C.J. Haak – PLAYBACK of LIVE (de betekenis van de Vrijmaking na 75 jaar) – deel 3

Kees Haak

Foto: Dick Vos

Wat kunnen we leren van de Vrijmaking in 1944 voor vandaag en voor de toekomst? Drs. Kees Haak (geboren en getogen op Zaamslag en van 1989-2014 hoogleraar missiologie aan de T.U. in Kampen) hield in 1995 een referaat over de blijvende betekenis van de Vrijmaking. Met zijn instemming mag ik het op mijn weblog publiceren. Dat doe ik in vier afleveringen. Na de samenvatting van deel 1 en deel 2 volgt nu deel 3.

C.J. Haak – Playback of Live (de betekenis van de Vrijmaking na 75 jaar)

Samenvatting 1  Ontmoeting met de levende God

De Vrijmaking stond op de bres voor de realiteit van de leven­de God zoals Hij in de bijbel tot ons komt. Daarom werd een spekulatieve verkiezings­systematiek aangevochten en afgewezen. Zodoende kwam de weg vrij om het geloof weer een plaats te geven in de konkre­te werke­lijkheid van elke dag in plaats van in een soort boventijdelij­ke eeuwigheid.

Dat was tegelijk de doodsteek voor kerkelij­ke gear­riveerdheid en lauw­heid. In de prediking werden de mensen op­nieuw voor de levende God geplaatst. Dat wil zeggen de God die barmhartig­heid wil bewijzen aan duizenden die Hem daadwerkelijk liefheb­ben, vgl. Ps. 103, maar ook als de heilige God met eerbied en ontzag vereerd wil worden, Hebr. 12:28-29.

Samenvatting 2  Klem van bekering en geloof

De belijdenis van de levende God werd in de Vrijma­king kon­kreet uitgewerkt en geformuleerd in het spreken over de belof­te en de eis van het genáde-ver­bond. Daardoor werd het hele leven onder het beslag van de serieuze genade gesteld. De eis van het verbond was niet de zweep van het wetticisme en het behagen van een religieus gevoel, maar herkreeg zijn plaats binnen de kaders van het leven met God in zijn verbond. Gods eisen zijn evengoed genade, omdat Hij ons daarmee binnen de perken van het ver­bond houdt. Het is de ‘wet der vrijheid’, Jak. 2:12, waar­door we de genade niet verliezen.

Ook de sakra­menten werden in dat kader geplaatst. Zodoende werd de kinder­doop geen kussen voor valse geloofszeker­heid, maar een oproep ‘bij het op­groei­en de doop te leren verstaan’. Dat wil zeggen: om de genade die God bij de doop al beloofd had ook met­terdaad te belij­den, vast te houden en daarin door voortdu­rende en voort­gaande reformatie ook toe te nemen.

Met een verbondsprediking die gericht is op konkrete bekering en aktueel geloof heeft de Vrijmaking elke vorm van automa­tisme princi­pieel willen uitbannen. Daardoor ontstond er de ruimte van het evangelie voor een exis­tentieel en dyna­misch leven van geloof en dage­lijkse beke­ring. Hoe kon het ook an­ders, met een levende God.

3/ Zekerheid van het geloof vanwege betrouwbare beloften

In het verbond geldt niet alleen de eis, maar ook en vooral de beloften. Juist in de harde strijd tegen het verkiezingsschema kwam opnieuw aandacht voor het belofte-karakter van Gods Woord. Wanneer God naar ons toekomt met zijn evangelie belooft Hij ons vergeving van zonden en eeuwig leven. Dat is geen mededeling over onze toekomst, geen goddelijke waarzeggerij over onze plaats op de nieuwe hemel en aarde, maar een serieus voorhouden van de weg naar het leven. Kort gezegd: God doet in zijn Woord geen voorzeg­ging, maar toezegging. Dit leven is voor jou! Daar mag je zeker van zijn, zo waar als God je dit zegt. Dat belofte-karakter is fundamenteel voor het verstaan van de hele bijbel. God doet geen ‘state­ments’ over onze toekomstige status quo, maar komt naar ons toe met de uitnodigingsbrief van het heil. Je kunt daar verschil­lend op reageren.

Ik geef hier het voorbeeld van een brief van een man die zijn weggelo­pen vrouw terug wil hebben. Hij schrijft thuis in alle ernst een hartelijke plei­dooi tot herstel van de relaties. Dan valt op een goede dag die brief door de bus. En wat gebeurt er dan? Je kunt die brief verachte­lijk ver­scheuren. Dan heb je de brief wel gehad, maar hem niet geaccep­teerd. Je kunt hem ook accepteren, maar apathisch blijven wachten op de volgende stap, in twijfel of hij het wel echt meent. Je kunt ook op­springen van blijd­schap, alles vergeten en naar hem toeren­nen gedra­gen op de vleugels van vertrouwen en verlangen: ja, bij jou wil ik zijn, altijd! Kijk, die laatste ‘ontving’ de belofte, die geloof­de hem op zijn woord. De anderen kregen die belofte net zo goed, maar verspeelden die door noncha­lan­ce of twijfel. Het geloof ont­brak. Dat ongeloof be­rooft de belofte niet van kracht, maar ontmaskert de mens in zijn onwil en hardnekkigheid.

Want als God met zijn beloften naar ons toekomt, wie zijn wij dan om te twijfelen of Hij het wel echt meent? Of er niet de valstrik van de verkie­zing achter steekt, die het mij onmoge­lijk maakt om te geloven, v.g. D.L. III/IV, 8? Juist het belof­te-karakter van Gods spreken bewaart voor twijfel en apathie. Die belofte komt namelijk regelrecht uit het hart van God, vervuld met liefde in Christus. Zijn komst op aarde laat overduide­lijk zien dat het God ernst is met zijn toezegging over vergeving en eeuwig leven. Hij houdt geen twee ijzers in het vuur. Het is één evange­lie: wie de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, Joh 3:16.

Zo mogen predikers op weg. Ze hoeven niet schuchter te zeggen dat de hoorders misschien ook tot de verkorenen behoren. Ze hoeven evenmin op Gods troon te gaan zitten om te zeggen dat God van alle mensen houdt. Ze moeten de belofte van het evan­gelie prediking met bevel van bekering en geloof. Dan weet de mens waar hij aan toe is. Hij mag zich aan dit Woord toever­trouwen, God daarop aanspreken. Van Gods kant gezien geen enkele reden tot twijfel of een houding van afwachten.

Alleen op deze manier worden mensen van hun onge­loof en twij­fel verlost. Er is geen zekerheid te vinden in wat zich in ons hart afspeelt, niet in jouw ijver, jouw kerkgang, jouw gods­dienstigheid en vroomheid. De zeker­heid is alleen te vinden in wat God tot jou zegt: geloof de Christus.

Toen de doop van jonge kinderen moest plaatsvinden op ‘veron­dersteld geloof’ van dat kind werd de leer van de genade omgekeerd. De zekerheid moest nu steunen op menselijk geloof. De sakramenten moesten nu óns geloof onderstrepen, in plaats van Gods beloften te bevestigen. Daarmee werd geloof subjek­tief en genoopt om altijd te twijfelen.

Diezelfde tendens wordt dan ook doorgevoerd op de Schrift zelf. Het is niet meer het gezaghebbend spreken van God, maar is verworden tot een mense­lijk getuigenis van al dan niet manmoedig geloof. Daarmee is princi­pieel de basis van het christelijk geloof gebroken. Dan blijft er wel veel ruimte voor allerlei geloofsbeleving en spiritualiteit, maar men komt tenslotte alleen zichzelf nog tegen. In gezelschap van net zulke vrome Moslims, Boeddhisten en Hindoes.

Toen God in de Vrijmaking de ogen opende voor het belofte-karakter van zijn spreken kwam er weer vaste zekerheid voor het geloof. Niet het geloof zelf was zo geweldig, maar het houvast dat God gaf. Hij is betrouwbaar van A tot Z. Op Hem kun je aan. Dát geeft zekerheid en vertrouwen, moed en nieuwe levenslust. Je vaart niet zonder koers in deze verdwaalde wereld.

Dat is nog steeds aktueel. Tegen de moderne Schr­ift­kritiek, die de hele Schrift tot een belijdenis van mensen wil maken. Maar het is ook aktueel tegen elke vorm van evangelisch zelf­vertrou­wen, dat de kinderdoop weigert en daarmee de zeker­heid van het geloof verplaatst uit het spreken van God naar het hart van de mens.

Samenvatting 3

Met de belijdenis van het verbond van genáde maakte de Vrijma­king de weg vrij om de aard van Gods belof­te op­nieuw te bena­drukken. De be­lofte is geen stati­sche mededeling over een te veronder­stellen status quo, maar een belovend spreken van God zelf. Beloven is niet voor­spellen, maar toe-zeggen, aan-zeg­gen, een serieuze uitnodiging voor­hou­den, v.g. D.L. III / IV, 8. Dat geeft tegelijk ook de vaste basis onder het geloof aan. Je kunt op Gods spreken aan.

Deze visie geeft ook ruimte voor de prediking, bin­nen en buiten de kerk. Een predi­ker moet zijn hoor­ders niet te bena­deren met ‘informa­tie’ of ‘st­ate­ments’ [God heeft u lief, bijv.], maar met de se­rieuze uitno­diging en bevel tot geloof. Alleen met dit betrouw­bare spreken van God kan elke twijfel in geloof worden uitgebannen. Je bouwt in de doop en in geloof niet op het funda­ment van eigen overgave en toewij­ding, maar je klampt je vast aan de belovende God.

Daardoor is in de Vrijmaking opnieuw het unieke karakter van het chrístelijk geloof uitgekomen te­genover elke reli­gie die zijn start­punt in de gelo­vende mens neemt, ook wanneer dat gecamou­fleerd wordt door evangelisch vuur.

C.J. Haak – PLAYBACK of LIVE (de betekenis van de Vrijmaking na 75 jaar) – deel 2

Kees Haak

Foto: Dick Vos

Wat kunnen we leren van de Vrijmaking in 1944 voor vandaag en voor de toekomst? Drs. Kees Haak (geboren en getogen op Zaamslag en van 1989-2014 hoogleraar missiologie aan de T.U. in Kampen) hield in 1995 een referaat over de blijvende betekenis van de Vrijmaking. Met zijn instemming mag ik het op mijn weblog publiceren. Dat doe ik in vier afleveringen. Na de samenvatting van deel 1 volgt nu deel 2.

C.J. Haak – Playback of Live (de betekenis van de Vrijmaking na 75 jaar)

Samenvatting 1  Ontmoeting met de levende God

De Vrijmaking stond op de bres voor de realiteit van de leven­de God zoals Hij in de bijbel tot ons komt. Daarom werd een spekulatieve verkiezings­systematiek aangevochten en afgewezen. Zodoende kwam de weg vrij om het geloof weer een plaats te geven in de konkre­te werke­lijkheid van elke dag in plaats van in een soort boventijdelij­ke eeuwigheid.

Dat was tegelijk de doodsteek voor kerkelij­ke gear­riveerdheid en lauw­heid. In de prediking werden de mensen op­nieuw voor de levende God geplaatst. Dat wil zeggen de God die barmhartig­heid wil bewijzen aan duizenden die Hem daadwerkelijk liefheb­ben, vgl. Ps. 103, maar ook als de heilige God met eerbied en ontzag vereerd wil worden, Hebr. 12:28-29.

2/ Klem van bekering en geloof

Van die ontmoeting met de levende God is het maar een kleine sprong naar de klem van bekering en geloof. In de statische verkiezingsleer van Kuyper werd wel veel aangedrongen op zelfonderzoek en bekering, maar de kracht van die aandrang was gebroken. Er was geen reden meer om vanuit het verbond een appel te doen op bekering. In plaats daarvan werden de mensen terugverwezen naar hun subjektieve religieuze gevoelens ten opzicht van God en gods­dienst. Als je tot overtuiging komt dat je een verworpene bent, wat heb je dan nog te zoeken in de kerk? Als je dan, in dit schema, een verkorene bent, wat heeft de kerk dan nog anders dan sociaal belang?

Het gevolg van deze leer is dat de onverschillig­heid in de hand gewerkt wordt. Mensen zijn altijd genegen om zich niet zo ‘weg te gooien’ voor God. Ze komen naar de kerk, ze doen hun best in staat en maatschappij en hebben de indruk goed reli­gieus te zijn. De kiem van de wedergeboorte doet verder zijn werk wel.

Maar daarmee is het hart koud gebleven. Juist omdat Gód tot ons spreekt word je wakker geschud uit eigen sympathieke gedachten. Je wordt tot verant­woording geroepen. De bijbel leert niets over een zaad van wederge­boorte dat God in ons hart zou planten, al vanaf de geboorte. De ontmoe­ting met de levende God plaatst ons voor de werkelijkheid van het bevel van bekering en geloof. God laat geen video zien of een play-back-clip, maar spreekt ons aan. Er moet niet een zaadje tot bloei komen, maar we moeten een radikale keuze in het geloof maken. Geen pleidooi op eeuwige verkiezing kan de eis van geloof onderuit halen. God vraagt van ons geen speku­laties, maar gehoorzaam uitvoeren van de eis van zijn verbond.

Geloven is dan ook niet maar een gevoel dat ik religieus ben, maar een konkreet zichtbaar levens­gedrag en een hoorbare belijdenis, die in over­een­stemming is met de Schrift. Geloof wil zich laten gezeggen door de Schrift. Dat werd in de Vrij­making begrepen. Geloof is niet het meevaren op de koers van mensen, kerken, voorgangers, nog minder door traditie en geschiedenis, maar bukken voor het Woord van God. Dat gaf de moed om kerkelijk nee te zeggen tegen de overgrote meerder­heid. Omdat het geloof geen andere weg ziet dan gaan waar Christus voorging.

Bekering heeft allereerst te maken met de persoon­lijke omkeer naar God toe. Zoals in Tessalonica. Daar moesten de gelovigen zich losrukken uit het heidense milieu waarin ze groot waren geworden. Hun leven werd anders. De omgeving begon vragen te stellen, positief en negatief. Het leven van de christenen werd er niet makkelijker op. Er was geen plaats meer voor burgerlijkheid en knusheid. Wie koos voor Christus wist goed wat hij deed. Er kon smaad, laster en vervolging aan te pas komen. Dat kan iemand alleen volhouden als hij inderdaad God ontmoet heeft en gehoorzaam zijn geboden wil opvol­gen.

Die bekering is net zo hard nodig in kerkelijk milieu. De Vrijmaking zelf heeft nooit geleerd dat, nu alle kinderen inderdaad verbondskinderen zijn, en als zodanig behoren ge­doopt te zijn, er geen bekering meer nodig zou zijn, het zogenaamde ver­bondsautomatisme. Maar wat niet geleerd wordt, kan wel onbedoeld in de praktijk voorkomen. Net als de chris­tenen in Tessalo­nica moeten de ‘kerkelij­ke’ gelovigen niet blijven hangen in wat vroeger ge­bruikelijk was. Doop en beke­ring roepen altijd opnieuw op tot aktuele levensvernieuwing van alle verhoudin­gen, te beginnen bij de kerk zelf.

In de jaren vóór de Vrijmaking waren de Gerefor­meerde Kerken niet vrij van een gevoel van het gemaakt te hebben, gearri­veerd te zijn. Het plei­dooi voor het leven in het verbond in levende relatie met God werd door toon­aan­gevende voorgan­gers vaak gevoeld als een steen in een rimpello­ze vijver. Het kerkelijk leven moest vooral kabbelend doorgaan. De polemieken in de kerkbladen, die de gezapig­heid van de kerken ontmasker­den, waren velen een doorn in het oog. Het was juist de ver­bondspre­di­king die de lauwheid van het geloof ontmaskerde. Daardoor kwam er in veel opzichten een vernieuwd geloofsleven. Leven uit genade maakt echt dankbaar.

Maar als het zicht op het genadeleven verloren gaat, door te vertrouwen op wat er tot nu toe tot stand gebracht werd in alle kerkelijke en neven-kerkelijke bedrijvigheid, dan moet opnieuw worden teruggegrepen naar de betekenis van echte bekering en geloof. Dat geldt ieder persoonlijk, dat geldt ons ook als kerken. De Vrijmaking wilde geen nieuwe kerk zijn, maar reformatie en terugkeer naar het Woord van God. Dat vroeg toen de breuk met de synodale kerken en herorganisatie. Dat vraagt nu open ogen voor de wegen die de Here in deze tijd met mensen en kerken gaat. Kerkelijke bekering is niet alleen het volhouden van het goed recht van Vrijmaking. Het is telkens weer kerk willen zijn met allen die op basis van de Schrift en de gere­for­meerde belijdenis gelovig willen zijn.

De klem van bekering en geloof is geen slavendrij­ver die steeds opdrijft tot grotere prestaties, maar de rustige over­tuiging dat God met de kerken op weg is en van ons vraagt om mee te gaan, met open ogen voor onze omgeving. Het leert ook blij te zijn dat ook het kerkelijk leven, met alle vallen en opstaan, geborgen is in Christus. Het leven in het verbond leert dat de eisen van God juist funk­tioneren binnen het kader van zijn genade. Dat verlost van een dweperige bekeringsmani­festatie en perfektionisme, alsof de kerk maakbaar zou zijn naar onze inzichten.

Juist in het verbondsmatig denken gaan individuele en kerke­lijke bekering hand in hand. Dat geeft ruimte om mede-christe­nen uit andere kerkelijke tradities te waarderen en te erken­nen. Het geeft tegelijk de besliste moed om voortdurend aan te dringen op kerkelijke reformatie als genezing voor het hele christelijke leven. Leven bij de eis van het verbond in de zekerheid van het geloof stuurt het leven steeds meer op de weg van de genade en dankbaarheid. Daar bloeit het leven op, zoals God dat sinds de schepping heeft bedoeld, Ef. 4:20-24. Dan is er sprake van de ‘redelijke eredienst’, de vanzelfspre­kende toewijding van het hele leven aan God, Rom. 12:2.

Samenvatting 2

De belijdenis van de levende God werd in de Vrijma­king kon­kreet uitgewerkt en geformuleerd in het spreken over de belof­te en de eis van het genáde-ver­bond. Daardoor werd het hele leven onder het beslag van de serieuze genade gesteld. De eis van het verbond was niet de zweep van het wetticisme en het behagen van een religieus gevoel, maar herkreeg zijn plaats binnen de kaders van het leven met God in zijn verbond. Gods eisen zijn evengoed genade, omdat Hij ons daarmee binnen de perken van het ver­bond houdt. Het is de ‘wet der vrijheid’, Jak. 2:12, waar­door we de genade niet verliezen.

Ook de sakra­menten werden in dat kader geplaatst. Zodoende werd de kinder­doop geen kussen voor valse geloofszeker­heid, maar een oproep ‘bij het op­groei­en de doop te leren verstaan’. Dat wil zeggen: om de genade die God bij de doop al beloofd had ook met­terdaad te belij­den, vast te houden en daarin door voortdu­rende en voort­gaande reformatie ook toe te nemen.

Met een verbondsprediking die gericht is op konkrete bekering en aktueel geloof heeft de Vrijmaking elke vorm van automa­tisme princi­pieel willen uitbannen. Daardoor ontstond er de ruimte van het evangelie voor een exis­tentieel en dyna­misch leven van geloof en dage­lijkse beke­ring. Hoe kon het ook an­ders, met een levende God.

C.J. Haak – PLAYBACK of LIVE (de betekenis van de Vrijmaking na 75 jaar) – deel 1

Waar ging het om tijdens de Vrijmaking van 1944? Bij de 50-jarige herdenking hebben veel plaatselijke kerken er aandacht aan besteed. Ook op Zaamslag, mijn eerste gemeente, hebben we toen, in 1995, een gemeenteavond gehouden met twee hoofdsprekers. Allereerst ds. Jan Beekhuis (die ook geschiedenis studeerde, ooit een Zaamslagse schone aan de haak sloeg en vervolgens een aantal jaren in Zeeuws-Vlaanderen woonde) over de Vrijmaking op Zaamslag. Vervolgens drs. Kees Haak (geboren en getogen op Zaamslag en van 1989-2014 hoogleraar missiologie aan de T.U. in Kampen) over de blijvende betekenis van de Vrijmaking. Dat laatste gaf, vond ik toen al, extra waarde aan die herdenkingsavond, omdat we daarmee niet stil bleven staan bij een dankbaar terugkijken, maar ook indringend geconfronteerd werden met de vraag wat we voor vandaag en voor de toekomst van de Vrijmaking kunnen leren.

Kees Haak

Foto: Dick Vos

We zijn nu 25 jaar verder. Met instemming van de auteur volgt hier in vier delen het complete referaat. Er is niks aan de tekst veranderd (behalve dat het getal ’50’ een paar keer vervangen is door ’75’).

C.J. Haak – Playback of Live (de betekenis van de Vrijmaking na 75 jaar)

Inleiding

Wat doen we hier, na 75 jaar nog over de Vrijmaking praten? Was dat niet een ruzie in de kerk over ingewikkelde zaken als ‘vooronderstelde wederge­boorte’, ‘tweeërlei doop’ en ‘hiërar­chisch kerk­recht’? Bovendien zijn bepaalde besluiten van de Synode in 1944 later gewijzigd en achterhaald. Wie heeft ooit z’n synodale buurman of -vrouw nog over die vooronderstelde wedergeboorte horen praten?

Laten we daarom eerst een paar andere vragen stel­len, voor we verder gaan. Wat doen we als we naar de preek luisteren? Is dat informatie over Gods eeuwige besluiten aanhoren over de vastgestelde gang van zaken met de mensheid? Of is het een ontmoeting met de levende God die in ónze wereld wat te zeggen heeft en reaktie oproept? Dat was de kern van de Vrijmaking. Wat doen we als we een kind laten dopen? Mag dat wel? En wat hebben de ouders en het kind daar dan aan? Later wordt hij/zij misschien wel een ongelovige… Onzekerheid dus.

En als dan de baby sterft? Sta je dan met lege handen? Of heb je dan ook iets aan die doop? En als de gedoopte groot wordt en zich van de kerk af­keert, zijn dan de eerste pak weg twin­tig jaar van zijn of ­haar leven geen schijnverto­ning geweest?

En als je zelf in de twijfel van het geloof komt, hoe vind je dan God weer terug? Zijn dan bijbel, doop, preken, christelij­ke gesprekken een houvast voor je of kijk je verbijsterd naar de trein van het eeuwige leven die jouw deur voorbij­raast? Alsof die uit een andere wereld kwam… Wat heeft kerk-zijn en geloof nog voor zin in een wereld die steeds weerbarstiger schijnt te worden? Zijn kerk, geloof en zaligheid dan toch iets van een andere, goddelijke wereld, die de onze nauwelijks beroert?

Ook al werden andere woorden gebruikt, in de Vrij­making ging het over déze pro­blemen. Het was geen binnenbrand in de Neder­landse kerken, maar het ging om de onvoorwaardelijke geldig­heid van de beloften van God. Een probleem dat de hele wereld, gelovi­gen én ongelo­vigen aangaat. De aktuali­teit raakt zowel het kerkelijk leven in Nederland als de wereldwijde prediking van het evangelie. In de Vrijmaking werden de kerken door God gered van menselijke godsdienstigheid om aanhangers te blijven van de ware religie van genade.

Ik wil dat aan vier punten duidelijk maken, zoveel mogelijk in relatie met 1 Tess. 1:9-10.

1/ Ontmoe­ting met de levende God; 2/ Klem van bekering en geloof; 3/ Zekerheid van het geloof vanwege be­trouwbare beloften; en 4/ Open deuren voor een wereld in nood.

9 Iedereen praat erover hoe u zich van de ​afgoden​ hebt afgewend om u tot God te keren – om Hem, de levende en waarachtige God, te dienen 10 en om zijn Zoon te verwachten uit de hemel: ​Jezus, die Hij uit de dood heeft doen opstaan en die ons zal redden van het komende oordeel. (1 Tessalonicenzen 1:9-10)

1/ Ontmoeting met de levende God

Wat gebeurt er eigenlijk wanneer je de bijbel leest, naar de kerk gaat, een preek hoort? Of moet ik misschien vragen: gebéurt er wat? Want de syno­dale leer [ik gebruik ‘synodaal’ als onderscheid van ‘vrijgemaakt’, men hore er dus geen deni­greren­de klank in] liet dat helemaal open. Ja, er gebeur­de wel wat, de weg van het eeuwige leven werd geschetst, het heil werd gepreekt, maar voor wie en waarom? Er waren misschien kerkmensen tussen met een kiem van wedergeboorte in zich, die zich nu bewust werden van hun wedergeboorte, vergeving van zonden en eeuwig leven.

Want, volgens de leer van Kuyper, waren alle zonden van de uitverkorenen al van eeuwigheid vergeven. In de goddelijke Raad van Vrede had de Zoon namelijk beloofd dat Hij als Hoofd van het verbond alle uitverkorenen zou redden. Toen Hij dan ook aan het kruis die belofte had waargemaakt waren daarmee alle uitverkorenen ‘in Hem’ gered. Het enige wat nog overbleef was dat in de loop van de geschiede­nis alle uitverkorenen zich dit ook bewust moesten worden. De uitverkorenen konden om zo te zeggen op hun (onverdien­de) lauweren rusten. Met de bijko­mende gedachte dat de niet-uitverkorenen nu eenmaal helaas de boot hadden gemist, eigenlijk dus buiten hun schuld om…

Alleen maar, hoe wist je nu dat je niet verworpen was, maar uitverkoren en zeker van je heil? Dat moest je ontdekken door zelfonderzoek. Je kon geen beroep doen op het verbond of de doop, want het echte verbond en de echte doop waren alleen voor de uitverkorenen. Je kon dus niet zeker weten of je wel echt verbonds­kind was. Daarmee kon je ook niet meer weten of het heil dat de uitverkore­nen ‘eigen’ was, ook wel voor jou bedoeld was. In de preken werd het schema van de eeuwige verkiezing voorge­houden, maar zonder troost voor mensen die twijfel­den aan hun geloof, bekering en dus verkie­zing.

Daardoor kwam er steeds meer fantasie en spekulatie op in het geloofsle­ven. Je moest er maar van uit­gaan dat God jou verko­ren had, totdat het duidelijk anders bleek. Zeker bij de kinderen kunnen we niets zeker zeggen, maar neem maar aan dat ze bij de echte verkoren verbondskinderen horen. Als ’t later anders blijkt, ja dan hebben we verkeerd beoor­deeld.

De grondfout van deze leer was dat men ging filoso­feren over de verborgen dingen van God, de verkie­zing van eeuwigheid. In Deut. 29:29 wordt daar tegen gewaar­schuwd. Gevolg was dat de verkiezing zo centraal stond dat het verbond daardoor helemaal werd weggedrukt, alleen schijnbaar gered met een uitwendig verbond (voor niet-verkorenen) en een inwendig verbond (voor verkorenen). Men staarde zich blind op de verkiezing en zag zodoende de verkiezende God niet meer! De levende God werd vervangen door het schema van verkiezing.

Hiertegen verzetten zich de vrijgemaakten. Er was geen bezwaar tegen de verkie­zing van eeuwigheid, maar tegen de manier zoals die verkiezing in de geschiedenis werkelijkheid wordt. Onze geschiedenis is geen toneel van ‘playback’ waar de film uit de andere wereld wordt afgedraaid, maar de enige echte geschiede­nis, waar God zelf binnenkomt om mensen te ontmoeten met de belofte van eeuwig heil. Christus is niet het Hoofd van het verbond van de uitverko­renen die van eeuwigheid vergeving ontvangen. Nee, Hij is de Míddelaar van het Verbond, die in de bruisende en roerige geschiedenis tussen God en mens ging staan om aan het kruis verzoening te bewérken. Zó kwam God zelf naar mensen toe en vocht Hij om hun behoud.

Die hele worsteling om het behoud van Israel komt scherp uit in het beeld van het huwelijk, bijv. Hos. 2. Daarin wordt duidelijk dat de leer van een dubbel verbond niet klopt. Dat haalt precies de kern uit de ware religie weg. Dan kan er namelijk nooit een verbondsbreuk zijn. En daarmee zouden Gods rechten op zulke mensen vervallen. Kerkmensen die later de kerk de rug toekeren treft dan eigen­lijk geen schuld, want ze waren immers niet uitver­koren.

Maar het is juist heel anders. God laat zien dat Hij juist zijn weggelopen vrouw aanspreekt op dat verbond! Wij zijn toch getrouwd, weet je niet meer, bij de Sinaï? Ik heb je toch steeds als je Man gered in de woestijn? Waarom loop je weg, bij Mij, de levende en waarachtige God? Het verbond tekent God juist als de God die opstandige kinderen tel­kens uit liefde terug roept. Hij voorziet ze van alles wat ze nodig hebben.

Zijn liefde gaat tot de dood van zijn Zoon toe. Het is dan ook déze God die telkens zijn volk ontmoet, in de bijbel, de preken, de gesprekken. We hebben niet te maken met een star, dogmatisch uitgebalan­ceerd schema, maar we ontmoeten in het verbond de levende God. We proeven zijn persoonlijke liefde. Dat is de warmte van het verbond en het evangelie. We komen voor Hem persoonlijk te staan. Dat is de troost die in de Vrijmaking bewaard bleef.

We zeggen er direkt bij: juist de persoonlijke ontmoeting met de levende God geeft ook zicht op zijn toorn. Als Hij zoveel liefde bewijst aan zondaren dat Hij Christus gaf, dan accep­teert Hij het ook niet dat mensen dit bewijs van liefde af­slaan. Niemand kan met een beroep op zijn vermeen­de verwerping zijn schouders ophalen voor het evange­lie. Juist de ver­bonds­mens krijgt te maken met de toorn en de vloek van deze zelfde God. Hij is de levende. Niemand krenkt zijn liefde ongestraft. Daarom schrikt het verbond ook op uit de lauwe verkiezings­leer. Het evangelie komt niet met een schema dat naar eigen believen valt in te vullen, maar plaatst iedere hoorder voor de levende en waarachtige God.

Zo hebben de mensen in Tessalonica het ook erva­ren, 1 Tess. 1:9. De God van Christus is de échte God, die leeft, live. Bijbel, preek en kerk zijn geen mededelingen over een stati­sche verkiezings­leer, maar de herauten van de dyna­mische God die in onze zondige wereld binnenbreekt om te redden van onze eigen schuld. Dan moet je de afgoden wel laten staan. Wie dan nog volhoudt dat die preek misschien niet voor hem bedoeld was, speelt met vuur. Vrese­lijk is het te vallen in de handen van de levende God, Hebr. 12:29.

Samenvatting 1

De Vrijmaking stond op de bres voor de realiteit van de leven­de God zoals Hij in de bijbel tot ons komt. Daarom werd een spekulatieve verkiezings­systematiek aangevochten en afgewezen. Zodoende kwam de weg vrij om het geloof weer een plaats te geven in de konkre­te werke­lijkheid van elke dag in plaats van in een soort boventijdelij­ke eeuwigheid.

Dat was tegelijk de doodsteek voor kerkelij­ke gear­riveerdheid en lauw­heid. In de prediking werden de mensen op­nieuw voor de levende God geplaatst. Dat wil zeggen de God die barmhartig­heid wil bewijzen aan duizenden die Hem daadwerkelijk liefheb­ben, vgl. Ps. 103, maar ook als de heilige God met eerbied en ontzag vereerd wil worden, Hebr. 12:28-29.

75 jaar Vrijmaking (11/08/1944 – 11/08/2019)

Als je 75 jaar bent geworden, heb je iets te vieren. Op 11 augustus 1944 vond de geboorte van de vrijgemaakte kerken plaats. In Den Haag werd toen de ‘Acte van Vrijmaking of Wederkeer’ voorgelezen en ondertekend. Binnen een paar jaar ging ongeveer 12% van de ongedeelde Gereformeerde Kerken in Nederland zelfstandig verder  met tussen haakje ‘vrijgemaakt’ of ‘artikel 31′ achter haar naam met zo’n 80.000 leden. De andere 600.000 gereformeerden kregen al snel de aanduiding ‘synodalen’.

Vandaag leven we in 2019. Ook het Nederlands Dagblad bestaat 75 jaar, want die krant is ontstaan uit twee vrijgemaakte blaadjes die in 1944 van start gingen. Op 8 augustus stond er een interview in met een trouwe lezer die al 52 jaar abonnee is. Hij zei: vroeger was het ND echt een vrijgemaakte krant, maar nu is het een christelijke krant met een bredere doelgroep. Dat was wel even wennen, maar zijn conclusie was: ‘we hebben van de Here iets heel moois gekregen en we hebben niet het recht dat voor onszelf te houden.’ Zo wil ik in 2019 ook graag christen zijn. Blij met mijn kerkgemeenschap, omdat SONY DSCik daarin veel van de Here gekregen heb. En open naar al mijn medechristenen en andere christelijke gemeentes toe, omdat Christus ons aan elkaar geeft en ons wil laten delen in elkaars zegeningen.  Die houding hebben we als vrijgemaakten niet altijd gehad. Dus misschien moeten de 75 Vrijmaking maar niet al te uitbundig vieren. Maar ik ben wel blij dat we al 75 jaar samen een bijbelgetrouw gereformeerd verband van plaatselijke kerken vormen. Dat vind ik al veel langer. In 1995, bij de 50-jarige herdenking van de Vrijmaking in mijn toenmalige gemeente Zaamslag, schreef ik onderstaand stukje in de herdenkingsbrochure. Ik heb de tekst een heel kleine beetje aangepast.

‘DE STRIK IS GEBROKEN EN WIJ ZIJN ONTKOMEN’

Psalm 124 wordt wel ‘de vrijmakingspsalm’ genoemd. Je kunt je afvragen: mag dat zomaar, Psalm 124 op de Vrijma­king toepassen? Verhef je daarmee de Vrijmaking niet boven alle kritiek? Zet je jezelf daarmee als Gereformeerde Kerken na de Vrijmaking niet teveel op een voetstuk? Dat gevaar zit erin. Dat we als vrijgemaakten onszelf op de borst gaan kloppen. Dat we van ónze zaak, hoe wij het zien, Góds zaak maken.

Maar ik wil liever omgekeerd beginnen, bij wat de HERE gedaan heeft. Ik wil er liever op letten, hoe Christus voor wie in Hem gelooft en voor zijn kerk gezorgd heeft. Niet alleen in de tijd van de Vrijmaking, maar al veel eerder. Want de gemeente van Chris­tus bestaat al vanaf het para­dijs. Al die tijd heeft God over zijn kerk gewaakt. Dwars tegen alle verdrukking en afdwalingen in heeft Hij haar in leven gehou­den. Hij helpt zijn kerk er telkens door heen. Hij alleen. Dat is wat Psalm 124 bezingt. Het is een dankpsalm. Ook als je terugkijkt op 50 jaar Vrijmaking, mag je de HERE danken voor de trouw, waarmee Hij ook dit onderdeel van zijn wereldwijde kerk bewaard heeft en nog steeds bewaart.

Het is goed, om even wat dieper op heel Psalm 124 in te gaan. David heeft het eerst over mensen die zich tegen Gods volk gekeerd hadden. Als ze de kans gekregen hadden, hadden ze heel Israel als het ware levend verslonden. Dan hadden ze Gods volk volledig onder de voet gelopen, zoals wilde waterstromen nietsont­ziend alles meesleu­ren wat ze tegenkomen.

Het gaat hier dus om bedreigingen en vervolgingen van buitenaf. Satan probeert Gods volk onder de voet te lopen. En dan hoef je de bijbel er maar op na te slaan en de kerkge­schiedenis maar te kennen, of je ziet, hoe zwaar de kerk is verdrukt. Te vuur en te zwaard zijn de christenen vervolgd. ‘Was de HERE niet voor ons geweest’ , mag je met Psalm 124 zeggen, dan was Gods kerk allang van de aardbodem weggevaagd. Maar dat is niet gebeurd, dus: ‘Geprezen de HERE, die ons niet ten prooi gaf aan hun tanden!’

Maar David wijst nog op een ander gevaar. Het gevaar van de val­strik, waar vogels met lokaas naar toe gelokt worden. Hoe vaak heeft de duivel, als het hem niet lukte om de christenen met geweld klein te krijgen, ze met verleidingen gepro­beerd bij God vandaan te halen. Dat gif van de dwaling strooit hij de ene keer op het gebied van de leer, de andere keer als het gaat om het leven als christen. Het is verraderlijk, het gaat vaak langzaam en sluipend, maar plotseling zit de gemeente van Chris­tus erin gevangen, en lijkt er geen ontkomen meer aan.

Zo wordt de kerk van Chris­tus en worden wij als gelovigen steeds bedreigd. Niet altijd op dezelfde manier. De aanval komt steeds vanuit een andere hoek opzetten. De ene keer vervolging, de andere keer verleiding. Maar altijd zit er dezelfde tegenstander achter: Satan, de grote tegenstrever van God. Hij probeert van elke situa­tie gebruik te maken, en ingang te vinden bij ieder soort mensen. De goddeloze haters, die vloeken en tieren en vervolgen. Maar ook door mensen te verblinden, zodat ze, soms zonder kwaad opzet, toch verkeerde beslis­singen nemen.

Zo kijk ik ook terug op de Vrijmaking van 75 jaar geleden. Toen, in de ongedeelde Gereformeerde Kerken, was er geen sprake van mensen die bijna levend verslonden werden. Er is geen bruut geweld gebruikt. Daarin is Vrij­ma­king anders dan de christenvervolgingen van de Romeinse keizers en van de Inqui­sitie uit de tijd van de Reforma­tie. Maar er werden wel strikken gelegd. Uitgevoerd door mensen die misschien vol goe­de bedoelingen waren. Vanuit hun overtuiging over het verbond, de doop en de wedergeboor­te moest de bij­bel zo en zo uitgelegd worden. Vanuit hun overtuiging dat de synode met ambtelijk gezag door God bekleed was, en dus het laatste woord had totdat het tegendeel blijkt, moest iedereen haar gehoorzamen. Maar het werd allemaal bindend opgelegd. Je mócht over al deze zaken niet anders denken. En als je naar de synode niet luisterde, kon je gaan. Dan was de gees­telijke gemeenschap verbroken. Dat was een valstrik. Want het waren bindingen die boven de bijbel uitgingen. Nog niet eens tegen de bijbel in, want in de tijd van de Vrijmaking is juist door K. Schilder en anderen altijd gezegd, dat over beide doopvisies binnen de kerk verder gepraat moest worden. De tweede valstrik was, dat eerst een aantal mensen geschorst en afgezet werden, maar dat tegen de rest van de bezwaarde broeders en zusters gezegd werd: ‘Maar om deze zaken gaat ú toch niet met de kerk breken?’ Hoe verleidelijk is dat geweest! Binnen één en dezelfde classis werden een aantal kerken door de classis buiten het kerkverband ge­plaatst terwijl men tegen andere kerken zei: ‘Blijf maar, want jullie willen toch geen scheuring in je eigen gemeente?’ Wat moet je dan? De strik was gelegd. En er zijn veel mensen om de lieve vrede gereformeerd-synodaal gebleven, hoewel ze het van harte met het standpunt van de vrijgemaakten eens waren en de opvattingen van de synode totaal niet deelden. Maar ze bleven.

Toch is het op veel plaatsen wel tot Vrijmaking gekomen. Maar dat was niet, omdat mensen voor hun eigen zaak vochten. Nee, de HERE bewaarde op­nieuw zijn kerk. Daarom passen bij een herdenking als deze ook de woorden van Psalm 131: ‘HEER, niet trots is mijn hart, niet hoogmoedig mijn blik.’ Ik steek geen vrijgemaakte kerk in de hoogte. Ik vind Schil­der niet onfeilbaar of vrijgemaakte christenen zo goed. Het is niet onze eigen prestatie dat we als kerken bijbelgetrouw-gerefor­meerd gebleven zijn in al die jaren. Bijna niemand van de huidige GKV’ers heeft  zelf de keus hoeven maken. Alleen de oudsten onder ons, van 90 jaar en ouder, hebben de Vrij­ma­king bewust meegemaakt. Maar wat waren de motieven van ieder afzonder­lijk? En hoe zou het gegaan zijn, als er op veel plaatsen door  predikanten, ouderlingen en diakenen geen leiding aan de Vrijmaking gegeven was? Hadden onze ouders en grootouders dan ook de moed gehad om zich vrij te maken? En is het de vastberadenheid en het goede inzicht van ambtsdragers of gewone gemeenteleden ge­weest, dat ze tot de konklusie kwamen: het kan zo niet langer, we moeten ons maar eens vrijmaken? Nee, ze zijn alleen maar gegaan omdat ze zich door de HERE Zélf geroepen wisten. Ze zagen het gebod van de HERE. Ze wilden blijven, wat ze waren: gebonden aan Gods Woord en de gereformeerde belijdenis alleen. En omdat de HERE hun de kracht gaf om daarvoor te blijven staan, konden ze die stap van Vrij­making zetten. Ze keken niet naar wat de mensen ervan zouden zeggen. Ze wisten vaak niet eens hoeveel gemeentele­den er zouden volgen. Ze hebben dat in Gods hand gegeven.

En nu kijken we terug. Het is 2019 geworden – 75 jaar later. Niemand kan ontkennen, dat het verschil geweldig groot is geworden. Toen, vlak na de Vrijmaking, waren we het over het gezag van de Bijbel en het belang van Chris­tus’ verzoe­nend werk nog wel eens. We kregen een theorie opgelegd die bóven de bijbel uitging. Er werden gewetens gebonden. Er werden ambtsdragers geschorst. Er werden gemeenteleden onder tucht gezet. Er werden gemeentes uit het kerkverband gezet. Van al die strikken heeft de HERE ons toen vrijgemaakt. Nu zijn de synodale kerken alweer 15 jaar gefuseerd met de hervormde kerk en vormen ze samen de PKN. Dat is nog steeds een kerkverband waar alles kan en alles mag. Jazeker, je vindt er ook oprechte gelovigen. Jazeker,  het Woord van de HERE wordt er op veel plaatsen nog bijbelgetrouw gepreekt. Maar je moet wel blind zijn, wil je het verval niet zien. Uiterlijk, omdat veel mensen niet meer naar de kerk gaan en hun leven inrichten zoals zij dat goed en prettig vinden. Maar ook inhoudelijk, omdat bijna iedereen z’n eigen meningen en opvatting maar mag verkondi­gen, zodat er nog maar weinig meer geluisterd wordt naar het Woord van God. En waar Gods Woord wordt losgela­ten, wordt de kudde van Chris­tus verstrooid, alle kanten op.

Als ik dat op me laten inwerken, word ik er triest van, dat satan zoveel mensen bij de HERE heeft weten weg te trekken. Zoveel mensen met wie wij 75 jaar geleden nog in één kerk zaten, maar  van wie de kinderen en de kleinkinderen vandaag de Here Jezus amper meer kennen als Redder en Verlosser. Tegelijk sta ik er dan ook verwonderd naar te kijken  dat de HERE de vrijgemaakte kerken ontrukt heeft aan dat gevaar. De trouwe God van het verbond geeft mij een plaats in een kerkverband waar zijn Woord al die 75 jaar wel trouw is verkondigd. Als ik in mijn verwondering maar goed begrijp: het is Gods genade – amazing grace! Want als vrijgemaakten waren en zijn wij niet beter dan anderen. Integendeel, de vijand is na de Vrijmaking niet werkeloos geworden. Op andere punten binnen onze kerken heeft satan geprobeerd zijn slag te slaan. En hadden wij er de kracht voor, om hem daarin tegen te houden? Nee, we hebben elkaar na de Vrijmaking vaak ten onrechte een bepaald stempel opgezet en voor een twee­deling in de gemeentes gezorgd. We hebben regelmatig en te snel iedereen die niet met ons vrijge­maakt werd afge­schreven en als tegenstanders gezien in plaats van mede-broeders en zusters die verstrikt zaten. Als je daar oog voor hebt, erken je, dat er in de afgelopen 75 jaar ook binnen de vrijgemaakte kerken veel gebreken zijn geweest. De satan houdt nooit op met het leggen van strikken. Het gaat niet alleen maar om een verkeerde leer en een verkeerd kerkrecht. Het gaat om zoveel zonden, die onze vrijheid in Chris­tus en ons geloof in de Here bedreigen.

Psalm 124, die ‘Vrijmakings­psalm’, begint niet voor niets met: ‘Was de HERE niet voor ons geweest…’ De HERE beschermt zijn kerk. Daarom dank ik  de HERE voor de trouw waar­mee Hij ons als vrijgemaakte kerken bewaard heeft en nog steeds bewaart. Daarom geef ik Hem de eer als ik het goede van de Vrijmaking herden­k en ook vandaag nog zoveel goeds in onze plaatselijke gemeente zie. Als de HERE niet bij ons was geweest, hadden we dat allemaal niet gehad. Dan waren we niet aan de valstrikken van de duivel zijn ontkomen en had het ongeloof ook ons verslonden.

Psalm 124 eindigt met de belijdenis: ‘Onze hulp is de naam van de HERE die hemel en aarde gemaakt heeft.’ Dat geldt vandaag de dag nog. Met minder kunnen we niet toe. Want in de tijd van de Vrijmaking ging het om de vraag: wat wil de HERE van ons? Welke weg wijst Hij ons om te gaan? Met zijn hulp hebben onze grootouders zich vrijgemaakt. Nu, in 2019, in een totaal andere situatie, vraagt Jezus nog steeds hetzelfde: ‘Wil je Mij volgen? Verwacht je het in het leven echt helemaal van Mij?’ In mijn persoonlijke leven en voor heel Christus’ kerk is dat de enige hoopvolle toekomst. Want als de HERE niet met ons is, zullen we in ons ongeloof bezwij­ken. Maar met die machtige Helper hebben we niets te vrezen. Als de Heilige Geest onze harten met het Evangelie van Chris­tus vult, kunnen we Psalm 124 blijven zingen. Want dan heeft de Zoon ons werkelijk vrijgemaakt.

 

Over christelijke vrijheid, vrouw in ambt en kerkverband (deel 3)

Op 12 juni plaatste het Reformatorisch Dagblad een opiniestuk van mij met als titel Christelijke vrijheid beperkt gezag synode. Ook gaf het RD mijn CGK-collega ds. C.P. de Boer de gelegenheid om een reaktie te geven onder de titel Toelaten van vrouw tot ambt geen middelmatige zaak. Op dat laatste heeft mr. E. Bos uit Capelle aan den IJssel, gepensioneerd officier van justitie en (kanton)rechter, gereageerd. Met zijn toestemming geef ik het hieronder weer.

Geachte ds. de Boer,

Als vrijgemaakt-gereformeerde broeder lees ik met belangstelling ook het Reformatorisch Dagblad. Met name de ontwikkelingen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken (onze zusterkerken) hebben mijn interesse. Zo ook uw artikel Vrouw in ambt geen middelmatige zaak, een reactie op een eerder artikel van ds. Leeftink uit Assen. Daarover wil ik ondanks de waardering voor de duidelijkheid toch graag enkele opmerkingen maken, omdat er volgens mij hier en daar feitelijke onjuistheden in staan.

In uw artikel gaat u met betrekking tot vrouwelijke ambtsdragers uit van de volgende veronderstelling: ‘Voor- en tegenstanders binnen en buiten de CGK zijn het in elk geval over één punt eens: dit onderwerp raakt direct de vraag hoe wij de Schrift lezen (de hermeneutiek).’

Naar mijn bescheiden mening zijn we het hier niet over eens. Juist in het boek Zonen & Dochters profeteren (2016), waarvan ik een medeauteur ben, wordt getracht op exegetische gronden een pleidooi te voeren voor vrouwelijke ambtsdragers. Die invals­hoek is gekozen omdat het door de Generale Synode van Ede (2014) afgewezen deputatenrapport een her­meneutische inslag had. Overigens is ook het recente boekje van de GKV predikant Pieter Niemeijer Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk (2018), niet als specifiek hermeneutisch aan te merken.

Verder stelt u ‘Maar de synode van 1996 heeft na jarenlange bezinning uitgesproken dat het standpunt om het ambt voor de vrouw open te stellen onbijbels is. Daarbij is expliciet gesteld dat een andere beslissing om een andere hermeneutiek vraagt.’

Volgens het verslag in het RD heeft de synode echter (met 47 tegen vijf stemmen) uitgesproken dat ‘het standpunt over de vrouw in het ambt dat in de CGK steeds heeft gegolden, schriftuurlijk verantwoord is.’ Ter ver­gadering is door prof. H.G. L. Peels namens de hoogleraren adviseurs nog opgemerkt dat de conclusie van het synodevoorstel over het „schrif­tuur­lijk verantwoorde” standpunt van de CGK inzake de vrouw in het ambt „helder en niet dubbelzinnig” is, maar toch ook iets van een terughou­dendheid laat zien. “Het eigen standpunt wordt duidelijk gemarkeerd, maar niet verabsoluteerd.” Van een radicale afwijzing van de open­stelling van het ambt voor de vrouw was in 1996 volgens dit verslag geen sprake.  Maar mogelijk hebt u in de acta een andere uitspraak gevonden.

Tenslotte stelt u over de omgang met de Schrift in de GKV: ‘Dezelfde hermeneutiek biedt ruimte om klassiek christelijke thema’s, zoals de verzoeningsleer, te bekritiseren, zo bewijzen recente publicaties in GKV-kring.’ Bij mijn weten is de enige publicatie die op dit punt dubieus is afkomstig van de theoloog Reinier Sonneveld, die geen lid is van de GKV maar een eigen (huis)gemeente heeft.

Mocht ik met deze opmerkingen gelijk hebben, dan zou ik het heel erg waarderen als u op deze punten een korte rectificatie en/of toelichting in het RD wilt plaatsen.

Met broedergroet,

Emo Bos

Cc ds Leeftink

Over christelijke vrijheid, vrouw in ambt en kerkverband (deel 2)

Op 12 juni plaatste het Reformatorisch Dagblad een opiniestuk van mij met als titel Christelijke vrijheid beperkt gezag synode.  Ook gaf het RD mijn CGK-collega ds. C.P. de Boer de gelegenheid om een reaktie te geven onder de titel Toelaten van vrouw tot ambt geen middelmatige zaak. In de vorige blog stond mijn artikel. In deze blog vind je het artikel van ds. C.P. de Boer (incl. drie verschrijvingen – maar dat zie je bij een ander altijd scherper dan bij jezelf).

Toelaten van vrouw tot ambt geen middelmatige zaak

De kwestie van de vrouw in het ambt raakt de Schrift en de belijdenis. Met het besluit van de christelijke gereformeerde kerken in Arnhem en Nieuwegein om vrouwen in het ambt te bevestigen, plaatsen deze gemeenten zichzelf buiten het kerkverband.

Om twee redenen heb ik geaarzeld om op het ingezonden stuk van collega ds. Leeftink te reageren. Is het passend om aan de vooravond van de synode via de pers een inhoudelijke discussie te starten? De kerkenraden hebben via de classis en de particuliere synode de afgevaardigden gekozen. Zij hebben de opdracht en het vertrouwen van de kerken om alleen besluiten te nemen die in overeenstemming zijn met Schrift en belijdenis. De kerken verwachten dat de synode bij elk besluit kan zeggen: „Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht…” (Handelingen 15:28).

Apelleren

Neemt deze bredere vergadering een besluit dat naar de mening van een kerkenraad niet met Schrift en belijdenis overeenstemt, dan heeft deze kerkenraad het recht van appel. Van dat recht maakten recent veel kerkenraden van de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) gebruik. Zij appelleerden tegen het besluit van de classis Apeldoorn bij de particuliere synode van het Oosten. De classis Apeldoorn maakte namelijk het kerkenraadsbesluit van Arnhem tot de zijne door Arnhem toestemming te verlenen om het ambt voor de vrouw open te stellen. De classis heeft bij nader inzien zijn besluit herroepen in afwachting van de uitkomst van de komende synode. Arnhem handhaaft zijn besluit tegen het besluit van de classis Apeldoorn en het kerkverband in.

De tweede reden is interkerkelijke verbondenheid. Ik weet mij verbonden met alle kerkverbanden van gereformeerd belijden. Mijn aarzeling om te reageren is vooral ingegeven door collegabroeders uit de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) die door de ontwikkelingen in hun kerkverband in geestelijke nood verkeren. Hun verdriet vanwege het synodale besluit om het ambt voor de vrouw open te stellen, grijpt mij aan. Ik lijd en bid met hen mee. Ik weet dat zij het ingezonden stuk van hun collega Leeftink met veel pijn lezen, omdat hij en meerdere collegae hun geestelijke nood niet (h)erkennen.

Tactvol

Drie redenen gaven voor mij de doorslag om toch te reageren.

De eerste reden is de reactie van collega Lieftink op een verslag van de lezing van prof. dr. Selderhuis (voor de complete tekst zie Ambtelijk Contact jaargang 58 nummer 2). Selderhuis heeft voor CGK-ambtsdragers uiteengezet hoe een gereformeerd kerkverband functioneert.

Leeftink brengt Marnix van Allegonde in stelling tegen Selderhuis. Marnix roept kerkenraden op om middelmatige zaken tactvol te behandelen, zoals de vraag of mannen staand of zittend moeten bidden en een vrouw tijdens de eredienst wel of niet haar hoofd bedekt. Wie de CGK een klein beetje kent, weet dat deze en andere middelmatige zaken al decennia in onze kerken bestaan. Al die tijd proberen we elkaar met moeite vast te houden. Maar de komende generale synode behandelt niet deze onderwerpen, wel een onderwerp van geheel andere orde: de vrouw in het ambt. Voor- en tegenstanders binnen en buiten de CGK zijn het in elk geval over één punt eens: dit onderwerp raakt direct de vraag hoe wij de Schrift lezen (de hermeneutiek).

Vanwege het grote belang van dit onderwerp en het ontbreken van vertrouwen in de komende synode hebben de kerkenraden van de CGK in Nieuwegein en Arnhem besloten om de besluiten van deze vergadering niet af te wachten. Binnenkort worden in Arnhem en Nieuwegein vrouwen in het ambt bevestigd. Met dit besluit hebben deze kerkenraden zichzelf buiten de CGK geplaatst. Zijn en denken deze kerkenraden principieel, dan zoeken ze vanaf nu een ander kerkelijk onderdak. Trekken ze niet de conclusie van hun genomen besluit, dan kunnen de classes Apeldoorn en Utrecht niets anders dan de geloofsbrieven van afgevaardigden van Arnhem en Nieuwegein niet aanvaarden, omdat hun kerkenraden de band met het kerkverband verbroken hebben.

Leeftink vergelijkt in zijn artikel dus appels (middelmatige zaken) met peren (fundamentele onderwerpen). Hij adresseert zijn schrijven trouwens aan het verkeerde adres. Hij zou recht doen aan de huidige situatie wanneer hij de kerkenraden van Arnhem en Nieuwegein zou oproepen om in deze naar zijn oordeel middelmatige kwestie de eenheid met het kerkverband niet te verbreken. Maar hij, ik en wij allemaal weten dat het onderwerp de vrouw in het ambt van een geheel andere orde is dan de vraag of een man wel of niet staand moet bidden.

Onbijbels

De tweede reden waarom ik reageer, is vanwege het vertekende beeld dat Leeftink geeft van de recente CGK-geschiedenis. Hij wekt de indruk dat binnen de CGK de bezinning op het openstellen van het ambt voor de vrouw nog moet beginnen. Maar de synode van 1996 heeft na jarenlange bezinning uitgesproken dat het standpunt om het ambt voor de vrouw open te stellen onbijbels is. Daarbij is expliciet gesteld dat een andere beslissing om een andere hermeneutiek vraagt. Dezelfde hermeneutiek van toen ligt ook ten grondslag aan de synodale besluiten van 2013 en 2016 met betrekking tot pastoraat en homoseksualiteit. Wanneer de synode besluit om het ambt voor de vrouw open te stellen, veegt deze synode de besluiten van voorgaande synodes van tafel.

Verbijstering

Mijn derde reden betreft de recente ontwikkelingen in de GKV. Veel CGK’ers uit de volle breedte zien met verbijstering hoe de laatste GKV-synodes het kerkverband van zijn sokkel (Schrift en belijdenis) hebben getild. De GKV drijven nu weg van Gods Woord. Met het aanvaarden van een nieuwe hermeneutiek heeft de laatste GKV-synode het ambt voor de vrouw opengesteld. Op dit moment baant deze hermeneutiek in de GKV de weg om praktiserende homoseksuele gemeenteleden tot de Avondmaalstafel toe te laten. Dezelfde hermeneutiek biedt ruimte om klassiek christelijke thema’s, zoals de verzoeningsleer, te bekritiseren, zo bewijzen recente publicaties in GKV-kring.

Wie een Schriftgetrouwe hermeneutiek voor een andere inwisselt, houdt uiteindelijk op kerk te zijn. Wij bidden én verwachten dat de komende synode besluit te blijven wat de CGK sinds 1834 en 1892 zijn en naar de toekomst zullen blijven: kerk op grond van Schrift en belijdenis.

Ds. C.P. de Boer is predikant van de christelijke gereformeerde kerk in Sliedrecht Beth-El.

Over christelijke vrijheid, vrouw in ambt en kerkverband (deel 1)

Op 12 juni plaatste het Reformatorisch Dagblad een opiniestuk van mij met als titel Christelijke vrijheid beperkt gezag synode.  Ook gaf het RD mijn CGK-collega ds. C.P. de Boer de gelegenheid om een reaktie te geven onder de titel Toelaten van vrouw tot ambt geen middelmatige zaak. In deze blog volgt mijn artikel. In de volgende blog volgt het artikel van ds. C.P. de Boer.

Christelijke vrijheid beperkt gezag synode

Een synode dient haar plaats te weten. Ze mag alleen maar bindend opleggen wat evident Bijbels is. Voor het overige kan ze slechts de plaatselijke kerken adviseren. Dat geldt bijvoorbeeld inzake gemeenten met belijdende zusters in de ambten.

„Paulus gebiedt dat mannen God zullen aanroepen met uitgestrekte handen en een ontbloot hoofd. Maar wanneer ik met aandacht tot God kan bidden met een bedekt hoofd en zonder uitgestrekte handen, en toch de eerbied en de orde in de gemeente niet verstoor, voorwaar, ik ben aan zo’n voorschrift niet gebonden.” „Voorwaar, het is een voorschrift van Paulus dat vrouwen hun hoofd behoren te bedekken, en toch zou het tegen de christelijke vrijheid ingaan, wanneer men alle volken en iedereen persoonlijk daar zo aan binden wil, alsof het niet anders geoorloofd was.” Deze zinnen vloeiden in 1568 uit de pen van Marnix van Sint Aldegonde. Hij schreef dit in zijn advies aan de kerkenraad van de Nederlandse vluchtelingengemeente in London. Daar was sinds 1564 grote onenigheid over de verplichting om altijd twee getuigen aanwezig te laten zijn bij het dopen van een kind. De zaak escaleerde en diverse pogingen om de vrede te herstellen, mislukten.

Om aan deze Wingense Twisten (zoals de kwestie inmiddels heette) een einde te maken, gaf de Londense kerkenraad in maart 1568 een brochure uit. De voornaamste conclusie was: „Een kerkenraad heeft van Christus het gezag ontvangen om bindende besluiten te nemen in alle zaken die tot opbouw van de gemeente dienen. De christelijke vrijheid onderwerpt zich daar graag aan.” De kerkenraad stuurde deze brochure ter goedkeuring naar verschillende kerken. Marnix van Sint Aldegonde reageerde namens de kerkenraad van Emden. Zijn oordeel was vernietigend. Dat kwam, aldus Marnix, omdat de kerkenraad van Londen op het belangrijkste punt helemaal de mist inging.

Nooit bindend

Volgens Marnix mag een kerkenraad nooit bindende voorschriften aan de gemeente opleggen in zaken die niet direct uit Gods Woord voortvloeien; dan gaat men heersen over de gewetens van de gelovigen. Marnix wijst op de gebruiken van de Oude Kerk, zoals olie in de doop, afbeeldingen van het kruis en feest- en vastendagen. Die zaken kwamen op uit een te respecteren verlangen naar een goede orde in de gemeente. Maar toen het een gebod werd en de kerk gehoorzaamheid eiste, ontaardde het in tirannie over de gewetens.

Hoe moet je dan wel met kerkelijke regels omgaan? Volgens Marnix moeten we altijd blijven kijken naar het doel van een bepaling. Als je de bedoeling daarvan kunt nakomen zonder je aan de letter daarvan te hoeven houden, mag niemand zo’n regel bindend opleggen. Anders wordt de christelijke vrijheid beperkt door menselijke voorschriften. Marnix staaft zijn gevoelen over de christelijke vrijheid onder andere met Handelingen 15:10 en 28, Romeinen 14, 1 Korinthe 8 en Kolossenzen 2:16-23.

Marnix is scherp in zijn analyse van wie de oorzaak is van de grote onenigheid in de Londense kerkelijke gemeente. Dat zijn niet de kerkleden die van hun christelijke vrijheid gebruik willen maken, maar dat is de kerkenraad! Die wil met gezag andere mensen binden in vrije zaken.

Vrede

Voor synodes gelden dezelfde richtlijnen, want die hebben dezelfde bevoegdheid over gemeenten als een kerkenraad over gemeenteleden, aldus Marnix. Ook een synode mag alleen bindende besluiten nemen over zaken die rechtstreeks voortvloeien uit Gods Woord of er direct mee samenhangen. Het belangrijkste motief van Marnix is de liefde, de eenheid en de vrede, die Christus ons oplegt. Dan plaatsen we een ander niet meteen buiten Christus, als hij het niet in alles met ons eens is. Als christen mag je blijven staan in de vrijheid die Christus met Zijn bloed voor jou verworven heeft.

In 1568 gaf Marnix, als een van de initiatiefnemers van de eerste Nationale Synode (1571), aan op welke manier plaatselijke kerken gebonden zijn aan de uitspraken van een synode: Vraag je bij elk besluit af wat het doel ervan is, want daar ben je aan gebonden. Kijk vervolgens naar de uitvoering ervan: kun je het doel nakomen zonder je aan de letter van dat besluit te houden? Zo ja, gun elkaar de ruimte om elk op eigen manier invulling te geven aan het principe dat achter zo’n kerkelijke uitspraak ligt.

Het hartstochtelijk pleidooi van Marnix om de christelijke vrijheid te onderhouden, is actueel. Volgens velen verkeren zowel de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) als de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) in een crisis. Een van de ‘oplossingen’ wordt gezocht in het elkaar houden aan landelijke synodebesluiten. Prof. dr. H. J. Selderhuis stelde op de CGK-ambtsdragersdag dat „een kerk die zich bewust niet houdt aan afspraken die samen met anderen gemaakt zijn, zich feitelijk buiten het kerkverband plaatst.” Marnix zou hem dat niet nagezegd hebben. Het kerkverband is volgens het gereformeerde kerkrecht niet het hoogste orgaan met plaatselijk een aantal afdelingen, zoals in het hervormde en protestantse kerkrecht het geval is. In het gereformeerde kerkrecht is het kerkverband niet bindend, maar verbindend. Er is voor plaatselijke kerken altijd ruimte geweest om in christelijke vrijheid een eigen afweging te maken.

Ruimte gunnen

Daarom zou, om een precair onderwerp te noemen, de komende CGK-synode ook de CGK-NGKGKV-samenwerkingsgemeentes ruimte moeten gunnen, als het gaat om het toelaten van belijdende zusters in de ambten. Anders sluipt er hiërarchie in het kerkelijk systeem: de synode regeert. Wanneer een eenmaal gezamenlijk genomen besluit alleen door een nieuwe synodale uitspraak weer in de vrijheid van de kerken gegeven kan worden, krijgt de traditie een gelijke plaats naast Gods Woord. Een gereformeerd kerkverband krijgt dan roomse trekjes, terwijl het juist, zoals prof. dr. Selderhuis ook zelf aangeeft, een hulpmiddel is ten dienste van de plaatselijke gemeente.

Dus dient een synode haar plaats te weten. Ze mag alleen maar bindend opleggen wat evident Bijbels is. Voor het overige kan ze slechts de plaatselijke kerken adviseren met de wijsheid die ze van Christus ontvangen heeft. Maar als die adviezen in beton gegoten worden, ontneemt het kerkverband de plaatselijke kerken hun christelijk vrijheid en brengt ze die in gewetensnood. Het medicijn hiertegen is een scheutje meer Marnix.

Drs. L.E. Leeftink is predikant van de gereformeerde kerk (vrijgemaakt) in Assen-Peelo en afgestudeerd op de kerkrechtelijke opvattingen van Marnix van Sint Aldegonde.

 

Vijf wederzijdse misverstanden tussen Joden en Christenen

IMG_20190612_083734Op studiereis met Christenen voor Israël luisterden we in een kibboets in Galilea op woensdagmorgen 12 juni naar Dr. Faydra L. Shapiro. Zij is directeur van het ‘Israel Center for Jewish-Christian Relations’ en hield een lezing over ‘How Jews and Christians misunderstand one another’s. Het was een interessant referaat. Ze noemde vijf wederzijdse misverstanden, waardoor Joden en christenen elkaar vaak niet begrijpen. Vanuit mijn aantekeningen noem ik ze alle 2 x 5.

Misverstand 1a: Christenen beseffen vaak niet dat de overgrote meerderheid van de Joden onbekend is met het christendom en er ook niet in geïnteresseerd is. Ze hebben het Oude Testament als Woord van God, dus waarom zouden ze het Nieuwe Testament lezen? En ze hebben in bijna 2000 jaar geschiedenis meestal geen positieve ervaringen met christenen opgedaan.

Misverstand 1b: Joden beseffen niet dat er in de afgelopen 70 jaar een grote verandering heeft plaatsgevonden bij veel christenen. Het wantrouwen van bijna 2000 geschiedenis laat zich niet makkelijk wegnemen.

Misverstand 2a: Christenen moeten beseffen dat Joden het Oude Testament heel anders lezen en gebruiken dan christenen. Joden kennen geen ‘Sola Scriptura’, maar kennen evenveel gezag toe aan de rabbijnse traditie.

Misverstand 2b: Joden moeten beseffen dat het Nieuwe Testament van oorsprong een voluit joods boek is en dus een deel van de eigen geschiedenis is. Ze moeten het meer lezen, want nu kennen in Israël alleen geleerden en toeristen-gidsen het Nieuwe Testament.

Misverstand 3a: Christenen moeten beseffen dat de joodse identiteit veel meer een kwestie van geboorte (via de moeder) en cultuur, dan van een bewuste religieuze keus.

Misverstand 3b: Joden moeten de interesse voor Israël en liefde voor het joodse volk door christenen niet opvatten als een bedreiging, maar als uitdrukking van een hartelijke verbondenheid (‘jewishness in their hearts’).

Misverstand 4a: Christenen moeten beseffen dat heel het joodse volk lijdt onder een diep trauma vanwege alle vervolgingen, uitmondend in de Holocaust. Zelfs de meest geassimileerde Joden waren in Nazi-Duitsland niet veilig.

Misverstand 4b: Joden moeten beseffen dat in onze tijd christenen ook steeds meer te lijden hebben onder vervolgingen (islam, communisme, seculiere Westen).

Misverstand 5a: Christenen moeten beseffen dat ze per definitie Joden van zich vervreemden als ze bewust gaan evangeliseren.

Misverstand 5b: Joden moeten beseffen dat als christenen Jezus ter sprake brengen, ze daarmee niemand willen schofferen (ook al heeft het dat vaak wel als effect).

 

Hemelvaart zet de poort open voor Pinksteren

Hemelvaart – misschien beschouw je dit christelijke feest vooral als een eervolle gebeurtenis voor onze Heer Jezus Christus Zelf. Hij keerde terug naar Huis als grote Overwinnaar.

Toch is het meer dan dat. Op de dag van de Hemelvaart zet God de poorten van de hemel wijd open voor zijn Zoon én voor iedereen die gelooft dat Jezus onze zonden gedragen en de dood verslagen heeft. Want dan is er niets meer dat tussen God en ons in staat.

Hemelvaart omhoog kijkenDaarom kan Paulus ook in Ef. 4:8 schrijven: Toen Christus opsteeg naar omhoog, voerde Hij gevangenen mee.  Hij neemt ons namelijk mee als gevangen die Hij bevrijd heeft uit de macht van duivel. En Jezus zegt in Joh. zelf: In het huis van mijn Vader zijn veel kamers. Ik zal jullie met Me meenemen, en dan zullen jullie zijn waar Ik ben.

Hemelvaart – het is dus een heel troostvol feest.

Hemelvaart – de poorten van de hemel blijven vanaf die dag wijd open staan. Niet alleen om al Gods kinderen bij Christus thuis te brengen aan het eind van hun aardse leven. Maar ook omdat Christus vanuit de hemel royaal wil uitdelen.  Paulus omschrijft het in Ef. 4:8 zo: Toen Christus opsteeg naar omhoog () schonk Hij gaven aan de mensen.

Het grootste geschenk is, dat Jezus tien dagen later met Pinksteren Zichzelf teruggeeft door zijn Geest over al Gods kinderen uit te storten. Dan komen mensen tot geloof. Dan laten ze hun kinderen dopen. Dan zetten ze zich met hun talenten in binnen de gemeente, als ambtsdragers, als kringleiders, binnen commissies en werkgroepen en vaker nog gewoon in alle stilte. Dan zijn ze zout en licht in hun omgeving. Dan volgen ze de smalle weg naar de nauwe poort die wijd open staat om het eeuwige leven te ontvangen.

Hemelvaart – ‘Al heeft Hij ons verlaten, Hij laat ons niet alleen´ zingen we met een Liedboeklied. Misschien zijn we in onze tijd te individualistisch geworden om het heel bemoedigend en eervol te vinden dat onze Heiland en Grote Broer in de hemel is.

En vergeten we Jezus onze Heer vanuit de hemel stapels zegeningen naar ons toe laat stromen. Daarom roept Paulus ons in Ef. 5:19 en Kol. 3:16 op: Laat Christus woorden in hun rijkdom in u wonen, laat de Geest u vervullen en zing met elkaar met heel uw hart psalmen en liederen voor God die de Geest u vol genade ingeeft .

Het Wilhelmus op zondag in de kerk (II)

Over het zingen van ons volkslied wordt verschillend gedacht. Wat mij betreft zingen we het Wilhelmus nog heel vaak – ook in de kerk. N.a.v. mijn blog attendeerde mijn Asser PKN-collega Harry Harmsen me op het artikel dat hij in het kerkblad van de Protestantse Gemeente Assen van 3 mei jl. over “Het Wilhelmus in de kerk” had geschreven. Dat geef ik hier graag weer, uiteraard met volledige instemming van de auteur.

Vers 1 en 6, na de zegen

Afgelopen zondag rond Koningsdag en komende zondag Bevrijdingsdag: de dominee zegt dat we na de zegen lied 708: 1 en 6 zingen. En vergeet zij/hij dat, dan herinnert de ouderling haar/hem er wel aan of zet de organist het lied spontaan in.

Wat maakt het eigenlijk uit allemaal. We laten het even uit het verhaal. Dat is het refrein van Wilhelmus, een lied van Claudia de Breij. Daarin vertelt ze over de geschiedenis van Willem van Oranje. Die is niet altijd mooi, maar dat laten we dus maar weg. Kunnen we ons volkslied dan wel in de kerkdienst zingen?

Religieus nationalisme

We zingen het ná de dienst, niet ín de dienst. Een beetje gek? Er pleit zelfs genoeg tegen om het helemaal niet in de kerk te zingen.

De vaderlandse geschiedenis en de heilsgeschiedenis lijken in het lied wel erg vereenzelvigd te worden. ‘God, Nederland en Oranje’, zeg maar. Alsof het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Gods hetzelfde zijn. Een soort religieus nationalisme. Iemand zei: zoals David het koninkrijk Israël ontving, zo zal Willem van Oranje, nu nog zuchtend onder de tiran Alva, eens het ‘koninkrijk der Nederlanden’ ontvangen. Dat is namelijk de suggestie die gedaan wordt in vers 8, qua structuur van het hele lied het kernvers.

Niet zo bijbels

Je kunt je afvragen of het zingen in de kerk van een lied dat zó gericht is op een bepaald land (Nederland) en op een bepaalde tijd (de 17e eeuw) wel spoort met het belijden van de ene katholieke kerk van alle tijden en alle plaatsen: de kerk die geen grenzen kent, niet in ruimte en niet in tijd. Is het Wilhelmus-in-de-kerk niet in strijd met wat voor Paulus essentieel is: dat er in Christus geen onderscheid en grenzen meer zijn. Etniciteit, klasse en geslacht: in Christus is het onderscheid tussen Jood of Griek, slaaf of vrije, man of vrouw niet van belang. (Gal. 3:28)

In de Nederlandse geschiedenis zijn kerken nog wel eens erg de vanzelfsprekende bondgenoot geweest van de staat, en daarbij speelde het Wilhelmus ook altijd een rol. Terwijl de kerk juist profetisch-kritisch zou moeten zijn; bijvoorbeeld op het ‘borealisme’, het anti-Europa-denken, de uitsluiting van andersgelovigen, zoals de moslims, en het onterechte beroep op de zgn. ‘joods-christelijke traditie’.

Het Wilhelmus wordt gezongen bij allerlei sportmanifestaties. Nou kan het prachtig zijn om je middels het volkslied gezamenlijk te scharen achter de sporters uit je land. Maar of ik dat dan ook wil meenemen naar de kerk, met de associatie dat sport tegenwoordig aardig op -een vaak wel erg héidense- religie lijkt…?

Onbegrijpelijke taal

De taal van het lied stamt uit een vervlogen tijd. Nog maar weinig, vooral jongere, mensen snappen wat we zingen. Van duitsen bloed: kun je dat meezingen? Of zou het gaan helpen als het Wilhelmus verplicht op school wordt aangeleerd?

Maar ook ‘n vroom protestlied

Er zijn ook argumenten om het Wilhelmus wél in de kerk te zingen.

Veel kerkgangers hebben positieve gevoelens bij het Wilhelmus. Bijvoorbeeld eenheid en verbondenheid. Rond Koningsdag klinkt er iets in door van dankbaarheid voor ons koningshuis. Rond Bevrijdingsdag -en daarvoor staat het aangegeven in het Liedboek- klinkt er dankbaarheid en respect in door voor al die mensen die hun leven voor onze vrijheid hebben ingezet, en voor dat we in een vrij en democratisch land leven. Is het Wilhelmus ook niet een soort protestlied tegen onvrijheid, onderdrukking, discriminatie, onrecht?

Het is een ‘vroom’ lied (in de goede betekenis: godvruchtig). En vrome liederen zijn goed om in de kerkdienst te zingen. Vers 6, met God als mijn schild en betrouwen, past daarom prima in een kerkdienst. En dat geldt voor meer coupletten, bijvoorbeeld vers 14, over de herder die niet zal slapen maar opkomt voor zijn verstrooide schapen.

René van Loenen -dichter van kerkliederen- pleit ervoor om het Wilhelmus een plaats ín de liturgie te geven. Dus niet na zegen, en ook niet alleen vers 1 en 6; maar in de kerkdienst zelf, en dan verschillende verzen op daarvoor geëigende plaatsen. Zo kun je bij een Profetenlezing over het gezag dat aangeklaagd wordt voor onrecht, vers 1 en 15 zingen; als kyrie zijn de verzen 2, 6, 10 of 14 geschikt.

Niet of wel?

Ik ben niet zo wild van het Wilhelmus. Vanwege de ouderwetse taal. Vanwege de ‘enge’ gevoelens en associaties erbij. Vanwege de ‘gekkigheid’ om vers 1 en 6 na de zegen te zingen. Tegelijk snap ik dat er ook goede gevoelens en associaties bij mogelijk zijn, en dat het Wilhelmus in onze samenleving een belangrijke functie heeft. Mede omdat het Wilhelmus in het Liedboek is opgenomen en daarmee dus een kerklied is, kan het in de kerk worden gezongen. Maar laten we het dan ook ín de kerkdienst doen, adequaat in de liturgie opgenomen, en misschien ook niet alleen maar rond Koningsdag en bevrijdingsdag.”

Tot zover collega Harry Harmsen. Hij attendeerde mij ook op het pleidooi van Leonie Breebaart in het dagblad Trouw van 16 mei jl. om de melodie van het Wilhelmus te behouden, maar de tekst te vervangen.