‘Wat de toekomst brengen moge’ – volgen met of zonder vragen?

In de kerk zingen we regelmatig ‘Wat de toekomst brengen moge’, het bekende lied van de christelijke dichteres Jacqueline Elisabeth van der Waals. Ze werd geboren op 26 juni 1868 en overleed op 29 april 1922 aan maagkanker. Ze schreef gedichten en vertaalde er ook een aantal, waaronder ‘De dag door uwe gunst ontvangen’ (LvK 393 = NLB 248) en ‘Zegen ons, Algoede (LvK 456 = NLB 415). ‘Wat de toekomst brengen moge’ (LvK 293 = NLB 913) is haar meest bekende lied en door haarzelf geschreven. Het eindigde in 2006 op de tweede plaats van ‘mooiste religieuze Nederlandse lied’. 

Geliefd …

Wat maakt dit lied zo geliefd? Op Wikipedia staat: “Het gedicht is geschreven vanuit het perspectief van iemand die binnenkort zal sterven, en zich neerlegt bij de aanstaande dood. Het naderende sterven wordt behalve in de tekst ook uitgedrukt doordat het vierde en laatste couplet maar de halve lengte heeft en daardoor niet af lijkt. Er wordt wel beweerd dat Van der Waals het lied op haar sterfbed zou hebben geschreven, maar dit is onjuist; het werd in 1920 gepubliceerd, in 1921 werd ze ziek en ze overleed in 1922. Het verlangen naar de dood is een vaker voorkomend, algemeen thema in haar werk.”

Dat laatste zal ermee te maken hebben, dat haar moeder, toen zijzelf nog maar 13 was, al in 1881 aan tuberculose overleed en haar vader, die in 1910 de Nobelprijs voor de Natuurkunde kreeg, daar zo van slag van was, dat hij 10 jaar lang niets publiceerde en 20 jaar lang de gordijnen van de voorkamer gesloten hield.

…en toch omstreden

Geliefd en toch omstreden, zo zou je ‘Wat de toekomst brengen moge’ kunnen typeren. Regelmatig hoor ik medechristenen zeggen: “Het lied is mij veel te passief. Ik hoef als christen niet zonder vragen en met gesloten ogen aan Gods trouwe Vaderhand te lopen. Ik mag dat juist doen met mijn vragen en met mijn ogen open.” Anderen hebben moeite met de bewering dat we op weg zijn naar het onbekende land. Dat klopt niet, vinden ze, want we zijn op weg naar Jezus, in de hemel en straks op de nieuwe aarde. Daarom kun je beter spreken en zingen naar het mij beloofde land.

Levensgevoel en levenssituatie

Waar komt dat gevoel van irritatie vandaan? Ik kan het me ergens wel voorstellen. Volgens mij heeft het onder andere er mee te maken dat we 100 jaar verder zijn dan toen Jacqueline van der Waals het lied dichtte. In die tijd keek men anders tegen ouders en dus ook tegen God als Vader aan dan nu. Toen was er vooral sprake van een vertrouwensrelatie die op gezag en autoriteit berustte. Het kind wachtte respectvol de beslissingen van de ouders af en volgde die gehoorzaam op. Nu is er vooral sprake van een vertrouwensrelatie die gebaseerd is op mondigheid en gelijkwaardigheid. Na een open gesprek respecteert en accepteert het kind de beslissingen van de ouders.

Verder maakt het ook wel uit in welke levenssituatie je dit lied zingt. Al in de Bijbel zie je bv. bij Job dat er momenten zijn waarop hij kan berusten in alles wat hij mee moet maken en dat er tijden in zijn leven zijn dat hij vrijmoedig al zijn ‘waarom?’-vragen op God afvuurt.

Welke versie heeft de voorkeur?

Ik was nieuwsgierig hoe er onder christenen over dit lied gedacht wordt. Dus stelde ik op Twitter en Faceboek de vraag: welke versie van ‘Wat de toekomst brengen moge’ heeft jouw voorkeur?

            A/ Leer mij volgen zonder vragen + Loop ik met gesloten ogen.

            B/ Leer mij volgen met mijn vragen + Loop ik met de ogen open.

Op Twitter en Facebook koos ruim 60% voor A en bijna 40% voor B.

Christenen met een sterke voorkeur voor A vinden het vooral een teken van volledige overgave aan en blindelings vertrouwen op Gods goede Vaderzorg. Ook speelt vaak mee dat ze deze versie op belangrijke momenten in hun leven, zoals op de begrafenis van ouders, hebben gezongen.

Christenen met sterke voorkeur voor B vinden dat juist als je op God als je Vader vertrouwt, je al je vragen altijd aan Hem stellen mag. Vaak kwam daar als tweede wijziging bij: ik zing liever ‘naar het mij beloofde land’ dan ‘naar het onbekende land’.  We zijn immers onderweg naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, en onderweg daarheen mag je toch gerust om je heen en ook vo verlangen vooruit kijken naar die prachtige toekomst?

Sommigen vinden het raar of zelfs onverantwoord om überhaupt de tekst van Jacqueline van der Waals te veranderen. Als je de tekst niets mooi vindt, schrijf dan een nieuw lied en componeer een nieuwe melodie, was een reaktie. iemand anders zei: als je deze tekst niets vindt, kun je nog altijd het vierde vers van Lvk 479 = NLB 978 zingen, nl. ‘Laat dan mijn hart U toebehoren en laat mij door de wereld gaan met open ogen, open oren, om al uw tekens te verstaan. Dan is het aardse leven goed, omdat de hemel mij begroet.’

Welke melodie heeft de voorkeur?

Ja, en uiteraard kwam er ook die onvermijdelijke opmerking dat ‘Wat de toekomst brengen moge’ nog mooier klinkt als het op de melodie van ‘The Rose’ van Bette Midler gezongen wordt. Dat heb ik toen ook maar es gepeild. Op Twitter koos 70% voor de traditionele melodie uit het Liedboek. Op FB was het fifty-fifty, soms met nogal uitgesproken meningen. Daaruit blijkt maar weer eens duidelijk: muzikale smaken verschillen.

Haar bekendste gedicht

Tenslotte: toen ik over de tekst van dit lied begon na te denken, vroeg ik aan Karla: “Ken jij Jaqueline van der Waals?” Ze zei meteen: “Jazeker! Dat is de dichteres van het prachtige gedicht De Herdersfluit.” En uit haar hoofd zei ze spontaan de eerste veertien regels op.

Graf van Van der Waals

De Herdersfluit (1910)

Eens ging ik langs het lage riet,
dat ruisen kan en anders niet,
toen, langs mijn pad, een herder kwam,
die één van deze halmen nam
en die besnoeide en besneed
en maakte tot zijn dienst gereed.

Door dit gekorven rietje, dat
als dood hij in zijn handen had,
die stemmeloze stengel, zond
hij straks de adem van zijn mond,
en als hij blies, zo zong het riet,
en als hij zweeg, verstomde ‘t lied:
de zoete, pas ontwaakte stem
bestond en leefde slechts door hem.

Zo gaf ik gaarne wens en wil
in ‘s Heren hand en hield mij stil.
Zo dan als door een rieten fluit
bij zwijgend eigen stemgeluid
Gods adem door mij henen blies,
hoe grote winst bij klein verlies!

Jacqueline E. van der Waals

Uit: ‘Nieuwe verzen’ (1909)

Gaan alle christenen vlak voor de grote verdrukking voor 1000 jaar naar de hemel?

Op 18 december 2021 plaatste het Nederlands Dagblad zeven korte interviews (klik hier) waarin lezers aangaven waarom ze zich wel of niet hadden laten vaccineren. Eén van de zeven christenen liet weten, dat hij in ‘de opneming van de gemeente’ geloofde. Die term staat voor de gedachte dat alle christenen op aarde in één oogwenk worden opgenomen in de hemel, vlak voordat op aarde een korte, maar hevig verdrukking losbarst. Daarna breekt het duizendjarig rijk aan en als dat millennium bijna voorbij is, komt de duivel nog één keer met een laatste wanhoopsoffensief om de wereld te veroveren. Dat mislukt doordat Jezus uit de hemel neerdaalt en definitief terugkomt op aarde. Volgens deze theorie vindt de terugkomst van Jezus dus in twee etappes plaats, met duizend of 1007 jaar ertussen.

Iemand vroeg mij: ‘Wat wordt met de opneming van de gemeente van Jezus, vlak voor de grote verdrukking, bedoeld? Komt Jezus twee keer terug?’

Daar wil ik wel wat over zeggen. De ‘opneming van de gemeente’ is een onderwerp waar je het uitgebreid over kunt hebben. Maar in de kern is het vrij eenvoudig.

In Openbaring 20 gaat het over een periode van 1000 jaar waarin de duivel aan de ketting wordt gelegd en waarin alle gelovigen samen met Jezus 1000 jaar in de hemel heersen.

Ik lees dat, net als de meerderheid van gereformeerde, protestantse, lutherse en katholieke bijbeluitleggers, symbolisch. Want héél het boek Openbaring staat vol van getallensymboliek, zoals de 144.000 mensen die voor Gods troon staan. Dat is in Openbaring 7:4 het symbolische aantal (12 x 12 x 1000) van de volheid van Gods kinderen uit het Oude Testament, al dan niet aangevuld met alle gelovigen van na Pinksteren, en in Openbaring 14:1+3 van de volheid van alle gelovigen die onvoorwaardelijk trouw gebleven zijn aan Jezus als het Lam van God. Ook word in dit bijbelboek vaak de tijdsduur van ‘tijd, tijden en een halve tijd’ = 42 maanden = 1260 dagen gebruikt. Dat staat allemaal voor het getal 3½ en dat betekent ‘een korte periode’, want het getal 7 staat symbool voor ‘eeuwig’.

Verder is het goed om te weten dat in het boek Openbaring de opneming van de gemeente helemaal niet voor komt. Ook in Openbaring 20 staat nergens dat alle gelovigen in één keer weggevoerd worden naar de hemel toe. Maar als je die 1000 jaar letterlijk neemt, moet er dus een periode zijn dat alle gelovigen in de hemel zijn. Hoe komen de gelovigen die op het moment dat het duizendjarig rijk begint, dan in de heme?

Dat staat, zo op het oog, in 1 Tessalonicenzen 4:16+17: Als de Heer uit de hemel zal neerdalen, zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen worden weggevoerd op de wolken en gaan wij de Heer in de lucht tegemoet. Dan zullen we altijd bij Hem zijn.

Alleen gaat het in dit bijbelgedeelte, net als overal in het Nieuwe Testament, zowel bij Jezus onze Heer zelf (bv. in Mat. 25:31-46) als bij de apostelen (bv. Paulus in 1 Kor. 15:50-57 en Petrus in 2 Pe. 3:10-14), om de definitieve terugkomst van onze Heer Jezus Christus naar de aarde. Paulus’ punt is, dat op moment alle gestorven gelovigen weer levend worden en dat wij, die dan nog leven, samen met hen altijd bij Jezus zullen zijn. Er staat hier helemaal niets over ‘samen met Hem 1000 jaar heersen in de hemel’.

Maar wat bedoelt Paulus dan als hij zegt: ‘wij gaan de Heer in de lucht tegemoet’? Alle bijbeluitleggers die niet in een letterlijk 1000-jarig rijk geloven zijn het er over eens dat Paulus hier het beeld gebruikt van de keizer die officieel een stad komt bezoeken. Voordat de keizer de stad binnentrekt, trekken de inwoners massaal naar buiten om de keizer eer te bewijzen. Zo wordt de keizer feestelijk begroet en verwelkomd. Pas daarna trekt hij de stad in. Omdat Jezus uit de hemel komt, gaan wij Hem in de lucht tegemoet om Hem blij en feestelijk in te halen als de Bruidegom die weer bij ons komt wonen op de nieuwe aarde. Je kunt het ook vergelijken met als Nederland wereldkampioen wordt of als Nederland heel veel medailles op de Olympische Spelen haalt. Dan gaan veel supporters in hun oranje uitdossing naar Schiphol. Dat doen ze niet om zelf ergens naar toe te gaan vliegen, maar om hun sporthelden feestelijk in te halen.

De theorie van een zichtbaar rijk van Christus op aarde dat duizend jaar zal duren heet ‘het chiliasme’. Deze bijbeluitleg kwam al in de eerste eeuwen na Christus voor. Het werd door de kerk in die tijd afgewezen. Als je wat Johannes op geheimvolle wijze in beelden had gesproken letterlijk neemt, heb je het niet begrepen, schreef Eusebius rond het jaar 300 in zijn ‘Kerkelijke geschiedenis’.

De leer van de opneming van de gemeente vlak voordat het duizendjarig rijk begint, is pas rond het jaar 1800 ontstaan. Het werd vijftig jaar geleden in charismatisch-evangelische kringen populair door de boeken van Hall Lindsey en daarna door de romanserie ‘De laatste bazuin’ van Tim LaHaye en Jarry B. Lenkins. Het is dus een behoorlijk nieuwe uitleg van een aantal bijbelgedeeltes.

Allebei zijn het in mijn ogen verkeerde interpretaties van de Bijbel. Ze ontstaan doordat sommige christenen Openbaring te letterlijk nemen. Als dat het uitgangspunt wordt, gaan ze ook allerlei andere bijbelteksten uit hun verband halen. Dat is geen uitlegkunde, maar inlegkunde.

Eén ding weet ik zeker: Jezus komt terug! En soms denk ik: dat zou best wel eens snel kunnen gebeuren. Maar ik waag mij niet aan een voorspelling, want Hij komt als een dief in de nacht, heeft Hij zelf gezegd en zeggen Paulus en Petrus hem na.

Wat ik wel weet is dit, om het met een bekend lied te zeggen: eens, als de bazuinen klinken uit de hoogte links en recht, komt Jezus Christus terug, voor eens en voor goed!

Foto afkomstig van www.bijbelshandboek.nl

“Als het einde nabij is, zullen de mensen misleid worden door de farmacie.”

Op 18 december 2021 plaatste het Nederlands Dagblad zeven korte inverviews over christenen die zich wel of niet laten vaccineren, onder de titel “pro- en antivaxxers, spijtoptanten en uitstellers”. Van één van de zeven hem komt de titel boven dit stuk. Deze medechristen vindt dat vanuit de Bijbel heel duidelijk aan te tonen is, dat we in de eindtijd leven en dat de farmaceutische industrie daar een belangrijke rol in speelt. Want in Openbaring 18 staat, dat het grote Babel door Gods vonnis in één uur te gronde zal gaan. Dan komt er in één klap een einde aan grote invloed van de handelaars (dat is de wereldeconomie) en worden de alle volken niet meer misleid en verleid door haar tovenarij (Openbaring 18:23). Het Griekse woord voor ‘tovenarij’ is ‘pharmakeia’. Volgens hem betekent dat ‘geneesmiddelen, farmacie’ en dus, zei hij, staat er “dat als het einde nabij is, de mensen misleid zullen worden door de farmaceutische industrie. Dat is voor mij de belangrijkste reden waakzaam te zijn als het gaat om vaccinatie en de QR-samenleving.”

Iemand uit de gemeente vroeg mij: klopt het dat het Griekse woord voor ‘toverij’ eigenlijk ‘geneesmiddelen, farmacie’ betekent? En heeft dat dan betrekking op deze tijd?

Het antwoord is: nee, het slaat nergens op om te zeggen dat de vaccinaties die we dankzij de farmaceutische industrie vandaag kunnen inzetten tegen het corona-virus, al in de Bijbel zijn voorspeld en worden afgewezen als misleidend middel van de duivel en het grote Babylon.

1/ Allereerst heeft het woord ‘pharmakia’ in het Grieks twee betekenissen, nl. ‘geneesmiddel/medicijn’ óf ‘tovermiddel/tovenarij’. Dat geldt ook voor het werkwoorden ‘pharmakeuein’ en ‘pharmassein’. Het eerste betekent ‘een geneesmiddel of giftige stof toedienen’ óf ‘met tovermiddelen te werk gaan’.  Het tweede betekent ‘door geneesmiddelen genezen’ óf ’betoveren’.

De reden waarom deze twee betekenissen voorkomen, komt omdat het woord oorspronkelijk iets te maken heeft met het toedienen van een lichaamsvreemde stof. Vandaar dat het in het Grieks soms voor ‘medicijnen’ gebruikt wordt (vaak in combinatie met woorden als ‘gezondheid’ of ‘ziekte’ of ‘arts’), maar ook voor giftige middelen die hallucinaties kunnen oproepen. Van daaruit komt de betekenis ‘tovenarij’ om de hoek kijken.

2/ Als je één tekst in de Bijbel vindt, moet je voor de betekenis ook naar de andere bijbelteksten kijken die hetzelfde woord gebruiken. In totaal komen de woorden ‘pharmakeia’ en ‘pharmakos’ vijf keer voor in het Nieuwe Testament, waarvan vier keer in het boek Openbaring.

Ik zet ze even op een rijtje:

In Galaten 5:20 zet Paulus de gevolgen van onze zondige eigen wil tegenover de vrucht van de Heilige Geest. Die zondige verlangens brengen het volgende teweeg: “ontucht, zedeloosheid en losbandigheid, afgoderij en toverij (‘pharmakeia’), vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede, gekonkel, geruzie en rivaliteit, afgunst, bras- en slemppartijen, en nog meer van dat soort dingen.”

In Openbaring 9:21 staat, dat als 1/3 van de mensheid omkomt door Gods plagen die de wereld treffen, de mensen die het overleven, zich niet tot God bekeren, maar hun afgoden blijven aanbidden. “Evenmin braken ze met hun leven van moord en toverij (‘pharmakeia’), van ontucht en  diefstal.”

In Openbaring 18:23 staat, dat de invloed van Babel zo groot was, dat “door uw toverij  (‘pharmakeia’) alle volken verleid werden.”

Als het Nieuwe Jeruzalem neerdaalt op aarde, zullen volgens Openbaring 21:8  “de lafhartigen, ongelovigen, verfoeilijken, ontuchtplegers, tovenaars (‘pharmakos’), afgodendienaars en alle leugenaars” zullen omkomen in de poel van vuur en zwavel.

Tenslotte wordt in Openbaring 22:15 gezegd, dat “de honden, de tovernaars (‘pharmakos’), de ontuchtplegers, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder die de leugen liefheeft en doet” buiten het Nieuwe Jeruzalem geplaatst wordt.

Als je vervolgens naar het Oude Testament kijkt, zie je dat het Hebreeuwse woord voor ‘toverij’ een heel ander woord is dan voor ‘genezing’. En van de wereldmachten in die tijd, Babel en Nineve, wordt gezegd:

“Je gedraag je als een hoer, een verleidster ben je, bedreven in toverij, je verkwanselt volken voor je ontuchtige praktijken, en stammen voor je toverkunst.” (Nahum 3:4 over Nineve).

“Kom van je troon af, zet je neer in het stof, vrouwe Babel. Onverwacht komt de ondergang, waarvan je geen vermoeden had. Ga maar door met je bezweringsformules en met talloze toverkunsten waarmee je je van jongs af aan hebt afgemat. Er is niemand die jou redt.” (Jesaja 47:1a, 12a, 15b over Babel).

Niet voor niets staat in Daniël 2:2 dat Nebukadnessar na zijn enge droom “opdracht gaf om de magiërs, bezweerders, tovenaars en Chaldeeën bijeen te roepen om hem te vertellen waar zijn droom over ging.”

Volgens de Bijbel heeft ‘pharmakeia’ dus nooit iets met geneesmiddelen te maken, maar staat het altijd in verband met ontucht, waarzeggerij, afgoderij en andere verderfelijke, vaak occulte dingen. Het heeft dus helemaal niets met farmaceutische middelen of medicijnen te maken, ook al is het woord ‘farmacie’ inderdaad afgeleid van het Griekse woord ‘pharmakeia’. Maar dat heeft een dubbele betekenis, zoals onder 1/ al is vermeld.

3/ Er is nog een reden waarom het erg gezocht is om de ‘Big Pharma’ opeens als de grote verleider uit het bijbelboek Openbaring te zien. Het woord ‘farmacie’ is pas een paar honderd jaar oud. Het is vanuit het Frans overgenomen als vervanging van het ouderwetse woord ‘artsenijbereidkunde’. Het is uiteindelijk wereldwijd het gangbare woord geworden voor het bereiden en testen van medicijnen die vaak via de apotheek verstrekt worden.

Ieder weldenkende christen zou toch moeten begrijpen dat een nieuwe aanduiding voor ‘medicijnbereiding’ niets te maken heeft met door God  verboden praktijk van tovenarij.

Als conclusie trek ik uit dit alles:  de ‘toverij’ waarmee het grote Babel in Openbaring 18:23 alle volken verleidt, heeft niets te maken met de farmaceutische industrie van vandaag. Je kunt het op geen enkele manier gebruiken als  argument om je niet te laten vaccineren. Wie dat wel doet, laat de Bijbel buikspreken.

Nog twee leuke feitjes als toegift.

*1* in het Nieuwe Jeruzalem staat weer een levensboom. Volgens Openbaring 22:3 “brengen de bladeren van de boom de volken genezing.” In het Grieks staat daar het woord ‘therapeia’. Daar is het Nederlandse ‘therapie’ van afgeleid. Maar niemand zal nu zeggen dat ‘therapie’ en ‘genezing’ nog precies hetzelfde zijn. Vandaag is een ‘therapie’ meestal gericht op ‘innerlijke, mentale genezing’.

*2* In het moderne Grieks is ‘pharmakeio’ het woord voor ‘apotheek’ en ‘pharmako’ het woord voor ‘medicijn’.

De duivel is overal maar niet alles is occult

‘Sinds mijn dochter charismatisch-evangelisch is geworden, is haar hart vol van Jezus, maar ziet ze ook in elk gebruik en achter elke situatie de duivel en zijn demonen aan het werk. Ze is er angstiger op geworden, ook al getuigt ze steeds, dat Jezus Overwinnaar is.’ Dat vertelde een goede kennis me een keer. Hij was blij met het levende geloof van zijn dochter, maar vond dit er echt wel een negatieve bijwerking van.

Hoe moet je omgaan met de hernieuwde aandacht voor duivelse beïnvloeding en demonische belasting? Is het wel verstandig om daar dieper op in te gaan? En vervolgens overal ‘occulte invloeden’ in te zien? Van het spel Weerwolven tot aan Zwarte Magica, Madam Mikmak en Hortensia Heks in de Donald Duck? Van Boeddha-beeldjes binnenshuis tot tuinkabouters buitenshuis? Van demonische belasting dankzij je overgrootouders tot demonische beïnvloeding bij manisch-depressiviteit en borderline? Van vloekdwang en suïcidale gedachtes als gevolg van ooit één keer glaasje draaien in je puberteit tot het schoonbidden van de slaapkamer van je kind omdat juist in die kamer de voor-vorige bewoner 30 jaar haar wicca-praktijken uitoefende?

Ik heb me wat verdiept in de redeneringen van christenen die zo denken. Volgens mij maken ze mensen zoals de dochter van mijn kennis onnodig bang. Ik noem een paar willekeurige voorbeelden.

OCCULTE BELASTING VANWEGE VORIGE GENERATIES?

Volgens sommige christenen kan er sprake zijn van occulte belasting omdat er in eerdere generaties ouders waren die zich hebben ingelaten met boze geesten en hun praktijken. Als je vader bijvoorbeeld met ‘strijken’ pijn kon wegnemen bij jou als klein kind, moet je er niet raar van staan te kijken dat er zeven demonen in jou huizen die jouw gedachten telkens negatief beïnvloeden. Dan is er namelijk sprake van een generatievloek die gebaseerd is op onbeleden zonden of demonische belasting van voorouders. Alleen middels bevrijdingspastoraat kunnen zulke boze geesten weer worden uitgedreven.

En als het gaat om kerkelijke gemeentes las ik een aantal jaren in een boekje dat je als christen veel aandacht moet besteden aan de reiniging van de leiders, de gebouwen en de gemeenteleden. Dan moet je de HERE met Psalm 139 bidden, of er  een schadelijke weg is bij mij of bij het voorgeslacht? (echt waar, dat voegde de auteur er zo even bij!). Als voorbeeld werd aangehaald, dat ooit een bekende spiritiste een lezing gehouden had in een kerkgebouw. Vanaf dat moment kwamen op het terrein van de kerk occultisten en plaatselijke heksen in lange zwarte gewaden rond middernacht bij elkaar om hun vervloekingen uit te spreken. Toen tientallen jaren later een predikant deze mensen wegjoeg, kregen hij en zijn gezinsleden onmiddellijk last van verschrikkelijke nachtmerries, kwalen en hallucinaties. Dat kwam doordat satan vanwege die lezing van jaren geleden rechtmatig bevoegd was om de gemeenteleden aan te vallen.

Als dit klopt, is het heel merkwaardig dat in de Bijbel onze Heer Jezus Christus talloze demonen heeft uitgedreven, maar dat je Hem nooit ook maar één keer hoort zeggen dat het aan de demonische praktijken van de voorouders ligt dat iemand bezeten is.

Vaak halen christenen die geloven in een ‘generatievloek’ het Tweede Gebod als bewijstekst aan. Daar staat immers, dat de HERE “de ongerechtigheid van de vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten.” (Ex. 20:5b). Dus als je God geen vergeving vraagt voor al die keren dat jij je met occulte praktijke hebt ingelaten, kan de duivel tot in de vierde generatie doorgaan met zijn schadelijke invloed.

Ik vind dit bijzonder onzorgvuldig en schadelijk bijbelmisbruik. In het 1e en 2e gebod van de Tien Geboden gaat het over eigenwillige godsdienst en afgodendienst. Er staat dat God Zélf de konsekwenties ervan tot in het 3e en 4e geslacht zal laten voelen. De duivel en het okkulte worden helemaal niet genoemd. Er staat dat dit geldt ‘voor wie Mij haten’ – dat is een heel sterk werkwoord waarmee mensen worden aangeduid die zich willens en wetens van God afkeren en niets meer van Hem willen weten.

Deze tekst heeft dus helemaal níets met demonische belasting te maken die ook nog overdraagbaar zou zijn van de ene generatie op de andere generatie. Als dat zou kunnen, zou je toch minstens verwachten dat de Here Jezus ook een keer de zonde van de voorouders als reden noemt waarom iemand door boze geesten bezeten is.

Kortom: al die aandacht voor okkulte belasting in het voorgeslacht maakt christenen alleen maar bang. En dus geef je niet God de eer, maar laat je je (vanuit precies de omgekeerde motivatie) juist in met okkultisme. Afblijven, van weg blijven en weer terug naar God alleen – zegt Mozes. Hou je aan de bijbel en niet aan allerlei theorieën over hoe de duivel te werk gaat. Want hoe meer je je bezig houdt met vragen of achter allerlei zaken ook okkulte invloeden en demonische belasting zitten – hoe meer je je er zelf mee in laat. Stop daar maar mee – want je doet het als christen, maar je wordt er alleen maar onzekerder van.

DENKPATROON

Hoe komt het nou, dat sommige christenen achter elke boom een boze geest zien?

Vaak zijn dit de, volgens mij foutieve, denkstappen die iemand maakt om allerlei dingen als occult te benoemen en af te wijzen.

Stap 1: Je hebt bepaalde tradities en gewoonten.

Stap 2: Uit die tradities en gewoonten spreekt een bepaalde geest.

Stap 3: Die geest wordt een echte persoon en dus is er sprake van demonen.

Stap 4: Deze demonen kunnen zich verbinden met voorwerpen en dus is het riskant om bv. boeddhabeeldjes in huis te hebben of een spel als Weerwolven te spelen.

Wat hier gebeurt is het volgende: vanuit een bepaalde redenering maak je van verkeerde gewoontes eerst geestelijke machten en daarna konkrete personen. Daarmee trap je in een gevaarlijke valkuil. Dan denk je namelijk, dat je de duivel en zijn demonische machten in bepaalde gebieden van het leven kunt aanwijzen en benoemen.

Natuurlijk is het waar, dat er een geestelijke strijd gevoerd wordt en dat we als christenen de geesten moeten onderscheiden of zij uit God zijn. Maar dat houdt volgens mij niet in dat ik overal moet nagaan of er ook demonen aan het werk zijn. Dat zou, lijkt mij, te weinig eer zijn voor de duivel. Hij werkt veel geraffineerder. En al die aandacht voor dit onderwerp maakt mensen, ook oprechte christenen, alleen maar bang en angstig. Als een toevallige samenloop van omstandigheden nota bene door christenen in een onbewezen occult verband gebracht wordt, zet je zelf de deur open, waardoor de grote tegenstander binnen kan komen.

Jezus wijst een andere weg: kom gewoon maar bij Mij. Onze hemelse Vader zegt: schuil maar bij Mij. We zouden het met elkaar vooral dáár over moeten hebben, lijkt me, of we dát nog wel doen: van onze grote God en Heiland veel verwachten en volledig op Hem vertrouwen.

EEN EVANGELISCH TEGENGELUID

In het boek ‘De belofte van genezing’ van de Amerikaanse evangelische theoloog Richard Mayhue staat gelukkig een veel genuanceerder en bijbelser opvatting over demonen. Wat hij zegt is het volgende:

“De Brieven van het Nieuwe Testament waarschuwen gelovigen nooit voor de mogelijkheid van inwonende demonen, ook al worden Satan en demonen vrij vaak besproken. Ook instrueren de Brieven van het Nieuwe Testament gelovigen nergens hoe ze demonen bij een gelovige of een ongelovige moeten uitdrijven.
Het is bijbels onvoorstelbaar dat in een ware gelovige demonen zouden kunnen wonen wanneer de Bijbel geen duidelijk historisch voorbeeld geeft en wanneer er geen waarschuwingen of instructies worden gegeven voor een dergelijke serieuze geestelijke ervaring.
Minstens vijf andere bijbelse factoren bevestigen deze conclusie:
(1) De scherpe woorden van 2 Korinthiërs 6:14-18 sluiten uit dat de Heilige Geest en onreine geesten samenwonen in een ware gelovige – zelfs tijdelijk.

(2) Redding, zoals beschreven in Kolossenzen 1:13, spreekt van ware ‘verlossing’ van Satan en overbrenging naar het Koninkrijk van Christus.

(3) De volgende passages vormen, gecombineerd, een krachtige verklaring die demonische inwoning bij christenen uitsluit:

Romeinen 8:37-39 – Meer dan overwinnaars door Christus

1 Korintiërs 15:57 – God geeft ons de overwinning door onze Here Jezus Christus

2 Korintiërs 2:14 – God doet ons te allen tijde in Christus zegevieren.

1 Johannes 2:13,14 – We hebben de boze overwonnen.

1 Johannes 4:4 – Hij, die in ons is, is meerder dan die in de wereld is.

(4) De verzegeling met de Heilige Geest beschermt de christenen tegen invasies van demonen (2 Kor. 1:21,22; Ef. 4:30).

(5) De belofte van 1 Johannes 5:18 maakt de idee van invasies van demonen een onbijbels concept en een onmogelijkheid voor een ware gelovige. Wij weten, dat een ieder, die uit God geboren is, niet zondigt; want Hij, die uit God geboren werd, bewaart hem, en de boze heeft geen vat op hem.

Samenvattend is Mayhue van mening:

“De Bijbel kent zijns gelijke niet als de unieke bron van Goddelijke openbaring om ons te vertellen over de geestelijke wereld van Satan en demonen. Klinische ervaringen en ervaringen van hulpverleners mogen nooit gelijk zijn aan de Schrift en moeten nooit worden gebruikt om conclusies te trekken die niet eerst duidelijk worden geleerd in het Woord van God.
De Bijbel leert overtuigend dat Satan of demonen nooit in ware gelovigen kunnen wonen. Ware gelovigen kunnen echter wel uitwendig worden gekweld of lastiggevallen, zelf in ernstige mate.”

Kerst en Oud & Nieuw – zingend de lockdown door

Opnieuw zitten we met Kerst en rond de jaarwisseling thuis. Voor het tweede jaar achter elkaar een lockdown. Het is niet anders … maar het is wel om moedeloos van te worden.

Het betekent dat we opnieuw niet samen in de kerk de geboorte van onze Jezus Christus, onze Heer, kunnen vieren. En dat we ook niet samen in de kerk het jaar 2021 kunnen afsluiten.

Misschien moeten we ons maar vastklampen aan de gedachte dat er op de dag van de geboorte van Jezus en in de weken erna op het oog niet zoveel veranderde aan de situatie. Maar voor wie geloofde dat God op deze manier zijn verlossingsplan realiseert, maakt de komst van Jezus een wereld van verschil. Geen wonder dat én Zacharias én de engelen én Simeon vlak voor en tijdens en vlak ná de geboorte van Jezus hun blijdschap uitzingen, en dat zowel de herders als de oude Anna het blijde nieuws van Gods verlossing en vertroosting door het kindje Jezus dat ze gezien hadden.

De band Faith speelt vanuit ‘Het Noorderlicht tijdens de Kerstwandeling Peelo 2021

Gelukkig is er overal veel creativiteit. Dus net als vorig jaar worden er door kerken en christenen rond en met Kerst mooie activiteiten georganiseerd en online Kerstdiensten gehouden. Zo kunnen we toch nog samen het Kerstfeest vieren.

En als het om de jaarwisseling gaat, moeten we ons maar troosten met de gedachte dat Gods molens trager malen dan ons eigen ongeduld. Gelukkig weten we, dat uitstel bij God geen afstel is, maar juist een teken van zijn geduld. Hij wil graag dat zoveel mogelijk mensen zich weer tot Hem als hun hemelse Vader wenden en Jezus erkennen als hun Redder en Heer. Zo komen we, om het met Elly & Rikkert te zeggen: “Elke dag een stapje dichter bij die dag, elke dag een stapje dichterbij. Stapje voor stapje, ’t is niet veel, maar snap je, wij zijn elke keer een stapje dichter bij de Heer.”

Zo mogen we toch hoopvol het nieuwe jaar in. We tellen ze op vanaf de eerste komst van onze Heer: binnenkort is het alweer Anno Domini 2022. En we tellen ze af op weg naar de terugkomst van onze Heer. Alleen is die dag niet vast te zetten op onze kalender. Maar eenmaal zal Hij komen! Ondanks de omstandigheden mag je daar als christen nu al blij naar uitzien. Soms lukt dat ook, net zoals Paulus en Silas – zij zongen psalmen in de gevangenis. Soms lukt het minder, net zoals David en Jezus klaagden – maar ook dan zal de HERE je niet loslaten, maar in de moeiten bij je zijn.

We vieren Kerst. We gaan een nieuw jaar tegemoet. Ga met God, want Hij zal met je zijn!

Gewone Catechismus – leerhuis op zondagmiddag

In veel kerken wordt geen zondagmiddagdienst meer gehouden. Soms was die dienst al afgeschaft voor de coronatijd, maar veel kerken houden sinds de crisis geen middagdienst meer en die zal in de meeste gevallen ook niet terugkeren. Maar daardoor verdwijnt er wel een deel van de geloofstoerusting. Daar wilden de predikanten van de Gkv in Assen-Peelo en de vGK van Assen iets aan doen.

Leerhuismiddagen

Van oudsher waren de zondagmiddagdiensten bedoeld als leerdiensten. Vroeger werden ’s middags in elke kerk zogenaamde catechismuspreken gehouden. De Heidelbergse Catechismus bestaat uit precies 52 zondagen. Zodoende kon je als predikant in een jaar alles behandelen. In een deel van de kerken die nog middagdiensten houden, preekten de dominees voor de crisis nog steeds uit de catechismus, en soms is dit na de zomer hervat. Maar een ander deel hield geen middagdiensten meer of vulde de middagdienst op een andere manier in.

Ds. A. van Harten-Tip, predikant van Oase en ds. L.E. Leeftink, predikant van het Noorderlicht hebben gemerkt dat er bij hun gemeenteleden wel behoefte is aan geloofstoerusting. In het verleden gaven zij gezamenlijk cursussen n.a.v. de boekjes van ds. J. Klapwijk Het goede nieuws van het Oude Testament en Beter nieuws uit het Nieuwe Testament.

Even ter verduidelijking: Oase is de voortgezette Gereformeerde Kerk (vGK), ontstaan in 2004. Door een fusie van een aantal kerken ontstond de PKN. Een klein deel van de gereformeerde kerken ging niet mee in de fusie en zo ontstond de vGK. In Assen is mevrouw ds. van Harten-Tip voorganger van deze kerk, die de naam Oase draagt. Het Noorderlicht is de GKv in Assen-Peelo, waarvan ds. Leeftink voorganger is.

Ds. van Harten en ds. Leeftink bedachten het plan om eens in de drie weken zogenaamde leerhuismiddagen te houden. De zondag, als opstandingsdag van onze Heer, is bij uitstek de dag om in alle rust samen te komen om te groeien in het geloof, vonden zij.

Gewone Catechismus

Zij wilden dit doen aan de hand van een in mei 2019 verschenen boekje met de titel Gewone Catechismus. Het boekje is geschreven door de theologen Arnold Huijgen (CGK), Theo Pleizier (PKN – Ger. Bond) en Dolf te Velde (GKv). Zij zijn alle drie hoogleraar aan de theologische universiteiten in  respectievelijk Apeldoorn, Groningen en Kampen.

De Gewone Catechismus (GC) is geen hedendaagse vertaling van de Heidelbergse Catechismus, maar de GC verwoordt in 100 vragen en antwoorden de inhoud van het christelijk geloof op een hedendaagse manier. De auteurs willen bijbelgetrouwe christenen van vandaag helpen hun geloof te begrijpen, leren verwoorden en vanuit dat geloof te leven.

De insteek is anders dan bij de HC, maar alle onderwerpen daaruit komen wel aan bod. De rode draad in de GC is ‘geluk’, uitgelegd in drie delen: 1. God de Vader – vertrouwen en gebed, 2. Jezus Christus – volgen en gebod, 3. De Heilige Geest – kerk en avondmaal.

Voor de kerkbode wilden de beide predikanten graag iets vertellen over de leerhuismiddagen, die inmiddels gestart zijn. De toegang is uiteraard gratis en belangstellenden kunnen nog steeds gewoon inhaken. Het tot nu toe gebruikte cursusmateriaal (en het vervolg, na iedere bijeenkomst), dat bestaat uit de Powerpoint presentatie, handouts, gespreksvragen en een leesrooster, is te vinden op de website van Oase. Het cursusmateriaal is vrij te gebruiken voor bijvoorbeeld bijbelstudiegroepen.

De GC wordt door ds. Leeftink niet gebruikt bij de catechisaties voor de jeugd, maar is er zeker geschikt voor. Er zou dan wel lesmateriaal bij gemaakt moeten worden.

Ds. van Harten gebruikt het boekje voor de volwassenencatechese.

Hoe verlopen deze zondagmiddagen over de Gewone Catechismus?

Ds. Leeftink legt het uit. ‘De opzet in volgorde is: samen zingen, bijbellezen, gebed, uitleg en toelichting, groepsbespreking (30 min.), plenaire bespreking, gebed, collecte bij de uitgang. Vooraf wordt een handout uitgereikt. Daarop staan gespreksvragen voor de groepsbespreking en een leesrooster voor de verwerking thuis. De liederen, het bijbelgedeelte en de hoofdpunten staan op de beamer. De bijeenkomsten duren gemiddeld vijf kwartier. Een uur, zoals oorspronkelijk de bedoeling was, bleek te kort. Er was te weinig tijd om een goede bespreking te houden. En dat is juist wat erg gewaardeerd werd, het onderlinge geloofsgesprek. Bij de cursussen over het OT en NT ging het meer om kennisoverdracht (zonder bespreking in groepjes), maar bij de leerhuismiddagen geven de gesprekken een stukje verdieping. Dat is een mooie ontwikkeling. De eerste keren waren er tussen de 20 en 30 personen.’

Ds. van Harten verwacht dat er meer mensen zullen aanhaken wanneer het weer gewoner wordt om kerkdiensten te bezoeken. Tot nu toe was men voorzichtig met groepsactiviteiten.

Maar gezien de ontwikkelingen in de coronacrisis denk ik zelf dat mensen misschien toch weer terughoudend zullen zijn. Iedereen is evenwel van harte welkom op de zondagmiddagen:

9 jan.              deel 6              Bidden (GC 31-36)   

30 jan.            deel 7              Het volmaakte gebed (GC 37-46)

20 feb.            deel 8              Jezus – de weg tot God (GC 47-54)

13 mrt.            deel 9              Jezus – de waarheid en het leven (GC 55-62)      

3 apr.              deel 10            God liefhebben – wet I (GC 63-70)

24 apr.            deel 11             Je naaste liefhebben – wet II (GC 71-77) 

15 mei             deel 12            De Heilige Geest (GC 78-83)         

12 juni deel 13            De kerk (GC 84-93)

3 juli               deel 14            Het Avondmaal (GC 94-100)

(de eerste vijf bijeenkomsten zijn reeds geweest, zie op de genoemde website)

Mensen die komen, zijn dat vooral kerkleden die graag op zondagmiddag ook naar de kerk gaan, of gaat het om het onderwerp?

Ds. Leeftink denkt het laatste. ‘Veel deelnemers vinden het fijn dat het juist op de zondagmiddag is, want dat geeft een goede invulling aan de zondag. In veel kerken in de regio Assen is de middagdienst na afschaffing (nog) niet weer opgestart. Toch kregen we ook een reactie van een echtpaar, dat meedeed aan de doordeweekse cursussen over de boekjes van ds. Klapwijk, dat ze het jammer vinden dat het nu op zondagmiddag is. Want in hun kerk worden nog wel twee kerkdiensten per zondag gehouden en die moeten ze dan verzuimen.’

Werden er in jullie kerken voor de coronaperiode op zondagmiddag altijd catechismuspreken gehouden?

MaasStee – waar vGKN Oase zondags samenkomst

In beide kerken gebeurde dit af en toe, niet regelmatig. Ds. van Harten vertelt ook waarom. ‘Wij hebben geen eigen kerkgebouw. Onze ochtenddiensten vinden plaats in de MaasStee. Dat is een accommodatie, een soort wijkgebouw, in de Asser wijk Pittelo. Wij hebben alleen middagdiensten wanneer we in de Bethelkerk (CGK) of in woonzorgcentrum ArendState terecht kunnen.’

Ds. van Harten en ds. Leeftink hebben met veel plezier deze leerhuismiddagen en de cursussen over het OT en NT georganiseerd. Ze gaan daarom zeker kijken of er in de toekomst meer mogelijk is. Ds. van Harten vindt het mooi om te merken dat mensen blij en enthousiast worden van het schatgraven in de Bijbel. Herhaling is zeker de moeite waard. Te meer omdat in veel kerken de zondagmiddagdiensten niet weer terugkeren. Dat zou bijvoorbeeld ook kunnen door samenwerking met meer Asser kerken. Te denken valt aan leerdiensten, jeugddiensten, praisediensten.

Er wordt na de leerhuismiddagen ook een collecte gehouden. Waar is die voor?

Ds. van Harten vertelt daarover. ‘Na de bijeenkomst is er een, uiteraard vrijwillige, deurcollecte voor SORSA: Stichting Ondersteuning Reformatorisch Studiecentrum Afrika. Dat is een mond vol, maar het werk dat hiervoor in Pretoria wordt gedaan verdient dat. Het is een initiatief van een Zuid-Afrikaanse predikant die om gezondheidsredenen de deur letterlijk niet meer uit kan. Hij heeft ermee geworsteld hoe dit gegeven past bij zijn roeping als predikant. Het antwoord dat hij kreeg was dat hij andere predikanten en voorgangers zou kunnen toerusten.

Hij is begonnen bijbelgetrouw studiemateriaal te verzamelen en beschikbaar te stellen voor de vele voorgangers in Zuid-Afrika die, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Nederlandse predikanten, niet de beschikking hebben over een flinke bibliotheek met theologische boeken. Dit werk is explosief gegroeid. Er is een enorme bibliotheek ontstaan waar mensen, ook digitaal, terecht kunnen. Er zijn tevens preekschetsen beschikbaar. Van deze laatste mogelijkheid wordt nu al meer dan 10.000 keer per maand gebruik gemaakt. De gebruikers wonen allang niet meer alleen in Zuid-Afrika. Wereldwijd weten voorgangers en predikanten de website te vinden. Er is een groot aantal vrijwilligers actief in en voor dit studiecentrum, en voor de continuïteit zijn er ook een aantal betaalde krachten aangenomen. Zo heeft de Here God iemands beperking gebruikt als een ongekende mogelijkheid.

Omdat wij ons tijdens de leerhuismiddagen verdiepen in het Woord van God leek het ons een passend collectedoel. Op die manier steunen we de verspreiding van het Evangelie, waar wij zo dankbaar voor zijn.’

Voor meer informatie, zie www.refstudycentre.com. Aanmelden als supporter kan door middel van een mail aan stichtingsorsa@gmail.com.

Het Noorderlicht – kerkgebouw van GKV Assen-Peelo

Artikel met toestemming overgenomen uit Gereformeerde Kerkbode Groningen – Fryslân – Drenthe, nr. 16, 20 november 2021. Interviewer: Janny Kremer. Oorspronkelijke titel: Leerhuis Peelo

Christenen over vaccineren – drie posities en iemand die van ‘nee’ naar ‘ja’ ging

Een goede kennis vroeg me laatst: “Wanneer je met goede argumenten kunt komen, laat ik me graag door jou overtuigen om mij toch maar te laten vaccineren. Ik kijk uit naar je reactie.” Nu denk ik niet dat ik mensen kan overtuigen om zich te laten vaccineren. Zelf vind ik dat vaccinatie een door God gegeven middel is dat we kunnen gebruiken om te voorkomen dat mensen doodziek worden of zelfs sterven aan een relatief makkelijk te voorkomen virusinfectie. Een andere goede kennis zei een paar week geleden tegen me: “In de 19e eeuw had je de pokken waar duizenden mensen aan stierven, tot half jaren ’50 van de vorige eeuw had je polio waar honderden mensen aan stierven, en in beide periodes had je predikanten die openlijk schreven dat het een geschenk en dus ook een opdracht van God is om je laten vaccineren. Waarom durven christelijke voorgangers dat nu niet openlijk te zeggen?”

Om me wat verder in dit onderwerp te verdiepen las ik opnieuw het uitstekende boekje POLIO – Afwachten of afweren van prof. dr. J. Douma (TU Kampen – GKV) en prof. dr. W.H. Velema (TU Apeldoorn – CGK) uit 1979. Zij schreven dit boekje n.a.v. de polio-uitbraak in 1978 op initiatief van de regering (!). Want die wilde graag het reformatorische volksdeel dat principiële bezwaren had tegen inenting laten voorlichten, niet door niet-christelijke medici en seculiere politici, maar door “twee bij uitstek deskundigen op het gebied van de theologisch-ethische benadering van het vraagstuk van de vaccinatie” (blz. 7, E. Veder-Smit, staatssecretaris Volksgezondheid en Milieuhygiëne).

Drie posities

Douma en Velema laten zien dat er drie standpunten zijn onder christenen als het om vaccinatie gaat (blz. 63-65).

“Er zijn gelovigen die elke vorm van inenting principieel en radicaal afwijzen. Zij willen er niets van weten. Zij menen dat zij in strijd handelen met het gebod van Gods en het geloof in Gods vaderlijke leiding – de voorzienigheid van God – als ze maatregelen nemen vóór de ziekte toegeslagen heeft.

Een tweede groep van christenen acht inenting geboden als plicht van iedere gelovige. (…) Ieder christen moet uit besef van verantwoordelijkheid voor zijn directe omgeving en voor de samenleving in haar geheel zichzelf en zijn kinderen laten inenten.

(…) Tussen beide standpunten bevindt zich een groep die van mening is dat ieder voor zichzelf een beslissing moet nemen. Wie inenting niet met zijn geweten in overeenstemming acht, moet haar nalaten. Wie er wel vrijmoedigheid voor vindt, moet haar toepassen.”

Douma en Velema geven ook aan, dat de principiële voorstanders van inenting “het als een verplichting zien dat iedere gelovige inenting toepast, ook al willen ze een ander er niet toe dwingen dit te doen. (…) Zij zeggen, met alle respect voor het geweten van de ander: De afwijzing van inenting berust op een verkeerd verstaan van de Schriften. Wie Gods gebod goed verstaat, mag zich aan inenting niet onttrekken. Inenting is plicht.”

Vaccinatiedrang en vaccinatiedwang

Tegelijk is het zo dat de voorstanders van inenting en de aanhangers van het middenstandpunt allebei de grens leggen bij het persoonlijke geweten. “Als het geweten neen zegt, mag niemand – zelfs de overheid niet – tot inenten dwingen.”  Het verschil hierbij is dan wel weer, dat overtuigde ja-zeggers het standpunt huldigen: geen staatsdwang, wel staatdrang. Toch waren ook zij in 1872 in meerderheid tegen de verplichte inenting van onderwijzers en leerlingen. Die was in 1872 niet absoluut trouwens: je mocht kiezen voor ander werk of je kind thuishouden. Maar het werd door veel christenen wel als sociale dwang gezien.

Bij de polio-uitbraken in de jaren ’70 van de vorige eeuw vinden Douma en Velema dat er helemaal geen staatsdwang toegepast mag worden, want die hadden zo’n beperkte omvang dat de gezondheid van de maatschappij niet in gevaar kwam.  

Wat mij dan wel triggert is, hoe Douma (die vorig jaar zelf overleden is aan corona) en Velema gedacht zouden hebben over de vaccinatie-drang en misschien binnenkort de sociale vaccinatie-dwang in onze tijd. Ik vermoed dat ze geen moeite zouden hebben met het eerste. En dat ze verplichte vaccinatie resoluut zouden afwijzen, want dan gaat de overheid over de gewetens van mensen heersen. Maar wat zouden ze vinden van sociale vaccinatie-dwang onder bv. IC-verpleegkundigen en zorgmedewerkers in verpleegtehuizen? Ik vermoed dat ze daar geen voorstander van zouden zijn, maar er gezien de ernst van de corona-epidemie wel begrip voor zouden hebben wanneer de overheid dit zou invoeren voor bepaalde beroepssectoren.

Douma en Velema geven ook duidelijk aan waarom het vertrouwen op de zorg van God het gebruik van preventieve middelen tegen ziektes goed kunnen samengaan. Hun uitleg van bijbelgedeeltes als Matteüs 9:12 (‘Wie gezond zijn hebben geen dokter nodig’) en Exodus 15:26 (‘Ik, de HERE, ben uw Heelmeester’) en Spreuken 22:3 (‘De schrandere ziet het onheil en bergt zich, maar de onverstandigen gaan hun gang en moeten boeten’) kan ik alleen maar ter lezing aanbevelen.

Van een principeel ‘nee’ naar een overtuigd ‘ja’

Het valt mij op dat in de eerste helft van de 19e eeuw de bijbelgetrouwe christenen uit de kringen van het Reveil, zoals de christelijke arts Abraham Capadose in 1823, en onder gereformeerden uit de kring van de Afscheiding van 1834, onder wie Hendrik de Cock, in meerderheid principieel tegen vaccinatie tegen de pokken waren, ook al maakte die vooral onder kleine kinderen veel dodelijke slachtoffers. Dat vaccin was in 1796 uitgevonden in Engeland en werd al snel in heel Europa toegediend.  De twee belangrijkste bezwaren waren ook toen al: ‘vooruitlopen op Gods voorzienigheid’  en ‘je laat je injecteren met het merkteken van het Beest. En complottheoriën zie je ook al opdoemen in die tijd, maar ook bv. als het gaat om het ontstaan van aids (bv. door een uit de hand gelopen experiment in een Amerikaans laboratorium – zoals J. Douma in zijn boekje ‘AIDS – meer dan een ziekte’  op blz. 15 schrijft)

In de tweede helft van de 19e eeuw werd er onder bijbelgetrouwe christenen veel positiever over gedacht, o.a. door Abraham Kuyper, de voorman van de tweede groep gereformeerden die in 1886 met de Doleantie meegingen en ook door Helenius de Cock, die leefde van 1824-1894. Ik blogde al eerder over hem – klik hier.  Helenius was de zoon van Hendrik de Cock, de voorman van de Afscheiding van 1834. Die was fel tegen vaccinatie, ook vanwege de rol van de overheid in de tijd van de Afscheiding: Hendrik de Cock werd vervolgd en gevangen gezet. Dat maakte hem, naast principiële bezwaren, ook argwanend tegen alle wetenschappelijke kennis van niet-gelovigen. Helenius was 17 jaar oud toen in 1841 zijn jongste broertje van bijna één jaar aan de pokken stierf. Jaren later, in 1871, schreef hij een brochure waarom hij zijn kinderen wél liet inenten. Hij vertelde, dat de dood van zijn broertje een verpletterende indruk op zijn vader had gemaakt. Ook, omdat de dokter had verklaard dat het kindje zeker was blijven leven als De Cock het wel had laten inenten. Toch, schreef Helenius, bleef mijn vader bij zijn standpunt dat vaccinatie niet geoorloofd was en heeft hij God nooit verwijten gemaakt dat zijn zoontje niet in leven bleef, hoewel hij er de HERE intens om gebeden had. Mede daarom was Helenius ook lange tijd principieel tegen vaccinatie.

Waarom ging hij uiteindelijk toch over van ‘nee’ naar ‘ja’? Om drie redenen, schrijven Douma en Velema (blz. 35-40). Allereerst: Helenius had de woorden van Christus over gezonden die geen geneesheer nodig hadden nooit letterlijk opgevat. Dat woord sprak Jezus namelijk tegen de farizeeën die in de waan leefden dat zij Jezus als geneesheer van hun zonden niet nodig hadden. Verder had Helenius lange tijd op het standpunt gestaan, dat je als christen beter solidair kunt zijn met gelovige gewetensbezwaarden dan met niet-gelovigen die in hun overmoed door vaccinatie de voorzienigheid van God miskennen. Maar toen hij in Schotland en Duitsland gelovigen tegenkwam die vonden dat vaccinatie voor christenen juist roeping en plicht was, besefte hij, dat je als christen het resultaat van de medische wetenschap niet hoeft af te wijzen, ook al blijf je de hoogmoed erachter afwijzen. Tenslotte moest Helenius toegeven, dat de resultaten van de vaccinatie enorm positief waren en dat alle schrikbeelden van mogelijke schadelijke gevolgen niet waren uitgekomen. Als niet-geneeskundige kon hij die feiten niet weerleggen.

Wat mij opvalt in het nieuwe standpunt van Helenius de Cock zijn de volgende dingen. Allereerst: hij gaat niet mee in het eindtijdscenario. Dat vind ik verstandig. Als christenen moeten we niet te snel met het teken van het beest op de proppen komen. Want als je als christen al vindt dat Openbaring 13 op de huidige tijd van toepassing is, moet je vooral de macht en invloed van de technologie en de toepassing ervan door een dictatuur als China benoemen. Dat was er al ver voordat het corona-virus begin 2020 de wereld rondging. Dat is echt een andere diskussie, vind ik, al is corona voor veel mensen wel een eye-opener als het om deze ontwikkelingen gaat. Verder beseft Helenius heel goed dat hij geen arts en dus geen deskundige is als het om het effect en de bijwerkingen van het pokkenvaccin gaat. Oftewel: argwaan levert niets op – een kritische houding wel. Dus geef ik –al sputterend- de overheid het voordeel van de twijfel als het om de coronamaatregelen gaat, want onze regering is niet te vergelijken met de Romeinse overheid aan wie Paulus zich ook onderwierp als die niet in strijd met Gods Woord handelde.  Daarom vind ik ook dat het RIVM meestal keurig en soms wat slordig objectieve gegevens publiceert. Vaak zijn niet de statistieken, maar de interpretatie die men er aan geeft de grootste leugen. En als ik weer een corona-scepticus tegen komt die een ander geluid laat horen dan de overgrote meerderheid van de deskundigen, check ik eerst even de achtergrond van deze kritische persoon. Dat laat meestal duidelijk zien dat bv. Gert Vanden Bossche of Robert Malone meer omstreden zijn dan ze zelf beweren. Als theologisch schoenmaker hou ik mijn liever bij mijn bijbelse leest dan dat ik denk dat ik het van de 17 miljoen virologen in Nederland het beste weet.

Die bijbelse leest leert mij dat je als christen de morele plicht hebt om de middelen die God in zijn voorzienigheid aan ons als mensheid geeft, niet achteloos te laten liggen, maar dankbaar uit zijn hand te aanvaarden.

ADVENTSKAARSEN en ADVENTSKRANSEN

In veel kerken worden in de weken voor Kerst op zondagmorgen de Adventskaarsen aangestoken. Dat zijn er meestal vier. Soms kom je er ook vijf tegen, omdat op Eerste Kerstdag nog een kaars aangestoken wordt. In sommige kerken hebben de kaarsen verschillende kleuren. Dat heeft te maken met het kerkelijk jaar. In de wat meer hoog-liturgische kerken heeft elke periode van het kerkelijk jaar een eigen kleur. De kleuren voor de adventsperiode zijn paars en roze. Paars is de kleur van de bezinning. Roze is de kleur paars waar het licht doorheen schijnt. En met Kerst zelf is de kleur wit (of soms goudkleurig): Jezus Christus is geboren, Hij is het licht voor de wereld, zuiver en rein.

Adventskaarsen

In de engelstalige traditie heeft elke Adventskaars ook een naam met een betekenis.

1e Adventskaars (paars) De profetie-kaars / de kaars van hoop

Als christenen kunnen we in een  wereld toch hoop hebben op een goede afloop, omdat God betrouwbaar is. Hij houdt zich altijd aan zijn beloften, ook die Hij aan ons gedaan heeft. Bij de eerste Adventskaars vestigen wij onze hoop op God. Zo zegt Paulus in Romeinen 15:12-13: En verder zegt Jesaja: ‘Isaï zal een telg voortbrengen: Hij die komt om over alle volken te heersen; op Hem zullen zij hun hoop vestigen.’ Moge God, die ons hoop geeft, u in het geloof geheel en al vervullen met vreugde en vrede, zodat uw hoop steeds blijft toenemen door de kracht van de heilige Geest.

2e Adventskaars (paars) De Bethlehem-kaars / de kaars van voorbereiding

God houdt zich aan zijn belofte dat de Redder van de wereld komen zal. Als het zover is, wordt Jezus geboren in Bethlehem. God zelf zorgt ervoor, dat alle voorbereidingen getroffen worden. Tegelijk worden mensen voorbereid om Jezus te ontmoeten. Bij de tweede Adventskaars vragen we aan de Heilige Geest: ‘Help ons om er klaar voor te zijn om  U, Jezus, te verwelkomen als onze reddende God.’ Zo staat het beschreven bij de profeet Jesaja, zegt Lukas 3:4-6: Een stem roept in de woestijn: “Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden! Iedere kloof zal worden gedicht, elke berg en heuvel geslecht, kromme wegen recht gemaakt, hobbelige wegen geëffend; en al wat leeft zal zien hoe God redding brengt.”

3e Adventskaars (roze) De herders-kaars / de kaars van vreugde

Als de engel Gabriël het goede nieuws van de geboorte aan de herders gebracht heeft, daalt vanuit de hemel een compleet engelenkoor naar de aarde af. Hier had heel Gods schepping met reikhalzend verlangen eeuwenlang op gewacht! Vandaar dat op de derde Adventszondag de kleur paars even oplicht naar roze, passend bij de vreugde van de verwachting die werkelijkheid wordt. Bij de derde Adventskaars delen we met de herders en met heel Gods volk in de vreugde over de eerste komst van Jezus en kijken we met even groot reikhalzend verlangen uit naar zijn terugkomst. Lees Lukas 2:10, 13, 14, 20 maar: De engel zei tegen hen: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat grote vreugde betekent voor heel het volk. En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden: ‘Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor de mensen die Hij liefheeft.’ De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd.

4e Adventskaars (paars) De engelen-kaars / de kaars van liefde

De engel Gabriël maakt het goede nieuws bekend van de Redder die in de stad van David geboren is. Hij heeft het over jullie Redder. God stuurde zijn Zoon uit liefde naar deze aarde. Bij de vierde Adventskaars verwonderen we ons erover, dat Gods liefde zo groot was voor kleine, zondige mensen zoals wij. We horen het Jezus Zelf tegen Nikodemus zeggen in Johannes 3:16+17: Want God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen, maar om de wereld door Hem te redden.

5e Adventskaars (wit)  De Christus-kaars

De witte kaars herinnert ons eraan dat Jezus het perfekte lam van God is, zonder enig gebrek. Hij is door God gegeven om onze zonden weg te wassen. Zijn geboorte stond in het teken van zijn dood. Zijn dood staat in het teken van onze geboorte! Bij de 5e Adventskaars op Eerste Kerstdag beseffen we, dat het Kind van Kerst ook de Man van Pasen is die op Pinksteren met zijn Geest het nieuwe leven wereldwijd uitdeelt. Zo zegt Johannes de Doper het in Johannes 1:29-30: De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen, en hij zei: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.  Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt iemand die meer is dan ik, want hij was er vóór mij.” Zo zegt Jezus het tegen Nikodemus in Johannes 3:3-7: ‘Werkelijk, Ik verzeker u: alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien.’ ‘Hoe kan iemand geboren worden als hij al oud is?’ vroeg Nikodemus. ‘Hij kan toch niet voor de tweede keer de moederschoot ingaan en weer geboren worden?’ Jezus antwoordde: ‘Werkelijk, Ik verzeker u: niemand kan het koninkrijk van God binnengaan, tenzij hij geboren wordt uit water en Geest. Wat geboren is uit een mens is menselijk, en wat geboren is uit de Geest is geestelijk.  Wees niet verbaasd dat Ik zei dat jullie allemaal opnieuw geboren moeten worden.

De Adventskrans

In de periode voor Kerst worden er vaak kerstkransen gemaakt. Die gewoonte is, net als die van de Adventskaarsen, ontstaan na de Reformatie in Duitsland. Waarschijnlijk stak men oorspronkelijk thuis eerst alleen maar vier kaarsen aan tijdens de Adventsweken, maar al vrij snel werden die kaarsen in een prachtig groen-versierde krans gezet. En nog weer later kwamen de kleuren paars en rose in beeld en werd midden in de krans een grotere Kerstkaars geplaatst. Wanneer in christelijke gezinnen aan het begin van elke week een nieuwe kaars werd aangestoken, werd daarbij een bijbelgedeelte gelezen, een lied gezongen en een gebed uitgesproken. Zelf hebben we het als gezin zo nooit gedaan. Als gereformeerden liepen we altijd wat achter als het om symboliek in de kerk en in het gezin ging. Maar een mooi idee vind ik het wel. In de kerk steken we Adventskaarsen aan. Thuis kun je dan persoonlijk of als gezin werk maken van de innerlijke Voorbereiding door met Hoop, Vreugde en Liefde vooruit te kijken naar het Kerst – om het feest te vieren van de geboorte van onze Heer en Redder Jezus Christus.

Wat zegt de Bijbel over mondkapjesplicht en quarantaine?

Wie het boek Moderne wetenschap in de Bijbel van Ben Hobrink gelezen heeft, weet dat God in de Bijbel veel wijze regels aan de mensheid gegeven heeft die in onze tijd door de wetenschap onderstreept worden (waarbij Hobrink soms wel wat al te veel vanuit de Bijbel wil bewijzen trouwens). Dat geldt ook voor het nut van veel coronamaatregelen. Daarover schreef drs. Alie Hoek-van Kooten, arts en medicus, getrouwd met de theoloog dr. Jan Hoek, beiden gereformeerde christenen (Gereformeerde Bond) een interessant artikel. Met haar toestemming mag ik het hier plaatsen. Het verscheen ook op de opiniepagina van het Reformatorisch Dagblad van 15 november jl. Aan het van haar haar artikel ga ik nog in op een paar reakties die daarna in het RD verschenen.

Alie Hoek – van Kooten

Er zijn weer nieuwe maatregelen aangekondigd om besmettingen met het coronavirus tegen te gaan. Veel van deze maatregelen zijn terug te vinden in de Bijbel, inclusief het dragen van een mondkapje.

Mensen met principiële bezwaren tegen vaccineren zijn vaak wel bereid een mondkapje te dragen. Ik heb daarbij wel het gevoel dat dit niet helemaal van harte gaat, maar dat men dit doet omdat het makkelijk ingepast kan worden in het leven van alledag en niet zoiets bijzonders vraagt als een vaccinatie. Goed om te weten dat veel van dergelijke maatregelen terug te vinden zijn in de Bijbel, in de wetten van Leviticus en Deuteronomium.

De bestrijding van de corona-epidemie is gestoeld op twee pijlers. De eerste is de overdracht van de ene mens op de andere indammen door de maatregelen. Je zou kunnen zeggen dat dit een uitwendige bescherming is. De andere pijler is ervoor zorgen dat het virus, wanneer het toch je lichaam is binnengekomen, vervolgens door antistoffen wordt vernietigd. Die antistoffen krijg je door je te laten vaccineren. Dit zou je een inwendige bescherming kunnen noemen. [In een ander artikel noemde Alie Hoek – van Kooten het coronavaccin een dankbaar te aanvaarden geschenk van God, dat alleen maar kan werken dankzij ons prachtige immuunsysteem dat onze Schepper ons heeft gegeven.]

Goed om die eerste pijler eens nader te bekijken vanuit Bijbels perspectief.

Melaatsheid

In Leviticus 13 wordt gesproken over melaatsheid, een besmettelijke ziekte. De Heere spreekt tot Mozes en Aäron en zij moeten de maatregelen ertegen doorgeven aan het volk Israël. De verschijnselen van melaatsheid worden beschreven in Leviticus 13. Als je vreesde melaats te zijn, moest je naar de hogepriester en die keek dan of je de ziekte wel of niet had. Als bleek dat je melaats was, werd je onrein verklaard. Dat hield in dat je niet meer onder de mensen mocht wonen, maar dat buiten het kamp je woongebied was (Lev. 13:46). Dit omdat je dus andere mensen zou kunnen besmetten. Maar er waren nog meer maatregelen nodig. Ook buiten het kamp liepen immers mensen en dus moest je vanuit de verte herkenbaar zijn. Anders zouden mensen te dicht in je buurt kunnen komen en alsnog besmet kunnen raken. In Leviticus 13:45 staat dan ook: „De kleren van de melaatse bij wie de ziekte is vastgesteld, moeten ingescheurd worden, zijn hoofdhaar moet hij los laten hangen, hij moet zijn baard en snor bedekken en hij moet roepen: Onrein, onrein!” In de Statenvertaling staat: „en hij zal de bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij roepen: Onrein, onrein!”

Het bijzondere is dat wij nu weten dat melaatsheid door een bacterie wordt veroorzaakt en dat die met de uitademingslucht naar buiten gaat. Nu moet dus de melaatse eerst iets voor zijn mond houden („de bovenste lip bewimpelen”) en dan pas roepen: „Onrein, onrein!” Een soort van mondkapje dus. En dan te weten dat men in die tijd nog niets wist van ziekteverwekkende bacteriën en virussen, en nog minder hoe die zich dan zouden kunnen verspreiden.

Quarantaine

De symptomen van melaatsheid worden beschreven in Leviticus 13. Als de symptomen nog niet helemaal duidelijk waren, moest de betreffende persoon zeven dagen worden afgezonderd. Daarna keek de priester opnieuw en als het dan nog niet zeker was, moest die persoon opnieuw zeven dagen worden afgezonderd. En dan (na veertien dagen) wordt hij of rein (het was een gewone uitslag, Lev. 13:6) of hij krijgt alsnog de diagnose melaatsheid (Lev. 13:8). De persoon in kwestie is dan dus in totaal veertien dagen in quarantaine geweest. Dus toen kende men al de quarantaine.

Pest

Op de basisschool hebben wij gehoord van de pest, die in de middeleeuwen in Europa huishield. Zo werd Europa van 1348 tot 1351 zwaar getroffen door de pest, ook wel ”zwarte dood” genoemd. Een kwart van de Europese bevolking kwam eraan te overlijden. De pest wordt veroorzaakt door een bacterie die leeft in rattenvlooien, die op hun beurt weer op ratten leven. Als de ratten bij de mensen kwamen, kon zo’n rattenvlo een mens bijten en kreeg deze de bacterie binnen en kreeg hij de pest. Vervolgens kon die bacterie dan ook weer van de ene mens op de andere overspringen via bijvoorbeeld de uitademing. In de Joodse wijk van Straatsburg viel het op dat er veel minder pestslachtoffers waren dan elders in de stad. Dat kwam doordat daar de Joodse arts Balavignus werkte. Hij leefde volgens de wetten van de Tenach, het Oude Testament. Hij gaf in 1348 bevel om de gehele Joodse wijk schoon te maken en al het afval te verbranden. Hij deed alles zoals vermeld in de wetten van Leviticus. Hierdoor verdwenen de ratten en dus ook de rattenvlooien waarin die bacteriën huisden, met als gevolg dat de pest in zijn wijk veel minder voorkwam. In plaats dat de autoriteiten dat goede voorbeeld navolgden, namen ze Balavignus gevangen. Ze gaven hem de schuld van de pest. Want het was toch vreemd dat overal de pest heerste, behalve in zijn wijk! Alle steden werden geïnformeerd dat de Joden de lucht, de waterputten en de bronnen hadden vergiftigd. Dat heeft vervolgens tot hevige Jodenvervolgingen geleid. Had men maar naar Balavignus geluisterd, dan zou de pest in die tijd niet zo’n enorme omvang hebben gehad.

Verband

In Deuteronomium 28:58-62 wordt alles nog eens samengevat. Hier zegt de Heere: „Als u al de woorden van deze wet die in dit boek geschreven zijn, niet nauwlettend houdt, door deze heerlijke en ontzagwekkende Naam, de Heere, uw God te vrezen, (…) dan zal de Heere uw plagen en de plagen van uw nageslacht uitzonderlijk maken; het zullen grote en aanhoudende plagen, en kwaadaardige en aanhoudende ziekten zijn. (…) Ook iedere ziekte en iedere plaag die niet in het boek met deze wet geschreven is, zal de Heere over u laten komen, totdat u weggevaagd wordt. U zult met weinig mensen overblijven, terwijl u zo talrijk was als de sterren aan de hemel, omdat u de stem van de Heere, uw God, niet gehoorzaam geweest bent.” De Heere God legt dus duidelijk een verband tussen het niet nakomen van de maatregelen en het ernstig ziek worden. En als je je wel aan de maatregelen houdt, komt dat je gezondheid ten goede. Ze begrepen toen nog helemaal niet hoe het werkte, maar het werkte wel. Er stond ook een strenge straf op als ze het niet deden.

Aan de Bijbel zijn dus krachtige motieven te ontlenen om je van harte aan de anti-coronamaatregelen te houden. Laten we niet met tegenzin en omdat het nu eenmaal niet anders kan, maar juist uit volle overtuiging 1,5 meter afstand houden, mondkapjes dragen, niet naar ons werk gaan als we klachten hebben, niezen en hoesten in onze elleboog enzovoorts.

Reakties

In het RD reageerden twee theologen op het artikel van Alie Hoek-van Kooten. De een (Dr. D. Baarssen – RD 17-11) vond de vergelijking met melaatsheid te ver doorgevoerd, omdat in de Bijbel nergens staat dat men bij een mogelijke besmetting buiten de maatschappij gesloten werden. Ook staat in de Bijbel nergens dat gezonde mensen hun gezicht moesten bedekken. Alie Hoek – van Kooten reageert daarop (RD 24-11) door te zeggen, dat in Levitikus 13 ook al staat, dat mensen die mogelijk melaats zijn, preventief zeven dagen in afzondering moeten leven. En wat de mondkapjes betreft: natuurlijk is dat niet één op één af te leiden uit de Bijbel, maar corona is een zo besmettelijke ziekte, dat het in onze tijd nodig is om uit voorzorg deze maatregel in te voeren. Want, schrijft ze: De Bijbel is er niet alleen voor ons geestelijk leven, maar ook voor ons leven van elke dag. In deze lijn heeft de overheid de taak ervoor te zorgen dat de gezondheid van de mensen zo goed mogelijk wordt gewaarborgd. En ze vindt het heel bijzonder, dat de basisregels om besmettingen tegen te gaan (buiten het kamp isoleren, baard en snor bedekken) al in het Oude Testament door God gegeven zijn, terwijl terwijl men nog niets van ziekmakende bacteriën en virussen afwist.

Nog een paar dagen later reageerde ds. J.A.J. Pater (RD 29-11). Hij vond de vergelijking met melaatsheid minder juist, omdat melaatsheid in de Bijbel niet in de eerste plaats als een besmettelijke ziekte gezien. maar vooral als cultische onreinheid: je bent niet geschikt om voor God te naderen en dat mag niet op een ander overdragen. In het Nieuwe Testament geneest Jezus daarom zieken, maar reinigt Hij melaatsen. Ook vindt hij dat het bedekken van baard en snor niet bedoeld was om besmettingen te voorkomen, maar een teken van rouw is. Dat laatste klopt wel, maar de kanttekeningen van de Staten-Vertaling geven bij Levitikus 13:45 al aan, dat het mondkapje bij melaatsheid een dubbele funktie heeft: het voorkomen van besmettingsgevaar én als teken van rouw en droefheid. En wat dat eerste betreft: ik geloof dat melaatsheid beide aspekten in zich heeft: een besmettelijke ziekte én in Israel een teken waarmee God duidelijk wil maken dat mensen uit zichzelf onrein en niet in staat zijn om tot Hem te naderen. Het onderscheid tussen lichamelijk genezen en cultisch reinigen lijkt mij niet terecht. Naäman was melaats, maar dat had niets te maken met cultische onreinheid. Hij zocht genezing bij de God van Elisa en kreeg die ook. En Jezus reinigde = genas de 10 melaatsen, maar gaf ze ook de opdracht om bij de priesters in de tempel een cultische genezen-verklaring te halen. Het is beide. Of, zoals Alie Hoek – van Kooten het in haar reaktie op dr. Baarssen zegt: De Bijbel is er niet alleen voor ons geestelijk leven, maar ook voor ons leven van elke dag. In deze lijn heeft de overheid de taak ervoor te zorgen dat de gezondheid van de mensen zo goed mogelijk wordt gewaarborgd.

VACCINATIE – EEN GELOOFSKEUS ZONDER (OVERHEIDS)DWANG

Laat je jezelf of je kinderen wel of niet inenten? Daar denken christenen al zo’n tweehonderd jaar heel verschillend over. In de afgelopen tijd raakte ik onder de indruk van een preek, een artikel en een ingezonden over dit onderwerp.

Vaccinatie en ons immuunsysteem

Het ingezonden stond in het Nederlands Dagblad van 11 november en had als kop Dankbaar voor immuunsysteem. Ik geef eerlijk toe dat mijn eerste gedachte was: ‘Weer iemand die tegen vaccineren is met als argument dat de HERE ons een prachtig immuunsysteem gegeven heeft.’ Maar niets was minder waar. Volgens de schrijfster is ons immuunsysteem voor een belangrijk deel een preventie-systeem. Na besmetting door een ziekteverwekker maakt ons lichaam geheugencellen aan die bij een volgende besmetting heel snel kunnen reageren. Daardoor verminderen zowel de klachten als de kans op verspreiding. Bij een onbekend virus heeft het lichaam die antistoffen nog niet, dus grijpt een nieuwe ziekte veel sneller en veel heftiger om zich heen. Door je te laten vaccineren laat je je immuunsysteem er alvast preventief kennis mee maken, zodat je beter bestand bent als het virus jou treft. De konklusie van de schrijfster is dan ook: “Met vaccinatie loop je niet vooruit op Gods voorzienigheid, je activeert het immuunsysteem dat Hij jou in zijn voorzienigheid gaf. Ons immuunsysteem weerspiegelt de barmhartigheid en de zorg van God voor deze wereld. We handelen als goede rentmeesters, als we het gebruiken zoals Hij het bedoelde. We eren onze Schepper door ons te laten vaccineren.”

Vader en zoon De Cock over vaccinatie

Later werd Helenius de Cock (1824-1894) één van de eerste professoren aan de Theologische Universiteit. Hij schreef in 1871 een boekje met als titel ‘Waarom heb ik mijn kinderen laten vaccineeren?’ Ik heb het boekje niet gelezen, maar ik kan me voorstellen dat het sterven van zijn jongste broertje hem erg heeft aangegrepen. In de biografie over Hendrik de Cock geeft dr. Harm Veldman op blz. 665 aan, wat volgens Helenius de vijf bezwaren van zijn vader waren tegen vaccinatie:

1/ Het is een middel waarmee de ongelovige wereld de voorzienigheid van de HERE wil bestrijden en zijn oordelen wil ontlopen.

2/ Volgens de Bijbel hebben gezonde mensen geen medicijnmeesters nodig.

3/ Er sterven ook nog steeds ook gevaccineerden aan de pokken.

4/ Ouders worden in gewetensnood gebracht omdat er op de lagere scholen een vaccinatieplicht is voor de kinderen.

5/ Vaccinatie is schadelijk voor de gezondheid: het vermeerdert de kans op andere ziektes en veroorzaakt allerlei andere klachten en kwalen.

Maar niet alleen Helenius de Cock distantieerde zich van de bezwaren van zijn vader tegen vaccinatie. Dat deed ook één van de andere ‘founding fathers’ van de Afscheiding, ds. Anthony Brummelkamp (1811-1888). Als jonge predikant raadde hij vaccinatie niet aan en liet ook zijn eigen kinderen niet inenten. Zijn vrouw wilde het eigenlijk wel. Brummelkamp is zich toen opnieuw gaan bezinnen en ‘na gebed en onderzoek’ besloot hij in 1844 toch zijn kinderen te laten inenten, want hij zag de ontdekking van het pokkenvaccin niet alleen als een “uitvinding van bloot menschelijke wijsheid, maar als toepassing van een door God aangewezen principe.”

Abraham Kuyper over vaccinatie

Ook Abraham Kuyper (1837-1920) hield zich bezig met de vraag of je je als christen mocht laten vaccineren tegen de dodelijke pokkenziekte. Als jonge predikant heeft hij in 1865 in zijn eerste gemeente Beesd een preek over dit onderwerp gehouden. Er ging toen voor de zoveelste keer een pokkenepidemie rond. Deze handgeschreven ‘pokkenpreek’ (zo noemt het TMGN het zelf in de upload-omschrijving) is dit jaar met een mooie, ook voor vandaag behartenswaardige inleiding van Fred van Liebeek digitaal uitgegeven door het Trefpunt Medische Geschiedenis Nederland onder de titel Is de Heer in ons midden of niet?.

Mij vielen een paar dingen op in die preek van Kuyper.

1/ Allereerst zegt hij dat er sinds de zondeval altijd een verband is tussen lijden en zonde. Maar kijk er voor uit om in elke ramp die iemand treft een straf op een bepaalde zonde te zien.

2/ Sommige christenen zeggen: ik mag me niet laten vaccineren, want dan loop ik op God vooruit doordat ik aan een ziekte ontkomen wil waar Hij mij misschien mee treffen wil. Kuyper zegt dan: dit nieuwe vaccin hebben we van God gekregen; het is zelfs “ongodsdienstig” om te zeggen dat het geen middel van God is. Dus dat mag je als voorzorgsmaatregel gebruiken. Dat doet u toch ook “om uw gezondheid te bewaren, om brand te voorkomen, om dreigend gevaar af te wenden”? En wat dat vooruit lopen betreft zegt Kuyper: als je echt vindt dat je niet op Gods zaken vooruit mag lopen – “dan ook geen draad meer op de kruittoren om ’t weerlicht af te leiden, dan ook geen boot meer op ’t strand gezet om den armen schipbreukeling te redden. Neen, waar God u den lijdensbeker te drinken geeft – drink daaruit zooveel ’t God zal behagen. Maar als God u een tegengif biedt om ’t lijden onschadelijk te maken, blijf ook dan een volgzaam kind van uwen hemelschen Vader, en neem ‘t dankbaar aan.”

3/ Maar meteen na deze woorden waarschuwt Kuyper nog sterker tegen een andere houding, namelijk: neerkijken op gelovigen met gewetensbezwaren tegen vaccinatie en hen “onzinnig” noemen, omdat je zelf vindt dat God eigenlijk niet meer nodig hebben, nu we als mensheid het tegengif tegen de pokkenziekte hebben uitgevonden en ontwikkeld. Kuyper zegt dan: “Een middel uitvinden is nog niet een middel maken, en hebt gij het ontdekt – Hij die ’t gemaakt heeft woont daarboven.” Wanneer je helemaal niet meer aan God denkt en rekening met Hem houdt, “dan is er nog meer geloof in die anderen die gij onzinnig noemt. Daar is nog geloof – een verkeerd geloof, het zij zoo, maar geloof dan toch – maar gij hebt van dat geloof zelfs ’t mosterdzaadje niet (…) door wat die ziekte althans u niet meer diep afhankelijk te voelen van God.”

4/ Als laatste merkt Kuyper op, dat je pas echt mee kunt praten over hoe erg een ziekte is, als je dat lijden ook met eigen ogen gezien hebt. Anders ontstaat bij jou “dien diepere indruk van innerlijk medelijden nooit.” Daarbij beschrijft Kuyper de gevolgen van het pokkenvirus heel konkreet: “Zoo ligt hij daar, met een kloppend hoofd, de keel zoo dik en pijnlijk gezwollen, soms rillende van de koorts, die heel zijn lichaam trillen doet, en hem verslindt als een brandende dorst als ’t vocht nauwelijks meer zijn lippen verkoelen kan. En dan in die besmette lucht ademhalen uur aan uur en dag aan dag, en dan zijn ledematen van stijfheid en pijn niet kunnen verroeren.” Dan kun je volgens Kuyper alleen maar erkennen dat als deze ziekte je treft uit Gods slaande hand, je ook van Hem als je hemelse Vader redding en uitkomst en kracht naar kruis verwachten.

Geen vaccinatiedwang

Tenslotte viel me nog iets op in dat artikel in het Nederlands Dagblad. Zowel Brummelkamp als Kuyper zijn persoonlijk vóór vaccinatie, maar zijn beiden faliekant tegen vaccinatie-dwang. In 1872 kwam er een vaccinatie-wet die inenting verplicht stelde. Brummelkamp was hier fel op tegen. Volgens hem mag de regering zich niet mengen in de gewetenskeuzes die iemand tegenover God maakt. Als de overheid dat wel doet, wordt de burger steeds meer “lijfeigene van de staat”. Ook wees Brummelkamp op “de boycot-profetie uit Openb. 13: wie het merkteken van het beest niet heeft, wordt uitgeschakeld.” (citaten uit de dissertatie van dr. Mees te Velde over Anthony Brummelkamp, blz. 454-456). Brummelkamp was daarom aktief betrokken bij het opzetten van een petitie tegen deze wet. Die werd ondertekend door 80.000 burgers (op een bevolking van bijna 4 miljoen mensen), maar de wet op de verplichte inenting werd toch aangenomen.

In ’t verleden ligt (de les voor) het heden

Wat kun je als christen van de discussies over de pokken-vaccinatie uit de 19e eeuw leren? Twee dingen in elk geval. 1) Volgens veel bijbelgetrouwe christenen is een vaccin net als een medicijn een middel dat we van God krijgen om ons te beschermen tegen mogelijke ziektes. Je laadt een grote verantwoordelijkheid op je als je dit middel afwijst en daardoor het virus langduriger en ernstiger laat rondgaan. 2) Vaccinatiedwang mag nooit de oplossing zijn, want ‘laat ieder voor zijn eigen besef ten volle overtuigd zijn’ (Rom. 14:5). Bij dat laatste hoort ook, dat je de gevolgen van je keus gelovig moet dragen. Allereerst naar God toe. Maar ook naar je medemensen toe. En de overheid heeft daarin het goede te zoeken voor heel de bevolking. Elke maatregel heeft daarbij z’n voor- en nadelen. Als de huidige vrijblijvende oproepen om contacten te beperken niet helpen, staat de regering voor een lastig dilemma. Moet heel de bevolking weer het offer van een lockdown brengen om de zorg te ontlasten? Of mag je van de grootste risico-groep extra offers vragen door een 2G-beleid in te voeren? Wijsheid toegebeden!