Een zee van ruimte zonder veel richting – over het NGK-rapport ‘Homoseksualiteit in de kerk’

In mijn eerste blog gaf ik een korte samenvatting van het NGK-rapport ‘Homoseksualiteit in de kerk’ (klik hier). Het kreeg van de opstellers de titel ‘Ruimte en richting’ mee. In deze tweede blog wil ik inhoudelijk ingaan op het rapport. Ik doe dat zonder al veel te citeren. Kort gezegd komt mijn reaktie hier op neer: het is een zeer integer rapport met indrukwekkende lifestory’s. Tegelijk vind ik het, zeker nadat ik het nog een paar keer herlezen heb, toch wel een teleurstellend rapport. De opstellers wilden graag zoveel mogelijk ruimte bieden voor de verschillende keuzes die gelovige homo’s en lesbiennes op grond van de Bijbel maken. Tegelijk wilden ze intens zoeken naar richting in de Bijbel en voor Gods aangezicht vanuit een diepe verbondenheid in Christus.

Wat de ruimte betreft: de opstellers hebben de veelheid van opvattingen binnen onze kerken helder en duidelijk beschreven. Maar als het om de adviezen gaat, laten ze het aan de plaatselijke kerken over om uit die veelheid hun eigen keus te maken.

Wat de richting betreft wordt er eigenlijk geen richting gewezen. Er wordt alleen maar een oproep gedaan om elkaar in liefde te verdragen wanneer kerken plaatselijk tot verschillende beleidskeuzes komen. Daarvoor beroept men zich op Romeinen 14 en 15, waarin Paulus aangeeft dat elke christen naar eer en geweten voor Gods aangezicht z’n eigen keus maakt, want Paulus zegt, aldus het rapport “heel beslist: ‘alles wat niet uit geloof voortkomt is zondig’ (14:23). We mogen elkaar als kerken en broers en zussen daarom niet dwingen, zelfs niet verleiden te doen wat ingaat tegen het geweten, wat ingaat tegen de geloofsovertuiging. Een landelijke uitspraak mag dan ook niet dwingend opgelegd worden aaneen lokale kerk wanneer die daarmee een gewetensprobleem heeft.” (blz. 136+137)

Wat zijn dan die landelijke uitspraken die we als Nederlandse Gereformeerde kerken zouden moeten doen? Nou, eigenlijk zijn dat er maar twee.

1/ Heet in alle gemeentes homoseksuele broers en zussen die in een relatie van liefde en trouw samenleven, welkom aan de maaltijd van de Heer.

2/ Laat, als er voldoende draagvlak in de plaatselijke gemeente is, homoseksuele broers en zussen die in een relatie van liefde en trouw samenleven ook toe tot het ambt van ouderling en diaken.

Verder schuift het rapport twee andere onderwerpen door naar een nieuwe landelijke commissie. Die moet zich de komende drie jaar buigen over:

3/ Het al of niet zegenen of bevestigen van een homoverbintenis / homohuwelijk.

4/ Het al of niet toelaten van predikanten die in een homosekuele verbintenis samenleven.

Tenslotte komt (behalve in één van de life-story’s) in het rapport op geen enkele manier een ander belangrijk vraagstuk aan de orde:

5/ Is in het licht van de Bijbel een kinderwens binnen een homoseksuele relatie van liefde en trouw geoorloofd?

Als het erop aan kom laat dit rapport de plaatselijke kerken dus zwemmen in een zee van ruimte zonder duidelijk een richting te wijzen.

Dat komt, denk ik, omdat het rapport niemand in verlegenheid wil brengen. Dat blijkt bijvoorbeeld in de beschrijving van de drie verschillende ‘lenzen’ van waaruit christenen de Bijbel op dit punt benaderen, nl. vanuit 1/ de scheppingsorde, vanuit 2/ de gebrokenheid en vanuit 3/ de variatie. Die drie opvattingen zijn er inderdaad.

Het rapport wijst lens 1/ af, benadruk heel sterk lens 2/ en voelt weinig sympathie voor lens 3/. Het noemt bij de eerste twee lenzen ook orthodoxe theologen uit eigen kring en schaart ten onrechte Ad de Bruijne onder de voorzichtige aanhangers van de derde lens.

Maar als men tot een afweging komt, wil men niemand tekort doen en is elke invulling vanuit de drie lenzen mogelijk, behalve de strikte opvatting dat samenlevende homoseksuele broers en zussen geen belijdenis mogen doen en geen avondmaal mogen vieren.

De opstellers van het rapport willen zowel aan Gods Woord recht doen als aan de inzichten in onze tijd die we als christelijke kerk onder leiding van de Heilige Geest vanuit Bijbels perspektief moeten wegen. Dan kun je, aldus het rapport, tot verschillende konklusies komen als het gaat om de vraag of er in de Bijbel ruimte is voor het aangaan van homoseksuele relaties in liefde en trouw. Want enerzijds tref je in de Bijbel alleen passages aan die gelijkgeslachtelijke seks afkeuren. Anderzijds gaat het in de Bijbel nergens over aantrekkingskracht, verliefdheid, intimiteit of zielsverwantschap tussen twee mensen van hetzelfde geslacht.

Nu laat het rapport dat laatste, hedendaagse inzichten, een belangrijke rol in zijn afweging spelen. Ik ben het daar mee eens. Tegelijk aarzelt het rapport om deze homoseksuele oriëntatie gelijk te stellen aan het door God ingeschapen verlangen van een man naar een vrouw en omgekeerd. Het verlangen is een scheppingsgegeven, aldus het rapport, maar de homoseksuele oriëntatie … niet … eigenlijk niet … “een pijnlijk raadsel” (blz. 57). Het valt mij op hoe aarzelend het rapport hier telkens spreekt.

Hoe kan dat? Want de opstellers van het rapport zijn unaniem van mening dat een homoseksuele relatie in liefde en trouw niet een gelijkwaardige variant op het bijbelse huwelijk tussen man en vrouw is. Ze zeggen namelijk klip en klaar op blz. 104 van hun rapport: “We willen ook aandacht vragen voor de polariteit van ‘mannelijk en vrouwelijk’. (…) Dit scheppingsgegeven willen we hoog blijven houden. De seksuele omgang tussen man en vrouw is vanwege dat wonder van het nieuwe leven meer dan een variant binnen het spectrum van de menselijke seksualiteit.”

Als dit werkelijk hun gemeenschappelijke overtuiging is, zou je op grond daarvan ook een aantal voorstellen mogen verwachten die concreet een richting aanwijst die we in de zee van opvattingen gezamenlijk als Gods kinderen binnen ons kerkverband zouden moeten gaan.

Maar dat doet men niet. En de reden is duidelijk. Meteen op het citaat hierboven volgt namelijk de zin: “Tegelijkertijd erkennen we in de werkelijkheid van mensen om ons heen een breedte van variaties waar we respectvol nabij willen zijn.”

Volgens mij zit hier de bottleneck van het rapport. Uit respect voor de veelheid van meningen wil men geen duidelijke keuzes maken die recht doen aan wat men eigenlijk wel vindt: de relatie tussen man en vrouw die uitmondt in het huwelijk, zoals God dat heeft ingesteld en beschrijft in Genesis 1 en 2, is van een andere orde dan homoseksuele relaties in liefde en trouw. En dus krijgt, met een beroep op Romeinen 14 en 15 (blz. 135+135), elke plaatselijke kerk alle ruimte om zelf uit te zoeken hoe men over homoseksuele relaties denkt en welke consequenties men daar in de praktijk aan verbindt. Alleen de optie ‘afhouding van het avondmaal’ wordt streng afgeraden.

Ik vind dit teleurstellend. Daarmee houdt het rapport toch wel heel erg veel rekening met wat “de dominante visie in onze cultuur” acceptabel vindt, ook al is men voortdurend oprecht en intensief bezig geweest met “de doordenking van God hierin van ons wil” (beide citaten staan op blz. 110). Wolter Rose schrijft in zijn minderheidshoofdstuk dat het rapport weinig oog heeft voor de corrigerende functie van de Bijbel. In het Nederlands Dagblad van 24 feb. 2024 zei Dick Westerkamp iets soortgelijks: als het over homorelaties gaat, krijgt het pastorale spreken van de Bijbel zo veel aandacht, dat het profetisch spreken van de Bijbel ondersneeuwt.

Omdat het rapport in de zee van ruimte geen duidelijke richting wil aanwijzen, zitten er ook een paar merkwaardige inconsequenties in. Ik noem er een paar.

*1* Het huwelijk tussen man en vrouw wordt wel principieel onderscheiden van homoseksuele relaties, maar het rapport stelt niet voor om uit te spreken dat het burgerlijke homohuwelijk niet gelijk staat aan het christelijke huwelijk. Het rapport stelt ook niet voor om uit te spreken dat een homo-relatie daarom niet op dezelfde manier bevestigd kan worden als een christelijk huwelijk.

*2* Als een homoseksuele relatie in liefde en trouw bijbels gezien geen variant is op het huwelijk tussen man en vrouw, zoals het rapport expliciet zegt op blz. 104, hoe kan men dan zonder enige argumentatie voorstellen om uit te spreken “dat plaatselijke gemeenten de mogelijkheid hebben om ook leden die in een homoseksuele verbintenis samenleven tot het ambt te roepen, zo daar binnen de plaatselijke gemeente voldoende draagvlak voor is” (blz. 134)? Er wordt, zelfs niet in een voetnoot, verwezen naar één van de bijbelse criteria voor oudsten, zoals Paulus dat voorschrijft aan Titus: oudsten moeten “onberispelijke mannen [zijn], die maar één vrouw hebben” (Titus 1:6) en aan Timoteüs: “Een opziener moet onberispelijk zijn. Hij kan slechts de man van één vrouw zijn” (1 Tim. 3:2).

*3* Opvallend is ook dat de opstellers van het rapport wel de vragen rond relatievorming en het krijgen van kinderen eventjes aanstippen als belangrijk aandachtspunt, maar dat ze er echt op geen enkele manier op ingaan. Terwijl, als je het over het legitieme verlangen naar een partner dat God in de schepping gelegd heeft, je het toch ook serieus over de even legitieme kinderwens van homoseksuele christenen zou moeten nadenken. Daar hoort ook meteen de vraag bij hoe je moet denken over de doop van kinderen die geboren en/of geadopteerd worden in een vaste homoseksuele relatie.

Terecht kan iemand nu vragen: welke ruimte én richting zouden we als Nederlandse Gereformeerde Kerken dan wel moeten geven en wijzen?

Zelf kom ik vanuit de lens van de gebrokenheid uit bij een mix van ‘milde tegemoetkomendheid’ en ‘royale acceptatie’.

Dat betekent volgens mij dat we als bijbelgetrouwe kerken niet bang moeten zijn om uit te spreken dat het huwelijk door God bedoeld is als de blijvende liefdesrelatie tussen man en vrouw. Andere relaties binnen de christelijke kerk zijn daar geen variatie op. Daarom kunnen we als Nederlandse Gereformeerde Kerken homo-relaties niet op dezelfde manier inzegenen als het huwelijk van een christelijke man en een christelijke vrouw.

Het betekent ook dat we na de zondeval leven allemaal van Gods barmhartigheid leven. Dus is er ruimte voor homo’s en hetero’s aan de maaltijd van de HERE,  of ze nu zonder partner door het leven gaan of in een relatie van liefde en trouw samenleven – tenminste, wanneer ze niet in grove zonden leven. Voor mij is het enkele feit van een vaste relatie van een vrouw met een bewust-niet-gelovige man (of omgekeerd) of een relatie van twee mannen of twee vrouwen met elkaar of een tweede huwelijk na een ongeoorloofde echtscheiding niet te beschouwen als zo’n grove zonde. Maar al deze drie situaties zijn voor mij wel een belangrijker verhindering om iemand toe te laten als ambtsdrager, omdat de Bijbel aan hogere eisen stelt aan deze geestelijke taak.

Als het om een kinderwens gaat, is mijn denklijn als volgt: of het nu om onvruchtbare hetero-stellen of om homo-stellen met een kinderwens gaat of om alleenstaande vrouwen die dolgraag moeder willen worden: je kind is biologisch van een andere persoon dan je partner. Bijbels gezien is er dan sprake van kunstmatig overspel. En als het gaat om een afweging van belangen: het recht van kinderen op twee biologische ouders weegt volgens mij zwaarder dan het verlangen naar een eigen kind terwijl het niet van je partner is.

‘Milde tegemoetkomendheid’ en ‘royale acceptatie’ betekent voor mij dus, dat homoseksuele kerkleden die in een vaste relatie van geloof, liefde en trouw leven, op alle fronten volop meedoet in de gemeente, net als ieder ander kerklid. Maar op het punt van huwelijksbevestiging, ambtsdrager-zijn en kinderwens mogen we volgens mij als kerken uitspreken dat er op grond van Gods Woord zwaarwegende belemmeringen zijn.

Ruimte en richting – het NGK-rapport ‘Homoseksualiteit in de kerk’

Eind 2023 verscheen (met bijgaande foto op de NGK-website) het langverwachte NGK-rapport ‘Homosekualiteit in de kerk’. In deze eerste blog geef ik in eigen woorden een korte samenvatting van de inhoud van het rapport. De opstellers hebben, naast het officiële rapport van 258 bladzijden (klik hier) ook een ‘leeswijzer en samenvatting’ van 38 bladzijden (klik hier) gepubliceerd. Dat is nog behoorlijk uitgebreid, dacht ik. Dus vandaar deze nog beknoptere weergave. Daarin leg ik mijn eigen accenten en is er op één punt een volgens mij noodzakelijke korrektie. In een tweede blog wil ik inhoudelijk ingaan op het rapport.

Opdracht

De (toen nog GKV-)synode van Meppel gaf in 2017 een commissie de opdracht antwoord te geven op de vraag: ‘Wat heeft de gemeente van Christus te bieden aan lesbische zusters en homofiele broeders in haar midden?’

De volgende synode (die van Goes) gaf daarnaast in 2020 de commissie een aantal konkrete vragen mee:

  • geef een Schriftuurlijk onderbouwde visie op de bestaande seksuele diversiteit.
  • geef een Schriftuurlijk onderbouwde waardering van mogelijke seksuele relaties.
  • beschrijf hoe de christelijke gemeente veiligheid kan bieden aan mannen en vrouwen die niet in staat zijn om de weg te volgen die Genesis 2:24 wijst.
  • beschrijf hoe de christelijke gemeente ondersteuning kan bieden aan wie op grond van teksten als Matteüs 19:12 en 1 Korintiërs 7:37 kiezen voor een celibataire levensstijl.
  • beschrijf hoe een kerkenraad kan handelen in het geval gemeenteleden een seksuele relatie aangaan die naar het oordeel van de kerkenraad niet overeenstemt met de Schriftuurlijke norm.

Uitgangspunten

De opstellers hebben steeds een drietal algemene uitgangspunten voor ogen gehouden in het gesprek over LHBTI: het gaat om Christus, het gaat om mensen en het gaat om samen gemeente van Christus zijn.

Hoofdstuk 1 – Het wijdere verband (rapport blz. 30-36, samenvatting blz. 5-6)

Dit hoofdstuk laat zien dat onze westerse samenleving anno 2024 een heel andere tijd is dan die van een paar honderd jaar geleden. De antwoorden van toen zijn daarom niet één op één op vandaag toe te passen. Tegelijk moet het ons voorzichtig maken, want hoe wij in onze cultuur tegen homoseksualiteit aankijken is niet per definitie beter dan in andere tijden en in andere culturen. Als kerk moeten we ons niet laten leiden door de traditie (conservatief) of de huidige stand van zaken in de wetenschap (progressief). Als kerk moeten we telkens zelfstandig, in vertrouwen op Gods Woord en onder voortdurend gebed om wijsheid door Gods Geest, antwoord zoeken op aktuele vragen.

Hoofdstuk 2 – Homoseksualiteit: definitie en terminologie (rapport blz. 53-52, samenvatting blz. 6-8)

Dit hoofdstuk maakt onderscheid tussen * homoseksuele oriëntatie en * gelijkgeslachtelijk seksueel gedrag. Bij homoseksuele oriëntatie gaat het om de emotionele, romantische en/of seksuele aantrekkingskracht tot personen van hetzelfde geslacht. Men beschouwt zichzelf vaak als ‘homo’ of ‘lesbienne’. Vandaag is algemeen aanvaard dat deze oriëntatie geen ziekte of inbeelding is, maar alles te maken heeft met iemands identiteit en met wie hij of zij ten diepste is. Daarvan te onderscheiden is gelijkgeslachtelijk seksueel gedrag: de beleving van de seksualiteit tussen twee mensen van hetzelfde geslacht. Dit werd in het verleden nog wel eens beschouwd als hét criterium m.b.t. homoseksualiteit. Dat is onjuist. Gelijkgeslachtelijk seksueel gedrag is één van de uitingen (en dat nog niet eens altijd) van een homoseksuele oriëntatie.

Hoofdstuk 3 – Bijbel en ‘homoseksualiteit’ (rapport blz. 55-70, samenvatting blz. 9-13)

Dit hoofdstuk zet het onderwerp ‘homoseksualiteit’ in het grotere kader van Gods bedoeling met deze wereld en met zijn kinderen. Genesis 1+2: de unieke, levenslange, exclusieve, alomvattende levenseenheid van één man en één vrouw is een door God ingeschapen verlangen. Genesis 3: Gods goede schepping wordt diepgaand verstoord door de zondeval. Is de homoseksuele oriëntatie daarvan een rechtstreeks gevolg of te omschrijven als ‘pijnlijk raadsel’? Ook bij homo’s en lesbiennes is het door God ingeschapen verlangen naar een maatje voor het leven intact gebleven. Hooglied: binnen de relatie tussen man en vrouw heeft God de seksualiteit gegeven om van te genieten.

Relaties en seksualiteit hebben dus drie doelen: voortplanting, levenseenheid en genieten.

Het O.T. spreekt verschillende keren over ‘gelijkgeslachtelijke seks’ als uitwas (Genesis 19 – Sodom; Rechters 19 – Gibea) of in algemene zin als gruwel in de ogen van de HERE (Leviticus 18:22 en 20:13).

In het N.T. was men binnen het Jodendom unaniem van mening dat gelijkgeslachtelijke seks ‘tegen de natuur’ inging. Opvallend is dat Jezus in Matteüs 19 aangeeft, dat in Gods koninkrijk zoals Hij dat brengt, gelovigen ervoor kunnen kiezen vrijwillig van het huwelijk af te zien om zich volledig in te zetten voor de Heer.

In de rest van het Nieuwe Testament zijn drie plaatsen te vinden waarin gelijkgeslachtelijke seks expliciet genoemd en afgewezen wordt. In 1 Korintiërs 6:9 en in 1 Timoteüs 1:10 gaat het zeer waarschijnlijk om homo-prostitutie.

Paulus schrijft in Romeinen 1:26-27 uitgebreid over gelijkgeslachtelijke seks. Het gaat tegen de door God geschapen orde in. Paulus gebruikt hier dezelfde woorden als in Genesis 1: ‘vrouwelijk’ en ‘mannelijk’. Bij seksueel verkeer tussen mensen van hetzelfde geslacht wordt de door de Schepper gestelde grens overschreden.

Het rapport trekt twee belangrijke conclusies uit dit hoofdstuk:

1/ In de Bijbel tref je alleen teksten aan die gelijkgeslachtelijke seks afkeuren.

2/ Nergens gaat het over aantrekkingskracht, verliefdheid, intimiteit of zielsverwantschap tussen twee mensen van hetzelfde geslacht.

Hoofdstuk 4 – Verschillende visies (rapport blz. 74-98, samenvatting blz. 13-19)

Dit hoofdstuk beschrijft hoe christenen op drie verschillende manieren aankijken tegen de vraag of en hoeveel ruimte er mag zijn voor homoseksuele relaties. Deze drie lenzen leveren vanuit de Bijbel waardevolle inzichten op, zowel ethisch als pastoraal. Elke lens leidt meestal ook tot een andere uitkomst. [Zelf voeg ik nog een vierde lens toe – zie hierna]

1/ De lens van de scheppingsorde

God schiep de mens mannelijk en vrouwelijk en stelde het huwelijk tussen man en vrouw in. Heel de Bijbel wijst op morele gronden elke vorm van seksuele omgang tussen mensen van hetzelfde geslacht af. Twee theologen die deze visie aanhangen zijn Wolter Rose (NGK-gkv) en William Webb (Amerikaans Baptist)

Vanuit dit standpunt is elke vorm van homoseksueel verkeer zonde, ook als het plaatsvindt binnen een relatie van liefde en trouw. Wie zo’n relatie heeft kan niet worden toegelaten tot het doen van openbare geloofsbelijdenis, de heilige doop en de viering van het heilig avondmaal en kan geen kerkelijk ambt vervullen.

2/ De lens van gebrokenheid

Als gevolg van de zondeval is veel van Gods oorspronkelijk bedoeling verstoord geraakt. Ook op het gebied van seksualiteit en relaties. In onze gebroken wereld maakt God Zich bekend en gaat Hij met mensen om. Hij geeft geboden en verboden en houdt ook rekening met de gebrokenheid. Drie theologen die deze visie aanhangen zijn Henk de Jong (NGK-ngk), Bert Loonstra (CGK) en Jan Mudde (NGK-ngk).

Vanuit dit standpunt is er ruimte voor homorelaties als ‘blijk van milde tegemoetkomendheid’, maar dit ‘noodverband’ is niet gelijk te stellen aan het huwelijk.

3/ De lens van variatie

God heeft in zijn schepping een veelkleurige variatie aangebracht, en dus zijn er naast mensen met een heteroseksuele oriëntatie ook mensen met een homoseksueleoriëntatie. Deze verrijkende minderheidsvariant is geen verarming of degradatie van Gods goede schepping en ook geen gevolg van de zondeval of een teken van gebrokenheid. Volgens het rapport is Ad de Bruijne (NGK-gkv) op een zeer genuanceerde wijze aanhanger van deze visie.

Vanuit dit standpunt komt men in het algemeen tot een volledige acceptatie van alle samenlevingsvormen. Het vraagt van een kerkelijke gemeente dat zij een ’inclusieve’ gemeenschap is waarin iedereen even welkom is ongeacht zijn seksuele oriëntatie en de aard van zijn levensverbintenis.

4/ De lens van de herschepping

Het is volgens mij onterecht dat volgens rapport Ad de Bruijne tot een “voorzichtige duiding van homoseksualiteit als variant” komt. Hij heeft wel veel waardering voor de ‘variatie’-lens, maar ziet een homoseksuele oriëntatie ten diepste als iets wat niet in Gods goede schepping voor komt. De relatie man-vrouw blijft hij beschouwen als een bijbels basisgegeven van het menselijk bestaan. Wat De Bruijne echter sterk benadrukt is, dat we seksualiteit niet alleen vanuit de schepping, maar ook vanuit de toekomst van Gods Koninkrijk moeten benaderen. Daarin heeft seksualiteit geen plaats meer. Hij bekijkt homoseksualiteit dus vooral door de vierde lens van de herschepping. In het Nieuwe Testament zie je daar nu al contouren van, bv. in de herwaardering van het ongetrouwd zijn. Op basis daarvan ziet De Bruijne ook ruimte voor homorelaties, al dan niet incl. seksuele gemeenschap.

Het rapport constateert dat bijna iedereen binnen onze kerken erkent dat de Bijbel zelf zonder enige uitzondering gelijkgeslachtelijke seks afwijst. Toch ziet de een wel en de ander geen ruimte voor homoseksuele relaties. Hierbij is het gezag van de Bijbel niet in het geding. Wel verschilt men van meningover de vraag of de Heilige Geest op dit onderwerp de bijbelschrijvers boven hun eigen tijd en cultuur uittilde, zodat het verbod op homoseksuele relaties voor alle latere tijden en culturen geldt, of dat de Heilige Geest door de eeuwen heen in nieuwe omstandigheden Gods kinderen ook nieuwe inzichten geeft die geheel in lijn met de Bijbel liggen. Het rapport roept aan het eind van dit hoofdstuk op om ruimte te geven aan de verschillen.

Hoofdstuk 5 – Het gesprek (rapport blz. 101-118, samenvatting blz. 19-22)

Dit hoofdstuk laat zien dat er tussen de opstellers van het rapport overeenstemming is over het volgende:

  • De Bijbel schrijft uitsluitend in veroordelende zin over gelijkgeslachtelijke seks.
  • Homoseksualiteit is een modern concept dat je als zodanig niet terug kunt vinden in de Bijbel.
  • Basale verlangens naar geborgenheid, een maatje, intimiteit, iemand met wie je een nieuwe levenseenheid zijn door de HERE God Zelf ook in homoseksuele mensen gelegd.
  • De opvatting dat een homoseksuele oriëntatie een directe uiting is van zonde of verkeerde keuzes wordt nadrukkelijk afgewezen.
  • De seksuele omgang tussen man en vrouw is een scheppingsgegeven met het oog op de voortplanting. Het is dus meer dan een variant binnen het spectrum van de menselijke seksualiteit. Dit heeft gevolgen voor hoe je, als het om homoseksualiteit gaat, over relatievorming en kinderwens denkt.
  • De gemeente van Christus moet een veilige plek voor LHBTI’ers zijn.

De opstellers van het rapport verschillen van mening over de vraag of er binnen de gemeente van Christus ruimte mag zijn voor duurzame, uit liefde gegroeide homoseksuele relaties waarbinnen ook de seksuele omgang een plek heeft. Daarom kan één van hen, Wolter Rose, zich niet vinden in de keuzes die in hoofdstuk 6 gemaakt worden. Hij verantwoordt dat in hoofdstuk 7.

Hoofdstuk 6 – Keuzes maken (rapport blz. 121-138, samenvatting blz. 22-34)

Dit hoofdstuk bevat een aantal voorstellen m.b.t avondmaal, ambten en kerkelijke inzegening van homo-relaties. De Bijbel kent het verschijnsel van een homoseksuele oriëntatie niet, maar wel het herkenbare en diep-menselijke verlangen om niet alleen door het leven te gaan, zoals ook homo’s en lesbiennes dat hebben. De HERE is een barmhartig God en legt mensen geen ondraaglijke lasten op. In de gebrokenheid van dit bestaan kunnen homoseksuele relaties in liefde en trouw daarom geaccepteerd worden. Dat betekent dat iedereen die zich door God geroepen voelt om ongetrouwd door het leven te gaan, respect en ondersteuning verdient. Het betekent ook dat iedereen die het voor God kan verantwoorden om in liefde en trouw een relatie aan te gaan met een partner voor het leven, een volwaardige plek in de gemeente Christus mag hebben. Dit leidt tot de volgende adviezen:

6.2 Heilig Avondmaal

  • Laat homoseksuele broers en zussen die leven in een relatie van liefde en trouw toe tot het Avondmaal.

De motivatie hierbij is, dat het samenleven in een homoseksuele verbintenis van liefde en trouw geen grotere zonde is dan zoveel andere vormen van kwaad in onze cultuur en samenleving waaraan we ons allemaal schuldig maken.

6.3 Homoverbintenissen

  • Stel een nieuwe studiecommissie in om de vragen rondom het al of niet zegenen en/of bevestigen van homoverbintenissen en homohuwelijken te beantwoorden.

De motivatie hierbij is, dat men erkent dat er bijbels gezien een onderscheid blijft tussen het huwelijk tussen man en vrouw en het homohuwelijk. Het is-gelijk-teken dat de overheid tussen beide gezet heeft, kan de kerk niet zomaar overnemen. Aan de andere kant mag geen enkele vorm van een totaalrelatie die twee gelovige mensen voor het leven aangaan binnen de gemeente van Christus vrijblijvend van aard zijn.

6.5 Ambten

  • Plaatselijke kerken mogen kerkleden die in een homoseksuele relatie leven toelaten tot de ambten als daar binnen de gemeente voldoende draagvlak voor is.

Sommige opstellers willen hier terughoudend in zijn omdat ze homo’s die bewust ongetrouwd willen blijven niet in gewetensnood willen brengen. Andere opstellers vinden dat als we een duurzame relatie in liefde en trouw accepteren, dat ook geen belemmering voor het ambt mag zijn.

  • Stel een nieuwe studiecommissie in als het gaat om de vraag of we landelijk ook kerkleden die in een homoseksuele relatie leven kunnen toelaten in het ambt van predikant.

De motivatie hiervoor is, dat predikanten in het hele kerkverband mogen preken en de sakramenten bedienen, en er dus ook regionaal en landelijk voldoende draagvlak moet zijn.

Hoofdstuk 6 eindigt met de oproep om elkaar in liefde te verdragen, ook als kerken plaatselijk verschillende afwegingen maken. Paulus geeft immer aan in Romeinen 14 en 15, dat elke christen naar eer en geweten voor Gods aangezicht z’n eigen keus maakt. Dat mag ook elke plaatselijke kerk biddend doen.

Hoofdstuk 7– Een zijspoor, een dwaalspoor (rapport blz. 144-160, samenvatting blz. 34-35)

In dit hoofdstuk geeft Wolter Rose aan waarom hij niet kan instemmen met de inhoud en de adviezen van de overige opstellers in hoofdstuk 6. In zijn optiek is een homoseksuele oriëntatie niet verkeerd of zondig, maar roept Jezus zijn volgelingen dan op om in seksuele onthouding te leven en te kiezen voor het celibaat. Het rapport schuift volgens hem met een beroep op de barmhartigheid van God het duidelijke onderwijs van heel de Bijbel als het om ‘gelijkgeslachtelijke seks’ gaat op een zijspoor. De kern van Rose’s bezwaren zit ‘m vooral hierin: er wordt geen rekening mee gehouden dat Gods woorden in de Bijbel ook bedoeld zijn om onze opvattingen te corrigeren. We moeten het bijbels onderwijs over huwelijk en seksualiteit onvoorwaardelijk accepteren, zonder argumenten van buiten in te voeren om tot andere conclusies te komen. Ook vindt hij het vreemd dat de meerderheid zich op Romeinen 14+15 beroept om elkaar de ruimte te geven, terwijl uit het hele onderwijs van Paulus blijkt, dat keuzes op dit terrein juist niet onder de christelijke vrijheid vallen. Door op dit onderwerp alles in de vrijheid van de plaatselijke kerken te laten, leggen we met mooie woorden ten diepste Gods Woord naast ons neer en wordt de Bijbel een soort ‘wassen neus’, vatbaar voor elke interpretatie.

Het tweede deel van het rapport (blz. 172-230) bevat een verdieping met als onderwerpen: # Homoseksualiteiten van de negentiende tot de eenentwintigste eeuw — een verkenning; # Biologische aspecten van geslacht, gender en seksuele oriëntatie; # Identiteitsontwikkeling en trends; # Persoonlijke reflecties van de opstellers. Het derde deel (blz. 231-246) geeft praktische tips en adviezen voor het gesprek binnen de kerk. In de samenvatting van het rapport wordt dit allemaal kort genoemd (blz. 35-38)

EENZIJDIGE SOLIDARITEIT MET ISRAEL

Israel in het Oude Testament is niet hetzelfde als Israel in het Nieuwe Testament en is niet hetzelfde als Israel vandaag. Wie dat onderscheid niet maakt, loopt het risico om te vervallen in eenzijdige solidariteit met Israel. In die fout verviel volgens mij Chris Stoffer, de partijleider van de SGP. Hij bracht begin januari met een aantal parlementariërs uit andere Europese landen een ‘solidariteitsreis’ aan Israel. Hij deed dit, zei hij, in het Nederlands Dagblad, vanuit een diepe liefde voor Israel. Hij ging met het leger op stap, sprak met een slachtoffer van de barbaarse slachting die Hamas op 7 oktober aanrichtte en met president Herzog over de traumatische gevolgen voor heel de Israelische bevolking.

Nu is er niks mis mee om solidair te zijn met Israel, nadat het op 7 oktober jl. aangevallen is door een terreurorganisatie die, gedreven door intense Jodenhaat, de totale vernietiging van de Joodse entiteit in Palestina nastreeft. Het gevolg van de pogrom van Hamas is ongenadige Jodenwraak, want Israel wil er alles aan doen om de terreur van Hamas te stoppen en de 500 km (dat is van Groningen naar Berlijn !!) aan tunnels te vernietigen, waarvan de in- en uitgangen bewust onder woningen, scholen, ziekenhuizen en moskeeën zijn aangebracht. Ik begrijp heel goed dat voor Israel een staakt-het-vuren voorlopig nog niet aan de orde is. Voor al het leed van de 2 miljoen inwoners van Gaza is Hamas de eerstverantwoordelijke. Dat durven, ondanks de enorme repressie door Hamas, ook steeds meer burgers van Gaza hardop te zeggen. Pas als Hamas de oorlog beëindigd en de gijzelaars vrij laat, is er een kans op vrede (vinden ook deze twee Palestijnen uit Gaza).  

Israel-bezoek Chris Stoffer

Maar je kunt ook op een eenzijdige manier solidair met Israel zijn. Op Twitter merkte ik op, dat het een gemiste kans was dat Stoffer geen Palestijnse christenen had bezocht, omdat die makkelijk te vinden zijn in Israel, waar 20% van de burgers een Arabisch/Palestijnse identiteit heeft. Ook was hij niet op de Westelijke Jordaanoever wezen kijken hoe terror-kolonisten met hun cowboy-gedrag hun kans schoon zien om, gesteund door een wegkijkende overheid, aan ordinair landjepik te doen en de oorspronkelijke Palestijnse bevolking van hun rechtmatige geboortegrond te verdrijven. Dan loop je toch echt wel aan de leiband van de rechtse regering van Netanyahu.

De SGP-leider reageerde op Twitter als door een wesp gestoken. Hij kwam genoeg mensen tegen die de Palestijnse zaak behartigen, zei hij, maar hij was juist “in Israel geweest om SOLIDARITEIT te tonen met Israël.”

Die wat allergische reactie van de SGP-leider (de hoofdletters waren van hem) is volgens mij het gevolg van een diepe liefde voor Israel die uitgaat van de gedachte: Israel OT = Israel NT = Israel nu. Dat lijkt mij een nogal twijfelachtige, onzorgvuldige en, als je consequent doordenkt, niet bijbelse redenering. De kern daarvan bestaat uit de gedachte: ‘Israel’ staat altijd gelijk aan ‘het Joodse volk’. En omdat Israel in het Oude Testament ‘Gods oogappel’ genoemd wordt (Deut. 32:10, Jer. 31:20, Zach. 2:12), blijft dat ook zo in het Nieuwe Testament, ook al hebben ze in meerderheid Jezus verworpen, en is dat vandaag nog steeds zo als het om het land en (80% van het) volk en de staat Israel gaat.

Wat zegt de Bijbel?

Wie de Bijbel leest vanuit Jezus Christus als centrum, weet dat Abraham door de HERE is uitgekozen om via zijn nakomelingen alle volken tot een zegen te zijn (Gen. 12:3). Voortdurend wordt al in het Oude Testament benadrukt, dat niet iedere geboren Israeliet het ook werkelijk is, want het gaat niet om de uiterlijke besnijdenis, zeggen Mozes en Jeremia (Deut. 30:6, Jer. 4:4, 9:25), maar om de besnijdenis van het hart. Na Pinksteren benadrukt Paulus dat ook: Jood is men niet door uiterlijkheden, en het gaat ook niet om de uiterlijke, lichamelijke besnijdenis; Jood zijn is iets innerlijks en de besnijdenis is die van het hart (Rom. 2:29). Voortdurend lees je ook in het Oude Testament, dat het heil van God voor alle volken bestemd is. Vanaf Pinksteren gaat dat in vervulling, bv. Psalm 87.  Dan wordt overduidelijk, dat iedereen welkom is en zich mag aansluiten bij “het Israel van God” (Gal. 6:16b). Want het ware, geestelijke Israel bestaat, net als in het Oude Testament,  uit allen die in het geloofsspoor van Abraham gaan en in Jezus Christus geloven als de door God beloofde en gekomen Messias.

Dat vroeg een omkeer van denken die er bij de apostelen en de eerste christenen maar moeilijk inging. Zij verwachtten binnen afzienbare tijd het herstel van het koningschap in Israel, maar Jezus zei: ‘Wees mijn getuigen tot aan de einden der aarde.’ (Hand. 1:6-8). Petrus wilde er eerst zelf niet aan en moest zich later verdedigen dat hij de Romein Cornelius had bezocht en hem zo maar, alleen op z’n geloof, had toegelaten tot Gods volk op aarde (Hand. 10:1-11:18). Even later kregen Paulus en Barnabas bakken vol kritiek over zich heen omdat de gelovigen uit de heidenen zich niet aan allerlei Joodse wetten hoefden te houden (Hand. 15). Het zat diep ingesleten in het denkpatroon van de eerste christenen: heidengelovigen zijn welkom bij ons, joodse gelovigen, maar dan moeten ze zich wel aan de oude regels houden. Maar na het grote apostelcongres waren Petrus en Jakobus er, onder leiding van de Heilige Geest, wel uit: christenen uit de Joden en christenen uit de heidenen worden op dezelfde manier gered, namelijk door de genade van de Heer Jezus, en zo herstelt de Heer het vervallen huis van David, waartoe nu alle christenen afkomstig uit het Joodse volk en uit de heidenen behoren (Hand. 15:11-18). Ook Paulus sloot zich hierbij aan: sinds Pinksteren maakt God geen enkel onderscheid meer en delen alle christenen in het burgerschap van het ene, geestelijke Israel (Ef. 2:11-22).

Heeft Israel een speciale plek?

Wie vandaag nog een speciale plek voor het land Israel en voor het Joodse volk ziet weggelegd, maakt dezelfde denkfout als de apostelen en een deel van de eerste Joodse christenen uit Handelingen. Het gaat na Pinksteren niet meer om dat ene Joodse volk, waarbij de rest van de wereld zich mag aansluiten. Het gaat om de ene Heer, Jezus Christus, en iedereen wordt opgeroepen zich in geloof bij Hem aan te sluiten, ongeacht nationaliteit, afkomst en geslacht. Dat is sinds Pinksteren Gods volk op aarde, Gods oogappel, de bruid van Christus.

Heeft het Joodse volk en het land Israel dan nog een speciale plek in Gods plan met de wereld? Ik denk van niet. Alle beloften van God waren op Christus gericht en zijn in Christus vervuld. Wat nog uitstaat is voor iedereen bestemd tot aan de uiteinden van de aarde, zoals de Psalmen zingen en Jesaja profeteert.

Is er dan geen verschil? Jawel: Joden die tot geloof in Jezus komen, komen er achter dat Hij de Messias is die in hun eigen Tenach is aangekondigd. Hetzelfde geldt in mindere mate voor moslims die tot geloof komen: zij kenden Jezus in hun Koran eerst alleen maar als de profeet Isa. Dat is een heel andere manier van thuiskomen dan vanuit het heidendom. Maar ik geloof er niets van dat God twee lijntjes heeft lopen om mensen tot Zich te trekken. Of dat Hij twee plannen heeft, eentje met het Joodse volk, waarvan iedereen die naar Israel emigreert meer rechten zou hebben op het beloofde land dan de Palestijnse bewoners van wie de stamboom soms teruggaat tot 400 na Christus. Want de God van Jezus Christus, die via Israel tot de wereld gekomen is, wil de God van alle volken, incl. het joodse volk, zijn. Niet het land Kanaän, maar heel de aarde is voor de zachtmoedigen bestemd, zegt Jezus (Mat. 5:5) en wie Hem volgt door zich aan Gods geboden te houden, zal het niet goed gaan in het beloofde land Kanaän, maar hier op aarde (Ef. 6:3).

De oude Simeon zong het al toen hij het kindje Jezus in de armen nam: “Met mijn eigen ogen heb ik de redding gezien die U bewerkt hebt ten overstaan van alle volken: een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van Israel, uw volk.” (Luk. 2:30-32).

Eerder geplaatst als opinie-artikel onder de titel “Bezoek SGP-leider Stoffer legt eenzijdige solidariteit met Israël bloot” op CVandaag 11 januari 2024

‘O God, verlos onze Palestijnse medechristenen uit al hun benauwdheden’

Op 13 november schreef ik voor CVandaag het opiniestuk ‘Bijbelse retoriek van sommige pro-Israël christenen is ongepast‘ over christenen die met een beroep op het Oude Testament onvoorwaardelijk de kant van Israel kiezen in het conflict met de Palestijnen. Hieronder volgt de tekst van dat opiniestuk. Maar eerst nog twee vooropmerkingen.

In het Nederlands Dagblad van 27 november stond een interview met Bernard Reitsma die goed onder woorden brengt hoe ongerijmd het is om allerlei profetieën en beloften van God zomaar op het Israel van nu te plakken.

Op 28 november publiceerde CVandaag een interview met Willem Ouweneel, die van mening is dat alleen christenen die wél geloven dat de Bijbelse profetieën over en beloften aan Israel vandaag in vervulling gaan. Volgens hem horen ‘vrijzinnigen’ én ‘aanhangers van de vervangingstheologie’ niet bij de ‘bijbelgetrouwe gelovigen’. Zelf zet hij een is-gelijk-teken tussen Israel toen en Israel nu. “Terwijl het volk Israël in het Oude Testament streed tegen de Amalekieten of de Filistijnen, zo strijdt het volk nu tegen Hamas.” En dus vindt hij het volkomen terecht dat om Psalm 25 vers 22 (O God, verlos Isral uit al zijn benauwdheden) op de politieke situatie van vandaag toe te passen, zoals de organisatie ‘Christenen voor Israël’ meteen na de pogrom van Hamas deed.

Voor mij was het aanhalen van Psalm 25 vers 22 juist de reden om in CVandaag onderstaand opiniestuk te schrijven. Ik had daarbij zelf als kop de titel bedacht: ‘O God, verlos België uit al z’n benauwdheden’ of ‘Als je Bijbel en politiek door elkaar haalt’.

Een aantal jaren geleden bezocht ik met een groep jongeren van 18-20 jaar een gebedsuur tijdens de jaarlijkse Week van Gebed. In drie rondes mochten we in groepjes bidden voor ‘de kerk’, ‘de wereld’ en ‘Israel’. Eén van de jongeren vroeg zich hardop af: “Waarom Israel? Waarom niet België?” Ik heb zijn verbaasde opmerking altijd onthouden. Inderdaad, waarom zou je als christen apart voor het land en de staat en de Joodse burgers van Israel bidden, meer dan voor andere landen en mensen?

Sinds de gruwelijke oorlog in Israel en Gaza die Hamas op 7 oktober jl. ontketend heeft, zijn er veel christenen die Bijbelteksten citeren om hun steun aan Israel te betuigen. De november-editie van Israëlaktueel, het blad van ‘Christenen voor Israël’, plaatste op de voorpagina een grote foto met in vetgedrukte letters: “O God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden.” Psalm 25:22 

Nu sta ik achter Israel als het gaat om z’n bestaansrecht. En ik sta achter Israel als het gaat om het recht zichzelf te verdedigen tegen de intense Jodenhaat van Hamas en anderen die Palestina van de rivier tot de zee ‘Judenfrei’ willen maken.

Ik begrijp ook, dat premier Netanyahu het Oude Testament gebruikt om het bestaan van Israel als vrije natie te legitimeren. Want hij is zelf een Jood. Vanuit zijn perspektief heeft het Joodse volk een historisch, goddelijk recht om het land te bewonen dat God hen beloofd heeft.

Het is opmerkelijk dat Natanyahu al op 22 september 2023 tijdens zijn toespraak bij de Verenigde Naties in New York een bijbelgedeelte aanhaalde. Hij hield de leden van de Algemene Vergadering voor, wat er volgens Deuteronomium 27 en 28 op de bergen Ebal en Gerizim gebeurde, toen Israel het beloofde land binnentrok. “Mozes zei dat het lot van het volk bepaald zou worden door de keuze die zij zouden maakten tussen ‘de zegen en de vloek.’ Diezelfde keuze heeft door de eeuwen heen weergalmd – niet alleen voor het volk van Israël, maar voor de hele mensheid. We staan ​​vandaag voor een dergelijke keuze. Het zal bepalen of we de zegeningen zullen genieten van een historisch stukje grenzeloze welvaart en hoop, of zullen lijden onder de vloek van een gruwelijke oorlog van terrorisme en wanhoop,” aldus Netanyahu. Hij zei dit omdat Israel en Saoedi-Arabië binnenkort een vredesakkoord zouden ondertekenen. Dat “zal werkelijk een nieuw Midden-Oosten creëren.” Maar, waarschuwde hij erbij, “er zit een addertje onder het gras zit. Het radicale, giftige terreurregime in Teheran is vastbesloten dit alles te dwarsbomen en nog meer vernietigingszaden in het Midden-Oosten te zaaien.” (zie bron)

Amper twee weken later bleek hoe giftig die adder was, met alle gevolgen van dien tot de dag van vandaag. Intense Jodenhaat leidt tot onbarmhartige Jodenwraak. Op 25 oktober sprak Netanyahu het Israelische volk toe en verwees daarbij naar een profetie van Jesaja. “Onze oorlog tegen Hamas is een test voor de hele mensheid. Het is een strijd tussen de as Iran-Hezbollah-Hamas van het kwaad en de krachten van vrijheid en vooruitgang. Licht zal duisternis verslaan. Met vereende kracht, met een diep geloof dat we een gerechtvaardigde strijd voeren en dat Israel eeuwig zal bestaan, zullen we de profetie van Jesaja 60:18 realiseren: ‘Van geweld in je land wordt niets meer vernomen, noch van verwoesting en rampspoed binnen uw grenzen. Je zult je muren Redding noemen en je poorten Roem.’ Samen zullen we vechten en samen zullen we overwinnen.” (zie bron)

Netanyahu verwijst naar het Oude Testament omdat hij het ziet als Gods boek voor het Joodse volk. Christenen zien dat anders. Gods boek bestaat uit twee delen en gaat over Gods belofte en de realisatie ervan dat Hij Jezus Christus zal sturen om heel de wereld te bevrijden van zonde en schuld en van de aarde weer een paradijs van vrede en veiligheid te maken. Iedereen die vóór zijn komst Jezus als Messias en Redder verwachtte en tijdens zijn leven op aarde in Hem geloofde en iedereen die daarna vanaf Pinksteren Hem als Messias en Redder erkent, hoort bij dat ene volk van God. Al die mensen, die in Christus een nieuwe schepping zijn, zijn “het Israel van God” en delen in de vrede en barmhartigheid dankzij het kruis van Jezus Christus onze Heer, zoals Paulus in Galaten 6:14-18 zegt. Dat ware Israel bestaat uit alle mensen die wandelen in het voetspoor van het geloof van Abraham (Romeinen 4:12).

In het Oude Testament koos God voor het smalspoor van het Joodse volk. Alleen incidenteel traden er ook gelovigen uit de heidenen toe. Sinds Pinksteren verbreedt God Zelf “het burgerschap van Israel” tot heidenen en Joden die zich verbonden weten met Christus en die dankzij Hem samen door één Geest toegang hebben tot de Vader (Efeziërs 2:11-22). Geen wonder dat Paulus daarom ook de belofte dat God het land Kanaän aan de nakomelingen van Abraham, Isaak en Jakob zal geven, zonder problemen verbreedt tot “een goed en lang leven op aarde” (Efeziërs 6:3).

Het lijkt mij daarom ongepast om Bijbelteksten over Israel uit het Oude Testament toe te passen  op steun aan de staat en de Joodse burgers van Israel vandaag. Dan krijg je van die vreemde toepassingen zoals ‘Christenen voor Israel’ dat je een Psalm over persoonlijke geloofsvervolging uit het jaar 1000 vóór Christus gaat toepassen op de politieke situatie in Israel anno 2023.

Voor je het weet, praat je daarmee ook andere ontwikkelingen goed, zoals het wangedrag van de Joodse kolonisten op de Westelijke Jordaanoever, die als gangsters de lokale Palestijnse bevolking verjagen, omdat heel Judea en Samaria door God aan het Joodse volk beloofd is. En zelfs Gaza zou dan geheel gezuiverd mogen worden van de niet-Joodse bevolking, want er staat immers in Rechters 1:18: “Ook veroverden de Judeeërs het hele gebied van Gaza, het hele gebied van Askelon en het hele gebied van Ekron.”

Van dit soort bijbelse retoriek zouden christenen zich verre moeten houden. Het zou veel mooier zijn als mijn geloofsgenoten van ‘Christenen voor Israël’ het Oude Testament weer via de lens van Messias Jezus (Pasen) en zijn Heilige Geest (Pinksteren) gaan lezen. Dan zeg je in 2023 met Psalm 25 vers 22: ‘O God, verlos de Eritrese en Noord-Koreaanse christenen uit al hun benauwdheden.” Of nog beter, betrek deze Psalm op de Palestijnse christenen, die al eeuwenlang het land bewonen, van wie sommigen een stamboom hebben die teruggaat tot 400 na Christus en van wie de voorouders misschien wel met Pinksteren op het tempelplein stonden en bij de eerste 3000 christenen hoorden die Jezus als Messias erkenden en zich lieten dopen. Vanuit de onopgeefbare en onvoorwaardelijke verbondenheid die christenen wereldwijd met elkaar voelen bid ik als eerste voor hen: “O God, erbarm U over onze Palestijnse broeders en zusters die klem zitten tussen twee onverdraagzame vuren.”

Wat een geluk dat ik in Nederland woon! – Dankdag 2023

Het gaat goed met Nederland! De mannen zijn jong en vol kracht, de vrouwen zijn mooi en sterk. Alle voorraadkasten en bankrekeningen zijn goed gevuld, vol met voedsel, meer dan genoeg saldo. In de weilanden lopen koeien, schapen en geiten, het zijn er ontelbaar veel. Ze produceren een overvloed aan melk, vlees en wol. In Nederland wordt niemand aangevallen en niemand hoeft te vluchten. Niemand huilt, niemand heeft verdriet. Gelukkig zijn mensen die een goed leven hebben. Ja, de mensen in Nederland zijn meer dan gelukkig! (vrij naar Psalm 144:12-15 BGT)

Wat een geluk dat ik in Nederland woon!

  1. Waar de jeugd nog steeds een toekomst heeft

Op de eerste woensdag van november vieren veel christenen dankdag voor gewas en arbeid. Maar als David na een moeilijke periode God gaat danken voor alle zegeningen, begint hij op een bijzondere manier. Onze meest kostbare gewassen en bouwwerken, dat zijn onze kinderen, onze zonen en dochters. Hen zet David voorop. Want jongeren zijn de toe­komst van de kerk en de toekomst van het land. Daarom vraagt David: laat onze zonen gezond en sterk opgroeien. Lichamelijk én in het geloof. Allebei.

Het gaat bij jongens niet alleen om uitgaan en veel verdienen. God vindt het veel belangrijker wáár je opgroeit. Dicht bij water. In de Bijbel is water bijna altijd het beeld van God en Jezus. Zij zijn de bronnen van levend water. En let dan op wat er bij staat: in hun jeugd met ​liefde​ verzorgd. Hoe bijzonder is dat! Dat je als ouders en als volwassenen zo met je jongeren omgaat, dat geen sprake is van scheefgroei, maar van geestelijke groei, qua karakter en qua geloof. Dat maakt van onze jongens krachti­ge, jonge bomen, jong en vol kracht, van wie je later veel vruchten kunt verwachten. Hoe mooi is dat! Hetzelfde geldt voor onze dochters, zegt David. Hij vraagt God, of ze sierlijk mogen zijn. Lichamelijk én in het geloof. Allebei.

Het gaat bij meiden niet alleen om het uiterlijk en om versierd te worden. God vindt het veel belangrijker dat je je als persoon goed ontwikkelt. Als een hoekzuil van een paleis. In de Bijbel is dat vaak het beeld van Gods huis, zijn tempel, de kerk. Dáár wil God jou als meisje, als jonge vrouw, een speciale plek geven. En let dan op wat er bij staat: zo sierlijk gesneden. Hoe bijzonder is dat! Dat je als ouders en als volwassenen zo met je jongeren omgaat, dat ze innerlijk gevormd worden met een eerlijk, gelovig karakter. Dat maakt van onze meiden een lust voor het oog, ook in het oog van God! Dan word je iemand op wie anderen kunnen bouwen. Hoe mooi is dat!

Als de HERE zulke jongeren geeft, is dat iets om voor te danken. Van alle welvaart is dit toch wel het belangrijkste: dat onze kinderen goed terecht komen, op hun eigen plek en werk, met vrienden en misschien man of vrouw. En, nog belangrijker, dat ook zíj in het geloof God als hun Vader zien en in de voetsporen van Jezus willen gaan. Dat is ook een zegen op de arbeid van ouders, nl. Gods zegen op de geloofsopvoeding. Daarvoor mag je op dankdag de HERE ook hartelijk danken

Wat een geluk dat ik in Nederland woon!

  1. Waar de welvaart nog steeds op peil is

Toch blijft David daar niet bij stil staan. Hij zoekt het goede voor zijn volk, en daarom durft hij God ook om een bloeiende handel en een krachtige eko­nomie te vragen. Niemand in het land mag honger leiden of onder de armoedegrens raken. Vandaar de vraag om goed gevulde schuren en een uitgebreide veestapel. Schapen en geiten waren er vooral voor het vlees en de wol en het leer. Ook de runderen worden genoemd. Er staat ‘onze kudden doorvoed’, maar alle andere vertalingen hebben het over ‘runderen’. Je kunt het ook vertalen met: ‘dat onze runderen zwaarbeladen zijn’, zoals de HSV het doet. Daarmee komt ook de transportsector in beeld, in die tijd het vervoer van allerlei produkten naar de markt of naar de molens of naar de leerlooiers of naar de slachterijen. Die leveren weer aan de bakkers, de schoenmakers en de slagers. Zo komt de hele bevolking aan eten en kleding. Met elkaar leveren we met ons werk en met onze inzet een bijdrage aan de welvaart van het land. Ieder op zijn of haar door God gegeven plek. Soms is het elke dag hetzelfde, soms is het heel afwisselend. Het zijn allemaal kleine beekjes, die sámen één grote bron van welvaart vormen. Maar zie je ook die ene andere bron, waar al die beekjes vandaan komen? Zie je die zegen ook? Dat is Gods goedheid, die zich over het hele land verspreidt.

Wat een geluk dat ik in Nederland woon!

  1. Waar we nog steeds in veiligheid leven

Er is nog iets waar David God hartelijk voor bedankt. Er is vrede in heel het land! Je hoeft niet bang te zijn voor een vijandelijke inval. Je hoeft je niet bang te zijn dat je morgen moet vluchten. Hoe anders is dat in andere gebieden waar het oorlog is – in Oekraine, in Israel en de Palestijnse gebieden. Hoe anders is dat in landen waar  natuurrampen plaatsvinden – aardbevingen en overstromingen.

Maar hier in Nederland? Iedereen mag hier in alle vrijheid leven en z’n mening geven. Bijna iedereen gaat er in 2024 op vooruit. Kijk es om je heen in de wereld en besef hoe gezegend we in vergelijking daarmee zijn! Geen enkele reden voor een weeklacht op de pleinen, zoals David het zegt. 

Wat een geluk dat ik in Nederland woon!

  1. Waar we nog steeds in God mogen geloven

Ondertussen wordt er wat afgemopperd in Nederland. Hoe zou dat nu zo komen? Nou, als David zegt: ‘Gelukkig het volk dat zo mag leven’ – met gezonde kinderen, met een hoog welvaartsniveau en in een vrij en veilig land, dat wil iedereen wel!

Maar als David daar dan aan toevoegt: ‘Gelukkig het volk dat de HERE als God heeft’ – die afsluiter is voor veel mensen eerder een afknapper. Nee, laat dat maar zitten. Een fijn en gezond gezin, een mooi huis, zonder zorgen kunnen genieten – dat maakt veel mensen gelukkig. Maar het geloof in God? Geloven is achterhaald. Geloven is regeltjes. Geloven legt alleen maar beperkingen op. En zelfs als er al een God zou zijn, dan bemoeit Hij Zich niet met die tijdelijke dingen. ‘Daar had Jezus geen verstand van’, zei eens een liberale boer, toen iemand tegen hem zei: ‘Zie je de zegen van God ook?’

Die boer is vast niet de enige. Sterker nog … als christen denk je dat ook wel eens, toch? Zo door de week kost het best wel moeite dat verband te blijven zien tussen Gods zegen en ons werk. Maar als je erover nadenkt, dan zie je als christen toch wel dat bijna iedereen iets heeft om voor te danken? Als kind mooi speelgoed en vrienden op school, als jongere een opleiding en je hobby’s, als volwassene je werk en je gezin, als oudere de aanvullende zorg als je nog zelfstandig woont, in het seniorencomplex of in het verzorgingstehuis.

Onze goede God laat Psalm 144 nog steeds, ook in 2023, in vervulling gaan. Wat welvaart betreft komen de meesten van ons niets veel tekort. Die gewone dingen hebben ook met het geloof te maken. God vindt het niet beneden zijn stand om voor al die dagelijkse behoeften te zorgen. Hij regelt de vrucht­baarheid van koeien, schapen en de velden. Hij geeft paarden hun kracht. Hij vergeet zelfs de mussen op het dak niet.

Laten we niet vergeten onze hemelse Vader voor al die gewone zaken te danken. Want, zegt de Heidelbergse Catechismus in Zondag 45, al die goede dingen zijn van God afkom­stig, en onze inspan­ning, ons werk en zelfs alles wat God ons geeft, is op zichzelf zinloos, omdat we er zonder Gods zegen niets aan hebben.

Veel Nederlanders willen vooral geluk. God wil jou en mij meer geven: zijn zegen. Ook in de gewone dingen. Als je in voorspoed leeft, word je pas gelukkig als je God de eer daarvoor geeft. En alleen als je Jezus hebt, ben je pas echt rijk.

12 Onze zonen zijn als jonge planten, in hun jeugd met ​liefde​ verzorgd, onze dochters als de hoekzuilen van een paleis, zo sierlijk gesneden, 13 onze schuren gevuld, van voorraad en voedsel voorzien, onze schapen en ​geiten, met duizenden, met tienduizenden op onze velden, 14 onze kudden doorvoed, geen inval, geen uittocht, geen weeklacht op onze pleinen. 15 Gelukkig het volk dat zo mag leven, gelukkig het volk dat de HEER als God heeft. Psalm 144 : 12 – 15 (NBV21)

HAMAS EN HET CHRISTELIJKE ‘ISRAËLISME’

Onder deze titel publiceerde dr. Steven Paas op 10 oktober 2023 dit artikel op LinkedIn. Hij laat zien dat zowel de haat tegen het huidige Israel als de liefde voor het huidige Israel gevoed worden door dezelfde wortel: een extreme religieuze fixatie op het land en het volk van de Joden. Met zijn instemming mag ik zijn artikel ook hier delen.

Giftige hartstocht

Zaterdagochtend 7 oktober begon een moorddadige terreur-aanval op Israël door de Palestijnse ‘Islamitische verzetsbeweging’ Hamas. Het Arabische woord ‘hamas’ betekent zoiets als: hartstocht, ijver. In dit geval hebben die woorden een zeer giftige lading. Ze staan nu voor een afschuwelijke moordpartij op niets vermoedende Israëlische burgers onder wie veel jonge mensen. Het betreft ernstige oorlogsmisdaden die onmiddellijk onze sympathie voor Israël wekken. Ook onder de Palestijnn vallen veel onschuldige slachtoffers. We leven mee met de nabestaanden van alle partijen en met de gegijzelden en we bidden voor hen

Voor veel christenen bevestigt de terreurdaad van Hamas de opvatting dat hier opnieuw sprake is van een aanval op ‘Gods oogappel’, die in wezen gericht is tegen Gods plan voor de wereld. Dat doet me denken aan woorden van de directeur van ‘Christenen voor Israël’, Cornelis Kant. Onlangs poneerde hij de altijd durende betekenis van Israël en het Joodse volk in Gods heilsplan voor de wereld (‘the everlasting significance of Israel and the Jewish people in God’s salvation plan for the world.’). De gepassioneerde Israël-haat van Hamas staat lijnrecht tegenover de religieuze Israëlverheffing door veel hedendaagse christenen. Tegelijk hebben ze meer met elkaar te maken dan hun vertegenwoordigers zouden willen.

Doorgetrokken heil-positie

Kant vertegenwoordigt met zijn bewering de opvatting van christenen die menen dat ‘Israël’ – meestal wordt daarmee het Joodse volk of de moderne Israëlische staat bedoeld – een uitzonderlijke religieuze positie in Gods heilsplan heeft en een bijzondere glorierijke toekomst tegemoet gaat. Dat leidt men af uit een bepaalde interpretatie van de profetische beloften van herstel en verlossing voor Israël in het Oude Testament. Het Nieuwe Testament zou die specifieke heilsbeloften voor Israël bevestigen. Vaak wordt dan gewezen op het Jood-zijn van Jezus en op Romeinen 9-11, waar Paulus met de woorden ‘zo zal heel Israël zalig worden’ (11:26, HSV) een massale bekering van het Joodse volk in het vooruitzicht zou stellen. Niet zelden verbindt men aan die interpretatie een verwachting van een wereldomvattende bloeitijd voor de Kerk.

In verschillende publicaties (op LinkedIn verzameld onder: ‘Focust de Bijbel op Israël of op Jezus Christus?’ ) heb ik onderzoek gedaan naar dat doortrekken naar het huidige Joodse volk van de oudtestamentische bijzondere uitverkorenheid van Israël als demonstratie van Gods handelen met de wereld. Mijn conclusie is dat deze veronderstelling stuit op veel bezwaren in de Schrift, zowel hermeneutisch als exegetisch. Immers, het specifieke verbondshandelen van God met Israël – als metafoor voor Zijn handelen met de wereld –  is een voorafschaduwing van de definitieve vervulling ervan door Christus. In Christus wordt Israël niet vervangen door de Kerk. Maar in Hem is wat God bedoelde met Israël geldig voor alle volken voor wie Israël als voorbeeld diende, zonder onderscheid. Onder de nieuwe bedeling van Gods genadeverbond is Israël nog steeds cultureel uniek en waardevol, evenals elk volk en land, maar in Gods plan met de wereld is het Joodse volk niet uitzonderlijker dan alle andere volken. Dat plan kent geen raciale of geografische prioriteiten. Christus zendt tot vandaag Zijn boodschappers naar alle volken en verzamelt zo Zijn ene bijzondere ‘volk van God’, de Kerk (van Joden en niet-Joden). De specifieke instrumentele uitverkorenheid van oudtestamentisch Israël is overgegaan naar alle volken. Zo sprak de Joodse predikant Christiaan Salomon Duytsch (1734-1795) op p. 91 van zijn korte dogmatiek Jehova verheerlijkt, Amsterdam 1769 (Zie K. Exalto, in: De Waarheidsvriend, 23-9-1976). Zo spreekt vandaag ook de Joodse christen-theoloog Steve Wohlberg in zijn lezingen en publicaties over Israël in de eindtijd.

Doorgetrokken oordeel-positie

Er is echter nog een ander zwaarwegend argument tegen het eenzijdig religieus verheffen van Israël boven de volken. In het Oude Testament was Israël immers niet alleen een instrument of demonstratie om aan de wereld Zijn liefde en genade te tonen. Gods handelen met Israël liet de wereld ook de oordelen zien waarmee Hij Israël strafte als het Hem ongehoorzaam was. Zij die het Joodse volk religieus verbijzonderen met een eenzijdig beroep op Gods eeuwige trouw en liefde zijn inconsequent of op zijn minst onvolledig. Zij zouden ook de oudtestamentische noties van Gods toorn en oordelen in rekening moeten brengen. Het is merkwaardig dat weinigen die consequentie trekken. Dat kan komen door een oppervlakkige doordenking van de verbanden tussen het Oude en het Nieuwe Testament. De oorzaak kan ook zijn dat men, in het licht van beruchte aspecten van de Europese geschiedenis, beducht is om oudtestamentische oordeelsteksten te betrekken op het huidige Israël. Daarmee kun je namelijk in problemen raken.

Een voorbeeld is het boek De kring rond de Messias: Israël als volk van de lijdende Heer (Zoetermeer 2002). De auteur is Abraham (Bram) van de Beek. Deze begaafde hoogleraar is niet bang om buiten de lijnen te kleuren. Als weinigen is hij zich ervan bewust dat als je van Gods heilsbeloften voor Israël spreekt, je Zijn oordelen over Israël niet mag verzwijgen. Daarom brengt hij in zijn theologie de positie van Israël niet alleen in verband met een bijzondere heilsverwachting maar ook met het lijden van het Joodse volk door de eeuwen heen (77-143). Het trekken van die consequentie is een daad van theologische ‘eerlijkheid’. Maar daarmee kom je tegelijk op glad ijs. Want, wordt zo het spreken over de akelige werkelijkheid van het Joodse lijden niet salonfähig gemaakt? Meer dan twintig jaar na het verschijnen van dit knap geschreven en tot doordenken aanzettende boek heeft de Vrije Universiteit het van de verplichte literatuurlijst voor studenten gehaald. Als reden werd aangevoerd dat Van de Beeks theologische logica studenten kan verleiden tot een afglijden naar antisemitisme. Met deze vorm van bijna-censuur wordt Bram van de Beek besmet met de odeur van Jodenhaat. Volstrekt ten onterechte, want het is buiten kijf dat deze integere hoogleraar elke vorm van antisemitisme verafschuwt.

Zijn fout is niet dat hij de weg zou banen voor het antisemitisme, maar dat hij, evenals andere op het na-Bijbelse Israël gefocuste theologen, de oudtestamentische aparte religieuze positie en toekomst van Israël doortrekt naar het Joodse volk van vandaag, alsof Christus dat schaduwbeeld niet had vervuld, zowel wat betreft de heilsbeloften als wat de oordeelsdreigingen aangaat. Van de Beek hanteert een variant van de algemene opvatting in het ‘Israëlisme’. Hij doet dat met een redenering waardoor het Joodse volk niet alleen als ‘Gods oogappel’ wordt verheven tot een bijzondere heilspositie en toekomst, maar ook – in een dynamische tegenstelling – dat de Joden worden getroffen door een weg van pijnlijke vernedering. Zo kan er ruimte ontstaan voor een theologie waarin pogroms, vervolgingen, deportaties, genocides en uiteindelijk de Shoah (Holocaust) een plaats krijgen. Ook de afschuwelijke moordpartijen van Hamas kunnen een theoretische acceptatie ontvangen in zo’n denk-systeem, niet in morele zin uiteraard, maar als onontkoombaar fenomeen. Het mag duidelijk zijn dat ik deze visie van een doorgetrokken oordeel-positie van de Joden niet minder onaanvaardbaar vind dan de visie van een voortgaande uitzonderlijke heil-positie voor het Joodse volk.

Dezelfde wortel

De Jodenhaat van enerzijds bijvoorbeeld het Nazisme en terreur-organisaties als Hamas en anderzijds de extreme Israëlverheffing van veel christenen hebben naar mijn inzicht ten diepste te maken met hetzelfde verschijnsel: het religieus/ ideologisch verbijzonderen van Israël, hetzij als te elimineren vijand hetzij als vertroeteld idool. Israël is het beste af niet alleen zonder antisemitisme maar ook zonder filosemitisme. Beide verschijnselen worden gevoed door dezelfde wortel: een extreme religieuze fixatie op het land en het volk van de Joden. Als Hamas niet uit was geweest op het in de naam van Allah vernietigen van de Joden in Israël en het fanatiek koesteren van het alleenrecht van Palestina hadden voorbije vredesinitiatieven waarschijnlijk al lang tot (meer) vrede kunnen leiden. Als Israël zich niet had vastgebeten in de positie van bezettende macht of kolonisator en de Palestijnen gelijke politieke (burger)rechten had gegeven (desgewenst in een eigen staat toen dat nog kon) waren de problemen vermoedelijk niet zo hoog opgelopen als nu het geval is.

Westerse christenen met hun vaak door schuldgevoelens gevoede Israëlliefde hebben de problemen verergerd door eenzijdig de rechten van Israël te steunen en die van de Palestijnen te negeren of verdacht te maken. Daardoor hebben ze onbedoeld bijgedragen aan de escalatie van het conflict. Dit is vooral pijnlijk voor de Palestijnse christenen, die zich niet gesteund en beschermd zagen door hun broeders en zusters in Amerika en Europa. Het christelijke ‘Israëlisme’ is vooral schadelijk voor de geloofwaardigheid van het Bijbelse geloof en daarmee voor de effectiviteit van de missionaire taak van de Kerk. Die schade blijft niet beperkt tot het christelijke getuigenis onder Joden en (Palestijnse) Moslims. Oog in oog met de onverzoenlijkheid in Israël-Palestina moeten we terugvallen op Christus van wie gezegd is: ‘Want Hij is onze vrede’ (Efeze 2: 14).

Dr. Steven Paas bestudeert Israëlvisies en is actief op de terreinen van kerkgeschiedenis, missiologie, en de lexicografie van het Chichewa, een veel gesproken taal in centraal Afrika.

De bijbelse visie van ds. Henk de Jong op Israël

Vrijdag 29 september 2023 vond het herdenkingssymposium ‘Christus in het Oude Testament’ – De bijbels-theologische erfenis van Henk de Jong plaats. Henk de Jong (1932-2023) was vanaf 1959 predikant in eerst de GKV en daarna de NGK. Hij was een invloedrijk theoloog met de uitleg van het Oude Testament als specialisatie. In de discussie over de verhouding tussen de christelijke kerk en het volk Israel was hij één van de prominente voorstanders van het zandlopermodel: het volk Israel in het Oude Testament is de weg en de trechter die tot Jezus Christus leidt en na Pinksteren verbreedt het volk Israel zich tot iedereen die Jezus erkent als de door God beloofde Messias, net zoals de gelovigen in het Oude Testament uitzagen naar de komst van Jezus als de door God beloofde Messias. Volgens hem is de kerk niet in de plaats van Israel gekomen, maar is er ook geen zelfstandige plaats voor het Joodse volk inclusief de landbelofte.

Henk de Jong – foto https://onderwegnaar1kerk.nl

In 2012 was Henk de Jong één van de ondertekenaars van een Open Brief over Israël aan Nederlandse Christenen. Samen met o.a. Jos Strengholt, Steven Paas en Wubbo Wierenga keren ze zich tegen toenemende tendens onder bijbelgetrouwe christenen om in de stichting en het bestaan van de staat Israel een vervulling van bijbelse beloften te zien. Hieronder volgt de tekst van deze ‘Open Brief’

“Ondergetekenden stellen vast dat de verhouding tussen kerk of gemeente en Israël hoog op de agenda staat van veel christenen in Amerika en Europa. Dat is ook het geval in Nederland waar we terugzien op een traditie van positieve belangstelling voor Joodse mensen aan wie in ons land sinds de 16e eeuw bescherming is geboden. Evenals elders werden veel Nederlandse orthodoxe christenen in hun waardering voor de Joden gevoed vanuit zekere eindtijdverwachtingen, die voortkwamen uit theologische ontwikkelingen in het 17e en 18 eeuwse Piëtisme (in Nederland: Nadere Reformatie) en in de theologie van de Bedelingenleer of het Dispensationalisme, die in de 19e eeuw veel aanhang kreeg.

Kerk der eeuwen onder kritiek
De gruwel van de Shoah of Holocaust, die ons land niet is voorbijgegaan, heeft een onuitwisbare indruk gemaakt. Een diepe indruk is ook gemaakt door de stichting van de staat Israël, in het bijzonder toen die bestand bleek tegen de vijandige aanvallen van omringende naties. Deze ontwikkelingen hebben de sympathie van Nederlanders voor de Joden verdiept en verbreed. Dat is begrijpelijk. Het is een goede correctie op een historie van antisemitisme in Europa en een positief tegenwicht ten opzichte van de felle en onredelijke vijandigheid die de huidige staat Israël en de Joden vooral vanuit de islamitische wereld ervaren.
Er is echter ook een andere tendens. Tegelijk heeft namelijk bij velen de gedachte zich vastgezet dat de ellende die de Joden in de afgelopen 2000 jaar hebben ervaren voor een groot deel te wijten valt aan de kerk en aan de klassieke theologie, zowel die van de Oudheid en de Middeleeuwen als die van de Reformatie en daarna. Als reactie heeft men de kerk der eeuwen zeer zwaar onder kritiek gesteld. Zij is beschuldigd van het in stand houden van een ‘vervangingstheologie’, waarin Gods beloften aan Israël ten onrechte aan de kerk worden gegeven. De kerk of de gemeente van Christus wordt dan ook aangewezen als hoofdschuldige in de traditie van antisemitisme en Jodenvervolging.
Al of niet gestimuleerd door bovengenoemde eindtijdverwachtingen is er o.a. in de reformatorische en evangelische kerken van Nederland een beweging ontstaan die streeft naar een fundamentele herijking van Kerk en theologie, die men ‘onopgeefbaar verbonden’ wil doen zijn aan het volk, het land en de godsdienst van het Judaïsme van hedendaags Israël. Parallel daaraan probeert een groep theologen een ‘nieuw perspectief op Paulus’ in te voeren, met ruimte voor een meer Joods-vriendelijke uitleg van de paulinische geschriften, die ertoe neigt het reformatorische verstaan van de leer van de rechtvaardiging door geloof alleen onder druk te zetten. Vanuit het Christenzionisme in Noord Amerika, dat veel geestelijke en politieke macht uitoefent, ondergaat de Nederlandse beweging invloed.

Bezwaren tegen deze kritiek
Ondergetekenden maken op grond van de Schrift grondig bezwaar tegen pogingen om het klassieke christelijke geloof op die manier te verbinden met Israël en het Judaïsme. Wij willen ons niet in de eerste plaats mengen in het politieke debat over Israël en de Palestijnen, waarin de christen-zionisten niet aflaten hun standpunt te geven. Maar wij willen laten zien dat de Heilige Schrift geen grond geeft aan een Israëltheologie die het volk, het land en de religie van na-Bijbels Israël op die wijze relateert aan het heil van mensen en derhalve abnormale proporties geeft. In dit verband herinneren we aan een waarschuwing in de Barmer Thesen, die hoewel ontstaan in een geheel andere context het zelfde kernpunt raken: ‘Wij verwerpen de valse leer, als zou de kerk als bron van haar verkondiging behalve en naast het ene Woord van God ook nog andere gebeurtenissen en machten, gestalten en waarheden als Gods openbaring kunnen en moeten erkennen’. Tevens verwerpen wij elke etikettering die ons aanduidt als vervangingstheologen of (potentiële) antisemieten.
Wij zijn er van overtuigd dat de aanhangers van deze Israëltheologie de Bijbel verkeerd lezen en dat dit desastreuze gevolgen heeft voor het belijden van de Kerk. Daarom spreken wij ons uit. We hebben ons aangesloten bij een aantal theologen, voornamelijk in de Angelsaksische wereld, die hun stem hebben verheven tegen het idee van een eenzijdig geprivilegieerde heilsstatus van Israël en voor de onpartijdigheid van het Evangelie.
In de kern van de zaak gaat het om twee onterechte vooronderstellingen.

Ten eerste, de bewering dat God het huidige Israël uitzonderlijk goed gezind is, en dat dit geschiedt op basis van etnische afkomst en niet op basis van de genade van Christus alleen zoals aangegeven in het Evangelie.

Ten tweede, de bewering dat de bijbelse beloften van een land en van herstel zijn vervuld in een bepaalde geografische streek, ‘Heilig Land’ genoemd en door God exclusief bedoeld zijn alleen voor één etnische groep.
Als gevolg van deze onjuiste vooronderstellingen zijn veel christenen en anderen misleid ten aanzien van de bijbelse leer over het volk van God, het land van Israël, en de onpartijdigheid van het evangelie.

Tien Stellingen
In de volgende tien stellingen maken wij onze overtuiging openbaar. We doen geen aanval op het oprechte geloof van hen die in deze zaak het niet met ons eens zijn. Beseffend dat sommige aanhangers van gangbare christenzionistische opvattingen ons zullen afwijzen, voelen we ons toch door de Schrift en door ons geweten gedrongen om voor de zaak van Christus en de waarheid deze stellingen naar voren te brengen.

1. Het Evangelie is een aanbod door God van eeuwig zalig leven, evenzeer aan Joden als aan de niet-Joden, als een gratis geschenk in Jezus Christus. Eeuwig leven kun je niet verdienen en je kunt je er niet waardig voor maken; het is ook niet gebaseerd op etnische afkomst of op natuurlijke geboorte.

2. Alle mensen, zowel Joden als niet-Joden, zijn zondaren en als zodanig vallen ze van nature onder de vloek van het oordeel van God. Omdat Gods norm volkomen gehoorzaamheid is en omdat allen zondaren zijn, kan niemand in eigen kracht vrede of eeuwig leven verwerven. Bovendien, buiten Christus om kan niemand van enige etnische groep een speciale gunst van God ontvangen. Buiten Christus om bestaat geen enkele belofte van een aards land of van een erfenis in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde aan enig mens, Jood of niet-Jood. Iets anders onderwijzen of impliceren is niets anders dan het evangelie zelf compromitteren.

3. God is de Schepper van de hele mensheid. Hij is barmhartig en heeft er geen genoegen in om zondaren te straffen. Maar God is ook heilig en rechtvaardig en daarom moet Hij de zonde straffen. Vandaar dat God, om te voldoen aan zowel zijn rechtvaardigheid als aan zijn barmhartigheid, voor allen, Jood en niet-Jood, de weg der zaligheid heeft aangewezen alleen in Christus.

4. Jezus Christus is geheel God en geheel mens. Hij kwam naar de wereld om zondaren te redden. In zijn dood aan het kruis was Jezus het lam van God dat de zonde van de wereld wegdraagt, in gelijke mate die van de Jood en die van de niet-Jood. De dood van Jezus heeft de offers in de Joodse tempel voor altijd vervuld en voor eeuwig beëindigd.
Allen die God willen eren en dienen, moeten nu tot Hem komen door Christus, in geest en in waarheid. De eredienst aan God kan niet meer worden geïdentificeerd met een specifiek hedendaags aards heiligdom. Hij ontvangt eer alleen door Jezus Christus, die de eeuwige tempel is.

5. God geeft in zijn erfenis eeuwig leven aan allen die Christus ontvangen en op Hem alleen rusten, alleen door het geloof.

6. De beloften van de erfenis die God gaf aan Abraham zijn effectief gemaakt door Christus, die het ware zaad van Abraham is. Deze beloften zijn en kunnen niet effectief worden gemaakt door het houden van Gods wet door de zondige mens. De beloften worden gedaan alleen aan degenen die geloven in Christus, de ware Erfgenaam van Abraham. Alle geestelijke voordelen worden verkregen van Jezus. Buiten Hem om heeft men geen deel aan de beloften. Omdat Jezus Christus de Middelaar is van het abrahamitische verbond, zullen allen die Hem zegenen door God worden gezegend en zullen allen die Hem en zijn volk vloeken vervloekt worden door God.
Deze beloften slaan niet op enige bijzondere etnische groep, maar op de kerk van Jezus Christus, het ware Israël. Het volk van God, hetzij de ware gelovigen van Israël in de woestijn in het Oude Testament, hetzij het ‘Israël van God’ te midden van de heidense Galaten in het Nieuw Testament, is één lichaam dat door Jezus Christus de belofte van de eeuwige stad ontvangt, het eeuwige Zion, dat neerdaalt vanuit de hemel. Deze erfenis wordt verwacht door het volk van God van alle tijden en plaatsen.

7. Jezus heeft geleerd dat zijn opstanding de wederoprichting van de ware tempel van God is. Hij is in de plaats gekomen van de priesters, de offers en het heiligdom van Israël, door deze te vervullen in zijn verheerlijkte priesterlijke bediening en door eens en voor allen zijn offer te brengen voor de wereld, zowel voor de Jood als voor de niet-Jood. Gelovigen uit alle naties worden nu ingevoegd en samengevoegd in deze derde tempel, de kerk die Jezus heeft beloofd te bouwen.

8. Simon Petrus sprak over de wederkomst van de Here Jezus in verband met het laatste oordeel en de straf van zondaren. Het is leerzaam dat deze zelfde ‘apostel van de besnijdenis’ niets zegt over het herstel van het Koninkrijk voor Israël in het land Palestina. In plaats daarvan richt hij de hoop van zijn lezers, die nadenken over de wederkomst van Jezus, op de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont.

9. Het recht van welke etnische of godsdienstige groep dan ook op een bepaald gebied in het Midden-Oosten kan niet worden ontleend aan de Schrift. De speciale landbeloften aan Israël in het Oude Testament werden in feite vervuld onder Jozua. Het Nieuwe Testament spreekt duidelijk en profetisch over de vernietiging van de tweede tempel in AD 70. Geen enkele schrijver in het Nieuwe Testament voorziet een opnieuw bijeenkomen van etnisch Israël in het land, zoals de profeten van het Oude Testament hadden voorzien na de vernietiging van de eerste tempel in 586 vC.
Bovendien worden de landbeloften van het Oude Testament al in het Oude Testament zelf en in het Nieuw Testament voortdurend en doelbewust uitgebreid om de universele heerschappij van de Messias te tonen. Hij regeert vanuit de hemel op de troon van David en Hij nodigt alle volken door het evangelie van genade om deel te nemen aan zijn universele en eeuwige heerschappij.

10. Ondeugdelijke christelijke theologie betreffende het ‘Heilige Land’ heeft bijgedragen aan tragische wreedheid gedurende de kruistochten in de Middeleeuwen. Het is beklagenswaardig dat vandaag ondeugdelijke christelijke theologie aan seculier Israël een goddelijk mandaat geeft om niet-Israëlisch ‘Palestina’ blijvend in bezit te houden, waardoor Palestijnse mensen worden gemarginaliseerd en beschouwd als eigenlijk ‘Kanaänieten’.
Dit Israël-dogma gaat in tegen de leer van het Nieuwe Testament en doet de opdracht van het evangelie geweld aan. Bovendien, christenen die gewelddadige confiscatie en bezetting van Palestijns land aanmoedigen met hun theologie, lopen het risico mede schuldig te zijn aan bloedvergieten. Zijn wij als christenen niet geroepen om te bidden en te werken voor vrede en om beide partijen te waarschuwen dat zij die leven bij het zwaard, ook zullen omkomen door het zwaard? Alleen het evangelie van Jezus Christus kan verzoening brengen tussen Israëliers en Palestijnen en hoop geven op een eeuwige en volmaakte erfenis. Slechts door Jezus Christus kun je weet hebben van werkelijke vrede op aarde.

Het koninkrijk van Christus
Het beloofde messiaanse koninkrijk van Jezus Christus is al gevestigd. De komst ervan markeert het doel waarop de menselijke geschiedenis is gericht. Dit koninkrijk van de Messias gaat door met zich ten volle te verwerkelijken naarmate gelovige Joden en niet-Joden van elke generatie worden toegevoegd tot de gemeenschap van gezaligden. Dat koninkrijk zal in finale en eeuwige vorm worden gemanifesteerd bij de terugkeer van koning Christus in al zijn heerlijkheid.
Van alle naties heeft het Joodse volk een vooraanstaande rol gespeeld bij het komen van het messiaanse koninkrijk. In het Nieuwe Testament wordt gezegd dat aan hen de woorden van God werden toevertrouwd, de aanneming, de heerlijkheid, de verbondsbeloften, de wet, en de dienst aan God. Van hen zijn de aartsvaders Abraham, Izak en Jakob en uit hen kwam wat het vlees betreft de Christus voort. Het heil is inderdaad uit de Joden. Echter christenen weten tegelijk dat er buiten Christus om geen redding is. Juist daarom moeten zij met droefheid erkennen dat de Joden in de geschiedenis vaak zijn onderdrukt, soms op tragische wijze in de naam van het kruis.
Maar wat te zeggen van het ongeloof van Israël? Heeft hun ongeloof het effect van Gods trouw aan hen weggenomen? Nee, God behandelt Israël niet anders dan enig ander volk. Hij heeft het volk van Israël niet volledig verworpen en we sluiten ons aan bij de apostel Paulus in zijn ernstige gebed om redding voor zijn Joodse volksgenoten naar het vlees. Zoals in de wereld als geheel is er altijd een rest geweest en zal er altijd een rest zijn, die zalig wordt. Tegelijk geldt dat evenmin als de hele wereldbevolking, Israël in zijn geheel de zegening zal ervaren van deel te hebben aan het messiaanse koninkrijk. Maar dit laat staan dat de Joden die tot geloof komen in Jezus Christus samen met alle andere gelovigen in Hem zullen delen in zijn regering, nu al in de tijd en straks ook in de eeuwigheid. Samen met andere gelovigen vormen de gelovige Joden het ware Israël van God, de kerk van Jezus Christus.
De huidige seculiere staat van Israël is niet een authentieke of profetische verwerkelijking van het messiaanse koninkrijk van Jezus Christus. Ook moet men geen dag verwachten waarop het koninkrijk van Christus een onderscheidenheid van de Joden zal demonstreren, hetzij als een volk, hetzij als een land of als een stelsel van ceremoniële instituten en praktijken. In plaats daarvan zal onze tijd eindigen met de komst van de finale en eeuwige fase van het koninkrijk van Messias Jezus. Op dat moment zullen alle ogen, ook van hen die Hem hebben doorstoken, de koning zien in zijn heerlijkheid. Elke knie zal buigen en elke tong zal verklaren dat Jezus Christus de Here is, tot de eer van God de Vader. De koninkrijken van deze wereld zullen van het koninkrijk van onze God worden en van zijn Christus, en Hij zal voor altijd regeren.

Oproep
In het licht van deze grootse profetische verwachting in het Nieuwe Testament willen wij onze door het Christenzionisme beïnvloede reformatorische en evangelische broeders en zusters oproepen om terug te keren tot de kernboodschap van de Schrift, zoals die in de Reformatie is herontdekt. Wij en anderen worden zalig alleen, ‘sola’, door genade, alleen door de Schrift, alleen door het geloof, ja alleen door en in Jezus Christus. Buiten Christus om geestelijk gefascineerd zijn door fysiek Israël kan het ‘sola’ van de genade slechts ondermijnen. We zijn geroepen terug te keren naar de verkondiging van het vrije aanbod van de genade van het evangelie aan alle volken, inclusief alle kinderen van Abraham. Daartoe behoren ook alle Joden en Palestijnen.
Als ondertekenaars van deze Open Brief willen we samen met Joodse en Palestijnse christenen, verdrukt en gemarginaliseerd als ze vaak zijn, bidden en werken voor de doorwerking van de boodschap van de vredevorst onder hun volksgenoten die Jezus Christus nog niet kennen als redder.

De ‘Open Brief’ met noten, ondertekenaars en reakties is terug te vinden op https://strengholt.blogspot.com/2012/09/open-brief-over-israel-aan-nederlandse.html?m=1

Bedrijfsopvolging bij boer en profeet

In VERBINDING, het magazine van de christenagrariërs van CCA en GMV, schreef ik dit artikel over een boerenzoon die zijn vader niet opvolgde; hij maakte een opmerkelijke carrière-switch.

(Foto voorpagina: Karla Leeftink Natuurfotografie)

Bedrijfsopvolging of carrière-switch?

-over hoe Elisa profeet werd- (1 Koningen 19:19-21 en 2 Koningen 2:7-14)

Familiebedrijven hebben iets romantisch. Tot 2013 was touwfabriek Van der Lee het oudste familiebedrijf in Nederland. Vanaf 1545 tot 2013 stond er altijd een Van der Lee aan het roer. Eind 2013 werd het na 468 jaar en 13 generaties overgenomen door een staalfabrikant. In 2023 bestaat de modezaak Van Westen Mannen uit Zaamslag in Zeeuws-Vlaanderen precies 100 jaar. Inmiddels staat de vierde generatie klaar.

Bij ons koningshuis loopt er een direkte (vrouwelijke) lijn van Willem van Oranje naar Willem-Alexander. Het huis van Oranje regeert dus, op twee stadhouderloze tijdperken en wat jaren Franse en Duitse bezetting na, al bijna 450 jaar over ons land.

Toch zijn dit uitzonderingen. In slechts een kwart van de gevallen gaat een bedrijf over van ouder op kind. Nog een generatie verder heeft in nog maar 10% van de gevallen een familielid de lei­ding. De kans dat een familiebedrijf het langer dan 50 jaar uithoudt, is dus niet zo groot. Je kunt beter een goede direkteur of mana­ger van buiten aantrekken dan de zaak overdragen aan je zoon of dochter.

BOODSCHAP

In de tijd dat Elia leefde, geloofde bijna niemand meer in God. Als profeet van de HEER had Elia het niet gemakkelijk met de boodschap die hij moest overbrengen: “Keer je af van je eigen gekozen afgoden en ga weer geloven in onze God, die hemel en aarde gemaakt heeft, de God van Abraham, Isaak en Jakob, de God die ons uit Egypte bevrijd heeft en via Mozes zijn heilzame geboden aan ons gegeven heeft.”

Onvermoeibaar was Elia geweest. Hij had in de wedstrijd ‘wie kan vuur uit de hemel laten regenen’ de macht van HEER laten zien. Toen hadden de Israëlieten gejuicht: “De HEER is God, de HEER is God!” Maar meteen na die glorieuze overwinning moet Elia maken dat hij wegkomt. Izebel is woedend op hem en wil hem binnen 24 uur dood in handen hebben.

Elia slaat op de vlucht en ziet het niet meer zitten. In de woestijn zegt hij tegen God: “HEER, het heeft geen zin meer. De Israelieten hebben het verbond dat U met hen gesloten had, naast zich neer gelegd. Ze trekken zich niets meer van U aan. Ik heb me volledig ingezet, maar ben alleen overge­ble­ven. Ik heb er genoeg van, HEER, laat mij hier sterven.” Maar God zelf overtuigt Elia om verder te gaan en Elisa te zalven als opvolger.

Maar met welk perspektief? Zullen er wel gelovigen overblijven? Of was het aanbidden van de HEER iets voor de liefhebber, was het lezen uit de wetten van Mozes net zoiets als een familiebedrijf, dat ook wel over 50 jaar verdwenen zou zijn? Zorgelijke tijden dus. Wil je laatste gelovige het licht uit doen?

Dat scenario was toen heel reëel. Net als vandaag. Denk jij ook wel eens: het christelijk geloof hangt in Nederland aan een zijden draadje? Is het binnenkort afgelopen met de kerk in Nederland, omdat iedereen wel op internet z’n geestelijke voedsel kan halen?

FAMILIEBEDRIJF

Elia mag het stokje overdragen aan Elisa. De zaak van God blijft bestaan. Maar voor Elisa betekent het wel een carrière-switch. Hij laat het familiebedrijf van zijn ouders achter. Van landbouwer wordt hij profeet. Eerst profeet in opleiding bij Elia, daarna zijn opvolger.

Elisa kiest er bewust voor om in het spoor van Elia verder te gaan. Om die reden had hij gevraagd om een dubbel aandeel in de geest van Elia. Want hij was er diep van doordrongen dat je niet uit eigen kracht profeet kunt zijn. Geloven doet een mens niet uit zichzelf. Daar heb je de Heilige Geest voor nodig.

God verhoort Elisa’s wens. Hij is getuige van de hemelvaart van Elia. Zo wijst de HEER hem Zelf aan als opvolger. Alleen Elia’s harige profetenmantel blijft achter, dezelfde mantel die Elia hem bij zijn roeping toege­worpen had. Die mantel is nu zijn ambtskleed. Daarmee maakt God hem duidelijk: ‘Jij, Elisa, zult optreden in de lijn van Elia. Bij je taak als pro­feet zul je, net als hij, kracht van mijn Geest krijgen.’ Dat blijkt direkt: als Elisa alleen bij de Jordaan terugkomt, her­haalt hij met de opgerolde mantel het teken van Elia. Zo kan Elisa als profeet beginnen en zo gaat het Woord van de HEER verder.

Dat Woord blijft bekend in Israel. En als Elisa sterft, krijgt hij net als Elia de eretitel: ‘Strijdwagens en ruiterij van Israel!: hij heeft voor Israel meer betekend dan Israels leger. Dat was in die dagen in een felle strijd gewikkeld met de Arameeërs uit Damaskus. De zelfstandigheid van het tienstammenrijk stond op het spel. Maar Elia en Elisa gingen voorop in het gevecht tegen een veel gevaarlijker vijand: de Baäldienst. Als zij er niet geweest waren, zou mense­lijkerwijs gesproken het geloof in de HEER uit Israel verdwenen zijn en was Israel geestelijk vernietigd. Maar door de tomeloze inzet van Elia waren er nog 7.000 gelovigen overgebleven. Van de prediking van Elisa ging nog meer wervingskracht uit. Zo zorgde God er zelf voor dat zijn Woord bekend bleef in Israel. Dat Woord houdt eeuwig stand.

ROEPING

Vandaag is er ook veel in beweging. We leven in onzekere tijden. Bedrijfsopvolging is verre van vanzelfsprekend. Dat bepaalt ons bij onze roeping. Waar wil God dat we ons inzetten voor Hem en onze medemens. En in welke voetsporen wil je vooral dat je kinderen gaan?

Elisa zou de het landbouwbedrijf van zijn vader overnemen. Het liep anders, hij werd geen boer, maar profeet, en nam de taak van Elia over. Iemand anders werd boer in zijn plaats. Beiden zetten het werk van hun voorganger voort. Daarin zie ik Gods leiding. Hij zorgt steeds voor aflossing van de wacht. Ook in zware tijden, zowel ekonomisch als qua geloof.

En of je een belangrijke positie hebt als ‘strijdwagens en ruiters van Israel’ of je doet gewoon je werk, Jezus roept ieder van ons op om als christen eerlijk de kost te verdienen en goede, opbouwende woorden te spreken (Efeziërs 4:28-29). Of je nu in de startblokken staat als bedrijfsopvolger of wanneer je een carrière-switch gaat maken.

Ds. Ernst Leeftink is predikant van NGK “De Lichtbron” in Balkbrug en NGK ‘De Hooge Eschkerk’ in Oosterwolde (Fr.)

Wie noemt zichzelf ‘de Roos van Saron’?

In de Bijbel geven God en Jezus Zichzelf vele namen en titels. Onlangs noemde de Christelijke Gereformeerde predikant W.L. van der Staaij onze Heer Jezus Christus de Roos van Saron.  Hij deed dat in  de openingstoespraak van de Haamstedeconferentie 2023 die van 28-30 augustus gehouden werd. Het ging over de vrijmoedigheid van het geloof, vanuit Handelingen 4 en dan met name vers 13:  “Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, (…) kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren.” Het was een mooie opening van de conferentie. Goede Bijbeluitleg met een aktuele toepassing naar vandaag toe. En dat alles in een bevindelijk taalkleed. Ergens halverwege (rond minuut 19:00) kwam opeens de Roos van Saron om de hoek kijken, toen Van der Staaij zijn toehoorders de vrijmoedigheid van de apostelen voorhield:  

“Is dat het wat ons drijft? Dat wij ook niet kunnen laten om te spreken wat wij, ja, eerst in de binnenkamer hebben gezien, hebben gehoord, boven het Woord van God gebogen. En dat die Roos van Saron, die heerlijke geur, ons leven mag doortrekken, dat het te ruiken is: ze zijn met Jezus geweest. Waardoor je vrijmoedig en vastberaden dat Woord mag doorgeven. Ja, het werkt dus wat uit, die omgang met de Here Jezus.”

Ik dacht: die typering van Christus hoor ik niet zo vaak in mijn vrolijk-orthodox-gereformeerde omgeving, dus laat ik eens kijken waar die vandaan komt. Nou, dat was vlug gevonden. In Hooglied 2:1 staat: ‘Ik ben een roos van Saron, een lelie der dalen.’ De bloem die SV, de HSV en de BGT vertalen met ‘roos’ wordt in de NV51 en de GNB met ‘narcis’ vertaald en in de NBV en de NBV21 met ‘lelie’.

Nu is het Hooglied een door de Heilige Geest geïnspireerd bijbelboek waarin de liefde tussen een jongen en een meisje prachtig bezongen wordt. Volgens een bepaalde uitleg gaat het daarbij niet zozeer om de menselijke liefde, maar om de liefde tussen Jezus Christus als Bruidegom en de christelijke kerk als zijn bruid. De opstellers van de Statenvertaling uit 1637 hangen die vergeestelijkende uitleg aan. Ook de Herziene Statenvertaling van 2010 kiest voor deze uitleg. In de HSV staat in de marge telkens ‘zij’ en ‘Hij’ om aan te geven dat de ene keer de kerk als Bruid van Christus aan het woord is en de andere keer de Bruidegom – Christus Zelf.

De vraag is nu: wie zegt er in Hooglied 2: 1 van zichzelf: Ik ben een roos van Saron, een lelie der dalen.’ In sommige bevindelijke christelijke kringen is de Roos van Saron een geliefde aanduiding voor onze Heer Jezus Christus. Een mooi voorbeeld daarvan is de bekende Engelse baptistenpredikant Charles H. Spurgeon. In een overdenking uit zijn dagboek schrijft hij over de roos van Saron: 

“Dit de schoonste en zeldzaamste roos. Jezus is niet slechts een roos, maar een roos van Saron, evenals Hij, zijn gerechtigheid vergelijkende bij ‘goud’ er bijvoegt: ‘het goud van Ophir,’ het allerbeste (…), en het huis vervullende met een liefelijke geur. (…) Gezegende roos, bloei eeuwig in mijn hart!”

HET MEISJE NOEMT ZICHZELF EEN ROOS VAN SARON

Maar wat blijkt? Volgens zowel de Statenvertaling als de Herziene Statenvertaling is het niet de jongen dit van zichzelf zegt, maar is hier het meisje aan het woord! Het gaat het dus, als je Hooglied geestelijk opvat, niet over Christus Zelf, maar over zijn Bruid – de kerk.

De auteurs van de Statenvertaling zeggen in de Kanttekeningen, dat volgens sommigen hier de Bruidegom spreekt, maar zelf kiezen ze nadrukkelijk voor andere optie:

“Overmits hier gesproken wordt van de roos, wassende in de velden van Saron, en van de leliën in de dalen (…), zoo schijnt het dat hiermede wordt te kennen gegeven dat de kerk van Christus verdrukking onderworpen is, gelijk de bloemen des velds van ieder, die daar voorbijgaat, lichtelijk afgeplukt en van de beesten vertreden en afgebeten worden. Deze zin blijkt de rechte te zijn uit vs. 2.”

In de Herziene Statenvertaling staat in de marge van dit vers niet ‘Hij’, maar ‘zij’. Oftewel: de kerk van Christus tooit zichzelf met de titels ‘een roos van Saron’ en ‘een lelie der dalen’.

Nu zegt dit niet alles. De Herziene Statenvertaling houdt in een noot de optie open dat hier (net als in de twee verzen eraan vooraf) ‘Hij´ aan het woord is. En volgens een reformatorische collega noemen de kanttekeningen beide opties, dus is het heel legitiem om Christus de Roos van Saron te noemen die met zijn heerlijke geur het leven van zijn volgelingen doortrekt.

GEVOEL MAG DE UITLEG NIET BEPALEN

Maar zo gemakkelijk kun je je er volgens mij niet van afmaken. En wel om twee redenen. Allereerst: veel christenen die graag de typering van Christus als de Roos van Saron gebruiken, zijn van mening dat de mannen die de Statenvertaling hebben opgesteld door de Heilige Geest geleid zijn. Daarom vinden ze alle andere vertalingen tot aan de HSV aan toe minder bijbelgetrouw. Volgens hen moet je ook de kanttekeningen als integraal onderdeel van de Statenvertaling zeer serieus nemen. Als dat jouw opvatting is, kun je volgens mij niet opeens zeggen: ‘Ook al kiezen de Statenvertalers heel bewust voor de uitleg dat in Hooglied 2:1 het meisje aan het woord is en geven ze nadrukkelijk aan dat het hier om de kerk van Christus gaat die als een roos in het open veld en een lelie in het open dal aan allerlei verdrukking onderworpen is – toch kiezen wij, omdat wij zo gehecht zijn aan de geliefde bevindelijke typering dat Christus als Bruidegom voor zijn kerk als bruid de Roos van Saron, voor de andere interpretatie die de Statenvertaling wel als mogelijkheid noemt, maar zeer onwaarschijnlijk acht. Dat is volgens mij een erg mensgerichte manier van bijbellezen: de exegese / uitleg van Gods Woord wordt bepaald door het gevoel dat de lezer bij de tekst heeft.

SCHRIFT MET SCHRIFT VERGELIJKEN

Dat brengt mij bij de tweede reden waarom je volgens mij,  wanneer je Hooglied strikt op Christus en zijn kerk toepast, de uitdrukking ‘een roos van Saron’ niet op Jezus kunt toepassen. Je moet als exegeet altijd kijken in welk verband een woord of een passage staat. Nu komt de uitdrukking ‘een roos van Saron’ verder niet voor in Hooglied en ook niet in de rest van de Bijbel (alleen in Jesaja 35:1+2 komen ‘roos’ en ‘de Saron’ in hetzelfde verband voor, namelijk dat de woestijn weer in bloei zal staan als een roos -vs. 1- en er zo prachtig zal uitzien als de Libanon, de Karmel en de Saron). Maar de lelie, de tweede bloem waarmee het meisje zich in Hooglied 2:1 vergelijkt, staat nog zeven keer in het hele boek Hooglied: de lelie. Daarvan gaat het drie keer om de lelie als beeldende taal voor iets moois (4:5 – uw beide borsten, 5:13 – zijn lippen, 7:2 – uw buik). Maar de andere vier keer is het de jongen die zijn meisje een lelie noemt. Ik citeer ze alle vier uit de Statenvertaling

In Hooglied 2:1 zegt het meisje: “Ik ben eene roos van Saron, eene lelie der dalen.” Meteen reageert de jongen door in Hooglied 2:2 met de woorden: “Gelijk eene lelie onder de doornen, alzoo is mijne vriendin onder de dochteren.” De kanttekeningen zeggen, dat het hier over de ware kerk gaat.

In Hooglied 2:16 zegt het meisje: “Mijn liefste is mijn, en ik de zijne, die weidt onder de leliën.” De kanttekeningen zeggen hier, dat de lelies ‘het gezelschap der godzaligen’ is.

In Hooglied 6:2 zegt het meisje:  “Mijn liefste is afgegaan in zijnen hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven en om de leliën te verzamelen.” De kanttekeningen zeggen over dat laatste: ‘om tot zich te vergaderen zijn uitverkoren volk, hetwelk vergeleken wordt bij de leliën onder de doornen.’

En in Hooglied 6:3 zegt het meisje opnieuw: “Ik ben mijns liefsten, en mijn liefste is mijn, die onder de leliën weidt.” Hier zeggen de kanttekeningen dat de lelies een beeld zijn van ‘een overvloedige, lustige weide, tot verkwikking en tot eeuwigen troost zijner schapen.’

PAS OP VOOR KLANKEXEGESE

Uit dit vergelijkend Bijbelonderzoek blijkt duidelijk, dat in Hooglied het beeld van de lelie nooit voor de jongen gebruikt wordt. Dan is het onwaarschijnlijk dat in Hooglied 2:1 de jongen aan het woord is en zichzelf een roos van Saron en een lelie der dalen noemt. Zeker als meteen daarop in vers 2 de jongen exact hetzelfde woord voor lelie gebruikt en zijn meisje zo noemt.

Hetzelfde geldt voor Hooglied 1:16. Daar zet de HSV, net als 2:1, zonder uitleg in de marge een * met onderaan: ‘zij – Of: Hij’. Alleen maar, vermoed ik, om tegemoet te komen aan lezers dieRoos van Saronvanuit geliefd bevindelijk taalgebruik op Christus willen laten slaan. Maar in 1:16 zegt het meisje ‘Mijn Liefste’. Dat woord wordt in heel Hooglied 31x gebruikt en is dan altijd een aanduiding van de Bruidegom. Dat geldt ook voor 1:16. Nu zegt in de HSV ook de Bruidegom 1x ‘liefste’ tegen zijn bruid, nl. in Hooglied 7:6. Maar daar staat een ander Hebreeuws woord dan voor ‘mijn liefste’, en volgens de Statenvertaling en veel bijbeluitleggers (COT / POT) betekent het eerder ‘liefde’ dan ‘liefste’.

Als dan ook nog eens de kanttekeningen van de voor veel reformatorische christenen meest bijbelgetrouwe Nederlandse vertaling (zowel letterlijk als qua eerbied voor Gods Woord) telkens de lelie op het meisje = de kerk als Bruid van Christus betrekken, en de lelies op de uitverkoren gelovigen, kun je als bijbelgetrouwe exegeet moeilijk anders dan erkennen, dat in Hooglied 2:1 het meisje aan het woord is en zichzelf vergelijkt met een geurige roos die staat te schitteren in de vlakte van Saron en een lelie die prachtig in bloei staat in een lieflijk beekdal.

Volgens mij is het dan niet logisch om te zeggen dat Jezus Christus onze Heer de meest voortreffelijke Roos van Saron is die ons leven met zijn heerlijke geur wil doortrekken. Dat is een vorm van klank-exegese: op het gevoel af een bijbelse term op de verkeerde Persoon toepassen.

WEES ALS KERK VAN CHRISTUS EEN WELRIEKENDE ROOS VAN SARON

Je zou beter kunnen benadrukken dat christenen persoonlijk en de christelijke kerk er alles aan moeten doen om, geheiligd door de Heilige Geest, als een Roos van Saron de lieflijke geur van het Evangelie te verspreiden. Dat past ook nog eens bij de vergelijking die Paulus in 2 Korintiërs 2:15+16 maakt: “Wij zijn voor God een aangename geur van Christus, onder hen die gered worden (…) een levensgeur, die leidt tot het leven.” Christenen en kerken die goed bekend staan verspreiden een heerlijke geur. Ze ruiken net zo lekker als een Saron-roos.

Groene preek: Wees zuinig op Gods spullen!

“Helaas is uw preek niet de winnende.” Dat kregen 62 theologen en 75 lekenpredikers te horen van de jury die moest kiezen welke twee ingezonden preken het meest aansprekend groen waren. Johan Lock en ds. Willem Maarten Dekker waren de terechte winnaar. Er zijn geen nrs. 2, 3 enz. bekend gemaakt. Geen idee dus wat de jury van mijn ingezonden groene preek vond. Hieronder de tekst, de preek en de plaatjes.

Deuteronomium 22:6-7

Stel dat je onderweg bent en in een boom of op het land een nest ontdekt waarin een vogel op haar jongen of haar eieren zit. Dan mag je het nest uithalen, maar het moederdier moet je laten vliegen. Het is verboden én de jongen én het moederdier te pakken. Wie zich hieraan houdt, zal lang en gelukkig leven.

Voor mij is het elk jaar weer een fascinerend gevoel, wanneer je in het voorjaar de eerste kieviten weer mag begroeten. Als je deze weken ergens door de groene velden fietst, hoor je al gauw die heel eigen roep van de kievit. Je kijkt eens, en ja hoor, daar buitelt hij al over de akkers, met zijn karakteristieke zwart-witte verenpakje, en je hoort hem alsmaar roepen: kie-oe-wiet-wiet-wiet, kie-oe-wiet. Als je stopt om wat meer aandacht aan hem te schenken, zie je misschien wel, dat hij elke meeuw of kraai die te dicht in de buurt komt, aanvalt, door er in scheervlucht op af te duiken. Zo jaagt hij ze met ongekende felheid weg. Dan weet je: hier in de buurt zit een vrouwtje op haar nest met vier eieren. En het is de kunst, om dan zo’n nestje te vinden. Dat valt nog niet mee, want een kievit op het nest is bijna niet te zien, en de eieren al helemaal niet vanwege hun groene schaal met bruine en zwarte vlekken.

Wat hebben kievitseieren nu met het geloof te maken? Voor mij dit, dat je in de natuur ziet, hoe mooi God de wereld gemaakt heeft. De levende natuur, dat is Gods eigen schep­ping! Hij wil dat we met zijn wereld zorgvuldig omgaan. Het mag geen wanbeheer worden.

Maar we weten allemaal, wat voor puinhoop we als mensheid er in de afgelopen 100 jaar van gemaakt hebben. Olierampen, luchtvervuiling, opwarming van de aarde, illegale houtkap, giftig water dat stiekem geloosd wordt. Enzovoort enzovoorts. En hoe doen jij en ik het zelf, in het klein? Jongeren (maar zij niet alleen!) smijten lege verpakkingen en frisdrankblikjes achteloos langs de kant van de weg, volwassenen nemen voor elk kleinigheidje de auto. Dat het slecht is voor het milieu? Boeie! Maar óók daardoor wordt het leven in de natuur bedreigd. Liefde voor de natuur moet je leren. Daarom gaat het vanavond over de vraag: hoe ben jij en hoe zijn wij met de schepping bezig? Hoe verantwoord en bewust? Want:

God ziet graag dat je zuinig bent op zijn spullen

Hoe ga je om met de natuur en milieu? In de bijbel staan daar geen direkte uitspraken over. Want die tijd was de natuur, met de wilde dieren voorop, voor het grootste deel nog een bedreiging voor de mensen. Wilde dieren moest je dus verjagen. Het probleem van uitstervende dieren en planten is ver van het bijbelse toneel verwijderd.

Verder is het ook best wel belangrijk om te beseffen: de natuur is door God geschápen en mag door de mensen ge­bruikt worden. Er is dus geen eigen zelfstandige plaats voor ‘Moeder Natuur’ of ‘Moeder Aarde’. En waarom niet? Dat hangt samen met het geloof in God: er mag niet iets of iemand voor God in de plaats komen. Ook de natuur of het milieu mag niet vergoddelijkt worden.

Waarom staat zo’n voorschrift over eieren zoeken dan in de Bijbel? Om twee redenen, denk ik.

Allereerst: Israel is een vogelrijk land. Er komen zo’n 350 verschillende soorten voor. Mozes geeft de Israelieten niet voor niets een lange en gedetailleerde lijst van reine en onreine vogels. Die eerste mag je eten, en dus werd er jacht op gemaakt met pijl en boog of met het klapnet. Psalm 124 verwijst ernaar en in Amos 3:5 staat: ‘Duikt ooit een vogel in een klapnet neer als het aas ontbreekt? Slaat ooit een klapnet dicht zonder dat er iets te vangen is?’ De HERE vergelijkt zijn volk zelfs één keer met vogels die met een klapnet gevangen worden. Als de Israelieten van het Tienstammenrijk de HERE in crisistijd niet om hulp vragen, maar hun toevlucht ergens anders zoeken, bij Egypte of bij Assyrië, staat er in Hosea 7:12 + 13a dat God over zijn ongelovige volk zegt: “Als zij nog eens op weg gaan, zal Ik mijn net over hen uitspreiden. Ik haal ze neer als vogels uit de lucht. Zodra Ik hun zwerm hoor, neem Ik ze gevangen. Onheil kome over hen, omdat zij van Mij zijn weggevlogen.” Oftewel: wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen, net zoals een jonge vogel die zich te ver van z’n moeder verwijderd. Denk maar aan de jonge eendjes in de sloten die door snoeken of reigers of ratten worden gepakt als ze net even te ver uit de buurt van de moedereend zijn.

Vogels zijn dus belangrijk voor de Israelieten. Ze zorgen voor voldoende voedsel. Dat is de eerste reden, waarom deze bepaling door Mozes in Deuteronomium wordt opgenomen. Het is een kwestie van gezond verstand om, als je een vogelnest vindt, de moeder te sparen. Dezelfde overweging kom je tegen bij de wet ter bescherming van bomen in hoofdstuk 20:19-20 van Deuteronomium: “Als u een stad langdurig moet belegeren, mag u haar boomgaarden niet vernietigen. Laat de bijl rusten en laat de bomen staan, want u moet er zelf van eten, en bovendien: is een boom soms een mens, dat u tegen hem moet strijden? Alleen de bomen waarvan u weet dat ze geen vruchten geven, mag u vernietigen of omhakken om ze te gebruiken voor de belegering van de stad waarmee u in oorlog bent.” De Israelieten mogen níet de taktiek van de verschroeide aarde toepassen, want én voor hezelf én voor de vijanden moet de mogelijk­heid blijven bestaan, om in leven te blijven. Daarom mogen vruchtbo­men niet zomaar gerooid worden, en daarom mogen vogelsoorten niet uitgeroeid worden. Zo hebben de Israelieten zélf baat bij een verant­woord omgaan met de natuur.

Toch is er nog een tweede reden voor dit voorschrift over een ­nest met een broedende vogel. Die is minstens zo belangrijk. Namelijk: God wil dat je eerbied hebt voor ál het leven dat Hij geschapen heeft. Als je een vogel mét haar jongen of eieren meeneemt, verstoor je het evenwicht in de natuur. Zo mag je niet omgaan met Gods schepping. God wil ons juist eerbied bijbrengen voor zijn schepping. En dus ook voor alles wat er in de natuur leeft. In Genesis 1 kun je lezen hoe God de wereld in zes dagen gemaakt heeft en er Zelf het stempel ‘zeer goed’ opzette. Adam en Eva kregen van God de opdracht de opdracht mee om het paradijs te bewerken en te bewaren en te heersen over alle dieren. Er is dus geen gelijkheid tussen mens en dier. Maar mens en natuur waren wel met elkaar in harmonie. De dieren trekken vredig bij Adam langs om van hem allemaal een naam te krijgen. Stel je eens voor, wat een prachtgezicht dat geweest moet zijn. Daarin laat Adam zien, dat hij beeld van God is. Pas na de zondeval is alles anders geworden. Dan lukt het niet meer om de natuur volledig in bedwang te houden. Dán pas wordt het mooie kruid ónkruid en begint het te woekeren. Dán pas worden de dieren wild en gevaar­lijk. Dán pas beginnen mensen ook mísbruik van de natuur te maken.

Maar God blijft van ons vragen dat we zorgvuldig met heel de natuur omgaan. Het is zíjn schepping! Dat blijkt wel heel duidelijk uit de geschiedenis van Noach. Als de zondvloed voorbij is, wat belooft God dan? Dan belooft God, dat Hij nóóit weer alle mensen en dieren zal uitroeien door ze te laten verdrinken. Hij geeft er zelfs een prachtig teken bij: de regenboog. Maar aan wíe belooft God dat allemaal? Aan Noach natuurlijk. En aan Sem, Cham en Jafeth. Ja, maar óók aan de dieren. God zegt tegen Noach: Dit is het teken van het verbond dat Ik met alle levende wezens op aarde gesloten heb. God is dus niet alleen vriendelijk voor de mensen, maar ook voor de dieren. En dáárom moeten wij het ook zijn. God vraagt respekt voor héél zijn schepping. Planten en dieren mag je gebruiken voor eten en kleding en noem maar op. Maar de opdracht om te heersen over de schepping betekent niet, dat we als mensen dieren mogen mishandelen, komplete bossen mogen vernielen, zeeën mogen vervuilen en ijskappen laten smelten. Dat is geen góed beheer, maar wanbeheer.

Hoe breng je dat konkreet in de praktijk? Ik zou zeggen: laat iedereen dat maar voor zichzelf bepalen. Als je de woorden van Spreuken 12 maar ter harte neemt: ‘Een rechtvaar­dige zorgt goed voor zijn vee, een goddeloze is alleen maar wreed.’ Dat geldt uiteraard voor boeren, want het gaat over vee, en dan ben je als christen wel verplicht om over intensieve veehouderij en bio-industrie na te denken. Tot hoever mag dat gaan?

Maar ook: hoe ga jij zelf met dieren om? Trek je een kat aan z’n staart, of leg je er in de laatste dagen voor oud en nieuw een strijker onder? Bind je de hond maar aan een boom, als je in de zomer op vakantie gaat? Heb je wel eens nagedacht over scharreleieren en plofkippen?

Liefde voor de natuur en respect voor Gods schepping blijkt in de kleine dingen. Bijvoorbeeld hoe de Israelieten omgaan moeten met een vogel die op haar eieren zit. De eieren meenemen én tegelijk de moeder doden mag niet. Iets dergelijks staat in Leviti­kus 22:28: ‘Een rund, schaap of geit mag je niet tegelijk met z’n eigen jong op dezelfde dag slachten.’ Twee generaties tegelijk doden is een aanslag op het voortbestaan van de soort. Dan ben je bezig het leven in de schepping egoïstisch voor jezelf op te gebruiken. De HERE ziet het graag anders. Ja, Hij ziet graag dat je zuinig bent op zijn spullen.

Verloste mensen – als je door de Heilige Geest christen bent geworden, dan bekommer je je om meer dan alleen je eigen zieleheil. Dan begin je weer een paradijsmens te worden. Iemand die beseft: God heeft mij als rentmeester over zijn goede schepping aangesteld. Onthoud steeds: de aarde is, met al wat leeft, met al wat zij aan schatten heeft, het wettig eigendom des HEREN! Het is Góds schepping! Laten we dat niet vergeten. Want al die aandacht voor het milieu in onze tijd, tot en met een Partij voor de Dieren in de Tweede Kamer – al die aandacht kun je bij veel mensen ook verklaren uit het feit, dat ze niet meer in God geloven, en in een leven na dit leven. Dan ga je óf oppervlakkig leven: leve de vrolijkheid en de lol – YOLO!!; óf je zoekt een nieuwe vulling in je leven, en heel vaak wordt dat het milieu. Want deze aarde die we hebben, is de enige werkelijkheid die er is. Maar als christen weet je toch beter! Déze aarde is van God, en voor Hém leven we. Vergeet tegelijk niet, dat de wereld zoals wij die nu kennen, eens ten onder gaat. Er komt dus een keer een eind aan onze aarde. Maar juist omdát je dat weet, mag je van alle dingen in het leven wél ge­bruik maken, zegt Paulus in 1 Korintiërs 7. Want wie het kleine (deze oude, door de zonde aangetaste aarde) niet eert, is het grote (de nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont en waar de leeuw en het lammetje met elkaar spelen) niet weerd.

Wees dus zuinig op Gods spullen! Op zijn Woord, op zijn kerk, op zijn kinderen, maar ook op zijn schepping, want zie, die was zeer goed.