Voor iedereen die de kerkgang mist en in deze angstige tijd toch graag wil luisteren naar een korte preek, een gebed en een mooi lied:
Een lid van onze kerk heeft een online collectebus voor ZOA geopend. Doneer jij ook? Klik dan hier.
Voor iedereen die de kerkgang mist en in deze angstige tijd toch graag wil luisteren naar een korte preek, een gebed en een mooi lied:
Een lid van onze kerk heeft een online collectebus voor ZOA geopend. Doneer jij ook? Klik dan hier.
Morgen is het zondag. Kerken blijven leeg. Op YouTube staat vanaf zondagmorgen 07:00 uur deze mini-preek online, inclusief gebed en een mooie lied:
Waar gaat het over?
Over het corona-virus dat als een storm over de wereld raast en iedereen in zijn greep heeft.
De storm komt uit Gods hand, zegt Psalm 107:
Wanneer Hij spreekt, doet Hij een stormwind opsteken, die haar golven hoog opheft.
Maar wie Jezus kent, mag er ook op vertrouwen:
Hij brengt de storm tot stilte, zodat hun golven zwijgen.
Hij is immers de Heer die regeert!
“Mochten we maar even in de hemel kijken …” Als dominee heb ik mensen dat vaak horen zeggen na het overlijden van een geliefde. Dat verlangen is geen pure nieuwsgierigheid, maar eerder intense betrokkenheid. Want als christen vertrouw je erop dat de dood niet het einde. Maar hoe zit het dan met een bijna-doodervaring?
Tegenwoordig hoor je steeds meer verhalen van mensen die zeggen dat ze even in de hemel geweest zijn. Vaak gebeurde dat onder narcose, in coma of tijdens een hartstilstand. Het worden bijna-doodervaringen (bde) genoemd. Maar wat is er van waar? Kunnen mensen inderdaad onder zulke extreme omstandigheden soms ‘een blik in de hemel werpen’? En is wat zij daar zien, iets wat ze bij hun volle bewustzijn meemaken of is het een illusie van verwarde hersenen die onder extreme druk staan?
In 2007 kwam het boek Eindeloos bewustzijn van de cardioloog Pim van Lommel uit. Hij verzamelde en analyseerde veel bde-verhalen. Hij kwam tot de conclusie dat ons bewustzijn niet door onze hersenen geproduceerd wordt. Als alle aardse dingen wegvallen, kan dat bewustzijn ons een grotere, alomvattende geestelijke werkelijkheid laten zien. Vroeger hoorde je daar niet zo veel over, maar de medische wetenschap heeft ervoor gezorgd dat steeds meer mensen die nagenoeg klinisch dood zijn, toch weer terugkomen in dit leven.
In december 2018 verscheen in Nederland het boek Stel je de hemel eens voor van de Amerikaanse predikant John Burke. Hij beschrijft tientallen bijna-doodervaringen. Die bevatten allemaal dezelfde elementen en het is altijd een samenhangend verhaal. Mensen die het meegemaakt hebben, zijn vaak het meest van onder de indruk van de overweldigende liefde en de volkomen acceptatie die ze beleefd hebben. Meestal zijn ze er innerlijk compleet door veranderd. Negatieve bde’s zijn zeldzamer, maar komen ook voor, vaak bij niet-religieuze mensen. Ze voelen dat ze worden meegezogen in een donkere put vol negatieve en ruziënde stemmen, maar als ze om God of Jezus roepen, trekken deze machten zich luid protesterend terug.
Hoeveel geloof moet je aan bijna-doodervaringen hechten? Als nuchtere, gereformeerde Groninger heb ik deze verhalen lang op afstand gehouden. Maar het ontroerde me steeds meer, elke keer als ik van een bde hoorde of er over las. Ik merkte dat het een verlangen in mij opriep naar hoe mooi het in de hemel, bij Jezus zal zijn. Het voelde telkens weer alsof God een tipje van de sluier optilde om me iets te laten zien van de volkomen heerlijkheid die Hij voor al zijn kinderen bestemd heeft.
Paulus schrijft in 2 Korintiërs 12:1-10 over een bijzonder moment, dat hij het nog steeds niet goed onder woorden kan brengen. Daarom praat hij er in de derde persoon over. Dat ging zo plotseling en onverwacht dat hij niet meer weet of het in het lichaam was of dat het een uittreding van zijn bewustzijn was. Het zou heel goed een bde geweest kunnen zijn. Hij was weggevoerd naar het hemels paradijs en heeft daar onuitsprekelijke dingen gehoord en gezien.
Paulus kreeg zicht op de hemel en dat was een geweldige bemoediging voor hem. Geen wonder dat hij tegen de Korintiërs zegt: “We weten dat we na ons sterven van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensen gemaakte woning in de hemelen. Ja, we zouden ons lichaam liever verlaten om onze intrek bij de Heer te nemen” (naar 2 Korintiërs 5:1-10). Je snapt meteen ook waarom Paulus ergens anders schrijft: “Ik verlang ernaar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste.” (Filippenzen 1:23). Dat gevoel van heimwee en verlangen hoor je vaak terug bij mensen die een bde meegemaakt hebben. Maar ze moesten terug. Ze beseffen meestal heel sterk dat ze op aarde nog een taak hebben. Zo voelde Paulus dat ook.
Soms hoor je iemand zeggen: ‘Al die aandacht voor die bijna-doodervaringen is niet nodig. We hebben toch genoeg aan de Bijbel?’ John Burke zegt het in zijn boek zo: ‘De bde’s zijn geen vervanging of verdringing van wat de Bijbel zegt; ze voegen alleen kleur toe aan het bijbelse beeld. Dan heb je de zwart-witte woorden van de Bijbel beleefd op zo’n kleur-overgoten manier, dat God nog meer geëerd wordt.’ Een bijna-doodervaring is dus heel waardevol voor iemand zelf en z’n omgeving. Dank God ervoor!
Tegelijk hangt mijn geloof niet van zo’n ervaring af. Jezus onze Heer geeft ons het juiste zicht op de hemel. En een bde zet daar voor een christen een dikke streep onder.
UIT DE BIJBEL
Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, dat is wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben. 1 Korintiërs 2:9, HSV
Om verder te lezen: Lukas 16:19-31; Romeinen 10:6-11; 2 Korintiërs 12:1-9
OVERDENKEN / DOEN
1 Wat denk jij als christen als iemand zegt dat hij/zij een bijna-doodervaring gehad heeft? Of wat vind je van boeken of films als De jongen die in de hemel was? Wat maken zulke verhalen bij je los? Wat vind je er positief aan? Waar heb je zo je vragen over? Wat vind je er eventueel niet bijbels aan?
2 Heb je zelf weleens een bijzonder moment (een bde, een droom, een visioen) gehad waarin je God, Jezus of de hemel heel sterk ervaren hebt? Wat betekende dat voor jou?
3 Christenen voelen nu al in hun hart ‘het begin van de eeuwige vreugde’ en van de ‘volkomen heerlijkheid’ die we na dit leven zullen ontvangen (Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus). Heb je zulke ‘hemelse momenten’ weleens meegemaakt en welke invloed hebben zij op je geloofsleven?
LITERATUUR
Pim van Lommel, Eindeloos bewustzijn, 1e druk 2007
Todd Burpo, De jongen die in de hemel was, 1e druk 2011
John Burke, Stel je de hemel eens voor, 1e druk 2018
Een interview met Pim van Lommel, de auteur van Eindeloos bewustzijn, in het KRO-programma ‘Kruispunt’ uit 2008 is na te kijken op https://vimeo.com/57237162
Hoe foutloos lees jij deze twee verzen uit het begin van de Bijbel hardop?
Toen riep de mens uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd.’ Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt.
Het is het lied van Adam, toen hij van God zijn Eva kreeg en de conclusie die God Zelf in het paradijs daaraan geeft, nl. dat het huwelijk een unieke relatie voor het leven is tussen één man en één vrouw.
Als dit gedeelte, Genesis 2:23-24, in de kerk of thuis aan tafel hardop gelezen wordt, struikelt de voorlezer vaak over het woordje ‘een’. Dat komt zes keer voor in deze twee verzen. Wat moet je elke keer zeggen: ‘un’ of ‘één’? Laatst laaide de diskussie weer eens op over de vraag wanneer je wel of geen streepjes op de beide éé’s van ‘een’ moet zetten als je het als ‘1’ uitspreekt. Toen dacht ik: laat ik dat eens aan het ‘Genootschap Onze Taal’ vragen. Die geven altijd graag en deskundig advies, is mijn ervaring. Dus ik vroeg hen:
Wat is het officiële criterium om het telwoord 1, als het niet voor een zelfstandig naamwoord staat, soms als ‘een’ en soms als ‘één’ te schrijven?
De aanleiding voor mijn vraag is deze: in kerkdiensten wordt altijd uit de Bijbel gelezen en dan komt ook Genesis 2:23+24 nog wel eens voorbij. Daarin gaat het over Adam en zijn vrouw Eva. Regelmatig hoor ik dan dat de voorlezer zich verslikt in vers 24, omdat daar 4x ‘een’ staat, waarvan drie keer als telwoord en één keer als lidwoord, maar alle drie als ‘een’ geschreven. Maar in vers 24 staat 1x ‘een’ (lidwoord) en 1x ‘één’ (telwoord). Vandaar mijn vraag. Met als toch nog tweede vraag: hoe fout is het om voor de zekerheid altijd ‘één’ te schrijven als het uitgesproken dient te worden als het telwoord ‘één’?
Genesis 2
23 Toen riep de mens uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd.’ 24 Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt.
![shutterstock_94616128 [Converted]](https://ernstleeftink.com/wp-content/uploads/2020/02/een-of-c3a9c3a9n.jpg)
Tekening: www.taaluilen.nl
Op mijn vraag kreeg ik, zoals verwacht, uitgebreid antwoord. En gewoon omdat ik het leuk vind, plaats ik dit antwoord hier op mijn weblog. Met toestemming van Onze Taal uiteraard. Dit is hun reaktie:
Er is geen officiële regel die bepaalt wanneer er wel of niet accenten op ‘een’ komen. In principe wordt het woord ‘een’ ongeacht de uitspraak zonder accenten geschreven. Er zijn veel grensgevallen, en de passage uit Genesis is daar een fraai voorbeeld van. Op onze website staat een heel lijstje met twijfelgevallen: https://onzetaal.nl/taaladvies/een-van-beiden/.
Vers 23 kan inderdaad een struikelblok zijn voor een voorlezer. Het eerste en het tweede ‘een’ kunnen al enige twijfel over de gewenste uitspraak oproepen, maar vooral het deel ‘vrouw, een uit een man gebouwd’ is lastig te doorzien. Dat laatste komt mede doordat de hele zinsconstructie verwarring kan opleveren. Het zal niet voor iedere lezer meteen duidelijk zijn dat het derde ‘een’ in de zin (direct na het woord ‘vrouw’) op één lijn staat met het eerste ‘een’ (na ‘Eindelijk’) en het tweede ‘een’ (na ‘vlees’). Men had eventueel twee keer voor een bijzin met een persoonsvorm kunnen kiezen, bijvoorbeeld ‘Eindelijk een die gelijk is aan mij …’ en ‘een die uit een man gebouwd is’. Maar het is goed mogelijk dat men bewust – bijvoorbeeld op basis van de brontekst of het ritme – toch voor deze ‘compactere’ oplossing gekozen heeft.
Gezien de mogelijke verwarring zouden er accenten op ‘een’ kunnen: ‘Eindelijk één gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, één die zal heten: vrouw, één uit een man gebouwd.’ Verplicht zijn de accenten echter niet. De regel die wij in het bovengenoemde webadvies vermelden, luidt: ‘Eén is juist als echt het telwoord één bedoeld is (je kunt achter de zin en geen twee of meer denken) én als er anders verwarring kan ontstaan.’ In dit geval is steeds het telwoord ‘één’ bedoeld, maar zijn accenten strikt genomen niet nodig omdat uitspraak van (een van) de woorden ‘een’ met een toonloze e-klank hier geen grammaticale zin oplevert. Toch had hier wat ons betreft ook wel driemaal voor ‘één’ kunnen worden gekozen, om verwarring te voorkomen. De schrijfwijze ‘één uit een man gebouwd’ maakt wat duidelijker dat van die woorden het eerste ‘één’ op één lijn staat met de twee eerdere woorden ‘één’, en misschien ook nog dat het laatste ‘een’ het lidwoord ‘een’ is en dat het dus niet gaat om ‘één man’.
In vers 24 is ‘één’ in ‘één van lichaam’ nog een twijfelgeval. Ook hier zou je kunnen volhouden dat accenten niet strikt nodig zijn, omdat ‘een’ in deze zin geen lidwoord kan zijn. Toch vinden we het terecht dat er wel accenten staan. Het gaat hier om een telwoord dat bovendien enige nadruk heeft; de schrijfwijze ‘een’ kan ook hier voor enige verwarring zorgen.
Het is niet zonder meer fout te noemen om altijd ‘één’ te schrijven als het moet worden uitgesproken als het telwoord ‘één’, maar we zouden dat toch niet aanbevelen. In gevallen als ‘een van beiden’, ‘zij is een van de besten’ en ‘ik zal een en ander toelichten’ komt de schrijfwijze ‘één’ nadrukkelijker over dan nodig is. Altijd accenten schrijven bij de uitspraak met een lange e-klank zou weliswaar veel twijfel kunnen voorkomen, maar dit uitgangspunt botst met het principe dat het woord ‘een’ in principe zonder accenten wordt geschreven, tenzij er reden is daarvan af te wijken.
Het ‘Genootschap Onze Taal’ heeft niet alleen een eigen website, maar geeft ook 10x per jaar het tijdschrift ‘Onze Taal’ uit en is erg aktief op Facebook en Twitter (beide keren @onzetaal).
Helemaal los hiervan: bij ‘Onze Taal’ vindt men het vast en zeker inkorrekt wanneer iemand in veel gevallen de ‘c’ vervangt door een ‘k’, maar volgens een alternatieve theorie, die in Vlaanderen meer aanhang vindt dan in Nederland, is het schrijven van een ‘c’ voor ‘a-o-u’ een gallicisme (beïnvloeding door het Frans) en past het gebruik van de ‘k’ beter bij het Nederlands als Germaanse taal.
De Nederlandse Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt zijn op weg naar kerkelijke hereniging na 50 jaar gescheiden optrekken. Vandaag, vrijdag 7 februari, was de eerste gezamenlijke vergaderdag van de Landelijke Vergadering van de NGK en de Generale Synode van de GKV. Als voorbereiding kregen alle afgevaardigden een ‘Dagboekje over kerkelijke eenwording’, geschreven door synodevoorzitter ds. Melle Oosterhuis, n.a.v. het bijbelgedeelte uit Efeziërs 4:15+16.
Wie zich betrokken voelt bij dit proces van eenwording kan nu ook dit dagboekje gaan lezen door op deze link te klikken. En ook hieronder staan de zeven korte overdenkingen.
Dag 1 15 Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. 16 Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.

Lezen: Joh. 17:15-19
Paulus ziet als eerste fase van het proces van kerkelijke eenwording een groeiproces voor zich, waardoor gelovigen toegroeien naar Hem die het Hoofd is, Christus. En wil dat groeiproces ons daadwerkelijk bij Christus brengen, dan is eerste voorwaarde, dat wij, zoals Paulus het uitdrukt, ons aan de waarheid houden. ‘Je aan de waarheid houden’, dat kan verworden tot een formele aangelegenheid. Abstracte schriftgeleerdheid, waarmee je jezelf sterk waant en elkaar de maat neemt.
Vraag: Welke klank en inhoud krijgt ‘je aan de waarheid houden’ als je daar de woorden van Jezus uit Johannes 14:6 naast legt?
Dag 2 15 Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. 16 Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.
Gemeenschap
Lezen: Joh. 17:20-21
In de nacht van zijn verraad bidt Jezus om de eenheid van al degenen, die door de verkondiging van de apostelen tot geloof komen. Jezus geeft daarbij aan, dat dit ‘één zijn’ alles te maken heeft met het één zijn van de gelovigen met de Vader en de Zoon. Zoiets beluister ik ook in de woorden van Paulus in Ef. 4:15. Wil de gemeente volledig toegroeien naar Hem die het Hoofd is, dan is voorwaarde dat er sprake is van liefdevol samen optrekken.
Vraag: Kun je je voorstellen, dat onderlinge verdeeldheid schadelijk is voor het toegroeien naar Christus? Hoe werkt dat?
Dag 3 15 Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. 16 Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.
Onverdeeld
Lezen: Joh. 17:22, 23
Jezus brengt tegenover de Vader zijn doel van de eenheid van hen die in hem geloven heel sterk onder woorden: Dat ze volkomen één zijn. De echo daarvan beluister ik in wat Paulus in Ef. 4:15 schrijft over samen volledig toegroeien naar Christus. Dat zegt iets over het einddoel van de volmaaktheid. Maar dat zegt ook iets over de weg waarlangs die volmaaktheid bereikt moet worden. Het vraagt om een onverdeeld hart. Alleen de onverdeelde toewijding aan Christus werkt samenbindend bij de gelovigen onderling.
Vraag: Ga bij jezelf na, of er andere goden zijn, die jouw onverdeelde toewijding aan Christus ondermijnen.
Dag 4 15 Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. 16 Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.
Samenhang
Lezen: 1 Kor. 12:14
Tot nu toe ging het vooral over de gezamenlijke blikrichting die ons onderling verbindt en samen doet toegroeien naar Christus. In vers 16 wijst Paulus op een omgekeerde beweging. Vanuit het Hoofd Christus naar de gelovigen toe. Vanuit Hem krijgt hun gezamenlijkheid steeds meer samenhang. Christus maakt dat ze steeds meer met elkaar krijgen. Een weg inslaan van kerkelijke eenwording kan voelen als een sprong in het diepe. Waar loopt het op uit? Wat levert het op? Zal ik me thuis voelen in de kerkgemeenschap die ontstaat. Wat is bij die onzekerheid dit een bemoedigende belofte.
Vraag: Of niet? Kan het vooruitzicht van zo’n hechte gemeenschap je ook beklemmen?
Dag 5 15 Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. 16 Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.
Bijdrage
Lezen: 1 Kor. 12:24b-27
Er wordt in de bijbel in verschillende beelden gesproken over de opbouw en de structuur van de kerk. Paulus gebruikt in Ef. 2:21 het beeld van bouwstenen die, alles bij elkaar, een gebouw vormen. Dat maakt een passieve indruk. Petrus maakt er ‘levende stenen’ van, die zich laten gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. (1 Pt. 2:5) Paulus gebruikt in 1 Kor. 12 het beeld van een lichaam dat uit een veelheid van lichaamsdelen bestaat. Maar al die beelden hebben één ding gemeen. Geen van de onderdelen kan gemist worden. Je bent onmisbaar in de kerk.
Vraag: Hoe voelt het voor jou, onmisbaar te zijn in de kerk?
Dag 6 15 Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. 16 Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.
Talent
Lezen: 1 Kor. 12:4-11
Onmisbaar zijn in de kerk loopt in de praktijk zomaar uit de hand. Je voelt je geroepen om overal aan mee te doen en voor alles beschikbaar te zijn. In de gemeente van Korinthe ontspoorde het en liep het uit op onderlinge rivaliteit. De bijdrage van de één wilde de ander ook kunnen leveren, liever nog overtreffen. Paulus benadrukt daarom, dat er verscheidenheid in gaven is die met zich meebrengt dat alle leden hun eigen specifieke aandeel mogen leveren. Jouw talent wil de Geest tot z’n recht zien komen. Dat bedoelt Paulus ook met ‘ieder draagt naar vermogen bij’. Dat betekent niet, dat je tot het uiterste moet gaan, maar dat jij met jouw talent tot je recht komt.
Vraag: Herken jij bij jezelf talenten, waarvan je hoopt dat die in de verenigde kerk tot hun recht kunnen komen?
Dag 7 15 Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. 16 Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.
Liefde
Lezen: 1 Kor. 13:4-7
Paulus komt in zijn brief aan de gemeente te Korinthe, na een hoofdstuk over de veelheid en verscheidenheid van gaven van de Geest in de gemeente, uit bij een gave waarvan het belang dat van al die andere gaven overtreft, de liefde. Die gaven is er niet één naast al de andere. Het is de gave waarin allen mogen delen en die voorwaarde is voor het effect van alle andere gaven en talenten. Bij die gave komt Paulus ook uit in Ef. 4:16. Daar gaat het om de onderlinge liefde, in de eerste plaats in de zin van het inzetten van talenten en het dankbaar erkennen en honoreren van elkaars talenten.
Vraag: Welke bijzondere talenten hoop je dat de NGK en de GKV in de eenmaal verenigde kerk bij elkaar opmerken en te honoreren?
In de diskussie over de doop hoor je soms ook de bewering dat een doop pas geldig is, wanneer de dopeling helemaal ondergedompeld is. Want de doop brengt tot uitdrukking, zegt men dan, wat er in Romeinen 6 staat. Daar zegt Paulus: Weet u niet dat wij die gedoopt zijn in Christus Jezus, in zijn dood gedoopt zijn? We zijn door de doop in zijn dood met Hem begraven om, zoals Christus door de macht van de Vader uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden. Bovendien betekent het Griekse woord ‘baptisdein’ in het gewone taalgebruik altijd ‘onderdompelen’.
Om de symboliek van het gedoopt volledig tot zijn recht te doen komen, is onderdompeling de verplichte vorm voor volwassendoop in veel evangelisch-georiënteerde kerken. Soms wordt daarom zelfs de volwassendoop uit andere kerken niet erkend wanneer die alleen maar door besprenkeling heeft plaatsgevonden. En het gebeurt in een baptistenkerk ook wel eens dat iemand die niet helemaal kopje onder gegaan is in het baptisterium, alsnog weer het water ingaat om echt helemaal ondergedompeld te worden.
In het klassieke doopformulier dat sinds 1566 binnen de verschillende gereformeerde kerken gebruikt wordt staat, dat de afwassing van onze zonden zichtbaar gemaakte wordt door ‘de onderdompeling in en de besprenkeling met het water’. Het mag dus allebei. De onderdompeling staat zelfs voorop! In de praktijk kiest men bijna altijd voor de besprenkeling. Bij kinderen snap ik dat, maar als het om de volwassendoop gaat, vind ik dat persoonlijk wel wat jammer. Juist bij de doop van een volwassenen is de onderdompeling een enorm aansprekend beeld van het feit dat je je oude, zondige leven dankzij Jezus Christus afgelegd hebt en verfrist weer opstaat in een nieuw, christelijk leven. In de gereformeerde zendingskerken in tropische landen is onderdompeling dan ook gebruikelijk als volwassenen tot geloof komen. Dan houden ze gewoon een openluchtdienst bij de rivier.
Maar is daarmee het besprenkelen van kinderen en volwassenen bij de doop verkeerd? Sommige christenen beweren, dat de besprenkeling pas opgekomen is toen vanaf de 3e eeuw de kinderdoop werd ingevoerd. Daarvoor was er alleen maar sprake van onderdompeling. Als bewijs daarvoor wordt de doop van Johannes de Doper aangevoerd. In de Jordaan werd iedereen, zelfs Jezus, ondergedompeld.
Toch is het nog maar de vraag of men daarmee het gelijk aan zijn kant heeft. Het is niet bekend hoe bv. de 3000 mensen op Pinksteren zich hebben laten dopen. En de cipier in Filippi die zich ‘s nachts door Paulus liet dopen in zijn eigen huis – ik mag aannemen dat hij nog geen ingebouwd baptisteriumpje in zijn woning had.
Het omgekeerde, dat vanaf het eerste begin de doop ook door besprenkeling plaats vond, valt met even veel recht te verdedigen. Allereerst met een beroep op het Oude Testament. Daar wordt de vergeving van de zonden regelmatig afgebeeld door de besprenkeling met het bloed van de offerdieren. Sommige evangelische theologen beweren, dat het bloed van de offerdieren in het Oude Testament een hele andere symboliek heeft dan het water van de doop in het Nieuwe Testament. Maar die visie kan geen stand houden als je leest, wat er in Ezechiël 36:25-27 staat. Daar belooft de HERE aan de joden in ballingschap: Ik zal zuiver water over jullie uitgieten om jullie te reinigen van alles wat onrein is, van al jullie afgoden. Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, Ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie mijn Geest geven en zorgen, dat jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen. Alleen al op grond van deze passage zouden we als christenen elkaar moeten accepteren als het om onderdompeling of besprenkeling gaat. Het is maar een symbool, dus de geldigheid van de doop hangt er niet van af.
Maar er is meer bewijs . Rond het jaar 90 na Christus (dus ruim 50 jaar na Pinksteren!!) is een brief bewaard gebleven waarin het gaat over de manier waarop de doop bediend moet worden. Het geschrift wordt de Didache (Grieks voor ‘onderwijs’) genoemd. De volledige titel is Het onderwijs van de twaalf apostelen aan de volken. In 2017 is het door Dr. Jos M. Strengholt opnieuw uit het Grieks vertaald en van voetnoten en gespreksvragen voorzien. Volgens sommigen is de apostel Barnabas de schrijver van de Didache. In hoofdstuk VII van de Didache staat het volgende over de manier van dopen:
Wat betreft de doop, doop aldus:
Nadat u al deze voorgaande dingen hebt doorgenomen met de dopelingen, doop hen in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest in stromend water.
Maar als u geen stromend water hebt, doop dan in ander water. En als u niet in koud water kunt dopen, dan maar in warm.
Als u die allebei niet hebt, giet dan driemaal water over het hoofd in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Als het gaat om de keus tussen onderdompeling en besprenkeling bewijst deze passage uit de Didachè volgens mij duidelijk dat de geldigheid van de doop niet in één van beide vormen zit. Hooguit kun je eruit afleiden, dat bij de doop van een volwassene de onderdompeling de voorkeur heeft. Maar als de omstandigheden dat niet toelaten is een doop door besprenkeling evengoed geldig.
Aardig om te zien is ook, dat in de eerste eeuw na Christus al geadviseerd werd om bij besprenkeling drie keer water over het hoofd van de dopeling uit te gieten. Persoonlijk spreekt mij dat erg aan en doe ik dat ook altijd bij iedere doop. Zo worden de beloften van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest nog eens nadrukkelijk onderstreept.
Als het gaat om de geldigheid van de doop sluit ik mijzelf graag aan bij de royale houding van de anglikaanse theoloog J.I. Packer. Die houdt gereformeerden voor dat het opdragen van kinderen een droge doop is en hij houdt baptisten voor dat het afleggen van belijdenis een droge doop is. Op grond daarvan pleit hij voor wederzijds respekt. In een ander blog breng ik de visie van Packer zo onder woorden: Te vroeg of te laat, maar niet dubbel.
Het is mijn verlangen dat alle bijbelgetrouwe christenen zo met elkaar om gaan dat iedereen de ééns ontvangen doop in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, die in geloof ontvangen en aanvaard wordt, accepteert. Er is immers maar ‘één doop tot vergeving van de zonden’, zoals het overgrote deel van de christenen eeuwenlang en wereldwijd met de Geloofsbelijdenis van Nicea op grond van Efeziërs 4:7 belijdt.
Maar ik ben niet gerust op dat de royale mildheid van Packer er op dit punt ook bij de hoofdstroom van evangelikaal Nederland is. Nog steeds worden gelovige broers en zussen in de Heer die zich aansluiten bij een evangelische of baptisten-gemeente regelmatig uitgesloten van alle officiële funkties binnen die gemeente, enkel vanwege het feit dat ze zich niet voor de tweede keer in de Naam van de Drie-enige God willen laten dopen. Ze mogen wel ‘vriend van de gemeente’ zijn, maar geen volwaardig lid. In sommige evangelische gemeentes wordt, zoals ik al eerder noemde, zelfs de volwassendoop door middel van besprenkeling niet erkend!
Het verdelen van belijdende christenen binnen de eigen gemeente in twee categorieën is volgens mij ten diepste oudtestamentisch: toen waren de ‘jodengenoten’ hartelijk welkom in de buitenste voorhof. Maar écht binnenkomen mochten ze niet. Alle nadruk op de hartelijkheid waarmee mensen in evangelische gemeenten opgenomen worden als ‘vrienden van de gemeente’ maakt dat laatste niet ongedaan. Dat vind ik om verschillende redenen meer dan jammer. Niet alleen worden de woorden van de Drie-Enige God, die Hij bij elke doop (of het nu van een volwassene is of van een kind van gelovige ouders) heeft uitgesproken, niet serieus genomen. Ook wordt soms de vorm van dopen, zelfs als het om de volwassendoop gaat, blijkbaar belangrijker gevonden dan de inhoud. Dat lijkt verdacht veel op, om het met de woorden van de Heidelbergse Catechismus even scherp te stellen, ‘in plaats van of naast God iets anders hebben waarop de mens zijn vertrouwen stelt.’
Misschien dat we hier op aarde elkaar niet kunnen bereiken op dit punt, zodat we helaas moeten constateren: “Er waren twee Koningskinderen, zij hadden elkaar zo lief. Ze konden elkaar niet bereiken, het water van de doop was te diep.” Dan hoop ik maar dat Christus de Heer dit pijnpunt voor ons op zal lossen wanneer Hij terugkomt op de wolken.
Het boekje De Didache – Onderwijs van de Twaalf Apostelen aan de Volken Uit het Grieks vertaald en van voetnoten en gespreksvragen voorzien van Dr. Jos M. Strengholt is bij de auteur te bestellen voor € 7.95 incl. verzendkosten. Stuur dan een mail naar jos@strengholt.info.
Hemelvaart – misschien beschouw je dit christelijke feest vooral als een eervolle gebeurtenis voor onze Heer Jezus Christus Zelf. Hij keerde terug naar Huis als grote Overwinnaar.
Toch is het meer dan dat. Op de dag van de Hemelvaart zet God de poorten van de hemel wijd open voor zijn Zoon én voor iedereen die gelooft dat Jezus onze zonden gedragen en de dood verslagen heeft. Want dan is er niets meer dat tussen God en ons in staat.
Daarom kan Paulus ook in Ef. 4:8 schrijven: Toen Christus opsteeg naar omhoog, voerde Hij gevangenen mee. Hij neemt ons namelijk mee als gevangen die Hij bevrijd heeft uit de macht van duivel. En Jezus zegt in Joh. zelf: In het huis van mijn Vader zijn veel kamers. Ik zal jullie met Me meenemen, en dan zullen jullie zijn waar Ik ben.
Hemelvaart – het is dus een heel troostvol feest.
Hemelvaart – de poorten van de hemel blijven vanaf die dag wijd open staan. Niet alleen om al Gods kinderen bij Christus thuis te brengen aan het eind van hun aardse leven. Maar ook omdat Christus vanuit de hemel royaal wil uitdelen. Paulus omschrijft het in Ef. 4:8 zo: Toen Christus opsteeg naar omhoog (…) schonk Hij gaven aan de mensen.
Het grootste geschenk is, dat Jezus tien dagen later met Pinksteren Zichzelf teruggeeft door zijn Geest over al Gods kinderen uit te storten. Dan komen mensen tot geloof. Dan laten ze hun kinderen dopen. Dan zetten ze zich met hun talenten in binnen de gemeente, als ambtsdragers, als kringleiders, binnen commissies en werkgroepen en vaker nog gewoon in alle stilte. Dan zijn ze zout en licht in hun omgeving. Dan volgen ze de smalle weg naar de nauwe poort die wijd open staat om het eeuwige leven te ontvangen.
Hemelvaart – ‘Al heeft Hij ons verlaten, Hij laat ons niet alleen´ zingen we met een Liedboeklied. Misschien zijn we in onze tijd te individualistisch geworden om het heel bemoedigend en eervol te vinden dat onze Heiland en Grote Broer in de hemel is.
En vergeten we Jezus onze Heer vanuit de hemel stapels zegeningen naar ons toe laat stromen. Daarom roept Paulus ons in Ef. 5:19 en Kol. 3:16 op: Laat Christus’ woorden in hun rijkdom in u wonen, laat de Geest u vervullen en zing met elkaar met heel uw hart psalmen en liederen voor God die de Geest u vol genade ingeeft .
Een aantal jaren geleden schreef Adrian Verbree, columnist en predikant binnen de (vrijgemaakte) Gereformeerde Kerken, een ‘kruimeldief’ in het Nederlands Dagblad over homofilie. Met zijn toestemming mag ik het, nu heel Nederland in rep en roer is vanwege de pas verschenen Nashville-Verklaring, hier plaatsen.
Leviticus 18Je mag het bed niet delen met een man zoals met een vrouw, dat is gruwelijk. (Leviticus 18:22)
Het moeilijkste onderwerp binnen mijn werk, acht ik dat van de homofilie. Honderd procent hetero, worstel ik er regelmatig mee. Het is niet dat ik geen dingen op gezag wil geloven. Als de Bijbel zou vertellen: Elia liep over het plafond, dan denk ik: rustig laten lopen. Ik voel geen behoefte hem naar beneden te halen omdat ik me niet goed kan voorstellen hoe hij de zwaartekracht overwon. Wie de zwaartekracht kan scheppen, kan er ook mee spelen. Het is ook niet dat ik geen onwelkome geboden wil accepteren. Stel dat God zou voorschrijven: Ik verbied jullie asperges te eten, dan zou ik er vanaf willen zien.
Mijn probleem met homofilie is dat ik waar ik het tegenkomen, ik niet altijd herken wat ik in de Bijbel over dit onderwerp lees. Als ik op het journaal de gayparade door de grachten van Amsterdam zie drijven, ga ik over mijn nek. Maar als een meisje me geëmotioneerd toevertrouwt dat ze denkt dat ze ‘wel niet zo snel op een jongen zal vallen’, dan ben ik in een totaal andere wereld. Of neem de man die met tranen in zijn ogen vertelt dat hij twintig jaar voor zijn huwelijk heeft gevochten en heeft verloren.
Nu mag je aannemen dat vandaag de dag iedereen de gayparade weet te onderscheiden van deze heel andere homofilie. Zou je denken. Ik heb meer gesprekken meegemaakt dan me lief zijn, waarin met groot gemak werd geoordeeld dat homoseksualiteit niet mag omdat de Bijbel duidelijk tegen is. Nu is het een heksentoer om de Bijbel zo te schudden dat zijn vóór homoseksualiteit is. Niet aan beginnen, lijkt mij. Je kunt er niet onderuit dat volgens de Bijbel God man en vrouw voor elkaar schiep en dat het huwelijk de enige relatie is waarbinnen twee mensen zich geslachtelijk mogen verenigen.
Waar ik moeite mee heb, is het feit dat er nog steeds een beroep wordt gedaan op hoofdstukken als Leviticus 18 en 20 om te bewijzen dat God homofilie-relaties verbiedt. Als ik zo iets hoor, schaam ik me. Goedbedoelend citeert men de Bijbel op een manier waar je kippenvel van mag krijgen. Wat men vergeet, is de context waarin binnen deze hoofdstukken homoseksueel contact wordt verboden. Ik heb er lang over nagedacht hoe je deze passages zou kunnen lezen op een manier die voor iedereen duidelijk maakt dat je het meisje en de echtgenoot van hierboven er niet in tegenkomt. Ik geloof dat ik die manier gevonden heb. Hieronder geef ik Leviticus 18 vanaf vers 6 op een andere manier weer.
Het ligt in mijn aard dat ik met mijn moeder naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met de bijvrouwen van mijn vader naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met mijn zus naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met mijn kleinkind naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met de zus van mijn vader naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met de zus van mijn moeder naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met mijn tante naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met mijn schoondochter naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met mijn schoonzus naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met mijn dochter naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik naar bed wil met een ongestelde vrouw
Het ligt in mijn aard dat ik mijn kinderen aan de Moloch wil offeren
Het ligt in mijn aard dat ik met een man naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik seks met een dier wil
Iedereen heeft meteen in de gaten wat er mis is. Niemand gelooft dat het in iemands geaardheid ligt besloten dat hij of zij seks met een dier wil. Niemand gelooft dat er mensen zijn van wie de geaardheid hen drijft tot het offeren van de eigen kinderen. En niemand heeft een geaardheid die hem in het bed van zijn moeder doet belanden. Het is zonneklaar dat we het hier over perversiteiten hebben. De Egyptische en Kanaänitische ‘gruwelen’ waar de Bijbel wars van is. In dit rijtje kan ik de gayparade plaatsen. Maar wie durft het meisje van hierboven van perversiteit beschuldigen? Zij worstelt juist wél met haar geaardheid. Daarmee is zij absoluut de vreemde eend in de bijt van Leviticus 18. Onteer haar niet.
Bijna 400 jaar werd in Nederland de synode van Dordrecht gehouden. Die synode duurde een half jaar, van november 1618 t/m mei 1619. Op die synode ging het vooral om de vraag: ‘wie kiest voor wie’ als het om geloven gaat. Kiest God voor jou en geeft Hij jou daarom de wil en kracht om te geloven? Of heb jij een vrije en en geeft God jou, als je voor Hem kiest, de kracht om te geloven? Uiteindelijk deed de synode van Dordrecht daar een uitspraak over en wezen ze een aantal meningen die niet bijbels waren, af. Ze
noemden die uitspraak ‘De Dordtse Leerregels’. De Nederlandse kerken besloten om die uitspraak net zo belangrijk te vinden als de Nederlandse Geloofsbelijdenis van 1561 en de Heidelbergse Catechismus van 1563. Vanaf die tijd vormen ze de ‘Drie Formulieren van Eenheid’. In de stad Dordrecht wordt daarom vanaf november 2018 t/m mei 2019 veel aandacht besteed aan ‘400 jaar Dordt’ (http://www.synode400.nl)
De Dordtse Leerregels in één jaarEr is in 2016 ook een heel aardig ‘Bijbels dagboek bij de Dordtse Leerregels’ verschenen. Het is geschreven door Wim van Gen en Arjan van Noort, allebei verbonden aan het reformatorische Pieter Zandt College. Het heet Radicale genade! en is bestemd ‘voor jongeren & jeugdige ouderen’. Het is verschenen bij uitgeverij Groen in Heerenveen en bij het dagboek kun je ook gratis de app downloaden. Elke dag één bladzijde met een bijbeltekst, een bijbelgedeelte om zelf te lezen, een hele korte passage uit de Dordtse Leerregels en een helder stukje dat lekker prikkelt. Alleen de geciteerde vertaling van de Dordtse Leerregels is qua taalgebruik nog erger dan de Psalmberijming van 1773, maar daar kun je dus gewoon de GKV-versie voor in de plaats nemen – zie hieronder :-).
Veel predikanten binnen de gereformeerde gezindte zijn van plan om dit najaar over de Dordtse Leerregels te preken. Misschien is er dan behoefte aan een leesrooster. Ieder kerkgenootschap heeft (helaas) een eigen vertaling. Ik gebruik de versie uit 1978 zoals die binnen de GKV gebruikt wordt en in het Gereformeerd Kerkboek (klik hier). Het leesrooster is ook te downloaden (klik hier).
Wie begint met het lezen van de Dordtse Leerregels zal er, denk ik, achterkomen, dat die 400 jaar oude artikelen niet saai en achterhaald zijn, maar nog steeds spannend en actueel.
Leesrooster Dordtse Leerregels Hoofdstuk 1
*1* Lees D.L. I art. 1-5
a) Wat verdienen de mensen volgens art. 1?
b) Hoe heeft God het volgens art. 2-4 mogelijk gemaakt dat we aan zijn straf ontkomen?
c) Aan wie moeten we volgens art. 5 ongeloof en geloof toeschrijven?
*2* Lees D.L. I art. 6
a) Hoe wordt hier Gods besluit van verwerping omschreven?
b) En hoe Gods besluit van uitverkiezing?
*3* Lees D.L. I art. 7
a) Hoeveel beter zijn, volgens dit artikel, zij die door God uitgekozen zijn, dan anderen?
b) Wannéér heeft God hen uitgekozen?
*4* Lees D.L. I art. 8-11
a) Waarom heeft God ons volgens art. 9 níet uitverkoren?
b) En waarom heeft God ons volgens art. 9 wél uitverkoren?
c) Waarin bestaat Gods welbehagen volgens art. 10 níet?
*5* Lees D.L. I art. 12-14
a) Hoe krijgen de gelovigen er volgens art. 12 zekerheid over dat God hen uitverkoren heeft?
b) Wordt een gelovige volgens art. 13 zorgeloos, als hij zekerheid bezit over z’n uitverkoren zijn?
c) Hoe moet de uitverkiezing volgens art. 14 onderwezen worden?
*6* Lees D.L. I art. 16-17
a) Wie nog niet zo sterk zijn in het geloof, hoe moeten die zich volgens art. 16 ertegen opstellen dat God mensen verwerpt?
b) Wat voor troost bestaat er volgens art. 17 voor gelovige ouders, waarvan een baby sterft voordat die gedoopt kan worden?
c) Waarom geldt die troost dan volgens dit artikel?
*7* Lees D.L. I art. 15+18
a) Hoe omschrijft art. 15 Gods verwerpen van mensen?
b) Waarom hebben we volgens art. 18 geen reden om opstandig te zijn over Gods uitkiezen en verwerpen?
Leesrooster Dordtse Leerregels Hoofdstuk 2
*8* Lees D.L. II art. 1-5
a) Wat is volgens art. 3 de waarde van Christus’ dood?
b) Waarom heeft Christus’ dood deze waarde volgens art. 4
c) Welke dubbele boodschap kom je in art. 5 tegen? Wat weegt het zwaarste?
*9* Lees D.L. art. II 6-9
a) Hoe komt het volgens art. 6 dat vele mensen niet geloven?
b) Wie wilde God volgens art. 8 door het offer van Christus verlossen?
c) Hoe staat de kerk tegenover Christus (= art. 9)?
Leesrooster Dordtse Leerregels Hoofdstuk 3/4
*10* Lees D.L. III/IV 1-3
a) Welke drie kanten van de mens zijn volgens art. 1 door z’n ontrouw aan God aangetast?
b) Welke dwaling wordt in art. 2 bestreden?
c) Waartoe is de mens volgens art. 3 níet in staat?
*11* Lees D.L. III/IV 4-6
a) Wat behoudt de mens volgens art. 4 door het licht van de natuur?
b) In welk opzicht is volgens art. 4 dit licht van de natuur onvoldoende?
c) Wat kan volgens art. 5 de wet on níet bezorgen?
*12* Lees D.L. III/IV 7-9
a) Op grond waarvan heeft God volgens art. 7 het ene volk wel en het andere niet zijn ‘heilgeheim’ bekendgemaakt?
b) Er wordt wel gezegd: ‘Evangelisatie heeft toch geen zijn, want mogelijk is de luisteraar niet uitverkoren.’ Waarom klopt dit niet volgens art. 8?
c) Wie is verantwoordelijk voor ongeloof (zie art. 9)?
*13* Lees D.L. III/IV 10-11
a) Dat God mensen uitkiest en tot geloof brengt, waarom doet Hij dat volgens art. 10?
b) Wat doet God volgens art. 11 met behulp van zijn Geest met het hart en de wil van de mens?
*14* Lees D.L. III/IV 12-14
a) Hoe duidt art. 12 onze nieuwe geboorte aan?
b) Wat zegt art. 14 over de oorsprong van ons geloof?
*15* Lees D.L. III/IV 15-16
a) Hoe moeten we ons volgens art. 15 tegenover anderen opstellen?
b) Worden we volgens art. 16 door onze ontrouw aan God beroofd van ons mens zijn?
c) Over iemand die christen is geworden wordt wel eens gezegd: ‘Ik herken hem/haar niet meer wat hij/zij is zichzelf niet meer.’ Dit klopt niet met art. 16, want hoe werkt volgens dit artikel onze nieuwe geboorte?
*16* Lees D.L. III/IV 17
a) Hoe zorgt God volgens dit artikel voor dat iemand opnieuw geboren wordt: door regelrecht op hem in te werken?
b) Hoe wordt het evangelie hier aangeduid?
Leesrooster Dordtse Leerregels Hoofdstuk 5
*17* Lees D.L. V 1-5
a) Wat doet God volgens art. 1 wel en wat niet?
b) Waarvoor draagt God volgens art. 3 zorg?
c) Waarvoor moeten de gelovigen oppassen (= art. 4)
*18* Lees D.L. V 6-7
a) Hoe diep vallen Gods uitverkorenen volgens art. 6 niet?
b) En waarom vallen zij volgens art. 7 niet zo diep?
c) Wat wordt in art. 7 over ‘ervaren’ gezegd?
*19* Lees D.L. V 8-10
a) Waarom kunnen echte gelovigen volgens art. 8 niet verloren gaan?
b) Hoe komen de gelovigen volgens art. 10 aan de zekerheid dat ze bewaard worden?
*20* Lees D.L. V 11-13
a) Waartoe spoort de zekerheid van de volharding de gelovigen volgens art. 12 aan?
b) Hoe belangrijk is volgens art. 13 Gods gunst voor de gelovigen?
*21* Lees D.L. V 14-15
a) Waardoor houdt God volgens art. 14 zijn werk-in-ons in stand?
b) Op welke negatieve manieren wordt de leer dat de gelovigen volharden benaderd, volgens art. 15?
Leesrooster Dordtse Leerregels – Slotwoord
*22* Lees het eerste deel van het slotwoord van de D.L. (t/m de eerste regel na de acht misplaatste verwijten)
a) Welke visie wordt de gereformeerden onterecht toegeschreven als het om God Zelf gaat?
b) Welke visie wordt de gereformeerden onterecht toegeschreven als het om Gods verwerpen van mensen gaat?
Aan het verhaal van Job hebben we drie uitdrukkingen overgehouden: ‘een jobstijding’, een ‘jobsgeduld’ en ‘zo arm als Job’. Samen karakteriseren ze het leven van Job. Zo lijkt het tenminste. Maar in het verhaal van Job gaat het om iets anders: verlang ik er ook naar om net zo rijk als Job te zijn?
Wie het verhaal van Job kent, weet, dat Job op één en dezelfde dag te maken krijgt met twee terreurakties en twee natuurrampen. Twee roofbendes nemen al het vee en alle kamelen mee en doden al het personeel. Een verwoestende bliksem uit de hemel zorgt voor een steppebrand waarin alle schapen en geiten + de herders omkomen. En als ergste eindigt het feest waar al Jobs kinderen bij elkaar zijn in een drama, omdat een orkaan het huis totaal verwoest.
Dat zijn dus vier echte jobstijdingen. Op één dag. Stel je je dat eens voor! Zo heeft Job alles, zo heeft hij niets meer. En hij snapt er niets van. Want hij kende niet het verhaal achter het verhaal. Het verhaal van de krachtmeting tussen satan en God. Satan, die God uitdaagt om Job te testen.
Waarom geloven mensen? In het boek Job zegt de duivel: mensen geloven omdat ze door God gezegend willen worden. Of omdat ze bang zijn om in de hel te komen. Geloven is dus eigenbelang. Dat is wat de duivel tegen God zegt. Kijk maar naar Job. Die heeft van U alles gekregen wat zijn hartje begeert. Geen wonder dat hij zo gelovig is.
Zou dat zo zijn? Zou dat, als het er op aan komt, echt zo zijn bij alle mensen? Ja, bij jou en mij? Je gelooft, omdat je iets van God wilt krijgen? Nu – zegen in dit leven. Of straks – als ik maar in de hemel kom? Dan is geloven eigenbelang. En heeft God ongelijk als Hij zegt, dat Job een oprechte en eerlijke gelovige is. Het is opmerkelijk dat God de duivel toestemming geeft om Jobs geloof te testen. Dat lijkt mij een behoorlijk risiko. Hoe weet je nou zeker dat iemands geloof het uithoudt als het heel erg moeilijk wordt? Als je de ene jobstijding na de andere mee moet maken?
Ergens verderop in het boek Job vind je het antwoord. In Job 19 kun je lezen wat Jobs diepste vertrouwen was. Daar zegt hij: ‘De hand van God heeft mij getroffen, God heeft zich tegen mij gekeerd. Ik schreeuw: “Onrecht!”- maar krijg geen antwoord. Ik roep om hulp – maar vindt geen recht.’ Job kan maar niet begrijpen, waarom dit leed hem moet treffen. Hij snapt helemaal niets van de weg die God met hem gaat. Toch zegt hij dan plotseling: ‘Maar dit weet ik: mijn Redder, mijn Verlosser leeft en Hij zal tenslotte hier op aarde ingrijpen. Hoezeer mijn huid ook geschonden is, toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen. Ik zal Hem aanschouwen, ik zal Hem met eigen ogen zien, ik, geen ander, heel mijn binnenste smacht van verlangen.’ Job verwacht het dus niet eens meer van zijn geloof – want uit eigen kracht kun je zoveel leed niet dragen. Maar hij gaat met al z’n vragen, moeiten, opstandigheid en zelfs verwijten naar God toe. En heeft maar één houvast: een externe Verlosser – God zelf! Hij verwacht uitkomst van de God die hij niet begrijpt! Tenminste … bepaalde dingen begrijpt Job wel, en ook nog beter dan zijn omgeving. Aan het begin bijvoorbeeld. Na de eerste jobstijdingen – dan is Job in mijn ogen zo super gelovig. ‘Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen en naakt zal ik in de schoot van de aarde terugkeren. De HERE heeft gegeven, de HERE heeft genomen, de naam van de HERE zij geprezen.’
Hoe kun je dat nou zeggen als je zulke dingen mee hebt gemaakt? Zelf heb ik in mijn leven eigenlijk maar drie jobstijdingen meegemaakt. Allemaal in het rampjaar 1994. Eentje, de eerste, was persoonlijk. In Zeeuws-Vlaanderen, waar we toen woonden, kregen we het bericht dat mijn vader totaal onverwacht overleden was aan een hartstilstand, twee dagen voor z’n 57e. We zouden dat weekend voor zijn verjaardag naar het hoge Noorden, naar Oldehove toe. We kwamen voor zijn begrafenis. Nog geen twee maanden later werd ik als predikant geroepen bij de moord op een vrouw van achter in de 20, die op klaarlichte dag door haar drugsvriend was neergeschoten. Een echt familie-drama. Haar ouders waren lid van een GKV-kerk een plaats verderop zonder eigen predikant. In de meest besloten familiekring heb ik die begrafenis mogen leiden. En tenslotte, nog een maand later, de zomervakantie was al begonnen, werd ik in nog een andere buurgemeente bij een derde sterfgeval geroepen. Een jongen van 18 fietste met zijn zus van het strand naar huis en werd door de bliksem dodelijk getroffen. Voor die begrafenis –de eigen predikant kwam er voor terug– hadden de ouders als tekst deze woorden van Job gekozen: ‘De HERE heeft gegeven, de HERE heeft genomen, de naam van de HERE zij geloofd.’ En dat meenden ze echt, ook al wisten ze best wel, dat ze dat niet altijd zo zouden ervaren. Maar op dat moment wél. Net als Job, want daarvan lezen we, dat hij ondanks al die rampspoed niet zondige en God geen enkel verwijt maakte. En ook niet, nadat hij doodziek en vanwege besmettingsgevaar door alle mensen, inklusief zijn eigen vrouw, in de steek gelaten was. Ook toen zondigde Job ondanks alles niet en sprak hij geen onvertogen woord. In de oudere bijbelvertaling staat: ‘Job zondigde met zijn lippen niet’ – want hij zat wel degelijk vol met vragen, maar hij kon en wilde het niet over zijn hart verkrijgen om God de schuld te geven of de rug toe te keren.
Hoe kan dat? Ook al is het altijd makkelijk praten, want alleen wie ervaringsdeskundige is heeft recht van spreken , toch durf ik er wel wat van te zeggen. Job wist, toen hij alles kwijt raakte, dat alles wat je krijgt op aarde, een kado van God is. Alle dingen die je krijgt, zijn niet van jezelf. Je hebt het van God gekregen. En je hebt het uit genade gekregen. Onverdiend. En dus besefte Job heel goed: wat God geeft, kan Hij ook weer terugnemen. Zonder opgaaf van redenen. Het is bij aardse zegeningen niet zo: eens gegeven blijft gegeven. Wat God wel belooft is dit: vergeving van zonden en eeuwig leven dankzij een Verlosser en Redder die leeft – Jezus Christus. Daarvan geldt bij God: eens beloofd blijft beloofd. En als je dat kunt blijven geloven, ook na zware jobstijdingen, kun je daar ook God om loven en prijzen. Job zegt namelijk: ‘de naam van de HERE zij geprezen / geloofd.’ Job dankte God dus niet voor alle rampspoed. Dat zou pas echt wreed zijn, als je als christen God voor alle ellende die je overkomt moet bedanken. Dat zegt bijvoorbeeld de Heidelbergse Catechismus ook niet als het om tegenspoed gaat. Nee, in tegenspoed geduldig en in voorspoed dankbaar. Waarom? Omdat je voor de toekomst zeker mag weten dat niets je uit Gods hand kan rukken, omdat God van je houdt dankzij de Verlosser en Redder die leeft, Jezus Christus.
Als je dat bedenkt, snapt je ook iets beter de tweede reaktie van Job, tegenover zijn vrouw. Die vrouw van Job lijkt op de drie eerste vrienden van Job. Ze redeneren allebei precies omgekeerd, maar het komt eigenlijk op hetzelfde neer wat zij doen. Mevrouw Job zegt: als God zó iets doet, en jij bent zó gelovig – kap er dan maar mee, want dan is God onrechtvaardig. De drie vrienden zeggen: als God zo iets doet, dan heeft Hij daar altijd een reden voor – dus voor de draad ermee, Job, waarin was jij onrechtvaardig? Alle vier hadden ze een redenering. Ze dachten, dat ze God konden narekenen. Mevrouw Job met een negatieve konklusie over God: die moet wel een wrede tiran zijn. De vrienden van Job met een negatieve konklusie over Job: die moet wel verborgen zonden hebben.
Weet je, ik denk dat de HERE God met het hele boek Job ons ook wil laten zien, dat je sommige dingen eenvoudigweg niet verklaren kunt. Job zelf zegt dat bijvoorbeeld heel duidelijk in Job 28. Daar gaat het over de wijsheid. Wijsheid is in het Oosten hetzelfde als de zin van het bestaan kennen. En dus een verklaring kunnen geven voor de gang van het leven. De vrienden van Job dachten dat ze het wel wisten. Die hadden de wijsheid en de waarheid in pacht. Maar in Job 28 zegt Job: ‘De wijsheid is verborgen voor de blik der levenden. Alleen God weet waar de wijsheid verblijft en alleen Hij kent haar wegen.’ En daar heb je het als mens maar mee te doen. In ontzag voor de Heer en door het kwade te mijden, zegt Job erbij.
In heel het boek Job zie je dan ook geen enkele verklaring aan Job zelf van het doel van zijn lijden. Job heeft zelfs niet bij benadering geweten, waarom al deze ellende hem moest overkomen.
Daaruit mag je de konklusie trekken, dat we voorzichtig moeten zijn met oorzaak en gevolg. Soms is dat er wel. Als het om straf op de zonde gaat. Denk maar aan David en Batseba, of, in het groot, aan de zondvloed. Of als het gaat om Gods leiding gaat: soms snap je het achteraf, zoals bij Jozef, die later begreep dat God hem alvast vooruit naar Egypte gestuurd had.
Maar bij Job gebeurden alle rampen en ziektes die hem troffen, zonder reden, zegt God zelf tegen de duivel, hebben we gelezen. Dat kan heel veel vragen oproepen. En gevoelens. Ook Job liet horen wat hij er van vond. Onrechtvaardig! Dus vanuit zijn ellende zette hij een grote mond op tegen God. En dat was niet goed. Maar toch zegt God aan het eind tegen de drie eerste vrienden van Job: ‘Mijn dienaar Job heeft juist over Mij gesproken en jullie niet.’ Je kunt je dan afvragen: maar Job is in zijn klachten toch ook erg brutaal richting God. Hij overschrijdt regelmatig de grenzen van de eerbied. Hij roept God ter verantwoording! Maar dat is wat anders, dan dat je God en zijn beleid denkt te kunnen verklaren. Dat hadden de drie vrienden gedaan. Die wisten het antwoord al: God zit goed en Job zit fout. Met al zijn vragen probeerde Job God wel God te laten. Maar zijn vrienden spanden God voor het karretje van hun eigen denkbeelden.
Oftewel: je kunt beter op de goede weg van het geloof struikelen, zoals Job, dan dapper voortmarcheren in de zelfgekozen richting van je eigen verklaringen, zoals de vrienden van Job.
Na alle jobstijdingen en het hele proces wat hij daarna doormaakt, aanvaardt Job uiteindelijk dat God ons geen verklaring schuldig is voor de weg die Hij met ons gaat. Later zal God via de profeet Jesaja zeggen: ‘Mijn plannen zijn niet jullie plannen, en jullie wegen zijn niet mijn wegen.’ Maar Gods wegen en plannen komen uiteindelijk wel bij het doel uit: voor altijd bij God zijn. Onderweg overkomt ons goed en kwaad. Allebei, zegt Job, komen uit Gods hand! Dat is best wel een eye-opener voor mij geweest. Weet je waarom? Omdat Job hier eigenlijk zegt: blijf niet hangen in de ellende van vandaag. Bedenk ook, wat God je vroeger allemaal wél gegeven heeft. Het is niet eerlijk tegenover God om zijn zegeningen van gisteren buiten beschouwing te laten. Denk aan de uitdrukking die ik een keer als Visje tegenkwam: ‘Twijfel in het donker nooit aan wat je in het licht gezien hebt.’ Ik vind een mooie spreuk.
Een tijdje geleden alweer waren Karla en ik “bie diek aan t Oethoester Wad”. Vanaf daar zie je het eiland Borkum met de vuurtoren . ’t Was tegen zonsondergang, dus in de eerste schemering begon de vuurtoren z’n lichtsignalen uit te zenden. Ik probeerde te ontdekken in welk ritme de vuurtoren z’n licht gaf. Want iedere vuurtoren heeft z’n eigen ritme. Na een tijdje kwam ik erachter dat die van Borkum in interval van 4 – 12 heeft. Elke 4e tel en daarna elke 12e tel geeft hij licht. En dan weer bij tel 16 en tel 28. Daar moest ik aan denken bij het levensverhaal van Job. Het is niet altijd licht in ons leven. Soms zelfs veel vaker donker (10 tellen) dan licht (maar twee keer 1 tel). Maar af en toe schijnt het licht wel! Zo is het in het leven van Gods kinderen ook. In de donkerheid schijnt wel het licht van Gods liefde. Dus staar je niet blind op je moeiten. Zelfs als je ze zelf niet meer kunt dragen, is God er nog. Want Hij was er vroeger ook. Toen waren we blij met God. Juichend en lovend trokken we op naar het huis van God – een feestende menigte. Als ik daaraan denk, zingen de Korachieten in Psalm 42+43, word ik weemoedig en verdrietig. Dus vraag ik me af: Waarom vergeet God mij? Waarom ga ik in het zwart, geplaagd door de vijand? Daar snap ik niks van. Waarom zit ik nu in zo’n diep, akelig zwart gat? En toch, net als bij Job, klinkt er drie keer als refrein: ‘Vestig je hoop op God, mijn ziel. Eens zal ik Hem weer loven, mijn Verlosser en mijn God!’ Kijk, daar heb je alweer die Verlosser! Het zal eens ook weer licht worden! Want God laat jou en mij niet los.
Dat brengt me bij die tweede uitspraak over Job. Je bent zo arm als Job. Nou, dat was natuurlijk ook zo. Job had niets meer. En dat wás niet alleen zo, dat vóelde ook zo. Geen bezit meer – dat was het ergste niet. Geen kinderen meer – dat was heel erg. Geen vrouw en vrienden die hem steunden – integendeel. En met zijn God kon Job ook geen kant meer op. Maar aan de andere kant: je zult toch maar zo rijk als Job zijn! Ik ben vaak jaloers op het geloof van Job. In goede tijden: hij bidt elke dag voor zijn kinderen, hij geeft royaal aan de armen, sluit een verbond met zijn ogen om ook in gedachten niet vreemd te gaan. En in slechte tijden: hij blijft op God vertrouwen, hij durft zijn hoogmoed tegenover de HERE te belijden, hij kan zijn vrienden vergeven en voor hen bidden, terwijl hij zelf nog steeds ziek en arm is.
Zijn geloof maakt Job rijk. Vooral, omdat het in zijn geloof om God Zelf ging. Niet om Gods zegeningen. Niet om een plekje in de hemel. Nee, om God Zelf. Zelfs in zijn diepste depressie vervloekt hij wel de dag van zijn geboorte (‘was ik maar in de moederschoot gestorven’), maar wil hij God niet kwijt. Zo’n geloof, dan ben je rijk. Dat geloof kreeg Job van God. Hij had ook een Redder en Voorspraak nodig, één uit duizenden, zoals Elihu in Job 33 zegt.
Dat geloofde Job zelf ook. Daarom mag Job in zijn levensweg ook een voorbeeld voor ons vandaag zijn. Zo zegt Jakobus dat in zijn kleine briefje. Als het tegen zit, zegt hij: ‘Wees dan geduldig en houd moed, want de Heer zal spoedig komen. (…) U hebt gehoord hoe standvastig Job was, en u weet welke uitkomst de Heer gaf; de Heer is immers liefdevol en barmhartig.’
Je hoeft niet te verlangen naar de rampspoed van Job. Je hoeft ook niet te verlangen naar de miljoenen van Job. Wees liever jaloers op de rijkdom van zijn geloof. Als je dát verlangt, een geloof als dat van Job in voorspoed en tegenspoed, dan woont de wijsheid in je hart. Want dan bouw en vertrouw je op God, die in Christus onze genadige Vader is. Ja, zegt Paulus: ‘Iedereen die op Jezus Christus zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. (…) want niets zal ons kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij ons gegeven heeft in Jezus Christus, onze Heer.’