Een UITSTAPJE naar de BERGEN

Over christen-zijn en gemeente-zijn in Oostenrijk

Sankt Wolfgang im SalzkammergutAl een aantal jaren organiseert de kleine Evangelisch-Reformierte Kirche van Neuhofen a/d Krems in de maand juni een ‘Gemeindeausflug’ naar de Wolfgangsee, zo’n  100 kilometer verderop. Een heel verschil, want Neuhofen ligt dicht bij de stad Linz in het heuvelachtige deel van Oostenrijk en St. Wolfgang ligt dicht bij Salzburg in de Alpen. Daar genieten de gemeenteleden van het meer, de bergen en, als het mee zit, het goede weer. Op zondag komt men dan samen in de kleine Evangelische Kirche van Sankt Wolfgang. Vaak zijn er ook enkele leden van de plaatselijke kerk aanwezig en meestal ook enig gasten uit Nederland.

Sankt Wolfgang Evangelische PfarrkircheDit jaar vond het gemeente-uitstapje plaatst in het weekend van zondag 10 juni. In de kerkdienst werd een preek van prof. dr. Bernard Kaiser over Romeinen 11:33-36 (link) gehouden: over de diepte van Gods rijkdom, wijsheid en kennis, want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Dat geldt voor God als Schepper. Dat zie je bv. in de schoonheid van de bergen en dalen rondom de Wolfgangsee. Maar ook als je naar de mensen kijkt: wij zijn niet als robot, maar als beeld van God gemaakt. Alle eer gaat ook naar God uit omdat Hij onze Verlosser is. Dat Hij zijn Zoon Jezus Christus als middel tot verzoening is een staaltje van rijkdom en wijsheid waar mensen uit zichzelf niet bij kunnen, zo diep gaat dat. Alleen door het geloof kunnen we zo’n onverwacht geschenk aanvaarden. Dan erkennen we ook dat we als mensen onder God staan en dat Hij geen verantwoording aan ons schuldig is. Luther zei al, dat we God niet in alles hoeven te kennen om ons toch in vertrouwen aan Hem te kunnen overgeven, omdat Hij ons in Christus tegemoet komt als een genadige en vergevende God.

Neuhofen - Gemeindeausflus 2017Na de kerkdienst volgde de gemeentepicknick aan het meer. Met mooie ontmoetingen en fijne gesprekken. Het is altijd goed om elkaar in een andere setting te ontmoeten, samen met de aanwezige gasten. Zeker voor een zo kleine gemeente als die van Neuhofen.

Volgend jaar, zo de HERE wil, reist de gemeente in juni weer af naar St. Wolfgang im Salzkammergut, want goede gewoontes moet je koesteren. De vaste preeklezer in Neuhofen, broeder Alessandro Brunal, had nog wel een wens: “Es wäre schön, wenn nächstes Mal ein Pfarrer aus Holland dabei sein könnte.” Dus wie zich geroepen voelt, mag zich melden!

Niet alleen in Neuhofen, maar in alle vijf de Evangelisch-Reformierte Kirchen stellen de gemeenteleden het erg op prijs wanneer medechristenen uit Nederland tijdens de vakantie de kerkdiensten bezoeken.

De SSRO (Stichting Steun Reformatie Oostenrijk) ondersteunt een aantal kleine gereformeerde kerken in Oostenrijk en Zwitserland – de ERKWB. Door activiteiten zoals bijbelcursussen, internetuitzendingen, vrouwenkringen en kinderclubs brengt men het evangelie verder in een sterk geseculariseerde omgeving. In de afgelopen jaren mochten de meeste gemeenten nieuwe leden verwelkomen. Kijk voor meer informatie op: www.ssro.nl en www.reformiert.at en www.erkwb.ch. Volg de SSRO op Facebook (SSRO.NL) of op Twitter (SSROnl). Giften zijn welkom op NL27 INGB 0000 0656 88 t.n.v. SSRO – Hasselt.

De erfenis van Eva – over de vrouwen in de gemeente van Efeze

Wat was voor Paulus de aanleiding om aan Timoteüs te schrijven dat vrouwen in de kerkelijke samenkomsten geen onderwijs mogen geven en geen gezag over mannen mogen uitoefenen? In februari 2002 schreef Jan Boersma, predikant binnen de GKV, hier een kort verhaal over in het blad CV/Koers. Ik vond het interessant genoeg om het voor het voetlicht te halen nu de GKV-kerken besloten hebben om vrouwen in de ambten toe te laten en mag het met instemming van de schrijver hier plaatsen. De gecursiveerde woorden in dit verhaal zijn citaten uit 1 Timoteüs 2:9-15.

De erfenis van Eva

Paulus staart naar het plafond. Hij zucht. Hij is blij dat deze dag is afgelopen en dat hij nu eerst een paar uur kan slapen. Van dit soort dagen moet je er niet te veel hebben. Het verhaal waarmee Trofimus vandaag aankwam uit Efeze, is in elk geval niet bevorderlijk voor zijn nachtrust. Timoteüs en de andere leiders van de gemeente in Efeze hebben het moeilijk. Allerlei zaken dreigen daar uit de hand te lopen. Het gezag van de apostel is nodig om orde op zaken te stellen in de gemeente. Gelukkig was Silvanus meteen bereid om samen aan een brief te beginnen. Maar moeilijk is het wel. Want sturen op een afstand, hoe doe je dat op een goede manier? Lang ligt Paulus te denken en te woelen, voordat hij eindelijk in slaap valt.

De volgende dag zitten ze met z’n drieën bij elkaar in de werkplaats: Paulus, Silvanus en Trofimus. Al snel komt het gesprek weer op de situatie in de gemeente van Efeze. Het is duidelijk dat Trofimus zich zorgen maakt. “Eén ding heb ik gisteren nog niet verteld,” zegt hij. En zuchtend gaat hij verder: “Sommige vrouwen maken er echt een toestand van. Niet allemaal hoor, maar er zijn er een paar bij… Niet te zuinig. Ze zeggen dat ze in de samenkomsten het woord willen voeren, omdat ze ook iets te zeggen hebben.” Paulus kijkt naar Trofimus. “Ja en? Wat is dan het probleem?” Trofimus kijkt zorgelijk. “Timoteüs heeft al een paar keer de samenkomsten voortijdig af moeten sluiten vanwege het tumult dat die vrouwen maken. Het lijkt af en toe meer op een kippenhok dan op een eredienst.” Paulus moet even lachen als het beeld zich al te letterlijk aan hem opdringt. Maar de ernst van de situatie wint het.

“Vertel eens precies wat er aan de hand is,” zegt hij tegen Trofimus. “Wel,” begint Trofimus aarzelend, “Een aantal vrouwen in de gemeente zijn aan het doorslaan. Het begon met één of twee van hen, maar al gauw deden een heleboel anderen ook mee. En dan bedoel ik, dat ze zichzelf op een verkeerde manier op de voorgrond dringen. Ze roepen allerlei dingen over vrijheid en waardigheid, maar het is duidelijk dat ze wel een klokje hebben horen luiden, maar ze weten niet waar de klepel hangt.” “Wat bedoel je precies?” wil Paulus weten. “Nou,” gaat Trofimus verder, “Toen ze net bij de gemeente hoorden, waren ze blij met alles. En vooral dat ze nu eindelijk echt meetelden. Als vrouwen, bedoel ik. Je weet wel: omdat voor onze Heer alle mensen evenveel waard zijn.” Paulus knikt en Trofimus gaat verder: “Maar de laatste tijd hebben ze daar een vreemde draai aan gegeven. Nu ze de vrijheid hebben geroken, is het net alsof ze geen enkele leiding meer willen aanvaarden. Ook niet de leiding van onze Heer. En wat Timoteüs ook zegt, ze luisteren niet naar hem. Ondertussen dragen ze die ideeën van hun wel uit in de gemeente. Je kunt het aan allerlei dingen merken. Zoals ze zich kleden, bijvoorbeeld. Tunica’s en sieraden – het is allemaal op henzelf gericht: om te laten zien dat zij er wezen mogen. Heel opzichtig. Af en toe is het zelfs regelrecht uitdagend. Je kunt je wel voorstellen wat voor effect dat op een aantal mannen heeft,” besluit Trofimus met een zucht. Paulus kijkt nadenkend voor zich uit. Dan zegt hij langzaam: “Ik wil hier eerst even rustig over na kunnen denken. Silvanus, vanavond gaan we verder met de brief. En dan eerst over dit element.”

’s Avonds zitten Paulus en Silvanus bij elkaar in de bovenkamer. Samen proberen ze de draad van de brief weer op te pakken. “Het lijkt me dat we met de praktische elementen moeten beginnen,” zegt Paulus. “Het laatste dat we opgeschreven hebben, was ook een praktisch punt: over het gedrag en de houding van de mannen. Als we nu beginnen bij een praktisch punt over de vrouwen, sluit dat goed aan.” Ineens knipt hij met zijn vingers. “Ik heb het,” zegt hij. “ Op dezelfde manier ook de vrouwen, dubbele punt. Daarmee is het in één keer heel duidelijk aan elkaar gekoppeld. En daarmee is ook duidelijk, dat heiligheid niet alleen een opdracht is voor mannen, maar voor alle gelovigen.” Silvanus is al aan het schrijven: ‘Op dezelfde manier ook de vrouwen:’. “Oké, en nu die woorden over kleren en zo. Schrijf maar op: ‘dat zij passend gekleed zijn en zich bescheiden en ingetogen opmaken. Laten ze niet willen opvallen door hun haardracht, gouden sieraden, juwelen of dure kleren.’”

Paulus wrijft even in zijn ogen. “Wat is er?” vraagt Silvanus. “Er moet nog iets bij,” zegt Paulus. “Op deze manier zou het kunnen lijken, alsof een vrouw er niet mooi en vrouwelijk uit mag zien. En dat is natuurlijk niet de bedoeling.” “Wat wil je precies zeggen?” wil Silvanus weten. “Ik denk aan de woorden van Trofimus. Dat er vrouwen zijn die aan zulke uiterlijke dingen hun status en hun zekerheid ontlenen. Alsof de waarde van hun leven bepaald wordt door hun vrouwelijkheid en hoe ze dat weten te presenteren. Al of niet met een erotische lading.” “Jij wilt dus eigenlijk zeggen, dat ze de waarde van hun leven ergens anders moeten zoeken,” probeert Silvanus te helpen. “Ja, precies. Want je moet de zekerheid in je leven niet zoeken bij jezelf, maar bij Christus. Respect hebben voor God. En dat laten zien in je leven, in je doen en laten. Dat zijn de sieraden, waar je leven echt mooi van wordt. Vul maar aan: ‘maar door goede daden, zoals dat hoort voor vrouwen die ervoor uit willen komen dat ze God eren.’”

Paulus staat op van de bank, waar hij tot dan toe op gezeten heeft. “Even de benen strekken,” zegt hij. “Want nu komt het moeilijkste gedeelte. Het probleem is dat die vrouwen allerlei dingen roepen zonder dat ze de diepgang van het evangelie gepeild hebben. Zoiets moet het dus worden: dat ze eerst meer van het evangelie gaan begrijpen; dat ze eerst leren luisteren en zich rustig houden. Ja, schrijf dat maar op: ‘een vrouw moet stil en volgzaam naar het onderricht luisteren.’ Dat zijn de trefwoorden, Silvanus: stil en volgzaam. Voordat je iets kunt zeggen over de blijde boodschap, moet je eerst leren om te luisteren, om stil te zijn en niet voor je beurt te praten.”

De pen van Silvanus gaat zacht krassend over het papier. Als hij klaar is, knikt hij. “Ook het woord volgzaam is goed gekozen, denk ik,” merkt hij op. “Het is een goede inhoudelijke omschrijving. Om leiding te kunnen geven in de naam van Christus moet je eerst zelf geleerd hebben wat het betekent om Hem te volgen. Ik neem tenminste aan dat je dat bedoelt.” Even denkt hij na. Dan gaat hij voorzichtig verder: “Maar is het niet te algemeen geformuleerd? Ik bedoel: het is duidelijk wat de boodschap is, maar als je het accent een klein beetje anders legt, lijkt het alsof een vrouw nooit iets zou mogen zeggen. Alsof iedere vrouw altijd alleen maar stil en volgzaam moet zijn. En dus nooit haar mond open mag doen of leiding geven.” Paulus kijkt hem vreemd aan. “Denk je?” vraagt hij. Maar na een poosje nadenken schudt hij zijn hoofd. “Dat lijkt me behoorlijk vergezocht,” zegt hij langzaam, “om dat erin te willen leggen. In elk geval zal Timoteüs die conclusie nooit trekken. En ik denk ook de anderen in Efeze niet. Want dat geldt voor mannen natuurlijk net zo goed: dat je begint met stil zijn en volgzaam zijn. Denk maar aan Trofimus bijvoorbeeld. Nu is hij in staat om leiding te geven. En hij doet het goed, vind ik. Maar in het begin was dat heel anders. Toen wist hij nog maar weinig en hij moest nog een heleboel leren. Als het goed is, leg je niemand overhaast de handen op. Vrouwen niet, maar mannen ook niet. Maar we hebben het nu niet over mensen in het algemeen, het gaat nu over die vrouwenbeweging in Efeze.”

“Maar zou je dan niet beter andere woorden kunnen kiezen?” stelt Silvanus voor. “Ik denk het niet,” zegt Paulus. “Op deze manier komt de bedoeling hopelijk heel duidelijk over. Hoe die vrouwen in Efeze zich op moeten stellen. Ik geloof niet dat ze meteen zullen gaan denken aan een algemene regel. Tenminste, dat kan ik me niet goed voorstellen. Denk alleen al aan wat ze meegemaakt hebben van Priscilla: hoe die in staat is om anderen te onderwijzen in de weg van het geloof. Dat hebben ze in Efeze van dichtbij meegemaakt. Hebben we toen ooit gezegd dat ze haar mond moest houden, omdat ze een vrouw is? En dat ze daarom geen onderricht mag geven? Of heb ik ooit beweerd dat Junia geen echte apostel is, omdat ze een vrouw is? Dat zou toch onzin zijn!”

Paulus haalt geagiteerd zijn schouders op. “Of denk aan de vrouwen die in allerlei gemeentes optreden als profetes. Nee, volgens mij ben je nou bezig om spijkers op laag water te zoeken, Silvanus.” Al pratend wordt zijn gezicht roder. Met grote gebaren onderstreept hij zijn boosheid. “We hebben immers altijd benadrukt dat het evangelie een mens zijn oorspronkelijke waarde weer terug geeft. Ik bedoel de waarde die God bij de schepping aan de mens gegeven heeft. Allerlei verschillen die mensen later aangebracht hebben, tellen voor God niet mee.”

“Rustig maar,” onderbreekt Silvanus hem lachend, “je hoeft mij niet te overtuigen. Ik ben al overtuigd. Ik bedenk alleen maar hoe de woorden in deze brief misschien over kunnen komen bij anderen.” De relativerende woorden van Silvanus hebben meteen hun uitwerking: Paulus ontspant zich. Er verschijnt een voorzichtige glimlach op zijn gezicht. Dan gaat hij verder: “Weet je, volgens mij zou er een heleboel gewonnen kunnen worden, als die vrouwen gaan beseffen dat ze een andere houding moeten hebben. Want nu het zo gaat, wordt er op een verkeerde manier leiding gegeven in de gemeente.”

Silvanus denkt even na. Dan zegt hij: “Als je dat bedoelt, kun je dat er ook bij zeggen, lijkt me. Om misverstanden te voorkomen.” Paulus knikt. “Een goed idee,” zegt hij. “Schrijf maar op: ‘Ik sta niet toe dat ze onderricht geeft of gezag uitoefent over de man. Nee, ze moet stil zijn.’” Langzamerhand verschijnt er een grijns op het gezicht van Paulus. Dan zegt hij langzaam: “Ik denk trouwens wel, mijn beste Silvanus, dat deze woorden op dezelfde verkeerde manier uitgelegd zouden kunnen worden. Maar het doet in elk geval heel duidelijk recht aan de situatie in Efeze.”

Paulus gaat verzitten. Intussen heeft Silvanus een kan wijn en paar bekers gehaald. Als de bekers gevuld zijn, hervat Paulus het gesprek: “Hiermee kan Timoteüs wel aan de gang. En als de dames nog enig respect hebben voor een apostel van Christus, zullen ze zich ook laten gezeggen. Alleen, ik zou ook graag willen, dat ze daar zelf ook van overtuigd raken en dat ze inzien dat het zo moet. En daarom zoek ik nog iets van een motivatie die hen aan kan spreken.” “Ik snap het,” knikt Silvanus. “Met stroop vang je meer vliegen dan met azijn.” “Dat is wel heel kort door de bocht,” reageert Paulus lachend. “Ik dacht eigenlijk meer aan iets anders. Want waarom gaat het uiteindelijk? Dat we vanuit liefde en toewijding bezig zijn voor onze Heer. Niet met tegenzin of alleen maar vanuit een plichtsgevoel. Zo’n sfeer zou ik ook graag weer terug willen hebben in de gemeente van Efeze.” “Hmmm.” Silvanus wrijft nadenkend door zijn haar. “Het gaat erom dat ze eerst moeten luisteren en volgzaam zijn. Eerst het evangelie in zich opnemen. Misschien dat ze dan later wel onderwijs kunnen geven.” “Precies,” zegt Paulus. “Als ze daarvoor de gaven hebben, en als de Heer duidelijk maakt dat Hij hen daarvoor gebruiken wil.”

Ineens lichten zijn ogen op. “Ik heb het! Eva! Dat is een prima voorbeeld.” “Eva? Hoe bedoel je dat? Wat heeft Eva er nou mee te maken?” “Nou, ik bedoel: kijk naar de schepping. Eerst is Adam gemaakt en daarna Eva pas. Is zij daarmee minder dan Adam? Absoluut niet. Ook al verscheen ze pas later op het wereldtoneel, toen ze er eenmaal was, was ze er ook helemaal. Een vrouw naast Adam en tegelijk tegenover hem. Maar hoe dan ook: niet onder hem. En dat is ook precies wat ik die vrouwen in Efeze mee wil geven. Het is helemaal niet erg als ze in de gemeente later op het toneel verschijnen, en als ze eerst een poos op de achtergrond moeten blijven. Daar ben je niet minder om. En je hoeft dus ook niet het gevoel te krijgen dat je terug gezet wordt. Kijk maar hoe blij Adam was, toen God Eva gemaakt had. Schrijf maar op: ‘Adam is het eerst geschapen, daarna Eva.’” Silvanus haast zich om de woorden van Paulus op het papier te krijgen.

Even is het stil. Dan zegt Paulus: Ik wil nog even verder over Adam en Eva. Want in die geschiedenis zitten nog meer elementen die we naar voren kunnen halen.” “Waar denk je dan aan?” vraagt Silvanus. “Ik zie het zo niet meteen.” “Ik denk aan wat ik zonet zei. De Heer heeft Eva bedoeld als een vrouw naast en tegenover Adam. Wanneer gaat het verkeerd? Als de één probeert om boven de ander te staan, om de ander te overheersen of te manipuleren. De ellende daarvan kun je overal om je heen zien, als mannen verkeerd met hun vrouw omgaan, omdat ze hun vrouw als sloofje gebruiken of als voetveeg of erger. Maar andersom kan natuurlijk ook: dat vrouwen proberen om mannen opzij te zetten, omdat ze zelf vooraan willen staan. Dat is precies wat er nu in Efeze gebeurt.” “Maar hoe zie je dan een lijntje lopen vanuit de geschiedenis van Adam en Eva?” wil Silvanus weten. “Nou, dat lijkt me nogal duidelijk. Want wanneer krijgt dat schitterende verhaal zo’n tragische wending? Als Eva op een verkeerde manier het initiatief neemt, en als ze haar man overhaalt om met haar mee te doen aan het kwaad. Die gebeurtenis maakt heel duidelijk, dat niet alleen mannen de fout in kunnen gaan door een verkeerde manier van leiding geven, maar vrouwen evengoed. Met andere woorden: die vrouwen moeten niet de illusie hebben dat zij boven elke kritiek verheven zijn. Ze moeten gaan beseffen dat de satan ook via hun binnen zal komen, als hij die gelegenheid krijgt. Ik wil dat ze eerlijk en kritisch gaan kijken naar hun houding en naar hun optreden. Want als ze dat niet doen, zou het wel eens verwoestende gevolgen kunnen hebben, zoals ook die actie van Eva verwoestende gevolgen heeft gehad.”

“Hoe wil je dat ik dat opschrijf?” vraagt Silvanus. “Ga maar gewoon verder: ‘En Adam werd niet misleid; het was de vrouw die zich liet misleiden en het gebod van God overtrad.’” Zonder te pauzeren praat hij verder: “En schenk nog eens wat wijn in, als je wilt.” Even is Silvanus van zijn stuk gebracht. Dan begint hij te lachen. “Ik neem aan dat ik dat niet op hoef te schrijven.” Paulus fronst zijn wenkbrauwen. Hij begrijpt niet meteen waar Silvanus het over heeft. Maar als de humor tot hem doordringt, begint hij ook te lachen. “Nee,” zegt hij, “dat bewaren we voor Timoteüs.” “Wil jij dan intussen de olie even bijvullen?” vraagt Silvanus, “want zo te zien zal die lamp het niet al te lang meer volhouden.”

Als ze allebei weer aan tafel zitten met een volle beker wijn en bij een lamp die weer helder licht geeft, zegt Paulus: “Zo, nu zijn we er bijna. Eigenlijk had ik hiermee af willen sluiten, maar ik wil toch nog iets meer zeggen. Die opmerking van jou, dat deze woorden misschien verkeerd kunnen vallen en dat vrouwen zich achteruit gezet voelen, is bij me blijven haken. Daarom lijkt het me goed om toch ook heel nadrukkelijk het positieve te benoemen.” “Prima,” reageert Silvanus. En terwijl hij zijn pen weer in de inkt doopt, zegt hij: “Ik ben er klaar voor.”

Paulus denkt hardop na: “Het belangrijkste is natuurlijk dat mensen gered worden en dat ze door Christus een plek krijgen in het koninkrijk van God. Dat wil ik ook meegeven aan de dochters van Eva in Efeze: dat ze gered zullen worden uit een wereld die op weg is naar de ondergang. Maar hoe kan ik dat het beste onder woorden brengen?” “Wil je dat van mij weten?” vraagt Silvanus aarzelend, “of ben je nu in gesprek met jezelf?” Paulus kijkt op. “Het was niet rechtstreeks voor jou bedoeld, nee. Maar ik vind het natuurlijk prima als je meedenkt. Dat weet je wel. Trouwens, dat doe je toch wel. Ook ongevraagd.” Silvanus grinnikt. “Kom op,” zegt hij, “we hebben nog iets af te maken. Je wou nog iets zeggen over die vrouwen, dat ze zich moeten richten op de dingen die werkelijk belangrijk zijn: het eeuwige leven.” “Klopt,” zegt Paulus. “Want wat ze nu laten zien is niet de navolging van Christus in liefde en toewijding. Dat moet er nog bij. Het moet dus worden dat de Heer iets geweldigs met hen wil: dat ze een plek krijgen in zijn koninkrijk. En tegelijk dat ze dat koninkrijk alleen kunnen bereiken op de weg van geloof en van liefde.” “Hoe moet ik dat precies opschrijven?” “Wacht even, want ik ben er nog niet helemaal.” Paulus trekt een diepe rimpel tussen zijn ogen. “Nu zouden ze nog steeds het idee kunnen krijgen dat zij voor het koninkrijk van God verwezen worden naar de zijlijn. Alsof er voor hun niks te doen is. En dat is natuurlijk niet zo. Er is genoeg te doen. Ook voor hun.” “Zeg dan iets over het grootbrengen van kinderen.” Dankbaar kijkt Paulus zijn vriend aan. “Dat is een goeie. Een heleboel vrouwen zullen zich daarin kunnen herkennen, omdat het een groot deel van hun leven vult of gevuld heeft. En het is ook werkelijk één van de belangrijkste taken binnen het koninkrijk van God. Silvanus, je bent onbetaalbaar.” “Ik weet het,” reageert Silvanus droog. “En de verleiding is groot om daar een snedige opmerking bij te maken.”

Maar Paulus’ hoofd staat nu niet naar humoristische opmerkingen. “De vrouwen in Efeze hoeven zich niet nutteloos te voelen na de opmerkingen die ik eerder gemaakt heb. Ze blijven volop meedoen. Want wat is belangrijker dan je kinderen vertellen over God en over zijn grootheid en wat is meer waardevol dan het doorgeven van je liefde voor Christus aan je kinderen? Bovendien,” onderbreekt Paulus zichzelf, “is het ook iets dat Timoteüs op een goede manier duidelijk kan maken aan hen. Want zo heeft hij het zelf ook ervaren, hoe belangrijk een moeder kan zijn. Ga maar na wat hij zelf allemaal wel niet te danken heeft aan zijn moeder Eunike en zelfs aan zijn grootmoeder Loïs. Silvanus, ik denk dat we daarmee dit gedeelte wel af kunnen sluiten.” Paulus dicteert en Silvanus schrijft: ‘Maar ze zal kinderen ter wereld brengen en zo gered worden, als ze volhardt in geloof, liefde en een God toegewijd en ingetogen leven.

Tevreden kijkt Paulus naar het papier. “Volgens mij hebben we alle reden om dankbaar te zijn,” zegt hij. “En laten we dat maar meteen concreet maken. Dan kunnen we meteen ook vragen of deze woorden zegenrijk mogen doorwerken.” Zo besluiten de beide vrienden deze inspannende dag met een gezamenlijk gebed.

 

Openbare geloofsbelijdenis met een aangepast formulier

Belijdenisgroep collagePinksteren 2017: acht jongeren in onze gemeente ‘Het Noorderlicht’ te Assen-Peelo komen er openlijk voor uit dat ze in God geloven, dat ze bij Jezus Christus willen horen en dat de Heilige Geest hun motiveert om als christen te leven. In onze kerken gebruiken we daarbij altijd een kort belijdenisformulier. Deze keer hebben we dat (net als vier jaar geleden) aangepast tot een ‘Belijdenisformulier in Gewone Taal’ om het begrijpelijk te maken voor alle acht de jongeren. Uiteraard gebruiken we in zo’n dienst dan ook de ‘Bijbel in Gewone Taal’.

Graag plaats ik hier dit aangepaste belijdenisformulier voor gelovigen met een verstandelijke beperking. Gebruik ‘m in je eigen gemeente als je denkt dat het een goed alternatief is voor het officiële formulier.

Formulier voor openbare geloofsbelijdenis (aangepast voor gemeenteleden met een verstandelijke beperking)

Geliefde broers en zussen,

Jullie staan hier voor God en zijn gemeente om je geloof te belijden. Ik vraag je eerlijk te antwoorden op de volgende vragen.

1/ Je bent gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Geloof je in die God?

  • in de Vader, die de hemel en de aarde gemaakt heeft
  • in de Zoon, Jezus Christus, die ons gered heeft aan het kruis
  • in de Heilige Geest, de nieuwmaker, die ons geloof wil geven en het sterker wil maken

2/ Geloof je dat je al vanaf je geboorte zonde in je hebt? En dat je vaak niet het goede doet?  En dat God daarom terecht boos op je is?  Heb je spijt van alles wat je verkeerd hebt gedaan en wat je verkeerd hebt gezegd en wat je verkeerd hebt gedacht?

3/ Geloof je dat je bij de Here Jezus en zijn gemeente mag horen? Geloof je dat God je ál je zonden vergeeft door Jezus’ bloed en door zijn gebroken lichaam? Geloof je dat jij zo helemaal schoon kunt zijn voor God?

Kruis Muur Assen4/ Geloof je dat alles waar is wat er in de Bijbel staat? In het kort staat dit ook in de geloofsbelijdenis. Beloof je dat je dit zolang je leeft zult blijven geloven, met de hulp van de Heilige Geest?

5/ Wil je God en de andere mensen liefhebben? Wil je vechten tegen je slechte gedachten en woorden en daden en wil je respect hebben voor God? Wil je luisteren naar aanwijzingen van andere christenen als je fouten maakt? Wil je trouw naar de kerkdiensten komen met de gemeente en naar de preken luisteren? Wil je het Avondmaal meevieren?

Wat is daarop je antwoord?  JA

Zegenbede:

God heeft je geroepen om het goede te doen. Hij zal je ook sterk maken zodat je het vol kunt houden. Zo kun je blijven geloven en zo kun je zijn wil doen. De Heilige Geest zal je helpen en Jezus zal je schoon maken van de zonde. Alle eer is voor Hem, nu en voor eeuwig! Amen.

Zegenlied

Dit aangepaste formulier is in 2013 opgesteld n.a.v. catechisatie/bijbelonderwijs aan kerkleden met een verstandelijke beperking door Karla Leeftink-Huizinga. De foto van de christenen die met Pinksteren belijdenis deden in GKV ‘Het Noorderlicht’ te Assen-Peelo is gemaakt door Philip Roorda. 

‘Laat ons de rustdag wijden’ – welke rustdag (sabbat of zondag) en waarom?

De meeste christenen vieren de zondag als rustdag. Het is ‘de dag des HEREN’ zoals we het plechtig uitdrukken. Maar wat is de reden, dat God in de Tien Geboden ons oproept de rustdag te onderhouden? Je kunt je er van afmaken door te zeggen: ‘Dat is toch wel duidelijk. Omdat God het wil en goed voor ons vindt. Het staat in het vierde gebod. Zes dagen werken, één dag rust.’ Toch is dat net even te gemakkelijk. Want de Tien Geboden staan twee keer in de bijbel. In nagenoeg dezelfde bewoordingen. Alleen bij het Vierde Gebod worden er twee verschillende motiveringen gegeven om de sabbat te vieren. Dus dat is probleem 1. Probleem 2 is de vraag: waarom zijn de meeste christenen overgestapt van de sabbat naar de zondag als HEER-lijke dag?

Exodus en Deuteronomium

De eerste keer dat we de Wet van God in de bijbel tegenkomen, is in Exodus 20. Daar ontvangt Mozes bij de verbondsslui­ting op de berg Sinai de twee stenen platen met de Tien Woorden van het verbond die God er eigenhandig in gegraveerd heeft. In Deuteronomium 5 komen we de Wet van de HERE opnieuw tegen. Daar worden de Tien Geboden door Mozes her­haald vlak voor de intocht in het land Kanaän. Dat is veertig jaar later. Beide keren wordt er een andere reden gegeven waarom gelovigen zich aan het Vierde Gebod moeten houden.

In Exodus 20 staat: 8 Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. 11 Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard.

In Deuteronomium 5 staat: 12 Neem de sabbat in acht, zoals de HEER, uw God, u heeft geboden; het is een heilige dag. 14b Want uw slaaf en slavin moeten evengoed rusten als u. 15 Bedenk dat u zelf slaaf was in Egypte totdat de HEER, uw God, u met sterke hand en opgeheven arm bevrijdde. Daarom heeft Hij u opgedragen de sabbat te houden.

Waarom twee verschillende redenen?

Hoe is die geheel verschillende motivering van het Vierde Gebod nu te verklaren? In de loop der tijden zijn er veel oplos­singen voor dit probleem aangedragen. Hier volgen de drie belangrijkste.

  1. De meest eenvoudige verklaring is deze: we nemen aan dat in Exodus 20 de precie­ze tekst van de Tien Geboden staat. In Deuterono­mium 5 heeft Mozes bij de herhaling van de Wet zich enige vrijheid veroor­loofd. Daarbij werd hij geleid door Gods Geest. Op zich is deze veronderstelling wel te verdedigen. Er zijn zo’n twintig verschillen tussen de tekst van de Tien Geboden in Exodus 20 en in Deuteronomium 5. Waarschijnlijk heeft Mozes bij de herhaling een paar keer een woord vervangen (‘Hou de sabbat in ere’ wordt ‘Neem de sabbat in acht’) en heeft hij een enkele keer de volgorde van een zin omgekeerd of een kleine toevoeging erbij gegeven. Zulke kleine ver­schil­len treffen we ook in het Nieuwe Testament aan wanneer de bijbelschrijvers citaten uit het Oude Testament aanhalen. Hier is het verschil alleen wel zo groot, dat we Mozes ervan zouden moeten be­schul­digen, dat hij een heel andere reden voor de sabbat zou hebben bedacht.
  2. De tweede verklaring is deze: in Exodus 20 hebben we met de echte tekst van de Tien Geboden te maken. In Deuteronomium 5 is sprake van een eerste uitleg en toepassing van Gods Wet door Mozes. Maar zowel in Exodus 20 als in Deuteronomium 5 wordt ons voorgehouden, dat God ‘deze woorden‘ sprak. Waaraan ontlenen wij dan het recht om te zeggen: in Exodus 20 spreekt de HERE en in Deuteronomium 5 spreekt Mozes, die door Gods Geest geïnspireerd is. De bijbel noemt in beide gevallen de HERE als enige spreker.
  3. De derde verklaring is deze: zowel de verwijzing naar de schep­ping in Exodus 20 als de verwijzing naar de uittocht in Deuteronomi­um 5 horen níet bij de Tien Geboden zoals de HERE Zelf die op de stenen platen gegrift heeft, maar zijn er later aan toegevoegd. Anders gezegd: het Vierde Gebod is oorspronkelijk korter geweest. Het is ook moeilijk voor te stellen, dat de beide versies naast elkaar op dezelfde stenen plaat van de Wet gestaan hebben. Daar komt nog een argument bij: in het eerste gedeelte van het Vierde Gebod is de HERE Zelf aan het woord. Hij spreekt ons toe in de eerste per­soon: ‘Hou de sabbat in ere / Neem de sabbat in acht’. Als daarna de motivering volgt, wordt er over God gesproken in de derde per­soon: ‘Want in zes dagen heeft de HERE …’ en ‘… totdat de HERE, uw God, u … bevrijdde’. Als je aanneemt dat het in beide gevallen om een toevoeging van Mozes gaat, is de persoonswisseling helemaal niet vreemd, maar ligt zij voor de hand.

Deze derde oplossing spreekt mij het meest aan. Het lijkt heel radi­kaal. Maar het gaat erom, dat je als gelovige eerbied hebt voor de eenheid van de bijbel. Daarom moet je het verschil tussen Exodus 20 en Deute­ronomi­um 5 respekteren en mag je niet zeggen, dat één van de twee versies minder belang­rijk of minder origineel is. Beide motive­ringen van het sabbatsgebod zijn door de Heilige Geest ingegeven en hebben door zijn leiding een plaats in de bijbel gekregen, ook al ontbraken ze op de stenen tafels. Deze opvatting wordt ook verdedigd door prof. J.P. Lettinga, die Hebreeuws gegeven heeft aan onze Theologische Universiteit. Zijn argumenten staan in het boek ‘De Tien Geboden deel 1’ van prof. J. Douma, blz. 148-151.

De bedoeling van de rustdag

Maakt het nu veel uit, welke reden gegeven wordt, waarom wij van de HERE één dag in de week moeten rusten van ons werk? Ik denk van niet. De motivering van het Vierde Gebod om de rustdag te houden is wel verschillend, maar niet met elkaar in tegen­spraak. Integendeel, ze vullen elkaar aan. De verwijzing naar de schepping geeft aan, dat ook God uitrustte na zes dagen werken. Zo mogen wij, als kinderen van God, ook uitrusten en adem scheppen na onze werk­week. We hoeven geen slaven van ons werk te zijn. Daarom wordt ook naar de bevrijding uit de slavernij van Egypte verwezen.

Maar in beide gevallen gaat het om meer dan uitrusten op zich. Er wordt niet voor niets naar God verwezen. Hij is onze Schepper en Verlosser. Daarom mogen we op de rustdag Hém niet vergeten. Integen­deel: ’t Is goed de HEER te loven, zijn dag zij Hem gewijd’ zingen we in Psalm 92. De Israelieten moeten de sabbatdag heiligen = apart zetten, en onderhouden = in ere houden om aan God te denken. Alleen bij Hem komen we pas echt tot rust en weer op adem.

Van sabbat naar zondag

Een ander punt is de vraag, waarom in de chris­telijke kerk de zondag in de plaats gekomen is van de sab­bat. Over die kwestie zou een veel bredere bespreking op z’n plaats zijn dan ik in dit artikel geven kan. Wie er meer over wil lezen kan terecht bij de bespreking van het Vierde Gebod door J. Douma in ‘De Tien Geboden deel 2’.

Heel kort, krachtig en kernachtig gezegd is de overgang als volgt te verklaren: de opstanding van onze Heer Jezus Christus is Gods allergrootste werk, dat Hij voor ons en in ons verricht heeft. Door zijn opstanding heeft Jezus je bevrijd uit de macht van de zonde en uit de slavernij van satan. Dat is een grotere verlossing dan de bevrijding uit Egypte. Door zijn opstanding legt Jezus het funda­ment voor de herschep­ping van alle dingen. Dat begint al in dit leven. Door de opstandingskracht van Jezus kom je tot geloof en word je nu al opgewekt tot een nieuw leven; en dat zal voltooid worden op de dag van Chris­tus’ terugkomst, want dan volgt het leven in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde. Dan heb je het einddoel van je geloof bereikt: je redding (1 Petrus 1:9). Dan breekt ook de blijvende rust aan: het eeuwige leven bij de HERE, onze God (Hebreeën 4:9-10).

Dus vieren de meeste christen de zondag als feestdag en rustdag om Gods grote daden te gedenken: de schepping in zeven dagen, de bevrijding uit Egypte en de opstanding van Jezus Christus onze Heer. Want nu de Heer is opgestaan, nu vangt het nieuwe leven aan: een leven door zijn dood bereid, een leven tot in eeuwigheid. (Gezang 95:4)

 

HART van HOMO’s spant zich in voor een veilige plek voor homo’s

In 2016 werd Hart van Homo’s opgericht. Ze kwamen meteen in het nieuws, omdat ze als christelijke organisatie zich richten op christelijke jongeren die tot de ontdekking komen dat ze homo zijn.  Die groeien vaak op in een omgeving die vanuit de Bijbel geen ruimte ziet Hart van Homo 1voor een homoseksuele relatie en veel van deze jongeren willen daar ook zelf voor kiezen of overwegen serieus om op deze manier in het leven te staan. Hart van Homo’s wil deze jongeren helpen om te groeien in geloof, om zichzelf te leren accepteren zoals ze zijn, om in hun omgeving ruimte en begrip te ervaren voor wie ze zijn, om beter te leren omgaan met hun homo-zijn en om eigen keuzes te maken vanuit hun relatie met God. Maar omdat Hart van Homo’s zelf als standpunt heeft, dat het aangaan van een homo-relatie vanuit Gods bedoeling met de mens niet de eerste optie is die Hij in de Bijbel zijn kinderen voorhoudt, sprong de hele seculiere politiek boven op minister Jet Bussemaker, omdat zij een subsidie had verstrekt aan Hart van Homo’s juist om het thema ‘homoseksualiteit’ in orthodox-christelijke kring bespreekbaar te maken. Dus ging de subsidie niet door, omdat er volgens seculier Nederland maar “één canoniek goedgekeurde visie” op homoseksualiteit bestaat (aldus Ruard Ganzevoort).

Hart van Homo’s vroeg of ik een aanbeveling wilde schrijven op hun website. Daar was ik meteen toe bereid. Sinds vorige week staat ‘ie erop. Dus plaats ik ‘m ook op m’n weblog. Hier komt ‘ie!

Hart van Homo 2In elke kerkelijke gemeente zitten homo’s. Maar biedt elke kerkelijke gemeente ook een veilige plek aan homo’s? Dat heeft veel te maken met de houding van de individuele leden van de gemeente. Te vaak hebben zij wel een standpunt over homoseksualiteit, maar kennen ze geen medechristenen die homo zijn. Datzelfde geldt voor de kerkelijke gemeente als geheel. Te vaak wordt er op grond van de Bijbel een algemeen oordeel uitgesproken zonder dat het echt tot een pastoraal gesprek gekomen is met broeders en zusters die homo zijn.

Als predikant van GKV ‘Het Noorderlicht’ in Assen-Peelo maakte ik de afgelopen jaren deel uit van een kerkenraad die zich intensief beziggehouden heeft met de vragen die er zijn rondom homoseksualiteit. Belangrijk uitgangspunt daarbij was dat we in liefde met elkaar zouden spreken en met respect naar elkaar zouden luisteren, ook wanneer we het niet op voorhand in alles met elkaar eens zouden zijn. Alleen zo ontstaat er ruimte om samen de wijsheid en leiding van God te zoeken.

Recht doen aan de Schrift
Bewust hebben we als kerkenraad niet voor de gemakkelijkste weg gekozen. ‘Gemakkelijk’ was het geweest als wij homoseksualiteit als een gelijkwaardige en legitieme variant in Gods schepping zouden beschouwen. Daarmee zouden we echter geen recht doen aan het gegeven dat homoseksualiteit in de Bijbel nergens in positieve zin ter sprake komt en dat homoseksuele relaties in de Bijbel nergens worden gelegitimeerd. God zelf heeft bepaald dat seksuele gemeenschap voorbehouden is aan de huwelijksrelatie tussen één man en één vrouw (Gen. 2:24).

We hadden ook kunnen zeggen dat er op bijbelse gronden voor samenwonende homoseksuele christenen geen enkele plaats is binnen onze gemeente. Maar ook daarmee zouden we geen recht doen aan wat de Schrift ons voorhoudt. In geen geval, zo is onze overtuiging, mogen broers en zussen met een homoseksuele geaardheid zich in de kou voelen staan binnen de gemeente van Christus. Opname en acceptatie binnen de geloofsgemeenschap kan helpen voorkomen dat zij door eenzaamheid en isolement tot wanhoop gedreven worden en/of van de gemeenschap met Christus worden afgedreven.

Verlegenheid en spanning
Door te luisteren naar elkaar en naar wat (ervarings-)deskundigen hebben ingebracht, maar vooral ook door te luisteren naar de Bijbel als het gezaghebbende Woord van God, hebben we elkaar kunnen vinden in een beleid waarbij we zowel aan Gods heiligheid als aan Gods barmhartigheid recht proberen te doen. Daarbij erkennen we dat er in onze benadering een zekere verlegenheid en spanning blijft zitten. Juist hier beseffen we dat ons kennen tekort schiet en ons inzicht beperkt is (1 Kor. 13:9).

De manier waarop we de hele thematiek van homoseksualiteit benaderd hebben, sluit aan bij de grondhouding van Hart van Homo’s. Anderen zullen die mogelijk op een andere manier uitwerken dan wij gedaan hebben. Waar het om gaat, is dat we recht doen aan Gods Woord én aan de homoseksuele broeder of zuster. Hart van Homo’s wil dat, vandaar mijn hartelijke aanbeveling!

 

GEEN VRIJBLIJVENDHEID BIJ KEUS VOOR OF TEGEN ORGAANDONATIE

“Wie zelf niet de moeite neemt om te laten weten of ‘ie wel of geen donor wil zijn, moet onderaan de wachtlijst voor orgaandonatie komen te staan.” Dat was de mening van de meeste jongeren van 17/18 jaar vorige week op catechisatie toen we het over orgaandonatie hadden.

Orgaandonatie - hartjeAan het eind van die week stond in het Nederlands Dagblad een artikel van twee christenen, de theoloog Gijsbert van den Brink en IC-arts Ben de Jong. Zij vinden dat het huidige registratiesysteem vanwege te grote vrijblijvendheid niet effectief. Het leidt niet tot meer donoren en kost jaarlijks onnodig mensenlevens. “Een wetswijziging naar een actief donorregistratiesysteem is dan ook wat ons rest.” Die wet komt er, als het aan de Tweede Kamer ligt, want daar is een nieuw ‘actief donorregistratiesysteem (ARD) dat in  met een krappe meerderheid  aangenomen. De drie christelijke partijen stemden tegen deze wet op de orgaandonatie. Ze hebben daar, net als andere tegenstanders, vier belangrijke argumenten voor, nl.: 1) De nieuwe wet leidt tot keuzedwang. 2) De nieuwe wet is een inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht. 3) De nieuwe wet levert niet meer donoren op. 4) Binnen het huidige systeem valt nog veel winst te behalen om mensen te motiveren orgaandonor te worden. Die bezwaren worden kort maar krachtig als mythe ontzenuwd (klik hier).

“Ik was hartpatiënt en jullie hebben Mij bewust op een lange wachtlijst laten staan.”

Een paar dagen later reageerde de directeur van de Nederlandse Patïenten-Vereniging, Esmé Wiegman met een artikel in het Nederlands Dagblad. Zij blijft “stevige kanttekeningen plaatsen bij de verandering van het donorregistratiesysteem.” Vervolgens gaat ze de vier punten van Van den Brink en de Jong bij langs (klik hier).

NPV logo nieuwDe vier tegenargumenten van de directeur van Nederlandse Patiëntenverening vind ik ronduit zwak (hieronder voor de liefhebber een overzicht). Maar dat vind ik niet het ergste. Het valt me vooral zwaar tegen dat de NPV publiek stelling neemt tegen dit nieuwe donorregistratiesysteem. In haar logo staat dat de NPV gericht is op ‘zorg voor het leven’. Op de website wordt als eerste vermeld: “Het leven is een gave van de Schepper zelf. Dat leven is kostbaar en verdient bescherming; van het allerprilste begin tot aan het einde. De NPV komt op voor het mensenleven. Voor leven dat kwetsbaar is en broos, voor ieder mens, in welke levensfase dan ook.”

Als het om orgaandonatie aankomt, neemt de NPV het niet voor de volle 100% op voor het leven van kwetsbare en broze patiënten waarvan jaarlijks 10% overlijdt terwijl ze op een wachtlijst staan. Ze neemt, net als de christelijke partijen in de Tweede Kamer, genoegen met een vrijblijvende oproep tot naastenliefde. Wat het effect van die vrijblijvendheid is, weten we al jaren: slechts 40% van de bevolking laat zich registreren, terwijl 90% van de bevolking graag een orgaan zou ontvangen. Het is een zwaktebod dat een christelijke organisaties als de NPV en politieke partijen als het CDA, de ChristenUnie en de SGP zich achter termen als ‘inbreuk op de integriteit’ en ‘naastenliefde mag je niet afdwingen’ blijven verschuilen. Daarmee houden ze bewust laksheid en ongeïnteresseerdheid in stand.

Orgaandonatie ja of neeDe jongeren van 17/18 jaar hadden dit haarscherp in de gaten. Zij en hun ouders waren bijna allemaal vóór orgaandonatie. Maar lang niet iedereen had zich laten registeren. De enkeling die geen donor wou zijn vond het prima zo: als je niks liet weten, zou er ook niks met je organen gebeuren na je dood. Ondertussen vonden de jongeren het wel wat hypocriet om een orgaan te ontvangen als je zelf nooit de moeite had genomen om aan te geven of je donor zou willen zijn. Vandaar dus dat de meesten vonden dat wie zich niet geregistreerd had, onder aan de wachtlijst moest komen te staan. Ik hou van de radicaliteit van jongeren!

Naastenliefde voor mensen in grote nood is namelijk niet vrijblijvend. Als we dat wel in stand houden, zou het wel eens kunnen zijn dat Jezus bij zijn terugkomst aan ons vraagt: ‘Ik was hartpatiënt en jullie hebben Mij bewust op een lange wachtlijst gezet.’ Dus denk ik dat de overheid, nu het toestemmingssysteem na 40 jaren nog steeds faalt, alle burgers mag vragen om zonder enige dwang of inbreuk (JA of NEE is allebei geoorloofd) aan te geven wat men wil: wel of geen donor zijn. Wie de moeite niet neemt om dit kenbaar te maken, heeft blijkbaar geen overtuigende bezwaren. Wie blijft zwijgen, stemt toe. Hopelijk laten de christelijke partijen in de Eerste Kamer zich niet leiden door het moderne zelfbeschikkingsrecht, maar door levensreddende naastenliefde.

Eerder schreef ik over orgaandonatie de volgende blogs: Orgaandonatie: wie niet reageert wordt donor (7 juni 2016); Orgaandonatie: zet de politiek na 20 jaar eindelijk een stap voorwaarts? (6 september 2016); Registratie orgaandonatie in de lift (8 oktober 2016)
In haar reaktie op de vier punten van Van den Brink / De Jong noemt de directeur van de NPV drie keer dat de overheid geen morele keuzes aan mensen moet opdringen. Daarbij gaat ze er aan voorbij dat die keuze ook nu al gevraagd wordt aan de nabestaanden als een overleden persoon zich niet geregistreerd heeft (punt 1 en 2). Er is dus geen sprake van ‘dwang’ of ‘inbreuk op lichamelijke integriteit’. Het argument dat als er vóór iemands overlijden “meer in familieverband over gesproken wordt” en dat je ná iemands overlijden moet werken aan een “context van rust en ruimte om in de geest van de overledene te kunnen nadenken, zonder druk van buitenaf” laten precies zien waarom dit veel te vrijblijvend is. Het eerste gebeurt namelijk onvoldoende (zeiden ook mijn catechisanten) en het laatste komt soms voor, maar veel vaker niet (“Als iemand plotseling overlijdt, heb je wel wat anders aan je hoofd als familie,” zeiden mijn catechisanten. Als iemand zelf tijdens zijn leven zijn keus gemaakt heeft, is het toch veel duidelijker? En als iemand weet dat wie zich bewust niet registreert geen principiële bezwaren heeft tegen het doneren van zijn of haar organen heeft, voorkomt dat toch juist onnodige, vaak emotionele discussies bij nabestaanden? Het argument dat een donatie altijd een vrijwillige gift moet zijn (punt 4) is ook uiterst zwak. In alle vrijheid mag elke Nederlander bepalen of hij of zij orgaandonor wil worden. Het enige wat de overheid zegt is: de nood is hoog, met meer donoren kunnen we levens redden, dus maak een keus! Dat gaat niet tegen Gods geboden in (integendeel denk ik persoonlijk), dus waarom zou je laskheid en vrijblijvendheid bewust in stand houden? Tenslotte de aantallen: Esmé Wiegman zegt dat er door de nieuwe wet juist meer mensen zich niet laten registreren. In de donorweek van oktober 2016 lieten bijna 5.500 nieuwe mensen een ‘ja’ noteren en bijna 26.500 nieuwe mensen een ‘nee’ en dus was de conclusie van de directeur van NPV eentje van: ‘Zie je wel? Verplichte registratie pakt negatief uit!’ Dat is een dubbel non-argument. Punt 1: registreren is niet verplicht. Punt 2: het gaat er niet om dat iedereen ‘JA’ moet invullen. Het gaat erom dat iedereen bewust een keus maakt.  Op 31 augustus 2016 hadden 5,9 miljoen Nederlanders dat gedaan op http://www.donorregister.nl. Op 30 april waren dat er 6,1 miljoen. Dat is een toename van 200.000. Het aantal mensen dat ‘ja’ heeft ingevuld, is met zo’n 50.000 gestegen naar 3,66 miljoen. Het aantal mensen dat een ‘nee’ liet registreren, steeg met zo’n 190.000 naar 1,72 miljoen. Alleen al het idee dat er straks een actief donorregistratiesysteem komt, zorgt dus al voor een flinke stijging van het aantal Nederlands dat zich laat registreren. Dat is volgens mij precies de bedoeling. Beter eerlijk ‘NEE’ dan de zaak op z’n beloop laten.

Vast gegrond op het fundament van 5x Sola!

In de laatste week van april was ik drie dagen in Hamburg. Daar vond van 27-29 april de conferentie 500 Jahre Reformation – Gemeinsam für das Evangelium plaats. De conferentie werd georganiseerd door Evangelium21. Deze organisatie is in Duitsland (en Oostenrijk + Zwitserland) actief en bestaat uit christenen van verschillende kerken die hun geloof vast op Jezus Christus gronden. Dus baseren ze zich op de vijf bijbelse waarheden die in de Reformatie opnieuw ontdekt zijn:

  • De Bijbel alleen (Sola Scriptura)
  • Het geloof alleen (Sola Fide)
  • Christus alleen (Solus Christus)
  • Genade alleen (Sola Gratia)
  • Tot Gods eer alleen (Soli Deo Gloria)

Evangelium21 konferenzDeze vijf kenmerken voor gelovigen en voor kerken zijn in Duitsland erg ondergesneeuwd. De meeste traditionele kerken zijn theologisch erg oppervlakkig en liberaal-humanistisch geworden. De Bijbel is niet meer het Woord van God voor mensen, maar bevat woorden van mensen over God. Daarom zijn er veel vrije kerken ontstaan die wel de Bijbel als Woord van God beschouwen, maar hun geloof vooral op de eigen keus voor Jezus en het eigen gevoel gronden.

Vier sprekers uit Amerika (Mark Dever, Ligon Duncan, Al Mohler en David Platt – alle vier aktief binnen de Amerikaanse organisatie ‘Together for the Gospel’ – T4G) hielden samen zes referaten over de vijf SOLA’s en, als slottoespraak, over het ‘Semper Reformanda’. De vijf SOLA’s zijn uit de tijd van de Reformatie ontstaan. Niet als losse onderdelen van het geloof, maar als fundament voor elke christen en elke kerk.

* De Bijbel alleen (Sola Scriptura) = tegenover de RK-kerk die op z’n minst drie gelijkwaardige bronnen had: Bijbel, Traditie, Paus

* Het geloof alleen (Sola Fide) / Genade alleen (Sola Gratia) = tegenover de RK-kerk die officieel deze leer als ketterij veroordeelde, omdat het zorgeloze mensen kweekt (zie Zondag 24).

* Christus alleen (Solus Christus) = tegenover de RK-kerk die dit met de mond wel beleed, maar daarnaast heiligen, m.n. Maria, op één lijn met Jezus zette en daarnaast goede werken als ‘coöperatie’ van de kant van mensen voorschreef (i.t.t. Sola Fide / Sola Gratia)

*  Tot Gods eer alleen (Soli Deo Gloria) = tegenover de algemene gedachte in die tijd dat God er voor ons moet zijn i.p.v. omgekeerd.

Op het congres werd dit breder getrokken, zowel in de context van 500 jaar geleden als naar vandaag toe. Toen had je ook de doorslaande Reformatie van de Dopersen, die m.n. Sola Scriptura verwierpen en de Heilige Geest als innerlijk licht hoger stelden dan het gezag van de Bijbel, en daarmee in de praktijk het gevoel lieten prevaleren boven het geloof, terwijl de RK-kerk het verstand (gestold in de leerbesluiten en tradities van de kerk) belangrijker vonden dan het geloof.

evangelium21 logoNaar vandaag toe werd vooral op het gevaar van het ‘liberalisme’ gewezen. Dan wordt Christus en zijn verzoenend + vernieuwend werk als fundament van ons geloof ingewisseld voor algemeen religieuze waarheden. Dat zie je in bijna alle gevestigde kerken in Europa en ook in Amerika (Nederland is daarop enigszins een uitzondering met veel historisch gezien ‘oude’ bijbels-gereformeerde kerken). Daarnaast werd ook het risico van het ‘prosperity-gospel’ benadrukt. Dat is, zeker in landen waar geen sterke bijbelgetrouwe traditionele kerken meer zijn, een groot risico voor alle ‘vrije kerken’. Die zijn daar in Duitsland allemaal vatbaar voor, de één latent en de ander openlijk. Eén van de andere oneliners was: “Als je denkt dat het Evangelie van Jezus Christus een hulpmiddel is voor een beter leven hier op aarde, hang je een vorm van hindoeïsme met de Bijbel aan.” Want Christus is niet gekomen om ons een ‘feeling-good-geloof’ te geven.

Tsja … in de vragenronde kwam dus meteen de vraag naar voren: “Wat als je in een theologisch zeer bijbelgetrouwe gemeente zit waar verder alles dichtgetimmerd is en in dezelfde plaats zit een gemeente vol enthousiasme maar met een hele zwakke bijbelse basis?” Antwoord: “Als de basis goed is, kan er wat gaan groeien, want Gods Woord is altijd aktueel, dus zet je in zo’n gemeente daarvoor in. Als de basis niet goed is, zal er geen blijvende vrucht in zo’n gemeente zijn, omdat vroomheid en enthousiasme geen vastigheid bieden, dus laat je daar niet door verblinden, maar maak werk van een stevig fundament.” Toen de persoon vroeg wat je moest doen als je tot geloof kwam, was het antwoord: “Kies voor de eerste gemeente, want je moet je gevoel altijd laten corrigeren door het Woord, omdat Christus altijd eerst vanuit de Bijbel tot jou spreekt en vandaaruit pas via zijn Heilige Geest tot je hart.”

Ik vond het een bemoedigende konferentie, omdat het echt back-to-the-basics was. Erg aansprekend: wie staat er centraal in mijn leven? Is het God die door Christus uit genade Zichzelf met mij verzoent om mijn leven weer tot bloei te brengen zodat Hij alle eer krijgt, ook van mij?

Tegelijk wordt dit verhaal wel een beetje kort door de bocht gebracht, vooral als het om Sola Scriptura gaat: Bijbel toen = Bijbel nu. Dat wij in een heel andere cultuur leven als 2000 jaar geleden, en dat je dus ook steeds moet kijken hoe je concrete christelijke standpunten van toen nop vandaag toepast, onder voortdurend gebed om leiding van de Heilige Geest – in dat proces heeft men niet zoveel vertrouwen (‘hermeneutiek’ is echt een vies woord), want dan gaat alles weer de liberale, vrijzinnige kant op. De andere ‘dief van het Evangelie’, nl. moralisme/farizeïsme werd amper genoemd.

Evangelium21 wil stimuleren dat plaatselijk kerken en oprechte christenen zich opnieuw echt door het Evangelie van Jezus Christus laten inspireren, zodat de kracht van het geloof niet door mensen bewerkt wordt, maar door de prediking van Gods Woord en de overweldigende kracht van de Heilige Geest. Sinds 2011 houden ze elk jaar een landelijke ‘Konferenz’. Net als vorig jaar werd die dit jaar in het grote kerkgebouw (op een industrieterrein) van de Evangelisch-Reformierte Freikirche ‘Die Arche’ in Hamburg. Dit jaar kwamen daar uit heel Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland ongeveer 1.400 deelnemers op af. Inclusief bezoekers uit Polen, Spanje, Nederland en inclusief hele families (er was een apart kinderprogramma). Onder hen o.a. een groep gemeenteleden van de ERKWB Wien en een gezin van de ERKWB Winterthur.

In alle lezingen kwamen de vijf ‘Sola’s’ telkens weer voorbij. Zelf heb ik een aantal kernachtige uitspraken genoteerd. Dus zet ik er hier vijf neer + een zesde uit de slottoespraak over ‘Semper Reformanda’ = blijven gaan in het spoor van de Reformatie.

SOLA SCRIPTURA: “Wie zich op Gods Woord beroept, wordt in onze tijd als een gevaarlijk persoon gezien, want dan kom je aan iemand individuele vrijheid, en dat is in deze tijd afgod nummer 1.” (Al Mohler)

SOLA FIDE: “In alle andere religies proberen mensen zelf de bergtop waar God woont te bereiken. In het christendom daalt God helemaal bergaf om ons op te halen.” (David Platt)

SOLUS CHRISTUS: “Als mensen echt behept zijn met het C-virus, worden ze vervolgd en bespot vanwege hun geloof in Christus alleen.”(Mark Dever)

SOLA GRATIA: “Echte christenen geloven dat ze gered worden door goede werken – namelijk Gods goede werken door Jezus Christus en door de Heilige Geest voor, aan en in ons.” (Ligon Duncan)

SOLI DEO GLORIA: “Alleen bij God is het niet verkeerd om Zelf alle aandacht te willen ontvangen.” (David Platt)

SEMPER REFORMANDA: “Wie vol is van God, luistert graag naar zijn Woord. Wie graag naar christelijke muziek luistert, is vaak ook vol van zichzelf.” (Mark Dever)

Zicht op de hemel – een christelijke kijk op Bijna-Dood-Ervaringen

Tegenwoordig hoor je vaker dan vroeger dat mensen een ‘Bijna-Dood-Ervaring’ (BDE) gehad hebben. Dat gebeurt vaak als ze onder narcose zijn geweest of in coma of tijdens een hartstilstand. Achteraf vertellen ze dan dat ze in de hemel geweest zijn of in elk geval iets van de hemelse heerlijkheid ervaren hebben. Zulke verhalen trekken de aandacht. Ook of misschien wel juist van christenen. Want wij geloven echt in het bestaan van de hemel.

In het pastoraat heb ik vaak mensen horen zeggen na het overlijden van hun man of vrouw of van een ouder, een kind of een andere geliefde: ‘Als we maar even in de hemel zouden mogen kijken hoe het daar is’. Die diepe wens is geen pure nieuwsgierigheid. Het is eerder intense betrokkenheid. Want er zijn hier op aarde banden doorgesneden. Maar juist als je gelooft in God en in Jezus Christus, weet je ook, dat het met de dood niet afgelopen is. De Heidelbergse Catechismus zegt het in Zondag 16 nogal droogjes: ‘Onze dood is alleen maar een doorgang naar het eeuwige leven.’ Tegelijk is dat wel een hele troostvolle werkelijkheid. Voor Gods kinderen eindigt het leven niet bij de dood. Als je in dit leven je vertrouwen op Jezus Christus stelt, word je bij je sterven door de engelen opgehaald en bij God thuis gebracht in de hemelse heerlijkheid! Als dat geen houvast geeft en hoop biedt in alle verdriet en vragen en eenzaamheid als je iemand voorgoed missen moet hier op aarde. Geen wonder dat je dan wel even een blik in de hemel zou willen werpen om te weten hoe het daar is.

Bestseller

In christelijke kring werd het boek ‘De jongen die in de hemel was’ een ware bestseller toen in 2013 uitgeverij Plateau de rechten overnam. In 2014 werd het boek verfilmd onder de titel ‘Heaven is for real’. Het boek en de film vertellen het (volgens de vader en schrijver Todd Burpo) waargebeurde verhaal van zijn zoon Colton, een kleuter van vier, die tijdens een zware operatie op het randje van de dood zweefde. Na de operatie vertelt hij stukje bij beetje dat hij in de hemel was geweest en daar Jezus had gezien, maar ook zijn overgrootvader en zijn zusje die hij allebei nooit gekend had. Een echte BDE dus.

In 2014 verscheen het boek Na dit leven van de neurochirurg Eben Alexander. Hij kreeg een zeldzame vorm van hersenvliesontsteking en raakte daardoor zeven dagen in coma. Toen hij weer bijkwam, vertelde hij dat zijn bewustzijn in die periode een reis door het universum maakte. In dat universum is God alomtegenwoordig en is elk deeltje van Hem doortrokken. De goedheid en de liefde zijn het hart en de ziel van het ware universum en het kwaad is niet in staat dat aan te tasten. De kern van zijn BDE herhaalt hij verschillende malen: ‘Er wordt van je gehouden, je hoeft niet bang te zijn en je kunt niets fout doen.’

In Nederland schreef de hartchirurg Pim van Lommel al in 2007 het populair-wetenschappelijke boek Eindeloos bewustzijn. Hij heeft heel veel BDE’s verzameld en geanalyseerd en komt tot de conclusie dat ons bewustzijn niet door onze hersenen geproduceerd wordt, zoals de meeste wetenschappers zeggen, maar dat onze hersenen het kanaal zijn voor ons bewustzijn. Dat bewustzijn van ons is onderdeel van een veel grotere, alomvattende geestelijke werkelijkheid. Mensen die daarna toch weer terugkomen in dit leven zijn het meest onder de indruk van de overweldigende liefde en volkomen acceptatie die in de bovennatuurlijke werkelijkheid ervaren wordt. Die hebben ze zo intens beleefd, dat ze er amper over kunnen vertellen. Maar daardoor staan ze na hun BDE vaak wel volledig anders in het leven: veel positiever, minder angstig, met meer rust en vredelievender.

PAULUS

‘Zicht op de hemel’ – zo zou je, als je de mensen die het hebben meegemaakt, een BDE kunnen noemen. Maar wat kun je daar nou mee? De één bekijkt het puur wetenschappelijk (Pim van Lommel). De ander zegt dat het kwaad alleen maar op dit kleine stukje van het grote universum aanwezig is en dat goddelijke liefde in de rest van het universum zo overweldigend is, dat de kracht daarvan nu al sterker is dan elke verschrikkelijke ziekte of elk wreed kwaad (Eben Alexander). En Colton Burpo zegt dat in de hemel de Heer Jezus centraal staat en dat daar alleen maar mensen toegelaten wordt die op aarde ook echt van Hem gehouden hebben. Dus wat moet je met zulke verhalen? Hoeveel waarde heeft het voor jezelf? En hoeveel geloof moet je er aan hechten als je anderen over hun BDE hoort vertellen?

Ik denk dat wat Paulus in 2 Korintiërs 12:1-10 beschrijft, heel goed een BDE geweest kan zijn. Uit zijn verhaal kun je een paar dingen afleiden.

1/ Een BDE laat een onuitwisbare indruk na. Paulus is het z’n leven lang niet vergeten wat hij allemaal in de derde hemel heeft gezien en gehoord. Die ervaring is heel waardevol. Vooral voor iemand zelf. Maar ook voor z’n omgeving.

2/ Het geloof in de hemel hangt niet van een BDE af. Sterker nog, Paulus is er juist heel terughoudend in om met zulke verhalen het Evangelie van Jezus Christus kracht bij te zetten.

3/ Paulus maakt een bijzondere ervaring mee. Dat zie je vaker in de Bijbel. God doet wonderen en geeft tekenen. Dat kun je, als het een BDE betreft, wegzetten als een proces in je hersenen. Maar is het terecht om op voorhand alles weg te verklaren? Ik denk het niet. Als het om deze ‘hemelse inkijkjes’ gaat moet ik denken aan wat de Heidelbergse Catechismus in Zondag 22 zegt: ‘Het is in geen mensenhart opgekomen.’ Dat geldt ook voor een BDE. Dat bedenk je niet. Het overkomt je. Dan mag je God daar toch ook dankbaar voor zijn?

4/ Het controlepunt bij elke BDE is voor mij de Bijbel. Als Stefanus moet sterven, ziet hij de hemel openstaan en de heerlijkheid van God en Jezus als Mensenzoon aan Gods rechterhand staan. Dus in de hemel is de Heer. Als die niet meer centraal staat, is heel zo’n verhaal ongeloofwaardig en zelfs erg riskant. Want dan gaan mensen op hun gevoel af. Terwijl, zegt Jezus in het verhaal van de arme Lazarus, de mensen op aarde aan Gods Woord genoeg hebben. Daarin gaat het om Jezus Christus. Of, zoals Colton in het boek (helaas niet in de film) een paar keer zegt als iemand overleden is: “Heeft die meneer Jezus gekend, papa? Dat moet, dat moet! Anders komt hij niet in de hemel.”

5/ Als gereformeerde christenen belijden we dat we God op twee manieren kunnen leren kennen: in z’n algemeenheid door zijn schepping en in het bijzonder door zijn Woord. Die twee zijn in principe niet met elkaar in strijd zijn, maar vullen ze elkaar aan. Dat geldt zowel voor de protologie als voor de eschatologie. Daarbij heeft de Bijbel het laatste woord. In de Bijbel gaat het niet alleen over Gods liefde, maar ook over vergeving en gerechtigheid die beiden door Jezus Christus worden gebracht en bewerkt.

GENADE

Eben Alexander trekt op grond van zijn BDE de conclusie dat het kwaad hier op aarde niets voorstelt omdat in de rest van het universum de liefde van het goddelijke Al allesomvattend en allesdoordringend is.

Pim van Lommel gelooft slechts in een a-religieus alomvattend bewustzijn dat er vooral toe leidt dat mensen in dit leven nog meer benadrukken hoe belangrijk onvoorwaardelijke liefde en acceptatie zijn.

Bij deze laatste twee benaderingen is er geen sprake van dat mensen vergeving, verzoening en genade nodig hebben. Wat mij bij Paulus opvalt is dat hij juist niet de liefde, maar de genade benadrukt nadat hij heel voorzichtig over zijn hemelse ervaring gesproken heeft. Die ervaring is overweldigend. Dus kun je zomaar denken: alles is liefde. Maar in de hemel is alles alleen maar liefde, omdat God de Vader en Jezus Christus daar centraal staan. En het is hun genade dat Zij ons in hun liefde willen laten delen. En soms … soms mogen mensen al iets van die hemelse heerlijkheid ervaren.

Dit artikel is gepubliceerd in ‘Pro Ministerio’, het blad van de vereniging van predikanten bij de Gereformeerde Kerken in Nederland, jaargang 46, nummer 2, mei 2017. Een iets uitgebreidere versie plaatste ik in 2016 onder de titel Paulus – de man die in de hemel was.

Een droom over Jezus die onschuldig is

Dromen zijn bedrog. Geldt dat ook voor de droom die de vrouw van Pilatus kreeg? Pilatus is ’s morgens vroeg uit bed getrommeld omdat Jezus is opgepakt. Tijdens het verhoor krijgt hij een bericht van zijn vrouw: ‘Pilatus, wees voorzichtig! Bemoei je niet met die man! Ik heb over hem gedroomd. Hij is onschuldig! Dus trek je handen van Hem af. Ik ben bang voor de gevolgen.’ Claudia Procula 1

Met haar droom heeft de vrouw van Pilatus een plek in de Bijbel gekregen (Mat. 27:19). In de oude christelijke kerk wist men zelfs hoe ze heette: Claudia Procula. En men vertelde er ook bij, dat ze, net als Cornelius uit Handelingen, sympathiek stond tegenover het joodse volk. In het apokriefe ‘Evangelie van Nikodemus’ staat, dat Pilatus een boodschap kreeg van zijn vrouw en dat hij dan alle joden bij zich roept en tegen hen zegt: “Jullie weten dat mijn vrouw godvrezend is en in vele opzichten net als jullie als een jood leeft. Zij heeft me zonet een bericht gestuurd: ‘Bemoei je niet met deze rechtvaardige man; want ik heb vannacht veel om hem geleden.’” Maar, staat er dan, de joden antwoorden Pilatus: Hebben we u niet gezegd dat die Jezus een tovenaar is? Hij heeft een droom naar uw vrouw gestuurd.” Of dit verhaal op werkelijkheid berust, weten we niet. De grieks-orthodoxe kerk vertelt dat Claudia een gelovige christen is geworden en heeft haar heilig verklaard. De dag van 27 oktober is aan haar gewijd.

Hoe je hier verder ook denkt, uiteindelijk heeft haar droom Pilatus niet weten te overtuigen. Hij kiest uiteindelijk eieren voor z’n geld. Daar zit iets typisch menselijks in. Mensen zijn voor de kleinere gevolgen van nu vaak banger dan voor de grotere gevolgen in de verre toekomst. Want nu kun je eruit liggen, voor de bijl gaan of alleen komen te staan als je niet de goede keus maakt voor de mensen. Maar de keus voor God? Ach, daar zie je nu het effekt niet van.

Claudia Procula 2De droom van Claudia is ook een verzoeking voor Jezus Zelf. Hij hoeft er maar op in te spelen om zijn kansen te vergroten dat Hij het er levend afbrengt. Maar Hij grijpt deze laatste strohalm niet, omdat het de duivel is die Hem deze reddingsboei toegooit. Hij heeft de goddelijke boodschap die uit de droom spreekt goed begrepen: ‘Ik moet verder gaan op de lijdensweg. Als rechtvaardig Mens voor zondige mensen. Niet voor Mijzelf, maar voor al Gods kinderen.’ Zo is Jezus trouw gebleven aan zijn missie. Ik kan Hem er niet genoeg dankbaar voor zijn.

Tenslotte: Claudia, de vrouw van Pilatus, lijkt in alles typisch op haar man. Beiden willen ze zich niet branden aan Jezus. Als Jezus tegen Pilatus zegt dat Hij gekomen is om de waarheid over God bekend te maken, reageert Pilatus schouderophalend met de uitspraak: ‘Maar wat is waarheid?’ (Joh. 18:38). Ook Claudia heeft wel sympathie voor Jezus, maar is vooral bang voor de gevolgen. Dus wil ook zijn neutraal blijven. Beiden komen niet tot de erkenning dat Jezus de beloofde Redder van de zonden is, dat Hij de he died for meweg naar God is en de waarheid over het leven bekend maakt. Ze willen beiden Jezus’ leven wel sparen, de één op grond van een vage droom, de ander omdat ‘ie zich over Jezus verwondert (Markus 15:5), maar in Jezus geloven doen ze niet. Ze blijven bewust neutraal. Net als heel veel mensen vandaag. Jezus Zelf biedt ons die optie niet. Hij laat weten: ’Je hebt mijn lijden en sterven echt nodig om van je zondeschuld af te komen. En je hebt mijn Heilige Geest echt nodig om je leven te vernieuwen en met geloof te vullen. Dus durf te kiezen. Ik stierf voor jou, zodat jij voor Mij leeft!’

Over de droom van Claudia is ook een preek met liturgie en PPP beschikbaar. Zoek op  Preken NT onder Matteüs 27:19

 

Christelijk onderwijs heeft al 450 jaar bestaansrecht

Binnen de gereformeerde gezindte bestaat al heel lang de gedachte, dat gezin, kerk en school een onverbrekelijke driehoek vormen. Aan de opvoeding van de kinderen die God ons geeft, wordt vooral op deze drie fronten gewerkt. Het mooiste is, dat die drie fronten niet drie verschillende werelden vormen, maar elkaar steunen. Gelukkig staat deze ‘triangel-gedachte’ niet echt ter diskussie. Toch hoor je steeds vaker, dat gereformeerde ouders niet meer automatisch voor het gereformeerde onderwijs te kiezen. We zijn de vanzelfsprekendheid voorbij. Ook in de samenleving is er steeds minder begrip voor het bijzonder onderwijs. GroenLinks wil alleen nog maar openbare scholen waar de overheid toeziet op strikte neutraliteit als het om religieuze zaken (en dus haar staatsideologie aan alle burgers opdringt). In dit artikel wil ik duidelijk maken dat we met de keus voor bijzonder onderwijs in een traditie van meer dan 400 jaren staan. Sinds de Reformatie hebben de gereformeerde kerken zich sterk gemaakt voor zo goed mogelijk christelijk onderwijs.

Onderwijzen en laten onderwijzen

Als iemand vraagt: “Waarom zijn er naast christelijke scholen ook gereformeerde scholen?”, is mijn antwoord: “Dat heeft alles te maken met de doopbelofte van ouders in de gereformeerde kerken.” Het doopformulier is door Petrus Datheen in 1566 uit het Duits vertaald en meteen in de  gereformeerde kerken ingevoerd. In de derde doopvraag beloven christelijke ouders twee dingen. Allereerst, dat ze zelf  hun kinderen bij het opgroeien zo goed mogelijk zullen onderwijzen in de leer van het Oude en Nieuwe Testament. En in de tweede plaats, dat ze hun kinderen naar vermogen, dat is: zo goed mogelijk zullen laten onderwijzen in de christelijke leer. Ik denk, dat we deze volgorde zo moeten laten staan. Het gezin neemt bij de geloofsopvoeding dus belangrijkste plaats in. Tegelijk hebben we elkaar daarbij nodig. Bij het ‘laten onderwijzen’ mag je in eerste instantie denken aan het kerkelijk onderricht, vooral de catechisaties. Maar vanaf het allereerste begin van de Reformatie hebben de Gereformeerde Kerken het ook belangrijk gevonden, om zorg te dragen voor goed christelijk onderwijs.

Christelijk onderwijs in de kerkorde

De eerste landelijke vergadering van gereformeerde kerken (een synode) werd in 1571 gehouden. Toen was er nog geen godsdienstvrijheid. Drie jaar later was Nederland voor een groot deel van de Spanjaarden bevrijd was. De volgende synode, die van Dordrecht, sprak in 1574 uit dat het van groot belang was om overal christelijke scholen op te richten. Twaalf jaar later wordt dat in de kerkorde vastgelegd en vanaf die tijd, 1586, heeft het tot 1978 in de kerkorde van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) gestaan:

De kerkeraden zullen alom toezien, dat er goede schoolmeesters zijn, die niet alleen de kinderen leren lezen, schrijven, spraken en vrije kunsten, maar ook dezelve in de godzaligheid en in de Catechismus onderwijzen.

In de tijd van de Reformatie tot aan de Franse Tijd (van zeg maar 1570 tot 1800) was de overheid in naam gereformeerd. De Gereformeerde Kerken drongen er in die eeuwen bij de overheid op aan, dat er christelijk onderwijs gegeven werd. In de tijd na de Afscheiding en de Doleantie was de Hervormde Kerk voor een groot deel liberaal en wilde de overheid neutraal zijn. Toen is, van ongeveer 1860 af tot 1920, de schoolstrijd gevoerd: ouders wilden hun kinderen christelijk onderwijs laten volgen, en omdat de overheid dat niet meer kon en wilde garanderen, stichtten ouders eigen christelijke scholen. Rond 1920 leidde dat tot de volkomen gelijkheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Daarbij veranderde ook de taak van de kerken. De Generale Synode van Dordrecht 1893 sprak uit, dat het “de roeping der kerken is, de ouders tot de stichting van zulke scholen aan te sporen, waar ze nog niet zijn.” En in 1923 (dus ruim voor de Vrijmaking) schrijft Joh. Jansen in zijn Korte Verklaring van de Kerkenordening: “De kerken moeten steeds toezien, dat er christelijke scholen zijn en dat er op die scholen inderdaad ook christelijk onderwijs gegeven wordt. Alleen maar, zij dringen deze zaak thans niet bij de overheid, maar bij de ouders aan.” In 1978 werd de kerkorde grondig herzien. Ook artikel 21 was hoognodig aan vervanging toe. Dus kwam in artikel 57 te staan:

De kerkeraden zullen erop toezien, dat de ouders, zoveel zij kunnen, hun kinderen onderwijs laten volgen dat in overeenstemming is met de leer van de kerk, zoals zij dit bij de doop beloofd hebben.

De deputaten die de herziening van de Kerkorde voorbereid hebben, gaven als toelichting: “Dit is art. 21 (oud), gewijzigd. Het zwaartepunt ligt nu bij het toezicht op de ouders. Plaatsing van dit artikel bij de bepaling met betrekking tot de doop ligt daarom voor de hand.” In de nieuwe Kerkorde die sinds 2014 geldig is in onze kerken, zijn doopbelofte en christelijk onderwijs nog steeds nauw met elkaar verbonden. In artikel C47 staat nu:

1. Ouders verplichten zich bij de doop hun kinderen te onderwijzen in de leer van de Schriften en hen op te voeden tot een leven met God. 2. De kerkenraad spoort de ouders aan om voor hun kinderen zoveel mogelijk gebruik te maken van onderwijs dat overeenstemt met de leer van de kerk. 3. De kerken streven naar goede relaties met het gereformeerd en ander christelijk onderwijs.

In hun toelichting kiezen de deputaten die de nieuwe kerkorde opgeteld hebben, er bewust voor “om naast het helpen nakomen van de doopbelofte van de ouders ook het gereformeerd en christelijk onderwijs nadrukkelijk binnen het beeld van de kerken en de ambtsdragers te houden. School, gezin en kerk dienen elkaar te vinden in een driehoek die opkomt voor de grote waarde van christelijk-gereformeerd onderwijs dat kinderen en jongeren vormt en opvoedt voor een leven in Gods dienst.”

Als konklusie uit dit korte historische overzicht mag je dus wel trekken, dat gereformeerde scholen geen vrijgemaakte eigenaardigheid zijn. Altijd al hebben kerk en ouders het samen belangrijk gevonden, dat er christelijk onderwijs was voor de kinderen van het verbond. Logisch, want er moet toch eenheid zijn in geloofsopvoeding tussen gezin, kerk en school?

Waarom gereformeerde scholen?

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er twee nieuwe soorten christelijke scholen: de gereformeerde (=vrijgemaakte) en de reformatorische. De belangrijkste reden van het ontstaan van gereformeerde en reformatorische scholen ligt volgens mij in de secularisatie van het christelijk onderwijs. Wanneer personeel niet meer achter de bijbelse boodschap staat, niet meer in de kerk komt en kinderen van allerlei afkomst zondermeer toegelaten worden op een christelijke school, is het niet te verwonderen, dat de sfeer op een school dermate verandert, dat gereformeerde ouders  zich afvragen, of ze zo hun kinderen naar vermogen kunnen laten onderwijzen in de christelijke leer. Tegelijk wil ik er wel een kanttekening bij plaatsen. Na de Vrijmaking hebben wij als vrijgemaakten ons sterk gemaakt voor de ‘doorgaande reformatie’. De ‘reformatie van het onderwijs’ (zo werd dat in die tijd echt genoemd!) was daarbij een van de belangrijkste speerpunten. Op zich terecht, vind ik, want juist de christelijke school ligt het dichtst tegen de kerk aan. De oprichting van andere G-organisaties, zoals G.P.V. (één van de twee voorlopers van de ChristenUnie) of het Gereformeerd Gezinsblad (nu Nederlands Dagblad) zijn niet gefundeerd op de doopbelofte die gebaseerd is op Deuteronomium 6:7 en Handelingen 2:39. De keus voor chistelijk onderwijs wel. Maar ook het ‘ethisch konflikt’ heeft in die tijd een belangrijke rol gespeeld. Men kon als ‘vrijgemaakten’ en ‘synodalen’ niet meer met elkaar in één kerk zitten, en dus ook door de week niet meer met elkaar door één deur. Ik denk echt, dat er in de jaren vijftig ook sprake was van een flinke portie onzuivere profileringsdrang bij ons als vrijgemaakten. Vóór 1944 werd er nauwelijks over gedacht om ‘eigen scholen’ te gaan stichten. De Christelijke Gereformeerde Kerken wilden dat toen, en K. Schilder heeft dat in 1929 fel afgekeurd. De ‘School met de Bijbel’ was niet de school van een bepaalde kerk, maar van de gereformeerde gezindte. En A. Janse schreef in 1936, dat er op de lagere school geen kritiek gegeven mocht worden op andere kerken, want “dat is niet des kinds. Dat zou het kind zetten tot rechter in een zaak waar het nog geen beoordelaar mag zijn.” Toch was volgens mij de inhoudelijke keus voor gereformeerd onderwijs uiteindelijk belangrijker. “De kinderen van het verbond, die door God zijn aangenomen als zijn kinderen en die in de kerk hun plaats hebben gekregen, behoren te worden opgevoed in de sfeer van de kerk en behoren te worden onderwezen naar de leer van de kerk. De verbinding tussen gezin, school en kerk is niet veranderd, ook al is de tijd voortgeschreden.” (H. van Leeuwen, ‘Een kostbaar bezit’, cahier 45 uit de serie Woord en Wereld, blz. 63)

Gereformeerd onderwijs vandaag? Jazeker!

En die tijd is hard voortgeschreden! Nederlanders zijn in meerderheid niet-christelijk en gaan massaal voor het eigen genot en de eigen carrière. Steeds luider klinkt ook de roep dat elke vorm van religie en geloofsopvoeding alleen maar achter de voordeur mag plaatsvinden. Aan alle kanten worden wij en onze kinderen daardoor beïnvloed. Hoe verantwoord is het dan om je kinderen naar openbare of meer algemeen dan christelijke scholen te sturen?  Zou het niet eerder zo zijn, dat we extra hard scholen nodig hebben die dezelfde normen en waarden hanteren als in het eigen gezin en in de kerk? Samen met andere christenen die dat ook heel belangrijk vinden? Dan gaat het er niet meer om of iedereen in de jaren vijftig overtuigd was van het nut van de oprichting van gereformeerde scholen. Als ze toen niet gesticht waren, zouden we vandaag zeker zo’n school oprichten. En waarom? Omdat kerkenraden en gereformeerde ouders al vanaf de Reformatie veel belang gehecht hebben voor zo goed mogelijk christelijk onderwijs. Je hebt namelijk bij de doop wel iets aan je kind(eren) iets beloofd!