Is de Kerk het ware Israël?

De foto is afkomstig van de LinkedIn-pagina van dr. Steven Paas, waar deze lezing ook te vinden is.

Op 28 augustus 2024, voorafgaande aan de jaaropening van het  Hersteld Hervormde Seminarie aan de Vrije Universiteit, sprak ds. J. van Meggelen, predikant van de Hersteld Hervormde Gemeente te Nederhemert, de studenten van het HHS toe met de vraag: “Is de Kerk het ware Israël?” Zijn antwoord daarop is: ‘Ja. In Christus is de Kerk het ware Israël.’ Hier volgt, met zijn toestemming, de tekst van zijn lezing.

Hoe leest u de Bijbel?

Het antwoord dat u op deze vraag geeft, wordt bepaald door uw visie op de Schrift, en dan vooral door uw visie op de positie van het Oude Testament. Heeft het Oude Testament een zelfstandige plaats los van het Nieuwe?

Beantwoordt u deze vraag met Ja, dan zult u gruwen van de vraagstelling alleen al: is de Kerk het ware Israël? U zult er geen moment aan twijfelen, of het volk Israël heeft ook in het Nieuwe Testament een aparte status en de staat Israël zult u zien als vervulling van Oudtestamentische beloften.

Beantwoordt u deze vraag met Nee, dan is uw visie op ‘Israël’ fundamenteel anders. De vroege kerk, de kerk van  de middeleeuwen en de Reformatie hebben deze vraag met Nee beantwoord. Dat betekent concreet dat de eenheid van Oude Testament en Nieuwe Testament voorop staat, de Bijbel als eenheid gelezen en uitgelegd is, en dat thema’s die in het Nieuwe Testament niet benoemd worden, geen rol van betekenis hebben in de christelijke theologie.

Als voorbeeld van deze positie noem ik Johannes Calvijn. In zijn Institutie bespreekt hij in boek II de verhouding tussen het oude en nieuwe verbond. Bij hem staat de eenheid voorop, dus Abraham heeft hetzelfde geloof gehad als Paulus, het is uiteindelijk dezelfde kerk, iets wat ook onze Nederlandse Geloofsbelijdenis expliciet belijdt. De consequentie van dit standpunt is, dat de Oudtestamentische ‘ceremoniën’, niet tot de kern behoren van de kerk van alle tijden en plaatsen, maar een tijdgebonden schil is of een schaduwkarakter heeft[i]

Voordat we iets zeggen over Kerk en Israël moeten we ons dus grondig beraden op onze visie op de plaats van het Oude Testament. Als het over ons onderwerp gaat, zijn er twee uitersten: de zgn. vervangingstheologie, dat is een vies woord geworden. Volgens deze theologie (tenminste in zijn meest radicale vorm) heeft het Joodse volk geheel afgedaan. Alle beloften zijn voor de kerk, alle bedreigingen voor de Joden. Het problematische van deze theologie is, dat ze de Goddelijke trouw discutabel maakt. Als God kan breken met Israël, dan kan Hij ook breken met de kerk. Er hangt dus een fors prijskaartje aan deze manier van denken. We moeten er overigens wel voor waken, om niet te snel het etiket ‘vervangingstheologie’ ergens op te plakken. Het Doopformulier belijdt dat de doop in de plaats der besnijdenis gekomen is. Onze catechismus zegt in vraag 74 hetzelfde. Het zijn uitdrukkingen waar ook in onze kringen verlegenheid over ontstaan is, allergisch als we geworden zijn voor alles wat naar ‘vervangingstheologie’ ruikt.

Anderzijds is er de bedelingenleer, afkomstig uit Amerika. Hierbij is de kerk slechts een intermezzo en gaat het uiteindelijk om het Joodse volk. Alle profetie wordt in de toekomst geprojecteerd. De staat Israël wordt ingelezen in de Bijbel. De toekomst zal verlopen volgens een bepaald schema en alle teksten worden in dat schema ingepast. Als we de Bijbel ernstig nemen, kunnen we met deze manier van denken niet uit de voeten.

Waarschijnlijk bevinden onze visies zich ergens tussen deze twee polen. Dan zijn er nog grote verschillen in Israëlvisie mogelijk. Hoe denkt u bijvoorbeeld over de landbelofte, ooit aan Abraham en zijn nakomelingen gedaan? Geldt die nog steeds, en meer toegespitst: mogen we die toekennen aan de huidige staat Israël? In het Nieuwe Testament is de landbelofte geen thema en Paulus verbreedt die tot de hele aarde (Efeze 6:3)[ii].

De visies binnen onze achterban zijn gestempeld door het puriteinse denken dat een toekomstige bekering van Israël verwacht. Of de puriteinen een evenwichtige visie op het Oude Testament hebben gehad, is de vraag. Ik waag mij aan de stelling dat de puriteinen aan het Oude Testament een te zelfstandige positie hebben toegekend, en dat hun hermeneutiek daarin afwijkt van de Reformatorische of Calvijnse.

Wie zijn Joden?

Aan de hand van de Schrift gaan we wat onderzoek doen naar de manier waarop het Nieuwe Testament over ‘Israël’ spreekt. Op vele plaatsen in het Nieuwe Testament is er een gespannen verhouding tussen christenen en niet-christelijke Joden. Let wel: De term ‘Israël’ wordt in dit verband nooit gebruikt. Enkele voorbeelden:

Paulus schrijft aan de gemeente in Thessalonica:

Want gij, broeders, zijt navolgers geworden der gemeenten Gods die in Judéa zijn in Christus Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uw eigen medeburgers, gelijk als zij van de Joden; Welke ook gedood hebben den Heere Jezus en hun eigen profeten, en ons hebben vervolgd, en Gode niet behagen, en allen mensen tegen zijn, En verhinderen ons te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden; opdat zij allen tijd hun zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen gekomen tot het einde (1 Thess. 2:14-16).

Denkt u daarover na: de toorn is over hen gekomen tot het einde. Volgens de Kanttekening komt er na het einde nog wat, namelijk de bekering der Joden[iii]. We mogen ons wel afvragen of Paulus dat hier bedoeld heeft.

Lucas vertelt in het boek Handelingen over de situatie in Berea:

Maar de Joden die ongehoorzaam waren, dit benijdende, namen tot zich enige boze mannen, uit de marktboeven, en maakten dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad; en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te brengen. Maar als de Joden van Thessaloníca verstonden dat het Woord Gods ook te Beréa van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de scharen (Hand. 17:5, 13). Zie ook Handelingen 28.

Hier ziet u duidelijk hoe Lucas de Joden die ongehoorzaam zijn uittekent als de grote vijanden van het evangelie en van de bekering van de heidenen.

In het boek Openbaring spreekt Christus tot de gemeenten van Smyrna en Filadelfia:

Ik weet uw werken, en verdrukking, en armoede (doch gij zijt rijk), en de lastering dergenen die zeggen dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn een synagoge des satans. | Zie, Ik geef u enigen uit de synagoge des satans, dergenen die zeggen dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, Ik zal maken dat zij zullen komen en aanbidden voor uw voeten, en bekennen dat Ik u liefheb. (Openbaring 2:9, 3:9).

Johannes schrijft hier over de Joden als over de synagoge des satans, ze zeggen wel dat ze Joden zijn maar ze zijn het niet. We kunnen ons er wel iets bij voorstellen, als mensen ook het Nieuwe Testament beschuldigen van antisemitisme. Deze beschuldiging is niet terecht, maar Johannes spreekt hier wel heel negatief over de synagoge. Voor ons is het belangrijk om op te merken, dat hij zegt dat het geen Joden zijn. Deze notie komt in het Nieuwe Testament vaker voor. Denk aan Rom. 2:25-29 en Galaten 4:

Want dit, namelijk Hagar, is Sinaï, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen. Maar Jeruzalem dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder. Doch gelijkerwijs toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde dengene die naar den Geest geboren was, alzo ook nu. Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije (Galaten 4:25vv).

Paulus schrijft hier het aardse Jeruzalem geheel af, dat is dienstbaar met zijn kinderen. De moeder van de kerk is het hemelse Jeruzalem. Zoals Ismaël destijds zijn broertje Izaäk bespotte, zo vervolgt nu het ongelovige Jodendom de kerk. Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon. Het niet in Christus gelovende Jodendom is geen erfgenaam.

Wat is de besnijdenis?

Niet alleen zijn de ongelovige Joden niet de echte Joden, ook de besnijdenis krijgt bij Paulus een nieuwe invulling. Hoor wat hij schrijft aan de Filippenzen:

Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding. Want wij zijn de besnijding, wij die God in den geest dienen, en in Christus Jezus roemen en niet in het vlees betrouwen (Filippenzen 3:2v).

Wat zegt Paulus? Wij, christenen, zijn de echte besnijdenis! U ziet hier een betekenisverschuiving. En die ‘wij’ zijn dan de christenen, samengesteld uit Joodse én heidense gelovigen.

Dat feit, dat de gemeente is samengesteld uit Joodse en heidense gelovigen, heeft voor heel wat vragen gezorgd. Moet een christelijke heiden Jood worden of niet? Die vraag is in beginsel beantwoord op het zgn. Apostelconvent van Hand. 15. Toch blijven er dan nog steeds vragen open staan. Hoe moeilijk dit vraagstuk is geweest, klinkt door in het boek Handelingen en in de brieven aan de Galaten, de Efeziërs en de Filippenzen. Dit thema komt in de Romeinenbrief op systematische manier aan de orde.

Paulus begint zijn brief aan de gemeente in Rome met deze inzet:

Want ik schaam mij het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.

Het evangelie is dus krachtig werkzaam onder zowel Joden als Grieken oftewel heidenen. Maar dan wel op die manier, dat de heidenen geen Jood hoeven te worden om zalig te worden. Het geloof in Christus is het alles beslissende! De brief is opgebouwd volgens het schema ellende, verlossing, dankbaarheid. Paulus stelt in hoofdstuk 1 de heidenen schuldig, in hoofdstuk 2 en 3 de Joden. Daarbij relativeert hij de waarde van de lichamelijke besnijdenis, in lijn met wat hij aan de Filippenzen geschreven heeft:

Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is, noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is; Maar die is een Jood, die het in het verborgene is; en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God (2:28v). Wat is deze ‘identity-marker’ dan nog eigenlijk waard? Alleen als het hart ook besneden is, anders niet. De betekenis van de besnijdenis wordt hier op zijn zachtst gezegd gerelativeerd.

Vergelijk hiermee andere teksten uit het Nieuwe Testament:

De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods. (1 Cor. 7:9)

Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende. (Gal. 5:6, zie ook 6:15)

En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht; In Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus. Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije, maar Christus is alles en in allen.  (Col. 2:10v, 3:11).

Het geloof is beslissend

Joodse en heidense gelovigen zijn samengesmolten tot een eenheid, ze zijn één lichaam geworden, schrijft Paulus aan de gemeente in Efeze:

Heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees tenietgemaakt, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelven tot één nieuwen mens zou scheppen, vrede makende, En opdat Hij die beiden met God in één lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende.(Efeze 2:15-16).

Namelijk dat de heidenen zijn mede-erfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus door het Evangelie.(Efeze 3:6)

Joden en heidenen worden namelijk gerechtvaardigd door het geloof alleen, en niet door enige wetsbetrachting. Niet het onderhouden van de wetten van Mozes, maar het geloof in Christus is het alles beslissende. Dan zijn we weer terug in de Romeinenbrief, hoofdstuk 3:

Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven; want er is geen onderscheid. Is God een God der Joden alleen? En is Hij het niet ook der heidenen? Ja, ook der heidenen; Nademaal Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof (3:22, 29v).

In Romeinen 4 heeft Paulus dat verder uitgewerkt, want daar breidt hij het zaad Abrahams uit met de gelovigen die uit de heidenen zijn. Want ook Abraham is uit genade zalig geworden, zonder de werken:

En hij heeft het teken der besnijdenis ontvangen tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs, die hem in de voorhuid was toegerekend; opdat hij zou zijn een vader van allen die geloven in de voorhuid zijnde, teneinde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde, En een vader der besnijdenis, dengenen namelijk die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen des geloofs van onzen vader Abraham, hetwelk in de voorhuid was (4:11-12)

Wie zijn nu de eigenlijke kinderen van Abraham? Dat zijn dus niet de lichamelijke afstammelingen, maar de gelovigen, of ze nu Jood of heiden zijn maakt hier niet uit. Dit is van wezenlijk belang. In de Galatenbrief klinkt hetzelfde geluid:

Zo verstaat gij dan, dat degenen die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn. Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met den gelovigen Abraham. Opdat de zegening Abrahams tot de heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof. Nu, zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn Zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van één: En uw Zaad, Hetwelk is Christus (Galaten 3:7, 9, 14, 16).

Lichamelijke afstamming van Abraham is van ondergeschikt belang. Het gaat om de band met Christus, Die het eigenlijke Zaad van Abraham is. Die onder de wet zijn, zijn onder de vloek. Die delen niet in de zegen van Abraham! Alleen wie in Christus is, deelt in de zegen die God aan het Zaad beloofd heeft.

“Niet allen Israël”

Merk dus op hoe Paulus in de eerste hoofdstukken van de Romeinenbrief al voorbereidt wat hij in de hoofdstukken 9 tot en met 11 zal gaan zeggen. Hij heeft dus al gezegd wie de echte Joden zijn, wat de echte besnijdenis is, en wie de echte kinderen van Abraham zijn. Na deze herdefiniëring gaat hij in de hoofdstukken 9-11 diep in op de relatie tussen ‘Kerk en Israël’. Alleen in deze drie hoofdstukken wordt trouwens over ‘Israël’ gesproken. De vraagstelling is (en dat was ook de persoonlijke worsteling van Paulus zelf): Hoe is het mogelijk dat Israël zijn Messias verworpen heeft? We kunnen ons er iets bij voorstellen wat voor ontzaglijk moeilijke vraag dat voor de gelovige Joden van die tijd geweest is en als we eerlijk zijn, is het voor ons ook een moeilijke vraag.

Paulus zet in met een fundamenteel uitgangspunt: die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn (9:6). Met andere woorden: de herdefiniëring wordt hier voortgezet. Paulus gaat onderscheid maken tussen Israël en Israël, tussen Israël als lichamelijke afstamming van Abraham, Izaäk en Jakob aan de ene kant, en Israël als de in Christus gelovenden aan de andere kant:

Dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend. (Rom. 9:8). Wat Paulus hier zegt, is van fundamenteel belang voor het zelfverstaan van de christelijke kerk. De christenen zijn de kinderen der belofte, en naar de belofte erfgenamen. Paulus zegt dus: het komt níet aan op lichamelijke afstamming, want Ismaël en Ezau waren ook kinderen van Abraham. God is de Pottenbakker en Hij heeft macht over het leem. God roept die Hij wil: Joden en heidenen.

Paulus introduceert in dit verband de gedachte van het ‘overblijfsel’[iv]. Dat is in de profetieën van Jesaja een belangrijk concept. Alleen het overblijfsel zal behouden worden. Paulus citeert Jesaja: En Jesaja roept over Israël: Al ware het getal der kinderen Israëls gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden (Rom. 9:27). Israël heeft de rechtvaardigheid wel gezocht, maar niet uit het geloof, en daarom heeft het zich gestoten aan de steen des aanstoots. Een iegelijk die in Hem gelooft, zal zalig worden (Rom. 10). God is gevonden van de heidenen die Hem niet zochten, maar Hij heeft Zijn handen uitgestrekt tot Israël, een ongehoorzaam en tegensprekend volk (10:21).

Heeft het volk Israël als nationale entiteit hiermee afgedaan? Dat zegt Paulus dus beslist niet! Want God heeft Zijn volk niet verstoten (11:1), Paulus is zelf immers ook een Israëliet. Er zijn er nog 7.000 die de knie voor Baäl niet gebogen hebben. Ook nu is het nog een overblijfsel (11:5). De uitverkorenen hebben het verkregen, de anderen zijn verhard (7). Door hun val is de zaligheid den heidenen geworden. Wat moet hun bekering dan wel niet gaan betekenen! Daarom verlangt Paulus ook zo naar de bekering der Joden, niet in de toekomst maar nu. Maar heidenen ziet toe! Wees niet hooggevoelende, maar vrees!

En zo enige der takken afgebroken zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats zijt ingeënt, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mededeelachtig zijt geworden, (Rom. 11:17). Als de Joden in het ongeloof niet blijven, zullen zij ook weer ingeënt worden (23), God is daar machtig toe. Paulus denkt hierbij niet aan een toekomstige massale bekering in de eindtijd, maar aan de bekering van Joden zoals die in zijn tijd, en in de loop der geschiedenis heeft plaatsgevonden en nog plaatsvindt. En dan komt het:

Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn (11:25).

Een ‘verborgenheid’ in het Nieuwe Testament is altijd een geopenbaarde verborgenheid[v] (vgl. Rom. 16:25). In de Efezebrief vindt u dezelfde verborgenheid:

Dat Hij mij door openbaring heeft bekendgemaakt deze verborgenheid (gelijk ik met weinige woorden tevoren geschreven heb, Waaraan gij dit lezende, kunt bemerken mijn wetenschap in deze verborgenheid van Christus), Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is bekendgemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten door den Geest; Namelijk dat de heidenen zijn mede-erfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus door het Evangelie (Efeze 3:3-6). Heiden en Joden vormen dus samen hetzelfde lichaam.

De verharding is voor een deel over Israël gekomen, namelijk het deel dat niet tot het overblijfsel behoort. De eindterm is het ingaan van de volheid der heidenen. Wil Paulus zeggen dat de gedeeltelijke verharding wordt opgeheven nadat de volheid der heidenen is ingegaan? Dat zegt hij niet, al lezen veel mensen het daar wel in. De verharding is slechts tijdelijk, lijkt Paulus te zeggen, want nadat de volheid der heidenen is ingegaan, zal geheel Israël zalig worden[vi]. Maar dat staat er niet. Er staat dat de gedeeltelijke verharding een gegeven zal zijn tot de eindtijd toe, totdat de volheid der heidenen zal zijn ingegaan.

In de Thessalonicenzenbrief schrijft hij immers dat het oordeel over hen gekomen is tot het einde. In vers 12 heeft Paulus al gesproken van een volheid der Joden. En hier over de volheid der heidenen. Wat bedoelt hij hiermee? In beide gevallen gaat het niet om alle heidenen of alle Joden. Het gaat om het getal van de uitverkorenen dat vol moet worden. ‘Ingegaan’ wil zeggen: toegevoegd aan de gemeente, ingeënt in de olijfboom, ingegaan in het Koninkrijk dat voor hen is weggelegd van de grondlegging der wereld. De verharding van Israël heeft een positieve bijdrage aan de bekering der heidenen (Rom. 11:11b). Het einde van de heidenzending valt samen met de wederkomst.

“Geheel Israël”

De volheid der heidenen zal eenmaal ingaan, de verharding van Israël is en blijft gedeeltelijk, en dan komt de beroemde zin:

En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob; En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen. (Rom. 11:26-27).

Wat staat hier? Om te beginnen: Paulus zegt hier ‘alzo’, en niet ‘alsdan’. De hoofdbetekenis van het woord οὕτως is ‘alzo’, en we mogen pas van de hoofdbetekenis afwijken als die onzin zou opleveren, maar dat is hier niet het geval, temeer omdat dit ‘alzo’ gevolgd wordt door ‘gelijk’ καθὼς. Alzo zal geheel Israël zalig worden, gelijk geschreven is[vii].

Maar wat is ‘geheel Israël’[viii]? Lezen we vers 25-27 oppervlakkig, dan lijkt Paulus te zeggen, dat ná het ingaan van de volheid der heidenen, er bij de wederkomst van Christus een massale bekering van Joden zal plaatsvinden. Dat het hier om de eindtijd gaat, wordt duidelijk uit vers 15, waar de aanneming der Joden verbonden wordt met de opstanding uit de doden[ix]. Dus dat zou dan de verborgenheid zijn: Romeinen, bij de wederkomst van Christus zullen de Joden zich massaal bekeren[x].

Als dat gebeurt, heb ik daar geen enkel bezwaar tegen. Maar het is de vraag of deze interpretatie klopt met de context van de Romeinenbrief en strookt met de rest van het Nieuwe Testament. Paulus is de hele brief al bezig geweest met een herdefiniëring van wat Joden zijn, wat de besnijdenis is, wie de kinderen van Abraham zijn, en uiteindelijk wat Israël is[xi]. Het overblijfsel zal zalig worden, dat blijft staan. De volheid der heidenen zal ingaan. En de verborgenheid is, dat op die manier geheel Israël, maar dat is dan een opnieuw gedefinieerd Israël[xii], zalig zal worden[xiii].

Dat sluit aan op het beeld van de olijfboom, die Paulus in de verzen ervoor heeft uitgewerkt. De boom is het Abraham-verbond, de Joden zijn de natuurlijke takken. Vele natuurlijke takken zijn afgebroken, en heidense takken zijn ingeënt in plaats van de natuurlijke. Paulus hoopt en verwacht dat vele afgebroken takken weer ingeënt zullen worden en dat is ook gebeurd, dat kunt u terugvinden in de kerkgeschiedenis vooral van de 19e eeuw. Waar het om gaat is, dat die boom compleet is, die boom is ‘geheel Israël’, maar dan wel een opnieuw gedefinieerd Israël. Dat is dan de verborgenheid, dat de Joden en heidenen samen het eschatologische volk van God zullen uitmaken.

En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob; En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen.

Zo heeft Johannes Calvijn deze tekst ook geïnterpreteerd: Maar onder de naam Israëls, versta ik dat ganse volk Gods, opdat de zin dusdanig zij, als de heidenen zullen ingekomen wezen, zo zullen ook de Joden zich uit de afwijking tot de gehoorzaamheid des geloofs wedergeven, en alzo zal de zaligheid van het ganse Israël Gods volbracht worden, die uit beide volken moet verzameld worden, doch alzo, dat de Joden eerste plaats behouden als de eerstgeborenen in het huisgezin Gods. Deze uitlegging acht ik daarom bekwamer te zijn, omdat Paulus hier heeft willen de vervullling van het rijk van Christus beduiden, dewelke geenszins in de Joden eindigt, maar de ganse wereld vervat. Naar dezelfde wijze heeft hij ook Galaten 6:16 de gemeente Gods die uit den Joden en heidenen verzameld was, Israël genoemd, en heeft alzo dat volk hetwelk uit de verwoesting verzameld was, gesteld tegen de vleselijke Abrahamskinderen, die van zijn geloof afgeweken waren.[xiv]

We gaan terug naar Romeinen 11. Paulus citeert hier Jesaja 59:20-21a LXX en een stukje van Jesaja 27:9 LXX[xv], waar in de Hebreeuwse Bijbel staat: En er zal een Verlosser tot Sion komen, namelijk voor hen die zich bekeren van de overtreding in Jakob, spreekt de HEERE. En in Jesaja 27:9: Daarom zal daardoor de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden, en dit is de ganse vrucht, dat Hij deszelfs zonde zal wegdoen. Ondertussen heeft Paulus door de teksten uit Jesaja ook andere teksten gevlochten, namelijk Psalm 14 en Jeremia 31. Wat wil Paulus met dit Schriftcitaat nu eigenlijk zeggen? De komende Verlosser is Christus. Bedoeld is Zijn eerste komst, niet de wederkomst[xvi]. Jakob is gelijk te stellen met Israël[xvii]. Hij komt ‘uit’ Sion, zegt Paulus in onderscheid met Jesaja maar overeenkomstig Psalm 14, en Hij zal de goddeloosheden afwenden van Jacob. Jesaja 59:20 MT brengt een beperking aan, want de Verlosser is alleen voor hen die zich bekeren van de overtreding in Jacob. Het kan niet anders, of Paulus heeft met dit mengcitaat het beloofde heil voor Israël tot uitdrukking willen brengen, zoals dat door de profeten was aangekondigd. Jesaja heeft in zijn profetieën heil verkondigd voor Israëls overblijfsel, maar dat heil staat wel in een universele context[xviii]. Erfgenaam van deze belofte is het echatologische Israël, de gemeente van Christus, de olijfboom, bestaande uit Joden en heidenen.

Israël uitgebreid

Deze interpretatie komt overeen met de rest van het Nieuwe Testament. De gelovige heidenen zijn in Israël geïncorporeerd, alle verschillen zijn weggevallen. De gemeente als geheel (van Joden én heidenen) wordt benoemd als het oude Bondsvolk. Petrus schrijft aan de christelijke gemeente in zijn eerste brief:

Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; Gij die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden (1 Petr. 2:9-10)

Dus Petrus benoemt de gemeente met termen die Mozes in Exodus 19:6 gebruikte voor het volk Israël[xix]. Dat Petrus hier (ook) aan bekeerde heidenen schrijft, wordt duidelijk uit andere plaatsen in deze brief[xx]:

Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdelen wandel, die u van de vaderen overgeleverd is (1:18).

Want het is ons genoeg dat wij den voorgaanden tijd des levens der heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen (4:3).

Paulus benoemt in de Galatenbrief de gemeente aldaar als het Israël Gods:

En zovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods (Gal. 6:16).

Volgens de Kanttekening zijn dat alle ware gelovigen, die rechte Israëlieten zijn, en van God daarvoor gekend worden; hetwelk hij daarbij doet om dezelve van de Israëlieten naar het vlees te onderscheiden[xxi].

Hetzelfde vinden we terug in de Openbaring van Johannes.

En ik hoorde het getal dergenen die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israëls (Openb. 7:4). Alle stammen worden genoemd, behalve Dan. Efraïm en Jozef worden genoemd, er is dus een overlap. Dat is een signaal dat we de ‘twaalf stammen’ niet letterlijk moeten verstaan[xxii]. Maar hoe dan? Wie zijn die ‘kinderen Israëls’? Uit vergelijking met andere delen van de Openbaring blijkt dat dit de gekochten zijn uit alle geslacht en taal en volk en natie[xxiii]. In 3:12 krijgt de gemeente al een nieuwe naam, namelijk de naam van het nieuwe Jeruzalem:

Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven den Naam Mijns Gods, en den naam der stad Mijns Gods, namelijk des nieuwen Jeruzalems, dat uit den hemel van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwen Naam (3:12)

Het gezicht van hoofdstuk 7 correspondeert met wat Johannes te zien krijgt in hoofdstuk 14[xxiv]:

En ik zag, en zie, het Lam stond op den berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende den Naam Zijns Vaders geschreven aan hun voorhoofden. En zij zongen als een nieuw gezang voor den troon en voor de vier dieren en de ouderlingen; en niemand kon het gezang leren dan de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde gekocht waren.  (14:1, 3). Wie dat zijn, staat in 5:9:

En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig het boek te nemen en zijn zegelen te openen; want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht en taal en volk en natie;

De heidenen die gelovig zijn geworden, vormen het herstel van het ware Israël zoals de profeten dat voorzegd hebben. Dat vernemen we uit de mond van Jacobus de broeder des Heeren[xxv]. Deze spreekt op het zgn. Apostelconvent, waar hij een tekst uit Amos 9 aanhaalt[xxvi]:

Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen voor Zijn Naam. En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven is: Na dezen zal Ik wederkeren en weder opbouwen den tabernakel Davids, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven wederoprichten (Hand. 15:14-16)[xxvii]. De herstelde tabernakel is de christelijke gemeente[xxviii]. In deze zin hebben we dus ook Romeinen 11 te interpreteren.

Conclusie

De door de profeten beloofde herstelling van het volk wordt volgens het Nieuwe Testament realiteit in de gemeente van Christus. Uiteindelijk is die gemeente (bestaande uit gelovigen uit Joden en heidenen) het ware Israël en de erfgenaam der belofte. Daarmee heeft het Joodse volk als zodanig niet afgedaan, er zal altijd een overblijfsel uit dat volk zijn, naar de verkiezing der genade[xxix].


Noten

[i] Institutie, boek II hoofdstuk X en XI. Calvijn schrijft: ‘het verschil is alleen in de manier van bediening’ (X.2).

[ii] De enige ‘hint’ in de richting van de landbelofte is Lucas 21:24.

[iii] Zo ook Ben Witherington III, Jesus, Paul and the End of the World, Downers Grove 1992, pag. 99-104.

[iv] Keith A. Mathison, From Age to Age, Phillipsburg 2009, pag. 569: Paul demonstrates that God has not rejected Israel by distinguishing between the “remnant” and the “hardened”.

[v] Stephen Motyer, Come, Lord Jesus, Londen 2016, pag. 201: A ‘mystery’ is not a new revelation that adds some new insight previously unknown … but is something about the ways and purposes of God which transcend our current capacity either to experience, or to understand.

[vi] Zo o.a. Ben Witherington III, a.w., pag. 121vv, en Frank Thielman, Romans (Zondervan Exegetical Commentary on the NT), Grand Rapids 2018, pag. 546. Terecht zegt Eckhard J. Schabel, Die Brief des Paulus an die Römer (HTA), dl. 2, 2016, pag. 498: Diese Interpretation ist nicht so selbstverständlich, wie oft (durch den Verzicht auf Argumente) suggeriert wird. Verhärtung führt bei fehlender Umkehr zu Gott ins Gericht (s. V. 25c). Das heiβt, das Ende der Zeit der Verhartung hat einen zweifachen Ausgang: Teilhabe am Heil der Gnade Gottes oder Gericht des Zornes Gottes.

[vii] Dezelfde constructie vinden we in Lucas 24:24 en Fil. 3:17. Zie ook Schnabel, a.w., pag. 499v.

[viii] Een overzicht van verschillende interpretaties is te vinden bij Schnabel, a.w., pag. 500-507. Hij concludeert: Es gibt keinzen Konsens, wie die Wendung “ganz Israel wird gerettet werden” in V. 26a auszulegen ist.

[ix] Keith A. Mathison, a.w. pag. 582: Since Paul appears to connect the final restoration of the nation of Israel to the general resurrection (v. 15), it appears that this restoration will occur not long before the second coming of Christ.

[x] Ben Witherington III, a.w., pag. 123: The salvation of Israel will transpire as it is written in Isaiah 59:20-21, and thus will involve an eschatological miracle, a direct response to the coming of the Deliverer Christ. Zie ook zijn Paul’s Letter tot he Romans: A Socio-Rhetorical Commentary, Grand Rapids en Cambridge 2004, pag. 276: Thus, when Christ comes again he will turn back unbelief among his Jewish kin. Then indeed he will come fort he lost sheep of Israel, and they wil finally hear. But … only the Deliverer will accomplish this, not some present plan to evangelize Jews.

[xi] Werner de Boor, Die Brief des Paulus an die Römer (Wuppertaler StudienBibel), Wuppertal, Zürich, Giessen 1989, pag. 270 noot 214: Es ist wichtig, nicht zu vergessen, was 9, 6; 9.27; 11.7 von der “Auswahl” und vom “Rest” gesagt ist. Diese ernsten und gründlichen Ausführungen mit viel “Schriftbeweis” hat Paulus doch nicht umsonst gemacht. Sie werden durch den Einblick in das Geheimnis nicht einfach ausgelöst. Dann hätte Paulus sich die Mühe sparen können, diese Kapitel überhaupt zu schreiben und hätte nach 9, 1-5 sofort mit 11, 25 einsetzen dürfen.

[xii] Zo ook N.T. Wright in zijn studie Paul and the Faithfulness of God, Londen 2013, pag. 1241-1244. 

[xiii] Zo ook Schabel, a.w., pag. 508: Wahrscheinlicher ist die Interpretation, dass Paulus zusammenfassend die Art und Weise des Zustandekommens und des Wachtums der von Gott geschaffenen einen messianischen Heilsgemeinde beschreibt, die aus Israel herausgewachsen ist und jetzt und in der Zukunft aus Jesusbekennern besteht, die aus den Völkern und aus Israel kommen. “Ganz Israel” ist das messianischen Heilsvolk, das an den “Retter aus Sion” glaubt. “Ganz Israel” sind die Geretteten – Juden und Heidenen –, die Gottes Heil erfahren haben und erfahren werden (V. 25c). … wobei Paulus betont, dass die “Fülle Israels” als Folge des heilsgeschichtlich-historischen Prozesses erreicht wird, dan Gott in Gang gesetzt hat (V. 11-24.25d).

[xiv] Wtlegginghe op alle de Sendtbrieven Pauli des Apostels, Amsterdam 1617, fol. 67 verso, 68 recto. Spelling is aangepast.

[xv] Stephen Motyer, a.w., pag. 194: Isaiah 59 was clearly a favourite passage of Paul’s. He quotes from it earlier in Romans, … in Romans 3:10-18. There, verses 15-17 quote Isaiah 59:7-8.

[xvi] Zie voor uitvoerige argumentatie Schnabel, pag. 511-514. De verwijzing naar het nieuwe verbond van Jeremia 31 wijst ook op de eerste komt van Christus.

[xvii] Paulus heeft het ook in hoofdstuk 9:13 over Jacob, waar hij Maleachi 1:2 aanhaalt.

[xviii] Mark A. Seifrid, in: G.K. Beale en D.A. Carson (eds), Commentary on the NT use of the OT, Grand Rapids en Nottingham 2007, pag. 677: In the Isaianic context the emphasis lies on the universal horizon of the Servant’s redemptive work. Yet the first and foremost task of the Servant is to “raise up the tribes of Jacob” and to “establish the survivors of Israel”.

[xix] Ben Witherington III, Letters and Homilies for Hellenized Christians, dl. 2, Downers Grove en Nottingham 2007, pag. 119 noot 177: Thus, Peter is thinking of true Israel as Jew and Gentile united in Christ the living stone.

[xx] D.A. Carson, Douglas J. Moo en Leon Morris, An Introduction to the New Testament, Grand Rapids 1992, pag. 425: that Gentiles are addressed is clear from 1:18 … the adressees are described as ‘elect sojourners of the dispersion’ (1:1) probably words characteristically used of the Jews as the people of God are transferred to Christians. … while his letter was originally addressed to Christians in specific places, it is so worded that it is useful for believers everywhere. Zo ook Frank Thielman, Theology of the New Testament, Grand Rapids 2005, pag. 569 noot 4: Like Paul, he considers these Gentiles to be heirs to the traditions of Israel.

[xxi] Zo ook Thomas R. Schreiner, Galatians (Zondervan Exegetical Commentary on the NT), Grand Rapids 2010, pag. 383: Paul confirms one of the major themes of the letter. All believers in Christ are part of the true Israel, part of God’s Israel. This fits with what Paul says elsewhere when he says believers are the true circumcision (Phil 3:3). Since believers in Christ are the true family of Abraham and the true circumcision, they are also part of the true Israel. … In any case, the decisive argument for seeing the church as the Israel of God is the argument of Galatians as a whole.

[xxii] Eckhard Schnabel, 40 Questions About the End Times, Grand Rapids 2011, pag. 85-91. Op pag. 88 merkt hij op: the unique sequence of the names, particularly the fact that the sons of the slave girl Zilpah are moved up in the list, may, perhaps, point tot he inclusion of the Gentiles.

[xxiii] Eckhard Schnabel, 40 Questions About the End Times, Grand Rapids 2011, pag. 89: In sum, the identification of the 144,000 with the wordwide congregation of the followers of the Lamb is most plausible.

[xxiv] G.K. Beale, The Book of Revelation (NIGTC), Grand Rapids, Cambridge, Carlisle, 1999/2013, pag. 413v, 416-420.

[xxv] Craig S. Keener, Acts: An Exegetical Commentary, dl. 3, Grand Rapids 2014, pag. 2241: this is a conservative Jewish Christian leader affirming the Gentile mission; thus he  provides another link of continuity for the Gentile churches with the heritage of Israel.

[xxvi] Jacobus citeert de LXX. F.F. Bruce, The Acts of the Apostles, Grand Rapids 1990, pag. 341: Thus LXX depoliticizes and spiritualizes the tekst, making it refer tot he turning of the Gentiles (“the remnant of mankind”) to seek the God of Israel. This version lends itself admirably to James’ argument.

[xxvii] I. Howard Marshall in: G.K. Beale en D.A. Carson (eds), Commentary on de Nieuwe Testament Use of the OT, pag. 592: all this makes it clear that the restored temple is in fact the Christian community. Pag. 593: The use of the citation establishes that ‘the Gentiles do not have to become Jews in order to join the eschatological people of God and to have access to God in the Temple of the messianic age’. (Bauckham)

[xxviii] Vgl. Sam Storms, Kingdom Come, Fearn 2013, pag. 301: the grafting in of Gentile believers is the prophesied regathering of the true Israel.

[xxix] Ben Witherington III, .a.w., pag. 141: In the end both Paul and Jesus agreed on the most fundamental things. First, God had not abandoned his first chosen people, nor would they all be excluded from the final blessedness in the Dominion of God. Second, Gentiles could and would be included, though only with Jews in this final blessedness. Third, God never had more than one people at any point in human history.

Twijfelachtig bijbelgebruik over de positie van niet-joden in Israel / Palestina

Steun voor Israel baseren op foutief aangehaalde teksten uit het Oude Testament over niet-Joden die je vandaag als vreemdelingen goed moet behandelen in het Groot Israel dat God sinds 1948 teruggaf aan zijn oude bondsvolk – dat lijkt mij een onzalige vermenging van geloof en politiek.

In het Nederlands Dagblad van 13 september werd aan een aantal woordvoerders van christelijke organisaties gevraagd wat men ervan vond dat de tweestatenoplossing weer in het regeerprogramma van het nieuwe kabinet staat.

Zoals te verwachten vond de directeur van ‘Christenen voor Israël’ het maar niets. De internationale uitspraak van de Verenigde Naties die in 1948 tot het ontstaan van de joodse staat Israël geleid heeft naast een beoogde Palestijnse staat is meer “een oplossing van buiten ten koste van de autonomie van Israël.” Zijn stellingname: “Laat Israël zijn eigen zaken maar oplossen.” Alsof je in het conflict tussen Oekraïne en Rusland zegt: een oplossing van buiten gaat ten koste van de autonomie van de Russische bevolking in de Donbass. Laat Putin zijn eigen zaken maar oplossen.” Niet voor niets vindt ‘Christenen voor Israël’ dat het huidige Israël eigenlijk de grenzen hoort te krijgen van het bijbelse Israël. Geloof in de eigen interpretatie van het Oude Testament gaat boven het accepteren van internationale uitspraken over een eerlijke verdeling van het land tussen Joden en Arabieren.

Zorgelijker vond ik de opmerking van de directeur van het Centrum voor Israëlstudiës (CIS). Dit centrum gaat uit van de Gereformeerde Zendingsbond, de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Christelijke Hogeschool Ede. Men voelt zich verbonden met het Joodse volk en vraagt aandacht voor de positie en plaats van Israël in het heilsplan van God, en dat vanuit gereformeerd perspectief, nl. in aansluiting ‘bij een lijn in de traditie van de gereformeerde theologie, die via de Nadere Reformatie in ons land altijd veel oog heeft gehad voor de bijzondere positie van Gods uitverkoren verbondsvolk.’ (zie https://hetcis.nl/over-ons/visie).

Het CIS doet geen uitspraak over politieke kwesties tussen Joden en Palestijnen, dus laat ook in het midden of het de tweestatenoplossing ondersteunt. “Christenen voor Israël is voor één Joodse staat inclusief de Westbank. Het CIS kiest niet voor één oplossing, maar zoekt naar wegen waarin de mensen hier [in Israel/Palestina] vreedzaam kunnen leven. Als dat een tweestaten-oplossing is: prima! Als dat één staat is waarin iedereen gelijke rechten heeft: prima!’, twitterde Geert de Korte die als Israëlwerker aan het CIS verbonden is.

Dat zei hij in reactie op mijn tweet dat ook het CIS in het ND-artikel de tweestatenoplossing verwerpt. Want, had de directeur van het CIS gezegd: “In de Bijbel hebben er altijd vreemdelingen gewoond in het land, en de opdracht aan Israël is om goed met de vreemdelingen om te gaan.” Inderdaad wordt hier niet gezegd, dat de tweestatenoplossing van tafel moet. Ik heb ruiterlijk toegegeven dat mijn reaktie te kort door de bocht was. Maar tegelijk blijft het een zorgelijke opmerking. Het vermengt oud-testamentisch bijbelgebruik en huidige politiek met elkaar.

Met bovengenoemde uitspraak wordt namelijk, zoals ik daarna in een draadje op Twitter aangaf en dat ik hier in één artikel uitrol, de suggestie gewekt dat het bijbelse Israel gelijk staat aan de joodse staat Israel. Onvermeld wordt, dat deze politieke joodse staat sinds 1948 volgens internationaal recht gevestigd is op een deel van het geografische gebied tussen Jordaan en Middellandse Zee en dat de Arabische bevolking als gelijkwaardige partij ook recht heeft op een eigen staat. Bijna alle Arabieren verwierpen deze twee-staten-oplossing verworpen, want heel Palestina is heilige grond voor moslims en hooguit worden christenen en joden vanuit een welwillende houding als dhimmi’s = tweederangs burgers getolereerd. Maar omgekeerd doen veel Joden [de kolonisten op de Westbank en de extreem-rechtse partijen in het parlement en de regering] net zo: ze verwerpen de twee-staten-oplossing en willen heel Israel/Palestina, waar ooit een korte tijd (1.011 – 716 voor Chr.) hun voorouders over regeerden, annexeren voor één dominante bevolkingsgroep, waarbij de rest welwillend als vreemdeling en bijwoner getolereerd wordt

Het is erg ongelukkig dat het CIS de opdracht aan het O.T.-ische Israel m.b.t. vreemdelingen en bijwoners in haar midden één-op-één toepast op de huidige situatie door vreemdelingen in het bijbelse land en in het huidige Israel op één lijn met elkaar te stellen. Daarmee wordt (onbedoeld of onuitgesproken) de suggestie gewekt: de grenzen van het huidige Israel vallen samen met die van het O.T., incl. ‘Judea & Samaria’ (die je dan ook nooit ‘Westelijke Jordaanoever’ of ‘Westbank’ mag noemen). Dat is bedenkelijke theologie die in het N.T. nergens (figuurlijk en letterlijk 😊) grond vindt. Als er al een belofte aan dat deel van het joodse volk zou zijn zijn Messias verworpen heeft, wordt dat door geen enkele N.T.-ische bijbelschrijver aan een nieuwe landbelofte gekoppeld.

Niet door Jakobus in Handelingen 15:16-18 als hij over het herstel van het vervallen huis van David spreekt: Dan keer Ik terug op mijn schreden. Ik zal het vervallen huis van David herbouwen, wat is neergehaald zal Ik weer opbouwen. Ik zal dit huis doen herrijzen, zodat de mensen die overgebleven zijn de Heer zullen zoeken, evenals alle volken over wie mijn naam is uitgeroepen. Zo spreekt de Heer, die dit van oudsher heeft aangekondigd. Niet door Paulus in Efeziërs 6:3, waar hij de landbelofte verbreedt tot heel de aarde: Dan zal het u goed gaan en zult u lang leven op aarde. Niet door Petrus in 1 Petrus 2:9-10 in zijn uitleg van Exodus 19:6 en Hosea 1+2 over wie echt Gods volk is: Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht. Eens was u geen volk, nu bent u Gods volk; eens werd u ontferming onthouden, nu ontvangt u Gods ontferming.

De vermenging van religie en politiek door christenen die iets met het joodse volk en de staat Israel hebben is enorm schadelijk, zowel voor de politiek als voor het christelijk geloof. Wat betreft de politiek: door te verwijzen naar de vreemdeling in het O.T.-ische Israel legitimeer je de kolonisatie van de Westbank in strijd met alle internationale afspraken – ook al keur je het landjepik door terrorkolonisten af, evenals het regeringbeleid dat eigendomsrechten (Tent of Nations) van de niet-Joodse bevolking, die daar soms al vanaf 400 na Chr. woont, met de voeten schendt.

Als je als christelijke organisatie niks kritisch over joodse kolonisten of de Israelische regering wilt zeggen, omdat je je niet politiek wilt profileren, maar vervolgens vanuit het O.T. wel (bewust CvI of onbewust – CIS) konklusies trekt over wie + wat bij ‘Israel’ hoort, maak je impliciet wél een keus, nl.: Joden hebben meer recht op een Groot Israel dan de overige bewoners die daar al veel langer of net zo lang wonen op hun eigen zelfstandige staat – en het maakt niet uit dat de internationale gemeenschap daar al 80 jaar anders over oordeelt. Ondertussen vervreemden we daarmee al onze medechristenen in het Midden-Oosten: zij, die geen vreemdelingen of bijwoners meer zijn, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God (Efeziërs 2:19 – HSV), zijn minder belangrijk dan aanhangers van de joodse religie die bewust Jezus als Messias verwerpen.

Dat krijg je als de visie op Israel zo belangrijk wordt, dat het welhaast een tweede geloofsanker wordt. Van zulke ankers zijn we in onze vroegere GKV – nu NGK net een beetje af. Bij ons stond Christus jarenlang in de schaduw van zijn kerk. Helaas zie ik nu hetzelfde gebeuren. Namelijk: vanuit een overdreven Israel-liefde komt Christus in de schaduw van het joodse volk te staan. Welke schadelijke gevolgen dat heeft voor het christelijke geloof uit) zie je bij ds. Henk Poot, een vooraanstaand Christenen-voor-Israel-man die alle Joden op voorhand zalig verklaart. Hij schrijft [op blz. 88 van zijn boek ‘De Koning der Joden’: “Ook omwille van hen, de vaderen, Abraham, Isaak en Jakob blijven alle Israëlieten geliefden van God. En of geheel Israël dan ook werkelijk geheel Israël is? Waarom niet? Ontfermt God zich soms alleen over hen die het geluk hebben om te leven als de Messias op aarde verschijnen zal?”

Geef mij tegenover deze partiële alverzoening buiten het geloof in Jezus om dan maar de nuchter-bijbelse visie van bv. ds. Henk de Jong, die ooit [in zijn artikel ‘Gods blijvende trouw aan Israël volgens Romeinen 11:25-26’] schreef: “Laat ik zeggen dat ook ik net als Paulus mijn verwanten naar het vlees heb over wie ik een gedurige smart voel: al die gedoopte Europeanen die behoren tot de kring van het verbond maar die het bloed van dat verbond waardoor zij geheiligd waren onheilig achten en zelfs vertrappen (Hebr. 10 : 29). Het verdriet daarover staat mij nader dan over het ongeloof van de Joden uit Paulus’ dagen.”

Tenslotte: ik ben pro-Israel. Intense jodenhaat is m.i. de oorzaak van alle ellende. Daar zit de duivel achter. Maar niet op een exclusieve manier. De duivel zit ook achter christenhaat door communisten en moslims en achter moslimhaat door hindoes en boeddhisten. En nu voor het eerst in de geschiedenis Joden in Israel zich niet lijdzaam naar de slachtbank laat leiden, maar terecht (en soms: te) ongenadig hard terugslaan, wordt het er niet beter op met die jodenhaat – zie mijn blog.  

Even terzijde: typerend is wel, dat 2 miljoen Palestijnse, niet-Joodse Israelische staatsburgers onder geen beding willen ruilen met hun 2 miljoen Palestijnse volksgenoten die in Gaza onder de diktatuur van Hamas zuchten, en ook niet met de 3 miljoen Palestijnen op de Westbank.

Maar steun voor Israel baseren op foutief aangehaalde O.T.-ische teksten over niet-Joden die je vandaag als vreemdelingen goed moet behandelen in het Groot Israel dat God sinds 1948 teruggaf aan zijn oude bondsvolk – dat lijkt mij een onzalige vermenging van geloof en politiek.

Tot zover mijn draadje. Wat ik er op Twitter niet bij schreef was, dat ik mij helemaal kan vinden in de woordvoerder van de PKN. Die zei dat zijn kerk al in 2008 uitgesproken heeft dat zowel Israel als de Palestijnen recht hebben op een zelfstandig bestaan en dat voor de kerk het internationaal recht bij uitstek het oriëntatiepunt is voor een oplossing van het conflict in het Midden-Oosten. Daar zeg ik ‘amen’ op.

Durf te genieten en weet je gedragen door God

-zomervakantietips van Prediker-

De zomer van 2024 is weer begonnen. Het weer is nog niet altijd wat het zijn moet, maar de scholen zijn of gaan dicht, de bouwvak staat voor de deur en in de kerk nemen we even pauze als het gaat om de meeste door-de-weekse aktiviteiten.

Veel mensen zijn er echt aan toe. We leven in een maatschappij waarin bijna iedereen het druk heeft met van alles en zich druk maakt over van alles. Het is echt moeilijk om je aan die druk te ontworstelen.

Daarom is het goed dat er elke zomer een periode is waarin we tot rust kunnen komen en alle dagelijkse dingen even mogen loslaten. Even afstand nemen van alle drukte. Even bijkomen na een druk seizoen.

Niet voor iedereen

Toch is de vakantieperiode niet voor iedereen een fijne tijd. Soms lukt het niet om los te komen van de situatie waar je in zit. Soms is er geen mogelijkheid om er op uit te gaan. Soms lukt het niet om zelf de knop om te zetten.

Salomo, de waarschijnlijke schrijver van het boek Prediker, benoemt het allebei. Durf te genieten en weet je gedragen, schrijft hij. Want je hebt dagen dat je kunt genieten van de zon. En je hebt dagen waarin alles alleen maar donker is. Salomo zegt erbij: vergeet niet om te genieten mét God. En weet je gedragen dóór God.

Het eerste vergeten we gemakkelijk. Welvaart is een verleidelijke ziekte voor het geloofsleven van veel mensen. Neem jezelf voor en herinner elkaar er aan dat je op vakantie God niet thuis laat (de les van Prediker 11:9).

Het tweede is net zo’n beproeving voor je geloof. Het zuigt alle energie uit je weg en je durft voor de toekomst nergens meer op te hopen. Laat er oprechte aandacht en gebed zijn voor iedereen die te maken heeft met slechte dagen en jaren waarin maar weinig vreugde te vinden is (zoals Prediker 12:1).

Bijbel mee op vakantie

In de zomerperiode krijg je de tijd om te genieten. Dat is een geschenk van onze goede God. Of je nu afdaalt richting de Middellandse Zee om zoveel mogelijk zon-uren te scoren of je stijgt op naar het hoge noorden van Scandinavië waar de zon in de maand juli niet ondergaat: laat je bijbel niet in Nederland achter. God laat Zich nl. op twee manieren kennen. Allereerst zie je in zijn schepping (de natuur, de wetenschap en de techniek) iets van Gods eeuwige kracht en goddelijkheid. Maar door het lezen van de Bijbel worden al die indrukken aangescherpt tot een nog duidelijker beeld van wie God is. Het is de combi van schepping en Bijbel die het geloof in God volkomener maakt en ons doet uitkomen bij Hem als meer dan Schepper, nl. als hemelse Vader, dankzij Jezus Christus, zijn Zoon en onze Verlosser.

Elk jaar bieden kun je kiezen tussen verschillende vakantie-bijbel-boekjes.

*1* Het vakantiebijbelboekje van de GZB heeft als titel ‘Ga! Iedereen is geroepen’. Het bevat 14 bijbelgedeeltes + een korte overdenking met elke keer ook een verhaal over iemand die ergens in de wereld gegaan is als christen. https://www.gzb.nl/toolbox/vakantiebijbelboekje

* 2* Het vakantiedagboek van het Nederlands Bijbelgenootschap heeft als titel ‘Op weg gaan en thuiskomen’. In 21 dagen komen bijbelse figuren aan bod die onderweg zijn met God en Jezus en bij Hen schuilen. https://www.bijbelgenootschap.nl/zomerleesplan-2024/

*3* Het zomergezinsboekje ‘Handig’ is speciaal voor kinderen uitgegeven door de GZB, HGJB en IZB. Informatie vind je op https://www.zomergezinsboekje.nl.

Zo kom je de zomer wel door als christen.

Samenwonende homo’s als ambtsdrager: op z’n minst een slechte timing

De Nederlandse Christelijke Gereformeerde Kerk van Hilversum heeft besloten het ambt van ouderling en diaken ook open te stellen voor homoseksuele broers en zussen met een relatie.

Sommigen noemen het een moedig besluit, dat integer en met pastorale wijsheid genomen is. Anderen vinden het een zorgelijke ontwikkeling die christenen steeds verder laat afdwalen van de Bijbel en het volgen van  Jezus onder druk van de maatschappelijke ontwikkelingen.

Ik ben geneigd de laatsten gelijk te geven. In het boek ‘Tim Keller – zijn geestelijke en intellectuele vorming’ schrijft Collin Hansen, dat Keller zelf ervaren heeft dat hij in 2017 juist op dit punt als voorheen gerespecteerd eigentijds gereformeerd theoloog gecanceld werd,  terwijl een aantal jaren eerder zijn kerk, de Redeemer Presbyterian Church, nog geroemd werd omdat in hun orthodoxe kerk iedereen welkom was en geholpen werd, of je nou man of vrouw, blank of zwart, homo of hetero was. Maar in 2017 werd de prestigieuze Kuyper Prize die al aan Keller was toegekend, na protest weer ingetrokken, omdat “Kellers opvattingen over de vrouw in het ambt en over homoseksualiteit indruisten de heersende normen (…) van de cultuur.” Kellers biograafkwam met een scherpe analyse: “In minder dan tien jaar was de [westerse] cultuur (…) verschoven van tolerantie van homoseksualiteit naar intolerantie van iedereen die homeseksualiteit niet bevestigde.” (beide citaten blz. 237). Volgens Tim Keller zelf ziet het seculiere Westen zichzelf als een tolerant toevluchtsoord tegen het beperkende christelijke verleden, maar gebruikt ze haar macht om precies hetzelfde te doen door bijbelgetrouwe christenen op allerlei terreinen uit te sluiten. Mede daardoor is er sprake van toenemende vijandigheid en polarisatie in de samenleving, zowel cultureel als politiek. (blz. 241).

Wat heeft dit met het besluit van de NCGK Hilversum te maken? Zonder de plaatselijke kerkenraad hiervan te beschuldigen, zie ik het besluit op zich als een te grote knieval richting de seculiere samenleving. Volgens Keller is het geen optie om je gelovig terug te trekken uit de samenleving of om je stevig tegenover de samenleving te profileren of om je open en relevant naar de samenleving op te stellen, maar moet je ‘gelovig present’ willen zijn door je eigen bijbelse uitgangspunten voluit serieus te nemen en je tegelijk met de hedendaagse cultuur te verbinden. Keller verwijst daarbij naar 1 Petrus 2:12.

In mijn optiek betekent dit, dat we de heiligheid van het bijbelse huwelijk tussen man en vrouw hooghouden, terwijl we mild tegemoetkomend zijn tegenover andere relatievormen die zich vanuit de samenleving aan ons opdringen en die dus ook onder christenen steeds meer normaal gevonden worden. Want als het regent in de wereld, druppelt het in de kerk. En elke generatie christenen ademt vooral de lucht in van de eigen cultuur, en dus word je daardoor beïnvloed en ga je daarin mee, of je het wilt of niet. Maar niet tegen elke prijs, want dan wordt de kerk een club van bleke christenen. Anderen zullen dat ‘veelkleurig’ noemen, maar ik denk eerder dat het een onherkenbare potpourri van kleuren wordt – een verwaterd christendom.

Op het punt van homo-relaties betekent dat, dat ik het eens ben met het rapport dat op de huidige synode nog besproken moet worden, dat we homoseksuele broers en lesbische zusters die in een monogame relatie van liefde, trouw en gedeeld geloof leven, voluit accepteren als mede-christen, en dat als het onderdeel ‘geloof’ mist, ze daar op dezelfde wijze over worden aangesproken als elke christen die een relatie met een niet-gelovige aangaat.

Maar het is volgens mij bijbels gezien een brug te ver om te stellen, zoals men in Hilversum doet, dat “het hebben van een homoseksuele relatie geen belemmering vormt voor het vervullen van een ambt” (citaat in RD), omdat er alleen gekeken wordt naar “geschiktheid en gerichtheid op Christus” (citaat in ND). Het bekleden van een ambt vraagt ook een bepaalde levenswijze en voorbeeld in geloof en levenswandel. Paulus somt in 1 Timoteüs 3:1-7 en in Titus 1:5-9 een aantal vereisten op waar ouderlingen aan moeten voldoen. In beide gevallen wordt het hebben van één vrouw als eerste voorwaarde gesteld. In die tijd was zo’n bepaling nodig omdat sommige christen-mannen meerdere vrouwen hadden. Ze waren volwaardig lid van de gemeente, bekleedden verschillende funkties, werden toegelaten tot het avondmaal, maar waren als ambtsdrager niet geschikt, omdat het huwelijk volgens Gods eigen instelling een relatie tussen één man en één vrouw is.

Ook in onze tijd vinden we als gereformeerde kerken nog steeds, dat het huwelijk volgens Gods bedoeling een relatie voor het leven is tussen één man en één vrouw. Het rapport dat nu op de synode dienst, geeft ook nadrukkelijk aan dat het bijbelse huwelijk uniek is en niet één van de vele relatievormen die naast elkaar mogen bestaan, zoals onze seculiere maatschappij doet geloven.

Het onbegrijpelijk van het synoderapport is dan ook, dat ze zonder ook één zin te wijden aan 1 Timoteüs 2 en Titus 1 en zonder er verder ook maar een woord aan te wijden, vindt dat iedere plaatselijke kerk zelf moet afwegen of er plaatselijk genoeg draagvlak is om samenlevende homoseksuele broers en zussen tot ouderling of diaken te benoemen. Als je met de mond belijdt dat het huwelijk volgens Gods bedoeling de unieke, levenslange, exclusieve, alomvattende levenseenheid van één man en één vrouw is, en dat er bijbels gezien dus een onderscheid blijft bestaan tussen het huwelijk en een homo-verbintenis, moet je dat principe als kerk ook hoog houden in de keus van je ambtsdragers, net zoals de christelijke gemeenten in de tijd van Paulus dat ook deden.

Daarom is in mijn ogen het besluit van Hilversum een stap in de verkeerde richting. Het houdt te weinig rekening met de hogere normen en waarden die de Heilige Geest in Gods Woord voorhoudt aan volgelingen van Jezus die geroepen worden om met woord én daad een voorbeeld te zijn voor de gemeente en de wereld.

Het besluit van Hilversum getuigt ook van onwijs ongeduld. Binnen de CGK liggen er duidelijke uitspraken over homo-relaties in het algemeen: daar moet na vele gesprekken tucht op toegepast worden. Die harde lijn deel ik niet, maar met zo’n uitspraak moet je als samenwerkingsgemeente wel rekening houden. Vandaar dat deze zaak nu opnieuw op de landelijke synode van de CGK ligt. Binnen de oude NGK heeft men hier in 2016 een landelijke uitspraak over gedaan, namelijk: homoseksuele relaties in liefde en trouw worden geaccepteerd, maar men kan dan geen ambt bekleden. En binnen de oude GKV is in 2017 het studiedeputaatschap aangesteld dat nu, zeven jaar later, met een eindrapport komt.

Het klopt dus niet wat de huidige synodevoorzitter in het RD zegt, dat er voor de NCGK er geen kerkrechtelijke belemmeringen waren om dit besluit te nemen. Want, zei hij, de oud-NGK-uitspraken van vóór de fusie zijn niet overgenomen en de oude GKV had nog niets uitgesproken. Dat is wat flauw, want ten eerste liggen er wel CGK-uitspraken waaraan Hilversum gebonden is en ten tweede geven zowel de uitspraken van 2016 en het rapport dat nu op de synode ligt aan, dat het om een gevoelig onderwerp gaat, waar je graag samen tot een afgewogen oordeel wilt komen. Dan is het onwijs ongeduld om een half jaar voordat dat oordeel er komt, voor de muziek uit te gaan lopen. Vergelijk het met de vrouw in het ambt binnen de GKV: ook al was een meerderheid al jaren vóór de vrouw in het ambt en stond nergens in de kerkorde of de belijdenis dat het niet mocht, toch hebben nagenoeg alle GKV-kerken gewacht tot in 2017 de landelijke synode groen licht gaf om vrouwen in het ambt te bevestigen. Dat is de koninklijke weg. En die had, m.i. ook Hilversum moeten volgen, in plaats van licht provocerend een eigen koers uit te zetten waarmee men het ene kerkverband tegen de schenen schopt en het andere kerkverband in verlegenheid brengt.

Tenslotte: ik hoop en bid van harte dat dit najaar de landelijk synode ruimte geeft voor homo-relaties in liefde en trouw en tegelijk richting geeft door ook aan te geven waar bijbels gezien de grenzen liggen. Eén daarvan is volgens mij, op grond van Genesis 2 en 1 Timoteüs 2 + Titus 1, dat er geen ruimte is voor samenlevende homo’s om het ambt te bekleden. Daarin zijn zij niet anders dan gemeenteleden na een ongeoorloofde scheiding of gemeenteleden in een relatie met een niet-gelovige of leden (of, om iets anders te noemen: die bewust hun kinderen niet willen laten dopen). Ook die zijn en blijven doorgaans volwaardig lid, vervullen allerlei functies en taken, maar komen uit en in principe niet in aanmerking voor het ambt.

Zie verder voor informatie en beoordeling van het synoderapport: Een zee van ruimte zonder veel richting

Ruimte en richting – vier gespreksvragen bij het NGK-rapport over homoseksualiteit

In de NGK is het rapport ‘Ruimte en richting’ over homosekualiteit in de kerk op dit moment in bespreking. De landelijke synode wil graag input vanuit de plaatselijke kerken en de regio’s, zodat er in het najaar van 2024 breed gedragen besluiten genomen kunnen worden onder de zegen van de HERE.

In deze blog staan vier gespreksvragen die volgens mij de kern van het onderwerp raken. Ik hoop dar regio’s en kerkenraden er hun winst mee kunnen doen.

Een korte samenvatting van het rapport ‘Ruimte en richting’ vind je hier

Mijn kritische evaluatie van het rapport ‘Ruimte en richting’ vind je hier.

Uit dit synoderapport zijn vier gespreksvragen te halen.

Gespreksvraag 1

Het rapport maakt onderscheid tussen * homoseksuele oriëntatie en * gelijkgeslachtelijk seksueel gedrag.

Bij homoseksuele oriëntatie gaat het om de emotionele, romantische en/of seksuele aantrekkingskracht tot personen van hetzelfde geslacht. Deze oriëntatie is geen ziekte of inbeelding (zoals vroeger wel gedacht werd), maar heeft alles te maken met iemands identiteit en wie iemands te diepste is.

Bij gelijkgeslachtelijk seksueel gedrag gaat het om de beleving van de seksualiteit tussen twee mensen van hetzelfde geslacht.

In de Bijbel tref je alleen passages aan die gelijkgeslachtelijke seks afkeuren.

In de Bijbel gaat het nergens over aantrekkingskracht, verliefdheid, intimiteit of zielsverwantschap tussen twee mensen van hetzelfde geslacht.

Vraag 1: Hoe denk jij over dit onderscheid?

Gespreksvraag 2

Volgens het rapport is het gezag van de Bijbel niet in het geding bij dit onderwerp. Maar je kunt wel van mening verschillen over de vraag of de Heilige Geest de bijbelschrijvers boven hun eigen tijd en cultuur uittilde, zodat het verbod op homoseksuele relaties voor alle latere tijden en culturen geldt, of dat de Heilige Geest door de eeuwen heen in nieuwe omstandigheden Gods kinderen ook nieuwe inzichten geeft die in overeenstemming zijn met de grote lijn van de Bijbel. Dan kun je de Bijbel op twee manieren lezen en toepassen:

*1* de concrete teksten in de Bijbel (‘een man zal geen seks hebben met een man en een vrouw zal geen seks hebben met een vrouw’)

*2* de grote lijn van de Bijbel (‘het is niet goed dat de mens alleen blijft’)

Vraag 2: Welke van deze twee lijnen heeft jouw voorkeur?

Gespreksvraag 3

Het rapport maakt duidelijk dat er door christenen verschillend gedacht wordt over het wel of niet aangaan van homoseksuele relaties. Dit wordt duidelijk gemaakt met het beeld van de drie lenzen.

1/ De lens van de scheppingsorde

God schiep de mens mannelijk en vrouwelijk en stelde het huwelijk tussen man en vrouw in. Heel de Bijbel wijst op morele gronden elke vorm van seksuele omgang tussen mensen van hetzelfde geslacht af.  Elke vorm van homoseksueel verkeer is zonde, ook als het plaatsvindt binnen een relatie van liefde en trouw.

2/ De lens van gebrokenheid

Als gevolg van de zondeval is veel van Gods oorspronkelijk bedoeling verstoord geraakt. Ook op het gebied van seksualiteit en relaties. In de Bijbel zie je dat God ook rekening houdt met die gebrokenheid. Daarom is er ruimte voor homorelaties als ‘blijk van milde tegemoetkomendheid’, maar je kunt dit  ‘noodverband’ niet gelijk stellen aan het huwelijk.

3/ De lens van variatie

God heeft in zijn schepping een veelkleurige variatie aangebracht, en dus zijn er naast mensen met een heteroseksuele oriëntatie ook mensen met een homoseksuele  oriëntatie. Deze verrijkende minderheidsvariant is geen verarming of degradatie van Gods goede schepping en ook geen gevolg van de zondeval of een teken van gebrokenheid. Dit vraagt van een kerkelijke gemeente dat zij een ’inclusieve’ gemeenschap is waarin iedereen even welkom is ongeacht zijn seksuele oriëntatie en de aard van zijn levensverbintenis.

Vraag 3: Welke van de drie ‘lenzen’ vind jij het meest overtuigend?

Gespreksvraag 4

Het rapport zegt: de Bijbel kent niet het verschijnsel van een homoseksuele oriëntatie, maar wel het herkenbare en diep-menselijke verlangen naar een partner voor het leven. Omdat HERE een barmhartig God is, legt Hij mensen geen ondraaglijke lasten op. In de gebrokenheid van dit bestaan kunnen homoseksuele relaties in liefde en trouwe geaccepteerd worden. Dat betekent dat iedere homoseksuele christen die zich door God geroepen voelt om ongetrouwd door het leven te gaan, respect en ondersteuning verdient. Het betekent ook dat iedere homoseksuele christen die het voor God kan verantwoorden om in liefde en trouw een relatie aan te gaan met een partner voor het leven, een volwaardige plek in de gemeente Christus mag hebben.

Vraag 4: wat betekent dit volgens jou, als er sprake is van een homo-relatie, voor

  • Het toelaten tot het Avondmaal
  • Het (in)zegenen van die relatie
  • Het toelaten tot het ambt
  • Een eventuele kinderwens

PINKSTEREN – Gods volk wordt uitgebreid!

-Pinksteren is niet de geboorte van de kerk ten koste van Israel of het Joodse volk-

En de Geest doorbreekt de grenzen die door mensen zijn gemaakt. Dat zinnetje uit het gezang ‘Samen in de naam van Jezus’ klopt niet helemaal. Als het Pinksteren wordt, doorbreekt de Heilige Geest ook de grenzen die God Zelf tot die tijd gesteld had. Tot aan Pinksteren was het volk Israel  Gods volk. Wie tot geloof kwam in de God van Abraham, Isaak en Jakob, moest zich aansluiten bij het Joodse volk.

Vanaf Pinksteren keert God dat om: wie als gelovige Jood gelooft dat Jezus de beloofde Messias is, moet er op uit trekken om alle volken tot zijn leerlingen te maken. Zo ontstaat, om het met Paulus te zeggen, ‘het Israel van God’ (Galaten 6:16), want ‘Jood is men niet door uiterlijkheden, en het gaat ook niet om de uiterlijke, lichamelijke besnijdenis; Jood zijn is een iets innerlijks en de besnijdenis is die van het hart. Het is het werk van de Geest’ (Romeinen 2:28+29). Daardoor krijgt het ene volk van God een enorme uitbreiding, want ‘u die destijds niet verbonden was met Christus en uitgesloten was van het burgerschap van Israel en geen deel had aan de verbondssluitingen en de beloften die daarbij hoorden (…) bent nu dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God’ (Efeziërs 2:12+19).

Wat betekent dat in 2024 voor het Joodse volk en voor de staat Israel? Hebben joden die niet in Jezus geloven nog een streepje voor op alle andere bewoners van deze wereld die niet in Jezus geloven? Mag je zeggen: Israel (wat men daar ook precies mee bedoelt) is nog steeds Gods oogappel? En als het gaat om de verhouding tussen ‘kerk’ en ‘Israel’: mag je Pinksteren “de geboorte van de kerk” noemen, of moet je zeggen: vanaf Pinksteren  is ‘de kerk van de volken’ de buitenste kring rond de Messias met nog steeds Israel als ‘Gods volk-in-het-midden’?

Zelf denk ik er als volgt over: Pinksteren is niet de geboorte van de kerk. Want onder ‘kerk’ verstaan we alle samenkomsten van twee of drie of meer mensen die elkaar in de naam van Jezus ontmoeten. Dat gebeurde al in het paradijs, want elke avond praatten Adam en Eva even bij met hun Schepper in de koelte van de avondwind. En even later, in de tijd van Adam’s kleinzoon Enos, ‘begon men de naam van de HERE aan te roepen’ (Genesis 4:26). Terecht zegt de Heidelbergse Catechismus in Zondag 21, dat de kerk de verzameling van mensen is die Jezus ‘van het begin van de wereld tot het einde van de wereld vergadert, beschermt en onderhoudt.’ De catechismus zegt erbij: ‘Hij doet dit door zijn Geest en Woord in eenheid van het ware geloof.’ De uitdrukking ‘het ware geloof’ heeft bij veel mensen een nogal negatieve klank. Maar er wordt mee bedoeld: het gaat in de Bijbel om het geloof in God die belooft dat Hij een Verlosser zal sturen om de mensen weer terug bij Hem te brengen. Wie in het Oude Testament verlangend naar die Messias uitkijkt en wie in het Nieuwe Testament met blijdschap Jezus Christus als die Verlosser erkent, hoort bij Gods volk. Jezus Zelf zei het zo: ‘Ik heb ook nog andere schapen, die niet uit deze schaapskooi komen. Ook die moet Ik hoeden, ook zij zullen naar mijn stem luisteren: dan zal er één kudde zijn, met één herder.’ (Johannes 10:16). Paulus zegt daarover: ‘Het evangelie is Gods reddende kracht voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken (Romeinen 1:16), want Abraham is de vader van ons allen, de vader van hen die besneden zijn én onze vader Abraham volgen in het geloof en van alle onbesnedenen die delen in het geloof van Abraham, zoals hem beloofd was: Zo talrijk zullen je nakomelingen zijn (Romeinen 4:12,16,19)  

Nu krijgen veel bijbelgetrouwe christenen die benadrukken dat Gods ene volk zich na Pinksteren enorm heeft uitgebreid met nieuwe gelovigen uit de heidenvolken, daarmee het Joodse volk marginaliseren. Want, zegt men dan, God Zelf koos het Joodse volk uit als zijn bruid en Hij spreekt daar in de Bijbel  vol liefde over.

Volgens mij klopt dat niet. In het Nieuwe Testament bestaat Gods volk uit Joden en heidenen samen. Die kerk wordt in Openbaring ‘het nieuwe Jeruzalem’ en ‘de bruid, de vrouw van het Lam’ genoemd. Ze bestaat uit gelovigen uit alle landen en volken. Zo gaat vanaf Pinksteren o.a. Psalm 87 in vervulling, waar van allerlei volken gezegd wordt, dat de HERE ze inschrijft als burgers van Sion. De kerk is dus niet in plaats van het Joodse volk gekomen. De kerk is sinds Pinksteren hetzelfde volk van God gebleven, maar nu over heel wereld uitgebreid. Van die multi-etnische gemeenschap zegt Paulus: ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus en als zodanig nakomelingen van Abraham.’ (Galaten 3:28-29)

Ik hoorde eens een bestuurslid van Yachad (de stichting binnen de NGK-kerken die zich actief inzet voor de evangelieverkondiging aan het Joodse volk en de NGK-achterban bewust wil maken hun relatie ten opzicht van het Joodse volk) zeggen, dat het Joodse volk net als Jezus vermoord is en weer is opgestaan, en dat het nu wachten is op Pinksteren. Met dat eerste worden de Holocaust en de stichting van de staat Israel bedoeld, neem ik aan, en met dat laatste dat in de nabije toekomst de Heilige Geest Zich nog een keer royaal zal uitstorten op alle seculiere of ultra-orthodoxe Joden, die dan massaal Jezus als hun Messias zullen erkennen. Dat is een creatieve vondst, maar ook dit klopt volgens mij niet met het Bijbelse verhaal. Het is in Handelingen 2 al Pinksteren geweest voor het Joodse volk. Daarna werd het in Handelingen 8 Pinksteren voor de Samaritanen en in Handelingen 10 Pinksteren voor de Romein Cornelius en daarmee voor alle heidenen. Petrus zegt dan nadrukkelijk: ‘Zij hebben op dezelfde wijze als wij de Heilige Geest ontvangen.’ (Handelingen 10:47 – zie ook 11:15). En even later op het grote Apostelconvent, zegt Petrus het nog een keer: ‘Nee, we geloven dat wij [christenen uit de joden] door de genade van de Heer Jezus gered worden op dezelfde wijze als zij [christenen uit de heidenen]. Dan vult Jakobous, de broer van Jezus, Petrus bij en zegt: inderdaad, ‘Simon Petrus heeft uiteengezet hoe God vanaf het begin het voornemen had om uit alle volken één volk te vormen dat zijn naam vereert’ (Handelingen 15:11+14). Zo zorgt Jezus er Zelf voor dat de kring van wie in Hem geloven steeds maar groter wordt, precies volgens de opdracht die Hij vlak voor zijn terugkeer naar de hemel aan de apostelen gegeven heeft. Hij liet de vraag van de leerlingen of Hij binnen afzienbare tijd het koningschap over Israel zou herstellen, onbeantwoord, maar draaide de rollen om: niet Ik ga het doen voor jullie, maar ‘jullie zullen, wanneer de Heilige Geest over jullie komt, kracht ontvangen om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde’ (Handelingen 1:8).

Pinksteren is dus niet de geboorte van de kerk. Pinksteren is de lang beloofde en lang verwachte uitbreiding van Gods volk. De Geest doorbreekt de grenzen die God Zelf in het Oude Testament gesteld heeft. Jezus zegt bij het eerste avondmaal dat Hij vanaf nu een ‘nieuw verbond’ ingesteld heeft. De schrijver van het bijbelboek Hebreeën benadrukt dat God op het moment dat Hij spreekt over een nieuw verbond, het eerste al als verouderd bestempeld heeft. En wat veroudert en verjaart, is de teloorgang nabij (Hebreeën 8:13).

Helaas zijn er de eeuwen door ook mensen die Jezus als Redder en Heer afwijzen. Zelfs als ze ermee opgegroeid zijn. Dat geldt voor het Joden, moslims en kerkverlaters. Dat zijn, als je het vanuit het perspectief van de misschien wel de bekende gelijkenis van Jezus bekijkt, allemaal verloren zonen en verdwaalde schapen.

Persoonlijk vind ik het dan heel riskant om van één groep afdwalers te zeggen dat ze de eeuwen door net als Jezus Zelf vermoord zijn, maar gelukkig ook weer zijn opgestaan. Mijn grootste bezwaar daartegen is, dat met deze bewering de unieke positie van Jezus Christus in gevaar komt. Dan komt er naast ‘de enige Naam op aarde die de mens redding biedt’ (Handelingen 4:12) nog iets anders waarop ze hun vertrouwen stellen. Dat noemt de Heidelbergse Catechismus in Zondag 35 ‘afgoderij’.

Dat risico lopen we als christenen voortdurend. In onze vrijgemaakt-gereformeerde traditie was dat heel lang de ware kerk. Bij andere christenen zou dat wel eens de ware doop op geloof door onderdompeling kunnen zijn. En nu komt hier opeens de ware Israel-visie om de hoek kijken. Als je die niet deelt, marginaliseer je Gods oogappel en laad je een zware schuld op je.

Dat vind ik een oneerlijk verwijt aan al die christenen die in opdracht van Jezus zonder onderscheid over heel de wereld de blijde boodschap verkondigen. We hoeven in 2024 niet allemaal eerst weer in Jeruzalem en Israel en de Joden te beginnen, want die stad, dat land en dat volk hebben na Pinksteren geen streepje meer voor. Heel de wereld moet het weten dat God niet veranderd is en zijn liefde als een lichtstraal doordringt in de duisternis.  

Ik vraag mij sterk af hoe terecht het is wanneer Yachad in haar overigens bijzonder lezenswaardige visiedocument zegt, dat het Joodse volk vandaag de dag, ruim 1950 jaar na de verwoesting van de tempel in het jaar 70 (met een foutieve interpretatie van de opmerking van de CGK-hoogleraar J. van Genderen in de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek: ‘In het N.T. wordt de heilshistorische voorrangspositie van Israël gehandhaafd’) nog steeds heilshistorisch prioriteit heeft onder de volken. Dat was, zeg ik Van Genderen na, in de tijd dat het Nieuwe Testament geschreven werd zo. Vandaar dat Paulus als heidenapostel altijd eerst naar de joden ging. Maar daarmee wijst hij ons in 2024 geen principiële volgorde meer aan. Want, zegt Van Genderen zeer terecht, ‘de onbetwistbare werkelijkheid, dat zij die in Christus geloven, het volk van God zijn en in de voorrechten delen die de God van het verbond aan zijn volk belooft, [en] kan men dat deel van Israël dat op een joods-orthodoxe of op een andere wijze aan Christus voorbijgaat, niet het volk van God noemen.’

Wij zitten nu al eeuwenlang in de derde cirkel (die van ‘tot aan de einden der aarde’). Dat we daarbij Jeruzalem + Judea (de eerste cirkel: het Joodse volk als onze oudste broer) en Samaria (de tweede cirkel: onze moslim-neven en -nichten) niet moeten vergeten, is voor mij evident. Maar als iemand hart voor al die Joden die hun Messias nog steeds niet erkennen, is dat nu, 2000 jaar later, alleen nog maar gebaseerd op persoonlijk hartzeer, net zoals bij Paulus toen. Een ander heeft hart voor China, een derde voor Oostenrijk, een vierde voor vluchtelingen en asielzoekers, een vijfde voor drugsverslaafden en prostituees en een zesde voor moslims die Jezus nog steeds te laag inschalen als één van de profeten onder Mohammed. Geen volk of bevolkingsgroep heeft meer een streepje voor. Heel de wereld moet het goede nieuws van Jezus Christus horen. En de Geest van Pinksteren maakt van elke christen een getuige op de plek waar Jezus je roept.

GODS BLIJVENDE TROUW AAN ISRAËL VOLGENS ROMEINEN 11 : 25 – 26

Hieronder volgt een artikel van de oudtestamenticus dr. Henk de Jong (1932-2023), predikant van de GKV Gees, GKV, later NGK Wageningen, NGK Amsterdam-Centrum en NGK Zeist). Het werd in 2009 in de reader van prof. dr. Jochem Douma en ds. Adrian Verbree opgenomen als voorbereiding op de thema-avond over Israel als onderdeel van de cursus ‘Gaan in het spoor van de Bijbel’.

Hier volgt de uitleg van dr. Henk de Jong:

1. Dat de verharding voor slechts een deel over Israël gekomen is, is tot aan het einde van de tijd een blijvende zaak. Er was in Paulus’ dagen al een rest, ‘een overblijfsel naar de verkiezing der genade’, maar dat was voor de tegenwoordige tijd (11 : 5). Hoe zou dat verder gaan? Was niet te verwachten dat bij de overgang van het heil van Israël naar de volken die Joodse rest langzaam zou weg sterven? Nee, zegt nu het aan Paulus geopenbaarde geheimenis, die rest is blijvend. Steeds zal er een contingent christenen zijn van Joodsen bloede. Eerder in het hoofdstuk was al gezegd dat dit mogelijk was (vs. 23), dan dat dit waarschijnlijk was (vs. 24). Maar er moest een aparte openbaring van een geheimenis aan te pas komen om duidelijk te maken dat het werkelijk zo zou gaan. Mogelijkheid – waarschijnlijkheid – werkelijkheid: een zeer bijzondere genade van God voor het volk dat volhardend nee zei tegen de Verlosser.

2. Het binnengaan van de volheid der heidenen is vanaf Pinksteren een wereldbreed en geschiedenislang gebeuren. Jezus zegt: ‘En dit evangelie van het koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken en dan zal het einde gekomen zijn’ (Matt. 24 : 14). Er is dus geen tijd meer tussen het binnengaan van de volken en het einde, geen periode waarin alsdan geheel Israël nog behouden zou kunnen worden, geen nog nieuwer testament. De bedoeling van de tekst Romeinen 11 : 25 is niet dat er een caesuur in de tijd valt aan te wijzen van eerst dat binnengaan van de volken en vervolgens de beëindiging van de verharding en de bekering van Israël. Ook uit het feit dat eiselthij een aoristus is volgt niet dat er in de geschiedenis een punt aan te wijzen is waarop we het een in het ander zien overgaan. De NBV suggereert dat met de vertaling: ‘Slechts een deel van Israël werd onbuigzaam, en dat alleen tot het moment dat alle heidenen zijn toegetreden’. Beter is de St. Vertaling: ‘De verharding is voor een deel over Israël gekomen totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn’. Het gaat hier over een inclusief ‘totdat’. Je kunt de constructie vergelijken met Ex. 33 : 22: ‘Ik zal je met mijn hand bedekken totdat Ik voorbijgegaan zal zijn’, of Matt. 26 : 36 : ‘…blijf hier zitten totdat Ik heengegaan zijnde aldaar aangebeden zal hebben’ (in beide gevallen worden aoristi gebruikt). Ik omschrijf: ‘Ik zal je met mijn hand bedekken voor zolang als Ik voorbij ga’ en ‘…blijf hier zitten terwijl Ik ondertussen daar ga aanbidden’.  En zo ook: ‘Verharding is voor een deel over Israël gekomen voor heel de tijd dat de volheid der heidenen binnengaat’. In deze zinnen valt het einde van de hoofdzin in tijd samen met het einde van de bijzin. Het gaat om twee gelijktijdigheden. En aangezien wat in de bijzin staat (het binnengaan van de volheid der heidenen) de hele geschiedenis na Pinksteren in beslag neemt, zal ook de gedeeltelijke verharding van Israël de gehele tijd door tot aan de jongste dag duren.

3. En daarom is de vertaling van het kai houtoos als ‘en dan’ onmogelijk. Niet dat dit houtoos deze betekenis nooit kan hebben. Maar er is hier geen plaats voor een ‘en dan’. Vandaar hier de meest voor de hand liggende vertaling: ‘en alzo’. Dit ‘en alzo’ slaat hier terug op wat zoëven gezegd was over het samengaan, de hele geschiedenis door, van Joden en heidenen, van de rest van Israël en de geroepenen uit de volken, in de ene kerk van Jezus Christus. Een aardig gebruik van dit ‘en zo’ vind je op het einde van het schipbreuk-verhaal in Handelingen 27: ‘…en zo geschiedde het dat allen behouden aan land kwamen’. En zo – dat wil zeggen: deels zwemmend deels drijvend op wrakhout. Op gelijke wijze in onze tekst: En zo – dat wil zeggen: in de samengesteldheid van enerzijds de joden die hun verharding opgeven en anderzijds de heidenen die het koninkrijk binnengaan zal geheel Israël behouden worden. Dit is ook de reden dat ik voor geheel Israël een geestelijke in plaats van een letterlijke betekenis overweeg; de letterlijke betekenis is hier on-zinnig. [Voor de geestelijke betekenis van ‘geheel Israël’ zie bijvoorbeeld Jesaja 45 : 20 – 25: de ontkomenen uit Israël + alle einden der aarde = het gehele nakroost van Israël.]

4. Ik kan me voorstellen dat wie het kai houtoos met ‘en dan’ vertaalt de kern van het geheimenis gelegen ziet in de woorden: ‘…en dan zal geheel Israël behouden worden’. Dat is dan immers een synthetisch oordeel dat iets nieuws (en wat voor nieuws!) aan het voorgaande toevoegt. Vertalen we evenwel met ‘en zo’ dan hebben we hier te doen met een analytisch oordeel dat een gevolgtrekking maakt uit het eerder gezegde en daaraan eigenlijk weinig toevoegt. Ik meen daarom dat de hoofdzaak van het geheimenis niet in vers 26 maar in vers 25 staat (al maak ik vs 26 er niet los van). En dat het samengestelde profetencitaat uit Jesaja 59 dan ook met name op die hoofdzaak van het geheimenis betrekking heeft: ‘De Verlosser zal uit Sion komen en de goddeloosheden van Jakob afwentelen. En dit is van mijn kant het verbond voor hen wanneer Ik hun zonden wegneem’. Deze tekst heeft het dan over Gods blijvende trouw aan zijn oude volk, zijn oude liefde. Die trouw bestaat hierin dat de grootste weldaad van het verbond (de vergeving der zonden) naar het Joodse volk blijft uitgaan. En omdat hier aan het eeuwige verbond herinnerd wordt geldt dit voor de duur van heel de geschiedenis.

5. Dat het inderdaad om een blijvend naast elkaar van Joden en niet-Joden gaat blijkt ook nog uit de passage van Romeinen 11 : 30 – 32. Eerst gaat het daarin over een na-elkaar van voorop de Joden en daarna de heidenen, en vervolgens wordt dan die volgorde niet omgekeerd: eerst de heidenen en daarna (nog eens) de Joden, maar verrassenderwijs komt na dat na-elkaar nu een naast-elkaar. Als volgt: ‘Want evenals gij eertijds aan God ongehoorzaam waart, maar nu ontferming hebt gevonden door hun ongehoorzaamheid, zo zijn ook deze (de Joden) nu ongehoorzaam geworden, opdat door de u betoonde ontferming ook zij thans ontferming zouden vinden. Want God heeft hen allebei onder de ongehoorzaamheid besloten om zich over hen allebei te ontfermen’. Cruciaal is in vs. 31 het woordje thans. Het is handschriftelijk omstreden en in de NBV ontbreekt het, maar het heeft toch een sterk tekstkritisch getuigenis. Eerst een na-elkaar en dan een naast-elkaar, eigenlijk net zoals in de kunstspreuk van Paulus: ‘Eerst de Jood en ook de Griek’ (Rom. 1 : 16 en 2 : 8 en 9). Niet ‘eerst en dan’, ook niet ‘niet alleen…maar ook’, maar ‘eerst en ook’ – eerst voorrang en vervolgens gelijktijdigheid. Heel apart!

6. Wat het begrip geheimenis betreft, in Efeziërs 3 heeft Paulus het ook over een geheimenis, namelijk ‘dat de heidenen door het evangelie medeërfgenamen, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus zijn’ (Ef. 3 : 6). Het geheimenis waarover Paulus het hier in Romeinen 11 : 25 heeft zou daar de keerzijde van kunnen zijn. Aldus: volgens Efeze: de heidenen ingelijfd in Israël en volgens Romeinen: Israël opgenomen in de blijvende aandacht van God. Het wondere en bijzondere van Gods blijvende genade voor Israël mag ons daarbij niet ontgaan. Want wat had de Heiland gezegd?  Dat het Koninkrijk van God van de Joden weggenomen zou worden en dat het zou gegeven worden aan een volk dat de vruchten daarvan zou opbrengen (Matt. 21 : 43). En had Paulus zelf zich ook niet uitermate scherp over het Joodse volk uitgelaten? De Joden, zegt hij, ‘die zelfs de Here Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd hebben, die Gode niet behagen en tegen alle mensen ingaan, daar zij ons verhinderen tot de heidenen te spreken tot hun behoud, waardoor zij te allen tijde de maat hunner zonden vol maken. De toorn is over hen gekomen tot het einde’ (1 Tess. 2 : 15 en 16). Ik bedoel te zeggen dat het niet vanzelfsprekend is dat Gods genadevolle aandacht geschiedenis-lang en wereld-wijd naar hen blijft uitgaan. Dat mag best een geheimenis heten. Aan onszelf denkend en aan Paulus’ waarschuwing ‘wees niet hooggevoelende maar vrees’, horen wij het bevend aan…

7. Hoewel het op grond van de onder het vorige punt aangehaalde teksten (Matt. 21 : 43 en 1 Tess. 2 : 15 en 16) voor de hand zou liggen om van een vervangingstheologie te spreken, laat Romeinen 11 zien dat dit toch onjuist gedacht en gesproken is. Het ligt genuanceerder. Het staat vast dat het volk van Israël niet langer het centrum uitmaakt van Gods kerk. Door zijn verhard ongeloof heeft het die plaats verloren. Christus staat nu in het centrum. Maar daarmee is over het Joodse volk toch niet alles gezegd. Het woord ‘vervanging’ zou dat ten onrechte suggereren en is daarom beter te vermijden. ‘Accentverlegging’ is beter. ‘God zal zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig zijn verbond (met Israël) gedenken’, en: ‘De genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk’ (Rom. 11 : 29). En dat komt hierin tot uitdrukking dat de hele geschiedenis door er Joden zullen zijn die de weg naar Jezus Christus zullen vinden. Dat is wat hier van Godswege gegarandeerd wordt. Om recht te doen aan zowel 1 Tessalonicenzen 2 : 16 als aan Romeinen 11 : 25 zou het profetische gebed van Habakuk dienst kunnen doen: ‘Gedenk in de toorn aan ontfermen’. De toorn over het Joodse volk is een realiteit, maar daardoorheen loopt de draad van de goddelijke ontferming. Ziedaar ‘Gods trouw aan Israël, nooit gekrenkt’. 8. Af en toe probeer ik wat ons in een Schriftgedeelte als Romeinen 9 – 11 beschreven staat te veralgemeniseren, in die zin dat ik er een model uit aflees dat zich van tijd tot tijd de hele geschiedenis door in het ene volk van God realiseert. Wissels, accentverleggingen – hoe moet ik het noemen. Reeds in het Oude Testament kom je het tegen dat Efraïm, de leidende stam tot aan het einde van de tijd van de rechters, door zijn hoogmoed uit het centrum van het godsvolk verdwijnt en dat die plaats wordt ingenomen door Juda (Psalm 78 : 65 – 72) . Later, in de nieuwtestamentische tijd, zie je hetzelfde gebeuren tussen het volk Israël en de volken: Israël verdwijnt uit het centrum en het accent komt te liggen op de volken (Matt. 21 : 43). En in onze dagen maken wij het mee dat Europa op fanatieke wijze ontchristelijkt en dat de kerk Afrikaans, Aziatisch en Zuid-Amerikaans wordt. Dat zijn gevoelige verspringingen. Maar steeds zijn die overgangen niet totaal, telkens is er van het oude een rest die in het nieuwe wordt opgenomen, precies als wat Paulus opmerkt over wat in zijn dagen tussen de Joodse gemeente en die uit de heidenen plaats vindt. Sje’aar jasjoev, lees je bij Jesaja, ‘rest keert om’ (Jes. 7 : 3; 10 : 21) – het is een doorgaand gebeuren. Dat geeft aan Romeinen 9 – 11 een reële actualiteit. Laat ik zeggen dat ook ik net als Paulus mijn verwanten naar het vlees heb over wie ik een gedurige smart voel: al die gedoopte Europeanen die behoren tot de kring van het verbond maar die het bloed van dat verbond waardoor zij geheiligd waren onheilig achten en zelfs vertrappen (Hebr. 10 : 29). Het verdriet daarover staat mij nader dan dat over het ongeloof van de Joden uit Paulus’ dagen.

Foto: https://onderwegnaar1kerk.nl

Douma over Openbaring 20, Romeinen 11, het Oude Testament en Israel nu

In 2009 gaven de Kamper hoogleraar ethiek Jochem Douma (1933-2020) en de bijbelleraar en columnist Adrian Verbree, nu predikant van NGK-0523, een aantal lezingen over Bijbelse onderwerpen. Eén avond ging over het onderwerp ‘Hoe staan wij als christenen tegenover Israël?’ Prof. Douma hield twee referaten, over ‘Israel en het duizendjarig rijk’ en over ‘Israel en onze toekomst’. N.a.v. hiervan kwamen er veel vragen binnen die allemaal beantwoord zijn en met de tekst van de lezingen naderhand aan de bezoekers zijn toegestuurd. Hier volgen deze vragen en antwoorden, met medeweten en instemming van ds. Verbree. In de beantwoording verwijst Douma regelmatig naar zijn toen net verschenen boek, waarvan hij zelf een samenvatting geeft: ‘Christenen voor Israël?’.

Vragen i.v.m. Openbaring 20

Men heeft mij gevraagd, zowel tijdens de discussie op de avonden alsook daarna, wat ik nu zelf van Openb. 20 vind. Laat ik beginnen met de opmerking dat ik met alle drie opvattingen over Openb. 20 moeite heb. Niemand kan ons dwingen perse één ervan de kiezen.

Wanneer het amillennialisme (Augustinus e.a.) de duizend jaar opvat als de periode in de kerkgeschiedenis tussen de hemelvaart en Christus’ wederkomst, vraag ik mij af of men dan de totale binding van de satan (Openb. 20,1-3) serieus neemt. Satan wordt in de diepte gegooid en de put boven hem wordt gesloten en verzegeld, opdat de volken niet meer door hem misleid zouden worden. Maar hoe kan de zó weggeborgen satan dan tijdens de kerkgeschiedenis nog als een brullende leeuw (1 Petr. 5,8) rondgaan?!

Het postmillennialisme gelooft in een ‘gouden eeuw’ aan het einde van onze geschiedenis en het kan lijken dat het postmillennialisme die eeuw laat samenvallen met het duizendjarig rijk. Maar dat is vaak onduidelijk bij verdedigers van dit standpunt. Waar vinden we echter in het Nieuwe Testament de aankondiging van een geweldige bekering van heidenen en Joden, die de aarde vol zal maken van de grootheid van de Heer? Waar krijgen we de indruk dat Jezus bij zijn terugkomst ontvangen wordt door een wereld die Hem alle hulde komt brengen, omdat men zich tot Hem bekeerd heeft? Ik krijg uit allerlei teksten juist de indruk dat Jezus juist weinig geloof op aarde zal vinden, dat er veel afval van het geloof zal zijn en dat Hij juist komt om zijn vijanden uit te schakelen (o.a. Luc. 18,8; 1 Tim. 5,3vv; 2 Tess. 2,8vv; 1 Tim.4,1vv). Nergens lees ik dat het met de verkondiging crescendo gaat aan het einde van de tijden.

Het premillennialisme neemt de duizend jaar in Openb. 20 letterlijk en ziet er het vrederijk in zoals het Oude Testament daarover heeft gesproken. Maar ik herhaal wat ik al gezegd en geschreven heb:

a) Het gaat in Openb. 20 over de zielen van hen die gedood zijn en met Christus regeren. We hebben niet te maken met mensen die nog op aarde leven, maar die reeds gestorven waren. Het zijn martelaren van de kerk, over wie reeds eerder in Openb. 2,11; 3,11.21; 6,9 gesproken is.

b) Hier bevinden we ons in de hemel waar de troon van Christus is en waar zij die vanwege hun geloof zijn omgebracht met Christus regeren (vgl. Openb. 20,4v met 3,21). Ik vermeld opnieuw de teksten die duidelijk maken dat tronen in het boek Openbaring in de hemel staan (1,4; 3,21; 4,2vv 5,1vv; 6,16, etc.). De regerende martelaren zijn tegelijk priesters in de tempel, die we in de hemel aantreffen (Openb. 7,15; 11,19; 14,15.17; 15,5vv; 16,17).

c) Het belangrijkste argument dat ik tegen de premillennialistische opvatting heb, is hun tekening van het duizendjarig rijk als een specifiek Joodse aangelegenheid, waarbij Christus als Messias in en vanuit Jeruzalem over de aarde regeert. Deze opvatting waarin Israël en de kerk tot twee aparte grootheden en twee aparte volken worden, verwerp ik met overtuiging. Ik heb er geen moeite mee wanneer men in Openb. 7,4vv de 144.000 uit de stammen van Israël als Joden wil onderscheiden van de onafzienbare menigte uit alle landen en volken etc. Maar nergens blijkt uit het boek Openbaring dat aan het volk van de Joden nog een eigen stuk geschiedenis ten deel zal vallen nadat (volgens het premillennialisme) de kerk uit de wereld is weggenomen. Ik verwijs naar mijn CvI, pag. 108vv.

Nadat ik dit allemaal heb gezegd, komt de andere vraag aan de orde hoe ik dan zelf de passage Openb. 20:1-6 plaats in het geheel van het boek Openbaring. Ik kan hier alleen maar aarzelend spreken. Wat ik weet, durf ik te zeggen; voor wat ik niet (precies) weet, kom ik graag openlijk uit. Dat doet echter niets af aan mijn overtuiging dat van een duizendjarig Joods rijk, met hun Messias als vorst in Jeruzalem, nergens met één woord sprake is. Ook niet in Openb. 20, 9 als daar sprake is van het ‘kamp van de heiligen en van de geliefde stad’. Want dan gaat het  niet meer over het duizendjarig rijk dat immers al voorbij is (Openb. 20,7). De ‘geliefde stad’ is geen zetel van Christus’ heerschappij, maar een beeld van de gemeente van Christus en de heiligen, gesymboliseerd als Jeruzalem, dat te lijden heeft onder de laatste satanische aanval van de volken tegen de gemeente van Christus.

Het feit echter dat de ‘zielen’ in Openb. 20,4 tot leven zijn gekomen, zonder dat de andere doden tot leven kwamen, en ook de opmerking dat dit een ‘eerste opstanding’ wordt genoemd, lijken mij erop te wijzen dat we aan een lichamelijke opstanding moeten denken. Het gaat maar niet zonder meer om martelaren in de hemel als ‘zielen’ (onder het altaar bv.), maar om opgestane ‘zielen’ die met Christus op tronen zitten. Over de algemene opstanding gaat het pas in Openb. 20,11vv.

Iemand is nog geen premillennialist als hij over een duizendjarig rijk spreekt waarin lichamelijk opgestane martelaren het voorrecht hebben met Christus te regeren. Het gaat niet over een apart aards rijk voor de Joden, maar om een hemels rijk waarin Christus met de martelaren van het laatste uur regeert. Ik zeg in CvI (pag. 120) dat martelaren kunnen worden opgewekt en ten hemel varen, zoals Openb. 11, 11v laat zien.

Daarmee staan nog niet alle gelovigen op. Dat komt pas in Openb. 20,7vv. Van de martelaren die opstaan wordt gezegd, dat zij het beest en zijn beeld niet hebben aanbeden (Openb. 20,4). Het is daarom een bepaalde categorie van martelaren uit de allerlaatste fase van de geschiedenis, ook al zouden we er de vertegenwoordigers van de hele kerk in kunnen zien. Ik veronderstel dat de ‘duizend jaren’ een periode zijn die we op de grens van de geschiedenis moeten plaatsen. Zij omvat niet op augustiniaanse wijze de hele kerkgeschiedenis.

N.B. Als ik in CvI, pag. 130 schrijf dat de duizend jaren op de grens van de geschiedenis kunnen vallen ‘en daarom eigenlijk niet meer te plaatsen zijn in de geschiedenis’, bedoel ik niet meer te zeggen dan dat ik het duizendjarig rijk niet à la Augustinus ergens terugvindt in onze kerkgeschiedenis. We zijn aan het einde van die geschiedenis gekomen, waarin de afrekening plaatsvindt (Openb. 19,11vv; 20v7vv) en de martelaren van het laatste uur hun recht (vs. 4) in ontvangst nemen om met Christus in de hemel ‘duizend jaar’ te regeren.

Ik besef dat het moeilijk is van de ‘duizend jaren’ een overtuigende uitleg te geven. Andere uitleggingen zijn mij sympathiek zonder mij te overtuigen Zo vraagt iemand mij:

Vraag: “Kunnen we de 1000 jaar niet opvatten als een samenvattende benaming van alle stukjes rust voor de kerk om haar werk te doen, de windstiltes. De windstoten, de stukjes kerkvervolging kunnen dan de samenvattende naam ‘de grote verdrukking’ krijgen.” De vraagsteller verwijst naar de uitleg van prof. De Vuyst.

Mijn antwoord: Het zou mooi zijn als het zo was. Maar waarom wordt er dan een volgorde in Openb. 19 en 20 aangegeven: eerst uitschakeling van het beest en de valse profeet – daarna binding van de satan – dan een periode van rust (geen verleiding door satan) – daarna weer loslating van de satan die opnieuw de volken probeert te misleiden, uitlopend op zijn definitieve uitschakeling? Zijn de duizend jaren toch niet een afsluiting in plaats van een samenvatting van alle stukjes rust voor de kerk?!

Een soortgelijk antwoord geef ik op een andere vraag: “Wat betekent het feit dat voor God duizend jaren één dag zijn voor de in Openbaring 20 genoemde duizend jaren?”

Ik geloof dat het getal van ‘duizend jaar’ best symbolisch mag worden opgevat als een ‘volmaakte’ afronding van 10x10x10, en daarom niet precies duizend jaren hoeft te duren. Maar wat ik op de vorige vraag geantwoord heb, geldt ook hier. De duizend jaren staan in een contekst van eerst dit, toen dat en daarna weer wat anders. Daarom zullen we toch wel aan een periode en niet aan een flits van één dag moeten denken, hoe waar het ook is dat bij God duizend jaren als een dag zijn.

Vragen i.v.m. Romeinen 11

Vraag: “Is het juist, zo wordt gevraagd om in de edele olijfboom (vs. 17vv) een beeld van Israël te zien? Kunnen we bij de boom ook niet aan Christus denken?”

Mijn antwoord: Ik zou niet weten waarom men tegen de identificatie met ‘Israël’ bezwaar kan hebben. Het gaat toch over de boom waarin Joden thuishoren en heidenen een plaats mogen ontvangen, mits ze goed beseffen dat ze er ‘van nature’ (11,24) niet in thuis horen? Heidenen komen nl. van wilde olijfbomen! Het is erg geforceerd om bij de boom aan Christus te denken. Dan valt moeilijk uit te leggen waarom de Joden daaraan van nature deel hadden en zullen hebben. Deel aan Christus hebben Jood en heiden alleen door in Hem te geloven. Deel uitmaken van een volk dat grote voorrechten ontvangen heeft en dat ‘geliefd’ is omdat God de aartsvaders had uitgekozen (11,28), slaat alleen op de Joden.

Vraag: “Moeten we uit het ‘geheim’ van 11,25 vv concluderen tot een nog te verwachten grote bekering onder de Joden?”

Mijn antwoord: Ik verwijs naar mijn uiteenzetting in CvI (pag. 127-130). Mijn conclusie is dat het aannemen van een grote bekering heel aantrekkelijk is, maar niet waterdicht is. Ik zelf voel me niet overtuigd door de argumenten voor zo’n massale bekering. Tegelijk hoeven de wegen van christenen hier niet uiteen te gaan. Een bekering op grond van Rom. 11 is ook nog wat anders dan uitgaan van de vorming van de staat Israël als een bewijs voor de bewering dat God vanaf 1948 onderweg is naar een grote bekering van zijn volk. In al die discussies is verschil van mening mogelijk. Maar zodra men de bekering van het huidige Israël zo belangrijk niet vindt en er eigenlijk twee heilswegen zijn – een voor ons en een voor Israël – staat het sein voor mij heel duidelijk op rood.

Vraag: Iemand vraagt mij of ik alleen al de verwijzing naar Rom. 9-11 duidelijk vind voor het constateren dat Israël een bijzondere positie inneemt.

Antwoord: ja, als maar bedacht wordt dat deze bijzondere positie nooit een aparte positie is los van de geschiedenis van de kerk. Het heil is verbreed tot allen die Jezus Christus als Heer belijden. Profetieën uit het Oude Testament zijn of worden vervuld binnen de verbrede bedding van het nieuwe verbond.

Vragen i.v.m. oudtestamentische profetieën

Een hele serie vragen zijn mij gesteld naar aanleiding van oudtestamentische profetieën, die niet zouden zijn vervuld en daarom nog op vervulling wachten. De manier waarop de vragenstellers redeneren, is eigenlijk heel eenvoudig. Ik kan dat toelichten aan de hand van één voorbeeld.

Vraag: “Komt er geen vrederijk op aarde?” Het antwoord dat men geeft, lijkt zo klaar als een klontje. Lezen we niet (Jes. 65,10) dat de mensen minstens honderd jaar oud zullen worden; dat er sprake is van vrede tussen mensen en dieren (Jes. 11,6v; 65,25); dat er een nieuwe tempel komt waar nog offers worden gebracht; dat er nog zonde is en God nog in een tempel woont (Zach. 14,17; 6,12vv; 40vv)? Enzovoorts. Dit gaat duidelijk niet over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarin immers de mensen ouder dan honderd jaar worden (eeuwig leven), waar geen zonde en geen tempel meer is, etc. Conclusie: wat in Jesaja en Zacharia staat moet nog vervuld worden!

Mijn antwoord:

a) Op deze manier kan ook ik tientallen bladzijden vullen met teksten die nog niet vervuld zijn. Dat kost niet de minste moeite.

b) Gaan we zo te werk, dan botsen bedrijvers van dit soort Bijbeluitleg herhaalde malen op onoverkomelijke moeiten. Ik geef twee voorbeelden uit Ez. 40vv. Daar wordt over een nieuwe tempel gesproken die volgens de vraagstellers nog steeds gebouwd moet worden. God zal in die tempel, zo lees ik bij hen, langdurig, d.w.z. duizend jaar wonen. Zij menen dus dat het de tempel in het duizendjarig rijk zal zijn. Maar over duizend jaar spreekt de profeet Ezechiël nergens! Wat nog belangrijker is, Ezechiël spreekt ook niet over ‘langdurig’, maar over ‘eeuwig’! De vraagstellers kapittelen mij dat ik aan het woord ‘eeuwig’ vaak te kort doe.  ‘Eeuwig’ is ‘eeuwig’ zeggen zij. Maar als zij dat menen, moeten ze in Ez. 43,7 niet vertalen met ‘langdurig’ (1000 jaar), maar met ‘eeuwig’, omdat er ‘eeuwig’ in die tekst staat. Uiteraard kunnen ze dat niet aanvaarden, want ‘eeuwig’ is alleen immers de nieuwe hemel en de nieuwe aarde en niet het wonen van God in de (volgens hen) nog te bouwen tempel! Zij beweren immers dat het vrederijk vóór het aanbreken van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde moet vallen. Welnu, dan moeten die profetieën eerst nog vervuld worden.

Hoe moeilijk men het zich maakt, merk je ook uit een tweede voorbeeld. Dan gaat het over de vorst in Ez. 45, die offert in de tempel. Die vorst is volgens hen de Messias. Dat ligt in hun redenering voor de hand, want het gaat over het vrederijk (duizendjarig rijk) waarin de Messias vorst is. Maar… van die vorst wordt in Ezechiël gezegd dat hij zondoffers brengt voor zichzelf en voor het volk (Ez. 45,22). Dat kan toch niet van de Messias gezegd worden. En dus maken de vraagstellers ervan, dat de vorst namens zichzelf en namens het volk zorgt voor een stier als zondoffer. Hij stelt alleen maar offergaven beschikbaar en offert niet voor zichzelf! Voor zo’n exegese die met het Hebreeuws niets te maken heeft, zal geen serieuze exegeet zijn hand in het vuur steken. We lezen verder over zoons van deze vorst (Ez. 46,16.18). Maar de Messias heeft geen zoons en daarom moeten we volgens de vraagstellers geloven dat het woord ‘zoons’ hier niet letterlijk te nemen is, maar op mensen wijst met wie de vorst nauw verbonden is. Het zal volgens hen wel op de priesters wijzen. Ik zou mijn vraagstellers willen aanraden toch niet achter dergelijke onzin aan te gaan die ze ergens gelezen moeten hebben. Zij dringen erbij ons op aan alles toch vooral letterlijk te nemen. En intussen is het met de handen te tasten dat ze dit zelf niet doen als hun ideeën over het duizendjarig rijk en over de Messias dat niet toelaten!

c) Wie zo het Oude Testament leest als deze vraagstellers het doen, gaat aan een grondregel voor de goede uitleg van het Oude Testament voorbij. Het Oude Testament moeten we lezen in het licht van het Nieuwe. We kunnen niet doen alsof Christus nog niet gekomen is en alsof wij over allerlei oudtestamentische beloften zonder het door Jezus Christus verrichte werk kunnen nadenken. Dat gebeurt wel in het schema van het premillennialisme. Immers de kerk is daar een intermezzo en na het intermezzo van de kerk rijdt de trein als Joodse trein gewoon verder. En dan krijgen we dus weer te maken met het land Israël, met het aardse Jeruzalem en met een heuse tempel van steen, Het Nieuwe Testament maakt ons echter duidelijk dat, als we Golgota achter ons hebben, er geen te bouwen tempel meer voor ons is. Dat laat de Brief aan de Hebreeën goed zien. De Bijbel lezen en de Messias verwachten zoals de rabbijnen dat doen, is een streep halen door wat Paulus over de Joodse lezing van het Oude Testament in 2 Cor. 3,15: ‘Tot op de dag van vandaag ligt er een sluier over hun hart telkens als de wet van Mozes wordt voorgelezen. Maar telkens als iemand zich tot de Heer (Jezus) wendt, wordt de sluier weggenomen’.

Daarom vind ik het ook misplaatst wanneer vraagstellers opmerken:

Vraag: “Als God moeite doet om Ezechiël acht (!) hoofdstukken te laten schrijven over een tempel en de verdeling van het land, dan kunnen we daar helemaal NIETS mee, als we dat proberen te vergeestelijken, symbolisch uit te leggen of van toepassing proberen te verklaren op de kerk.”

Mijn antwoord: Op die manier kan ik als christen ook niets met alle offerbepalingen uit de Mozaïsche wetten, als ik daarin niet op Christus let en het mij niet lukt door het oudtestamentisch gewaad heen te kijken naar wat Hij tot verzoening van onze zonden heeft gedaan. Ik moet te werk gaan zoals ook de Brief aan de Hebreeën dat over de oudtestamentische eredienst heeft gedaan. De tempel van Ezechiël is voor ons een lesbrief en geen schets om alsnog in Jeruzalem zo’n tempel te bouwen.

Het valt mij trouwens op dat de vraagstellers zich wel erg druk maken over de nieuwe tempel, maar niet over de verdeling van het land Israël, dat volgens de tekening van Ezechiël in repen (van west naar oost) verdeeld moet worden over de twaalf stammen: 7 stammen ten noorden en 5 stammen ten zuiden van het centrale heilige gedeelte voor de stam van Levi, die rond het heiligdom woont. Menen zij nu werkelijk dat het hier over het duizendjarig rijk gaat, onder leiding van de Messias die als ‘koning’ in het boek Ezechiël niet eens in Jeruzalem blijkt te wonen? Ik heb met vreugde over dit Bijbelgedeelte gepreekt, maar zou de preekstoel niet op durven als men mij gebood de dingen hier ‘letterlijk’ te nemen. De les die desondanks én voor het oude Israël én voor het nieuwe Israël uit dit Bijbelgedeelte gepuurd kon (kan) worden is vertroostend en waarschuwend genoeg. Wie wil weten wat ik erover gezegd heb, verwijs ik naar mijn boekje Ezechiël en Daniël (2006).

d) In het verlengde hiervan merk ik het volgende op: Lezen we het Oude Testament alsof de onvervulde beloften zo zullen worden vervuld als daar beschreven staat, dan vergeten we dat we ons blindstaren op een oudtestamentische wereld en op oudtestamentische beelden. We lezen van ballingen die zullen worden teruggebracht uit Assyrië en Egypte, uit Patros, Nubië en Elam, uit Sinear en Hamat (Jes. 11). Volken worden genoemd die er niet meer zijn, of in andere volken zijn opgegaan. De oudtestamentische wereld van de Filistijnen tot de Babyloniërs toe, is verdwenen en zal ook niet terugkeren. Oudtestamentisch wordt uitgebeeld hoe men pas als honderdjarige sterft, nieuwtestamentisch zeggen we vandaag dat in het vrederijk (nieuwe hemel en nieuwe aarde) de dood volledig vernietigd is. In Christus keren alle oudtestamentische beloften rijker terug. Het gaat niet meer over Israël, maar over de wereld. De blik is niet op een aards koninkrijk, maar op het rijk van Jezus Christus in de hemel gericht. Zoek de dingen die boven zijn, zoals de aartsvaders al naar een beter, dat is het hemels, vaderland uitkeken (Hebr. 11,15). De beloften vanaf Abraham zijn gebleven, maar hun vervulling ontvangt in en door Christus een rijker perspectief dan het Oude Testament ons kon laten zien.

e) Met vrijmoedigheid wijs ik opnieuw naar CvI, en nu naar heel hoofdstuk 5, waarin ik over (de vervulling van) oudtestamentische profetieën geschreven heb. Ik dring erop aan de hele Bijbel christelijk te lezen en niet in gezichtsvernauwing te vervallen door te doen alsof we de oudtestamentische profetieën kunnen lezen zonder erop te letten hoe zij in Christus vervuld zijn of nog vervuld zullen worden.

Vragen i.v.m. de politieke consequenties

Hoezeer de politieke visie samenhangt met onze godsdienstige visie, blijkt ook uit  opmerkingen die sommige vraagstellers mij deden toekomen.

Vraag: Ik las bv.: “Is er ook maar één tekst in de Bijbel te vinden die duidelijk maakt, dat Joden en Palestijnen zich dienen te verzoenen? Nee, de Bijbel leert juist het tegendeel!” Voor het bewijs van deze bewering lees ik dan: “De Palestijnen maken duidelijk, dat de strijd tegen Israël een godsdienststrijd is die nooit in een verzoening en vrede met Israël kan uitlopen. Elk bestand is slechts een tijdelijk bestand waarin de Palestijnen zich willen hergroeperen om daarna opnieuw aan te vallen. Dat is in hun godsdienst zo geregeld. Mogen de Joden dan ook volgens hun heilig boek leven? Welk voorbeeld geeft het heilig boek van de Joden? Leert de Bijbel dat de Joden en de Palestijnen in vrede met elkaar moeten leven? Beslist niet. De Bijbel leert, dat God in de eindtijd Filistijnen hard zal treffen – God Zelf zal dit doen door middel van het Joodse volk.”

Mijn antwoord: Ik ben eerlijk gezegd diep verbaasd over het oordeel dat christenen hier durven vellen. Allereerst is het erg goedkoop zomaar een gelijkteken te zetten tussen Filistijnen en Palestijnen. God zal in de eindtijd de goddelozen treffen, maar die vindt men onder alle volken, inclusief in Nederland. Verder is het uit de Bijbel duidelijk dat wij onze naasten – ook onze vijanden – zullen liefhebben als onszelf. Daarom kunnen er volgens Ps. 87 ook Filistijnen, Tyriërs en Moren binnen Jeruzalem worden geboren. Dit betekent o.m. dat wij ook aan Palestijnen het evangelie van Jezus Christus mogen en moeten voorhouden. Het zal ieder die mij beluisterd heeft op de cursusavond wel duidelijk zijn dat niet alleen Palestijnen, maar ook Joden dit evangelie nodig hebben.  De onverzoenlijkheid die ik bij Islamieten merk tegenover het christelijk geloof, merk ik idem dito bij de Joden. Christenen die zich zo inspannen om geld in te zamelen waarmee Joden vanuit de hele wereld naar het land Israël kunnen terugkeren, moeten bedenken dat Messiasbelijdende christenen op grond van de Joodse wet niet welkom zijn. Wie christen is, hoort dus eigenlijk in Israël niet thuis. Dit apartheidsbeleid steun ik niet, omdat ik mijn Heiland niet wil beledigen.

Het is op de cursusavond wel uitgekomen dat ik geen protest laat horen tegen Israël dat zich tegen Hamas-raketten verdedigt. Maar ik protesteer wel als een christelijke partij zich zou laten leiden door wat ik hierboven lees over het afrekenen met de Palestijnen als Filistijnen. En daarom ben ik op mijn hoede als ik in het partijprogram van de ChristenUnie lees dat Jeruzalem de ondeelbare hoofdstad van de staat Israel behoort te zijn. Mijn verbondenheid aan het evangelie belet mij eenvoudig mij aan apartheidsdenken over te geven. 

Vragen speciaal gericht op uitspraken in mijn boek ‘Christenen voor Israël?’

Vraag: Op een mij toegezonden kaartje las ik twee dingen: “1) we hechten meer waarde aan een bijbelse onderbouwing dan aan een theologische; 2) voor ons is eeuwig eeuwig.”

Mijn antwoord: 1) Voor mij is er geen goede theologische onderbouwing zonder de Bijbel te laten spreken. Wel zijn er schijnbaar ‘eenvoudige’ bijbelse onderbouwingen waaruit net zo goed een theologie spreekt als uit mijn theologie die men bestrijdt. Heel mijn boekje wil daarvan getuigenis afleggen. Ik herhaal wat ik gezegd heb en wat uit mijn bestudering van veel vragen die ik kreeg, mij ook dubbel en dwars gebleken is: ook gereformeerde mensen kunnen doen alsof ze mij ‘eenvoudig’ de Schrift voorhouden, maar ze hebben daarbij wel een bepaalde Israël-theologie als bril op. M.i. vaak met heel goede bedoelingen en zonder het zelf door te hebben.

2) Eeuwig is eeuwig, ja zeker. Maar niet elk ‘eeuwig’ (als vertaling van het Hebreeuwse woord ōlām in de Bijbel) duurt even lang. Het verschil ziet natuurlijk iedereen als hij vergelijkt wat onderdanen in de Bijbel hun koning kunnen toewensen (o koning, leef in eeuwigheid) en wat over Gods eeuwigheid gezegd wordt.  Wie het zo eenvoudig wil houden als mijn kaartschrijver, moet dan ook geloven dat de sabbat er eeuwig zal zijn (Ex. 31,17 e.a.p.) en dat wij ten onrecht de zondag als zodanig vieren. De besnijdenis (Gen. 17,13), het bezit van het land Kanaän (Gen. 18,7; Ex. 32,13), het branden van de lamp in de tabernakel (Ex. 27, 21) en andere rituele zaken worden ook ‘eeuwigdurend’ genoemd. En in de tempel van Salomo wil God ook eeuwig wonen (1 Kon. 8,13). Moeder Hanna staat haar zoon Samuël aan de tabernakel af om daar ‘voor eeuwig’ voor het aangezicht des Heren te blijven (1 Sam. 1,22).

Ik kan dus handhaven wat ik CvI, pag. 55v over ‘eeuwig’ geschreven heb. Wel is het zo dat we iets ‘eeuwig’ kunnen noemen ook al ondergaat het aanzienlijke veranderingen. Met name denk ik aan het verbond dat God met Abraham sloot. Dat verbond zal eeuwig duren, maar het kan van een ‘oud’ ook een ‘nieuw’ verbond worden. Besnijdenis als teken is niet eeuwig, maar God bevestigt later met de doop zijn ’eeuwig’ verbond. De tempel is Gods ‘eeuwige’ woning, maar daarom woont Hij nog niet eeuwig in Salomo’s tempel, etc.

Vraag: “Waarom geen opname van de gemeente?” Noach en Lot worden aangehaald in Luc. 17, twee mensen die beiden in veiligheid zijn gebracht. Waarom, zo luidt de vraag, moeten wij als kerk, als gelovigen de ‘grote verdrukking’ nog ondergaan? Waarom moeten wij nog gestraft worden? Het offer van de Here Jezus is toch genoeg? Moeten wij nog gestraft worden voor onze zonden?

Mijn antwoord: Zie CvI (78vv). Wie verdrukkingen ondergaat, wordt daarom nog niet gestraft voor zijn zonden, alsof het offer van Christus niet genoegzaam zou zijn. Maar Job en vele andere gelovigen in het Oude en Nieuwe Testament hebben geleden, beproefd als zij werden in hun vertrouwen op God en hun Heiland. Lees bv. Hebr. 11! God straft elke zoon van wie Hij houdt (Hebr. 12,4). Hoe kan men dan beweren dat gelovigen niet meer verdrukt worden omdat Christus alles voor hen geleden heeft?  Hoe moeten we dan denken over ernstige christenvervolgingen in tweeduizend jaar kerkgeschiedenis? Een dienaar is niet meer dan zijn meester, heeft onze Heiland ons voorgehouden. Wij zullen beproefd worden in ons geloof, al zal die beproeving onze kracht niet te boven gaan en zal de lijdenstijd soms ook verkort moeten worden (Matt. 24,22). Wie Matt. 24,22 combineert met Luc. 17,32 ziet dat er van verkorten van de verdrukking, maar niet van wegnemen uit de verdrukking sprake is.

Overige vragen

Vraag: “Mogen we over het (huidige) Israël niet spreken als over Gods oogappel?”

Antwoord: Wie de Joden ‘geliefden om der vaderen wil’ (NBG) wil noemen, of mensen die God blijft liefhebben omdat Hij de aartsvaders heeft uitgekozen’ (NBV), doet daar m.i. goed aan. Anders wordt het wanneer men elke beperking (‘met het oog op de aartsvaders’ of iets dergelijks) weglaat en het huidige Israël gewoonweg Gods oogappel noemt. Waarbij het vaak lijkt dat wel Israël, maar niet de kerk Gods oogappel is. Het lijkt dan alsof het er weinig toe doet dat de Joden vijandig staan tegenover Jezus Christus en dat iemand als Paulus zich inspande om sommigen van hen te redden. Eens Gods oogappel betekent nog niet altijd Gods oogappel, evenmin als ‘eens zijn volk’ betekent ‘altijd zijn volk’. Zoals Israël ook ‘niet-mijn- volk kon worden, zo kan het ook niet-Gods-oogappel worden. Wie de Joden Gods oogappel noemt en tegelijk zich gedreven voelt de bekering van de Joden een noodzaak te vinden, kan ik volgen als hij/zij de Joden zo kwalificeert. Wie over Gods oogappel spreekt en het tegelijk helemaal niet nodig vindt dat het evangelie onder hen gebracht wordt (‘dat zal God t.z.t. wel doen’), kan ik niet volgen.

Vraag: “Hoe rijmt het dat Jezus’ wederkomst zal zijn als die van een dief in de nacht (Matt. 24,43; 1 Tess. 5,2; 2 Petr. 3,10; Openb. 3,13; 16,5), terwijl u de mogelijkheid openhoudt dat er nog een grote bekering van de Joden zal komen?”

Antwoord: Wanneer een gebeurtenis komt als een dief in de nacht, betekent dat nog niet dat die gebeurtenis volkomen onverwacht moet heten. Jezus zegt juist dat wij daarom op onze hoede moeten zijn. Als wij geweten hadden wanneer de dief zou komen, hadden wij maatregelen genomen. Wij kunnen het onszelf vaak verwijten dat wij niet beter opgelet hebben. De komst van Christus zal volkomen onverwacht zijn voor allen die niet waakzaam zijn. Vergelijk vooral ook 1 Tess. 5,2 en 4. In dat laatste vers wordt duidelijk dat de dag van de Heer ons juist niet zal overvallen als een dief. Wij lopen niet in het duister maar in het licht, zegt Paulus. Voor wie de ‘tekenen van de tijd’ onderscheidt (Matt. 16,3), is de wederkomst van Christus geen donderslag bij heldere hemel.  Het lijkt mij ook legitiem om na te denken over een eventuele nog te verwachten grote bekering van de Joden, zonder dat nadenken af te snijden met een beroep op Christus’ komst als een dief in de nacht.

Vraag: “De verschrikkelijke gebeurtenis van de Holocaust is voor mij een groot mysterie en veel christenen hebben naar aanleiding van de Holocaust hun geloof verloren. De belangrijkste vraag daarbij was en is: Waar was God? Als Israël Gods oogappel is, waar was toen God toen de Joden door de nazi’s werden uitgeroeid? Hoe rijmt men zijn standpunten met dit gebeuren en waar plaatst men dit in de tijdbalk?”

Antwoord: Wij kunnen hier alleen maar met grote behoedzaamheid spreken. Wie zou zeggen dat de Joden de holocaust aan zichzelf te wijten hebben, zoals vroeger heel vaak beweerd werd (‘zijn bloed kome over ons en over onze kinderen’), moet zich dan ook afvragen of de massamoord onder de Armeense christen door de Turken aan die Armeniërs zelf te wijten was. Wij moeten zulke antwoorden beslist niet geven, maar aan God overlaten wie Hij oordeelt, straft en beproeft.

De boom blijft Israël heten en wordt niet omgekapt!

“Op het heil zoals wij het in Jezus Christus ontvangen, staat duidelijk en tot in alle eeuwigheid toe het stempel van Israël.”

In 2009 organiseerden prof. dr. Jochem Douma en predikant-schrijver Adrian Verbree de cursus ‘Gaan in het spoor van de Bijbel’. Eén van de avonden ging over het onderwerp ‘Israël’. Prof. Douma hield twee lezingen, de eerste over de verschillende visies op het duizendjarig rijk en de plaats die Israel / het Joodse volk daarbij innemen. Volgens Douma geeft de Bijbel geen enkele aanleiding om het huidige Israel vandaag ‘Gods volk’ te noemen. Wie Jezus als beloofde of gekomen Redder afwijst, wordt in de Bijbel namelijk ‘Lo-Ammi’ = niet-mijn-volk genoemd. Daarom, zegt Douma in zijn eerste lezing, “blijf ik het volk van God alleen dáár zoeken waar de Christus en zijn Joodse apostelen het ons laten vinden, nl. bij allen die in Jezus Christus  geloven, ongeacht of het Joden, Palestijnen of andere mensen zijn.” Maar, zegt Douma er nadrukkelijk bij: “Wat nu Lo-Ammi is, kan weer Ammi (mijn-volk) worden” om zo te delen in het heil van Jezus Christus. Maar volgens Douma mag daarbij nooit vergeten, dat op dat het heil van Jezus Christus, dat na Pinksteren aan alle volken verkondigd wordt, tot in eeuwigheid het stempel van Israel staat.

Daarover gaat de tweede lezing van Douma, die van hemzelf als titel kreeg: ‘Israël en onze toekomst’.

In mijn eerste bijdrage heb ik mij vooral kritisch uitgelaten over een visie waarin feitelijk een sterk onderscheid gemaakt wordt tussen Jezus Christus voor de christenen en Jezus de Messias voor de Joden. Ik heb benadrukt dat de Messias gekomen is. Het enige verschil tussen Christus en Messias is een kwestie van taal. Zowel ‘Christus’ als ‘Messias’ betekenen ‘gezalfde’, alleen is het eerste woord Grieks en het tweede Hebreeuws. Dat is alles. Maar het is belangrijk om tegenover allen die tegen u zeggen: ‘ja, maar de Joden verwachten toch de Messias en Hij zal  toch straks als hún Messias komen’, te blijven belijden dat vandaag de dag én de Joden én de heidenen voor hun behoud opgeroepen worden te geloven in Jezus Christus die gekomen is. Of u deze boodschap aan het adres van de Joden zending wilt noemen of niet, maakt mij niets uit. Van belang is dat het evangelie ook aan de Joden wordt voorgehouden als de enige weg voor hun behoud, hetzij in persoonlijke, hetzij in nationale zin.

Wij moeten ons voor dit evangelie niet schamen. En dat doen wij wel, als wij ons verschuilen achter bv. het argument dat wij medeschuldig staan aan de holocaust en daardoor niet geschikt zijn om de Joden tot bekering op te roepen. Wij moeten volgelingen van Paulus zijn, die aanvankelijk de christelijke gemeente wilde uitmoorden, maar na zijn bekering tot Jezus Christus blaakte van ijver om, als het hem gegeven mocht worden, ook slechts enigen van zijn volksgenoten, tot bekering te brengen. Ik krijg nu vaak uit pro-Israël publicaties de indruk dat het zo belangrijk niet is om de Joden tot bekering op te roepen. God staat immers altijd als een muur om hen heen, en hun bekering volgt later wel. Als belijder van de Christus verwerp ik zo’n gedachte uit de grond van mijn hart. Ik ben er tevens van overtuigd, dat het er in het Midden-Oosten ook in politiek opzicht heel anders zou uitzien wanneer de Joden wél de Christus der Schriften zouden aanvaarden.

Nadat ik dit gezegd heb, wil ik daar nadrukkelijk het volgende aan toevoegen. Op het heil zoals wij het in Jezus Christus ontvangen, staat duidelijk en tot in alle eeuwigheid toe het stempel van Israël. Het begon met Abraham in wie alle volken gezegend zouden worden. Maar daar zat meteen de volgende toekomst in verscholen, die Paulus aldus formuleert:

Gal. 3,8v Nu heeft de Schrift voorzien dat God ook andere volken door geloof zou aannemen en daarom aan Abraham verkondigd: ‘In jou zullen alle volken gezegend worden.’ En dus wordt iedereen die gelooft samen met Abraham, de gelovige, gezegend.’

Als het over ons geloof gaat, verbinden wij dat aan Abraham. Paulus noemt hem de vader van alle gelovigen, niet alleen van besneden, maar ook van onbesneden gelovigen ( Rom. 4,12). Het uitzicht dat Abraham kreeg, viel niet samen met het beloofde land Kanaän, want

Rom. 4,13 Abraham en zijn nageslacht ontvingen de belofte dat ze de wereld in bezit zouden krijgen.

Wat wij hier zien, moeten we bij alle oudtestamentische profetieën in rekening brengen: Het verbond met Abraham kan in de loop van de geschiedenis van gedaante veranderen, al blijft het ook het verbond met Abraham, zodat wij bij de doop van onze kinderen zijn naam blijven noemen:

Ps. 105,8 Tot in eeuwigheid zal Hij gedenken zijn belofte aan duizend geslachten, het verbond dat Hij sloot met Abraham en voor Isaak bevestigde met een eed.

3. Hoe evident het is dat het stempel van Israël op alle heil blijft staan en wij dit volk nimmer kunnen vergeten, blijkt vooral uit Rom. 9-11, waar de apostel Paulus intens met het heil van zijn volksgenoten bezig is. Terwijl deze man zich siert met het predicaat ‘apostel van de heidenen’ (Rom. 11,13; Gal. 2,8; vgl. Ef. 3,5.8), kan hij onmogelijk zijn eigen volk Israël uit het oog verliezen. Hij zegt dat zelfs heel sterk:

Rom. 11,13 Zeker, ik ben een apostel voor de heidenen, maar ik schat mijn taak juist dáárom zo hoog, omdat ik hoop afgunst bij mijn volksgenoten op te wekken en een deel (NBG: sommigen) van hen te redden.

En waarom wil hij dat? Waarom ziet deze apostelen van de heidenen het als de kroon op zijn werk wanneer hij sommige, of een deel van de Joden zou kunnen redden? Omdat kennelijk de Joden door God niet zijn afgeschreven vanwege hun ongeloof. De kerk is geen intermezzo, zagen we in de eerste lezing, maar Israël is dat nog minder. Het gaat God om heil voor de wereld, zeer zeker, maar de uitverkiezing van het Joodse volk blijft Gods aandacht houden.

Rom. 11,1v Heeft God zijn volk soms verstoten? Beslist niet…God heeft zijn volk dat Hij al van tevoren uitgekozen heeft, niet verstoten.

Graveer die woorden in uw geheugen! Wat God van alle eeuwigheid af besloten heeft, laat Hij niet schieten, ook niet door de ongehoorzaamheid van de massa onder de Joden. Paulus brengt dat in zijn mooie gelijkenis over Israël als een edele olijfboom tot uitdrukking. Van de olijfboom worden takken afgebroken, vanwege het Joodse ongeloof. In plaats daarvan worden er loten van een wilde olijfboom tussen de overgebleven takken geënt. Dat zijn de heidenen die tot geloof gekomen zijn.  Maar deze heidenen moeten goed beseffen dat zij als wilde loten tussen edele takken van de boom Israël geplaatst zijn. De boom blijft Israël heten en wordt niet omgekapt! Wij wonen bij Israël in en niet omgekeerd Israël bij ons. Ik herhaal het: na Pinksteren werd Israël verbreed en niet afgedankt of vervangen, of hoe met dat ook maar wil formuleren. Wij heidenen moeten in alle bescheidenheid bedenken dat ook onze tak weer kan worden weggekapt. En dan nog wat:

Rom. 11,23 Als de Israëlieten niet volharden in hun ongeloof, zullen ook zij worden geënt, want God is bij machte hen opnieuw te enten. Immers, als u die van nature een tak van de wilde olijfboom bent, tegen de natuur in op de edele olijfboom bent geënt, hoeveel eerder zullen zij die er van nature bij horen op die boom worden geënt!

Het is zelfs zo dat er tussen de bekering van de heidenen en die van de Joden een verband bestaat. Paulus onthult aan zijn lezers een geheim:

Rom. 11, 30 Zoals u God eens ongehoorzaam was, maar door hun ongehoorzaamheid (nl. die van de Joden) Gods barmhartigheid hebt ondervonden, zo zijn zij nu ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden  hebt, ook zelf barmhartigheid te ondervinden.

Ik ga nu niet uitvoerig in op de vraag of er straks een grote bekering van Joden zal plaatsvinden. Daarover heb ik in mijn boekje m.i. genoeg gezegd. Het gaat er mij nu om dat wij de Joden nooit en te nimmer kunnen afschrijven, alsof zij niet meer zouden meetellen. Ik hoef niets terug te nemen van wat ik gezegd heb over de ernst van hun ongeloof. Wij moeten hen met het evangelie van de Jood Jezus Christus en van zijn Joodse apostelen aanspreken. Ik heb eens beweerd dat een predikant of zendeling ook bevestigd zou kunnen worden in zijn ambt  met een tekst uit Rom. 11 en dan met deze toepassing: U moet zo preken dat het evangelie inderdaad heidenen en half-heidenen kan bereikten. Maar wat zou het mooi zijn als ook enkele Joden tot jaloersheid gebracht werden, want God verheugt zich over de terugkeer van één Joods schaap. Eén verloren Joods schaap dat dwaalt en niet weet van zijn grote voorrechten als zoon van Abraham, als Israëliet, als iemand die door God bemind wordt om der vaderen wil.

Duidelijk moet het ons allen zijn dat er aan het einde van de geschiedenis geen volheid van de gelovigen uit de heidenen zal zijn zonder de volheid van Israël – al of niet na een grote bekering van Israël. Op alle heil zal tot in eeuwigheid het stempel Israël staan. Jafet woont in Sems tenten. De zielen worden in Abrahams schoot gedragen. Geen heil vloeit de wereld toe, of het komt van Jezus Christus, de Jood uit Nazareth. Niemand komt de eeuwige stad van God binnen dan door poorten die versierd zijn met de namen van de twaalf stammen van Israëls zonen en binnen een stadsmuur met twaalf grondstenen waarop de namen van de twaalf apostelen van het Lam staan. Deze stad heet – hoe kan het ook anders – Jeruzalem (vgl. Openb. 21).

Over Israel, het chiliasme en het ‘duizendjarig rijk’

Prof. dr. Jochem Douma over (politieke) consequenties m.b.t. Israel als je de dwaling van het chiliasme aanhangt.

In eerste maanden van 2009 hielden prof. dr. Jochem Douma en dominee-schrijver Adrian Verbree een serie thema-avonden door het land. Eén van de onderwerpen was ‘Hoe staan wij als christenen tegenover Israël?’ Prof. Douma hield twee lezingen die op elkaar aansloten. In zijn eerste lezing gaat hij uitvoerig in op de dwaling van het chiliasme en hoe bepalend dat is voor de manier waarop je het bestaan van Israël sinds 1948 bekijkt. In zijn tweede lezing benadrukt hij dat de christenen uit de heidenen zijn opgenomen in het Israel van God en niet omgekeerd, en dat daarom het joodse volk nooit vergeten mag worden als het om de verkonding van het evangelie aan alle volken gaat.

Wat hier volgt, is de eerste lezing van Douma over de dwaling van het chiliasme.

1. Onze avonden over Israël vinden plaats terwijl er een oorlog woedt of nauwelijks nog is uitgewoed in de Gaza-strook. Het volk Israël dat door raketten bestookt werd vanuit het zuiden door de Palestijnse Hamasbeweging, verdedigde zich daartegen met de wapens. Het is Israëls goed recht om zijn buren, zo nodig met geweld, tot de orde te roepen. Israël is een internationaal erkende staat die de veiligheid van zijn grondgebied mag verdedigen. Bijval zal vanavond wel samengaan met het leveren van kritiek op bepaalde aspecten van Israëls politiek en ook met kritiek op de bijval die zij die veel christenen maar moeilijk op het huidige Israël kunnen leveren

2. Het eerste thema op deze avond brengt ons in een totaal andere sfeer dan in die van geweld en oorlog. Wij spreken over het ‘duizendjarig rijk’. Bijbelvaste lezers begrijpen dat het dan gaat over Openbaring 20, waar we in de eerste verzen het volgende lezen:

Ik (Johannes) zag een engel uit de hemel neerdalen met de sleutel van de onderaardse diepte en zware ketenen in zijn hand. Hij greep de draak, de slang van weleer, die ook duivel of Satan wordt genoemd, en ketende hem voor duizend jaren. Hij gooide hem in de diepte, sloot de put boven hem en verzegelde die, opdat de volken niet meer door hem misleid zouden worden tot de duizend jaren voorbij waren; daarna moet hij korte tijd worden losgelaten. (Openbaring 20:1vv)

Wat gebeurt er in de tijd van deze opsluiting van Satan? Satan kan de volken niet meer misleiden. Nog eenmaal zal hij daarvoor de tijd krijgen, maar dan na die duizend jaren. Gedurende deze duizend jaren gebeurt het volgende:

Ik zag tronen en aan hen die erop zaten werd recht gedaan. Het zijn de zielen van hen die onthoofd waren omdat ze van Jezus hadden getuigd en over God hadden gesproken; zij hadden het beest en zijn beeld niet aanbeden en ook zijn merkteken niet op hun voorhoofd of hand gekregen. Zij waren tot leven gekomen en heersten duizend jaar lang met de messias. De andere doden kwamen niet tot leven voordat de duizend jaar voorbij waren. Dit is de eerste opstanding. (Openbaring 20:4 vv)

Het zijn de woorden ‘duizend jaar’ die wij in de naam van een paar theologische richtingen terugvinden.

amillennialisme          ‘a’ betekent: Er is geen sprake van een apart aards duizendjarig rijk

postmillennialisme     ‘post’ betekent: Christus komt na het duizendjarig terug op aarde

premillennialisme       ‘pre’ betekent:  Christus komt voor het duizendjarig rijk terug op aarde    

millennium (Lat.) = duizendjarig (rijk) of chiliasme, van het Griekse woord chilioi = duizend

3. Laat ik beginnen met het amillennialisme. De aanhangers van deze visie ontkennen natuurlijk niet dat Openb. 20 in de Bijbel staat. Dat zou je even kunnen denken door het voorzetsel ‘a’. ‘A’ betekent ‘zonder’. Als we iemand a-muzikaal noemen, bedoelen we dat hij geen muzikale aanleg heeft. Maar als we over amillennialisten spreken, gaat het niet over mensen die Openb. 20 uit hun Bijbel schrappen. Zij menen echter dat het in hoofdstuk niet letterlijk over een duizendjarig rijk gaat als een apart rijk dat tijdens de wereldgeschiedenis op aarde gevestigd wordt. In navolging van de kerkvader Augustinus (354-430) werd Openb. 20 symbolisch opgevat als aanduiding van heel de kerkgeschiedenis tussen Christus’ eerste komst en zijn wederkomst. In die periode zou de Satan aan banden liggen waardoor de verkondiging van het evangelie alle volken kan bereiken. Als ik het even schematisch mag voorstellen op een tijdbalk, ziet de geschiedenis er volgens het amillennialisme zo uit:

Op deze balk zal u weinig tot niets onbekend voorkomen. Het Oude Verbond is vervangen door het Nieuwe na de komst, de kruisiging en de hemelvaart van Christus. Terecht wordt er tegenwoordig nadruk gelegd op het feit dat de kerk Israël niet kwam vervangen. Het is immers niet zo dat het oude Israël uitgeschakeld werd om door iets geheel nieuws te worden vervangen. Veel juister is het om te zeggen dat het heil vanaf Christus’ hemelvaart niet meer beperkt bleef tot de Joden alleen, maar bestemd was voor allen die in Christus zouden geloven. Maar, zo leert Paulus duidelijk, het heil in Christus is wel in de eerste plaats bestemd voor de Joden en vervolgens ook voor de heidenen – de andere volken (Rom. 1,16). Alle volken mochten het evangelie nu horen over Jezus Christus, aan wie alle macht in de hemel en op de aarde gegeven was (Matt. 28,18v).

Anders gezegd: het Oude Verbond werd niet afgeschaft, maar onderging een geweldige verbreding. Het verbond met Abraham en zijn nageslacht houdt eeuwig stand, maar laat in zijn nieuwe gedaante zien wat aan Abraham reeds was aangekondigd: In jou zullen alle volken gezegend worden (Gen. 13,3; Gal. 3,8). Op tal van punten is het Nieuwe Verbond ook anders dan het Oude. Ik denk aan de offerdienst met altaar en tempel, die na de kruisiging van Christus op Golgota zijn zin heeft verloren. Ik denk aan het land Kanaän dat niet meer het centrum van het Nieuwe Verbond is, zoals eertijds Jeruzalem dat was. Nu de evangelisatiecampagne zich op alle volken gaat richten, is een eigen land, een eigen hoofdstad met een tempel voor de aanbidding van God achterhaald. U herinnert zich wat Jezus tegen de Samaritaanse vrouw zei: Er komt een tijd, en die is nu gekomen, dat jullie noch op deze berg (Gerizim) noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Julie kunnen vanaf nu overal God aanbidden in Geest en in waarheid (Joh. 4,23v).

Zoals u uit de tijdbalk voor het amillennialisme kunt aflezen, loopt de verkondiging van het evangelie uit op de ‘grote verdrukking’ waarover in het Nieuwe Testament sprake is (Matt. 24,21; Openb. 7,14). Ik heb voor de verbreiding van het evangelie een onderbroken lijn getekend. De kerkgeschiedenis kent haar ups en downs. Er is bloei, maar ook verval en niet te vergeten lijden en verdrukking. Die verdrukking zal vooral aan het einde duidelijk worden als de antichristelijke machten zich sterk zullen laten voelen. Het lijden is een kenmerk van de kerk, vanaf de eerste gemeenten tot aan het einde van de geschiedenis, wanneer het dieptepunt zal worden bereikt.

4. Kijkt u nog even naar de tijdbalk van het amillennialisme, om de verschillen te constateren met de tekening die ik u nu laat zie van het postmillennialisme.

Ik wijs u op een paar verschillen met het amillennialisme. Het eerste wat opvalt, is de schuine streep die nu niet neerwaarts, maar opwaarts gaat. Het postmillennialisme drukt zich positiever uit over het resultaat van de evangelieverkondiging in deze wereld dan het amillennialisme dat doet. Een tekst die postmillennialisten daarbij vaak aanhalen is Habakuk 2,14: ‘Zoals de zee vol water is, zo zal de aarde vol van de grootheid van de Heer zijn’. Welnu, zo zal volgens het amillennialisme de oogst van de evangelieverkondiging zijn. Heel de wereld zal eens – nog tijdens de kerkgeschiedenis – getuigen van Gods grootheid en van Jezus’ macht over deze wereld. Christus is koning en Hij oefent zijn macht op aarde uit door het werk van de Heilige Geest. Daarover moeten we niet gering denken. Het gaat maar niet alleen om het behoud van zielen, maar om het stempel dat de Geest op heel deze wereld wil en zal zetten. Het postmillennialisme geeft een toekomstbeeld dat door hoop gekenmerkt wordt. De schuine streep heb ik opnieuw met onderbrekingen aangegeven. Uiteraard weten de postmillennialisten ook van ups en downs in de kerkgeschiedenis. Het gaat niet allemaal met vliegende vaandels en slaande trom. Ook zij weten van geestelijk verval en van lijden en onderdrukking. Maar als het aankomt op het eindresultaat, zijn zij optimistischer dan de amillennialisten. Er is progressie naar een eindstadium toe, waarin de wereld voor Christus gewonnen is. Ik heb in de tijdbalk van het amillennialisme de neergaande lijn laten overlopen in de tijd van de grote verdrukking door de antichrist. Maar het postmillennialisme laat een rechtstreekse overgang zien van een wereld die aan Christus’ voeten ligt naar de wederkomst van Christus. De wereld is voor Hem gewonnen. En als dat zo is, zal dit ook gelden voor de Joden.

Ook amillennialisten kunnen aandacht hebben voor een grote toekomstige bekering van de Joden. Ik noem hier de naam van de Kamper exegeet prof. dr. S. Greijdanus die op goede gronden via zijn exegese van Rom. 11 tot het aannemen van zo’n grote bekering onder de Joden kwam. Hij week daarin af van Johannes Calvijn en van Herman Bavinck die z’n grote bekering niet verdedigden, maar juist bestreden. U zult kunnen begrijpen dat het postmillennialisme wel gemakkelijker aan zo’n bekering denkt, omdat die immers geheel in overeenstemming is met wat zij zeggen over een algemene bekering van de wereld en van de volken. Hoe zou dan het Joodse volk kunnen achterblijven?! De Geest van Jezus Christus grijpt ook het oude Verbondsvolk in het hart. De wereld wordt bekeerd, de Joden wenden zich en masse tot Christus en de kerk van Joden en van heidenen ontvangt haar uit de hemel terugkerende Heer!

5. Een totaal ander beeld geeft ons de tijdbalk van het premillennialisme. De onderlinge verschillen tussen het amillennialisme en het postmillennialisme zijn volgens mij kleinigheden als wij hun opvattingen vergelijken met die van het premillennialisme.

Wat zijn de belangrijkste verschillen? U ziet dat Israël links van het kruis en de gemeente rechts ervan geen eenheid vormen. Die tweeheid is welbewust zo getekend. Het grootste deel van Israël heeft zich aan het kruis van Golgota geërgerd, terwijl de gemeente als een geheel nieuw fenomeen wordt beschouwd. De tot geloof gekomen Joden worden in dit schema niet vermeld. De gemeente (of: de kerk, zoals wij doorgaans zeggen) is in de premillennialistische visie een totaal ander verschijnsel dan Israël. Er is in feite geen verbinding tussen het Oude en het Nieuwe Verbond. Paulus en anderen in het Nieuwe Testament trekken de lijn van Abraham door. Alle gelovigen hebben deel aan de beloften die aan Abraham gegeven waren (Rom. 4). Wat eens Lo- Ammi heette (niet-mijn-volk), mag nu Ammi (wel-mijn-volk) heten (Hos. 1,9; Rom. 9, 25). De deur om tot het ene volk van God te worden toegelaten, nl. de deur van het geloof, wordt opengezet voor Jood en heiden.

Maar volgens het premillennialisme is de kerk een gloednieuw verschijnsel, nadat de Joden Jezus als hun Messias niet wensten te erkennen. Wat gebeurde er toen? God onderbrak zijn geschiedenis met het Joodse volk om tijdelijk voor de gemeente plaats te maken  Maar deze kerk mogen we beslist niet als de voortzetting van het oude Verbond zien. Het volk Israël en de kerk zijn twee volken waarmee God verschillende wegen bewandelt.

Dat blijkt wel heel duidelijk als u de tijdbalk verder volgt. Er is daarop sprake van de Opname van de gemeente (Engels: Rapture). Kort voordat de grote verdrukking aanbreekt, wordt de kerk uit deze wereld weggenomen. Christus daalt af om de zijnen door de lucht mee te voeren naar de hemel. Als bewijsteksten voor deze eerste terugkomst van Christus gebruikt men 1 Tess. 4,15vv en 1 Kor. 15, 50vv.

De kerk wordt daarmee voor de grote verdrukking bewaard, maar door die grote verdrukking heen, die met name de Joden en heidense volken treft, knoopt God zijn band met het Joodse volk weer aan. De kerk is dus een intermezzo, een tussenperiode, die loopt van de verwerping van Jezus Christus door de Joden tot aan de bekering van de Joden tot Jezus, hun Messias.

Ik wijs u er nog eens op dat de kerk door haar Opname in de hemel geheel buiten de grote verdrukking valt. Alles wat er in Openb. 6-19 staat, heeft volgens de premillennialistische opvatting met de Joden en niets met de kerkgeschiedenis te maken. De geschiedenis die zich verder op aarde zal afspelen, inclusief de duizend jaren die als een periode van precies duizend jaren wordt opgevat, vormt de voortzetting van de geschiedenis tussen God en zijn volk Israël.

Let er goed op wat dit betekent! Toen Jezus naar de hemel opvoer, was Hij kennelijk nog geen Messias die zeggenschap over de wereld en alle volken had, zoals het amillennialisme en het postmillennialisme, op grond van Mat. 28,18 stellen. Kijkt nog even naar een van de andere tijdbalken en let op de tekst die bij de hemelvaart van Christus vermeld is. Met andere woorden: volgens de a- en post-millennialisten begint Jezus als de  Messias zijn heerschappij niet pas te effectueren in een duizendjarig rijk, maar dat doet Hij al vanaf zijn hemelvaart. God heeft Jezus, zoals Petrus het onder woorden brengt in Hand 2,36, tot Heer en Messias aangesteld. De Messias moet nog niet komen, maar is al gekomen.

Maar in het premillennialisme keert het Joodse leven met de thora, met de sabbat en met de tempel terug, alsof er geen Jezus als hogepriester zijn verzoenend werk voor de hele mensheid, inclusief voor het Joodse volk, verricht heeft!

Verder zien we dat na de terugkeer van Christus – die ‘pre’, d.i. vóór de aanvang van het duizendjarig rijk plaatsvindt – precies duizend jaren duurt. Uiteraard is dat dan een rijk waarin Christus, begeleid door zijn gemeente in de hemel, samen met het Joodse volk over de wereld regeert. De Messias zou tronen te Jeruzalem, als vorst uit het huis van David.

Maar wie Openbaring 20 leest, zal daar geen Joden vermeld vinden. Het gaat daar over zielen van hen die onthoofd waren, omdat ze van Jezus hadden getuigd en over God hadden gesproken (Openb. 20,4). Bovendien wekt alles de indruk dat de tronen in de hemel en niet op de aarde staan. Tronen staan in het boek Openbaring in de hemel (1,4; 3,21; 4,2vv 5,1vv; 6,16, etc.). Het rijk van de Messias – let weer op de tijdbalk van het premillennialisme – duurt hier duizend jaar, terwijl ik daar tegenover plaats dat zijn rijk als Messias over christenen en Joden, ja over alle volken vanaf zijn hemelvaart, duurt tot aan het einde van de geschiedenis.

6. Wat heeft dit nu met politiek te maken? Meer dan u denkt! Laat ik dat illustreren aan een brief die ik enkele dagen geleden kreeg van de organisatie ‘Christenen voor Israël’. Deze organisatie staat pal achter het volk en de staat Israël, op grond van de beloften die in de Bijbel voor het volk Israël zouden gelden. De vorming van de staat Israël in 1948 ziet men bij deze organisatie als een vervulling van Gods beloften. Alleen aan het Joodse volk zou het land Palestina toevallen. Jeruzalem zou de ondeelbare hoofdstad van het volk Israël moeten zijn. Ook al wonen er in Oost-Jeruzalem 250.000 Palestijnen, zij wonen op grond die alleen Israël toebehoort. Het feit dat Palestijnse en Arabische voorouders er mogelijk al eeuwenlang gewoond hebben vóór 1948, weegt niet op tegen beloften die alleen voor de Joden gelden. Daar tegenover vragen wij ons af waarom alleen de Joden burgers in volle rechten zouden kunnen zijn en al die Palestijnen slechts vreemdelingen en bijwoners moeten heten. Het premillennialisme meent dat de Bijbel ons dit leert.

Zoals ik al zei kreeg ik kort geleden een brief van de organisatie ‘Christenen voor Israël’. Met de vraag of ik wilde bidden voor zes onderwerpen die te maken hebben met de huidige oorlog in de Gazastrook. Naast het zesvoudig gebed wordt mij ook nog verzocht te danken voor het feit dat de Here rondom zijn volk is, zoals de bergen rond Jeruzalem. Ook al begrijpen wij niet alles, zo zegt de brief, God is getrouw aan het verbond met zijn volk.

Mijn antwoord is dat ik zo (let wel zo!) voor Israël niet zal bidden. Ik heb sympathie voor dit volk en deze staat, zoals ik aan het begin van deze bijdrage reeds liet blijken. Maar ik heb niet de vrijmoedigheid Israël zomaar ‘Gods volk’ te noemen. Ik noem nl. geen enkel volk Gods volk wanneer het afkerig is van Jezus Christus als Redder voor Jood en heiden. Ik weet immers maar al te goed dat het oude volk van God Lo-Ammi (niet-mijn-volk) genoemd werd, toen het zich van God afkeerde. Dat kan veranderen, en ook mijn hart verlangt ernaar dat het volk van Israël zich tot Jezus Christus zal bekeren. Wat nu Lo-Ammi is, kan weer Ammi (mijn-volk) worden. Maar zolang dit niet het geval is, blijf ik het volk van God alleen dáár zoeken waar de Christus en zijn Joodse apostelen het ons laten vinden, nl. bij allen die in Jezus Christus  geloven, ongeacht of het Joden, Palestijnen of andere mensen zijn. Gods volk is de gemeente, de kerk van Jezus Christus.

Juist daarom bevreemdt het mij als christelijke fans van Israël niet in het spoor van de apostel Paulus gaan door zich in te zetten om (in elk geval nog een deel van de) Joden voor Christus te winnen. Velen keren zich wrevelig van mij af als ik daarover begin. Ik mag bidden tot God of Hij de terugkeer van zoveel mogelijk Joden naar Israël wil zegenen en of het volk Israël bevrijd mag worden van de kwelling door de Palestijnen, maar niemand spoort mij aan te bidden voor hun behoud door Jezus Christus.

Wie over het huidige Israël wil spreken, moet inderdaad daarvoor de Bijbel openen. Dat heb ik in  mijn boekje geprobeerd. Tot in de politiek toe heeft dat zijn consequenties. Als iemand mij voorhoudt dat God wil dat wij achter Israël gaan staan, Jeruzalem aan de Joden laten toevallen, Joodse nederzettingen op Palestijns gebied niet teruggeven, dan is mij vraag: ‘Wil God het?’ Niets bederft de christelijke politiek erger dan dat wij voor Gods wil uitgeven wat Gods wil niet is.