In deze spannende tijd een doordeweekse bemoediging met een overdenking, het (kinder)lied ‘God die alles maakte’ en een kort gebed.
Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en op Mij, zegt Jezus (Johannes 14 vers 1)
In deze spannende tijd een doordeweekse bemoediging met een overdenking, het (kinder)lied ‘God die alles maakte’ en een kort gebed.
Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en op Mij, zegt Jezus (Johannes 14 vers 1)
Hieronder vind je de tekst van de videopreek van zondag 22 maart.
Door God geliefde mensen, mijn broer en zus in Jezus Christus,
Het corona-virus houdt de wereld in zijn greep. Ook in Nederland regeert de angst. Angst om besmet te worden en om aan dit virus te sterven. Dat geldt niet alleen voor de ouderen in onze samenleving. Maar ook voor wie heel kwetsbaar is vanwege ziekte of de nawerking van chemokuren of bestralingen. Angst om gebrek aan voedsel, en dus hamstert men de hele koelkast, diepvries, inloopkast en niet te vergeten het medicijnenkoffertje vol. Angst voor een ekonomische crisis, nu steeds meer winkels en bedrijven de deuren sluiten. Wat betekent dat voor mijn bedrijf? Wat betekent dat voor mijn baan?
Die angst is er echt. En die angst is terecht. Ook als christen ken ik die angst. Psalm 25 spreekt ervan: Mijn hart is vol van angst, bevrijd mij uit mijn benauwdheid. God, verlos Israël, verlos het van al zijn angsten. Ook Psalm 107 spreekt ervan. Die psalm raakte mij de afgelopen dagen.
In Psalm 107 staan twee gevoelens centraal. Allereerst de trouw van de HERE God. Daar begint deze psalm mee: Loof de HEER, want Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw. En daar eindigt deze psalm mee: Wie wijs is kent de trouw van de HEER.
Maar daar tussen in gaat het in Psalm 107 heel vaak over angst. Angst is een wurgslang. Het grijpt mensen bij de keel. En zoals ik al zei: die angst is er vandaag echt. En die angst is terecht. Psalm 107 zegt daarover: mensen zijn wereldwijd in de greep van de angst, uit alle landen, uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden. Vind je dat niet vreselijk aktueel? Een wereldwijde angst?
De dichter van Psalm 107 noemt vier verschillende situaties, waarin de angst mensen in de greep heeft. En vier keer klinkt dan het refrein: “Zij riepen in hun angst tot de HERE en Hij redde hen uit vele gevaren.”
Eén ervan lijkt heel erg op de situatie van vandaag. Het gaat dan over schepen die de zeeën bevaren om handel te drijven met verre landen. Dat is een beeld dat goed past bij onze moderne samenleving. Ekonomie en welvaart, dat zijn de peilers waarop zij vandaag onze zekerheid en onze gezondheid bouwen.
Maar dan … zegt Psalm 107: Op Gods bevel ging het stormen, hoog verhieven zich de golven. Schepen werden opgetild tot de hemel en vielen weer neer in de diepte. Iedereen verging van ellende. Ze zwaaiden op hun benen alsof ze dronken waren. Ze waren ten einde raad.
Dat zijn pittige uitspraken. Als een storm raast het corona-virus over de wereld. Het raakt iedereen, of je nu besmet bent of niet. Is dat corona-virus door God de wereld ingestuurd? En als dat zo is, is het dan een straf van God? Of is het een teken van de eindtijd – een signaal dat Jezus binnenkort terugkomt? Ik geloof daar persoonlijk niet zo in. Ik zie het eerder als een wake-up-call. God roept ons mensen en ieder van ons persoonlijk weer bij de les.
Hoeveel mensen leven in onze tijd niet aan God voorbij? Hoeveel mensen vertrouwen op andere dingen dan op God? Hoeveel mensen zoeken hun zekerheid niet bij God, maar bij de wetenschap? En dan plotseling … waait er een virus uit China over heel de wereld. En meteen is het zelfvertrouwen weg. De angst regeert.
Wat doe je dan? In Psalm 107 staat: Zij riepen in hun angst tot de HERE – en Hij redde hen uit vele gevaren. Hij bracht de storm tot zwijgen, de golven gingen liggen. Groot was hun blijdschap, dat de zee tot rust kwam. De HEER bracht hen naar een veilige haven.
In het Nieuwe Testament laat Jezus weten, dat Hij in de storm erbij is. Zelfs als Hij slaapt, heeft Hij alles maximaal onder controle. En als Hij afwezig lijkt, komt Hij op het cruciale moment toch aanlopen.
Is dat een zekerheid die we in de hand hebben? Nee, tenminste, ik ervaar dat lang niet altijd zo. Maar ik geloof wel, dat als je Jezus kent en op God vertrouwt, je anders met je angst omgaat. Jezus zegt zelf ergens: ‘Wees niet bezorgd zoals andere mensen, die niet geloven dat God voor je zorgt.’ En Paulus zegt ergens: ‘Wees niet verdrietig zoals andere mensen die geen hoop hebben.’ Dat zeggen ze allebei niet voor niets. Je mag als christen wél bezorgd zijn. Je mag als christen wél verdriet hebben. De angst slaat je, ook als christen, wél om het hart nu we midden in deze corona-crisis zitten.
De vraag is: waar ga je naar toe met je angst? Ga maar naar Jezus met je angst. Hij geef je er hoop voor terug. Laat dus niet de angst regeren, maar weet: ‘De Heer regeert, zijn koninkrijk staat vast.’ Dat Evangelie geeft houvast in bange tijden.
Wie wijs is, zegt Psalm 107, neemt dit ter harte en kent de trouw van de HEER. Die trouw is beter dan het leven, zingen we met een andere Psalm. En dus zingen Gods kinderen zelfs in bange tijden: Loof de HEER, want Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw. Zo spreken zij die door de HEER verlost zijn, die Hij verloste uit de greep van de angst.
De ene keer kan ik mij daar gemakkelijk aan overgeven. De andere keer gaat dat stukken moeilijker. Dat zal bij jou niet anders zijn. Een bekend kinderlied zegt dan: Je hoeft niet bang te zijn, al gaat de storm te keer. Leg maar gewoon je hand in die van onze Heer. En ook als je wél bang bent – want die angst is er echt, ook bij jou en mij … je hand in die van de Heer leggen … dat kun je doen door zelf te bidden. Dat kunnen we ook doen door samen te bidden. In deze spannende tijd is er een speciaal ‘corona’-gebed opgesteld.
Here Jezus, U reisde door steden en dorpen en “genas elke kwaal en ziekte”. Op uw bevel werden de zieken genezen.
Kom ons nu te hulp, midden in de wereldwijde verspreiding van het coronavirus, opdat we de helende liefde van U mogen ervaren.
Genees degenen die ziek zijn van het virus. Mogen ze hun kracht en gezondheid herwinnen door kwalitatieve, goede medische zorg.
Genees ons van onze angst, die de naties en landen verhindert samen te werken en buren verhindert elkaar te helpen.
Genees ons van onze trots, die ons onze eigen onkwetsbaarheid laat claimen voor een ziekte die geen grenzen kent.
Here Jezus, genezer van allen, blijf bij ons in deze tijd van onzekerheid en verdriet.
Wees bij de families van degenen die ziek zijn of zijn gestorven. En als ze zich zorgen maken en rouwen, bescherm hen voor de ziekte en de wanhoop. Mogen ze uw vrede kennen.
Wees bij de artsen, verpleegkundigen, onderzoekers en alle medische professionals die willen genezen, getroffenen helpen en zichzelf in een risicovolle positie plaatsen. Mogen zij uw bescherming en vrede kennen.
Wees bij de leiders van alle naties. Geef hen een vooruitziende blik om naar liefde en waarheid te handelen voor het welzijn van alle mensen voor wie ze dienen te zorgen. Geef ze de wijsheid om te investeren in lange-termijn-oplossingen die helpen ons voor te bereiden of toekomstige uitbraken voorkomen. Mogen zij uw vrede kennen, terwijl zij samenwerken om dit op aarde te bereiken.
Of we nu in binnen- of buitenland zijn, omringd door veel mensen die aan deze ziekte lijden of slechts enkelen, Here Jezus, blijf bij ons wanneer wij verdragen en rouwen, volharden en voorbereiden. In plaats van onze angst, geef ons uw vrede. Here Jezus, genees ons. Amen
Als laatste bemoediging, na deze overdenking en na dit gebed, wil ik jullie een lied meegegeven. Want als het echt waar is, dat je midden in de storm gewoon je hand in die van Jezus, onze Heer, mag leggen, weet je ook: Ik val niet uit zijn hand. Mijn wens is, dat in al je angsten en zorgen dit lied je vertrouwen op God en Jezus weer doet toenemen.
Ga met God, en Hij zal met je zijn!
Voor iedereen die de kerkgang mist en in deze angstige tijd toch graag wil luisteren naar een korte preek, een gebed en een mooi lied:
Een lid van onze kerk heeft een online collectebus voor ZOA geopend. Doneer jij ook? Klik dan hier.
Morgen is het zondag. Kerken blijven leeg. Op YouTube staat vanaf zondagmorgen 07:00 uur deze mini-preek online, inclusief gebed en een mooie lied:
Waar gaat het over?
Over het corona-virus dat als een storm over de wereld raast en iedereen in zijn greep heeft.
De storm komt uit Gods hand, zegt Psalm 107:
Wanneer Hij spreekt, doet Hij een stormwind opsteken, die haar golven hoog opheft.
Maar wie Jezus kent, mag er ook op vertrouwen:
Hij brengt de storm tot stilte, zodat hun golven zwijgen.
Hij is immers de Heer die regeert!
“Mochten we maar even in de hemel kijken …” Als dominee heb ik mensen dat vaak horen zeggen na het overlijden van een geliefde. Dat verlangen is geen pure nieuwsgierigheid, maar eerder intense betrokkenheid. Want als christen vertrouw je erop dat de dood niet het einde. Maar hoe zit het dan met een bijna-doodervaring?
Tegenwoordig hoor je steeds meer verhalen van mensen die zeggen dat ze even in de hemel geweest zijn. Vaak gebeurde dat onder narcose, in coma of tijdens een hartstilstand. Het worden bijna-doodervaringen (bde) genoemd. Maar wat is er van waar? Kunnen mensen inderdaad onder zulke extreme omstandigheden soms ‘een blik in de hemel werpen’? En is wat zij daar zien, iets wat ze bij hun volle bewustzijn meemaken of is het een illusie van verwarde hersenen die onder extreme druk staan?
In 2007 kwam het boek Eindeloos bewustzijn van de cardioloog Pim van Lommel uit. Hij verzamelde en analyseerde veel bde-verhalen. Hij kwam tot de conclusie dat ons bewustzijn niet door onze hersenen geproduceerd wordt. Als alle aardse dingen wegvallen, kan dat bewustzijn ons een grotere, alomvattende geestelijke werkelijkheid laten zien. Vroeger hoorde je daar niet zo veel over, maar de medische wetenschap heeft ervoor gezorgd dat steeds meer mensen die nagenoeg klinisch dood zijn, toch weer terugkomen in dit leven.
In december 2018 verscheen in Nederland het boek Stel je de hemel eens voor van de Amerikaanse predikant John Burke. Hij beschrijft tientallen bijna-doodervaringen. Die bevatten allemaal dezelfde elementen en het is altijd een samenhangend verhaal. Mensen die het meegemaakt hebben, zijn vaak het meest van onder de indruk van de overweldigende liefde en de volkomen acceptatie die ze beleefd hebben. Meestal zijn ze er innerlijk compleet door veranderd. Negatieve bde’s zijn zeldzamer, maar komen ook voor, vaak bij niet-religieuze mensen. Ze voelen dat ze worden meegezogen in een donkere put vol negatieve en ruziënde stemmen, maar als ze om God of Jezus roepen, trekken deze machten zich luid protesterend terug.
Hoeveel geloof moet je aan bijna-doodervaringen hechten? Als nuchtere, gereformeerde Groninger heb ik deze verhalen lang op afstand gehouden. Maar het ontroerde me steeds meer, elke keer als ik van een bde hoorde of er over las. Ik merkte dat het een verlangen in mij opriep naar hoe mooi het in de hemel, bij Jezus zal zijn. Het voelde telkens weer alsof God een tipje van de sluier optilde om me iets te laten zien van de volkomen heerlijkheid die Hij voor al zijn kinderen bestemd heeft.
Paulus schrijft in 2 Korintiërs 12:1-10 over een bijzonder moment, dat hij het nog steeds niet goed onder woorden kan brengen. Daarom praat hij er in de derde persoon over. Dat ging zo plotseling en onverwacht dat hij niet meer weet of het in het lichaam was of dat het een uittreding van zijn bewustzijn was. Het zou heel goed een bde geweest kunnen zijn. Hij was weggevoerd naar het hemels paradijs en heeft daar onuitsprekelijke dingen gehoord en gezien.
Paulus kreeg zicht op de hemel en dat was een geweldige bemoediging voor hem. Geen wonder dat hij tegen de Korintiërs zegt: “We weten dat we na ons sterven van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensen gemaakte woning in de hemelen. Ja, we zouden ons lichaam liever verlaten om onze intrek bij de Heer te nemen” (naar 2 Korintiërs 5:1-10). Je snapt meteen ook waarom Paulus ergens anders schrijft: “Ik verlang ernaar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste.” (Filippenzen 1:23). Dat gevoel van heimwee en verlangen hoor je vaak terug bij mensen die een bde meegemaakt hebben. Maar ze moesten terug. Ze beseffen meestal heel sterk dat ze op aarde nog een taak hebben. Zo voelde Paulus dat ook.
Soms hoor je iemand zeggen: ‘Al die aandacht voor die bijna-doodervaringen is niet nodig. We hebben toch genoeg aan de Bijbel?’ John Burke zegt het in zijn boek zo: ‘De bde’s zijn geen vervanging of verdringing van wat de Bijbel zegt; ze voegen alleen kleur toe aan het bijbelse beeld. Dan heb je de zwart-witte woorden van de Bijbel beleefd op zo’n kleur-overgoten manier, dat God nog meer geëerd wordt.’ Een bijna-doodervaring is dus heel waardevol voor iemand zelf en z’n omgeving. Dank God ervoor!
Tegelijk hangt mijn geloof niet van zo’n ervaring af. Jezus onze Heer geeft ons het juiste zicht op de hemel. En een bde zet daar voor een christen een dikke streep onder.
UIT DE BIJBEL
Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, dat is wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben. 1 Korintiërs 2:9, HSV
Om verder te lezen: Lukas 16:19-31; Romeinen 10:6-11; 2 Korintiërs 12:1-9
OVERDENKEN / DOEN
1 Wat denk jij als christen als iemand zegt dat hij/zij een bijna-doodervaring gehad heeft? Of wat vind je van boeken of films als De jongen die in de hemel was? Wat maken zulke verhalen bij je los? Wat vind je er positief aan? Waar heb je zo je vragen over? Wat vind je er eventueel niet bijbels aan?
2 Heb je zelf weleens een bijzonder moment (een bde, een droom, een visioen) gehad waarin je God, Jezus of de hemel heel sterk ervaren hebt? Wat betekende dat voor jou?
3 Christenen voelen nu al in hun hart ‘het begin van de eeuwige vreugde’ en van de ‘volkomen heerlijkheid’ die we na dit leven zullen ontvangen (Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus). Heb je zulke ‘hemelse momenten’ weleens meegemaakt en welke invloed hebben zij op je geloofsleven?
LITERATUUR
Pim van Lommel, Eindeloos bewustzijn, 1e druk 2007
Todd Burpo, De jongen die in de hemel was, 1e druk 2011
John Burke, Stel je de hemel eens voor, 1e druk 2018
Een interview met Pim van Lommel, de auteur van Eindeloos bewustzijn, in het KRO-programma ‘Kruispunt’ uit 2008 is na te kijken op https://vimeo.com/57237162
Hoe foutloos lees jij deze twee verzen uit het begin van de Bijbel hardop?
Toen riep de mens uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd.’ Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt.
Het is het lied van Adam, toen hij van God zijn Eva kreeg en de conclusie die God Zelf in het paradijs daaraan geeft, nl. dat het huwelijk een unieke relatie voor het leven is tussen één man en één vrouw.
Als dit gedeelte, Genesis 2:23-24, in de kerk of thuis aan tafel hardop gelezen wordt, struikelt de voorlezer vaak over het woordje ‘een’. Dat komt zes keer voor in deze twee verzen. Wat moet je elke keer zeggen: ‘un’ of ‘één’? Laatst laaide de diskussie weer eens op over de vraag wanneer je wel of geen streepjes op de beide éé’s van ‘een’ moet zetten als je het als ‘1’ uitspreekt. Toen dacht ik: laat ik dat eens aan het ‘Genootschap Onze Taal’ vragen. Die geven altijd graag en deskundig advies, is mijn ervaring. Dus ik vroeg hen:
Wat is het officiële criterium om het telwoord 1, als het niet voor een zelfstandig naamwoord staat, soms als ‘een’ en soms als ‘één’ te schrijven?
De aanleiding voor mijn vraag is deze: in kerkdiensten wordt altijd uit de Bijbel gelezen en dan komt ook Genesis 2:23+24 nog wel eens voorbij. Daarin gaat het over Adam en zijn vrouw Eva. Regelmatig hoor ik dan dat de voorlezer zich verslikt in vers 24, omdat daar 4x ‘een’ staat, waarvan drie keer als telwoord en één keer als lidwoord, maar alle drie als ‘een’ geschreven. Maar in vers 24 staat 1x ‘een’ (lidwoord) en 1x ‘één’ (telwoord). Vandaar mijn vraag. Met als toch nog tweede vraag: hoe fout is het om voor de zekerheid altijd ‘één’ te schrijven als het uitgesproken dient te worden als het telwoord ‘één’?
Genesis 2
23 Toen riep de mens uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd.’ 24 Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt.
![shutterstock_94616128 [Converted]](https://ernstleeftink.com/wp-content/uploads/2020/02/een-of-c3a9c3a9n.jpg)
Tekening: www.taaluilen.nl
Op mijn vraag kreeg ik, zoals verwacht, uitgebreid antwoord. En gewoon omdat ik het leuk vind, plaats ik dit antwoord hier op mijn weblog. Met toestemming van Onze Taal uiteraard. Dit is hun reaktie:
Er is geen officiële regel die bepaalt wanneer er wel of niet accenten op ‘een’ komen. In principe wordt het woord ‘een’ ongeacht de uitspraak zonder accenten geschreven. Er zijn veel grensgevallen, en de passage uit Genesis is daar een fraai voorbeeld van. Op onze website staat een heel lijstje met twijfelgevallen: https://onzetaal.nl/taaladvies/een-van-beiden/.
Vers 23 kan inderdaad een struikelblok zijn voor een voorlezer. Het eerste en het tweede ‘een’ kunnen al enige twijfel over de gewenste uitspraak oproepen, maar vooral het deel ‘vrouw, een uit een man gebouwd’ is lastig te doorzien. Dat laatste komt mede doordat de hele zinsconstructie verwarring kan opleveren. Het zal niet voor iedere lezer meteen duidelijk zijn dat het derde ‘een’ in de zin (direct na het woord ‘vrouw’) op één lijn staat met het eerste ‘een’ (na ‘Eindelijk’) en het tweede ‘een’ (na ‘vlees’). Men had eventueel twee keer voor een bijzin met een persoonsvorm kunnen kiezen, bijvoorbeeld ‘Eindelijk een die gelijk is aan mij …’ en ‘een die uit een man gebouwd is’. Maar het is goed mogelijk dat men bewust – bijvoorbeeld op basis van de brontekst of het ritme – toch voor deze ‘compactere’ oplossing gekozen heeft.
Gezien de mogelijke verwarring zouden er accenten op ‘een’ kunnen: ‘Eindelijk één gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, één die zal heten: vrouw, één uit een man gebouwd.’ Verplicht zijn de accenten echter niet. De regel die wij in het bovengenoemde webadvies vermelden, luidt: ‘Eén is juist als echt het telwoord één bedoeld is (je kunt achter de zin en geen twee of meer denken) én als er anders verwarring kan ontstaan.’ In dit geval is steeds het telwoord ‘één’ bedoeld, maar zijn accenten strikt genomen niet nodig omdat uitspraak van (een van) de woorden ‘een’ met een toonloze e-klank hier geen grammaticale zin oplevert. Toch had hier wat ons betreft ook wel driemaal voor ‘één’ kunnen worden gekozen, om verwarring te voorkomen. De schrijfwijze ‘één uit een man gebouwd’ maakt wat duidelijker dat van die woorden het eerste ‘één’ op één lijn staat met de twee eerdere woorden ‘één’, en misschien ook nog dat het laatste ‘een’ het lidwoord ‘een’ is en dat het dus niet gaat om ‘één man’.
In vers 24 is ‘één’ in ‘één van lichaam’ nog een twijfelgeval. Ook hier zou je kunnen volhouden dat accenten niet strikt nodig zijn, omdat ‘een’ in deze zin geen lidwoord kan zijn. Toch vinden we het terecht dat er wel accenten staan. Het gaat hier om een telwoord dat bovendien enige nadruk heeft; de schrijfwijze ‘een’ kan ook hier voor enige verwarring zorgen.
Het is niet zonder meer fout te noemen om altijd ‘één’ te schrijven als het moet worden uitgesproken als het telwoord ‘één’, maar we zouden dat toch niet aanbevelen. In gevallen als ‘een van beiden’, ‘zij is een van de besten’ en ‘ik zal een en ander toelichten’ komt de schrijfwijze ‘één’ nadrukkelijker over dan nodig is. Altijd accenten schrijven bij de uitspraak met een lange e-klank zou weliswaar veel twijfel kunnen voorkomen, maar dit uitgangspunt botst met het principe dat het woord ‘een’ in principe zonder accenten wordt geschreven, tenzij er reden is daarvan af te wijken.
Het ‘Genootschap Onze Taal’ heeft niet alleen een eigen website, maar geeft ook 10x per jaar het tijdschrift ‘Onze Taal’ uit en is erg aktief op Facebook en Twitter (beide keren @onzetaal).
Helemaal los hiervan: bij ‘Onze Taal’ vindt men het vast en zeker inkorrekt wanneer iemand in veel gevallen de ‘c’ vervangt door een ‘k’, maar volgens een alternatieve theorie, die in Vlaanderen meer aanhang vindt dan in Nederland, is het schrijven van een ‘c’ voor ‘a-o-u’ een gallicisme (beïnvloeding door het Frans) en past het gebruik van de ‘k’ beter bij het Nederlands als Germaanse taal.
De Nederlandse Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt zijn op weg naar kerkelijke hereniging na 50 jaar gescheiden optrekken. Vandaag, vrijdag 7 februari, was de eerste gezamenlijke vergaderdag van de Landelijke Vergadering van de NGK en de Generale Synode van de GKV. Als voorbereiding kregen alle afgevaardigden een ‘Dagboekje over kerkelijke eenwording’, geschreven door synodevoorzitter ds. Melle Oosterhuis, n.a.v. het bijbelgedeelte uit Efeziërs 4:15+16.
Wie zich betrokken voelt bij dit proces van eenwording kan nu ook dit dagboekje gaan lezen door op deze link te klikken. En ook hieronder staan de zeven korte overdenkingen.
Dag 1 15 Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. 16 Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.

Lezen: Joh. 17:15-19
Paulus ziet als eerste fase van het proces van kerkelijke eenwording een groeiproces voor zich, waardoor gelovigen toegroeien naar Hem die het Hoofd is, Christus. En wil dat groeiproces ons daadwerkelijk bij Christus brengen, dan is eerste voorwaarde, dat wij, zoals Paulus het uitdrukt, ons aan de waarheid houden. ‘Je aan de waarheid houden’, dat kan verworden tot een formele aangelegenheid. Abstracte schriftgeleerdheid, waarmee je jezelf sterk waant en elkaar de maat neemt.
Vraag: Welke klank en inhoud krijgt ‘je aan de waarheid houden’ als je daar de woorden van Jezus uit Johannes 14:6 naast legt?
Dag 2 15 Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. 16 Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.
Gemeenschap
Lezen: Joh. 17:20-21
In de nacht van zijn verraad bidt Jezus om de eenheid van al degenen, die door de verkondiging van de apostelen tot geloof komen. Jezus geeft daarbij aan, dat dit ‘één zijn’ alles te maken heeft met het één zijn van de gelovigen met de Vader en de Zoon. Zoiets beluister ik ook in de woorden van Paulus in Ef. 4:15. Wil de gemeente volledig toegroeien naar Hem die het Hoofd is, dan is voorwaarde dat er sprake is van liefdevol samen optrekken.
Vraag: Kun je je voorstellen, dat onderlinge verdeeldheid schadelijk is voor het toegroeien naar Christus? Hoe werkt dat?
Dag 3 15 Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. 16 Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.
Onverdeeld
Lezen: Joh. 17:22, 23
Jezus brengt tegenover de Vader zijn doel van de eenheid van hen die in hem geloven heel sterk onder woorden: Dat ze volkomen één zijn. De echo daarvan beluister ik in wat Paulus in Ef. 4:15 schrijft over samen volledig toegroeien naar Christus. Dat zegt iets over het einddoel van de volmaaktheid. Maar dat zegt ook iets over de weg waarlangs die volmaaktheid bereikt moet worden. Het vraagt om een onverdeeld hart. Alleen de onverdeelde toewijding aan Christus werkt samenbindend bij de gelovigen onderling.
Vraag: Ga bij jezelf na, of er andere goden zijn, die jouw onverdeelde toewijding aan Christus ondermijnen.
Dag 4 15 Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. 16 Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.
Samenhang
Lezen: 1 Kor. 12:14
Tot nu toe ging het vooral over de gezamenlijke blikrichting die ons onderling verbindt en samen doet toegroeien naar Christus. In vers 16 wijst Paulus op een omgekeerde beweging. Vanuit het Hoofd Christus naar de gelovigen toe. Vanuit Hem krijgt hun gezamenlijkheid steeds meer samenhang. Christus maakt dat ze steeds meer met elkaar krijgen. Een weg inslaan van kerkelijke eenwording kan voelen als een sprong in het diepe. Waar loopt het op uit? Wat levert het op? Zal ik me thuis voelen in de kerkgemeenschap die ontstaat. Wat is bij die onzekerheid dit een bemoedigende belofte.
Vraag: Of niet? Kan het vooruitzicht van zo’n hechte gemeenschap je ook beklemmen?
Dag 5 15 Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. 16 Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.
Bijdrage
Lezen: 1 Kor. 12:24b-27
Er wordt in de bijbel in verschillende beelden gesproken over de opbouw en de structuur van de kerk. Paulus gebruikt in Ef. 2:21 het beeld van bouwstenen die, alles bij elkaar, een gebouw vormen. Dat maakt een passieve indruk. Petrus maakt er ‘levende stenen’ van, die zich laten gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. (1 Pt. 2:5) Paulus gebruikt in 1 Kor. 12 het beeld van een lichaam dat uit een veelheid van lichaamsdelen bestaat. Maar al die beelden hebben één ding gemeen. Geen van de onderdelen kan gemist worden. Je bent onmisbaar in de kerk.
Vraag: Hoe voelt het voor jou, onmisbaar te zijn in de kerk?
Dag 6 15 Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. 16 Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.
Talent
Lezen: 1 Kor. 12:4-11
Onmisbaar zijn in de kerk loopt in de praktijk zomaar uit de hand. Je voelt je geroepen om overal aan mee te doen en voor alles beschikbaar te zijn. In de gemeente van Korinthe ontspoorde het en liep het uit op onderlinge rivaliteit. De bijdrage van de één wilde de ander ook kunnen leveren, liever nog overtreffen. Paulus benadrukt daarom, dat er verscheidenheid in gaven is die met zich meebrengt dat alle leden hun eigen specifieke aandeel mogen leveren. Jouw talent wil de Geest tot z’n recht zien komen. Dat bedoelt Paulus ook met ‘ieder draagt naar vermogen bij’. Dat betekent niet, dat je tot het uiterste moet gaan, maar dat jij met jouw talent tot je recht komt.
Vraag: Herken jij bij jezelf talenten, waarvan je hoopt dat die in de verenigde kerk tot hun recht kunnen komen?
Dag 7 15 Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. 16 Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.
Liefde
Lezen: 1 Kor. 13:4-7
Paulus komt in zijn brief aan de gemeente te Korinthe, na een hoofdstuk over de veelheid en verscheidenheid van gaven van de Geest in de gemeente, uit bij een gave waarvan het belang dat van al die andere gaven overtreft, de liefde. Die gaven is er niet één naast al de andere. Het is de gave waarin allen mogen delen en die voorwaarde is voor het effect van alle andere gaven en talenten. Bij die gave komt Paulus ook uit in Ef. 4:16. Daar gaat het om de onderlinge liefde, in de eerste plaats in de zin van het inzetten van talenten en het dankbaar erkennen en honoreren van elkaars talenten.
Vraag: Welke bijzondere talenten hoop je dat de NGK en de GKV in de eenmaal verenigde kerk bij elkaar opmerken en te honoreren?
In de diskussie over de doop hoor je soms ook de bewering dat een doop pas geldig is, wanneer de dopeling helemaal ondergedompeld is. Want de doop brengt tot uitdrukking, zegt men dan, wat er in Romeinen 6 staat. Daar zegt Paulus: Weet u niet dat wij die gedoopt zijn in Christus Jezus, in zijn dood gedoopt zijn? We zijn door de doop in zijn dood met Hem begraven om, zoals Christus door de macht van de Vader uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden. Bovendien betekent het Griekse woord ‘baptisdein’ in het gewone taalgebruik altijd ‘onderdompelen’.
Om de symboliek van het gedoopt volledig tot zijn recht te doen komen, is onderdompeling de verplichte vorm voor volwassendoop in veel evangelisch-georiënteerde kerken. Soms wordt daarom zelfs de volwassendoop uit andere kerken niet erkend wanneer die alleen maar door besprenkeling heeft plaatsgevonden. En het gebeurt in een baptistenkerk ook wel eens dat iemand die niet helemaal kopje onder gegaan is in het baptisterium, alsnog weer het water ingaat om echt helemaal ondergedompeld te worden.
In het klassieke doopformulier dat sinds 1566 binnen de verschillende gereformeerde kerken gebruikt wordt staat, dat de afwassing van onze zonden zichtbaar gemaakte wordt door ‘de onderdompeling in en de besprenkeling met het water’. Het mag dus allebei. De onderdompeling staat zelfs voorop! In de praktijk kiest men bijna altijd voor de besprenkeling. Bij kinderen snap ik dat, maar als het om de volwassendoop gaat, vind ik dat persoonlijk wel wat jammer. Juist bij de doop van een volwassenen is de onderdompeling een enorm aansprekend beeld van het feit dat je je oude, zondige leven dankzij Jezus Christus afgelegd hebt en verfrist weer opstaat in een nieuw, christelijk leven. In de gereformeerde zendingskerken in tropische landen is onderdompeling dan ook gebruikelijk als volwassenen tot geloof komen. Dan houden ze gewoon een openluchtdienst bij de rivier.
Maar is daarmee het besprenkelen van kinderen en volwassenen bij de doop verkeerd? Sommige christenen beweren, dat de besprenkeling pas opgekomen is toen vanaf de 3e eeuw de kinderdoop werd ingevoerd. Daarvoor was er alleen maar sprake van onderdompeling. Als bewijs daarvoor wordt de doop van Johannes de Doper aangevoerd. In de Jordaan werd iedereen, zelfs Jezus, ondergedompeld.
Toch is het nog maar de vraag of men daarmee het gelijk aan zijn kant heeft. Het is niet bekend hoe bv. de 3000 mensen op Pinksteren zich hebben laten dopen. En de cipier in Filippi die zich ‘s nachts door Paulus liet dopen in zijn eigen huis – ik mag aannemen dat hij nog geen ingebouwd baptisteriumpje in zijn woning had.
Het omgekeerde, dat vanaf het eerste begin de doop ook door besprenkeling plaats vond, valt met even veel recht te verdedigen. Allereerst met een beroep op het Oude Testament. Daar wordt de vergeving van de zonden regelmatig afgebeeld door de besprenkeling met het bloed van de offerdieren. Sommige evangelische theologen beweren, dat het bloed van de offerdieren in het Oude Testament een hele andere symboliek heeft dan het water van de doop in het Nieuwe Testament. Maar die visie kan geen stand houden als je leest, wat er in Ezechiël 36:25-27 staat. Daar belooft de HERE aan de joden in ballingschap: Ik zal zuiver water over jullie uitgieten om jullie te reinigen van alles wat onrein is, van al jullie afgoden. Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, Ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie mijn Geest geven en zorgen, dat jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen. Alleen al op grond van deze passage zouden we als christenen elkaar moeten accepteren als het om onderdompeling of besprenkeling gaat. Het is maar een symbool, dus de geldigheid van de doop hangt er niet van af.
Maar er is meer bewijs . Rond het jaar 90 na Christus (dus ruim 50 jaar na Pinksteren!!) is een brief bewaard gebleven waarin het gaat over de manier waarop de doop bediend moet worden. Het geschrift wordt de Didache (Grieks voor ‘onderwijs’) genoemd. De volledige titel is Het onderwijs van de twaalf apostelen aan de volken. In 2017 is het door Dr. Jos M. Strengholt opnieuw uit het Grieks vertaald en van voetnoten en gespreksvragen voorzien. Volgens sommigen is de apostel Barnabas de schrijver van de Didache. In hoofdstuk VII van de Didache staat het volgende over de manier van dopen:
Wat betreft de doop, doop aldus:
Nadat u al deze voorgaande dingen hebt doorgenomen met de dopelingen, doop hen in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest in stromend water.
Maar als u geen stromend water hebt, doop dan in ander water. En als u niet in koud water kunt dopen, dan maar in warm.
Als u die allebei niet hebt, giet dan driemaal water over het hoofd in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Als het gaat om de keus tussen onderdompeling en besprenkeling bewijst deze passage uit de Didachè volgens mij duidelijk dat de geldigheid van de doop niet in één van beide vormen zit. Hooguit kun je eruit afleiden, dat bij de doop van een volwassene de onderdompeling de voorkeur heeft. Maar als de omstandigheden dat niet toelaten is een doop door besprenkeling evengoed geldig.
Aardig om te zien is ook, dat in de eerste eeuw na Christus al geadviseerd werd om bij besprenkeling drie keer water over het hoofd van de dopeling uit te gieten. Persoonlijk spreekt mij dat erg aan en doe ik dat ook altijd bij iedere doop. Zo worden de beloften van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest nog eens nadrukkelijk onderstreept.
Als het gaat om de geldigheid van de doop sluit ik mijzelf graag aan bij de royale houding van de anglikaanse theoloog J.I. Packer. Die houdt gereformeerden voor dat het opdragen van kinderen een droge doop is en hij houdt baptisten voor dat het afleggen van belijdenis een droge doop is. Op grond daarvan pleit hij voor wederzijds respekt. In een ander blog breng ik de visie van Packer zo onder woorden: Te vroeg of te laat, maar niet dubbel.
Het is mijn verlangen dat alle bijbelgetrouwe christenen zo met elkaar om gaan dat iedereen de ééns ontvangen doop in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, die in geloof ontvangen en aanvaard wordt, accepteert. Er is immers maar ‘één doop tot vergeving van de zonden’, zoals het overgrote deel van de christenen eeuwenlang en wereldwijd met de Geloofsbelijdenis van Nicea op grond van Efeziërs 4:7 belijdt.
Maar ik ben niet gerust op dat de royale mildheid van Packer er op dit punt ook bij de hoofdstroom van evangelikaal Nederland is. Nog steeds worden gelovige broers en zussen in de Heer die zich aansluiten bij een evangelische of baptisten-gemeente regelmatig uitgesloten van alle officiële funkties binnen die gemeente, enkel vanwege het feit dat ze zich niet voor de tweede keer in de Naam van de Drie-enige God willen laten dopen. Ze mogen wel ‘vriend van de gemeente’ zijn, maar geen volwaardig lid. In sommige evangelische gemeentes wordt, zoals ik al eerder noemde, zelfs de volwassendoop door middel van besprenkeling niet erkend!
Het verdelen van belijdende christenen binnen de eigen gemeente in twee categorieën is volgens mij ten diepste oudtestamentisch: toen waren de ‘jodengenoten’ hartelijk welkom in de buitenste voorhof. Maar écht binnenkomen mochten ze niet. Alle nadruk op de hartelijkheid waarmee mensen in evangelische gemeenten opgenomen worden als ‘vrienden van de gemeente’ maakt dat laatste niet ongedaan. Dat vind ik om verschillende redenen meer dan jammer. Niet alleen worden de woorden van de Drie-Enige God, die Hij bij elke doop (of het nu van een volwassene is of van een kind van gelovige ouders) heeft uitgesproken, niet serieus genomen. Ook wordt soms de vorm van dopen, zelfs als het om de volwassendoop gaat, blijkbaar belangrijker gevonden dan de inhoud. Dat lijkt verdacht veel op, om het met de woorden van de Heidelbergse Catechismus even scherp te stellen, ‘in plaats van of naast God iets anders hebben waarop de mens zijn vertrouwen stelt.’
Misschien dat we hier op aarde elkaar niet kunnen bereiken op dit punt, zodat we helaas moeten constateren: “Er waren twee Koningskinderen, zij hadden elkaar zo lief. Ze konden elkaar niet bereiken, het water van de doop was te diep.” Dan hoop ik maar dat Christus de Heer dit pijnpunt voor ons op zal lossen wanneer Hij terugkomt op de wolken.
Het boekje De Didache – Onderwijs van de Twaalf Apostelen aan de Volken Uit het Grieks vertaald en van voetnoten en gespreksvragen voorzien van Dr. Jos M. Strengholt is bij de auteur te bestellen voor € 7.95 incl. verzendkosten. Stuur dan een mail naar jos@strengholt.info.
Hemelvaart – misschien beschouw je dit christelijke feest vooral als een eervolle gebeurtenis voor onze Heer Jezus Christus Zelf. Hij keerde terug naar Huis als grote Overwinnaar.
Toch is het meer dan dat. Op de dag van de Hemelvaart zet God de poorten van de hemel wijd open voor zijn Zoon én voor iedereen die gelooft dat Jezus onze zonden gedragen en de dood verslagen heeft. Want dan is er niets meer dat tussen God en ons in staat.
Daarom kan Paulus ook in Ef. 4:8 schrijven: Toen Christus opsteeg naar omhoog, voerde Hij gevangenen mee. Hij neemt ons namelijk mee als gevangen die Hij bevrijd heeft uit de macht van duivel. En Jezus zegt in Joh. zelf: In het huis van mijn Vader zijn veel kamers. Ik zal jullie met Me meenemen, en dan zullen jullie zijn waar Ik ben.
Hemelvaart – het is dus een heel troostvol feest.
Hemelvaart – de poorten van de hemel blijven vanaf die dag wijd open staan. Niet alleen om al Gods kinderen bij Christus thuis te brengen aan het eind van hun aardse leven. Maar ook omdat Christus vanuit de hemel royaal wil uitdelen. Paulus omschrijft het in Ef. 4:8 zo: Toen Christus opsteeg naar omhoog (…) schonk Hij gaven aan de mensen.
Het grootste geschenk is, dat Jezus tien dagen later met Pinksteren Zichzelf teruggeeft door zijn Geest over al Gods kinderen uit te storten. Dan komen mensen tot geloof. Dan laten ze hun kinderen dopen. Dan zetten ze zich met hun talenten in binnen de gemeente, als ambtsdragers, als kringleiders, binnen commissies en werkgroepen en vaker nog gewoon in alle stilte. Dan zijn ze zout en licht in hun omgeving. Dan volgen ze de smalle weg naar de nauwe poort die wijd open staat om het eeuwige leven te ontvangen.
Hemelvaart – ‘Al heeft Hij ons verlaten, Hij laat ons niet alleen´ zingen we met een Liedboeklied. Misschien zijn we in onze tijd te individualistisch geworden om het heel bemoedigend en eervol te vinden dat onze Heiland en Grote Broer in de hemel is.
En vergeten we Jezus onze Heer vanuit de hemel stapels zegeningen naar ons toe laat stromen. Daarom roept Paulus ons in Ef. 5:19 en Kol. 3:16 op: Laat Christus’ woorden in hun rijkdom in u wonen, laat de Geest u vervullen en zing met elkaar met heel uw hart psalmen en liederen voor God die de Geest u vol genade ingeeft .
Een aantal jaren geleden schreef Adrian Verbree, columnist en predikant binnen de (vrijgemaakte) Gereformeerde Kerken, een ‘kruimeldief’ in het Nederlands Dagblad over homofilie. Met zijn toestemming mag ik het, nu heel Nederland in rep en roer is vanwege de pas verschenen Nashville-Verklaring, hier plaatsen.
Leviticus 18Je mag het bed niet delen met een man zoals met een vrouw, dat is gruwelijk. (Leviticus 18:22)
Het moeilijkste onderwerp binnen mijn werk, acht ik dat van de homofilie. Honderd procent hetero, worstel ik er regelmatig mee. Het is niet dat ik geen dingen op gezag wil geloven. Als de Bijbel zou vertellen: Elia liep over het plafond, dan denk ik: rustig laten lopen. Ik voel geen behoefte hem naar beneden te halen omdat ik me niet goed kan voorstellen hoe hij de zwaartekracht overwon. Wie de zwaartekracht kan scheppen, kan er ook mee spelen. Het is ook niet dat ik geen onwelkome geboden wil accepteren. Stel dat God zou voorschrijven: Ik verbied jullie asperges te eten, dan zou ik er vanaf willen zien.
Mijn probleem met homofilie is dat ik waar ik het tegenkomen, ik niet altijd herken wat ik in de Bijbel over dit onderwerp lees. Als ik op het journaal de gayparade door de grachten van Amsterdam zie drijven, ga ik over mijn nek. Maar als een meisje me geëmotioneerd toevertrouwt dat ze denkt dat ze ‘wel niet zo snel op een jongen zal vallen’, dan ben ik in een totaal andere wereld. Of neem de man die met tranen in zijn ogen vertelt dat hij twintig jaar voor zijn huwelijk heeft gevochten en heeft verloren.
Nu mag je aannemen dat vandaag de dag iedereen de gayparade weet te onderscheiden van deze heel andere homofilie. Zou je denken. Ik heb meer gesprekken meegemaakt dan me lief zijn, waarin met groot gemak werd geoordeeld dat homoseksualiteit niet mag omdat de Bijbel duidelijk tegen is. Nu is het een heksentoer om de Bijbel zo te schudden dat zijn vóór homoseksualiteit is. Niet aan beginnen, lijkt mij. Je kunt er niet onderuit dat volgens de Bijbel God man en vrouw voor elkaar schiep en dat het huwelijk de enige relatie is waarbinnen twee mensen zich geslachtelijk mogen verenigen.
Waar ik moeite mee heb, is het feit dat er nog steeds een beroep wordt gedaan op hoofdstukken als Leviticus 18 en 20 om te bewijzen dat God homofilie-relaties verbiedt. Als ik zo iets hoor, schaam ik me. Goedbedoelend citeert men de Bijbel op een manier waar je kippenvel van mag krijgen. Wat men vergeet, is de context waarin binnen deze hoofdstukken homoseksueel contact wordt verboden. Ik heb er lang over nagedacht hoe je deze passages zou kunnen lezen op een manier die voor iedereen duidelijk maakt dat je het meisje en de echtgenoot van hierboven er niet in tegenkomt. Ik geloof dat ik die manier gevonden heb. Hieronder geef ik Leviticus 18 vanaf vers 6 op een andere manier weer.
Het ligt in mijn aard dat ik met mijn moeder naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met de bijvrouwen van mijn vader naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met mijn zus naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met mijn kleinkind naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met de zus van mijn vader naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met de zus van mijn moeder naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met mijn tante naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met mijn schoondochter naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met mijn schoonzus naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik met mijn dochter naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik naar bed wil met een ongestelde vrouw
Het ligt in mijn aard dat ik mijn kinderen aan de Moloch wil offeren
Het ligt in mijn aard dat ik met een man naar bed wil
Het ligt in mijn aard dat ik seks met een dier wil
Iedereen heeft meteen in de gaten wat er mis is. Niemand gelooft dat het in iemands geaardheid ligt besloten dat hij of zij seks met een dier wil. Niemand gelooft dat er mensen zijn van wie de geaardheid hen drijft tot het offeren van de eigen kinderen. En niemand heeft een geaardheid die hem in het bed van zijn moeder doet belanden. Het is zonneklaar dat we het hier over perversiteiten hebben. De Egyptische en Kanaänitische ‘gruwelen’ waar de Bijbel wars van is. In dit rijtje kan ik de gayparade plaatsen. Maar wie durft het meisje van hierboven van perversiteit beschuldigen? Zij worstelt juist wél met haar geaardheid. Daarmee is zij absoluut de vreemde eend in de bijt van Leviticus 18. Onteer haar niet.