Geloven in een geïndividualiseerde samenleving – als christen en als kerk.
In Assen bestaat het zogenaamde ‘Pastoresconvent’. Daarin komen zo’n 4 à 5 keer per jaar alle voorgangers en geestelijk verzorgers van de zeer diverse christelijke geloofsgemeenschappen bij elkaar. Ik vind die ontmoetingen altijd erg waardevol. Tegelijk stelt het mij voor de vraag: wat verbindt ons aan elkaar als voorgangers? Is dat alleen ons werkterrein – dus de imam en de rabbi en de humanistische raadsheer/vrouw zijn ook welkom? Of hebben we meer gemeenschappelijk? Het geloof in de God van de Bijbel of in Jezus als Heer of de christelijke traditie? En hoe sterk benadruk je dat dan? Ja, mag dat überhaupt wel? Of ben je dan op voorhand al te exclusief bezig? Ik vind dit een spannend onderwerp. Voor alle christenen en kerken in onze samenleving. Hoe stel je je als persoon en als gemeenschap tegenover de maatschappij en de mensen om je heen? Daarin zie je heel verschillende strategieën.
Exclusief kerk-zijn
Als Gereformeerde Kerken met de zelfgekozen bijnaam ‘vrijgemaakt’ (vandaar de afkorting GKV) en de spotnaam ‘artikeltjes’ hebben we in de eerste pak ‘m beet 50 jaar van ons bestaan (1944 – half jaren ’90) gekozen voor de exclusiviteit. Heel lang hanteerden we een bekende uitspraak van Groen van Prinsterer als een soort geuzen-slogan: In het isolement ligt onze kracht. Inmiddels zijn we er als vrijgemaakte
gereformeerden toch wel achter gekomen dat er een behoorlijk groot verschil is tussen een zelfgekozen isolement of een isolement waarin je door de buitenwacht gedrongen wordt. En we zijn er ook stukje bij beetje achter gekomen dat je je kracht niet moet zoeken in het je afzetten tegen de grote boze wereld (vooral in de andere kerken waar alles zo slecht en verderfelijk en zorgelijk is), maar dat je je kracht moet zoeken in je eigen overtuiging. Oftewel: niet het negatieve bij de ander bindt een kerkelijke gemeenschap samen, maar je kunt pas iets uitstralen als je de positieve verbindende elementen bij jezelf weet te benoemen.
Dat laatste heeft iets heel postmoderns: ga uit van je eigen kracht. Maar tegelijk is het ook iets heel bijbels-christelijk: ga uit van de eigen kracht van het Evangelie van Jezus Christus. Zonder te veroordelen. Maar wel door duidelijk te zijn over je missie en je kernwaarden. En dus ook over de grenzen van je identiteit.
Spannend
Op dit punt ervaar ik een spanningsveld, zowel in mijn christen-zijn als in hoe we samen kerk willen zijn. Hoe handhaaf je als persoon je christelijke principes en hoe behoud je als kerkelijke gemeente je bijbelgetrouwe identiteit in een geïndividualiseerde samenleving? Iedereen mag immers autonoom zelf de belangrijkste keuzes van het leven maken. Of het echt autonoom is, kun je je afvragen, maar de tendens is toch nog steeds: ‘Elke keus is goed als je die maar bewust maakt.’ En meteen daar achteraan zit de tendens: ‘Dus waag het niet om een ander om zijn of haar keus te veroordelen’. Zelfs als je als christen je eigen standpunt in het publieke domein van media of politiek neerzet, word je al van onverdraagzaamheid beschuldigd door met name de wat hoger geschoolde elite. Een aantal jaren noemde Kluun dat in zijn boekje God is gek “de dictatuur van het atheïsme”. Hij vond dat de zendingsdrang van het atheïsme in de media te vergelijken met een intellectuele kruistocht tegen christenen.
Wat zet je daar tegenover als christen en als kerk? Hoe baken je je positie af? Dat vind ik niet gemakkelijk in deze tijd. Maar ik wil wel een poging doen om dat duidelijk te maken. Daar gebruik ik twee voorbeeld voor.
Het glas en de wijn
Eerst het beeld van een goed glas wijn. Wat moet er goed zijn? Het glas of de wijn? De wijn natuurlijk. Daar gaat het om. Maar zonder een goed glas kun je de wijn niet drinken. Vorm en inhoud hebben dus alles met elkaar te maken, als je denkt vanuit het voorbeeld van een goed glas wijn.
Dat geldt ook als je nadenkt over het christelijk geloof en de betekenis ervan voor de samenleving van vandaag. Volgens mij moet je steeds jezelf als voorganger en ook jezelf als geloofsgemeenschap bevragen op de vorm én de inhoud van je christelijke overtuiging. Sterker nog: zonder vaste vormen vervaagt de inhoud, is mijn overtuiging.
Tegelijk zie ik heel goed het gevaar van formalisme: de vaste vorm wordt belangrijker dan de inhoud. Dat gevaar zag Jezus in zijn tijd op aarde heel scherp bij die stroming in het jodendom die zich het meest serieus met het geloof bezig hield: de farizeeën. Op gezag van mijn leermeester Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit in Kampen, prof. Jakob van Bruggen, neem ik maar even aan dat deze groepering in hoog aanzien stond bij de meeste mensen, omdat ze zo consequent vanuit het geloof in de God van Abraham, Izaäk en Jakob leefden. Naar God toe en naar hun naaste toe. Consequent en ook radikaal door de zonde te benoemen en af te wijzen. Maar Jezus laat volgens mij zien dat heel die farizeese geloofsbeleving gebaseerd is op vorm en veel minder op inhoud. Want Hijzelf is de inhoud – en juist de farizeeën wijzen Hem af als de Zoon van God en het Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt.
Voor mij als gereformeerd predikant is de spannende vraag in deze tijd: hoe bewaak ik de inhoud van het christelijk geloof zonder dat ik een formalist wordt? Zowel als het om de leer gaat: hoe spreken we in de kerk over God en over Jezus, over wie Ze zijn en wat Ze doen? Als om het leven: wanneer mag je zeggen dat iemand qua levensstijl echt niet meer het voorbeeld van Jezus (Johannes 13:15) en God (Efeziërs 5:1) volgt? Want je kunt de spelregels van het christelijk geloof best aanpassen aan de behoeften van de tijd. Zo
gebeurt dat ook in sommige sporten. Maar je kunt onmogelijk volhouden dat als we afspreken om van het net een doel te maken en om de bal niet meer met de handen, maar alleen nog met de voeten aan te raken, dat we dan nog steeds met dezelfde sport te maken hebben.
Waar ligt, als het om geloven binnen de christelijke traditie gaat, dan de grens tussen vorm en inhoud? Voor mij ligt die, als predikant binnen de gereformeerde traditie, in de belijdenis van de Twaalf Artikelen van het onbetwijfeld christelijk geloof. Want daarin staat wat – of liever nog: Wie mij bezielt en inspireert. Als ik daar niet meer mee uit de voeten zou kunnen, zou ik m’n ambt als predikant neerleggen en iets gaan doen met ‘mens en religie’ of zo. Ik besef dat als je in onze tijd zegt dat de Twaalf Artikelen het uitgangspunt zijn voor het echte christen-zijn en kerk-zijn, dat zo’n overtuiging heel exclusief overkomt. Terwijl ik tegelijk juist vanuit de christelijke traditie ook hart heb voor de stad waarin wij wonen en vooral voor alle mensen die hier leven.
Concentratie – Integratie
Daarom wil in een tweede beeld naar voren halen. Dat beeld ontleen ik aan mijn zeer gewaarde overbuurman uit Nijmegen, waar ik van 1999 tot 2005 predikant was. Mijn overbuurman was betrokken katholiek en directeur van een mega-basisscholen-conglomeraat waarin al het katholieke, protestantse en algemeen-bijzonder onderwijs in samengevoegd was. We hebben bijzonder goede gesprekken gevoerd over de plaats die je als maatschappij-betrokken christen in de samenleving moest innemen. Hij zei tegen mij: Ernst, weet je, bij jullie vrijgemaakt-gereformeerde scholen zie ik een sterke focus op de handhaving van je identiteit. Bij onze algemeen-christelijke scholen-organisatie daarentegen zie ik een sterke focus op de plek die iedereen moet innemen in de samenleving. Jullie sterke punt is concentratie en ons sterke punt is integratie.
Ik vond dat een prachtige vondst, die twee typeringen, omdat ze zo waardenvrij zijn. Er zit geen veroordeling in. Want welk bedrijf wil zich nu niet concentreren op z’n core-business? En welke organisatie wil nu niet een respectabele, zinvolle plek midden in de samenleving innemen? Maar ik voel meteen weer de spanning. Het blijft voor alles wat zich christelijk noemt blijkbaar heel lastig om de concentratie op de bijbelse uitgangspunten en de integratie en acceptatie in de samenleving te combineren. Als je openlijk uitkomt voor je uitgangspunt dat Jezus de Zoon van God is die als Lam van de God de zonde van wereld wegneemt, en vanuit zijn liefde als inspiratiebron maatschappelijke hulp wilt verlenen aan vrouwen die vast zitten in de prostitutie (Het Scharlaken Koord) of in probleemwijken met jongeren aan de slag wilt (Youth for Christ) of op maatschappelijk vlak vraag en aanbod bij elkaar wilt brengen (Stichting Present), kun je nog zo hard roepen dat je aan integratie wilt werken, maar je concentratie op Jezus Christus roept bij de seculiere atheïsten, of ze nu links of rechts zijn, een boel weerstand op. Volgens hen is er maar één manier waarop christenen hun plek in het maatschappelijke veld mogen innemen: op persoonlijke titel in niet-religieus-gebonden organisaties.
De balans
Het gaat dus om de vraag: hoe bewaak je je christelijke identiteit (concentratie) terwijl je toch zoveel mogelijk je plaats in de samenleving (integratie) wilt innemen? En hoe vind je daarin de balans? Als GKV zitten we nog steeds vooral op de lijn van de concentratie, denk ik. Dat vind ik terecht, ook al loop je het risiko dat het lijntje naar boven belangrijker wordt dan het lijntje naar elkaar. Terwijl Jezus heel de wet samenvatte in het dubbel-gebod van de liefde: God boven alles en je naaste als jezelf. Omgekeerd dreigt een nog groter risiko namelijk: als je alleen maar vanuit de naastenliefde denkt en handelt, raak je uiteindelijk je inspiratiebron kwijt. Want die moet ik, als ik de Bijbel serieus neem, toch echt van buiten onszelf in onszelf komen. Het is God die van alle mensen houdt en voor heel zijn schepping zorgt. En Jezus maakt Zichzelf bekend als de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt bij die God van liefde en zorg uit dan via Hem. Maar hoe geef je daar vorm aan zonder exclusief en veroordelend te zijn? Als christen? En als kerkgemeenschap? Dat is voor mij een open vraag. En tegelijk mag ik daar keuzes in maken. Als christen. Als kerkgemeenschap. Niet uit eigen kracht. Ook niet om het isolement te zoeken. Maar “in het vertrouwen dat God het ons toestaat deze keuzes te maken” (Hebreeën 6:3).
Kathy Keller verhuisde in 1989 met haar man Tim naar hartje New York. Samen startten ze de Redeemer Church. Daar hanteert men op grond van de Bijbel een complementaire M/V-visie: Jezus Christus heeft in zijn kerk aparte functies en rollen ingesteld voor mannen en vrouwen – niet om elkaar uit te sluiten, maar om elkaar aan te vullen. Dus kennen ze binnen Redeemer geen vrouwelijke ouderlingen en predikanten, maar verder worden vrouwen volledig ingeschakeld als het gaat om het geven van leiding en onderwijs. Dat levert soms felle discussies en stevige teleurstellingen op. Daarom stelt Kathy Keller zichzelf steeds weer de vraag: “Hoe kan ik mensen van de 21ste eeuw duidelijk maken dat het idee van aparte, elkaar aanvullende M/V rollen niet overkomt als een ouderwetse opvatting waar we ons voor moeten schamen, maar als een goed geschenk van onze hemelse Vader?”
Deze principes moet je ook toepassen op de ‘terreurteksten’ (zoals feministen volgens Kathy Keller 1 Korintiërs 14:34-35 en 1 Timoteüs 2:11-12 wel eens noemen) over positie van vrouwen in de kerk. Beide teksten betekenen volgens Kathy Keller niet dat christenvrouwen op geen enkele manier in de kerk openlijk het woord mogen voeren. Heel de Bijbel staat namelijk vol van vrouwen die wel in het openbaar profeteren, verkondigden en bidden. Het gedeelte uit 1 Kor. 14:34-35 is minder duidelijk, omdat je uit 1 Kor. 11 en 14 kunt afleiden dat vrouwen in de samenkomsten wel mochten profeteren en bidden. Dus moet je kijken naar die andere bijbeltekst waar Paulus ook zegt dat vrouwen moeten zwijgen, nl. 1 Tim. 2:11-12. Daar zegt Paulus duidelijk, dat het niet toegestaan is dat vrouwen ‘gezaghebbend onderwijs’ mogen geven in de officiële samenkomst van de gemeente. Alle andere vormen van openbaar spreken en publiek onderwijs geven zijn dus toegestaan. Alleen deze ene vorm wordt door Paulus verboden. Volgens Kathy Keller is dat de vorm van het beoordelen van profetieën (1 Kor. 11 t/m 14) en het bewaken van de apostolische leer (1 Tim. 1 t/m 6). Dit onderwijs wordt ‘gezaghebbend’ genoemd om twee redenen. Ten eerste omdat hier een eindoordeel gegeven wordt over wat er tot nu toe in de samenkomsten gezegd is: was het een profetie of een uitleg die overeen kwam met de waarheid van Gods Woord of werd hier een dwaling of, nog erger, dwaalleer verkondigd? Ten tweede omdat bij dit eindoordeel ook een oordeel wordt uitgesproken over de verkondiger en de luisteraars: wie een ander evangelie dan het goede nieuws van Jezus Christus brengt of wie niet wil luisteren naar de goede, heilzame boodschap van Gods Woord, wordt vermaand, van het Avondmaal afgehouden en uiteindelijk uit de christelijke gemeente verbannen, want zo iemand is geen onderdeel van en hoort niet thuis in het lichaam van Christus. Volgens Kathy Keller is die opdracht is alleen voor ouderlingen gereserveerd en in Gods wijsheid is die functie in heel de Bijbel alleen bestemd voor mannen.
Na het lezen van dit boek zijn er bij mij vier dingen blijven hangen, eerlijk te verdelen in twee sterke en twee zwakke punten.
Al een aantal jaren organiseert de kleine Evangelisch-Reformierte Kirche van Neuhofen a/d Krems in de maand juni een ‘Gemeindeausflug’ naar de Wolfgangsee, zo’n 100 kilometer verderop. Een heel verschil, want Neuhofen ligt dicht bij de stad Linz in het heuvelachtige deel van Oostenrijk en St. Wolfgang ligt dicht bij Salzburg in de Alpen. Daar genieten de gemeenteleden van het meer, de bergen en, als het mee zit, het goede weer. Op zondag komt men dan samen in de kleine Evangelische Kirche van Sankt Wolfgang. Vaak zijn er ook enkele leden van de plaatselijke kerk aanwezig en meestal ook enig gasten uit Nederland.
Dit jaar vond het gemeente-uitstapje plaatst in het weekend van zondag 10 juni. In de kerkdienst werd een preek van prof. dr. Bernard Kaiser over Romeinen 11:33-36 (
Na de kerkdienst volgde de gemeentepicknick aan het meer. Met mooie ontmoetingen en fijne gesprekken. Het is altijd goed om elkaar in een andere setting te ontmoeten, samen met de aanwezige gasten. Zeker voor een zo kleine gemeente als die van Neuhofen.
In 2017 wordt een jaar lang aandacht besteed aan 500 jaar Reformatie. Op 31 oktober 1517 spijkerde de monnik Maarten Luther 95 stellingen op de deur van de slotkapel van Wittenberg. Deze gebeurtenis wordt gezien als het begin van de Reformatie in Europa. In Assen organiseert de werkgroep ‘500 na Luther’ een jaar lang verschillende activiteiten (zie
De Reformatie lijkt iets uit een ver verleden en dat is ook zo. Binnenkort wordt zelfs de 500e verjaardag gevierd en dat maakt al wel duidelijk dat die Reformatie stokoud is. Die verjaardag lijkt vooral een bejaardenfeestje voor mensen die geschiedenis leuk vinden of voor mensen die graag alles bij het oude laten, en daar zijn er heel wat van, zeker in de kerk. Reformatie klinkt oud en oubollig en is niks voor mensen van vandaag, en al helemaal niet voor jonge mensen. Het gaat allemaal over Luther die in het klooster over een Bijbel struikelt, er dan achter komt dat goede werken ons niet verder helpen maar alles van Gods genade afhangt, en die vervolgens veel bier drinkt en nare dingen over Joden vertelt. Wat moet je daar vandaag nu mee?
Wat Luther vooral wilde veranderen was de verhouding tussen God en mens. Hem was geleerd dat zelfs als hij heel goed z´n best deed de kans heel klein was dat hij in de hemel zou komen. Geloven was een puntensysteem geworden waarbij je punten kreeg voor goede werken en er puntenaftrek was als je zondigde. En niemand wist hoeveel punten je moest hebben om het weer goed met God te krijgen. Luther was iemand die heel goed z´n best had gedaan maar hij kreeg een hekel aan God omdat Luther vond dat God het onmogelijke van een mens vroeg. Toen kwam Luther tot het inzicht dat het precies andersom was. Niet wij moeten zorgen dat het weer goed komt tussen God en ons, maar God heeft daar in Christus zelf al voor gezorgd. Wij hoeven dat alleen maar in geloof aan te nemen. Luther zei dat toen hij dat een keer inzag het was alsof de deur naar het paradijs voor hem openging. Luther bevrijdde het geloof van stress en krampachtigheid, liet de mensen weer zingen van blijdschap en goede daden veranderden van zware klus tot mooi werk. Mensen zijn ontzettend zondig maar God is gelukkig ontzettend genadig. Christus wil met ons ruilen. Hij wil onze zonde en schuld wel hebben en in ruil daarvoor geeft Hij ons gerechtigheid en eeuwig leven. Die boodschap is niet oubollig maar super actueel en het zou de kerk en ons geloof goed doen om na 500 jaar maar weer eens naar Luther te luisteren.
Nu heeft Luthers Reformatie niet alleen maar voor vernieuwing en verbetering gezorgd. Wat Luther bijvoorbeeld over Joden zei is verschrikkelijk. Anderen in zijn tijd deden dat weliswaar ook maar dat maakte het niet minder erg. Zo kan 500 jaar Reformatie ons ook leren wat we vooral niet moeten doen en ons nederig maken over wat onze voorouders in Gods Naam verkeerd hebben gedaan. Maar ook die minder mooie zaken makenduidelijk dat de Reformatie ons ook vandaag nog heel wat te zeggen heeft want ook vandaag moeten wij nadenken over tolerantie, over geloof en politiek. Immers, religie is het onderwerp van de dag. Daar kan Luther over meepraten.
Op dinsdag 31 januari spreekt prof. dr. M.J. Verkerk over ‘M/V in de kerk’. De titel van zijn lezing is Rechtdoen aan vrouwen. Kerk, tijdgeest en exegese”. Maarten is bijzonder hoogleraar christelijke filosofie aan de Technische Universiteit Eindhoven en aan de Universiteit Maastricht. Hij houdt zich al meer dan 20 jaar bezig met vragen rond ‘vrouw en ambt’. Als voorstudie beveelt hij o.a. onderstaand artikel aan. Samen met prof. dr. Gerrit Glas publiceerde hij het op 5 december 2016 in het Nederlands Dagblad. Dit artikel over ‘Vrouwen in de kerk’ is de derde in deze reeks na
Dé man bestaat niet. Dé vrouw evenmin. Daar kom ik steeds weer achter als ik met vaste regelmaat een trouwdienst voorbereid. Dan heb ik meestal niet alleen een gesprek over de liturgie en de trouwtekst, maar praten we ook samen door over de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk n.a.v. wat God daar in de Bijbel over zegt. Bijna altijd komen we dan uit op het verschil tussen man en vrouw n.a.v. het ‘Adam is als eerste geschapen en daarna Eva’. Vaak gebruik ik daarbij het voorbeeld van de man die galant de deur van de auto (ongeacht of zij rijdt of hij) voor zijn vrouw open doet bij het in- en uitstappen. Mijn indruk op grond van al die stelletjes is, dat zo’n 90% van de bijna getrouwde vrouwen zo’n gebaar echt wel op prijs stellen. Maar, jong als ze meestal zijn, voelen ze zich er ook wel een beetje ongemakkelijk bij. Want eigenlijk hoort dat toch niet in de maatschappij van tegenwoordig. Het is verschrikkelijk ouderwets, rolbevestigend en haast discriminerend. Zo’n 10% vindt het ook echt belachelijk: ‘Ik kan toch zeker zelf wel de deur open doen?’ ’t Is maar een simpel voorbeeld. Maar het kon wel eens meer over hoe mannen en vrouwen in elkaar steken zeggen dan je op het eerste gezicht denkt.
bedoeld bent. Ieder met een eigen karakter, ieder met een eigen opdracht in het leven, ieder op haar of zijn eigen door God gegeven positie. Maar allebei even waardevol in de ogen van God. Er is een spreuk die zegt: 
In onze gemeente is het al zo’n 15 jaar mogelijk dat gemeenteleden die ernstig ziek zijn of langdurig aan huis gebonden zijn het Avondmaal thuis vieren als zij dat willen. Dat was, zo rond 2000, een nieuwe ontwikkeling. Ruim 400 jaar golden de volgende argumenten om het ‘Avondmaal aan huis’ niet te stimuleren: a) de viering van het Avondmaal moet in de gemeente plaats vinden; b) het ontvangen van het Avondmaal is niet noodzakelijk om behouden te worden; c) de werking van het Avondmaal komt, dankzij de Heilige Geest, ook ten goede aan gemeenteleden die het Avondmaal niet kunnen meevieren.
Precies twintig jaar later, in 1563, schrijft Calvijn nog een keer uitvoerig over de bediening van het Avondmaal bij ernstig zieken thuis. Hij doet dat in een brief aan Caspar Olevianus, één van de opstellers van de Heidelbergse Catechismus. Wanneer je naar het doel van het Avondmaal kijkt, schrijft Calvijn, “meen ik te mogen opmaken, dat zij die of aan een langdurige ziekte lijden of in levensgevaar zijn, niet van een zo groot goed beroofd mogen worden.” Het Avondmaal dient tot versterking van het geloof en is een wapen dat Christus ons aanreikt in de geestelijke strijd die we te voeren hebben. Juist in tijden van een ernstige ziekte en een naderend sterven wordt een gelovige door veel verzoekingen overvallen en beangstigd. “Mogen wij nu dit bijzonder hulpmiddel van hem wegnemen, waardoor zijn vertrouwen zo versterkt wordt, dat hij zich met vreugde in de strijd begeeft en de overwinning behaalt?” Daarom mag men de zieken volgens Calvijn niet van het Avondmaal weren. “Juist het Avondmaal is symbool van de heilige eenheid van Gods kinderen.” Calvijn bestrijdt, dat het Avondmaal zo een privézaak wordt. “In werkelijkheid is het Avondmaal aan huis een onderdeel van de openlijke viering.” Tenslotte is hij van mening, dat voorkomen moet worden, dat zieken uit bijgeloof, eerzucht of nieuwsgierigheid het Avondmaal willen ontvangen. Daarom wil Calvijn slechts in uitzonderlijke situaties en wanneer de kerkeraad goed op de hoogte is van de werkelijke toestand van de zieke broeder of zuster, de Avondmaalsviering bij hem of haar thuis toestaan. Bovendien moet de viering helemaal overeenkomen met de instelling van Christus. Daarom acht Calvijn het wenselijk, dat het Avondmaal “slechts in de kring van de gelovigen en niet zonder onderwijs en liturgie, evenals bij de openlijke viering, gehouden wordt.”
Zo doen we het in 2016 in onze gemeente ook. In een huiskamer komen de predikant, de kringouderling, de kringdiaken en een paar gemeenteleden bij elkaar. De bediening van het Avondmaal vindt plaats in een korte samenkomst waarin we ook samen bidden, uit de bijbel lezen en zingen. Daarmee volgen we helemaal de lijn van Calvijn. Hij vond het o zo belangrijk dat gelovige kinderen van God juist als ze het heel erg moeilijk hebben, het Avondmaal als geloofsmedicijn ontvangen. Om in alle angsten en benauwenissen het oog op de Heer gericht te houden en op Hem te blijven hopen (Psalm 25:15-22). Juist dan wil Jezus onze Heer met het Avondmaal ons geloof versterken en ons ‘bemoedigen met kracht in onze ziel’ (om het met Ps. 138:3b uit de NV’51 te zeggen).