Sinds begin oktober is de intelligente lockdown weer van kracht. Alle publieke samenkomsten mogen uit niet meer dan 30 mensen bestaan (of 40 als het buiten plaats vindt). Zingen, joelen en schreeuwen wordt met klem afgeraden, terwijl het gebruik van een mondkapje bij binnenkomst en vertrek even dringend wordt aanbevolen.
Vanwege het recht op vrije uitoefening van de godsdienst kan de beperking van 30 personen niet dwingend aan kerken worden opgelegd. Dus veroorloven sommige grote kerken, vooral uit de reformatorische hoek, maar ook enkele vrije evangelische kerken het zich, om toch een veelvoud va 30 kerkgangers toe te laten. Ze houden zich daarbij aan alle regels die vóór de nieuwe lockdown in oktober golden. Om de kerkdiensten zo veilig mogelijk door te kunnen laten gaan is er in een aantal kerken stevig geïnvesteerd in een goede ventilatie.
Op zich kan ik het mij voorstellen dat een aantal zeer grote kerken nog steeds met meer dan 30 kerkgangers bij elkaar komt. Laten we wel wezen: als je normaal gesproken 2.400 kerkgangers kunt bergen, is een aantal van 250 per dienst op geen enkele manier te typeren als een onverantwoord super-corona-verspreider-evenement. Zeker niet als daarbij wel gehoor gegeven wordt aan de beide andere dringende adviezen: geen gemeentezang en het gebruik van mondkapjes. Of het verstandig voor de beeldvorming in de media is om toch meer dan 30 kerkgangers per kerkdienst toe te laten is een andere vraag. En het is beslist onverstandig om twee of drie dringende adviezen van de overheid naast je neer te leggen, dus ik heb geen begrip voor kerken die met meer dan 30 kerkgangers ook nog eens gewoon met z’n allen blijven zingen.
Er is iets anders waar ik veel meer moeite mee heb, namelijk het beroep dat sommige christenen doen op de Bijbel om de adviezen van de overheid naast zich neer te leggen. Dat geldt zowel voor het bezoekersaantal als voor het zingen in de kerk.
Dit is wat ik af en toe hoor:
De regering mag ons geen beperkingen opleggen wat betreft het aantal kerkgangers, want in Hebreeën 10:25 staat immers: ‘Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar elkaar aansporen, en dat zoveel te meer als u de grote dag ziet naderen.’ (HSV) En we blijven in de kerkdienst onze lofliederen zingen, want in Psalm 22:4 staat immers: ‘Maar U bent heilig, U troont op de lofzangen van Israël.’ (HSV)
Wie op deze manier onder de dringende adviezen van de overheid probeert uit te komen, laat de Bijbel buikspreken. Het is niet alleen super-inconsequent, want waarom roep je dan niet gewoon alle 2.400 gemeenteleden op om de kerkdienst te blijven bezoeken in plaats van een roulatie-systeem? En waarom zing je dan niet massaal uit volle borst God de lof toe die Hem toe komt, in plaats van mondjesmaat?
Veel erger is nog, dat wie met een beroep op deze twee teksten uit de Bijbel wil aangeven dat we ‘aan God meer gehoorzaam moeten zijn dan aan mensen’ (Handelingen 5:29) zich schuldig maakt aan de overtreding van het Derde Gebod van wet van de HERE die in veel kerken elke zondag aan de gelovigen wordt voorgehouden: ‘Misbruik de naam van de HERE, uw God, niet’ (NBV) / ‘U zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken’ (HSV).
Het effect daarvan is desastreus. Om drie redenen.
1/ Allereerst stimuleert men de ongehoorzaamheid aan de overheid (in strijd met de oproepen van Paulus en Petrus om omwille van de Heer het gezag van de overheid te erkennen (Romeinen 13:1-7 en 1 Petrus 2:13-17), en dat in een tijd waarin toch al allerlei anarchistische krachten met hun complottheorieën het gezag van de overheid ondermijnen.
2/ Verder houdt men eigen zekerheden in stand gehouden in plaats van er werkelijk op te vertrouwen dat de HEER zijn kerk beschermt en bewaart. Niet door de kracht van aantallen of volume, maar ook waar twee of drie gelovigen bij elkaar komen (Matteüs 18:20) om in stilte de lofzang aan God te doen toekomen (Psalm 65:2 HSV) is Jezus naar zijn belofte in ons midden. De profileringsdrang om met Schriftbewijs eigen standpunten te onderbouwen doet me denken aan de opmerking van Paulus aan Timoteüs, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen aanbreken, waarin mensen ’de schijn van vroomheid en godsvrucht zullen ophouden, maar de kracht ervan miskennen en verloochenen. Laat je niet met hen in, maar keer je van hen af’ is het vlijmscherpe advies van Paulus (2 Timoteüs 3:5).
3/ Tenslotte: als je bijbelteksten voor je eigen karretje spant, maak je je allereerst zelf schuldig aan vroom ijdel gebruik van de naam des HEREN. In Zondag 38 van de Heidelbergse Catechismus wordt elke christen juist opgeroepen om ervoor te zorgen dat wijzelf Gods heilige naam door onze woorden en daden niet lasteren, maar eren en prijzen. Maar daar komt nog iets bij. Door zulk misbruik is men er ook de oorzaak van dat de niet-christelijke wereld Gods naam nog eens extra door het slijk haalt. In Zondag 47 van de Heidelbergse Catechismus wordt elke christen juist opgeroepen om ervoor te zorgen dat anderen Gods heilige naam vanwege onze woorden en daden niet lasteren, maar eren en prijzen.
Gods naam houden we niet hoog door met een foutief beroep op de Bijbel op onze strepen te gaan staan. Dat valt niet mee in een samenleving die toch al erg kritisch is op alles waar christenen voor staan. Maar als we samen in de crisis zitten, past ons als christenen een bescheiden houding, namelijk die van meeleven en meelijden met de samenleving. Dat gaat mij persoonlijk niet altijd even gemakkelijk af, dat geef ik eerlijk toe. Maar ik wil er voor waken om te grote woorden te spreken als de overheid een redelijk beroep op ons als kerken doet. En ik wil zeker de woorden van mijn God niet onnodig als argument gebruiken om anderen van mijn eigen gelijk te overtuigen. Daar is zijn naam mij te heilig voor.
Wat zullen we hier nog meer van zeggen? Je kunt vechten voor meer ruimte voor gemeentezang. Je kunt in het negatieve blijven hangen en met een zuur gezicht praten over de regels. Je kunt ook leren van een bestuurder van een voetbalclub die in een televisieprogramma een andere toon aansloeg. Hij zei (in mijn eigen woorden weergegeven): blijven zeuren over wat niet kan, helpt je niets verder. Wees blij met wat wel kan en maak er dankbaar gebruik van.
Hoewel: toen ik deze blog klaar had, zei Karla tegen mij: wat een ingewikkeld gedoe allemaal. Waarom moeten doopouders persé hun kind vasthouden bij de doop? Laat de vader of moeder hun baby op een doopkussen leggen en daarna samen een stap achteruit doen, zodat de dominee de kleine gewoon kan dopen incl. de besprenkeling, desnoods met wegwerphandschoenen aan.
Er zullen, schat ik in, al met al zo’n 40 – 50 gemeenteleden de kerkdienst van 15 maart bezoeken. Dat gaat er dan net zo uitzien als in de CGK van Nunspeet die afgelopen donderdag een aangepaste biddagdienst belegde (zie foto).
Als dat niet persé nodig is, kun je er ook voor kiezen om in elk geval de mogelijkheid te bieden om wel voor een deel bij elkaar te komen. In onze ‘Noorderlicht’-gemeente kan dat volgens het Dagelijks Bestuur inderdaad, omdat wij een erg jonge gemeente zijn. Volgens het Nederlands Dagblad van 14 maart is het risico van de gevolgen van corona-virus “zeer scheef verdeeld: van de besmette twintigers en dertigers overlijdt amper een op de duizend, van de besmette 80-plussers overlijdt tot wel een op de zes.” (zie de tabel)
In de afgelopen week werd op Facebook, op Twitter en in de krant een discussie gevoerd over hoe zinvol de gewoonte is om het Wilhelmus aan het eind van de kerkdienst te laten zingen. De een vond het taalgebruik echt te ouderwets (‘vrij onverveerd, Hispanje’). Een ander vond het een te nationalistisch volkslied dat je niet meer met goed fatsoen kunt zingen nu de Nederlandse kerken zoveel leden die uit andere landen afkomstig zijn kennen. En een derde persoon vond dat je met het Wilhelmus de mensen buitensloot die republikein zijn. Tenslotte zei iemand dat je als christen je aardse nationaliteit niet zo moet promoten, omdat we burgers van het hemels koninkrijk zijn. En als je al deze argumenten bij elkaar optelt, heeft een steeds groter deel van de kerkgangers moeite met het Wilhelmus. Dus moeten we het als kerk niet meer willen, die verplichte twee (of drie) coupletten van het Wilhelmus.