Over krekeltjes, korenbloemen en zwart-witte koeien

Een paar gedachten bij de start van de GKV-synode in Ede

De drie kleine kleutertjes op het hek spraken over krekeltjes en korenbloemen blauw. En in het weiland zagen ze vast en zeker wat zwart-witte koeien lopen.Korenbloem

In Ede ging op 31 januari 2014 de Generale Synode van onze vrijgemaakte kerken van start met een bidstond. De volgende dag, zaterdag 1 februari 2014, werd de vergadering officieel geopend en het moderamen gekozen. Via www.synode.gkv.nl is alles goed te volgen. Misschien dat de 36 synodeleden ook nog wel toe komen aan krekeltjes en korenbloemen blauw, als ze bv. een Ginkelse hei-sessie houden. Maar de meeste tijd zal toch wel opgaan aan andere onderwerpen.

In dit artikel wil ik een paar dingen noemen, die volgens mij zeker met belangstelling gevolgd zullen worden. En daarna nog kort ingaan op de zwart-witte koeien die ik in de nabijheid van Ede ook ontwaar.

Waarover spreken zij? Over vrouwen in de ambten

Het onderwerp dat volgens mij met de meeste interesse gevolgd gaat worden, is het studierapport ‘Mannen en vrouwen in dienst van het evangelie’. Daarin geven deputaten ‘M/V in de kerk’ hun visie op de bijbelse (on)mogelijkheid om vrouwen toe te laten tot de ambten van predikant, ouderling en diaken. Ze komen er samen niet uit, dus liggen er twee verschillende voorstellen op de synode.

In de pers is er al door heel veel mensen heel verschillend op gereageerd, dus ik voel me niet geroepen om bij dezen nog een duit in het overvolle zakje te stoppen. Het zijn ook nog maar voorstellen van een studiedeputaatschap. Nadat de synode met een uitspraak is gekomen, is er alle gelegenheid voor de plaatselijke kerken om te zeggen wat ze hiervan vinden.

Waarover spreken zij? Over Liedboek en Kerkboek

Verder denk ik, dat ook de bespreking van het rapport van deputaten liturgie en kerkmuziek voor de nodige discussie zal zorgen. Deze deputaten stellen namelijk voor om het complete nieuwe Liedboek 2013 in te voeren en om daarnaast een nieuw Gereformeerd Kerkboek uit te geven met daarin 102 psalmen, alle overige gezangen die niet in het Liedboek staan en daarachter de belijdenisgeschriften, de ordes van dienst en de taalkundig geheel vernieuwde liturgische formulieren en gebeden.

Krekel 1Misschien denkt iemand nu: hoezo 102 psalmen?

Nou, zeggen deputaten: van onze 150 psalmen komen er 48 uit het oude Liedboek. Het nieuwe Liedboek heeft alle 150 Psalmen van het oude Liedboek ongewijzigd overgenomen, dus hoeven we die niet meer in ons nieuwe Gereformeerde Kerkboek op te nemen. Dat scheelt al gauw 100 pagina’s, en dat is mooi meegenomen, vinden deputaten.

Dit lijkt mij beslist niet verstandig. Wie wil er nou een nieuw incompleet Gereformeerd Kerkboek invoeren? Bovendien zadel je een aantal kerken met een dubbel dilemma op.

Dilemma 1: we hebben jaren geleden gekozen voor 150 psalmberijmingen waarvan een groot deel niet uit het Liedboek kwam. Soms vanwege de betere kwalititeit van een andere berijming. Soms ook omdat een Liedboek-berijming bijbels-theologisch echt niet deugde. Dan kun je nu toch niet zonder enige argumentatie voorstellen: “het Liedboek 2013, inclusief de psalmen, vrij te geven voor gebruik in de gemeenten”? Bovendien ging de opdracht van de vorige synodes toch duidelijk over het invoeren van al de gezangen van het compleet herziene Liedboek. Dat staat niet expliciet in de opdracht, maar daar is het wel altijd over gegaan. Deputaten smokkelen daar nu plotseling 150 zeer gedateerde, meer dan 50 jaar oude psalmen bij in, die door het Liedboek op geen enkele manier herzien zijn. Zie ook mijn eerdere blog https://ernstleeftink.wordpress.com/2013/05/15/nieuwe-liedboek-nu-al-met-psalmen-en-al-overnemen/

Dilemma 2: deputaten geven in hun voorstellen nadrukkelijk aan, dat “gemeenten zelf [mogen] kiezen welke liederen ze zingen, op basis van het eigenmuziekprofiel”. Tegelijk stellen ze doodleuk voor om in het nieuwe Gerormeerd Kerkboek alleen “de psalmen uit het Gereformeerd Kerkboek 1986 die niet uit de IKB geselecteerd zijn”  op te nemen.

Wat is het gevolg van dit voorstel?

Ik denk dat er kerken zullen zijn die straks zeggen: wij willen in de toekomst graag vooral uit het Gereformeerd Kerkboek zingen en voor andere liederen (bv. kinderliederen en Opwekkingsliederen) we gebruiken de beamer; ook weten we nog niet of we veel gebruik zullen maken van het nieuwe Liedboek, dus die voeren we voorlopig nog niet in.

Als het aan deputaten ligt, kunnen zulke gemeentes maar 102 van de 150 Psalmen zingen uit het nieuwe Gereformeerd Kerkboek. En waarom? Omdat het 100 bladzijdes scheelt! Want dat is het enige argument. Deputaten schrijven namelijk in hun rapport: De praktijk in onze kerken is momenteel dat de meeste de psalmen uit de kerkboek-selectie zingen, maar dat vooral in samenwerkingssituaties de psalmen in de liedboekberijming gezongen worden. Om beide versies beschikbaar te hebben moet de nieuwe uitgave het Gereformeerd Kerkboek in ieder geval de 102 niet-IKB-psalmen bevatten. De andere 48 kunnen in het Liedboek 2013 gevonden worden. Door deze niet in het kerkboek op te nemen van het boek ongeveer honderd pagina’s dunner worden.”

Deputaten vinden dus dat beide versies van de 48 psalmen beschikbaar moeten zijn. Terecht! Maar wees dan ook consequent! Stel die gemeentes die niet meteen het nieuwe Liedboek in zullen voeren, eveneens in de gelegenheid om alle 150 Psalmen te kunnen zingen, ook  als ze het nieuwe Gereformeerd Kerkboek willen gaan gebruiken.

Ik hoop van harte, dat op de synode besloten wordt, om onze eigen 150 psalmen uit de eerste en de tweede versie van het Gereformeerd Kerkboek gewoon allemaal op te nemen in deze derde editie. Dan hebben we niet alleen een actueel, maar ook een compleet Gereformeerd Kerkboek.

Waarover spreken zij? Over wat echt een huwelijk is

Ik denk dat er nog een derde onderwerp is, dat de tongen op de synode los zou kunnen maken. Het zit wat verscholen in de synoderapporten, dus het is nog bijna niemand opgevallen. Ik werd erop geattendeerd doordat ik aan de Theologische Universiteit in Kampen de PEP-cursus ‘In de ban van de ring’ volg. Die gaat over de vraag hoe we als kerken aankijken en omgaan met alle vormen van relaties die tegenwoordig in onze samenleving mogelijk zijn. Tijdens de tweede studiemorgen moesten we als voorbereiding o.a. het rapport ‘Huwelijk en Samenlevingsvormen’ lezen. Dat is een studie die is opgesteld door een denktank van Deputaten Relatie Kerk en Overheid en Deputaten Huwelijk en Echtscheiding. Deze denktank kreeg in 2011 de opdracht “om een advies uit te brengen over twee vragen: a. hoe je als kerken omgaat met de verschillende samenlevingsvormen van man en vrouw die publiek en juridisch zijn vastgelegd, en b. of en hoe die samenlevingsvormen kunnen voldoen aan wat iroos huwelijkn de Bijbel staat over het huwelijk”.

De meerderheid van deze deputaten is van mening, dat we in onze kerken een nieuwe, eigen omschrijving moeten geven van wat een ‘huwelijk in bijbelse zin’ is. Want het burgerlijk huwelijk is tegenwoordig zo opgerekt en zo vrijblijvend geworden, dat het niet meer per definitie bijbels is. Daartegenover staat het geregistreerd partnerschap nagenoeg gelijk aan het burgerlijk huwelijk. En sommige mensen die gaan samenwonen beloven elkaar meer oprecht levenslange trouw dan vele anderen die wel officieel trouwen.

Daarom vinden de meeste deputaten, dat de gang naar het stadhuis wél gemaakt moet worden, maar dat de christelijk kerk er daarnaast zelfstandig op toe moet zien, dat elke wettige relatie ook kerkelijk erkend wordt als een ‘huwelijk in bijbelse zin’. En wat is dat dan? Lees de volgende definitie: “Een ‘huwelijk in bijbelse zin’ is een levensverband waarin één man en één vrouw in antwoord op Gods leiding van hun leven voor de duur van hun aardse bestaan hun levens aan elkaar verbinden tot een nieuwe eenheid, die wederzijds verplichtend is en die een publiek erkend karakter heeft.”

Ik vind dat dit rapport meer aandacht verdient dan het tot nu toe gekregen heeft. Want hier wordt gezegd, dat bij elke relatie die twee mensen met elkaar aangaan (of het nu ongehuwd samenwonen is, of notarieel samenwonen, of een geregistreerd partnerschap, of een homo-huwelijk, of een huwelijk tussen man en vrouw) de kerk moet toetsen en uitspreken of het ook een ‘huwelijk in bijbelse zin’ is.

Dat is een geweldige switch in denken. Want sinds de tijd van Napoleon zit het al 200 jaar tussen onze oren: alleen het burgerlijk huwelijk is een bijbels huwelijk. En als kerk volgen we daarin de overheid.

Maar vandaag de dag is het burgerlijk huwelijk geen bijbels huwelijk meer. En dus moeten we als kerk antwoord geven op de vraag: moeten we het initatief weer naar onszelf toetrekken en alleen die relaties erkennen, waarvan we als kerk zeggen: dat is een ‘huwelijk in bijbelse zin’ zoals God het bedoelt? Dat is een veel belangrijkere vraag dan de discussie over wat we zingen in de kerkdiensten. Ook, vind ik, belangrijker dan de vraag naar vrouwen in de ambten.  Want het huwelijk zoals God het bedoeld heeft, kom je al in het paradijs tegen. Zo’n bijbels huwelijk moeten we “in alle omstandigheden in ere houden”, staat er in Hebreeën 13 vers 8. Dat is een geweldige uitdaging in onze tijd.  En dus ook voor de komende synode in Ede.

Ja, het gaat daar op de synode over meer dan krekeltjes en korenbloemen blauw. Laten we als kerkleden bidden voor ‘onze’ mannen daar en meeleven met wat daar besproken en besloten wordt.

Waarover spreken zij? Misschien ook over zwart-witte koeien

Tenslotte zal er op de synode ook aandacht besteed worden aan een ‘Appel op de Generale Synode 2014’.  Dat is een initiatief van zeven predikanten die samen de website http://www.gereformeerdekerkblijven.nl/wp/ in de lucht houden. In een ‘Brief GS Ede 2014’ brengen ze hun zorgen onder woorden en roepen de Generale Synode op, door duidelijke uitspraken hun zorgen weg te nemen. De initiatiefnemers hebben kerkleden en kerkeraden uitgenodigd om dit dringende appel mee te ondertekenen. Dat is gebeurd door 2 kerkenraden en 1541 kerkleden.
Ik heb het appel gelezen en besloten het niet te ondertekenen.

Allereerst niet, omdat ik erop vertrouw, dat alle afgevaardigden op de synode niet alleen naar eer en geweten, maar ook vanuit hartelijke verbondenheid aan de Bijbel en het gereformeerd belijden hun werk zullen doen.

Verder vind ik de zorgpunten die het appel aan de orde stelt, wel wat zwart-wit geformuleerd en ook een tikkeltje eenzijdig. Het is ‘een verkeerd appel’, schreef ds. Henk Folkers in het Nederlands Dagblad van 25januari 2014 (zie http://www.nd.nl/artikelen/2014/januari/25/een-verkeerd-appel).

Het viel mij op, dat het appel zich concentreert op zes onderwerpen, namelijk:

  1. Binding aan de gereformeerde belijdenisgeschriften
  2. Het gezag van de Heilige Schriften
  3. De vrouw in het ambt
  4. Visie op de kerk van Jezus Christus
  5. Kerkdiensten en catechismusprediking
  6. Is binnen het christelijk leven een homoseksuele relatie mogelijk

Als ik lees waar het dan over gaat, kom ik bij 1) een verwijzing naar ds. W. van der Schee tegen en de gang van zaken bij de missionaire gemeente Stroom in Amsterdam. Dan denk ik: moet je daar een synode mee lastig vallen? Sinds wanneer reageren we als kerken op elke (on)zinnige opmerking op internet? En sinds wanneer leggen we een prachtig missionair project op voorhand langs de meetlat van de gang van zaken in een traditonele plattelandsgemeente? Wat mij betreft verdienen projekten zoals Stroom alle credits en vooral heel veel gebed – zonder het kritische gesprek te schuwen overigens. Zie mijn eerdere blog https://ernstleeftink.wordpress.com/2013/05/31/saul-en-david-jongerendag-en-landelijke-dag-gkbnb/

Als het om 2) gaat: waarom moeten opnieuw de opvattingen van Stefan Paas uit 2008 en Koert van Bekkum uit 2010 weer uit de sloot gehaald worden? Dat is toch echt een grijsgedraaide plaat geworden.

Over de punten 4) en 5) valt hetzelfde op te merken: kontakten met andere kerken en deelname aan de Nationale Synode worden tegenover de belijdenis van de ware en valse kerk gezet en de terugloop van de tweede kerkdienst en de catechismuspreek kan alleen maar worden tegengegaan als de synode van Ede 2014 uit zou spreken dat de catechismuspreek “een verplichting blijft voor de kerken” – met als minimale afwijking: plaatselijk mag wel af en toe thematisch uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis of de Dordtse Leerregels gepreekt worden.

homo in de kerkEn dan punt 6): alle zorgen over de verwereldlijking van de christelijke levensstijl en het gebrek aan tucht daarover worden samengebald in “één zaak .. die wij exemplarisch mogen noemen voor de huidige situatie”, namelijk hoe we als kerken omgaan met homoseksualiteit. Wat vind ik dit een eenzijdige versmalling van de terechte zorgen die er op dit punt leven. Alsof een homoseksuele relatie de meest zichbare uiting en dus het topje van de ijsberg van onchristelijk gedrag zou zijn! Laat ik er maar niet meer over zeggen dan collega Henk Folkers deed. Behalve dit: volgens mij staat dit onderwerp niet eens op de agenda van deze synode – behalve een brief van één kerk die vraagt om een duidelijke koers van de website www.homoindekerk.nl. Achteraf kun je het betreuren dat in 2005 de generale synode het voorstel heeft afgewezen om juist over dit gevoelige onderwerp een studiedeputaatschap in te stellen. Maar dat is niet wat de indieners van het appel van de synode vragen. Zij gebruiken één van de meest gecompliceerde vraagstukken over christelijke levensstijl als kop van jut om alle ontwikkelingen op het gebied van relaties aan te kaarten. En vergeten te vermelden, hoe we als kerken de laatste 12 jaar ons enorm hebben ingezet op bijbels onderwijs en catechese als het om huwelijk en echtscheiding gaat.koeien zwart wit

Kortom: ik vind het een teleurstellend appel wat betreft toonzetting en argumentatie.  Tegelijk hoop ik niet, dat de synode er gauw klaar mee is. Hoe zwart-wit de toonzetting ook is en welke oude koeien er ook weer van stal gehaald worden – het zijn wel signalen van oprechte zorg vanuit een diepe verbondenheid met de vrijgemaakte kerken. Daar hebben we wel rekening mee te houden – net als met kerkleden die steeds minder overweg kunnen met het gereformeerde gedachtengoed binnen onze kerken.

WINKELEN OP ZONDAG IN ASSEN? BETER VAN NIET!

Winkels open of winkels dicht op zondag? In de gemeenteraad van Assen voeren PLOP en GroenLinks sinds een half jaartje actie voor een totale openstelling van alle winkels in Assen op alle zondagen. En ze drammen gewoon hun zin door – met steun van VVD, D66 en een groot deel van de PvdA.

LUISTEREN – HO MAAR!Zonder zondag 03

En dat, terwijl 70% van de winkeliers van binnenstad zes koopzondagen per jaar prima vindt. Op 28 november 2013 was de raad nog unaniem van mening, dat een besluit over dit voorstel moest worden uitgesteld, omdat men de mening van de winkeliers van groot belang vond. Nu hebben 117 leden van het MKB in de binnenstad van Assen zich duidelijk uitgesproken: ruim 40% wil minder koopzondagen, zo’n 30% vindt het huidige aantal koopzondagen prima, en slechts 3 van de 10 leden wil best vaker open op zondag (zie het artikel in het Dagblad van het Noorden van 13 januari 2014). Een duidelijk signaal, zou je zeggen. Maar één dag later blijkt al, dat de meerderheid van de raad van Assen toch al van plan was, alle winkels op alle zondagen open te gooien. Niet de wens van de winkeliers of de bevolking, maar het dogmatisme van een vrije markt ekonomie zijn leidend bij GroenLinks, PLOP, D66, VVD en de meerderheid van de PvdA. ‘We willen graag luisteren naar wat de direkt-betrokkenen ervan vinden’ – maar men was niet van plan om op het vooringenomen standpunt dat Assen met de tijd mee moet door iedereen de gelegenheid te gunnen op 52 zondagen te kunnen winkelen.

Iedereen? Mooi niet dus. De kleine zelfstandige ondernemers moeten nu op zondag zelf in hun winkel staan. En het personeel van de supermarkten en de bouwmarkten moeten zich nu ook op zondag laten inroosteren. En dat allemaal voor die paar mensen die van maandag t/m zaterdag zo druk zijn met allerlei andere dingen, dat ze zo nodig op zondag anderen voor zich willen laten werken. Is dat nou nodig?

HET WERK KAN BEST EEN DAGJE ZONDER JOU!

De zondag is in ons land vanouds een collectieve rustdag. Dat heeft te maken met onze christelijke achtergrond. Dat heeft al meer dan 100 jaar heel positief uitgewerkt op heel de Nederlandse maatschappij. Christenen konden in alle rust naar de kerk. Voetballiefhebbers konden zich heerlijk ontspannen door zelf achter een bal aan te lopen of de wedstrijden van hun favoriete amateur- of profclub te bezoeken, en zowel de scoialisten als de liberalen hielden hun toogdagen en jaarvergaderingen op zondag. Ik geef toe, die niet-christelijke besteding van de zondag was vaak een doorn in het oog van de kerken. Maar het was wel een uitvloeisel van de bijbelse oproep om het werk één dat te laten staan. Want onze goede God weet dat mensen rust nodig hebben. Ook collectief. Eén Zonder Zondag 04rustdag op de zeven dagen is dus ook van belang om sámen uit te rusten van de dagelijkse werkdruk en werksleur. Er is in ieders le­ven een vast moment van rust, van genieten en van bezinning nodig. Dat geldt in de Bijbel niet alleen voor de gelovige Israelieten, maar óók voor hun personeel, de buitenlanders in hun midden en zelfs voor de dieren in het arbeidsproces. God gunt mensen een moment van vrij­heid, in plaats van dat we slaaf worden van factoren en mensen van buiten af.

Het lijkt mij erg belangrijk dat zoveel mogelijk mensen tegelijk een vrije dag heb­ben. Onregelmatige werktijden hebben een desastreuze invloed op het gezin, de fa­mi­lie­banden en vriendschappelijke kontak­ten. Die zijn toch al kwetsbaar­der in onze tijd, zeker voor mensen met een eigen bedrijf, dus verdient de zondag extra be­scherming, in plaats van verdere uitholling.

MET OOGKLEPPEN ACHTER DE 24-UURS-EKONOMIE AAN

Ik snap daarom partijen als GroenLinks en de PvdA in Assen niet. Liberale partijen als de VVD en D66 zijn altijd al voor de vrije markt en het individuele genot geweest. En lokale partijen als PLOP laten hun oren graag hangen naar wat stemmenwinst oplevert. Maar de socialistische partijen zouden toch samen met de christelijke partijen tot de conclusie kunnen komen, dat er meer dingen in het leven belangrijk zijn dan werken en geld verdienen. Samen zou je je dan hard kunnen maken voor een vrije zondag, omdat die voor iedereen waardevol is. Helaas lijkt het erop, dat de meerderheid van de gemeenteraad van Assen kiest voor het ekonomische aspekt en geen oog heeft voor de sociale aspect van een koopvrije zondag. Men wil, met dollartekens in de ogen, niet inzien dat verdere openstelling van winkels op zondag het welzijn van de hele bevolking meer schaadt dan goed doet. Maar goed, 15 jaar geleden heb ik in de gemeente Terneuzen al precies dezelfde discussie meegemaakt. Jammer genoeg met dezelfde afloop. Namelijk, dat het appèl op het sociale geweten van de PvdA en GroenLinks geen resultaat had. En dus hoop ik maar, dat vanzelf blijkt, dat er geen klap te verdienen is voor de middenstand door de winkels 52 zondagen open te houden. Daar kunnen we met z’n allen op twee manieren aan werken.

MIDDENSTAND  & ASSENAREN: BLIJF DICHT BIJ JEZELF!

Het belangrijkste lijkt mij, dat de 70% van de zelfstandig ondernemers besluit, om hun winkel gewoon dicht te houden op zondag. Dan krijg je spookzondagen in plaats van koopzondagen, zoals Nico Vanderveen in de DvhN van 14 januari 2014 schreef. Dus komt men er vanzelf weer van terug om op alle 52 zondagen van het jaar de winkels open te houden.

zondagsrust-smallMaar minstens net zo belangrijk is de persoonlijke overtuiging van de inwoners van onze stad Assen. In de Bijbel staat het altijd positiever dan wat wij er zelf van maken, namelijk: ‘Wat gij wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander’ (zo zegt Jezus het in Matteüs 7 vers 12 en in Lukas 6 vers 31 – overigens staat het zelfs in de Statenvertaling van 1637 in modernere bewoordingen: ‘Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo’ en in de Nieuwe Bijbelvertaling van 2004 staat het nog begrijpelijker:  ‘Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen’). In het verleden werd nog wel eens gezegd: koop niet bij winkels die op zondag open gaan. Dat betekent dus, dat je bepaalde winkels gaat boycotten. Dat vind ik geen goede zaak. Ik zou het liever omkeren. Waarom zou je er niet bewust voor kiezen, om bij winkels en bedrijven te kopen die er bewust voor kiezen om uit principe de zondag vrij te houden als dag voor sociale of religieuze activiteiten. Want meestal is dat een keus waarmee een zelfstandig ondernemer zich niet populair maakt en die hem, als het tegenzit, ook inkomsten kost. Als jij e ik dan dezelfde overtui­ging (en soms hetzelfde geloof) delen, mag je dat toch ook laten blijken door hen te steunen door jouw klandizie? Anders wordt het een beetje schijnheilig: je bent tegen verruiming van de koopzondagen in Assen, maar voor een paar Euro goedkoper of een iets ruimer aanbod ga je door de week liever naar de grotere zaken die bewust alle zondagen open zijn, onder het motto: maar op zondag ga ik daar niet heen, hoor!’

PRINCIPES BEGINNEN BIJ JEZELF!

Ik vind het best lastig om vanuit mijn christelijke overtuiging tegen meer  koopzondagen te zijn. Want ik zie om me heen dat veel mede-christenen steeds makkelijker toch even snel de supermarkt binnenlopen op zondag of na een fietstocht langs de Drentse Aa even een terrasje pakken. En ach, waarom zou je niet even bij een tuincentrum of bouwmarkt binnenstappen op zondagmiddag?  Belangrijk is volgens mij niet de vraag, waar het eindigt met zaken als de zondagsopenstelling van winkels. Het gaat erom, waar je mee begint. En dan moet je vooral eerlijk naar jezelf kijken en trouw blijven aan je principes.

Met een variatie op een citaat zou ik het als volgt willen zeggen: Wat heeft het voor zin als iemand principes heeft, maar er zelf niet naar handelt? Zouden die principes hem helpen? Als een kleine zelfstandige het zwaar heeft vanwege gebrek  aan klandizie en omzet, maar toch z’n winkel op zondag gesloten houdt, en iemand zegt dan: ‘Het ga je goed! Verkoop veel en maak winst!’ zonder bij hem het nodige te kopen zodat hij in zijn levensonderhoud kan voorzien – wat heeft dat voor zin? Zo is het met principes: als ze zich niet daadwerkelijk bewijzen, zijn ze waardeloos.

En dan de kleine lettertjes: in Duitsland heeft men blijkbaar een betere antenne voor het belang van een collectieve rustdag. De grootste politieke partijen én de beslist niet orthodoxe protestantse Landeskirche hechten veel waarde aan de zondag als bij-ZON-dere DAG. Dus heb ik voor deze gelegenheid graag gebruik gemaakt van een paar plaatsjes waarmee men jaarlijks de zondag als speciale dag onder de aandacht van de bevolking brengt.

 

 

 

 

 

 

 

 

Oudejaarsdienst 31 december – gelovig terugkijken, gelovig gedenken

Het jaar 2018 is alweer bijna verleden tijd. Ook dit jaar beleggen we in onze Gereformeerde Kerk van Assen-Peelo op oudejaarsavond een kerkdienst om terug te blikken op wat dit jaar ons gebracht heeft. Daarin krijgen alle ingrijpende momenten uit het leven een plaats. En dus gedenken we in de kerkdienst van 31 december ook de gemeenteleden en de geliefden van gemeenteleden die het afgelopen jaar zijn overleden.

Persoonlijk vind ik de oudejaarsdienst een heel natuurlijk moment. We koppelen in onze samenleving alle belangrijke gebeurtenissen aan een datum op de kalender en aan een jaar ‘na de geboorte van Christus’.

Oudejaarsavond of een nieuwe ‘Eeuwigheidszondag’?

Maar de tendens lijkt een andere. Als je het liturgisch helemaal goed wilt doen, zou je een ander tijdstip moeten kiezen voor het gedenken van de overledenen: het einde van het kerkelijk jaar, de laatste of een-na-laatste zondag van november, voordat de vier zondagen van advent beginnen.

In de laatste weken van het kerkelijk jaar eindigt de lijn advent–Kerst–Goede Vrijdag–Pasen–Hemelvaart–Pinksteren –Koninkrijk met de hoop op de terugkomst van Jezus onze Heer. En op de allerlaatste zondag daarvan past dan het gedenken van de overledenen. Het verdriet en het gemis komt zo in het teken van de hoop op de wederkomst van Christus te staan.Kaars brandend

Zo schreef bv. de te vroeg overleden predikant Elbart C. Luth in de Gereformeerde Kerkbode van 21 december 2013: “Nu was die keuze voor Oudjaarsdag begrijpelijk, omdat we als kerk ook leven in de deining van het wereldlijke jaar en omdat onze agenda vaak loopt via de kalender van het jaar. Toch kun je je afvragen of dat nu het ritme van de kerk moet bepalen. Wij leven als gemeente van de Heer toch bij de heilsfeiten en het is mooi om in die cadans ook een plek te vinden voor het herdenken van de overledenen.”

Luth voert dus als één van zijn argumenten aan, dat  oudjaarsdag een wereldlijk gebeuren is. Daar past het herdenken van de gestorven gelovigen minder goed bij dan op ‘Eeuwigheidszondag’ aan het eind van november. Want dat is een zondag in de cadans van de heilsfeiten.

Ik hoor voorstanders van een nieuwe ‘gedenk-zondag’ wel vaker zeggen, dat de overgang van het ene naar het andere kalenderjaar een kunstmatig, wereldlijk moment is, en dat daar tegenover de laatste zondag van het kerkelijk jaar is een heel natuurlijk, zinvol moment is, waardoor je het gedenken meteen in het licht van de Eeuwigheid plaatst.

Kunstmatig of natuurlijk?

Ik zal het maar eerlijk zeggen: ik voel precies het omgekeerde als door de verdedigers van het kerkelijk jaar gesteld wordt. Ik vind juist een zondag in november een wat geforceerd, kunstmatig moment. Daartegenover vind ik het een kostbaar, zinvol moment om aan het eind van het jaar als gelovigen samen te komen in een kerkdienst om daar Gods licht te laten schijnen over alles wat er in het afgelopen jaar is gebeurd. We leven als christenen niet bij het kerkelijk jaar, maar bij de christelijke jaartelling.

Persoonlijk zou ik het toch wel raar vinden als iemand die bv. op 2 december 2018 is overleden, niet op 31 december 2018 gelovig herdacht wordt, maar dat zijn of haar naam pas op zondag 24 november 2019 genoemd wordt als een van degenen uit ons midden die in dit kerkelijk jaar gestorven zijn . Hoezo is dat een natuurlijk moment?

Alles op de zondag?

Naar mijn mening is er nog een risico aan de hoogliturgische tendens om alles in het kerkelijk jaar een plek te geven: je maakt de geloofservaringen los van het gewone leven. In het dagelijkse leven gaan we uit van een christelijke jaartelling. We leven nu nog enkele dagen in het jaar des HEREN 2018. Daarnaast vieren we onze christelijke feestdagen en kennen we het ritme van de week die begint met de zondag. Het ritme van de jaartelling is een scheppingsgegeven en het ritme van zes dagen werken – één dag rust is door God aan de mensen gegeven in het vierde gebod. Dat zijn voor mijn besef de natuurlijke momenten van het leven. Het is heel mooi om als christen juist op zo’n moment als de laatste dag van het oude jaar des HEREN de geliefden die in dat jaar gestorven zijn, te gedenken.

Wanneer je dat op een speciaal daarvoor aangewezen zondag in november doet, gedenk je de overledenen wel in het geloof, maar niet in het ritme van het dagelijkse leven. Je doet dan hetzelfde als sommige kerken met bid- en dankdag doen: verplaats het maar naar de zondag, want dat is er de dag voor. Ik beschouw het als een verlies wanneer je er apart een zondag voor gaat nemen om alles wat met dat gewone, dagelijkse leven te maken heeft, als kerk te vieren of te gedenken.

Het gewas groeit zeven dagen per week op het land, en het dagelijks werk doe je meestal van maandag tot zaterdag. Daar wil je dan toch wel twee keer per jaar één doordeweekse dag of avond voor bij elkaar komen in de kerk?

En je bent in dit leven geboren op die ene, door God bepaalde datum in het jaar 1900- of 2000-zoveel, en de dag waarop de HERE je leven terugneemt, wordt door ons ook aangegeven met de datum van de christelijke kalender.

Geef mij maar 31 december                                                                   

De laatste dag van het oude jaar is in mijn ogen het meest natuurlijke moment om gelovig als christelijke gemeente stil te staan bij al het wel en wee in het afgelopen jaar. Dat was namelijk een Anno Domini – het jaar des HEREN 2018. En als we dan 2019 instappen (en misschien voor de laatste keer mogen inknallen), zijn we ook  voelbaar en tastbaar één jaarstapje dichter bij de terugkomst van onze Heer en Heiland gekomen.

Geef mij daarom maar de kerkdienst van 31 december als de avond waarop we onze geliefden herdenken. Op hét moment dat heel de wereld even stilstaat bij weer een jaar dat gepasseerd is, geven we als christelijke gemeente daar de meest optimale invulling aan, namelijk met de Bijbel open en de blik vol emotie achterwaarts, vol vertroosting omhoog en vol verwachting vooruit gericht. Het is voor mij een te waardevolle avond om in te ruilen voor een vrij willekeurig gekozen door-de-weekse zondag.

 

KIJK NOU TOCH EENS!

‘Kijk nou toch eens, wie daar voor de deur staan! Wat een verrassing!’
‘Kijk nou toch eens, wat er allemaal in dit kerstpakket zit! Daar had ik niet op gerekend!’ 
‘Kijk nou toch eens, hoeveel mensen ons gefeliciteerd hebben met ons 50-jarig huwelijk! De kaartjes waren niet te tellen.’

Als ik eerlijk ben, is Kerst voor mij niet echt meer het feest van de verbazing en de verrassing. Het is meer een feest van de geboorte van Jezus Christus en van sfeer en gezelligheid. Een mix waar ik blij mee ben en me goed bij voel. Maar als ik nadenk over het begin van Kerst, dan zie ik dat allerlei verschillende mensen toen, rondom de geboorte van Jezus, van de ene verbazing in de andere vielen. Ik heb het eens opgezocht in de Bijbel. In de geboorteverhalen van Jezus kom je maar liefst 15 keer het woordje ‘Zie’ tegen. Daarmee willen Lukas en Matteüs zeggen: let op, nu gebeurt er iets bijzonders.

KIJK NOU TOCH EENS!

  • Kerst geboortegrotKijk nou toch eens, Zacharias, op je oude dag krijgen Elisabet en jij nog een zoon.
  • Kijk nou toch eens, Maria, je krijgt een kindje en je moet Hem Jezus noemen, want je krijgt Hem van God Zelf.
  • Kijk nou toch eens, roept Elisabet verrast uit, wat kom jij hier doen, Maria? Jij, de moeder van mijn Heer!
  • Kijk nou toch eens, zingt Maria uit, wat ben ik bevoorrecht, dat de machtige God zulke bijzondere plannen met mij heeft.
  • Kijk nou toch eens wat er gebeurt als Jozef stilletjes Maria wil verlaten omdat ze een kind krijgt dat niet van hem is. Kijk toch eens aan, dan brengt een engel van de Heer hem op andere gedachten, want het is echt waar, Jozef: de maagd is zwanger en zal een zoon baren met de naam Immanuel – God met ons; en met de naam Jezus – Redder van de zonden.
  • Kijk nou toch eens wat er een half jaartje later gebeurt, als Jezus geboren heel armetierig in een stal geboren wordt. Dan wordt daar vlakbij in het veld opeens een aantal herders  omstraald door het licht van een engel! En wat zegt die engel? ‘Kijk nou toch eens, wie er in Betlehem geboren voor jullie geboren is: je redder, Christus, de Heer!’
  • Kijk nou toch eens wie er 40 dagen later in de tempel op Jozef en Maria met hun kindje Jezus afstapt: een onbekende oude man die zich voorstelt als Simeon. Hij neemt het kind in zijn armen en begint te zingen over een groot licht dat redding geeft aan iedereen.
  • Kijk nou toch eens wat Simeon nog meer tegen Maria zegt: jouw kind zal het niet makkelijk krijgen, want veel mensen zullen zich aan Hem ergeren, maar anderen zullen Hem juist aanbidden.
  • Kijk nou toch eens wie daar in Jeruzalem aankomen! Wijzen uit het Oosten! Wat komen die hier doen in de stad? Zijn ze op zoek naar de pasgeboren koning van de Joden?
  • Kijk nou toch eens, roepen de wijzen vol blijdschap uit, nadat ze in Jeruzalem nul op rekest gekregen hadden, met het goedbedoelde advies erbij om hun geluk maar eens in Betlehem te beproeven, daar heb je die ster weer die we ook in ons thuisland hebben zien opkomen!
  • En kijk nou toch eens, hoe blij die wijzen zijn als ze eindelijk het huis vinden waar Jozef en Maria en het kindje Jezus wonen.  Ze stappen van hun kamelen af, gaan het huis binnen en geven Hem kostbare geschenken: goud, wierook en mirre! En dat niet alleen, ze buigen eerbiedig voor Hem neer. Ja, ze aanbidden Hem. Waarom? Omdat ze geloven dat Hij, Jezus, het is! De pasgeboren Koning van de Joden, de Immanuel, het kind dat de mensen zal redden van hun zonden.

DE VERBAZING VAN KERST

Al die verhalen uit de Bijbel over de geboorte van Jezus doen mij weer beseffen hoe verbazingwekkend bijzonder het kind van Kerst wel niet is. Zo klein als Hij is, is Jezus voor heel veel mensen het grootste kerstkado. Al die mensen, zelfs de wijzen uit het oosten, ze geven niet alleen kostbare geschenken. Nee, ze geven Jezus vooral hun dank, hun eer en hun aanbidding.

Met Kerst  geven veel mensen elkaar geschenken onder de kerstboom. En bijna iedereen komt bij elkaar voor het familiediner. Maar daar gaat het natuurlijk niet om. Gelukkig viert bijna niemand Kerst met de gedachte: als ik maar dikke kado’s krijg en me lekker vol kan eten. Welnee, het gaat om de ware kerstgedachte: vrede op aarde, in het groot, maar vooral in je eigen leven. Die goede sfeer, vrede op aarde, vrede met God, vrede met andere mensen, vrede in je eigen hart – ik geloof, dat daar maar één persoon voor kan zorgen. Dat is Jezus. Hij is een Godsgeschenk!

Overgenomen uit NAAST dec. 2012

Wat mij opvalt bij al die mensen rond de geboorte van Jezus is dit: ze krijgen meer terug dan ze gegeven hebben! Ze hebben allemaal de echte vrede gevonden. Het kindje Jezus is de echte Vredemaker. Dat is toch wel het meest kostbare wat je je wensen kunt!

Dat is de verbazing van Kerst. Jezus wordt geboren. Zoals een prachtig kerstlied het bezingt: Kom, verwonder u hier, mensen! Zie, hoe dat God u bemint! Zie dit nieuwgeboren kind! Hij is het mooiste kerstkado. Want God verzoent der mensen schuld – zoals een ander kerstlied zegt. Kijk nou toch eens, hoeveel God van deze wereld houdt! Hoeveel Hij houdt van ieder van ons! Verbazingwekkend veel.

Ik schreef hierboven al, dat die verbazing er bij mij niet zo in zit als het om Kerst gaat. Daarom is het goed voor mijn geloof om elk jaar weer echt bij de geboorte van Jezus bepaald te worden. Als ik dit wonder vatten wil, dan wordt mijn geest van eerbied stil. Aanbid het maar doorgrond het niet, dat zo de liefde Gods geschiedt.

WAAGHALZEN en ANGSTHAZEN

Blondin met managerCharles Blondin was in zijn tijd een wereldberoemd koorddanser. Hij was de eerste mens die in 1859 over een koord van 340 meter lang en 8,3 cm. breed de Niagara-Falls overstak, 50 meter boven het water. Dat deed hij verschillende keren, o.a. met een kruiwagen gevuld met stenen. Het gerucht gaat, dat hij daarna aan één van de juichende mensen vroeg: “Mijnheer, gelooft u dat ik een persoon veilig naar de overkant kan brengen?” Toen de man ‘ja’ zei, antwoordde Blondin: “Stap in, here we go!” Maar de man weigerde – de angsthaas. Wie het wel met Blondin aandurfde, was zijn manager – de waaghals. Of het in de kruiwagen was, weet ik niet. Wel is zeker dat hij achter op de rug van Blondin de Niagara-Falls over ging (en weer terug). Er is ook een leuk tekenfilmpje van: http://www.youtube.com/watch?v=vcijTdGDWYA&feature=player_embedded

TWIJFELENDE DERTIGERS

De afgelopen week werd ik getroffen door twee artikelen in het Nederlands Dagblad. Eerst stond er op 7 november een verslag van een gesprek met vier dertigers “over geloof, afhaken en al dan niet terugkeren naar het geloof en/of de kerk.” Alle vier hebben afscheid genomen van het systeem ‘kerk’ en/of van de boze God uit de jeugd. Tegelijk zitten ze alle vier gevoelsmatig nog met alle vezels vast aan hun christelijke opvoeding. Twee van hen vonden het geloof terug, maar dan zonder een kerk vol zekerheden en regels. De andere twee  geloven niet meer in een persoonlijke God. Eén van hen is Emiel Hakkenes. Een dag later, op 8 november 2013, wijdde het in ND een hele pagina aan deze 30-er die zachtjes zijn geloof verloor en daar een boek over schreef: God van gewone mensen – met als ondertitel: Hoe het geloof uit een familie verdween.  In daHakkenest artikel zegt hij onder andere: “De kerk heeft niet het monopolie op het heilige.” Voor hemzelf zijn het veel meer zijn kinderen die hem doen beseffen hoe groot de kracht van de liefde is. En als hij ziet, hoe andere 30pers vol enthousiasme zoeken naar nieuwe vormen van gemeenschap en daarmee “een taal en een vorm gevonden hebben om voort te gaan in de traditie van hun ouders”, is hij daar jaloers op. Want hij ziet iets bij hen en bij zijn ouders, wat hijzelf niet meer heeft. “Geloven is een inspiratie tot handelen.”

IEDEREEN IS DERTIGER GEWEEST

Heel opmerkelijk in het artikel over de 30-ers vond ik de reaktie van een andere 30-er in de zaal: “Jullie verhaal is het verhaal van mijn ouders. Zij verlieten de kerk en ik ben door mijn vrouw gelovig geworden. Het lijkt net of jullie getraumatiseerd zijn.”

Toen dacht ik: de  moeite met de zekerheden en regels van de kerk is dus niet een typisch probleem van de huidige 30-ers. Het is een probleem dat zich in onze cultuur in elke generatie voordoet.  En tegelijk is het een probleem dat zich steeds meer voordoet, omdat onze samenleving sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw steeds meer een niet-christelijke samenleving aan het worden is. Dan vallen uiterlijke zekerheden weg. Maar wat komt ervoor in de plaats?

In mijn blog van 9 augustus 2013 schreef ik over DE KOFFIE EN HET GLAS. Daarmee bedoel ik, dat de inhoud van het christelijk geloof altijd vormen nodig heeft om persoonlijk ervaren te worden en  om aan anderen om je heen en aan je kinderen door te geven.

Maar ik zie al vijftig jaar lang, dat de volgende generatie massaal afhaakt. In de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw was dat zo bij de rooms-katholieken. In de jaren ’80 en ’90 volgende de hervormden en de synodaal-gereformeerden. En de meer orthodoxe kerken, waaronder de vrijgemaakten, gaan de afgelopen jaren door precies hetzelfde proces: het christelijk geloof, gevormd door opvoeding en kerkgemeenschap, vervaagt en verbleekt bij een nieuwe generatie.

Half jaren ’90 zei mijn synodaal-gereformeerde collega op Zaamslag hierover tegen mij: ‘Wij zijn al dwars door de woestijn van de secularisatie heen gegaan. We hebben bijna niets meer over en kunnen nu dus weer gaan opbouwen. Maar jullie staan er nog voor. En wat je ook probeert om het tegen te houden, ook jullie als vrijgemaakten zullen eerst helemaal doorheen moeten. Want het proces is niet te stoppen, alleen het tempo verschilt per kerkgemeenschap.’

Hier moest ik aan denken toen ik die opmerking in het ND las van die 30-er uit de zaal over die vier 30-ers aan tafel:  “Jullie verhaal is het verhaal van mijn ouders.”  En ik besefte opeens weer, hoe gelijk mijn collega uit het mooie Zeeuws- Vlaanderen had: alle kerken krijgen hiermee te maken. Het lijkt een even onontkoombaar als onomkeerbaar proces.

GRAAFLAND over GODSVERDUISTERING

Je zou denken: een leven zonder vorm en vastigheid moet een keer tot bezinning leiden. Zo’n 25 jaar signaleerde prof. Dr. C. Graafland, een zeer begaafde hervormd-gereformeerde theoloog, al dat onze cultuur zich midden in een periode van ‘Godsverduistering’ bevindt en dat dat ook de orthodox-gereformeerde kerken heel hard raakt. Hij Graafland boekwijdde er in 1990 het boek Gereformeerden op zoek naar God aan. Daarin zegt Graafland dat hij gelooft dat de religie ondanks alles zal overleven. Want de mens zal nu eenmaal altijd blijven zoeken naar antwoorden op de fundamentele vragen van het Va­nwaar? en ‘Waarheen?‘ en ‘Waarom?‘.  Op die vragen weet de geseculariseerde wereld geen antwoord. Zij veegt deze vragen van tafel, of geeft alleen ‘banale’, platvloerse, dus hopeloos oppervlakkige antwoorden. Daarom zal de secularisatie leiden tot ‘de alles-doordringende verveling van een wereld zonder goden’. En dan schrijft Graafland op blz. 40: “Toen ik dit las, probeerde ik het voor mijzelf konkreet te maken en te toetsen. Dat kostte me niet zoveel moeite. Onmiddellijk moest ik denken aan de geseculariseerde zondagsviering. De mensen gaan niet meer naar de kerk en vinden dus daarin niet meer hun vervulling van de zondag. Wat gebeurt er? Massaal rijden zij van hot naar her, waar zogenaamd iets te beleven is. Een op het strand aangespoelde potvis, een grote brand, de opening van een nieuw winkelcen­trum, de winkels die ene zondag open. Dat laatste gebeurde in Amsterdam en de binnenstad zag zwart van de mensen. Je kunt wel de hele week winkelen, maar winkelen op zondag, dat is toch iets heel bijzonders! Een hele dag niets doen is stom vervelend. Maar deze vorm van zondagsviering dan? Ze moet op den duur toch ook vervelen en de mens leeg laten.”  En hij vervolgt: “Maar als dat nu de levensvulling is? Als men het daarmee weer de hele week moet doen? Als dit soelaas moet bieden voor de diepe vragen en de benauwende problemen, waar ook deze mensen mee worstelen? Dan is het wel te begrijpen, dat deze zelfde mensen op den duur vastlopen in hun angst en onrust, en het niet meer zien zitten. Want in dit alles vinden ze geen houvast, geen echte vervulling en vrede voor hun gemoed. Dat bestaat niet.”

HET PROCES HERHAALT ZICH

Inmiddels zijn we bijna 30 jaar verder, en wat zie je? Er is een nieuwe generatie 30-ers die aangeven dat ze niets meer moeten hebben van het christelijk geloof zoals ze dat in hun jonge jaren hebben meegekregen. De een is er op afgeknapt. Bij de ander is het christelijk geloof geleidelijk aan als water tussen de vingers weggesijpeld. En als er toch wat voor terugkomt, is het vaak een volstrekt  vloeiende geloofsbeweging.

Sommigen zijn daar blij mee. Een nieuwe tijd biedt nieuwe kansen om het geloof “in de rabbi van Nazareth en waar Hij voor stond” te delen met mensen van binnen en buiten de kerk (Rikko Voorberg in ND 7/11). De waaghalzen kiezen voor een geloof zonder vormen. Wel iets met Jezus hebben, zeg maar, maar niets met de kerk.  Anderen maken zich er grote zorgen over dat de geloofsoverdracht  stokt. Als de kerk daar geen rol meer in speelt, bij wie vinden verdwaalde mensen dan nog houvast? En in wie geloven de 30-ers van 2050 dan nog? De angsthazen kunnen zich geen geloofsinhoud zonder vaste vormen voorstellen.

WAAGHALS OF ANGSTHAAS?

Ik sta erbij en kijk er naar.  Ben ik een waaghals of een angsthaas? Ik weet het niet. Ik denk vooral en bid erom: hoe vinden we de weg terug? Niet naar een systeem, maar naar een persoonlijke God die voor ons in Christus een machtig Vader wil zijn (Gez. 146 Nwe. Geref. Kerkboek) en naar Jezus als mijn kostbare Redder en Heer.

Het einde van de woestijn is volgens mij nog lang niet in zicht, ook al ben ik ervan overtuigd, dat God allang weet hoe die loopt. Dat kom ik ook wel in de Bijbel tegen trouwens. Asaf zingt ervan tijdens zijn geloofscrisis, in Psalm 77: Door de zee liep uw weg, door de wijde wateren uw pad, maar uw voetsporen bleven onzichtbaar. Asaf zegt er meteen bij: U leidde uw volk als een kudde door de hand van Mozes en Aäron.

WAAROM ZOU IK BELIJDENIS DOEN?

zit er iets of niets tussen Doop en Avondmaal?

Marjella 07

Foto: Philip Roorda

“Waarom zou ik belijdenis doen in de kerk? Mijn geloof is toch iets persoonlijks?” Die geluiden kom je in onze tijd steeds meer tegen. In zijn boek ‘Groeien in Christus’ behandelt de Amerikaanse theoloog J.I. Packer heel praktisch de Twaalf Artikelen; het onderwerp ‘Doop en Bekering’; het Onze Vader; en tenslotte de Tien Geboden. Als hij het over ‘Doop en Bekering’ heeft, schrijft hij een apart hoofdstuk over belijdenis doen (blz. 115-117). Dat vind ik een heel waardevol stuk, dus ik geef het, deels in eigen woorden, hieronder weer.

In de meeste traditionele kerken worden mensen die als kind gedoopt zijn, later na een bevestigende plechtigheid toegelaten tot het Heilig Avondmaal. Kenmerkend daarbij is dat de dominee de meestal jong-volwassen leden de hand oplegt en de Heilige Geest bidt om hun kracht te geven. Wat betekent dit?

WAT BELIJDENIS NIET IS

Om te beginnen betekent het niet, dat tot op dat moment de Heilige Geest niet persoonlijk bij deze kerkleden zou hebben ingewoond, of dat de gaven en vruchten van de Heilige Geest tot op dat moment niet werkzaam zouden zijn geweest.

Belijdeniskaart summer-morning-belijdenis-cbc1

Prachtige belijdeniskaarten zijn te bestellen via http://www.karlaleeftink.com/kaarten

Het wil ook niet zeggen, dat we alleen door belijdenis en handoplegging de Heilige Geest en de daaraan verbonden gaven zouden kunnen ontvangen. Belijdenis doen is immers geen sacrament, zoals sommigen denken. Het Nieuwe Testament kent maar twee sacramenten als door God gegeven tekenen, die de bijzondere zegeningen voor de gelovigen waarborgen, namelijk de Doop en het Avondmaal. En zelfs bij de sacramenten is het zo, dat de genadegaven die door Doop en Avondmaal aan de gelovigen worden voorgesteld en verzekerd, ook los van de sacramenten ontvangen kunnen worden. De vergeving van de zonden, die deel uit maakt van de rechtvaardiging, is daarvan een overduidelijk voorbeeld, zoals blijkt uit Romeinen 5:1 en voorafgaande verzen en uit Galaten 3:26 en heel dat hoofdstuk.

Tegelijk zie je in Handelingen 2:38 en 22:16, dat wie gelooft in de vergeving van zonden, ook opgeroepen wordt zich te laten dopen. Want het Nieuwe Testament laat zien, dat christen worden hetzelfde is als lid van de gemeente worden. Er bestaat niet zoiets als ‘op je eentje vluchten naar de Enige’; óf we zijn met elkaar verlost als leden van het lichaam van Christus óf we zijn niet verlost. Natuurlijk heeft het schriftuurlijke christen-worden alles te maken met het ondervonden en beleden geloof, maar het doen van belijdenis als bevestiging van de gave van de Heilige Geest is geen bijbelse inzetting.

TOCH ‘JA’ ZEGGEN

Belijdenis flyerMaar als belijdenis doen alleen maar een kerkelijke traditie is, waarom blijven we het we het dan doen? Is het wel zinvol? Ja! En wel om twee redenen, een theologische en een pastorale.

Om te beginnen is er bij de inlijving in het lichaam van Christus een element, dat ontbreekt bij de kinderdoop, namelijk de persoonlijke geloofsbelijdenis in de gemeente. We mogen dan de doop van de kinderen van de gelovigen zien als Gods wil, maar het belijden van het geloof, als men daar oud genoeg voor is, is net zo goed de wil van God, zoals duidelijk blijkt uit Romeinen 10:9, 1 Korintiërs 12:3 en 1 Timoteüs 6:12. De persoonlijke geloofsbelijdenis laat zien, dat we ‘het lichaam kunnen onderscheiden’, namelijk dat we de betekenis en het belang inzien van de woorden van Jezus bij het Avondmaal: ‘Dit is mijn lichaam voor u’ (1 Korintiërs 11:24+29). De persoonlijke belijdenis van het geloof maakt de weg vrij voor deelname aan het Heilig Avondmaal, dat uitsluitend bedoeld is voor gelovigen. Het openlijk doen van belijdenis maakt duidelijk, dat men geschikt is om deel te nemen aan deze centrale handeling van aanbidding.

Packer Groeien in Christus (2)De tweede reden is dat het afleggen van belijdenis hét moment is in de ontwikkeling van een christen, waarop het dooplid een zelfstandig volwassen lidmaatschap krijgt, dat gebaseerd is op de persoonlijke aanvaarding van datgene, wat zijn ouders namens hem hadden beloofd, namelijk te geloven in en te leven voor de Drie-Enige God en met de duivel en het zondige in de wereld en in jezelf te breken. In de Anglicaanse Kerk wordt bijvoorbeeld gevraagd: ‘Vernieuwt u hier, in de tegenwoordigheid van God en van deze gemeente de plechtige belofte die namens u gedaan is bij uw doop, door hem nu persoonlijk te bekrachtigen en te bevestigen?’ Het voorgeschreven antwoord is ‘JA’ en dat spreekt, mits in oprechtheid uitgesproken, boekdelen. De gemeente, die de kandidaten hun geloof hoorde belijden, bidt met de predikant om de bevestiging en versterking door Gods Geest voor de vervulling van de belofte die zij net uitgesproken hebben.

Is openlijk belijdenis doen opbouwend? Is dit van betekenis en heeft het waarde? Wat denk jij ervan? Als dit heel serieus gedaan wordt, is het een diepgaande gebeurtenis van toewijding en hernieuwde toewijding, waarin wij getuigens geven van het reddende werk van Christus dat in geloof wordt omhelsd.

belijdenis is doenTot zover J.I. Packer over het belang van de persoonlijke belijdenis. Hij verwijst voor verdere bijbelstudie nog naar 1 Timoteüs 6:11-21 en 2 Timoteüs 1:8-14.

Voor ieder ouder dooplid én voor iedereen die ooit belijdenis heeft gedaan, vind ik vooral 1 Timoteüs 6 vers 12+13 en 2 Timoteüs 1 vers 8 erg bemoedigend. Durf het aan om in je eigen kerk in aanwezigheid van velen een krachtig getuigenis af te leggen (zoals Timoteüs eens als verlegen jongen deed), want je weet toch jouw voorbeeld is: Jezus, die voor Pontius Pilatus een krachtig getuigenis heeft afgelegd. En blijf het steeds weer doen, elke keer als je er voor komt te staan: Schaam je er dus niet voor om van onze Heer te getuigen.

EEN PREEKBEURT IN NEUHOFEN – OOSTENRIJK

Afgelopen weekend ben ik ‘even’ naar Oostenrijk op en neer gegaan. Zaterdagmorgen om twintig over zeven vertrok ik vanuit Groningen en ’s avonds om kwart voor zes middags stapte ik in Oostenijk uit bij Linz. Maandagmorgen om kwart over acht stapte ik in Linz weer op de trein en stapte om half acht ’s avond weer uit de bus bij het Achilles-terrein in Assen.  En dat allemaal voor één preekbeurt in de Evangelisch Reformierte Kirche van Neuhofen an der Krems.

Sulzfluh

Ich hebe meine Augen auf zu den Bergen. Woher kommt mir Hilfe? Meine Hilfe kommt vom HERRN, der Himmel und Erde gemacht hat.

Waarom ging ik daarheen? Allereerst: omdat ik toevallig een extra zondag vrij was. Normaal gesproken zouden we als kerken van Beilen, Hooghalen, Assen-West en Assen-Peelo dit weekend ons belijdeniskamp houden. Maar door omstandigheden kon dat dit jaar niet doorgaan, bleek vlak voor de zomervakantie. Voor de kerkdiensten in Peelo was er al preekvoorziening geregeld, dus gaf de kerkenraad mij toestemming om in Neuhofen te preken en het Avondmaal te bedienen.In Neuhofen bestaat sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw een hele kleine gereformeerde kerk. In de eerste jaren was ds. Reinhold Widter daar predikant. De gemeente had kontakt met de GKV van Dalfsen en werd later door de SSRO (Stichting Steun Reformatie Oostenrijk) gesteund. In de jaren ’90 van de vorige eeuw kwam er meer dan 500 kilometer verderop, tegen de grens met Zwitserland, een tweede gemeente bij. Want daar, in Rankweil, woonde een gezin dat lid was van de kerk van Neuhofen. Niet echt handig natuurlijk, 500 km. verder op. Gelukkig kwam er een tweede Oostenrijkse predikant, ds. Reinhard Mayer,  die samen met dit gezin een tweede ‘Reformierte Kirche’ in Oostenrijk stichtte. In de jaren erna groeide de kerk van Rankweil naar bijna 100 leden. En kwamen er in Zwitserland (in Winterthur met ds. Thomas Reiner en in Basel met ds. Kurt Vetterli) en in Oostenrijk (in Wenen met ds. Brad Hunter) nog drie kleine kerkjes bij.

Maar de kerk van Neuhofen ging door een paar diepe dalen in de afgelopen 10 jaar. Eerst verliet ds. Widter plotseling de gemeente. Er bleven maar 20 leden achter met één ouderling, br. Günter Dreer.  In 2008 kreeg de gemeente van Neuhofen een nieuwe predikant, ds. Alessandro Brunel. Met zijn gezin kwam in Neuhofen wonen, maar na ruim een jaar bleek het predikantschap te zwaar voor hem te zijn. Gelukkig bleven hij en zijn vrouw lid van de gemeente. In 2010 kreeg Neuhofen opnieuw een predikant in de persoon van ds. Michael Meuleman, die in Nederland beroepbaar was in de Hersteld Hervormde Kerk. Met een half-Oostenrijkse achtergrond leek hij een heel geschikte persoon voor Neuhofen. Na een goede start bleek helaas, dat hij en zijn gezin het om “culturele, persoonlijke en financiële redenen geen toekomst meer in Oostenrijk” zagen, stond in het Oostenrijk Bulletin van maart 2013 en in het Nederlands Dagblad van 7 maart 2013. Vrij snel daarna is ds. Meuleman ook terug naar Nederland gegaan. Voor de gemeente van Neuhofen was dat een grote teleurstelling. Ouderling Günter Dreer schreef in het Oostenrijk Bulletin van juni 2013: We vragen ons natuurlijk soms af of God zijn genade nu aan ons onttrekt. Maar meteen erna schrijft hij, dat hij zich dat niet kan voorstellen, omdat er in Neuhofen nog steeds een kerk is waar elke zondag Gods levende woord te horen is. Dat gebeurt nu met leespreken van vooral de andere vier dominees uit Zwitserland en Oostenrijk. Die komen ook een paar keer per jaar in Neuhofen preken, maar dat zijn dus reizen van meer dan 1000 kilometer als je de heen- en terugreis bij elkaar op telt.

Vanuit Nederland gingen er vroeger af en toe predikanten naar Neuhofen en Rankweil om daar te preken. Ik zelf heb dat ook verschillende keren gedaan in beide gemeentes. Sterker nog: in 1991 zijn Karla en ik al in Neuhofen geweest om te kijken of we daar als diakonaal-missionair werker aan de slag konden. Dat is toen niets geworden, omdat ik denk dat mijn roeping toch hier in Nederland ligt.  Maar Oostenrijk heeft altijd onze warme belangstelling gehouden. En nu Neuhofen weer zo’n moeilijke periode doormaakt, wordt de komst van een dominee die Gods Woord verkondigt en het Avondmaal bedient, erg op prijs gesteld.

Hier in Nederland kunnen we ons haast niet voorstellen dat er in heel Oostenrijk en Zwitserland maar vijf (!) kleine Reformierte Kirchen zijn. En dat men in Neuhofen al zo’n 30 jaar met nog geen 12 belijdende leden en soms wat uitschieters naar boven, gemeente van Jezus Christus is. Ja, het is echt bijzonder, dat er in Oostenrijk en Zwitserland kleine kerken ontstaan en blijven bestaan waar men werkelijk bijbelgetrouw en gereformeerd wil zijn! En dat de HERE dat zegent met steeds weer nieuwe mensen die daar bij komen. Daarom ging ik graag ‘even’ heen en weer naar Neuhofen met een preek die een collega-predikant uit Nederland die in Duitsland geboren en getogen is, voor mij vertaald heeft. En ’s avonds maakte ik de ‘Gebetstunde’ mee, waar vijf gemeenteleden bij elkaar kwamen om samen de bijbelteksten bij twee artikelen uit de Westminster Geloofsbelijdenis te bestuderen en vooral om samen te bidden en te danken voor Gods liefde en zorg, omdat Hij ons zijn Zoon Jezus als Redder en zijn Heilige Geest als Trooster geeft.

‘Even’ naar Neuhofen op en neer. Het is inderdaad maar even en het is maar een klein beetje. Maar iedereen kan wat doen, ook jij! Namelijk meeleven en meebidden met deze zusterkerken. Op de website van de SSRO (www.ssro.nl) kun je veel informatie vinden (onder andere de kerkdienst die op Ned. 2 met ondertiteling is uitgezonden vanuit Rankweil) en als je het Duits een beetje beheerst, kun je op www.reformiert.at nossro-logog veel meer over de Evangelisch Reformierte Kirche lezen. Via info@ssro.nl kun je je ook abonneren op het Oostenrijk Bulletin dat 4x per jaar verschijnt. En omdat alle vijf de kerken echt heel klein zijn en ze samen wel vier predikanten moeten onderhouden, is financiële steun uit Nederland ook echt nodig. Ik zou iedereen willen vragen om deze prachtige ontwikkeling in Gods Koninkrijk te willen ondersteunen met een gulle gift.  Die kun je overmaken op giro 65688 of bankrek. 312 893 507 – beide t.n.v. SSRO te Amersfoort. Het ene DOEN (het bidden) en het andere NIET NALATEN (een gulle gift) zou ik zeggen.

SELA over de DOOP

Onze kerk in Assen-Peelo is een kinderrijke gemeente. Dus hebben we eigenlijk elke maand wel één of twee doopdiensten. Meestal van kleine kinderen uiteraard. “Want de kinderen horen evengoed als de volwassenen bij Gods verbond en bij zijn gemeente”, belijden we op grond van Genesis 17:7 met Zondag 27 van de Heidelbergse Katechismus. Gelukkig  komt het ook af en toe voor dat volwassenen zich laten dopen, want Gods beloften van vergeving van de zonden door het bloed van Christus en vernieuwing van het leven door de Geeest van Christus gelden volgens Petrus niet alleen voor de gelovigen en hun kinderen, maar ook “voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot Zich zal roepen.” (Handelingen 2:39).

Doopdiensten zijn bij ons in de kerk altijd blijde diensten. Het enige waar de aanwezigen soms niet blij van worden is de lengte van de dienst. Dat ligt dan meestal aan mij – ik raak nooit uitgeleerd, zeker niet als het om het inkorten van de preek gaat bij bijzondere diensten. Maar voor de rest is een doopdienst altijd één groot feest. Niet in de eerste plaats omdat het allemaal zo mooi en vertederend is. Vooral omdat bij elke doop steeds heel duidelijk wordt: GOD begint! Dat zie je bij de doop van kinderen natuurlijk het duidelijkst. Maar ook als in onze kerk volwassenen zich laten dopen, getuigen zij er altijd van, dat God al veel eerder met hen bezig was dan omgekeerd. En de doop zet dáár het stempel op: op God die Zich aan zo’n klein mensje of zo’n volwassen man / vrouw verbindt.

De doopvont van de Jozefkerk in Assen

De doop is dus het stempel van wat God belooft en niet van wat degene die ondergedompeld wordt gelooft. Daarmee ben je, denk ik wel eens, in één keer klaar met heel die diskussie over kinderdoop en volwassendoop. Als het echt waar is dat de doop Gods JA-woord aan mij is en belijdenis-doen mijn JA-woord aan God is, dan kun je nooit meer zeggen, dat je wel voor de tweede keer in je leven gedoopt mag worden. Hooguit kun je dan zeggen, zoals J.I. Packer in zijn boek ‘Groeien in Christus’: “De baptisten dragen de kinderen op (een ‘droge doop’ in de ogen van de kinderdopers) en dopen later met water. Andere protestanten dopen de kinderen en bevestigen die later met een persoonlijke geloofsbelijdenis (een ‘droge doop’ in de ogen van baptisten).” Packer zegt direct daarna: ‘Het zou niet moeilijk moeten zijn voor kinderdopers en voor volwassendopers om in wederzijds respect samen te werken, want bijbels en pastoraal gezien zijn beide praktijken (Gode zij dank) parallel van betekenis.’ Als je het daar samen over eens kunt worden, kan het niet anders of je komt uit bij het standpunt dat Packer praktiseert: óf te vroeg óf te laat maar niet dubbel!

Jammer genoeg is  Packer op het punt van de doop net even te bijbelgetrouw, zodat hij alle christen tot deze milde wederzijdse acceptatie op kan roepen. Want hij ziet, net als ik, de doop toch echt als het stempel van God op iemands leven. Een stempel zonder vrijblijvendheid, want iedere doop vraagt nadrukkelijk om een levenslang antwoord. Je ontvangt pas echt wat God belooft als je ook werkelijk in Hem, Vader, Zoon en Geest, gelooft. Vandaar dat zowel gereformeerden als baptisten twee momenten van inwijding en toewijding hebben: aan het begin van iemand leven en rond de leeftijd dat iemand volwassen wordt. Voor mij is het zonneklaar, dat bij ‘inwijding’ het stempel van de doop hoort als teken van God en bij ‘toewijding’ mijn geloofsantwoord als keus voor God. Samen vormen ze twee helften, waarbij God altijd voorop gaat en begint. Maar zolang evangelische auteurs nog schrijven: “De doop is een teken dat de mens antwoord geeft op Gods aanbod van vergeving van zonden en eeuwig leven. Natuurlijk had God allang ‘ja’ tegen jou gezegd, maar nu geef je Hem jouw antwoord. Dáárvan leg je getuigenis af in de doop” (citaat uit het boek ‘Dopen en laten dopen’ van E.W. van der Poll) zal deze milde wederzijdse acceptatie er niet komen, ben ik bang. Want dan is het karakter van de doop totaal veranderd: het onderstreept niet langer Gods beloften, maar is een teken mijn geloofskeus.

KISSNu kun je hier eindeloos over diskussiëren. Maar je kunt het ook KISS houden (Keep It Stupid Simple). En daar kies ik liever voor. De doop is namelijk een KISS van Gods liefde voor jou en mij. Die liefde verandert niet dus hoef je ook nooit meer die KISS over te doen. Maar echte liefde vraagt wel om een antwoord, anders wordt het wel een wat eenzijdige relatie, en dat is nooit Gods bedoeling.

Heel mooi wordt dat onder woorden gebracht in het lied DOOP van de christelijke band Sela. Wie googelt op ‘Sela’ en ‘Doop’ vindt zowel de tekst als een prachtige uitvoering van Sela zelf op You Tube (http://www.sela.nl/liederen/76/doop.html?o). Niet alleen de uitvoering is erg mooi, ook de inhoud is bijzonder fraai en bijbels. Daarom zingen we dit lied ook graag bij een doopdienst, want of het nu om kinderen of volwassenen gaat:

In het water van de doop, zien wij hoe God zelf belooft, dat zijn Naam voorgoed aan ons verbonden is. Water dat getuigt en spreekt, van de hoop die in ons leeft, dat Gods liefde voor ons niet veranderd is.
Eén met Christus in zijn dood, gaan wij onder in de doop, overtuigd dat er bij Hem vergeving is.  Eén met Christus, ingelijfd, staan wij op van schuld bevrijd, in een leven dat voorgoed veranderd is.
Met de Heer begraven en weer opgestaan, om voor Hem te leven, Jezus’ weg te gaan. Uit het water van de doop, putten wij geloof en hoop, dat Gods trouw en liefde blijvend is. Dat Gods trouw en liefde blijvend is.
In zijn lichaam ingelijfd: Christus’ kerk die wereldwijd, is geroepen om een beeld van Hem te zijn. Mensen overal vandaan, die de weg van Christus gaan, om vernieuwd voor Hem te leven, vrij te zijn.
Reinig ons, vernieuw ons leven Heer. Heilig ons, en vernieuw ons leven Heer.
Prijs de Vader, prijs de Zoon en heil’ge Geest! Prijs de Heer met al wat leeft en adem heeft! Wat een liefde, wat een hoop! U verzegelt door de doop dat ons leven bij U veilig is. Dat ons leven bij U veilig is.

Een prachtig, bijbels lied over de doop dus. Dat het veel en vaak gezongen mag worden, elke keer als iemand voor het eerst Gods beloften op het voorhoofd gestempeld krijgt. Want deze inhoud past toch echt niet bij een (over)doop ter onderstreping van het geloof van de dopeling.

Over de kinderdoop schreef ik nog een paar blogs:
Wanneer laat je je kind dopen?
Te vroeg of te laat, maar niet dubbel
Kinderdoop normaal – uitstel soms – herdoop nooit

DE KOFFIE EN HET GLAS – over geloof en vorm en over winkelen op zondag

Waar gebruik je een glazen mok voor? Dat hangt er maar net van af. Is het een antiquarisch pronkstuk, dan zet je ‘m achter in de vitrinekast. Want stel je voor dat ‘ie barst als je er hete koffie in giet of ‘m uit je handen laat vallen. Is het simpel keukengerei, dan drink je er warme koffie uit. En daarna gaat ‘ie gewoon het afwaswater in.

De diskussie over wat een christen wel of niet mag op zondag is weer in alle hevigheid opgelaaid. Aanjager is deze keer dr. George Harinck, hoogleraar aan de VU in Amsterdam en de TU in Kampen. In het Nederlands Dagblad van 3 augustus schreef hij een column met als titel “Op zondag naar de Albert Heijn”. Dat kan binnenkort in zijn woonplaats Amersfoort. Wat moet je daar nou van vinden? George Harinck laat daar zijn mening over horen. Volgens Harinck is onze samenleving de afgelopen 50 jaar behoorlijk veranderd. Het christelijk karakter is in sneltreinvaart uitgeroeid en de verzuiling bestaat niet meer. Veel christenen zien dat als duidelijke tekenen van verval en achteruitgang. Maar zo denkt Harinck er niet over. Hij geeft aan, dat de ontkerkelijking in de jaren ’70 op haar hoogtepunt was. Toen werden christenen in de academische wereld en in het publieke  domein (politiek en Hilversum) nog meewarig aangekeken en buitengesloten. Maar die tijd zijn we voorbij. Nu telt de mening van orthodoxe christenen volop mee, staat godsdienst weer op de publieke agenda en is het niet alleen geaccepteerd, maar wordt het ook gewaardeerd, dat christenen veel opener geworden zijn over hun geloof. Oftewel: de samenleving is veranderd en de christenen met hun gedrag en opvattingen ook. Harinck vindt dat alleen maar winst. ‘Wie nu nog over secularisatie begint heeft de boot gemist. Dat verval-verhaal zijn we voorbij.’ De openstelling van de plaatselijke Appie Happie op zondag is dan ook geen achteruitgang, maar een teken van een veranderde samenleving. En zo’n veranderingen hoef je volgens Harinck niet altijd te vermijden. Dus sluit hij af met de zin: ‘Misschien ga ik zondagmiddag toch even langs Albert Heijn.’

Daar is dr. Wim Dekker, stafmedewerker van de IZB, het totaal niet mee eens. Zijn reaktie in het Nederlands Dagblad van 9 augustus heeft als titel “Christen winkelt niet op zondag”.  Volgens hem is er sprake van groot verval als de samenleving zich losmaakt van Gods heilzame geboden. Juist dan is het de taak van christenen om ‘door alternatief gedrag het besef in de samenleving levend [te] houden dat de Heer de bevrijder is van alle machten die ons binden.’  Zulke idealen moet je niet aan de SP overlaten, want juist dán hebben christenen de boot gemist! Maar haast nog belangrijker vindt Wim Dekker het volgende: het persoonlijke geloof van een christen wordt gedragen door de grotere gemeenschappen van gezin, familie, kerk en school. Dat is allemaal aan het wegvallen in onze samenleving.  Het christelijk geloof is niet meer dan een ‘niet zo voor de hand liggende optie’ geworden. Volgens Dekker is het daardoor razend moeilijker geworden om vol overtuiging christen te zijn . Want geloven moet je in deze geïndividualiseerde samenleving, die in haar geheel los van God is, nu helemaal alleen doen. En dat valt niet mee. De meeste mensen zwemmen nu eenmaal niet graag tegen de stroom in. Oftewel: er zijn kaders nodig waarbinnen mensen zich tot God bekeren en die hen helpen overtuigd christen te blijven. De instelling van de zondag is zo’n kader, en dat dat betekent volgens Dekker o.a. ‘dat christenen consequent geen winkels op zondag bezoeken.’ Hij beseft daarbij heel goed, dat geloven dieper gaat dan je houden aan die kaders en geboden. Toch sluit hij zijn reactie af met de zin: ‘Laten we niet onderschatten wat het betekent nu deze kaders vandaag wegvallen.’

Toen ik het verhaal van Harinck las, dacht ik: dat is een aardige column over meer openheid, zowel van christenen als voor het christelijk geloof. Maar ik zie niet in Zonder Zondag 01waarom een christen dan ook gelijk zelf op zondag bij de Albert Heijn zo mogen binnenstappen. Dan loop je volgens mij gewoon met de grote meute mee. Bij het verhaal van Dekker heb ik het omgekeerde. Natuurlijk helpen strukturen mensen om christen te worden en te blijven, maar kweek je daar niet een gemakzuchtige naam-christenen mee? Zolang je maar meeloopt in ’t gareel, vind je jezelf een goede christen.

In deze diskussie over wel of niet winkelen op zondag is het voorbeeld van de koffie en het glas ons wel handig, denk ik. Om koffie te drinken heb je een glas nodig. Want vanaf een schoteltje of een plas koffie op het aanrecht gaat het echt een stuk onhandiger. En als het glas lek is, hou je ook niet veel koffie meer over. Om de inhoud (de koffie) op een goede manier tot je te nemen, heb je een geschikte vorm (een glas) nodig.

Zo is het met het christelijk geloof ook. Het gaat om de inhoud: in wie geloof ik? De vorm en de vormgeving van het geloof in God die dankzij zijn Zoon Jezus Christus mijn God en Vader is, is veel minder belangrijk. Toch zijn die vormen wel nodig. Want het geloof komt niemand aanwaaien. Het wordt overgedragen. Van ouders op kinderen. Via mond-op-mond-reclame. Door het voorbeeld van een christelijke levensstijl. Tenminste, volgens mij werkt de Heilige Geest zo als ik de Bijbel goed lees. Vormen zijn dus wel degelijk belangrijk. Een christelijke opvoeding wordt door de HERE meer gezegend dan een ongelovige opvoeding. En er komen meer jongeren tot geloof die van jongs af aan trouw mee naar de kerk gaan, dan jongeren die van hun ouders in het weekend alles mogen, maar nooit een kerk van binnen gezien hebben. Je hebt een glas nodig om koffie te kunnen drinken. Zo heb je kaders nodig om de persoonlijke geloofsovertuiging vorm te kunnen geven. Daarin heeft Wim Dekker beslist gelijk.

Maar nu het risiko. Voor je het weet, ben je zo gehecht aan je eigen koffiemok, dat je uit geen enkel ander glas nog koffie drinken wilt. De vorm wordt belangrijker dan de inhoud. Ik denk dat dat altijd weer het gevaar is van elke christelijke gemeente. ‘Zo zijn onze manieren’ en die manieren hebben hun waarde bewezen, dus zijn het ook de enige manier om het christelijk geloof vorm te geven, zuiver te bewaren en door te geven. Wat er dan gebeurt is dit: het glas wordt een pronkstuk en komt in de vitrinekast te staan. Mijn geloof dat God dankzij zijn Zoon Jezus Christus mijn God en Vader is, wordt van lieverlee een vormengeloof.  De regels worden belangrijker dan de inhoud. En als iedereen diezelfde christelijke normen en waarden deelt, kun je je daar ook lekker achter verschuilen of in meelopen zonder zelf ooit een persoonlijke keus  voor God en Jezus te maken. Dat veilige kader in ons land is in de afgelopen 50 jaar volledig verdwenen (ook al zijn er nog wat van die christelijke enclaves over). Als je echt christen wilt zijn, moet je  kleur bekennen. Ik geef George Harinck beslist gelijk, dat hij dat laatste positief waardeert. In het christelijk geloof hoort inhoud boven de vorm te gaan – en dat besef zijn we wel eens kwijt geraakt.

En toch blijf ik met een vraag zitten. Als de tijden veranderen, moeten alle vormen dan ook overboord? Of als de leus van vandaag is: ‘Ik doe het op mijn manier’, mag je dan nooit meer zeggen, dat één bepaalde manier toch echt het beste overeenkomt met Gods bedoeling? En elkaar dan binnen de christelijke gemeenschap ook aan houden? Natuurlijk mag dat, denk ik aan de ene kant. Want in een glas hou je het best de koffie warm. En met heldere kaders hou het best je eigen en elkaars geloof levend. Maar waar eindigen de kaders, denk ik aan de andere kant. Voor je het weet focussen we ons niet meer samen op God en Jezus , maar schrijven we elkaar de wet voor. En als dat altijd Gods heilzame geboden waren …

Het is in onze tijd belangrijk om elkaar scherp te houden op de inhoud. Misschien hebben we daarom zo’n diskussie over wel of niet winkelen op zondag wel nodig. Want dan wordt de vraag: waarom vindt de een het glas van de zondagsrust zo belangrijk dat wat hem betreft ‘christenen consequent geen winkels op zondag bezoeken’ en waarom vindt de ander het glas van de christelijke vrijheid zo waardevol  dat  hij zegt: ‘Misschien ga ik zondagmiddag toch even langs Albert Heijn’? En samen kom je pas echt verder, als je nadenkt over de vraag die Wim Dekker in zijn artikel stelt: hoe zou God het morgen en overmorgen graag zien? Dekker stelt die vraag trouwens niet, hij geeft die als opdracht voor het stellen van kaders voor kerk, samenleving en persoonlijke christelijke levensstijl. Dat vind ik een prachtige insteek. Maar het is ook een gigantische uitdaging.

Tzondagsrust-smallenslotte: als het om de zondag gaat, denk ik dat we als christenen die dag beter kunnen heiligen door zoveel mogelijk te laten waar we zes dagen in de week alle gelegenheid voor hebben, en te doen voor ons geloofsleven waar we zo vaak de andere zes dagen in de week niet aan toekomen. Oftewel: op zondag ga ik liever voor een AH-erlebnis naar de kerk dan voor het AH-gevoel naar de supermarkt. Zelfs als de koffie op is of het glas gebroken.

Tenslotte, met dank aan mijn zwager René: http://www.youtube.com/watch?v=ogweL4E24ok

OP BERGEN EN IN DALEN – JA OVERAL IS GOD!

We zijn weer terug op de basis. Twee weken lang heerlijk ontspannen in Wallis – Zwitserland, vlak bij de indrukwekkende Aletschgletsjer. Voor de geïnteresseerde lezer: we zaten in het skidorp Bel-Alp, op dik 2000 meter hoogte in één van de twee 6-persoons-chalets van www.huisjeindealpen.nl.

Vaak is mij Psalm 121 door de gedachten geschoten: Ik sla mijn ogen op naar de bergen, van waar komt mijn hulp? Mijn hulp is van de HERE die hemel en aarde gemaakt heeft. 

Met die eerste woorden kun je twee Aletschgletscherkanten op. Volgens sommigen zingen de pelgrims naar Jeruzalem deze Psalm als blijk van hun vertrouwen op God. De bergen zijn gevaarlijke bergen, omdat daar het gevaar op de loer ligt: brutale roversbenden die de pelgrims kunnen overvallen of vijandelijke legers die Israel onder de voet willen lopen. Dan heb het wel nodig om je vertrouwen op de HERE, je God, te stellen! Anderen zeggen dat de pelgrims onderweg onder de indruk komen van de grootheid van Gods schepping. Zie je die prachtige bergen? En in de verte (het hangt er maar vanaf aan welke flank je loopt) aan de ene kant de Middellandse Zee en aan de andere kant de Jordaanvallei? Prachtig! Dat is het werk van de HERE die hemel en aarde gemaakt heeft. Wat ben ik blij dat ik Hem mag kennen als mijn Helper!

Ik denk dat de eerste uitleg wel het meest voor de hand ligt.

Maar op vakantie – waar je ook zit, maar zeker als je in de bergen rondbanjert, komen de gedachten aan Gods majesteit en pracht in de schepping heel sterk naar voren.  In de bergen ervaar je Gods grootheid en ook een stukje van zijn ontoegankelijkheid. En je leert jezelf kennen als een klein mensje. Daarmee leert de HERE mij weer een extra stuk bescheidenheid. We denken dat we als mensen zoveel kunnen. En dat is ook zo. De creatieve water-omleidingen uit de 13e eeuw én de enorme stuwmeren uit de 20e eeuw vormen het bewijs.

alpenmarmotMaar aan de andere kant is de natuur in de bergen zo OER – daarin verschijn je als klein mensje maar even als een stipje op de helling of op de top of, hangend aan je paraglider, in de lucht. Dan is de mens écht niet iemand om van onder de indruk te raken! De hoge bergtoppen, de immense gletsjers en de kolkende riviertjes in de dalen wijzen ons echt op de grote Schepper van alle dingen: God, onze Vader. Hij is, zegt Psalm 121, je wachter en de schaduw aan je rechterhand. En Hij waakt over je leven en houdt de wacht over je gaan en je komen, van nu tot in eeuwigheid.

Dat is een kwestie van geloof. En ik verbaas me er steeds weer over, dat zoveel mensen dat niet willen inzien en erkennen. Akkoord, dat er Iets is dat groter en meeromvattend is dan wij zijn, een scheppende macht, willen veel mensen nog wel geloven. Maar dat er Iemand is die Hoogstpersoonlijk in mensen en dus ook in jou en mij geïnteresseerd is, daar kun je toch amper in geloven vandaag de dag? De wetenschap kan zoveel verklaren en wat er voor de rest aan onverklaarbaars gebeurt in de schepping door middel van natuurgeweld en ziektes, is zo willekeurig, dat je daar toch zeker niet de hand van een zorgende God in kunt zien?

Al deze vragen kwamen ook aan de orde in een boek dat ik opnieuw gelezen heb in de afgelopen weken. Het is geschreven door Frank Westerman en heet ‘Ararat’. Het eerste hoofdstuk beschrijft dat hij als 11-jarig jongetje in –hoe toevallig!– precies hetzelfde riviertje als waar wij de voorgaande jaren in Oostenrijk zaten (de Ill), meters is meegesleurd omdat bovenaan bij het stuwmeer iemand overdag de sluizen had opengezet om flink wat overtollig smeltwater te lozen. Ternauwernood is hij aan de dood ontsnapt.

Daarna verloor hij zijn geloof. Toen hij in 40 was, ging hij op zoek naar de oorzaak waarom hij zijn geloof in de God van de Bijbel is kwijtgeraakt. Daarom gaat hij de berg Ararat beklimmen. In zijn reisverslag komen allemaal flash-backs terug én gaat hij praten met mensen uit zijn jeugd en tienerjaren. Erg interessant, omdat –alweer: hoe toevallig! – hij zijn jeugd en jonge jaren doorgebracht heeft in Assen. Zijn vader werkte bij de NAM en heeft zijn kinderen eind november 1965 de boortoren ’t Haantje laten zien, die een paar dagen later volledig in de grond verdwenen is. Een ‘geweldige bewaring’ noemt de vrijgemaakte collega van zijn vader het, dat daar geen doden bij gevallen zijn.

Afgrond suonenEn Frank Westerman zat op de Christelijke Scholengemeenschap Assen (nu het Vincent) waar leraren en leerlingen eind jaren ’70 worstelden met de evolutietheorie. Maar geleidelijk aan heeft het ‘geloven in kennis en wetenschap’ het geloof in God helemaal verdrongen. Zijn beklimming van de Ararat, samen met een aantal zoekers naar de ark van Noach, doet hem beseffen, dat hij het kinderlijke geloof en vertrouwen is kwijtgeraakt – maar dat hij er niet zeker van is of hij dat ook echt jammer vindt.

Ik haal dit boek erbij, omdat ik het zo geweldig triest vind, dat hier iemand aan het woord is, die als veertiger (hij is net als ik van 1964) aangeeft dat ál zijn kennissen en vrienden het christelijk geloof volledig zijn kwijtgeraakt. Als hij zijn doopkaart ziet, schrijft hij dat zijn eerste indruk is: ‘een curiosum uit de tijd waar ik nog net het staartje van heb meegemaakt. Ik kende niemand van mijn generatie die zijn kinderen nog liet dopen.’ En als op die doopkaart de tekst uit Jes. 43:1-2 staat (vers 2b: ‘gaat gij door rivieren, zij zullen u niet wegspoelen’) denkt hij meteen terug aan Oostenrijk 1976, toen hij bijna in de Ill was weggespoeld door het losgelaten stuwwater. Is er toch “de Voorzienigheid” om in te geloven? Nee, schrijft hij meteen, dat ‘had toch echt alleen met toeval te maken’ en ‘mijn verstand kon me geruststellen dat Jesaja 43:1-2 een veelgebruikte dooptekst was’, en bij de Titanic waren ook veel gedoopte drenkelingen.

Tegenover zo’n erg interessant en lezenswaardig boek, dat mij ten diepste triest en verdrietig maakt, staat voor ons de mooie ervaring van de zondagse kerkdiensten in de kleine “Evangelisch Reformierte Kirche” – de vorige jaren in Rankweil en de afgelopen weken in Brig. Belalp kerkjeIn de ene plaats (Rankweil – Oostenrijk, zie www.reformiert.at en ook www.ssro.nl) groeit heel langzaam een gemeente met mensen die het houvast voor hun leven bij God hun Schepper en Vader en Jezus hun Redder en Vriend zoeken. In de andere plaats, Brig – Zwitserland, klinkt in een reformierte volkskerk (1000 leden, 25 kerkgangers) nog steeds het Evangelie van Jezus Christus. Zo merk ik op vakantie inderdaad, dat God niet allen op de bergen en in de dalen, maar overal is. Ook in de harten van mensen!

Achter natuur en wetenschap God zien als de Ontwerper en als de Verlosser  – dat maakt het leven waardevol en geeft het leven zin! Dat herinnert me aan de uitdrukking die ik al in Kampen als 1e-jaars uit m’n hoofd moest leren van enkele ouderejaars-studenten:

NATUUR EN GENADE DIE TWEE LIJDEN SCHADE WANNEER MEN DE EENHEID NIET ZIET