Je loopt vast met twee volken van God

Broeder Jan Hoek heeft via LinkedIn gereageerd op een opinie-artikel van ondergetekenden in het Nederlands Dagblad van vrijdag 29 augustus 2025 dat stuk reageerden wij naar aanleiding van zijn afkeurende commentaar op een interview met dr. Hans van Oort, die daarin zijn nieuwe boek ‘Israël?’ aankondigde.

Hoek meent dat wij een vorm van vervangingstheologie aanhangen. Dat is een vaak en graag gebruikte term om andersdenkenden zonder motivatie te ‘framen’. Wij herkennen ons er niet in. Wat wordt er dan vervangen? Het Joodse volk is gewoon een etnisch volk, dat deels in een staat woont die de naam ‘Israël’ draagt. Etnisch Israël kan geenszins worden vervangen door Gods volk op aarde, want dat bestaat van ouds al alleen uit Joden en niet-Joden die vanaf Adam en Eva uitkeken naar Jezus als hun Verlosser en Hem sinds Zijn komst hebben aangenomen en daarom kinderen van God zijn (Johannes 1:12).

Hoek meent ook dat wij ‘zover gaan’ dat we hem ‘buiten het geloof’ plaatsen. Dat is een totaal ongegronde conclusie. Wij spraken niet over Joden in het algemeen, die in meerderheid Jezus verwerpen, maar over het essentiële gegeven dat Joden en niet-Joden zonder onderscheid alleen door geloof in Jezus Christus en wedergeboorte Gods Koninkrijk zijn binnengegaan (Johannes 3:5). Dat is de kern van het Nieuwe Testament waarop wij doelden. Er zijn daarin geen verschillende posities voor Joden en niet-Joden (Romeinen 3:22; 10:12; Colossenzen 3:11). Desondanks wil Hoek helaas nog steeds een onderscheid tussen Joodse en niet-Joodse christenen in de kerk en in Gods heilsplan blijven maken. Echter, wij zijn allen “erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking” (Romeinen 8:17).

Het Oude Testament spreekt uiteraard over o.a. de God van Abraham en de God van Israël. Maar voor een christen die dankzij de door God beloofde komst van Jezus mag leven onder het Nieuwe Verbond, is God nu vooral de Vader van Jezus Christus en ook onze hemelse Vader. Het is een vreemde en onterechte conclusie van Hoek dat wij zouden menen dat de weg van de Heer met Israël een mislukt experiment is. Met het oog op de komst van onze Here Jezus heeft God immers dit volk apart gezet? Maar nu sinds Pinksteren al bijna 2000 jaar gelovigen uit alle volken worden toegevoegd aan ‘het Israël van God’ (Galaten 6:16), is het een terechte vraag: Waarom zou het belijden van de ‘God van Israël’ een voortgaande unieke positie voor het moderne, grotendeels seculier-Joodse Israël moeten inhouden? Is God in Christus niet de God van/voor alle volken?

Hoek beschouwt zowel de gemeente/kerk als ‘Israël’ als ‘volk van God’. Dat is vreemd. Heeft God dan twee unieke volken, de ene met en de andere zonder Christus? Waar staat die dualiteit in het Oude Testament en in het Nieuwe Testament?

Hoek noemt de vraag van de discipelen in Handelingen 1:6 over het herstel van het koningschap voor Israël. Hij meent dat die vraag terecht was. Maar die conclusie is onjuist, hetgeen uit de context blijkt. Jezus “beval hun dat zij niet uit Jeruzalem weg zouden gaan, maar de belofte van de Vader zouden verwachten, die u, zei Hij, van Mij gehoord hebt” (Handelingen 1:4). Het blijkt dat dit slaat op de Heilige Geest, waardoor “u kracht zult ontvangen”, en waardoor “u Mijn getuigen zult zijn, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde. (Handelingen 1:8). Dus, de belofte waar Jezus in Handelingen 1:4 en 5 over sprak (zie ook Lukas 24:49), is niet het herstel van het koningschap voor Israël, maar is de uitstorting van de Heilige Geest (Handelingen 1: 5,8). Bovendien moet bedacht worden dat met de komst van Jezus het Koninkrijk Góds nabijgekomen is, en dus niet het koninkrijk Israël! Zie de tientallen teksten (65!) in het Nieuwe Testament over het ‘Koninkrijk Gods’. Twee bekende teksten als voorbeeld: “Onze Vader die in de hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd; Uw Koninkrijk kome; Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde” (Mattheüs 6:9,10). Jezus bad niet voor het koningschap voor Israël maar voor het Koninkrijk van God Zijn Vader. En “zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden” (Mattheüs 6:33). Dus, christenen zoeken Góds Koninkrijk en niet een soort van ‘koningschap’ voor/van Israël.

Er moet dus bedacht worden waaróver Jezus sprak na Zijn opstanding, zelfs veertig dagen lang! In Handelingen 1:3 lezen wij: “veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft”. Jezus sprak over het Koninkrijk van God en niet over het koningschap voor (over) Israël of het koninkrijk Israël. Handelingen 1:6 gebruiken om te proberen het herstel van het vermeende koningschap voor Israël ‘aan te tonen’, is naar ons inzicht niets anders dan een verkeerde en misleidende uitleg, waarmee ook Hoek denkt aan Israël een aparte huidige positie en toekomstige rol te moeten toebedelen.

Helaas moet worden geconstateerd dat Hoek de moderne staat Israël roemt als ‘teken’ van Gods trouw. De grondslag van die staat reikt echter niet verder dan het internationale recht. De Bijbel spreekt van het kruis van Christus als het teken van Gods trouw. Paulus wil zich ‘volstrekt niet beroemen op iets anders’ (Galaten 6:14) en de Jood Isaac Da Costa sprak daarvan in het lied ‘In het kruis zal ik eeuwig roemen, geen wet zal mij verdoemen’, enz.  Jezus Christus is onze Redder, niet omdat Hij een Jood is of omdat de staat Israël zicht op Hem geeft, maar omdat Hij de Heiland van de wereld is (Johannes 4:42; 1 Johannes 4:13-16).

Drs. Piet Guijt, drs. Ernst Leeftink, Kees Maljaars, dr. Steven Paas, dr. Jos Strengholt.

WIJS DE JEUGD DE JUISTE WEG!

Zondag 31 augustus mocht ik in Kampen onze kleindochter Iris dopen. Deze NGK-gemeente in Kampen was vakant, dus er was geen eigen dominee om de doop te bedienen. Ik vond het een bijzonder voorrecht om dat daarom te mogen doen.

Vlak bij de Eudokia-kerk hing een groot spandoek met de tekst De scholen zijn weer begonnen. Maar dat geldt niet alleen voor de scholen. Nee, ook het kerkelijk seizoen is weer begonnen. En net als in de maatschappij investeren we ook in de kerk veel in onze kinderen en in onze jongeren.

Dat doen we, omdat het een opdracht is die God Zelf aan zijn kinderen geeft. In Spreuken 22 vers 6 staat namelijk: Leer een kind van jongs af aan de juiste weg, en het zal er niet van afwijken wanneer het oud (= volwassen) geworden is.

Het gaat in deze bijbeltekst over jonge kinderen. Het hebreeuwse woord voor ‘leren’ betekent in een ander verband ook het ‘inwij­den’  van de tempel of het ‘in gebruik nemen’ van een huis. Het wonder van het geloof is, dat Christus onze Heer graag in de harten van mensen wil komen wonen wil maken (Efeziërs 3 vers 17). We kunnen elkaar het geloof niet geven – alleen de Heilige Geest brengt mensen tot geloof. Maar Hij gebruikt daar wel de middelen van opvoeding (gezin), onderwijs (school) en prediking (kerk) voor.

Daar moet je, zegt dit vers in Spreuken, al vroeg mee beginnen. Want het belangrijkste doel in het leven is, dat je God leert kennen en met Hem wilt leven. Zo staat het in Spreuken 3 vers 6: Denk aan de HERE bij alles wat je doet (NBV21) / Ken de HERE in al uw wegen (NV51). Dat is ook het groet doen van de opvoeding van gelovige ouders: Niets verheugt mij meer dan te horen dat mijn kinderen de weg van de waarheid volgen. (3 Johannes 1 vers 4). waarheid volgen.

Spreuken 22 vers 6 kan ook vertaald worden met: “Onderwijs een kind overeenkomstig zijn verstand en leeftijd.” Dat betekent: hou rekening met zijn of haar mogelijkheden. De oude Statenvertaling merkte daarbij in 1637 al op, dat het ook ‘met tederheid’ gebeuren moet. Wat met liefde en geduld geleerd wordt, werpt meer vruchten af dan wat met harde hand wordt bijgebracht.

Wanneer de kinderen uitvliegen wordt het spannend. Blijven ze dan dicht bij de HERE leven? Spreuken 22 vers 6 leert ouders ook om dat in met vertrouwen in de hand van de HERE te leggen. Je mag je kind los te laten, omdat je weet dat God dat niet doet.

Een goede, consequente christelijke opvoeding blijft zijn waarde houden. Je waardeert het steeds meer. Niet pas als je rond de 70 bent, maar naarmate je ouder wordt. Soms komt een afgedwaald kind toch weer tot geloof als vrucht van de opvoeding.

Tenslotte: dit Bijbelwoord is niet alleen aan ouders gericht. Hier ligt een taak voor ons allemaal als christenen. Hou elkaar erbij! Dat geldt vooral binnen de eigen leeftijdsgroep – daar heb je meestal de meeste aansluiting bij. En we hebben de kerkelijke gemeente nodig. Dat is de plaats waar de Here Jezus ons verzamelt. Daar houdt Hij ons op koers, zodat we niet afwijken, maar altijd dicht bij Hem blijven. Want Hij is in waarheid de juiste weg die naar het eeuwige leven leidt.

?? Welke taak zie jij voor jezelf weggelegd als het gaat om kinderen of jongeren in de kerk de weg naar God en Jezus te wijzen ??

?? Als kinderen God de rug toekeren, wat kan de christelijke gemeente voor hen en voor hun ouders betekenen?

God heeft geen grootse plannen met de Joodse staat Israel

In het Nederlands Dagblad van 29 augustus plaatsten Piet Guijt, Kees Maljaars, Steven Paas, Jos Strengholt en ikzelf dit opinie-artikel. Het ND gaf er de kop Het is een ongegronde opvatting dat God nog grootse plannen zou hebben met het Joodse Israël aan.

Dominee Jan Hoek blijft vasthouden aan de ongegronde opvatting dat God nog grootse plannen zou hebben met het Joodse Israël, dat hij abusievelijk ‘Gods volk’ blijft noemen (ND 26 augustus),   zo stellen vijf theologen en bijbelonderzoekers. Hans van Oort constateert in zijn boek Israël? Wat Jezus, apostelen en evangelieschrijvers werkelijk zeggen dat het Nieuwe Testament geen ruimte laat om het bestaan van de staat Israël te onderbouwen (ND 21 augustus). 

Predikant Jan Hoek zegt dat hij schrok toen hij in het interview met Van Oort las dat God Abraham koos op grond van zijn geloof. Van Oort spreekt echter helemaal niet over ‘uitverkoren zijn’, in elk geval anders dan Hoek het opvat, gezien zijn opmerking over remonstrantse opvattingen. Van Oort wil, zoals blijkt uit zijn boek, alleen maar aangeven dat voor God niet etniciteit, maar geloof belangrijk is. 

En net als de apostel Paulus benadrukt Van Oort dat niet de lijfelijke kinderen van Abraham (die overigens geen Jood was) Gods kinderen zijn maar alleen zij die Gods beloften in geloof in Christus aanvaarden. Paulus schrijft: ‘Begrijp dan toch dat zij die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn. (…) Daarom worden zij die uit het geloof zijn, gezegend samen met de gelovige Abraham.’ En: ‘Als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en overeenkomstig de belofte erfgenamen’.

Gods koninkrijk is bestemd voor zowel Joden als niet-Joden die in Jezus Christus geloven, en in Hem is geen rangorde of onderscheid (Romeinen 3:22; 10:12). 

Hoe kan Hoek dan zeggen dat Joodse broeders en zusters eerstgeborenen blijven? Dat ontkent de essentie van het Nieuwe Testament. Want om het koninkrijk van God binnen te kunnen gaan, moet ieder, Jood en niet-Jood, opnieuw geboren worden.

Bovendien, Hoeks opvatting om binnen de christelijke gemeente onderscheid te maken, staat totaal haaks op het idee dat Jezus ons één heeft gemaakt en dat de tussenmuur die scheiding maakte, is weggebroken (Efeziërs 2:14). Hoek wil erop wijzen dat God vele beloften gedaan heeft aan het volk Israël die nog niet vervuld zijn. Hij ziet helaas over het hoofd dat de oudtestamentische profetieën voor Israël slechts (povere) metaforen zijn van wat Paulus schrijft in 1 Korintiërs 2:9 – ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, dat is wat God heeft bereid voor hen die Hem liefhebben’. Dus: voor gelovigen uit alle volkeren in de toekomst, in elk geval op de nieuwe aarde. 

Het opiniestuk van Hoek maakt helaas duidelijk hoe, ondanks de sterke argumentatie van Van Oort om duidelijk te maken dat het Nieuwe Testament nergens een staat Israël belooft, iemand toch blijft beweren dat deze staat ‘alles te maken heeft met de boodschap van dat testament’. 

Hoek blijft vasthouden aan de ongegronde opvatting dat God nog grootse plannen zou hebben met het Joodse Israël, dat hij abusievelijk ‘Gods volk’ blijft noemen. Gods herstelplan in Christus betreft de gehele in zonden verloren mensheid. Alleen die Joden en niet-Joden die Jezus als hun Verlosser hebben aangenomen, zijn onder het Nieuwe Verbond Gods kinderen en dus ook Gods volk.

Houding SGP-Kamerleden legt eenzijdige solidariteit met Israel bloot

De SGP staat bekend om haar onvoorwaardelijke steun aan Israel. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de ChristenUnie hoor je Chris Stoffer en andere kamerleden nooit publiek kritiek uiten op Israel. Toch is er binnen de partij niet alleen applaus voor deze lijn. In toenemende mate klinkt er binnen de achterban en jongere geledingen ook geluid voor een kritische houding richting Israel, zo maakt het Nederlands Dagblad duidelijk. Wie dat onderscheid niet maakt, loopt het risico om te vervallen in eenzijdige solidariteit met Israel.

Nu is er niks mis mee om solidair te zijn met Israel, nadat het op 7 oktober 2023 aangevallen is door een terreurorganisatie die, gedreven door intense Jodenhaat, de totale vernietiging van de Joodse entiteit in Palestina nastreeft. Het gevolg van de pogrom van Hamas is ongenadige wraak van Israelische zijde, want Israel wil er alles aan doen om de terreur van Hamas te stoppen en de 500 kilometer (dat is van Groningen naar Berlijn!!) aan tunnels te vernietigen, waarvan de in- en uitgangen bewust onder woningen, scholen, ziekenhuizen en moskeeën zijn aangebracht. Dat durven, ondanks de enorme repressie door Hamas, ook steeds meer burgers van Gaza hardop te zeggen. Pas als Hamas de oorlog beëindigt en de gijzelaars vrij laat, is er een kans op vrede.

Maar je kunt ook te weinig kritisch zijn. De diepe liefde en de onvoorwaardelijke, kritiekloze solidariteit van de SGP met het huidige Israel komt volgens mij op uit de gedachte: Israel OT = Israel NT = Israel nu. Dat lijkt mij een nogal twijfelachtige, onzorgvuldige en, als je consequent doordenkt, niet-Bijbelse redenering. De kern daarvan bestaat uit de gedachte: ‘Israel’ staat altijd gelijk aan ‘het Joodse volk’. En omdat Israel in het Oude Testament ‘Gods oogappel’ genoemd wordt (Deut. 32:10, Jer. 31:20, Zach. 2:12), blijft dat ook zo in het Nieuwe Testament, ook al hebben ze in meerderheid Jezus verworpen, en is dat vandaag nog steeds zo als het om het land en (80 procent van het) volk en de staat Israël gaat.

Wat zegt de Bijbel?
Wie de Bijbel leest vanuit Jezus Christus als centrum, weet dat Abraham door de HERE is uitgekozen om via zijn nakomelingen alle volken tot een zegen te zijn (Gen. 12:3). Voortdurend wordt al in het Oude Testament benadrukt, dat niet iedere geboren Israeliet het ook werkelijk is, want het gaat niet om de uiterlijke besnijdenis, zeggen Mozes en Jeremia (Deut. 30:6, Jer. 4:4, 9:25), maar om de besnijdenis van het hart. Na Pinksteren benadrukt Paulus dat ook: Jood is men niet door uiterlijkheden, en het gaat ook niet om de uiterlijke, lichamelijke besnijdenis; Jood zijn is iets innerlijks en de besnijdenis is die van het hart (Rom. 2:29). Voortdurend lees je ook in het Oude Testament, dat het heil van God voor alle volken bestemd is. Vanaf Pinksteren gaat dat in vervulling, bijvoorbeeld in Psalm 87. Dan wordt overduidelijk, dat iedereen welkom is en zich mag aansluiten bij “het Israel van God” (Gal. 6:16b). Want het ware, geestelijke Israel bestaat, net als in het Oude Testament, uit allen die in het geloofsspoor van Abraham gaan en in Jezus Christus geloven als de door God beloofde en gekomen Messias.

Dat vroeg een omkeer van denken die er bij de apostelen en de eerste christenen maar moeilijk inging. Zij verwachtten binnen afzienbare tijd het herstel van het koningschap in Israel, maar Jezus zei: ‘Wees mijn getuigen tot aan de einden der aarde.’ (Hand. 1:6-8). Petrus wilde er eerst zelf niet aan en moest zich later verdedigen dat hij de Romein Cornelius had bezocht en hem zo maar, alleen op z’n geloof, had toegelaten tot Gods volk op aarde (Hand. 10:1-11:18). Even later kregen Paulus en Barnabas bakken vol kritiek over zich heen omdat de gelovigen uit de heidenen zich niet aan allerlei Joodse wetten hoefden te houden (Hand. 15). Het zat diep ingesleten in het denkpatroon van de eerste christenen: heidengelovigen zijn welkom bij ons, joodse gelovigen, maar dan moeten ze zich wel aan de oude regels houden. Maar na het grote apostelcongres waren Petrus en Jakobus er, onder leiding van de Heilige Geest, wel uit: christenen uit de Joden en christenen uit de heidenen worden op dezelfde manier gered, namelijk door de genade van de Heer Jezus, en zo herstelt de Heer het vervallen huis van David, waartoe nu alle christenen afkomstig uit het Joodse volk en uit de heidenen behoren (Hand. 15:11-18). Ook Paulus sloot zich hierbij aan: sinds Pinksteren maakt God geen enkel onderscheid meer en delen alle christenen in het burgerschap van het ene, geestelijke Israel (Ef. 2:11-22). Dat volk wordt door de HERE weer ‘Ammi’ – ‘mijn volk’ en ‘Ruchama’ – ‘mijn geliefde’ genoemd, zeggen Paulus (Rom. 9:24-26) en Petrus (1 Petrus 2:10)

Heeft Israel een speciale plek?
Wie vandaag nog een speciale plek voor het land Israel en voor het Joodse volk ziet weggelegd, maakt dezelfde denkfout als de apostelen en een deel van de eerste Joodse christenen uit Handelingen. Het gaat na Pinksteren niet meer om dat ene Joodse volk, waarbij de rest van de wereld zich mag aansluiten. Het gaat om de ene Heer, Jezus Christus, en iedereen wordt opgeroepen zich in geloof bij Hem aan te sluiten, ongeacht nationaliteit, afkomst en geslacht. Dat is sinds Pinksteren Gods volk op aarde, Gods oogappel, de bruid van Christus. 

Heeft het Joodse volk en het land Israel dan nog een speciale plek in Gods plan met de wereld? Ik denk van niet. Alle beloften van God waren op Christus gericht en zijn in Christus vervuld. Wat nog uitstaat is voor iedereen bestemd tot aan de uiteinden van de aarde, zoals de Psalmen zingen en Jesaja profeteert. 

Is er dan geen verschil? Jawel: Joden die tot geloof in Jezus komen, komen er achter dat Hij de Messias is die in hun eigen Tenach is aangekondigd. Hetzelfde geldt in mindere mate voor moslims die tot geloof komen: zij kenden Jezus in hun Koran eerst alleen maar als de profeet Isa. Dat is een heel andere manier van thuiskomen dan vanuit het heidendom. Maar ik geloof er niets van dat God twee lijntjes heeft lopen om mensen tot Zich te trekken. Of dat Hij twee plannen heeft, eentje met het Joodse volk, waarvan iedereen die naar Israel emigreert meer rechten zou hebben op het beloofde land dan de Palestijnse bewoners van wie de stamboom soms teruggaat tot 400 na Christus. Want de God van Jezus Christus, die via Israel tot de wereld gekomen is, wil de God van alle volken, inclusief het Joodse volk, zijn. Niet het land Kanaän, maar heel de aarde is voor de zachtmoedigen bestemd, zegt Jezus (Mat. 5:5) en wie Hem volgt door zich aan Gods geboden te houden, zal het niet goed gaan in het beloofde land Kanaän, maar hier op aarde (Ef. 6:3).

De oude Simeon zong het al toen hij het kindje Jezus in de armen nam: “Met mijn eigen ogen heb ik de redding gezien die U bewerkt hebt ten overstaan van alle volken: een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van Israel, uw volk.” (Luk. 2:30-32).

Ds. Ernst Leeftink is predikant van de Nederlandse Gereformeerde Kerk ‘De Lichtbron’ in Balkbrug en van de Nederlandse Gereformeerde ‘Hooge Eschkerk’ in Oosterwolde (Fr.). DIt artikel is op 12 augustus 2025 ook verschenen als opinie-bijdrage op CVandaag.

Welkom thuis! – de verloren dochter

Zestien was Marina, toen ze naar Amsterdam vertrokken was. Thuis, ergens weggestopt achter de IJssel, was alles maar saai. Het hoogtepunten van elke dag was de trein, die elk uur langzaam door de bocht langs hun huis, even buiten het dorp, voorbij reed. Verder was er in de wijde omtrek nooit iets te beleven. Met haar ouders had ze altijd ruzie. Haar beide andere zussen begrepen haar niet. Ze zocht de vrijheid! Niet dat ze weggelopen was, maar haar ouders hadden haar wel duidelijk gemaakt: op ons hoef je niet te rekenen als je zo jong naar de grote stad gaat.

In het begin vond ze het leven in de stad heerlijk. Werken, uitgaan en dat soort dingen. Maar ook: drank, seks en drugs. Na twee jaar was ze er letterlijk verslaafd aan geraakt. Ze was nog een paar keer terug thuis geweest. Omdat ze in geldnood zat. Had de laatste keer zelfs wat sieraden van haar moeder ‘meegenomen’. Daarna durfde ze niet meer thuis te komen. Dat was zeven jaar geleden. Sindsdien had ze helemaal geen contact meer met haar ouders gehad.

Nu was ze 28 en zat ze helemaal aan de grond. Ze betaalde haar drugsverslaving door haar lichaam te koop aan te bieden achter één van de ramen op de Wallen. Tot ze ook daar eruit gezet werd. Ook haar vrienden lieten haar vallen als een baksteen. Zo zwierf ze door de stad. Dakloos. Graaien in de afvalcontainers achter de supermarkt om nog wat eten te scoren.

Wat heb ik eigenlijk voor een leven, dacht ze op een avond. In haar gedachten dacht ze terug aan thuis. Wat had ze haar ouders veel verdriet aangedaan. Stom, dat ze dat nu pas besefte. Kon ze het maar goedmaken. Maar de weg naar huis was geblokkeerd. Ze zouden haar zien aankomen – zij, die de sieraden van haar moeder verpatst had om voor een paar gram heroïne.

Helemaal ten einde raad besloot ze een brief naar haar ouders te sturen. Beetje ouderwets, maar ze wist hun mobiele nummers niet meer. Dit was wat ze schreef:

“Lieve mama en papa. Ik heb heel veel domme dingen gedaan. Ik heb jullie erg teleurgesteld. Ik snap heel goed, dat jullie niet meer van mij houden. Je kunt niet dieper zinken dan ik heb gedaan. Ik zit op de bodem van de put. Maar ik heb er zo’n spijt van. Wat zou ik weer graag naar huis terug komen. Ik heb een treinkaartje gekocht. Volgende week vrijdag kom ik met de 10 voor 5 trein langs. Je kunt de trein vanuit de bocht zien komen. Zouden jullie een witte  laken aan de waslijn buiten willen hangen die ik kan zien als ik weer welkom ben thuis? Als er geen laken hangt, dan snap ik dat en zal niet naar huis komen.”

Die vrijdag zat Marina in de trein. Hoe dichter ze op de plaats van bestemming kwamen, hoe zenuwachtiger ze werd. Ze viel bijna flauw van de spanning. Aan de vrouw die tegenover haar zat vroeg ze: “Als we rond de volgende bocht rijden ziet u aan de linkerkant een huis met een rieten dak en een grote tuin met wat bomen en een waslijn. Het is misschien een vreemde vraag maar zou u voor mij willen kijken of er een wit laken hangt aan de waslijn?”

De trein minderde vaart en reed langzaam door de bocht. De vrouw keek door het raam naar buiten en riep plotseling: “Kijk nou! Moet je eens zien! De hele waslijn hangt vol met witte lakens! Maar niet alleen de waslijn, ook aan de eikenboom ernaast hangt een heel groot laken met WELKOM THUIS!

Dit verhaal komt ook voor in een (lees)preek over 1 Johannes 2:15-17 die te vinden is onder https://ernstleeftink.com/preken-nt.

Hoe nu verder als CGK nu moderamen en synode het kerkverband hebben opgegeven?

De synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken is gesloten. Maar in strijd met de kerkorde wou het moderamen geen volgende synode aanwijzen. En met de kleinst mogelijke meerderheid (27 van de 52) en tegen het nadrukkelijke advies van alle professoren uit Apeldoorn in vond de rechterhelft van de synode ook dat er geen volgende synode hoefde te worden aangewezen. Men laat het aan de plaatselijke kerken over om een uitweg uit de crisis te vinden.

Prof. dr. Arnold Huijgen, zelf een vooraanstaande, invloedrijke CGK-dominee, die tot voor kort professor aan de Theologische Universiteit was, schreef op 7 juni: “Dit kan kerkordelijk helemaal niet. Kerkordelijk is de synode verplicht alle agendapunten af te handelen, en ook om een volgende roepende kerk aan te wijzen. Door dit niet te doen, richt de synode nog veel meer schade aan: het hele kerkelijk samenleven lijkt men op te geven.”

Een paar dingen vallen mij op. Allereerst dit: hoe bestaat het dat een moderamen en een zeer krappe meerderheid van de synode z’n verantwoordelijkheid plompverloren uit handen laat vallen door te zeggen: ‘plaatselijke kerken, we laten het initatief aan jullie’? Dat klopt kerkrechtelijk van geen kant. Want juist die plaatselijke kerken hebben deze synode bij elkaar geroepen en het de opdracht gegeven om namens hen te regelen wat nodig is. Dan kun je niet opeens de boel de boel laten door je opdracht terug te geven aan diezelfde kerken.

Waar ging het dan fout? Ten diepste denk ik hier: het moderamen en de 27 afgevaardigden die er nu voor gekozen hebben om de Christelijke Gereformeerde Kerken ongecontroleerd uit elkaar te laten vallen, hebben niet het lef gehad om volgens de kerkorde en het kerkelijke recht de crisis in hun kerken op te lossen.

Voortdurend hebben zeer behoudende plaatselijke kerken gezegd: CGK-kerken die vrouwen toelaten in het ambt gaan in tegen Gods Woord en tegen de gemaakte kerkelijke afspraken om dat niet te doen. En ook al is dat al drie keer zo uitgesproken, ze keren niet terug op hun schreden. En ze zijn ook niet zo consequent om uit de CGK te stappen en NGK of PKN te worden.

De behoudende kerken hebben een punt. Als je echt vindt dat een praktijk binnen jouw kerkverband in strijd is met Schrift en belijdenis, kun je dat niet blijven accepteren. Maar … men heeft er geen kerkelijke conclusies aan verbonden. Namelijk: een plaatselijke kerk die volgens de meerderheid van de kerken op een belangrijk punt volhardend afwijkt van wat duidelijk in Gods Woord geschreven staat, moet je als ongehoorzame kerk buiten het kerkverband plaatsen.

Die stap zou kerkrechtelijk een zuivere stap geweest zijn. Ook heel pijnlijk. Met grote gevolgen, zoals onze gezamenlijke NGK-geschiedenis in de jaren ’60 van de vorige eeuw heeft laten zien. Toen waren, volgens de behoudende meerderheid van de GKV, Schrift en belijdenis ook in het geding. Een grote progressieve minderheid dacht daar anders over. Dus ontstonden er twee groepen kerken: zij die binnen het kerkverband bleven (en dus GKV) en zij die buiten het kerkverband kwamen te staan (en zich daarna NGK noemden). Soms was een classis in meerderheid progressief en organiseerden de behoudende kerken een tegen-classis. Dan werd die classis door de provinciale synode erkend en de oude classis collectief buiten het kerkverband geplaatst (classis Kampen – PS Overijssel). En in Noord-Holland ontstonden zelfs twee PS-en: de oude PS was in meerderheid progressief en de behoudende minderheid organiseerde zich in een tegen-PS. De afgevaardigden van de nieuwe PS werden door de Generale Synode van Hoogeveen 1969/1970 geaccepteerd, die van de oude PS als synodelid geweigerd.

Een hele pijnlijke periode, maar kerkrechtelijk stukken zuiverder dan wat nu in de CGK gebeurd is: eerst als behoudende deel van de CGK niet durven doorpakken en daarna uit teleurstelling en frustratie het kerkschip laten stranden door alle verantwoordelijkheden die de kerken jou hebben  toevertrouwd, uit je handen te laten vallen, zonder diezelfde kerken enig perspectief te bieden.

Het wordt nog erger als binnen drie dagen na het sluiten van de synode die geen nieuwe synode bijeen wilde roepen, de CGK van Rijnsbrug met het plan komt om op 27 juni alle 181 CGK-kerken uit te nodigen voor een bijeenkomst (een nieuw convent) om over de toekomst van de CGK te praten. Let wel: de kerk van Rijnsburg is de kerk die deze synode heeft samengeroepen en waarvan de predikant. Ds. L.A. den Butter, adviseur van de synode was. Maar aan de uitnodiging is wel een voorwaarde verbonden: alleen plaatselijke kerken zijn welkom “die zich vanouds, in woord en in daad, willen houden aan de vierslag Schrift, belijdenis, kerkorde en synodale besluiten.” Met dat laatste worden vooral de synodebesluiten over de vrouw in het ambt bedoeld. Als er CGK-kerken naar dit nieuwe convent komen die wel vrouwelijke ambtdragers hebben, “ligt het natuurlijk in de rede dat we elkaar daarover vooraf vragen gaan stellen”, aldus ds. Den Butter. Want volgens hem kan “de breedte van onze kerken”  elkaar alleen vasthouden “op basis van de genoemde vierslag.” (citaten RD 7 juni – internet).

Bij de voordeur wordt dus door één CGK, de van Rijnsbrug (met waarschijnlijk een aantal andere kerken achter zich die dit nieuwe convent mede organiseren), geselecteerd welke van de andere 180 CGK-kerken nog wel of niet meer tot ‘de breedte van de kerken’ behoren. Elke afgevaardiging wordt, om het cryptisch-bijbels te zeggen, ge-mene-tekel-d en zwaar genoeg of te licht bevonden om nog bij de ware CGK te mogen horen.

Dat bepaalt dus niet een classis of een synode, die daar al sinds de allereerste landelijke synode van 1571 de bevoegdheid toe heeft. Maar dat bepaalt een zelfbenoemde groep binnen de CGK. Dit is onkerkelijk handelen in optima forma! Van onderaf wil men met een groep gelijkgezinden de regie overnemen. In de politiek heet dat: een coup plegen. In het kerkrecht heet dat: scheurmakerij. Bijbels gezien noemen we dat: een zware zonde. Met deze aktie balanceren de initiatiefnemers niet op de grens van kerk en sekte, maar gaan erover, zoals prof. Huijgen op X (voorheen Twitter) terecht opmerkte.

In zijn artikel in CVandaag roept Huijgen CGK-kerkenraden op niet argeloos in te gaan op een uitnodiging voor een bijeenkomst waar alleen kerken die zich aan alle synodebesluiten gehouden hebben welkom zijn. “Houd afstand,” schrijft hij. Ik denk juist dat het goed zou zijn als alle 181 CGK-kerken een afvaardiging naar die bijeenkomst sturen. Dat wordt dan net zo’n convent als vorig jaar gehouden is, waar 180 van de 181 kerken aanwezig waren. Die werd toen georganiseerd door landelijke deputaten. Het zou goed zijn als de kerk van Rijnsburg deze bijeenkomst laat organiseren door het ‘deputaatschap vertegenwoordiging’, want die heeft het mandaat om een aantal zaken af te wikkelen en te begeleiden zonder zelf inhoudelijk sturing te geven.

Als alle 181 kerken zich inderdaad aanmelden, zal duidelijk worden wat de ware intentie van de organisatoren is. Wordt elke CGK toegelaten tot de vergadering? Dan wordt duidelijk op welke manier de meerderheid van de CGK het kerkverband voort wil zetten. En dat zou, gezien het vorige convent, wel eens anders kunnen uitpakken dan de behoudende kerken zouden willen. Toen wilden zo’n 120 van de 180 kerken met elkaar verder. De optie voor de andere 60 is dan: wij kunnen niet langer blijven, dus wij richten een nieuw, behoudend kerkgenootschap op of zoeken aansluiting bij andere reformatorische kerken. Of de behoudende organisatoren houden aan de voordeur alle CGK-kerken tegen die vrouwen in het ambt hebben of, ook al hebben ze die niet zelf, daar geen bezwaar tegen hebben. Dan kan een meerderheid van de aanwezige kerken uitspreken dat ze zichzelf beschouwen als de wettige voortzetting van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Maar dat kan alleen maar door eerst een aanzienlijk deel van de zusterkerken op voorhand buiten te sluiten.  En dan niet volgens het gereformeerd kerkrecht, want die kerkelijke weg via een volgende synode heeft men bewust geblokkeerd, maar door een separatische aktie waarbij de eigen overtuiging zwaarder weegt dan de eenheid in Christus op basis van Schrift, belijdenis en kerkorde die de meerderheid van de CGK-kerken graag bewaren wil.

80 JAAR VRIJHEID – hoe gedenk en vier je dat?

2 KONINGEN 13 : 14 – 19

Toen Elisa ziek was geworden en op sterven lag, zocht koning Joas van Israël hem op. Huilend riep hij uit: ‘Vader, vader! Strijdwagen en ruiterij van Israël!’ 15 Elisa zei tegen de koning: ‘Haal een boog en pijlen.’ Toen Joas dat gedaan had, 16 zei Elisa: ‘Span de boog.’ Joas spande de boog, en Elisa legde zijn handen over de handen van de koning heen 17 en zei: ‘Open het venster dat uitziet naar het oosten.’ Joas opende het venster, en Elisa zei: ‘Schiet!’ De koning schoot een pijl af, en Elisa zei: ‘Deze pijl is een overwinningsteken van de HEER. Deze pijl betekent de overwinning op Aram. Bij Afek zult u Aram vernietigend verslaan.’ 18 Daarna zei Elisa: ‘Pak uw pijlen.’ Joas nam de pijlen in zijn hand en Elisa zei tegen de koning: ‘Sla met de pijlen op de grond.’ Joas sloeg driemaal met de pijlen op de grond, niet vaker. 19 Toen riep de godsman woedend uit: ‘Had maar vijf of zes keer geslagen! Dan zou u Aram vernietigend verslagen hebben. Nu zult u Aram maar drie keer een nederlaag toebrengen.’

Beste dorpsgenoten,

Tachtig jaar geleden kwam er officieel een eind aan de Tweede Wereldoorlog. herdacht. Op 4 mei staan we stil bij de gevallen in die oorlog (en bij alle vredesmissies daarna) en op 5 mei vieren we die bevrijding feestelijk.

Maar … hoe beléven we onze vrij­heid? Wat dóen we ermee? Onze koning roept ons eigenlijk elk jaar wel in zijn toespraak op om onze vrijheid te gebruiken in verantwoordelijkheid, ver­draagzaamheid en respekt voor elkaar.

Hier, op deze 4-mei-herdenking in Balkbrug, wil ik met jullie nog een diepere laag aanboren, vanuit christelijk perspektief. Volgens de Bijbel is échte vrijheid, dat je uit dankbaarheid leeft zoals de HERE God dat wil. Want Hij heeft ons deze tachtig jaar  van vrede, veiligheid en wel­vaart gegeven. Hij geeft vrijheid en verwacht dankbaar­heid. Dankbaarheid, zodat we de vrijheid niet alleen voor onszelf gebrui­ken, maar er wat mee doen.

Daarom wil ik vanavond een voor bijna iedereen waarschijnlijk onbekende geschiedenis uit de Bijbel naar voren halen. Het staat in het Oude Testament en we hebben het zojuist gelezen.

Koning Joas van Israel komt de profeet Elisa op zijn sterfbed bezoeken. Hij was de kleinzoon van koning Jehu. Die was 50 jaar eerder, net als Elisa zelf, door de profeet Elia gezalfd. Elisa als zijn opvolger en Jehu als koning over Israel, om aan het goddeloze regime van koning Achab en koningin Izebel een einde te maken. Izebel en Achab hadden het geloof in God ingeruild voor de Baälgodsdienst. Jehu voerde het geloof in God weer in als staatsgodsdienst. Maar zelf, staat er, diende hij God niet met zijn hele hart, zoals hij wel beloofd had. En dus begon God Israel te ‘snoeien’, staat in de Bijbel. Het grondgebied werd kleiner doordat de grotere buurman, de koning van Aram, aan landjepik begon te doen.  Waar kennen we dat van vandaag de dag?

Nu zijn we zo’n 50 jaar verder, want de opa van koning Joas, Jehu dus, regeerde 28 jaar en zijn vader Joachaz 17 jaar. Heel die tijd was het oorlog en was Aram aan de winnende hand. Aan het eind van zijn regering had Joachaz tot God gebeden en had de HERE hem beloofd dat er iemand zou komen die voor bevrijding zou zorgen. En als een paar jaar later zijn zoon Joas koning is geworden en hoort dat de oude profeet Elisa op z’n sterfbed ligt, wil hij hem persé nog een keer bezoeken. Want ook een profeet is, net als een paus, maar een mens en kan zomaar het tijdelijke met het eeuwige verwisselen. Joas begroet Elisa met ‘‘Vader, vader! Strijdwagen en ruiterij van Israël!’ Oftewel: Elisa, u bent een man van God, en u bent voor mij en het hele belangrijker dan een heel leger met soldaten.

Zie je het verband met vandaag? Waar stel je je vertrouwen op? Of beter: op Wie? In deze spannende tijd. Nooit eerder was in de afgelopen 80 jaar de vrede zo wankel.

Als antwoord op zijn uitroep belooft Elisa, dat er weer overwinningen op Aram be­haald zullen worden. Dat is dat verhaal van die pijl die Joas uit het raam van Elisa’s huis het veld in moet schieten. Maar is het je opgevallen hoe er geschoten wordt? De oude Elisa legt zijn handen over die van koning Joas heen.

Dat betekent wat! Namelijk: als je God te hulp roept, moet je je ook door Gods hand laten leiden. Dan word je een bruikbaar instrument in zijn hand om overwinningen te behalen. Zo hebben veel christenen in 1944 Gods hand gezien in de invasie van de geallieerden op 6 juni 1944 en de doorbraak erna. Van die vijf jaar oorlog en bezetting mogen we, met een variatie op 2 Koningen 14:26+27 zeggen: “De HERE had namelijk gezien hoe bitter de Nederlanders, van hoog tot laag, te lijden hadden en dat er niemand was die hun te hulp kwam. Dus liet Hij hen door de Canadezen, de Amerikanen, de Polen en de Engelsen bevrijden.”

Dan vraag je je wel eens af, hoop ik: ‘Waarom wij? Waar hebben wij het aan verdiend?’ En het antwoord is: wij hebben het nergens aan verdiend. Maar het heeft wel een bedoeling. Namelijk deze: om ons dichter bij God te brengen. De HERE laat ons zien, hoe goed het is om in vrijheid te leven. Maar Hij wil ons daarmee duidelijk maken: het is nog beter, om met Chris­tus te leven. Want dat we nú leven, daar komt een einde aan. En ook vrijheid en welvaart staan nooit vast, ook al dachten we tot voor kort haast wel zeker te weten dat hier, in West-Europa, geen oorlog zal uit­breken. Maar wat God ons nu vandaag geeft aan bevrijding en een goed leven, daarmee wil Hij ons wijzen op de échte bevrijding, van zonde en schuld, en op het ééuwige leven, bij de Here Jezus.

Hoe dan ook  – bevrijding verplicht. Er moet reaktie komen.

Want als je het van God verwacht, mag je daarna niet achterover leunen. Elisa geeft Joas nog een opdracht. Eén pijl is afgeschoten als overwinningsteken. Met de andere pijlen moet hij daarna op de grond slaan. En je ziet de koning denken: ‘Waar is dat goed voor?’ Dus nou ja, vooruit, omdat het moet slaat hij drie keer een beetje halfzacht met die pijlen op de grond.

En Elisa die op sterven ligt wordt met toch boos! ‘Had nou maar vijf of zes keer gestampt, dan was Aram definitief verslagen. Maar nu zult u Aram driemaal verslaan.’

Wat doe je met je vrijheid? Als we er in ons land lauw mee omgaan, lijken we op koning Joas. Dan zullen we, na een tijd van vrede en veiligheid, misschien wel weer onze vrijheid verliezen. Vrijheid is een opdracht. Van God gekregen. In geloof verdedigen. Laten we daar samen voor blijven gaan, ook na 80 jaar.

Huilende vrouwen op de Via Dolorosa

De kruisweg van onze Here Jezus Christus wordt wel de ‘Via Dolorosa’ genoemd. Elk jaar leggen duizenden pelgrims vlak voor het Paasfeest dezelfde weg af als Jezus toen is gegaan. Toen was het nog van de stadspoort naar de kruisigingsplaats buiten de stad. Nu gaat het door vier vrij smalle straten van de burcht Antonia naar de Heilige Grafkerk, die gebouwd is op de plaats waar Jezus zou zijn begraven. Tijdens die pelgrimstocht langs de kruisweg komt men veertien plaatsen tegen, waar men stilstaat bij een bijzondere gebeurtenis op de kruisweg. Dat worden de veertien staties genoemd. Sommige van die momenten zijn aan de bijbel ontleend, anderen zijn uit de traditie komen opzetten. De eerste statie is in de burcht Antonia. Daar sprak Pilatus (on)recht en werd Jezus ter dood veroordeeld. De veertiende is, dat de dode Jezus in het graf gelegd wordt.

Statie 8 op de Via Dolorosa is ontleend aan het wat onbekende moment dat Jezus een aantal vrouwen langs de weg toespreekt. Het moment staat beschreven in Lukas 23: 27 Een grote volksmenigte volgde Jezus, waaronder veel vrouwen die over Hem weeklaagden en zich op de borst sloegen. 28 Jezus keerde zich echter naar hen om en zei: ‘Dochters van Jeruzalem, huil niet om Mij. Huil liever om jezelf en je kinderen.

Hiermee wil Jezus de vrouwen duidelijk maken: over mijn dood hoef je niet te huilen, want Ik weet voor wie Ik het doe: voor jullie en voor heel de mensheid. Als je toch wilt huilen, huil dan vooral over jezelf en stort je tranen over al die mensen die een leven leiden zonder dat ze in Mij geloven. Want, zei Jezus al eens eerder, wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen; integendeel, Gods toorn blijft op hem rusten. (Joh. 3:36).

Het is trouwens opvallend dat in heel de lijdensgeschiedenis van Jezus mánnen een negatieve rol spelen met hun haat, hun kromme rechtspaak, hun geweld  en hun wreedheid.

Vróuwen daarentegen tonen keer op keer hun menselijk gevoel voor Jezus. In Matteüs lezen we, hoe de vrouw van Pilatus, Claudia, het voor Hem opneemt. In Lukas zijn het de vrouwen uit Jeruzalem, die Hem beklagen. Met Pasen zijn het de vrouwen uit Galilea die in de vroege morgen het graf opzoeken om Jezus de laatste eer te bewijzen. Daaruit spreekt hun grote liefde voor en diepe medelijden met Jezus. Kunnen vrouwen dat beter opbrengen dan mannen? Schamen zij zich er minder voor om dat openlijk te tonen? Durven vrouwen eerder voor hun geloof in Jezus uit te komen? Omdat ze gevoeliger zijn, minder behoefte hebben om zich te bewijzen en voor de buitenwacht een bepaald beeld in stand te houden?

Wat denk je: zouden mannen met al hun stoerheid en grote woorden niet een voorbeeld kunnen nemen aan de manier waarop vrouwen met het geloof omgaan?

Dochters van Jeruzalem

… toen keek Hij om en sprak ons aan.

– Wij liepen huilend met de Meester mee, de hele

kruisweg langs van Pontius naar Golgota,

achter vervangend kruisdrager Simon van Cyrene.

Wij klaagden ach en wee om Hem die wij verloren –

Waarom zijn jullie aan het krijten

om Mij? – wij hoorden er een verwijt in –

Huil om jezelf en om je kinderen. Straks zal

de hele stad, het hele land wenen en om

haar verwoesting galmen van bitter, stil verdriet.

Waarom zagen jullie niet, dat mijn kruisweg

naar jullie stad bedoelde om haar vrede te dienen?

“… de vrouwen steeds afzonderlijk van de mannen,”

zegt de profeet. Zo rouwen wij als om een enig Kind.

Lopen er ook huilende mannen mee?

(bij Lucas 23: 26-31; Zacharia 12:10-14)

Ruinen, 15 april 2025

Arjan Minnema

De man die iets moest doen wat hij niet wilde

(kinderpreek gehouden op 13 april 2025 in Balkbrug)

Markus 15  vers 21: Ze dwongen een voorbijganger die net de stad binnenkwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, om het kruis van Jezus te dragen.

Gemeente van onze Here Jezus Christus, broeders en zusters, jongens en meisjes.

Hallo allemaal!  Fijn dat jullie er zijn in deze speciale kerkdienst.

Ik wil jullie een verhaal vertellen.  Het is lang geleden.  Het gaat over een man.  Simon heet hij. Hij komt uit een ver land – ergens uit Noord-Afrika.  En hij  is op vakantie in Jeruzalem.

Samen met zijn twee kinderen. Twee jongens. Die heten Alexander en Rufus.

Waarom zijn ze in Jeruzalem op vakantie, denk je? Nou, dat zit zo. Simon gelooft in God. En in Jeruzalem staat de tempel. Dat was vroeger het huis van God. Daar gingen de mensen die in God geloofden vaak naar toe.  

Wat deden ze daar dan? Nou, bidden tot God.  En voor Hem zingen en muziek maken. En offers brengen. Want als ze iets fout hadden gedaan, dan wilden ze het graag weer goed maken. Ook met God. En daarom brachten ze vroeger offers in de tempel. Een lammetje bijvoorbeeld. Die offerden ze aan God. En dan was God niet meer boos. Want ze hadden het goed gemaakt.

Weet je, vooral met het Paasfeest waren er altijd héél veel gelovige mensen in Jeruzalem. Dan was het daar smoordruk.

Ook Simon is naar Jeruzalem gegaan. Met zijn twee zonen en met zijn vrouw.  In Jeruzalem willen ze graag samen het Paasfeest vieren. Maar ze zijn er al een week van te voren.

Vandaag is het vrijdag. Simon heeft net een wandeling gemaakt. Door de stadspoort is hij vanmorgen vroeg naar buiten gegaan. En nu komt hij weer terug. Maar net als hij voor de stadsmuur staat, ziet hij opeens een hele groep mensen aankomen. Mensen, maar ook veel soldaten. Tsjonge, wat een drukte!

‘Wat zou er toch aan de hand zijn?’ denkt Simon.  Hij gaat snel wat dichterbij staan. Dan kan hij het goed zien. En horen.

En weet je wat hij ziet? Nou, dat is niet zo’n mooi gezicht. Want kijk – hier zie je een kruis. En je ziet hier een kroon. Niet een echte. Maar een doornenkroon. Dus als je die op je hoofd zet, doet het erg zeer! En aan een kruis hangen doet ook erg zeer.

Nou, weet je wat Simon ziet? Hij ziet iemand met zo’n doornenkroon op z’n hoofd. En met dat zware kruis op z’n schouder. Jullie weten zeker al wel wie dat is? Ja, inderdaad: dat is de Here Jezus! Die wordt zometeen gekruisigd. Ja echt! Erg hè? De mensen in Jeruzalem hadden allemaal geroepen: ‘Kruisig Hem!  Kruisig Hem!’ En dus had de baas van Jeruzalem, de burgemeester zeg maar, Pilatus, dat goed gevonden.  Ook al was het niet eerlijk. Want de Here Jezus had niets gedaan!

En toch moest Jezus nu dat kruis dragen. Door de stad heen, naar een heuvel buiten de poort.  En ondertussen sloegen de soldaten hem, en ze duwden hem een doornenkroon op z’n hoofd. En het kruis is zo zwaar! De Here Jezus kan het bijna niet meer volhouden.

Dat is wat Simon ziet, als hij wat dichter bij komt staan.

Maar plotseling hoort Simon een stem. Een romeinse soldaat komt naar hem toegelopen en roept:  ‘Hé jij daar! Kom hier! Zie je niet dat die man bijna omvalt onder zijn kruis? Meetillen. Pak die balk op! En opschieten een beetje! ‘ Angstig kijkt Simon om zich heen.  Bedoelt die soldaat mij? Moet ik dat kruis dragen? Ik? Waarom ik? Maar voor hij er over na kan denken, hebben twee soldaten hem al uit de rij met mensen getrokken. En heeft hij dat zware kruis op z’n nek.

Simon wil het helemaal niet. Dat kun je wel begrijpen zeker?

Zou jij dat willen? Stel je voor dat je door de stad loopt. En daar zijn een paar verhuizers bezig. Iemand gaat verhuizen en ze moeten een grote tafel of een piano de trap op tillen. En plotseling zegt iemand tegen jou: ‘Hé jij daar, kom eens hier – ik wil dat jij die zware piano voor mij gaat tillen!’ Zou je dat dan doen? Als je iemand helemaal niet kent? En die zegt tegen jou: ‘Kom hier, meehelpen jij!’ En je krijgt het meest vervelende klusje te doen.

Dat wil je toch niet? Dan roep je toch ook: ‘Moet ik die zware piano tillen?’

Nou, zo dacht Simon er ook over. Moet ik dat zware kruis tillen? Dat kan ik helemaal niet. Dat wil ik helemaal niet. Ik wil strakst Paasfeest vieren. En in de tempel een offer brengen. En gaan bidden tot God. Ik wil helemaal geen kruis dragen. Ik niet! Neem maar iemand anders. Laat die man dat zelf doen, die Jezus. Het is zijn kruis!’

Nou, dat kun je wel begrijpen, hè?  Simon vindt het niet leuk. Hij moet iets heel vervelends doen. Voor iemand die hij niet eens kent.  Maar hij moet, van de soldaten. En dus pakt Simon het kruis van Jezus af. En draagt het zelf. Helemaal tot aan de heuvel buiten de stad. Hij moest wel. Ook al riep hij heel hard: ‘Ik wil dat kruis niet dragen!’

Maar weet je … nu wil ik je er nog iets bij vertellen.

Later heeft Simon tegen zijn kinderen gezegd: ‘Jongens, weten jullie nog, toen we in Jeruzalem waren op vakantie? Om daar in de tempel het Paasfeest te vieren? Weten jullie nog, wat er toen gebeurd is?’

En zijn kinderen, Rufus en Alexander, wisten het nog heel goed. ‘Ja papa, zeiden ze dan, dat zijn we nooit vergeten hoor. U werd toen plotseling door twee soldaten beetgepakt. En u moest het kruis tillen van die man.’

‘Precies, antwoordde Simon, en weten jullie, welke man dat was?’

‘Ja papa, zeiden de jongens weer, nu weten wij dat wel. Maar toen nog niet.’

‘Nee ,  zei Simon, toen wist ik het ook niet. En daarom riep ik heel hard tegen die soldaten: Waarom moet ikdat kruis dragen? Want ik was het er helemaal niet mee eens. Ik had er helemaal geen zin in.’

‘Maar nu denkt u daar heel anders over, hè, papa?’

‘Ja jongens, inderdaad. Want nu weet ik, van wie dat kruis was, dat ik moest dragen. Dat kruis was het kruis van de Here Jezus. Ik heb zijn kruis gedragen. En daar ben ik nu erg dankbaar voor. Dat ik dát heb mogen doen voor de Here Jezus. Het was niet fijn. Het was niet makkelijk. Maar ik heb het graag voor Hem gedaan.’

Weet je waarom Simon dat later tegen zijn kinderen gezegd heeft?  Omdat hij in de Here Jezus is gaan geloven.

Geloof jij ook in de Here Jezus? Hij is de Zoon van God. Hij is met Kerst geboren. In de stal van Bethlehem. En toen Hij groot geworden is,maakte Hij veel zieke mensen beter. En deed Hij wonderen. En vertelde Hij de mensen over God. Hij zei:  ’Het is niet goed tussen God en jou. Je doet veel dingen verkeerd. Je doet zonde. En dan wordt God boos op je. Eigenlijk verdien je straf. Straf van God. En je doet steeds weer dingen verkeerd. Dus hoe kun je het ooit weer goed maken met God? Nou, dat kun je niet zelf. Maar daarom ben ik gekomen, zei de Here Jezus . Ik ga het weer goed maken. Ik ga de straf voor jullie dragen. Ik ga sterven aan het kruis. Voor jullie.’

 En dan zegt God: ‘Gelukkig heeft de Here Jezus het weer goed gemaakt. Iedereen die in de Here Jezus gelooft, hoeft niet meer bang te zijn dat ‘ie straf krijgt. Nee, je krijgt vergeving. Het is weer goed. Goed met God. En goed met elkaar. En dus mag je in de hemel komen, als je in de Here Jezus gelooft. En je mag weer vriendelijk voor elkaar zijn.’

Dat geloofde Simon later ook. En weet je wat hij toen dacht?
Toen dacht hij: wat is nu erger:

Een kruis dragen?  Of aan het kruis hangen?
Wat vind je erger? Wat denk je?

Nou, ik weet het wel! Aan het kruis hangen is veel erger dan een kruis dragen.

En waarom hing de Here Jezus aan het kruis? Had Hij Zelf een heleboel verkeerde dingen gedaan? Had Hij Zelf gestolen? Of gelogen? Of gevloekt? Of kwaad weggelopen?

Nee. Jezus heeft nooit iets verkeerds gedaan! En toch hing Hij aan het kruis.

Hij ging voor jou aan het kruis! Want jij heb wel eens stiekum iets weggepakt. Of je bent niet eerlijk geweest. Of je hebt lelijke dingen gezegd. Of je werd een keer heel erg boos op iemand. 

En God ziet dat allemaal. Hij weet dat allemaal. En de HERE vindt dat erg. Als jij steeds weer verkeerde dingen doet, hoe kun je het dan weer goed maken met God? Dat kun je zelf niet!

Nee, zegt de Here Jezus. Daarom doe Ik het voor je! Ik ga voor jou aan het kruis hangen. Ik krijg de straf voor al jouw zonden! Dat doe ik voor jou. En daarom mag jij nu blij zijn met God en voor Hem leven. En straks mag jij in de hemel komen. Je kunt het niet zelf verdienen. Maar ik geef het aan jou. Want Ik heb het voor jou verdiend, zegt de Here Jezus. Door aan het kruis te hangen.

Geloof je dat?
Simon de kruisdrager geloofde het later wel. En daarom zegt hij later tegen zijn kinderen:

‘Ik moest het kruis van Jezus dragen. Dat wilde ik eerst niet, maar nu begrijp ik het beter.

Ik moest iets doen wat ik niet leuk vond. Maar de Here Jezus deed iets voor mij, wat véél belangrijker was. En wat véél moeilijker voor Hem was.’

Vergeet dat nooit: soms moet jij iets doen wat je niet wilt. Dat is niet altijd leuk.

Maar vergeet dan nooit: de Here Jezus deed het allermoeilijkste: Hij stierf aan het kruis voor jou!

TONEELSTUKJE

3 kinderen lopen vanaf achteren over het middenpad naar het podium waar het kruis staat. Twee kinderen lopen met een zware rugzak en lopen zichtbaar vermoeid, steunen wat. Eén kind draagt niks. 

Dominee: ‘Kijk eens wie daar aan komen lopen, het lijkt wel alsof 2 van hen een zware last moeten dragen.’

Aangekomen op het podium: Eén van de kinderen kan de zware last echt niet meer dragen en vraagt aan het kind (zonder rugzak): ‘ik kan echt niet meer, het is te zwaar… Wil jij mijn rugzak dragen?’ 

Het kind zonder rugzak zucht en moppert, maar zegt dan: ‘Oké dan…’ 

Ze lopen met z’n 3-en naar het kruis en leggen daar de last neer en knielen voor het kruis. 

Daarna lopen ze naar de andere kinderen en gaan erbij zitten.

De derde oplossing voor de CGK wordt door Selderhuis niet genoemd

Dat de Christelijke Gereformeerde Kerken in een crisis verkeren is voor iedereen wel duidelijk. Eerst werd een voorstel om samen verder te gaan in een A-afdeling en een B-afdeling met een meerderheid van 60% (31 – 21) afgeschoten, omdat men de drempel op 80% gelegd had. Daarna stelden 31 broeders voor om de synode dan maar helemaal te sluiten, tenzij de ‘ongehoorzame’ kerken die al vrouwen in het ambt hadden bevestigd, zich massaal zouden bekeren. Een onmogelijke en ook onwaarachtige eis. Met dit besluit kondigde men, zoals het Reformatorisch Dagblad het in een hoofdredaktioneel kommentaar omschreef, ‘als het ware een ultimatum af’, waarmee men niet alleen de ‘ongehoorzame’ kerken enorm voor het blok heeft gezet, maar ook de middengroep van kerken die in 2024 op het Convent en begin 2025 via een oproep aan de synode in overgrote meerderheid hebben aangegeven ondanks verschillende visies én praktijk als het om vrouwen in de ambten gaat, toch de onderlinge eenheid te willen bewaren.

In het Reformatorisch Dagblad van 7 april schreef prof. dr. Herman Selderhuis een artikel over de ontstane situatie. Ook hij vond, dat “iedereen wel snapt dat de oplossing dat kerken terugkeren op hun schreden wel principieel maar niet zo heel reëel is.” Dus ging hij in op de vraag:  hoe nu verder?

Hij kwam uit bij twee mogelijke oplossingen. De eerste heeft duidelijk zijn voorkeur, namelijk “een kerkmodel waarin gemeenten ruimte krijgen voor vrouwelijke ambtsdragers, maar dan zo geregeld dat gemeenten die zich wel aan synodebesluiten houden daardoor niet in de moeite komen. Daar is op basis van de belijdenis best wat voor te bedenken, ook zonder congregationalistisch model (een kerkgenootschap waarin de plaatselijke gemeente centraal staat, zonder bestuurlijke hiërarchie). Gereformeerd kerkrecht is binnen die confessionele grens flexibel.”

Wat Selderhuis hier zegt is, kort geformuleerd: je kunt landelijk op basis van de gereformeerde belijdenis en het gereformeerde kerkrecht samen kerk blijven als je dat echt wilt. En dat is wat de grote meerderheid van de Christelijke Gereformeerde Kerken wil, blijkt uit het Convent van 2024 en de Oproep van 2025.

Maar er is nog een tweede mogelijkheid, aldus Selderhuis. En dat is, dat alle CGK-kerken met vrouwen in de ambten en “zich niet aan het CGK-beleid houden, zich aansluiten bij de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK). Dat is nog steeds een kerk op gereformeerde grondslag en een kerk waar al heel lang samenwerking mee is. Zo’n overgang is dan ook geen scheuring maar een herschikking van kerken. Die tweede mogelijkheid opper ik niet om van lastige kerken af te zijn, maar wel om ieder van veel werk, moeite en frustratie af te helpen, zodat we weer toekomen aan het eigenlijke werk van de kerk.” Inderdaad, dat is ook een optie. Onwenselijk wat Selderhuis en mij betreft.

MAAR … wat mij dan bevreemdt is, dat Selderhuis niet in alle eerlijkheid erbij zegt: er is ook nog een derde mogelijkheid, net zo ongewenst, maar misschien nog wel realistischer dan de tweede optie,  namelijk dat de CGK-kerken op de rechterflank zich aansluiten bij de Hersteld Hervormde Kerk, en dat niet om van die lastige broeder af te zijn, maar om als meerderheid van de CGK-kerken die elkaar wel wil verdragen, ook als het om vrouwen in de ambten gaat, weer toe te komen aan het eigenlijke werk van de kerk.

Want laten we wel zijn: de 31 afgevaardigden op de synode die aan de achterban van de andere 21 afgevaardigden een ultimatum stellen, spreken niet namens het gevoel van de meerderheid van de CGK. Die meerderheid wil namelijk de eenheid bewaren en ruimte bieden aan zowel de vooruitstrevende als de behoudende flank. Zoals een Bewaar-het-Pand-collega mij vertelde: “Er is geen meerderheid voor synodale tucht.”  Als het klopt wat Selderhuis zegt, dat 70% van de CGK-gemeentes zich loyaal houdt aan de uitspraak dat vrouwen niet in het ambt mogen, vergeet hij erbij te zeggen, dat er een grote middengroep is, die desalniettemin toch die 30% ‘ongehoorzame’ gemeentes als plaatselijke kerken van Christus wil blijven erkennen, omdat de CGK-synode in 1998 al uitgesproken heeft dat je vanuit een gelovig gereformeerd bijbellezen ook vóór vrouwen in de ambten kunt zijn. Toendertijd is er geen ambtsdrager om geschorst of afgezet en vandaag ziet een gerespecteerd predikant als ds. D.J. Steensma, die volgens mij echt midden in het midden van de CGK staat, daar ook alle ruimte voor binnen de kaders van de gereformeerde belijdenis.

De vraag is dus niet, zoals Selderhuis suggereert: als we er samen niet uitkomen (optie 1), waarom gunnen die 30% CGK-gemeentes die vóór vrouwen in het ambt zijn de andere 70% niet de rust en de ruimte om klassiek-orthodox-gereformeerd te blijven door zelf NGK te worden (optie 2)? Want een groot deel van die andere 70% gunt juist die vooruitstrevende 30% wel de ruimte en hoopt zo de rust en de eenheid te bewaren.

De vraag die Selderhuis beter had kunnen stellen is: als we er samen niet uitkomen (optie 1), en de pak ‘m beet 40% van de CGK-kerken die tot het midden behoren willen graag beide flanken binnen boord houden, waarom gunnen die 30% CGK-gemeenten die het toelaten van vrouwen in de ambten op bijbelse en kerkrechtelijke gronden als een grote zonde beschouwen die andere 70% niet de rust en de ruimte om eigentijd-orthodox-gereformeerd te blijven door zelf HHK te worden?