb er geen moeite mee wanneer men in Openb. 7,4vv de 144.000 uit de stammen van Israël als Joden wil onderscheiden van de onafzienbare menigte uit alle landen en volken etc. Maar nergens blijkt uit het boek Openbaring dat aan het volk van de Joden nog een eigen stuk geschiedenis ten deel zal vallen nadat (volgens het premillennialisme) de kerk uit de wereld is weggenomen. Ik verwijs naar mijn CvI, pag. 108vv.

Nadat ik dit allemaal heb gezegd, komt de andere vraag aan de orde hoe ik dan zelf de passage Openb. 20:1-6 plaats in het geheel van het boek Openbaring. Ik kan hier alleen maar aarzelend spreken. Wat ik weet, durf ik te zeggen; voor wat ik niet (precies) weet, kom ik graag openlijk uit. Dat doet echter niets af aan mijn overtuiging dat van een duizendjarig Joods rijk, met hun Messias als vorst in Jeruzalem, nergens met één woord sprake is. Ook niet in Openb. 20, 9 als daar sprake is van het ‘kamp van de heiligen en van de geliefde stad’. Want dan gaat het  niet meer over het duizendjarig rijk dat immers al voorbij is (Openb. 20,7). De ‘geliefde stad’ is geen zetel van Christus’ heerschappij, maar een beeld van de gemeente van Christus en de heiligen, gesymboliseerd als Jeruzalem, dat te lijden heeft onder de laatste satanische aanval van de volken tegen de gemeente van Christus.

Het feit echter dat de ‘zielen’ in Openb. 20,4 tot leven zijn gekomen, zonder dat de andere doden tot leven kwamen, en ook de opmerking dat dit een ‘eerste opstanding’ wordt genoemd, lijken mij erop te wijzen dat we aan een lichamelijke opstanding moeten denken. Het gaat maar niet zonder meer om martelaren in de hemel als ‘zielen’ (onder het altaar bv.), maar om opgestane ‘zielen’ die met Christus op tronen zitten. Over de algemene opstanding gaat het pas in Openb. 20,11vv.

Iemand is nog geen premillennialist als hij over een duizendjarig rijk spreekt waarin lichamelijk opgestane martelaren het voorrecht hebben met Christus te regeren. Het gaat niet over een apart aards rijk voor de Joden, maar om een hemels rijk waarin Christus met de martelaren van het laatste uur regeert. Ik zeg in CvI (pag. 120) dat martelaren kunnen worden opgewekt en ten hemel varen, zoals Openb. 11, 11v laat zien.

Daarmee staan nog niet alle gelovigen op. Dat komt pas in Openb. 20,7vv. Van de martelaren die opstaan wordt gezegd, dat zij het beest en zijn beeld niet hebben aanbeden (Openb. 20,4). Het is daarom een bepaalde categorie van martelaren uit de allerlaatste fase van de geschiedenis, ook al zouden we er de vertegenwoordigers van de hele kerk in kunnen zien. Ik veronderstel dat de ‘duizend jaren’ een periode zijn die we op de grens van de geschiedenis moeten plaatsen. Zij omvat niet op augustiniaanse wijze de hele kerkgeschiedenis.

N.B. Als ik in CvI, pag. 130 schrijf dat de duizend jaren op de grens van de geschiedenis kunnen vallen ‘en daarom eigenlijk niet meer te plaatsen zijn in de geschiedenis’, bedoel ik niet meer te zeggen dan dat ik het duizendjarig rijk niet à la Augustinus ergens terugvindt in onze kerkgeschiedenis. We zijn aan het einde van die geschiedenis gekomen, waarin de afrekening plaatsvindt (Openb. 19,11vv; 20v7vv) en de martelaren van het laatste uur hun recht (vs. 4) in ontvangst nemen om met Christus in de hemel ‘duizend jaar’ te regeren.

Ik besef dat het moeilijk is van de ‘duizend jaren’ een overtuigende uitleg te geven. Andere uitleggingen zijn mij sympathiek zonder mij te overtuigen Zo vraagt iemand mij:

Vraag: “Kunnen we de 1000 jaar niet opvatten als een samenvattende benaming van alle stukjes rust voor de kerk om haar werk te doen, de windstiltes. De windstoten, de stukjes kerkvervolging kunnen dan de samenvattende naam ‘de grote verdrukking’ krijgen.” De vraagsteller verwijst naar de uitleg van prof. De Vuyst.

Mijn antwoord: Het zou mooi zijn als het zo was. Maar waarom wordt er dan een volgorde in Openb. 19 en 20 aangegeven: eerst uitschakeling van het beest en de valse profeet – daarna binding van de satan – dan een periode van rust (geen verleiding door satan) – daarna weer loslating van de satan die opnieuw de volken probeert te misleiden, uitlopend op zijn definitieve uitschakeling? Zijn de duizend jaren toch niet een afsluiting in plaats van een samenvatting van alle stukjes rust voor de kerk?!

Een soortgelijk antwoord geef ik op een andere vraag: “Wat betekent het feit dat voor God duizend jaren één dag zijn voor de in Openbaring 20 genoemde duizend jaren?”

Ik geloof dat het getal van ‘duizend jaar’ best symbolisch mag worden opgevat als een ‘volmaakte’ afronding van 10x10x10, en daarom niet precies duizend jaren hoeft te duren. Maar wat ik op de vorige vraag geantwoord heb, geldt ook hier. De duizend jaren staan in een contekst van eerst dit, toen dat en daarna weer wat anders. Daarom zullen we toch wel aan een periode en niet aan een flits van één dag moeten denken, hoe waar het ook is dat bij God duizend jaren als een dag zijn.

Vragen i.v.m. Romeinen 11

Vraag: “Is het juist, zo wordt gevraagd om in de edele olijfboom (vs. 17vv) een beeld van Israël te zien? Kunnen we bij de boom ook niet aan Christus denken?”

Mijn antwoord: Ik zou niet weten waarom men tegen de identificatie met ‘Israël’ bezwaar kan hebben. Het gaat toch over de boom waarin Joden thuishoren en heidenen een plaats mogen ontvangen, mits ze goed beseffen dat ze er ‘van nature’ (11,24) niet in thuis horen? Heidenen komen nl. van wilde olijfbomen! Het is erg geforceerd om bij de boom aan Christus te denken. Dan valt moeilijk uit te leggen waarom de Joden daaraan van nature deel hadden en zullen hebben. Deel aan Christus hebben Jood en heiden alleen door in Hem te geloven. Deel uitmaken van een volk dat grote voorrechten ontvangen heeft en dat ‘geliefd’ is omdat God de aartsvaders had uitgekozen (11,28), slaat alleen op de Joden.

Vraag: “Moeten we uit het ‘geheim’ van 11,25 vv concluderen tot een nog te verwachten grote bekering onder de Joden?”

Mijn antwoord: Ik verwijs naar mijn uiteenzetting in CvI (pag. 127-130). Mijn conclusie is dat het aannemen van een grote bekering heel aantrekkelijk is, maar niet waterdicht is. Ik zelf voel me niet overtuigd door de argumenten voor zo’n massale bekering. Tegelijk hoeven de wegen van christenen hier niet uiteen te gaan. Een bekering op grond van Rom. 11 is ook nog wat anders dan uitgaan van de vorming van de staat Israël als een bewijs voor de bewering dat God vanaf 1948 onderweg is naar een grote bekering van zijn volk. In al die discussies is verschil van mening mogelijk. Maar zodra men de bekering van het huidige Israël zo belangrijk niet vindt en er eigenlijk twee heilswegen zijn – een voor ons en een voor Israël – staat het sein voor mij heel duidelijk op rood.

Vraag: Iemand vraagt mij of ik alleen al de verwijzing naar Rom. 9-11 duidelijk vind voor het constateren dat Israël een bijzondere positie inneemt.

Antwoord: ja, als maar bedacht wordt dat deze bijzondere positie nooit een aparte positie is los van de geschiedenis van de kerk. Het heil is verbreed tot allen die Jezus Christus als Heer belijden. Profetieën uit het Oude Testament zijn of worden vervuld binnen de verbrede bedding van het nieuwe verbond.

Vragen i.v.m. oudtestamentische profetieën

Een hele serie vragen zijn mij gesteld naar aanleiding van oudtestamentische profetieën, die niet zouden zijn vervuld en daarom nog op vervulling wachten. De manier waarop de vragenstellers redeneren, is eigenlijk heel eenvoudig. Ik kan dat toelichten aan de hand van één voorbeeld.

Vraag: “Komt er geen vrederijk op aarde?” Het antwoord dat men geeft, lijkt zo klaar als een klontje. Lezen we niet (Jes. 65,10) dat de mensen minstens honderd jaar oud zullen worden; dat er sprake is van vrede tussen mensen en dieren (Jes. 11,6v; 65,25); dat er een nieuwe tempel komt waar nog offers worden gebracht; dat er nog zonde is en God nog in een tempel woont (Zach. 14,17; 6,12vv; 40vv)? Enzovoorts. Dit gaat duidelijk niet over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarin immers de mensen ouder dan honderd jaar worden (eeuwig leven), waar geen zonde en geen tempel meer is, etc. Conclusie: wat in Jesaja en Zacharia staat moet nog vervuld worden!

Mijn antwoord:

a) Op deze manier kan ook ik tientallen bladzijden vullen met teksten die nog niet vervuld zijn. Dat kost niet de minste moeite.

b) Gaan we zo te werk, dan botsen bedrijvers van dit soort Bijbeluitleg herhaalde malen op onoverkomelijke moeiten. Ik geef twee voorbeelden uit Ez. 40vv. Daar wordt over een nieuwe tempel gesproken die volgens de vraagstellers nog steeds gebouwd moet worden. God zal in die tempel, zo lees ik bij hen, langdurig, d.w.z. duizend jaar wonen. Zij menen dus dat het de tempel in het duizendjarig rijk zal zijn. Maar over duizend jaar spreekt de profeet Ezechiël nergens! Wat nog belangrijker is, Ezechiël spreekt ook niet over ‘langdurig’, maar over ‘eeuwig’! De vraagstellers kapittelen mij dat ik aan het woord ‘eeuwig’ vaak te kort doe.  ‘Eeuwig’ is ‘eeuwig’ zeggen zij. Maar als zij dat menen, moeten ze in Ez. 43,7 niet vertalen met ‘langdurig’ (1000 jaar), maar met ‘eeuwig’, omdat er ‘eeuwig’ in die tekst staat. Uiteraard kunnen ze dat niet aanvaarden, want ‘eeuwig’ is alleen immers de nieuwe hemel en de nieuwe aarde en niet het wonen van God in de (volgens hen) nog te bouwen tempel! Zij beweren immers dat het vrederijk vóór het aanbreken van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde moet vallen. Welnu, dan moeten die profetieën eerst nog vervuld worden.

Hoe moeilijk men het zich maakt, merk je ook uit een tweede voorbeeld. Dan gaat het over de vorst in Ez. 45, die offert in de tempel. Die vorst is volgens hen de Messias. Dat ligt in hun redenering voor de hand, want het gaat over het vrederijk (duizendjarig rijk) waarin de Messias vorst is. Maar… van die vorst wordt in Ezechiël gezegd dat hij zondoffers brengt voor zichzelf en voor het volk (Ez. 45,22). Dat kan toch niet van de Messias gezegd worden. En dus maken de vraagstellers ervan, dat de vorst namens zichzelf en namens het volk zorgt voor een stier als zondoffer. Hij stelt alleen maar offergaven beschikbaar en offert niet voor zichzelf! Voor zo’n exegese die met het Hebreeuws niets te maken heeft, zal geen serieuze exegeet zijn hand in het vuur steken. We lezen verder over zoons van deze vorst (Ez. 46,16.18). Maar de Messias heeft geen zoons en daarom moeten we volgens de vraagstellers geloven dat het woord ‘zoons’ hier niet letterlijk te nemen is, maar op mensen wijst met wie de vorst nauw verbonden is. Het zal volgens hen wel op de priesters wijzen. Ik zou mijn vraagstellers willen aanraden toch niet achter dergelijke onzin aan te gaan die ze ergens gelezen moeten hebben. Zij dringen erbij ons op aan alles toch vooral letterlijk te nemen. En intussen is het met de handen te tasten dat ze dit zelf niet doen als hun ideeën over het duizendjarig rijk en over de Messias dat niet toelaten!

c) Wie zo het Oude Testament leest als deze vraagstellers het doen, gaat aan een grondregel voor de goede uitleg van het Oude Testament voorbij. Het Oude Testament moeten we lezen in het licht van het Nieuwe. We kunnen niet doen alsof Christus nog niet gekomen is en alsof wij over allerlei oudtestamentische beloften zonder het door Jezus Christus verrichte werk kunnen nadenken. Dat gebeurt wel in het schema van het premillennialisme. Immers de kerk is daar een intermezzo en na het intermezzo van de kerk rijdt de trein als Joodse trein gewoon verder. En dan krijgen we dus weer te maken met het land Israël, met het aardse Jeruzalem en met een heuse tempel van steen, Het Nieuwe Testament maakt ons echter duidelijk dat, als we Golgota achter ons hebben, er geen te bouwen tempel meer voor ons is. Dat laat de Brief aan de Hebreeën goed zien. De Bijbel lezen en de Messias verwachten zoals de rabbijnen dat doen, is een streep halen door wat Paulus over de Joodse lezing van het Oude Testament in 2 Cor. 3,15: ‘Tot op de dag van vandaag ligt er een sluier over hun hart telkens als de wet van Mozes wordt voorgelezen. Maar telkens als iemand zich tot de Heer (Jezus) wendt, wordt de sluier weggenomen’.

Daarom vind ik het ook misplaatst wanneer vraagstellers opmerken:

Vraag: “Als God moeite doet om Ezechiël acht (!) hoofdstukken te laten schrijven over een tempel en de verdeling van het land, dan kunnen we daar helemaal NIETS mee, als we dat proberen te vergeestelijken, symbolisch uit te leggen of van toepassing proberen te verklaren op de kerk.”

Mijn antwoord: Op die manier kan ik als christen ook niets met alle offerbepalingen uit de Mozaïsche wetten, als ik daarin niet op Christus let en het mij niet lukt door het oudtestamentisch gewaad heen te kijken naar wat Hij tot verzoening van onze zonden heeft gedaan. Ik moet te werk gaan zoals ook de Brief aan de Hebreeën dat over de oudtestamentische eredienst heeft gedaan. De tempel van Ezechiël is voor ons een lesbrief en geen schets om alsnog in Jeruzalem zo’n tempel te bouwen.

Het valt mij trouwens op dat de vraagstellers zich wel erg druk maken over de nieuwe tempel, maar niet over de verdeling van het land Israël, dat volgens de tekening van Ezechiël in repen (van west naar oost) verdeeld moet worden over de twaalf stammen: 7 stammen ten noorden en 5 stammen ten zuiden van het centrale heilige gedeelte voor de stam van Levi, die rond het heiligdom woont. Menen zij nu werkelijk dat het hier over het duizendjarig rijk gaat, onder leiding van de Messias die als ‘koning’ in het boek Ezechiël niet eens in Jeruzalem blijkt te wonen? Ik heb met vreugde over dit Bijbelgedeelte gepreekt, maar zou de preekstoel niet op durven als men mij gebood de dingen hier ‘letterlijk’ te nemen. De les die desondanks én voor het oude Israël én voor het nieuwe Israël uit dit Bijbelgedeelte gepuurd kon (kan) worden is vertroostend en waarschuwend genoeg. Wie wil weten wat ik erover gezegd heb, verwijs ik naar mijn boekje Ezechiël en Daniël (2006).

d) In het verlengde hiervan merk ik het volgende op: Lezen we het Oude Testament alsof de onvervulde beloften zo zullen worden vervuld als daar beschreven staat, dan vergeten we dat we ons blindstaren op een oudtestamentische wereld en op oudtestamentische beelden. We lezen van ballingen die zullen worden teruggebracht uit Assyrië en Egypte, uit Patros, Nubië en Elam, uit Sinear en Hamat (Jes. 11). Volken worden genoemd die er niet meer zijn, of in andere volken zijn opgegaan. De oudtestamentische wereld van de Filistijnen tot de Babyloniërs toe, is verdwenen en zal ook niet terugkeren. Oudtestamentisch wordt uitgebeeld hoe men pas als honderdjarige sterft, nieuwtestamentisch zeggen we vandaag dat in het vrederijk (nieuwe hemel en nieuwe aarde) de dood volledig vernietigd is. In Christus keren alle oudtestamentische beloften rijker terug. Het gaat niet meer over Israël, maar over de wereld. De blik is niet op een aards koninkrijk, maar op het rijk van Jezus Christus in de hemel gericht. Zoek de dingen die boven zijn, zoals de aartsvaders al naar een beter, dat is het hemels, vaderland uitkeken (Hebr. 11,15). De beloften vanaf Abraham zijn gebleven, maar hun vervulling ontvangt in en door Christus een rijker perspectief dan het Oude Testament ons kon laten zien.

e) Met vrijmoedigheid wijs ik opnieuw naar CvI, en nu naar heel hoofdstuk 5, waarin ik over (de vervulling van) oudtestamentische profetieën geschreven heb. Ik dring erop aan de hele Bijbel christelijk te lezen en niet in gezichtsvernauwing te vervallen door te doen alsof we de oudtestamentische profetieën kunnen lezen zonder erop te letten hoe zij in Christus vervuld zijn of nog vervuld zullen worden.

Vragen i.v.m. de politieke consequenties

Hoezeer de politieke visie samenhangt met onze godsdienstige visie, blijkt ook uit  opmerkingen die sommige vraagstellers mij deden toekomen.

Vraag: Ik las bv.: “Is er ook maar één tekst in de Bijbel te vinden die duidelijk maakt, dat Joden en Palestijnen zich dienen te verzoenen? Nee, de Bijbel leert juist het tegendeel!” Voor het bewijs van deze bewering lees ik dan: “De Palestijnen maken duidelijk, dat de strijd tegen Israël een godsdienststrijd is die nooit in een verzoening en vrede met Israël kan uitlopen. Elk bestand is slechts een tijdelijk bestand waarin de Palestijnen zich willen hergroeperen om daarna opnieuw aan te vallen. Dat is in hun godsdienst zo geregeld. Mogen de Joden dan ook volgens hun heilig boek leven? Welk voorbeeld geeft het heilig boek van de Joden? Leert de Bijbel dat de Joden en de Palestijnen in vrede met elkaar moeten leven? Beslist niet. De Bijbel leert, dat God in de eindtijd Filistijnen hard zal treffen – God Zelf zal dit doen door middel van het Joodse volk.”

Mijn antwoord: Ik ben eerlijk gezegd diep verbaasd over het oordeel dat christenen hier durven vellen. Allereerst is het erg goedkoop zomaar een gelijkteken te zetten tussen Filistijnen en Palestijnen. God zal in de eindtijd de goddelozen treffen, maar die vindt men onder alle volken, inclusief in Nederland. Verder is het uit de Bijbel duidelijk dat wij onze naasten – ook onze vijanden – zullen liefhebben als onszelf. Daarom kunnen er volgens Ps. 87 ook Filistijnen, Tyriërs en Moren binnen Jeruzalem worden geboren. Dit betekent o.m. dat wij ook aan Palestijnen het evangelie van Jezus Christus mogen en moeten voorhouden. Het zal ieder die mij beluisterd heeft op de cursusavond wel duidelijk zijn dat niet alleen Palestijnen, maar ook Joden dit evangelie nodig hebben.  De onverzoenlijkheid die ik bij Islamieten merk tegenover het christelijk geloof, merk ik idem dito bij de Joden. Christenen die zich zo inspannen om geld in te zamelen waarmee Joden vanuit de hele wereld naar het land Israël kunnen terugkeren, moeten bedenken dat Messiasbelijdende christenen op grond van de Joodse wet niet welkom zijn. Wie christen is, hoort dus eigenlijk in Israël niet thuis. Dit apartheidsbeleid steun ik niet, omdat ik mijn Heiland niet wil beledigen.

Het is op de cursusavond wel uitgekomen dat ik geen protest laat horen tegen Israël dat zich tegen Hamas-raketten verdedigt. Maar ik protesteer wel als een christelijke partij zich zou laten leiden door wat ik hierboven lees over het afrekenen met de Palestijnen als Filistijnen. En daarom ben ik op mijn hoede als ik in het partijprogram van de ChristenUnie lees dat Jeruzalem de ondeelbare hoofdstad van de staat Israel behoort te zijn. Mijn verbondenheid aan het evangelie belet mij eenvoudig mij aan apartheidsdenken over te geven. 

Vragen speciaal gericht op uitspraken in mijn boek ‘Christenen voor Israël?’

Vraag: Op een mij toegezonden kaartje las ik twee dingen: “1) we hechten meer waarde aan een bijbelse onderbouwing dan aan een theologische; 2) voor ons is eeuwig eeuwig.”

Mijn antwoord: 1) Voor mij is er geen goede theologische onderbouwing zonder de Bijbel te laten spreken. Wel zijn er schijnbaar ‘eenvoudige’ bijbelse onderbouwingen waaruit net zo goed een theologie spreekt als uit mijn theologie die men bestrijdt. Heel mijn boekje wil daarvan getuigenis afleggen. Ik herhaal wat ik gezegd heb en wat uit mijn bestudering van veel vragen die ik kreeg, mij ook dubbel en dwars gebleken is: ook gereformeerde mensen kunnen doen alsof ze mij ‘eenvoudig’ de Schrift voorhouden, maar ze hebben daarbij wel een bepaalde Israël-theologie als bril op. M.i. vaak met heel goede bedoelingen en zonder het zelf door te hebben.

2) Eeuwig is eeuwig, ja zeker. Maar niet elk ‘eeuwig’ (als vertaling van het Hebreeuwse woord ōlām in de Bijbel) duurt even lang. Het verschil ziet natuurlijk iedereen als hij vergelijkt wat onderdanen in de Bijbel hun koning kunnen toewensen (o koning, leef in eeuwigheid) en wat over Gods eeuwigheid gezegd wordt.  Wie het zo eenvoudig wil houden als mijn kaartschrijver, moet dan ook geloven dat de sabbat er eeuwig zal zijn (Ex. 31,17 e.a.p.) en dat wij ten onrecht de zondag als zodanig vieren. De besnijdenis (Gen. 17,13), het bezit van het land Kanaän (Gen. 18,7; Ex. 32,13), het branden van de lamp in de tabernakel (Ex. 27, 21) en andere rituele zaken worden ook ‘eeuwigdurend’ genoemd. En in de tempel van Salomo wil God ook eeuwig wonen (1 Kon. 8,13). Moeder Hanna staat haar zoon Samuël aan de tabernakel af om daar ‘voor eeuwig’ voor het aangezicht des Heren te blijven (1 Sam. 1,22).

Ik kan dus handhaven wat ik CvI, pag. 55v over ‘eeuwig’ geschreven heb. Wel is het zo dat we iets ‘eeuwig’ kunnen noemen ook al ondergaat het aanzienlijke veranderingen. Met name denk ik aan het verbond dat God met Abraham sloot. Dat verbond zal eeuwig duren, maar het kan van een ‘oud’ ook een ‘nieuw’ verbond worden. Besnijdenis als teken is niet eeuwig, maar God bevestigt later met de doop zijn ’eeuwig’ verbond. De tempel is Gods ‘eeuwige’ woning, maar daarom woont Hij nog niet eeuwig in Salomo’s tempel, etc.

Vraag: “Waarom geen opname van de gemeente?” Noach en Lot worden aangehaald in Luc. 17, twee mensen die beiden in veiligheid zijn gebracht. Waarom, zo luidt de vraag, moeten wij als kerk, als gelovigen de ‘grote verdrukking’ nog ondergaan? Waarom moeten wij nog gestraft worden? Het offer van de Here Jezus is toch genoeg? Moeten wij nog gestraft worden voor onze zonden?

Mijn antwoord: Zie CvI (78vv). Wie verdrukkingen ondergaat, wordt daarom nog niet gestraft voor zijn zonden, alsof het offer van Christus niet genoegzaam zou zijn. Maar Job en vele andere gelovigen in het Oude en Nieuwe Testament hebben geleden, beproefd als zij werden in hun vertrouwen op God en hun Heiland. Lees bv. Hebr. 11! God straft elke zoon van wie Hij houdt (Hebr. 12,4). Hoe kan men dan beweren dat gelovigen niet meer verdrukt worden omdat Christus alles voor hen geleden heeft?  Hoe moeten we dan denken over ernstige christenvervolgingen in tweeduizend jaar kerkgeschiedenis? Een dienaar is niet meer dan zijn meester, heeft onze Heiland ons voorgehouden. Wij zullen beproefd worden in ons geloof, al zal die beproeving onze kracht niet te boven gaan en zal de lijdenstijd soms ook verkort moeten worden (Matt. 24,22). Wie Matt. 24,22 combineert met Luc. 17,32 ziet dat er van verkorten van de verdrukking, maar niet van wegnemen uit de verdrukking sprake is.

Overige vragen

Vraag: “Mogen we over het (huidige) Israël niet spreken als over Gods oogappel?”

Antwoord: Wie de Joden ‘geliefden om der vaderen wil’ (NBG) wil noemen, of mensen die God blijft liefhebben omdat Hij de aartsvaders heeft uitgekozen’ (NBV), doet daar m.i. goed aan. Anders wordt het wanneer men elke beperking (‘met het oog op de aartsvaders’ of iets dergelijks) weglaat en het huidige Israël gewoonweg Gods oogappel noemt. Waarbij het vaak lijkt dat wel Israël, maar niet de kerk Gods oogappel is. Het lijkt dan alsof het er weinig toe doet dat de Joden vijandig staan tegenover Jezus Christus en dat iemand als Paulus zich inspande om sommigen van hen te redden. Eens Gods oogappel betekent nog niet altijd Gods oogappel, evenmin als ‘eens zijn volk’ betekent ‘altijd zijn volk’. Zoals Israël ook ‘niet-mijn- volk kon worden, zo kan het ook niet-Gods-oogappel worden. Wie de Joden Gods oogappel noemt en tegelijk zich gedreven voelt de bekering van de Joden een noodzaak te vinden, kan ik volgen als hij/zij de Joden zo kwalificeert. Wie over Gods oogappel spreekt en het tegelijk helemaal niet nodig vindt dat het evangelie onder hen gebracht wordt (‘dat zal God t.z.t. wel doen’), kan ik niet volgen.

Vraag: “Hoe rijmt het dat Jezus’ wederkomst zal zijn als die van een dief in de nacht (Matt. 24,43; 1 Tess. 5,2; 2 Petr. 3,10; Openb. 3,13; 16,5), terwijl u de mogelijkheid openhoudt dat er nog een grote bekering van de Joden zal komen?”

Antwoord: Wanneer een gebeurtenis komt als een dief in de nacht, betekent dat nog niet dat die gebeurtenis volkomen onverwacht moet heten. Jezus zegt juist dat wij daarom op onze hoede moeten zijn. Als wij geweten hadden wanneer de dief zou komen, hadden wij maatregelen genomen. Wij kunnen het onszelf vaak verwijten dat wij niet beter opgelet hebben. De komst van Christus zal volkomen onverwacht zijn voor allen die niet waakzaam zijn. Vergelijk vooral ook 1 Tess. 5,2 en 4. In dat laatste vers wordt duidelijk dat de dag van de Heer ons juist niet zal overvallen als een dief. Wij lopen niet in het duister maar in het licht, zegt Paulus. Voor wie de ‘tekenen van de tijd’ onderscheidt (Matt. 16,3), is de wederkomst van Christus geen donderslag bij heldere hemel.  Het lijkt mij ook legitiem om na te denken over een eventuele nog te verwachten grote bekering van de Joden, zonder dat nadenken af te snijden met een beroep op Christus’ komst als een dief in de nacht.

Vraag: “De verschrikkelijke gebeurtenis van de Holocaust is voor mij een groot mysterie en veel christenen hebben naar aanleiding van de Holocaust hun geloof verloren. De belangrijkste vraag daarbij was en is: Waar was God? Als Israël Gods oogappel is, waar was toen God toen de Joden door de nazi’s werden uitgeroeid? Hoe rijmt men zijn standpunten met dit gebeuren en waar plaatst men dit in de tijdbalk?”

Antwoord: Wij kunnen hier alleen maar met grote behoedzaamheid spreken. Wie zou zeggen dat de Joden de holocaust aan zichzelf te wijten hebben, zoals vroeger heel vaak beweerd werd (‘zijn bloed kome over ons en over onze kinderen’), moet zich dan ook afvragen of de massamoord onder de Armeense christen door de Turken aan die Armeniërs zelf te wijten was. Wij moeten zulke antwoorden beslist niet geven, maar aan God overlaten wie Hij oordeelt, straft en beproeft.

De boom blijft Israël heten en wordt niet omgekapt!

“Op het heil zoals wij het in Jezus Christus ontvangen, staat duidelijk en tot in alle eeuwigheid toe het stempel van Israël.”

In 2009 organiseerden prof. dr. Jochem Douma en predikant-schrijver Adrian Verbree de cursus ‘Gaan in het spoor van de Bijbel’. Eén van de avonden ging over het onderwerp ‘Israël’. Prof. Douma hield twee lezingen, de eerste over de verschillende visies op het duizendjarig rijk en de plaats die Israel / het Joodse volk daarbij innemen. Volgens Douma geeft de Bijbel geen enkele aanleiding om het huidige Israel vandaag ‘Gods volk’ te noemen. Wie Jezus als beloofde of gekomen Redder afwijst, wordt in de Bijbel namelijk ‘Lo-Ammi’ = niet-mijn-volk genoemd. Daarom, zegt Douma in zijn eerste lezing, “blijf ik het volk van God alleen dáár zoeken waar de Christus en zijn Joodse apostelen het ons laten vinden, nl. bij allen die in Jezus Christus  geloven, ongeacht of het Joden, Palestijnen of andere mensen zijn.” Maar, zegt Douma er nadrukkelijk bij: “Wat nu Lo-Ammi is, kan weer Ammi (mijn-volk) worden” om zo te delen in het heil van Jezus Christus. Maar volgens Douma mag daarbij nooit vergeten, dat op dat het heil van Jezus Christus, dat na Pinksteren aan alle volken verkondigd wordt, tot in eeuwigheid het stempel van Israel staat.

Daarover gaat de tweede lezing van Douma, die van hemzelf als titel kreeg: ‘Israël en onze toekomst’.

In mijn eerste bijdrage heb ik mij vooral kritisch uitgelaten over een visie waarin feitelijk een sterk onderscheid gemaakt wordt tussen Jezus Christus voor de christenen en Jezus de Messias voor de Joden. Ik heb benadrukt dat de Messias gekomen is. Het enige verschil tussen Christus en Messias is een kwestie van taal. Zowel ‘Christus’ als ‘Messias’ betekenen ‘gezalfde’, alleen is het eerste woord Grieks en het tweede Hebreeuws. Dat is alles. Maar het is belangrijk om tegenover allen die tegen u zeggen: ‘ja, maar de Joden verwachten toch de Messias en Hij zal  toch straks als hún Messias komen’, te blijven belijden dat vandaag de dag én de Joden én de heidenen voor hun behoud opgeroepen worden te geloven in Jezus Christus die gekomen is. Of u deze boodschap aan het adres van de Joden zending wilt noemen of niet, maakt mij niets uit. Van belang is dat het evangelie ook aan de Joden wordt voorgehouden als de enige weg voor hun behoud, hetzij in persoonlijke, hetzij in nationale zin.

Wij moeten ons voor dit evangelie niet schamen. En dat doen wij wel, als wij ons verschuilen achter bv. het argument dat wij medeschuldig staan aan de holocaust en daardoor niet geschikt zijn om de Joden tot bekering op te roepen. Wij moeten volgelingen van Paulus zijn, die aanvankelijk de christelijke gemeente wilde uitmoorden, maar na zijn bekering tot Jezus Christus blaakte van ijver om, als het hem gegeven mocht worden, ook slechts enigen van zijn volksgenoten, tot bekering te brengen. Ik krijg nu vaak uit pro-Israël publicaties de indruk dat het zo belangrijk niet is om de Joden tot bekering op te roepen. God staat immers altijd als een muur om hen heen, en hun bekering volgt later wel. Als belijder van de Christus verwerp ik zo’n gedachte uit de grond van mijn hart. Ik ben er tevens van overtuigd, dat het er in het Midden-Oosten ook in politiek opzicht heel anders zou uitzien wanneer de Joden wél de Christus der Schriften zouden aanvaarden.

Nadat ik dit gezegd heb, wil ik daar nadrukkelijk het volgende aan toevoegen. Op het heil zoals wij het in Jezus Christus ontvangen, staat duidelijk en tot in alle eeuwigheid toe het stempel van Israël. Het begon met Abraham in wie alle volken gezegend zouden worden. Maar daar zat meteen de volgende toekomst in verscholen, die Paulus aldus formuleert:

Gal. 3,8v Nu heeft de Schrift voorzien dat God ook andere volken door geloof zou aannemen en daarom aan Abraham verkondigd: ‘In jou zullen alle volken gezegend worden.’ En dus wordt iedereen die gelooft samen met Abraham, de gelovige, gezegend.’

Als het over ons geloof gaat, verbinden wij dat aan Abraham. Paulus noemt hem de vader van alle gelovigen, niet alleen van besneden, maar ook van onbesneden gelovigen ( Rom. 4,12). Het uitzicht dat Abraham kreeg, viel niet samen met het beloofde land Kanaän, want

Rom. 4,13 Abraham en zijn nageslacht ontvingen de belofte dat ze de wereld in bezit zouden krijgen.

Wat wij hier zien, moeten we bij alle oudtestamentische profetieën in rekening brengen: Het verbond met Abraham kan in de loop van de geschiedenis van gedaante veranderen, al blijft het ook het verbond met Abraham, zodat wij bij de doop van onze kinderen zijn naam blijven noemen:

Ps. 105,8 Tot in eeuwigheid zal Hij gedenken zijn belofte aan duizend geslachten, het verbond dat Hij sloot met Abraham en voor Isaak bevestigde met een eed.

3. Hoe evident het is dat het stempel van Israël op alle heil blijft staan en wij dit volk nimmer kunnen vergeten, blijkt vooral uit Rom. 9-11, waar de apostel Paulus intens met het heil van zijn volksgenoten bezig is. Terwijl deze man zich siert met het predicaat ‘apostel van de heidenen’ (Rom. 11,13; Gal. 2,8; vgl. Ef. 3,5.8), kan hij onmogelijk zijn eigen volk Israël uit het oog verliezen. Hij zegt dat zelfs heel sterk:

Rom. 11,13 Zeker, ik ben een apostel voor de heidenen, maar ik schat mijn taak juist dáárom zo hoog, omdat ik hoop afgunst bij mijn volksgenoten op te wekken en een deel (NBG: sommigen) van hen te redden.

En waarom wil hij dat? Waarom ziet deze apostelen van de heidenen het als de kroon op zijn werk wanneer hij sommige, of een deel van de Joden zou kunnen redden? Omdat kennelijk de Joden door God niet zijn afgeschreven vanwege hun ongeloof. De kerk is geen intermezzo, zagen we in de eerste lezing, maar Israël is dat nog minder. Het gaat God om heil voor de wereld, zeer zeker, maar de uitverkiezing van het Joodse volk blijft Gods aandacht houden.

Rom. 11,1v Heeft God zijn volk soms verstoten? Beslist niet…God heeft zijn volk dat Hij al van tevoren uitgekozen heeft, niet verstoten.

Graveer die woorden in uw geheugen! Wat God van alle eeuwigheid af besloten heeft, laat Hij niet schieten, ook niet door de ongehoorzaamheid van de massa onder de Joden. Paulus brengt dat in zijn mooie gelijkenis over Israël als een edele olijfboom tot uitdrukking. Van de olijfboom worden takken afgebroken, vanwege het Joodse ongeloof. In plaats daarvan worden er loten van een wilde olijfboom tussen de overgebleven takken geënt. Dat zijn de heidenen die tot geloof gekomen zijn.  Maar deze heidenen moeten goed beseffen dat zij als wilde loten tussen edele takken van de boom Israël geplaatst zijn. De boom blijft Israël heten en wordt niet omgekapt! Wij wonen bij Israël in en niet omgekeerd Israël bij ons. Ik herhaal het: na Pinksteren werd Israël verbreed en niet afgedankt of vervangen, of hoe met dat ook maar wil formuleren. Wij heidenen moeten in alle bescheidenheid bedenken dat ook onze tak weer kan worden weggekapt. En dan nog wat:

Rom. 11,23 Als de Israëlieten niet volharden in hun ongeloof, zullen ook zij worden geënt, want God is bij machte hen opnieuw te enten. Immers, als u die van nature een tak van de wilde olijfboom bent, tegen de natuur in op de edele olijfboom bent geënt, hoeveel eerder zullen zij die er van nature bij horen op die boom worden geënt!

Het is zelfs zo dat er tussen de bekering van de heidenen en die van de Joden een verband bestaat. Paulus onthult aan zijn lezers een geheim:

Rom. 11, 30 Zoals u God eens ongehoorzaam was, maar door hun ongehoorzaamheid (nl. die van de Joden) Gods barmhartigheid hebt ondervonden, zo zijn zij nu ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden  hebt, ook zelf barmhartigheid te ondervinden.

Ik ga nu niet uitvoerig in op de vraag of er straks een grote bekering van Joden zal plaatsvinden. Daarover heb ik in mijn boekje m.i. genoeg gezegd. Het gaat er mij nu om dat wij de Joden nooit en te nimmer kunnen afschrijven, alsof zij niet meer zouden meetellen. Ik hoef niets terug te nemen van wat ik gezegd heb over de ernst van hun ongeloof. Wij moeten hen met het evangelie van de Jood Jezus Christus en van zijn Joodse apostelen aanspreken. Ik heb eens beweerd dat een predikant of zendeling ook bevestigd zou kunnen worden in zijn ambt  met een tekst uit Rom. 11 en dan met deze toepassing: U moet zo preken dat het evangelie inderdaad heidenen en half-heidenen kan bereikten. Maar wat zou het mooi zijn als ook enkele Joden tot jaloersheid gebracht werden, want God verheugt zich over de terugkeer van één Joods schaap. Eén verloren Joods schaap dat dwaalt en niet weet van zijn grote voorrechten als zoon van Abraham, als Israëliet, als iemand die door God bemind wordt om der vaderen wil.

Duidelijk moet het ons allen zijn dat er aan het einde van de geschiedenis geen volheid van de gelovigen uit de heidenen zal zijn zonder de volheid van Israël – al of niet na een grote bekering van Israël. Op alle heil zal tot in eeuwigheid het stempel Israël staan. Jafet woont in Sems tenten. De zielen worden in Abrahams schoot gedragen. Geen heil vloeit de wereld toe, of het komt van Jezus Christus, de Jood uit Nazareth. Niemand komt de eeuwige stad van God binnen dan door poorten die versierd zijn met de namen van de twaalf stammen van Israëls zonen en binnen een stadsmuur met twaalf grondstenen waarop de namen van de twaalf apostelen van het Lam staan. Deze stad heet – hoe kan het ook anders – Jeruzalem (vgl. Openb. 21).

Christenen voor Israel? – prof. dr. Jochem Douma over zijn boek

In het najaar van 2008 schreef prof. dr. Jochem Douma, hoogleraar ethiek aan de Theologische Universiteit aan de Broederweg in Kampen, het boek Christenen voor Israël? De recensie in het Nederlands Dagblad van 2 januari 2009 vatte zijn standpunt als volgt samen: “Het ware Israël bleef bestaan toen de grote meerderheid van de Joden Jezus als Messias verwierp. Aangevuld met gelovigen uit de volken ontstond een nieuw volk van God. Het is daarom onjuist om van de staat Israël Gods oogappel te maken.”

In diezelfde tijd gaf prof. Douma samen met de gereformeerde predikant en schrijver/columnist Adrian Verbree de cursus ‘Gaan in het spoor van de Bijbel’. Eén van de cursusavonden had als thema: ‘Hoe staan wij als christenen tegenover Israël?’ Als voorbereiding ontvingen men een reader met voorstudiemateriaal. Daarin gaf Douma o.a. een samenvatting van zijn boek. Inmiddels is Jochem Douma (1931-2020) bij zijn Heer, dus hij kan geen toestemming meer geven voor publicatie ervan. Zijn compaan Adrian Verbree liet weten dat wat indertijd aan het grote publiek is toegestuurd, ook nu nog vrij gepubliceerd mag worden. Die volgt nu hier, zonder enige bewerking.

Christenen voor Israël? Het vraagteken geeft aan dat de keuze voor Israël geen vanzelfsprekende zaak is. Ik bezin mij op de vraag of en hoe wij voor Israël kunnen kiezen. Mijn sympathie gaat uit naar het volk en ook naar de staat Israël, maar tegelijk sta ik afwijzend tegen de manier waarop veel christenen ons op bijbelse gronden in Israël als het volk van God willen laten geloven.

Niet alles wat in mijn boek staat is voor de lezer gemakkelijk te volgen. Ik erken dat voluit, maar ik heb geen ogenblik geaarzeld om het boek toch zo uit te geven als het nu gebeurd is. Ik vind nl. dat er veel onkunde bestaat over de theologische achtergronden van met name een bepaalde pro-Israël-richting, die vooral in de Verenigde Staten een ontzaglijke invloed heeft gekregen. Zij hangen de premillennialistische opvatting aan en hebben boeken geschreven die een wereldwijde verspreiding hebben gekregen. Ik denk hier aan mensen als Hal Lindsey (met zijn boek De Planeet die aarde heette) en aan de romans van Tim LaHaye en Jerry B. Jenkins in de serie De laatste bazuin. Ook prof. dr. W. Ouweneel moeten we rekenen tot de premillennialisten, al is hij gematigder als het over de politieke consequenties gaat van het genoemde premillennialistische standpunt dan bv. de schrijvers in het blad Israël Aktueel, waar de Nederlandse stichting ‘Christenen voor Israël’ achter staat.

Als ik kort mijn boek Christenen voor Israël? bij de cursisten mag introduceren, zou ik ze het volgende willen aanraden.

a) Hoofdstuk 1 vertelt in vogelvlucht de geschiedenis van het volk Israël tot en met de oprichting van de staat Israël. Ik vertel iets over het zionisme dat onder leiding van Theodor Herzl de stoot gegeven heeft tot de oprichting van de staat Israël, ook al heeft hijzelf het grote moment van die oprichting (1948) niet meer meegemaakt. Realiseer u dat de Joden vanaf de Babylonische ballingschap nauwelijks en na de verwoesting van de tempel te Jeruzalem in het jaar 70 n.Chr. helemaal geen eigen staat meer hebben gekend en dat de Al Aqsa moskee in Jeruzalem langer stadn heeft gehouden dan de Joodse tempels uit de tijd van Salomo, van Ezra en van Herodes bij elkaar. Bedenk ook dat de geschiedenis van het land Israël (Palestina) beslist niet samenvalt met die van het volk Israël. De herleving van een staat Israël is m.i. een uniek wonder in de wereldgeschiedenis na de zeer lange periode waarin niet-Joden vrijwel alle rechten in Palestina hadden, tot en met de Arabische (moslim-) overheersing van het land.

De feiten die in dit hoofdstuk beschreven worden, roepen groot respect op voor de nieuwe Joodse staat, maar laten tegelijk zien dat er ook een wettige claim door de Arabieren (Palestijnen) op (een deel van) het land mag worden gelegd.

b) Het tweede hoofdstuk springt over van het geseculariseerde zionisme (van Herzl c.s.) naar het christelijk zionisme. Dan belanden we in een heel ander klimaat. Hierin wordt ons aan de hand van de Bijbel voorgehouden hoe God met het huidige Israël bezig is en wat Hij met dit volk van plan is. Ik raad de cursisten aan vooral het schema dat op pag. 31 van mijn boek te vinden is te bestuderen. U ziet aan de hand daarvan dat de kerk (gemeente) wordt opgenomen in de hemel voordat de ‘grote verdrukking’ aanbreekt, die wel de wereld (en de Joden!) zal treffen, maar niet de kerk, die veilig naar de hemel wordt gevoerd. Ik geef in dit gedeelte ook een uitleg van een aantal moeilijke termen. Hier zijn ze:

Onder chiliasme, afkomstig van het Griekse woord chilioi (= duizend)) in Openb. 20,3vv, verstaan we de leer omtrent de duizend jaren waarin de teruggekeerde Messias over een aards vrederijk regeert, voordat het definitieve einde van de wereldgeschiedenis zal aanbreken.

Binnen het chiliasme zijn allerlei schakeringen te vinden. Ik noem er voor ons onderwerp twee:

Het premillennialisme (samengesteld uit de woorden pre = voor, en millennium = duizend, in het Latijn) leert dat de Messias terugkomt vóór de aanvang van de duizend jaren.

Het postmillennialisme (samengesteld uit de woorden post = na, en millennium = duizend) leert dat de Messias zal terugkomen ná de duizend jaren.

Verschillend van beide genoemde richtingen is het amillennialisme (in de betekenis van: zónder duizendjarig rijk), dat geen chiliasme is, omdat het niet gelooft in een apart Messiaans rijk kort voor het einde van de geschiedenis. In navolging van Augustinus geloven velen dat het duizendjarig rijk samenvalt met de geschiedenis van de kerk vanaf Pinksteren tot Jezus’ terugkeer.

Voor mijn boek is het voldoende dat de lezer begrijpt wat bedoeld is met de term premillennialisme – de chiliastische richting die in dit boekje het grootste deel van onze aandacht zal vragen.

Nadat ik vier belangrijke kenmerken van het premillennialisme heb beschreven, laat ik zien van hoe grote invloed die zijn op de politieke keus van mensen als Hal Lindsey. Heel Israël, van Dan tot Berseba toe, is van de Joden en niet van de Arabieren (Palestijnen). Er zal een geweldige slag geleverd worden bij Armageddon, zonder dat de kerk daardoor getroffen wordt. Zij is intussen immers al veilig en wel in de hemel. De Joden zullen een tweede Holocaust beleven. Een nieuwe tempel zal in Jeruzalem verrijzen. De mensen die dat laatste actief willen bevorderen, schromen niet er een gewapend conflict voor over te hebben, waarin de moslimheiligdommen worden opgeruimd om plaats te maken voor de nieuwe tempel. Een dergelijk radicalisme is naar mijn overtuiging voor een christen onaanvaardbaar. Veel Israëlfans begrijpen eenvoudig niet wat zij doen als zij dit allemaal aanvaarden, tot een kernoorlog rond Armageddon toe, omdat God het zo zou willen!

c) In het derde hoofdstuk geef ik alvast kort mijn eigen mening (tegen)over de opvatting dat de beloften voor het land en voor het volk van de Joden een eeuwig karakter zouden dragen, en dat het een opdracht van God is een nieuwe tempel voor de Joodse eredienst in oudtestamentische stijl te herbouwen, in aansluiting aan het tempelvisioen van Ezechiël 40vv.

d) Daarna komen in hoofdstuk 4-6 de moeilijke gedeelten, waarin ik een aantal belangrijke onderwerpen aan de orde stel die met de opvattingen van de premillennialisten essentieel verbonden zijn. In hoofdstuk 4 komt hun visie op Israël en de kerk aan de orde. Staan Israël en de kerk als twee grootheden zó naast elkaar dat de kerk feitelijk een tussenperiode (een intermezzo) vormt in de geschiedenis die God met Israël als zijn volk gaat? Volgens het premillennialisme komt de kerk in heel het Oude Testament niet voor. De geschiedenis tussen God en Israël wordt vanaf Pinksteren onderbroken, maar hersteld nadat de kerk plotseling wordt opgenomen in de hemel. En dan gaan alle oudtestamentische profetieën die allemaal op Israël slaan, in vervulling. Omdat Israël en de kerk nergens tot een eenheid worden, vinden we allerlei verdubbelingen en tegenstellingen: Israël is uiteindelijk bestemd voor de aarde, de kerk voor de hemel. Jezus Christus is er voor de kerk, Jezus de Messias zal over de Joden regeren. Er is ook tweeërlei opstanding uit de doden. Eerst staan de gelovigen op om in de hemel te worden opgenomen, terwijl aan het eind van de geschiedenis de ongelovigen opstaan en naar de hel verwezen worden. In het vijfde hoofdstuk doe ik een poging om het Oude Testament anders te lezen dan de premillennialisten het doen. Ik laat zien dat het Nieuwe Testament wel degelijk allerlei profetieën uit het Oude Testament in de ene gemeente, bestaande uit Joden én heidenen, in vervulling doet gaan. Het premillennialisme kan wel zeggen dat het Oude Testament niet over de kerk spreekt, maar wie gelooft in de vervulling van de oudtestamentische beloften in Jezus Christus kan dat onmogelijk volhouden, als we in Christus als het hoofd en de kerk als zijn lichaam mogen zien. De premillennialisten gaan er prat op dat zij de profetieën letterlijk nemen en de gereformeerden ze vergeestelijken. Ik meen dat zij heel veel niet letterlijk nemen en hun systeem vaak laten heersen over de teksten.

In het zesde hoofdstuk doe ik iets soortgelijks als in het vijfde, maar nu toegepast op het boek Openbaring. Volgens de premillennialisten gaat het alleen in Openb. 1-3 over de kerk (de zeven gemeenten). Tussen Openb.3 en 4 vindt de opname van de gemeente plaats, ook al wordt daarover met geen woord gerept. Alles in Openb. 4-19 zou betrekking hebben op een geschiedenis van slechts 7 jaar (zie weer het schema op pag. 31!), waarin het Joodse volk een geweldige verdrukking zal ondergaan. Maar dan breekt het duizendjarig rijk aan (Openb. 20), waarin de Messias met zijn vrederijk voor de Joden komt.

Terwijl ik niet geloof in een duizendjarig Joods vrederijk, heb ik tijdens mijn studie moeilijkheden gekregen met de heersende gereformeerde opvatting, die in de lijn van Augustinus bij de binding van de satan gedurende duizend jaren denkt aan de hele kerkgeschiedenis van Pinksteren tot vlak voor Christus’ terugkeer op aarde. Ik kan op dit punt moeilijk meer met Greijdanus’ opvatting en die van anderen uit de voeten, omdat Openb. 20 over een volledige binding en uitschakeling van de satan gedurende duizend jaren spreekt Die tijdelijke volledige binding van satan is volgens mij nergens in de kerkgeschiedenis te bespeuren. Ik vind het moeilijk met een andere verklaring te komen. Zie pag. 118-121 van mijn boek.

e) Na de wat moeilijker hoofdstukken 4-6 wordt de stof weer toegankelijker. Ik geef in hoofdstuk 7 mijn eigen standpunt weer. Daarbij kies ik voor het verbredingsmodel. De cursisten zullen weten dat er vaak met afschuw over een ander model, nl. het vervangingsmodel wordt gesproken. Dit model houdt in dat Israël wegens z’n ongehoorzaamheid aan Christus vervangen zou zijn door de kerk. Ik ben wat milder in mijn veroordeling van het ‘vervangingsmodel’, omdat de aanhangers ervan in het verleden en heden ook best weten dat Israël niet volledig werd uitgeschakeld. Maar het lijkt mij beter over het verbredingsmodel te spreken. Nadat Israël Christus verwierp, ging God met de rest van Israël verder, terwijl die rest verbreed werd tot de gemeente (kerk) waarin naast Joden ook heidenen een plaats kregen. Vooral Rom. 11 is hier van groot belang.

f) In het laatste hoofdstuk kom ik terug op het politieke aspect van ons onderwerp. U zult begrijpen dat ik op voorzichtigheid aandring als het over het toepassen van Bijbelteksten op het huidige ongelovige Israël gaat. Met een beroep op ‘God wil het’ kan ik onmogelijk beweren dat Jeruzalem de ongedeelde hoofdstad van de staat Israël moet zijn en blijven. We weten maar al te goed dat de woorden ‘God wil het’ (denk aan de leus voor de kruistochten) niet kloppen. Ondanks alle verbondenheid die ook ik met de Joden in Israël en daarbuiten voel, verklaar ik mij een tegenstander van deze claim op Jeruzalem voor de Joden door een christelijke politieke partij.

Gun Hamas -net als Hitler- geen adempauze

De oorlog in Gaza is verschrikkelijk. De internationale druk op Israël is groot om tot een langdurig of permanent staakt-het-vuren over te gaan. Ook Hamas wil graag de wapens vier, vijf maanden neerleggen. Toch is dat een slecht idee. Dictatoriale regimes die op geen enkele manier vrede willen, moet je geen adempauze gunnen. Die moet je, terwijl je blijft praten, net zo lang bevechten tot ze zich onvoorwaardelijk overgeven.

Hamas is namelijk vergelijkbaar met Hitler. Die liet op gruwelijke wijze alle Joden in Duitsland en omringende landen vermoorden. Veel Palestina-sympathisanten vergeten dat Hamas hetzelfde nastreeft in Palestina: de totale vernietiging van de ‘zionistische entiteit’. Wat dat voor Hamas werkelijk inhoudt werd op 7 oktober 2023 duidelijk tijdens die beestachtige pogrom: zonder pardon, planmatig en doelbewust werden vreedzame festivalgangers, bejaarden, vrouwen, kinderen en baby’s in koelen bloede afgeslacht, enkel omdat ze Jood waren. Maar vrijwel meteen begon in vooral linkse kringen het witwassen en wegkijken.

doorvechten

Hamas is vergelijkbaar met Hitler. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vochten de geallieerden aan Amerikaans-Europese en aan Russische zijde net zo lang door tot Nazi-Duitsland zich onvoorwaardelijk overgaf. Dat had Duitsland al in juni 1944 kunnen doen. Maar Hitler ging door tot het bittere eind. Het resultaat was verschrikkelijk: honderdduizenden burgers in Duitsland en de bezette gebieden kwamen in de elf maanden tussen D-day en mei 1945 om door honger en geweld. Was dat de geallieerden aan te rekenen? Nee. Want met een oorlogszuchtige dictator onderhandel je terwijl de strijd doorgaat. Je gun hem geen adempauze.

Hamas is vergelijkbaar met Hitler. Dus kan Israël maar een ding doen, net als indertijd de geallieerden: onderhandelen én doorvechten totdat Hamas zich onvoorwaardelijk overgeeft. Anders krijgt Hamas de gelegenheid zich te hergroeperen, op adem te komen en een volgende ronde aan gruwelijkheden te beginnen. En zullen er nog meer onschuldige Palestijnse burgerslachtoffers vallen. Dat is vooral Hamas aan te rekenen. Dat gebruikt de eigen bevolking bewust als levend schild voor zijn ideologische strijd. Hamas zette z’n masker af op 7 oktober en toont tot op de dag van vandaag z’n ware gezicht: al heeft de Gaza-oorlog al meer dan 20.000 eigen burgers het leven gekost, de prijs om heel Palestina nagenoeg ‘Judenrein’ te maken kan nooit hoog genoeg zijn. 

Hamas is dan ook geen groep vrijheidsstrijders die opkomt voor een eigen Palestijns-Arabische staat naast een Joods-Israëlische staat, zoals volgens internationaal recht al sinds 1948 de bedoeling is. Het is een van de Palestijnse terroristengroeperingen die vanuit intense Jodenhaat zich voortdurend met geweld tegen deze twee-staten-oplossing hebben gekeerd. Iedere kans op vrede werd telkens succesvol opgeblazen.

nieuwe werkelijkheid

Wanneer Israël, net als de geallieerden in 1944, doorvecht tot het Hamas definitief op de knieën heeft gekregen, breekt een nieuw tijdperk aan. Daar kun je sceptisch over zijn als je kijkt naar de plannen van extreem-rechtse, racistische Joodse terror-kolonisten. Die willen alle Palestijnen uit Gaza en de Westbank deporteren en een groot-Israël stichten. Dat sombere toekomstscenario kan inderdaad gebeuren. 

Na de Tweede Wereldoorlog gebeurde iets soortgelijks. Aan de ene kant van het IJzeren Gordijn zuchtte de bevolking van Duitsland, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Tsjechoslowakijke, Hongarije, Roemenië en Bulgarije nog 70 jaren lang onder de dictatuur van het communisme. 

relatieve vrede

Als deze Gaza-oorlog voorbij is, is er volgens mij voldoende democratisch gehalte in Israël om de niet-populaire regering van Netanyahu weg te stemmen. En als de wereldpolitiek het niet laat afweten kan er, onder internationale druk, gewerkt worden aan een nieuwe toekomst waarin Palestijnen en Israëli’s in relatieve vrede met en naast elkaar kunnen leven. Net zoals na 1945 aan de andere kant van het IJzeren Gordijn met de Marshall-hulp van Amerika de wederopbouw van een vrij en democratisch Europa plaatsvond. 

Maar in 1944 was de angst voor de Russen geen reden om Hitler een adempauze te gunnen. Zolang Hamas net zo erg blijft als Hitler, is daar nu, 80 jaar later, ook geen reden voor. Alleen totale overgave bracht toen en kan nu vrede brengen. 

EENZIJDIGE SOLIDARITEIT MET ISRAEL

Israel in het Oude Testament is niet hetzelfde als Israel in het Nieuwe Testament en is niet hetzelfde als Israel vandaag. Wie dat onderscheid niet maakt, loopt het risico om te vervallen in eenzijdige solidariteit met Israel. In die fout verviel volgens mij Chris Stoffer, de partijleider van de SGP. Hij bracht begin januari met een aantal parlementariërs uit andere Europese landen een ‘solidariteitsreis’ aan Israel. Hij deed dit, zei hij, in het Nederlands Dagblad, vanuit een diepe liefde voor Israel. Hij ging met het leger op stap, sprak met een slachtoffer van de barbaarse slachting die Hamas op 7 oktober aanrichtte en met president Herzog over de traumatische gevolgen voor heel de Israelische bevolking.

Nu is er niks mis mee om solidair te zijn met Israel, nadat het op 7 oktober jl. aangevallen is door een terreurorganisatie die, gedreven door intense Jodenhaat, de totale vernietiging van de Joodse entiteit in Palestina nastreeft. Het gevolg van de pogrom van Hamas is ongenadige Jodenwraak, want Israel wil er alles aan doen om de terreur van Hamas te stoppen en de 500 km (dat is van Groningen naar Berlijn !!) aan tunnels te vernietigen, waarvan de in- en uitgangen bewust onder woningen, scholen, ziekenhuizen en moskeeën zijn aangebracht. Ik begrijp heel goed dat voor Israel een staakt-het-vuren voorlopig nog niet aan de orde is. Voor al het leed van de 2 miljoen inwoners van Gaza is Hamas de eerstverantwoordelijke. Dat durven, ondanks de enorme repressie door Hamas, ook steeds meer burgers van Gaza hardop te zeggen. Pas als Hamas de oorlog beëindigd en de gijzelaars vrij laat, is er een kans op vrede (vinden ook deze twee Palestijnen uit Gaza).  

Israel-bezoek Chris Stoffer

Maar je kunt ook op een eenzijdige manier solidair met Israel zijn. Op Twitter merkte ik op, dat het een gemiste kans was dat Stoffer geen Palestijnse christenen had bezocht, omdat die makkelijk te vinden zijn in Israel, waar 20% van de burgers een Arabisch/Palestijnse identiteit heeft. Ook was hij niet op de Westelijke Jordaanoever wezen kijken hoe terror-kolonisten met hun cowboy-gedrag hun kans schoon zien om, gesteund door een wegkijkende overheid, aan ordinair landjepik te doen en de oorspronkelijke Palestijnse bevolking van hun rechtmatige geboortegrond te verdrijven. Dan loop je toch echt wel aan de leiband van de rechtse regering van Netanyahu.

De SGP-leider reageerde op Twitter als door een wesp gestoken. Hij kwam genoeg mensen tegen die de Palestijnse zaak behartigen, zei hij, maar hij was juist “in Israel geweest om SOLIDARITEIT te tonen met Israël.”

Die wat allergische reactie van de SGP-leider (de hoofdletters waren van hem) is volgens mij het gevolg van een diepe liefde voor Israel die uitgaat van de gedachte: Israel OT = Israel NT = Israel nu. Dat lijkt mij een nogal twijfelachtige, onzorgvuldige en, als je consequent doordenkt, niet bijbelse redenering. De kern daarvan bestaat uit de gedachte: ‘Israel’ staat altijd gelijk aan ‘het Joodse volk’. En omdat Israel in het Oude Testament ‘Gods oogappel’ genoemd wordt (Deut. 32:10, Jer. 31:20, Zach. 2:12), blijft dat ook zo in het Nieuwe Testament, ook al hebben ze in meerderheid Jezus verworpen, en is dat vandaag nog steeds zo als het om het land en (80% van het) volk en de staat Israel gaat.

Wat zegt de Bijbel?

Wie de Bijbel leest vanuit Jezus Christus als centrum, weet dat Abraham door de HERE is uitgekozen om via zijn nakomelingen alle volken tot een zegen te zijn (Gen. 12:3). Voortdurend wordt al in het Oude Testament benadrukt, dat niet iedere geboren Israeliet het ook werkelijk is, want het gaat niet om de uiterlijke besnijdenis, zeggen Mozes en Jeremia (Deut. 30:6, Jer. 4:4, 9:25), maar om de besnijdenis van het hart. Na Pinksteren benadrukt Paulus dat ook: Jood is men niet door uiterlijkheden, en het gaat ook niet om de uiterlijke, lichamelijke besnijdenis; Jood zijn is iets innerlijks en de besnijdenis is die van het hart (Rom. 2:29). Voortdurend lees je ook in het Oude Testament, dat het heil van God voor alle volken bestemd is. Vanaf Pinksteren gaat dat in vervulling, bv. Psalm 87.  Dan wordt overduidelijk, dat iedereen welkom is en zich mag aansluiten bij “het Israel van God” (Gal. 6:16b). Want het ware, geestelijke Israel bestaat, net als in het Oude Testament,  uit allen die in het geloofsspoor van Abraham gaan en in Jezus Christus geloven als de door God beloofde en gekomen Messias.

Dat vroeg een omkeer van denken die er bij de apostelen en de eerste christenen maar moeilijk inging. Zij verwachtten binnen afzienbare tijd het herstel van het koningschap in Israel, maar Jezus zei: ‘Wees mijn getuigen tot aan de einden der aarde.’ (Hand. 1:6-8). Petrus wilde er eerst zelf niet aan en moest zich later verdedigen dat hij de Romein Cornelius had bezocht en hem zo maar, alleen op z’n geloof, had toegelaten tot Gods volk op aarde (Hand. 10:1-11:18). Even later kregen Paulus en Barnabas bakken vol kritiek over zich heen omdat de gelovigen uit de heidenen zich niet aan allerlei Joodse wetten hoefden te houden (Hand. 15). Het zat diep ingesleten in het denkpatroon van de eerste christenen: heidengelovigen zijn welkom bij ons, joodse gelovigen, maar dan moeten ze zich wel aan de oude regels houden. Maar na het grote apostelcongres waren Petrus en Jakobus er, onder leiding van de Heilige Geest, wel uit: christenen uit de Joden en christenen uit de heidenen worden op dezelfde manier gered, namelijk door de genade van de Heer Jezus, en zo herstelt de Heer het vervallen huis van David, waartoe nu alle christenen afkomstig uit het Joodse volk en uit de heidenen behoren (Hand. 15:11-18). Ook Paulus sloot zich hierbij aan: sinds Pinksteren maakt God geen enkel onderscheid meer en delen alle christenen in het burgerschap van het ene, geestelijke Israel (Ef. 2:11-22).

Heeft Israel een speciale plek?

Wie vandaag nog een speciale plek voor het land Israel en voor het Joodse volk ziet weggelegd, maakt dezelfde denkfout als de apostelen en een deel van de eerste Joodse christenen uit Handelingen. Het gaat na Pinksteren niet meer om dat ene Joodse volk, waarbij de rest van de wereld zich mag aansluiten. Het gaat om de ene Heer, Jezus Christus, en iedereen wordt opgeroepen zich in geloof bij Hem aan te sluiten, ongeacht nationaliteit, afkomst en geslacht. Dat is sinds Pinksteren Gods volk op aarde, Gods oogappel, de bruid van Christus.

Heeft het Joodse volk en het land Israel dan nog een speciale plek in Gods plan met de wereld? Ik denk van niet. Alle beloften van God waren op Christus gericht en zijn in Christus vervuld. Wat nog uitstaat is voor iedereen bestemd tot aan de uiteinden van de aarde, zoals de Psalmen zingen en Jesaja profeteert.

Is er dan geen verschil? Jawel: Joden die tot geloof in Jezus komen, komen er achter dat Hij de Messias is die in hun eigen Tenach is aangekondigd. Hetzelfde geldt in mindere mate voor moslims die tot geloof komen: zij kenden Jezus in hun Koran eerst alleen maar als de profeet Isa. Dat is een heel andere manier van thuiskomen dan vanuit het heidendom. Maar ik geloof er niets van dat God twee lijntjes heeft lopen om mensen tot Zich te trekken. Of dat Hij twee plannen heeft, eentje met het Joodse volk, waarvan iedereen die naar Israel emigreert meer rechten zou hebben op het beloofde land dan de Palestijnse bewoners van wie de stamboom soms teruggaat tot 400 na Christus. Want de God van Jezus Christus, die via Israel tot de wereld gekomen is, wil de God van alle volken, incl. het joodse volk, zijn. Niet het land Kanaän, maar heel de aarde is voor de zachtmoedigen bestemd, zegt Jezus (Mat. 5:5) en wie Hem volgt door zich aan Gods geboden te houden, zal het niet goed gaan in het beloofde land Kanaän, maar hier op aarde (Ef. 6:3).

De oude Simeon zong het al toen hij het kindje Jezus in de armen nam: “Met mijn eigen ogen heb ik de redding gezien die U bewerkt hebt ten overstaan van alle volken: een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van Israel, uw volk.” (Luk. 2:30-32).

Eerder geplaatst als opinie-artikel onder de titel “Bezoek SGP-leider Stoffer legt eenzijdige solidariteit met Israël bloot” op CVandaag 11 januari 2024

‘O God, verlos onze Palestijnse medechristenen uit al hun benauwdheden’

Op 13 november schreef ik voor CVandaag het opiniestuk ‘Bijbelse retoriek van sommige pro-Israël christenen is ongepast‘ over christenen die met een beroep op het Oude Testament onvoorwaardelijk de kant van Israel kiezen in het conflict met de Palestijnen. Hieronder volgt de tekst van dat opiniestuk. Maar eerst nog twee vooropmerkingen.

In het Nederlands Dagblad van 27 november stond een interview met Bernard Reitsma die goed onder woorden brengt hoe ongerijmd het is om allerlei profetieën en beloften van God zomaar op het Israel van nu te plakken.

Op 28 november publiceerde CVandaag een interview met Willem Ouweneel, die van mening is dat alleen christenen die wél geloven dat de Bijbelse profetieën over en beloften aan Israel vandaag in vervulling gaan. Volgens hem horen ‘vrijzinnigen’ én ‘aanhangers van de vervangingstheologie’ niet bij de ‘bijbelgetrouwe gelovigen’. Zelf zet hij een is-gelijk-teken tussen Israel toen en Israel nu. “Terwijl het volk Israël in het Oude Testament streed tegen de Amalekieten of de Filistijnen, zo strijdt het volk nu tegen Hamas.” En dus vindt hij het volkomen terecht dat om Psalm 25 vers 22 (O God, verlos Isral uit al zijn benauwdheden) op de politieke situatie van vandaag toe te passen, zoals de organisatie ‘Christenen voor Israël’ meteen na de pogrom van Hamas deed.

Voor mij was het aanhalen van Psalm 25 vers 22 juist de reden om in CVandaag onderstaand opiniestuk te schrijven. Ik had daarbij zelf als kop de titel bedacht: ‘O God, verlos België uit al z’n benauwdheden’ of ‘Als je Bijbel en politiek door elkaar haalt’.

Een aantal jaren geleden bezocht ik met een groep jongeren van 18-20 jaar een gebedsuur tijdens de jaarlijkse Week van Gebed. In drie rondes mochten we in groepjes bidden voor ‘de kerk’, ‘de wereld’ en ‘Israel’. Eén van de jongeren vroeg zich hardop af: “Waarom Israel? Waarom niet België?” Ik heb zijn verbaasde opmerking altijd onthouden. Inderdaad, waarom zou je als christen apart voor het land en de staat en de Joodse burgers van Israel bidden, meer dan voor andere landen en mensen?

Sinds de gruwelijke oorlog in Israel en Gaza die Hamas op 7 oktober jl. ontketend heeft, zijn er veel christenen die Bijbelteksten citeren om hun steun aan Israel te betuigen. De november-editie van Israëlaktueel, het blad van ‘Christenen voor Israël’, plaatste op de voorpagina een grote foto met in vetgedrukte letters: “O God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden.” Psalm 25:22 

Nu sta ik achter Israel als het gaat om z’n bestaansrecht. En ik sta achter Israel als het gaat om het recht zichzelf te verdedigen tegen de intense Jodenhaat van Hamas en anderen die Palestina van de rivier tot de zee ‘Judenfrei’ willen maken.

Ik begrijp ook, dat premier Netanyahu het Oude Testament gebruikt om het bestaan van Israel als vrije natie te legitimeren. Want hij is zelf een Jood. Vanuit zijn perspektief heeft het Joodse volk een historisch, goddelijk recht om het land te bewonen dat God hen beloofd heeft.

Het is opmerkelijk dat Natanyahu al op 22 september 2023 tijdens zijn toespraak bij de Verenigde Naties in New York een bijbelgedeelte aanhaalde. Hij hield de leden van de Algemene Vergadering voor, wat er volgens Deuteronomium 27 en 28 op de bergen Ebal en Gerizim gebeurde, toen Israel het beloofde land binnentrok. “Mozes zei dat het lot van het volk bepaald zou worden door de keuze die zij zouden maakten tussen ‘de zegen en de vloek.’ Diezelfde keuze heeft door de eeuwen heen weergalmd – niet alleen voor het volk van Israël, maar voor de hele mensheid. We staan ​​vandaag voor een dergelijke keuze. Het zal bepalen of we de zegeningen zullen genieten van een historisch stukje grenzeloze welvaart en hoop, of zullen lijden onder de vloek van een gruwelijke oorlog van terrorisme en wanhoop,” aldus Netanyahu. Hij zei dit omdat Israel en Saoedi-Arabië binnenkort een vredesakkoord zouden ondertekenen. Dat “zal werkelijk een nieuw Midden-Oosten creëren.” Maar, waarschuwde hij erbij, “er zit een addertje onder het gras zit. Het radicale, giftige terreurregime in Teheran is vastbesloten dit alles te dwarsbomen en nog meer vernietigingszaden in het Midden-Oosten te zaaien.” (zie bron)

Amper twee weken later bleek hoe giftig die adder was, met alle gevolgen van dien tot de dag van vandaag. Intense Jodenhaat leidt tot onbarmhartige Jodenwraak. Op 25 oktober sprak Netanyahu het Israelische volk toe en verwees daarbij naar een profetie van Jesaja. “Onze oorlog tegen Hamas is een test voor de hele mensheid. Het is een strijd tussen de as Iran-Hezbollah-Hamas van het kwaad en de krachten van vrijheid en vooruitgang. Licht zal duisternis verslaan. Met vereende kracht, met een diep geloof dat we een gerechtvaardigde strijd voeren en dat Israel eeuwig zal bestaan, zullen we de profetie van Jesaja 60:18 realiseren: ‘Van geweld in je land wordt niets meer vernomen, noch van verwoesting en rampspoed binnen uw grenzen. Je zult je muren Redding noemen en je poorten Roem.’ Samen zullen we vechten en samen zullen we overwinnen.” (zie bron)

Netanyahu verwijst naar het Oude Testament omdat hij het ziet als Gods boek voor het Joodse volk. Christenen zien dat anders. Gods boek bestaat uit twee delen en gaat over Gods belofte en de realisatie ervan dat Hij Jezus Christus zal sturen om heel de wereld te bevrijden van zonde en schuld en van de aarde weer een paradijs van vrede en veiligheid te maken. Iedereen die vóór zijn komst Jezus als Messias en Redder verwachtte en tijdens zijn leven op aarde in Hem geloofde en iedereen die daarna vanaf Pinksteren Hem als Messias en Redder erkent, hoort bij dat ene volk van God. Al die mensen, die in Christus een nieuwe schepping zijn, zijn “het Israel van God” en delen in de vrede en barmhartigheid dankzij het kruis van Jezus Christus onze Heer, zoals Paulus in Galaten 6:14-18 zegt. Dat ware Israel bestaat uit alle mensen die wandelen in het voetspoor van het geloof van Abraham (Romeinen 4:12).

In het Oude Testament koos God voor het smalspoor van het Joodse volk. Alleen incidenteel traden er ook gelovigen uit de heidenen toe. Sinds Pinksteren verbreedt God Zelf “het burgerschap van Israel” tot heidenen en Joden die zich verbonden weten met Christus en die dankzij Hem samen door één Geest toegang hebben tot de Vader (Efeziërs 2:11-22). Geen wonder dat Paulus daarom ook de belofte dat God het land Kanaän aan de nakomelingen van Abraham, Isaak en Jakob zal geven, zonder problemen verbreedt tot “een goed en lang leven op aarde” (Efeziërs 6:3).

Het lijkt mij daarom ongepast om Bijbelteksten over Israel uit het Oude Testament toe te passen  op steun aan de staat en de Joodse burgers van Israel vandaag. Dan krijg je van die vreemde toepassingen zoals ‘Christenen voor Israel’ dat je een Psalm over persoonlijke geloofsvervolging uit het jaar 1000 vóór Christus gaat toepassen op de politieke situatie in Israel anno 2023.

Voor je het weet, praat je daarmee ook andere ontwikkelingen goed, zoals het wangedrag van de Joodse kolonisten op de Westelijke Jordaanoever, die als gangsters de lokale Palestijnse bevolking verjagen, omdat heel Judea en Samaria door God aan het Joodse volk beloofd is. En zelfs Gaza zou dan geheel gezuiverd mogen worden van de niet-Joodse bevolking, want er staat immers in Rechters 1:18: “Ook veroverden de Judeeërs het hele gebied van Gaza, het hele gebied van Askelon en het hele gebied van Ekron.”

Van dit soort bijbelse retoriek zouden christenen zich verre moeten houden. Het zou veel mooier zijn als mijn geloofsgenoten van ‘Christenen voor Israël’ het Oude Testament weer via de lens van Messias Jezus (Pasen) en zijn Heilige Geest (Pinksteren) gaan lezen. Dan zeg je in 2023 met Psalm 25 vers 22: ‘O God, verlos de Eritrese en Noord-Koreaanse christenen uit al hun benauwdheden.” Of nog beter, betrek deze Psalm op de Palestijnse christenen, die al eeuwenlang het land bewonen, van wie sommigen een stamboom hebben die teruggaat tot 400 na Christus en van wie de voorouders misschien wel met Pinksteren op het tempelplein stonden en bij de eerste 3000 christenen hoorden die Jezus als Messias erkenden en zich lieten dopen. Vanuit de onopgeefbare en onvoorwaardelijke verbondenheid die christenen wereldwijd met elkaar voelen bid ik als eerste voor hen: “O God, erbarm U over onze Palestijnse broeders en zusters die klem zitten tussen twee onverdraagzame vuren.”

JODENHAAT leidt tot JODENWRAAK

Het was een gruwelijke pogrom op zaterdag 7 oktober 2023 door de terroristen van Hamas. Net als de eerste die Haman wilde organiseren in de tijd van koning Ahasveros van Perzië. Net als de eeuwen erna in West-Europa, in Oost-Europa en in de Arabische landen. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen soldaten en burgers of tussen volwassenen en kinderen. Het gaat erom zoveel mogelijk slachtoffers te maken, omdat iedereen die tot dat andere volk of die andere religie behoort, niet mag blijven leven.

Een pogrom is een genocide in het klein. Engeland deed het in de 19e eeuw met de Ieren. Turkije deed het in de 20e eeuw met de Armenen. Hitler deed het op grote schaal tijdens de Holocaust. En Hamas deed het op 7 oktober 2023. Het waren vooropgezette moorddadige plannen, schreef het Nederlands Dagblad: “In papieren die op gedode Hamas-terroristen zijn aangetroffen, was te lezen hoe deze zeer gedetailleerde instructies bevatten om basisscholen en dergelijke aan te vallen, of om ‘zoveel als mogelijk te doden’.”

Een pogrom wordt ingegeven door intense haat. Ongeacht de context. En dus lijkt het mij ongepast om meteen de context erbij te halen om deze gruwelijke slachtpartij met meer dan 1.200 doden, waaronder kinderen, vrouwen en ouderen te ‘verklaren’. Om het met cabaretier Hans Teeuwen te zeggen: “Jodenhaters hebben helemaal geen context nodig. Ze haten Joden en daarom moeten ze dood, daarom moeten ze verkracht, daarom moeten ze onthoofd, en daarom moeten ze verbrand.”

Wat mij bij deze Hamas-pogrom opvalt is, dat veel sympathisanten voor de Palestijnse zaak meteen in de reflex schieten dat vooral de onderdrukking van de Palestijnen door de staat Israel de diepere oorzaak is van deze gruwelijke moorden.  

Mijn broer Martijn, onverdacht onafhankelijk in het Israelisch-Palestijnse konflikt, twitterde (volg hem op @amleeftink, zou ik zeggen): “Kun je als moslim ook eens iets volledig en hartgrondig als terreur veroordelen, zonder steeds weer alle schuld bij de ander neer te leggen? Erkennen dus dat er ook aan moslim-zijde soms iets niet deugt ipv in slachtofferrol te blijven hangen?”  

Ik denk dat wie een gruwelijke pogrom niet onomwonden veroordeelt, voet geeft aan de intense Jodenhaat van Hamas-terroristen en hun sympathisanten. Dat na deze slachtpartij door tienduizenden Nederlanders geroepen wordt ‘Free Palestine – from the river to the sea’ is zorgelijk.

Er is alleen één verschil. Deze pogrom was niet gericht tegen een zwakke, verdrukte minderheid die geen schijn van kans had te ontsnappen. Deze pogrom was gericht tegen een sterke tegenstander die keihard terugslaat. Daar kun je van alles van vinden. Dat moet je zelfs heel kritisch volgen. Maar volgens mij moet je wel blijven letten op de volgorde in de gebeurtenissen sinds 7 oktober 2023. En dat is: Intense Jodenhaat leidt tot Onbarmhartige Jodenwraak.

Dus ja, ik steun Israel in zijn poging om het Hamas-terrorisme met wortel en tak uit te roeien. Er was geen enkel excuus aan te voeren voor de aangerichte gruweldaden, en dus is er ook geen enkele reden om Israel het recht van zelfverdediging te onthouden.

Maar wat ik wel zie is dit: de haat zit aan beide kanten. Op de Westoever zien Joodse kolonisten hun kans schoon. Ze doen aan ordinair landjepik door Palestijnse inwoners uit hun dorpen te jagen en van hun grondgebied te verdrijven. Er vindt daar een etnische zuivering plaats, volgens kritische Israelitische burgers. Bij dat eenzijdige geweld van Israelische kant zijn sinds 7 oktober al 54 Palestijnen omgekomen, aldus het Nederlands Dagblad. Sommigen simpelweg neergeknald door gemaskerde Joodse kolonisten die hun gang kunnen gaan omdat de Israelitische overheid hen al jarenlang hun gang laat gaan en de aanwezige politie en soldaten wegkijken. Kolonisten die er dezelfde mening op na houden als de terroristen van Hamas: Free Eretz Yisrael – from the river tot he sea’.

Zondag 15 oktober werden voorgangers opgeroepen om te bidden voor de situatie in Israel, Palestina en Gaza. Waarvoor moet ik in vredesnaam bidden, dacht ik. “Geef vrede, Heer, geef vrede. De wereld wil slechts strijd” – Lied 285 uit het oude Liedboek misschien? Maar al snel bedacht ik mij, dat dat te algemeen was. De onvrede en de onverdraagzaamheid zit veel ook in mijzelf. Dus heb ik dit gebeden:

We bidden ook om vrede in de wereld. Zoveel conflicten. Zoveel haat. In Oekraïne en Rusland, in Azerbeidzjan en Armenië. En nu weer zo intens in het Midden-Oosten. Intense Jodenhaat leidt tot onbarmhartige Jodenwraak. Ontferm U, Heer. En als we bidden om vrede – geef vrede, Heer, geef vrede: dan is het niet alleen de wereld die slechts strijd wil, maar dan bidden we U ook: bekeer ons felle hart. Ontferm U, Heer. Over de burgers van Israël. Over de inwoners van de Gaza-strook. Over de Palestijnen die wonen op de Westoever en de joodse kolonisten die daar illegaal verblijven. Temper hun haat en hun woede. Ontferm U, Heer. Ontferm U vooral over de christenen daar – de Palestijnse christenen die daar al eeuwenlang wonen en de Messiasbelijdende Joden die daar zijn thuisgekomen. Zij zitten het meeste klem. Laat U zien, Here Jezus, als de Vredevorst voor alle mensen. Laat uw licht schijnen in al die harde harten. Geef vrede, Heer, ja, geef ons uw vrede.