CGK volgens gereformeerd kerkrecht niet ten allen tijde strikt gebonden aan landelijke besluiten

De landelijke synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken is eind juni in Rijnsburg op donderdag 20 juni met een bidstond geopend en hield op vrijdag 21 juni haar eerste vergadering (foto: RD). Een spannende vraag zal zijn: hoe strikt bindt men elkaar aan kerkelijke uitspraken?

De predikant die mij begin 1965 gedoopt heeft en op 5 april 1992 in het ambt bevestigde, zei eens tegen mij: “Als de plaatselijke kerken, samengekomen in de generale synode, een besluit nemen, moeten alle kerken zich daaraan houden en kan het alleen maar veranderd worden als een volgende synode op inhoudelijke bijbelse of kerkrechtelijke gronden tot een ander besluit komt. Een synode kan nooit zeggen: we nemen een ander besluit omdat we hier nu, zoveel jaar later, anders over denken.” Mijn reactie was toen: “Oom Piet, dit klinkt mij wat rooms-katholiek in de oren, want hiermee stelt u Schrift en traditie op één lijn.”

Hetzelfde gevoel bekroop mij toen ik in het Reformatorisch Dagblad de voorbeschouwing op de CGK-synode las. Wie geen vreemdeling in Jeruzalem is weet, dat het erom spannen gaat binnen de CGK. De verdeeldheid is enorm, met name op het punt van vrouwelijke ambtsdragers. In 1998 sprak de CGK-synode uit, dat de bijbelse gronden onder de bestaande praktijk van alleen maar mannelijke ambtsdragers sterker zijn dan de uitleg dat er ook vrouwelijke predikanten en ouderlingen mogen zijn. Dus handhaafde de synode die eerste lijn. Alle kerken werden opgeroepen om zich daaraan te houden en zo de eenheid van het kerkverband te bewaren. Tegelijk sprak men uit dat visie van de minderheid die vóór de vrouw in het ambt was, niet principieel te veroordelen was.

De CGK-deputaten kerkorde en kerkrecht schreven daarom terecht in 2019: “De vraag of er binnen de gereformeerde hermeneutiek sprake kan zijn van verschillende schriftuitleg op dit punt ligt dus sinds 1998 nog open.” Dat betekent, dat niet zozeer de kijk op de Bijbel als het gezaghebbende Woord van God is veranderd, als wel de verhouding tussen voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt. Dat is even slikken als je altijd in de meerderheid geweest bent, maar nu ziet dat je links (en niet rechts) wordt ingehaald door kerken die een andere conclusie trekken, maar in 1998 nog in de minderheid waren.

De keus om bij verschil van mening exclusief voor één lijn te kiezen is terecht. Ook de vrijgemaakt-gereformeerde kerken hebben zich altijd unaniem en con amore gehouden aan het niet-toelaten van vrouwen in de ambten tot de landelijke GKV-synode daar in 2017 wel ruimte voor gaf. Waarom deed die synode dat? Omdat ze, in tegenstelling tot de CGK-synode van 1998, twee meningen die allebei niet principieel te veroordelen zijn, tot vrije kwestie bestempelde. En waarom bestempelde de GKV-synode het tot vrije kwestie? Dat was niet omdat er andere bijbelse argumenten naar voren kwamen, maar puur omdat men dit onderwerp niet meer zo belangrijk vond dat alle plaatselijke kerken hier gelijk over moesten denken. Want, en dat is een belangrijk principe in het gereformeerd kerkrecht: plaatselijke kerken mogen niet over elkaar heersen, en dus bind je elkaar alleen maar aan besluiten die strikt noodzakelijk zijn op basis van de Bijbel of die voor een goed functionerend kerkverband noodzakelijk zijn. In het overige geldt: hierin gunnen we elkaar de christelijke vrijheid, zoals Paulus voorschrijft in Romeinen 14 en zoals iemand als Marnix van Sint Aldegonde al in 1568 indringend betoogde. Volgens Marnix zijn kerkenraden en synodes slechts ambassadeurs van Christus, die alleen maar bindend op mogen leggen wat Koning Christus aan zijn onderdanen beveelt. Voor het overige mogen ze adviezen geven met de wijsheid die ze van Christus ontvangen hebben, maar als die adviezen in beton gegoten worden, ontneemt een kerkenraad de gelovigen en ontneemt een kerkverband de plaatselijke kerken hun christelijke vrijheid en brengt hen in gewetensnood.

Dus klonk het mij wat rooms in de oren, toen het Reformatorisch Dagblad de spanningen in de Christelijke Gereformeerde Kerken als volgt samenvatte: “Wil men elkaar, op basis van het aloude presbyteriaal-synodale stelsel, strikt gaan houden aan het eerder (en bij herhaling) genomen besluit dat vrouwen in de CGK geen ambtsdrager kunnen zijn? Of kiest men in meerderheid voor een ander, meer congregationalistisch organisatiemodel, waarbij de lidkerken elkaar op diverse punten veel vrijer laten? Dat is op deze synode de hamvraag.”

Hier wordt een valse tegenstelling geschapen. Want de hamvraag is niet: ‘Moet je volgens het aloude gereformeerde kerkrecht je altijd houden aan elke landelijke uitspraak?’ De hamvraag is: ‘Hoe belangrijk vind je een onderwerp om, als je er van mening over verschilt, één visie bindend op te leggen aan alle kerken?’ Sinds de allereerste nationale synode van 1571 hebben de gereformeerde kerken er altijd voor gekozen om elkaar vrijheid te gunnen in zaken die men niet strikt noodzakelijk vond.

Dat je in ‘het aloude presbyteriaal-synodale stelsel’ per definitie strikt gebonden bent aan genomen besluiten is een hiërarchisch frame, waarbij men aan de synode het gezag van een soort superkerkenraad toekent die, na raadpleging van de kerken, besluiten neemt die bindend zijn en alleen maar veranderd mogen worden als er nieuwe bijbelse argumenten aangedragen worden. Want ‘afspraak = afspraak’ en wie het daar niet mee eens is, moet maar vertrekken.

Als je zo tegen samen kerk-zijn aankijkt, krijgt een kerkverband roomse trekjes. Dat zie je in de vroeger Hervormde Kerk en in de huidige Protestantse Kerk en de Hersteld Hervormde Kerk. Die vormen landelijk één kerk met lokale plaatselijke afdelingen die slecht ‘gemeente’ heten. Het zijn, kerkrechtelijk gezien, filialen van de landelijke organisatie die zowel de regels bepaalt als de ruimte die een plaatselijke afdeling vergunt wordt om ervan af te wijken.

Maar binnen alle gereformeerde kerkverbanden die sinds 1834 ontstaan zijn, is dit de omgekeerde volgorde. Ruimte gun je elkaar niet bij de gratie van een synode. Ruimte geef je elkaar omdat je niet over elkaar wilt heersen. Je maakt alleen afspraken over wat tot de kern van de Bijbel hoort en over wat noodzakelijk is voor een goed functionerend kerkverband. Bij al het andere laat je je leiden door het principe van de christelijke vrijheid, waartoe Paulus in Romeinen 14 oproept: “Aanvaard elkaar, zoals Christus u aanvaard heeft.”

Wat betekent dat nu in voor de komende synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken? Op die enkele vreemdeling in Jeruzalem na snapt iedereen dat er een grens bereikt is en dat er knopen doorgehakt moeten worden.

Als de synode opnieuw, voor de derde keer in 26 jaar, het besluit handhaaft dat vanwege het belang van de zaak en vanwege de eenheid binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken ‘de klassieke gereformeerde ambtsopvatting geen plaats toekent aan vrouwelijke ambtsdragers’, moeten de kerken die daar anders over denken zo eerlijk zijn om het kerkverband te verlaten. Je kunt niet blijvend zo’n uitspraak negeren en daarmee de eenheid binnen het kerk ondermijnen. Aansluiting bij het kerkverband van de Nederlandse Gereformeerde Kerken ligt dan voor de hand.

Als de synode besluit dat plaatselijke kerken de christelijke vrijheid krijgen om wel of geen vrouwelijke ambtsdragers aan te stellen om zo de eenheid binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken te handhaven, moeten de kerken op de rechterflank zich afvragen of ze andere CGK-kerken de ruimte gunnen om hun eigen afweging te maken op dit punt. Als ze dat vanwege hun geweten niet kunnen, moeten ze net zo eerlijk zijn en afzonderlijk verder gaan. Helaas ligt aansluiting bij de Gereformeerde Bond niet voor de hand vanwege de ruimte die de PKN aan vrijzinnigheid biedt. En een fusie van, als men daartoe besluit, het uitgetreden CGK-smaldeel met de HHK ligt kerkrechtelijk ingewikkeld.

Ik bid de Christelijke Gereformeerd Kerken Gods wijsheid toe met Jakobus 3:17-18: De wijsheid die van boven is, is ten eerste rein, vervolgens vreedzaam, welwillend, voor rede vatbaar, vol barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig en ongeveinsd. En de vrucht van de gerechtigheid wordt in vrede gezaaid voor hen die vrede stichten.

Deze blog verscheen eerder als opinie-artikel op CVandaag

Ren als de atleet die wint – de Olympische Spelen van Eric Liddell in 1924

De Olympische Spelen staan voor de deur. Het is het grootste sportevenement ter wereld. Vanaf 26 juli tot 11 augustus strijden meer dan 10.000 sporters in 32 verschillende takken van sport om 329 medailles. Er zal heel wat sporthistorie geschreven worden en misschien ook indrukwekkende verhalen die men zich over 50 jaar nog herinnert. Kan Novak Djokovic eindelijk de gouden medaille voor zich opeisen, de enige titel die hij in zijn glansrijke tenniscarrière nog niet gewonnen heeft? Wordt Sifan Hassan met drie gouden Olympische medailles erbij de succesvolste Nederlandse olympiër op de Zomerspelen ooit? Wordt het Femke Bol of Sydney Mc Laughlin op de 400 meter horden, of worden ze beiden door een outsider verslagen? En welk land zal bij de estafette-race op knullige wijze het stokje laten vallen? Hoe dan ook, de krantenkoppen zullen drie weken lang vol staan met weergaloze prestaties, onverwachte successen en dramatische verliezers.

Op de eerste Olympische Spelen van Parijs – precies 100 jaar geleden, in 1924, gebeurde iets heel bijzonders, waar we als christenen veel van kunnen leren als het om doorzettingsvermogen en geloofsvertrouwen gaat. Je kunt er bijna 1 op 1 de tekst van Paulus op plakken: “Ren als de atleet die wint.” Op die Olympische Spelen van 1924 won namelijk Eric Liddell voor Engeland goud op de 400 meter in een nieuwe wereldrecord. Eric was een overtuigd christen. Hij werd in 1902 in China geboren. Zijn vader en moeder werkten daar als zendingsechtpaar. Ze stuurden hem en zijn oudere broer rond 1910 naar een kostschool in Zuid-London (Eltham College – waar de sportzaal nu naar hem vernoemd is) en daarna ging hij studeren in Edingburgh in Schotland. Daar blonk hij uit in rugby en hardlopen. Hij speelde tussen 1921 en 1923 zeven keer voor het Schotse rugbyteam. Ook liep hij in 1923 een Brits nationaal record op de 100 yard (= 91,5 meter) dat 35 jaar lang zou staan. Omdat beide sporten niet te combineren waren, koos hij in 1923 definitief voor de atletiek, ook vanwege de Spelen van 1924 in Parijs.

Eric Liddell stond bekend om zijn unieke manier van rennen. Hij gooide altijd zijn hoofd naar achteren en rende met de mond wijd open en zwaaiend met zijn armen. Maar goed … hij werd dus geselecteerd om voor de Olympische Spelen van 1924. Zijn grootste kans voor een gouden medaille lag op de 100 meter. Alleen: die werd op een zondag gehouden. Dat was een groot probleem voor hem, want, geloofde hij, de zondag is een rustdag om aan God te denken, om de opstanding van Jezus te vieren, om geen slaaf te worden van je werk en om samen met andere christenen bij elkaar te komen om naar de Bijbel te luisteren, te zingen en te bidden. En dus … omdat de Tien Geboden door God gegeven waren als blijvende regels voor een gezond geloofsleven, zei Eric Liddell: ik maak zelfs voor de Olympische Spelen geen uitzondering om dit gebod van de Heer na te leven. De hele Engelse sportbond en zelfs de Prins van Wales, de latere koning Edward VIII, pushten hem om zijn standpunt te herzien en de eer van Engeland hoog te houden. Dus er werd best veel druk op hem als uitgeoefend om tegen zijn geloofsprincipes in te gaan. Net als vandaag. Maar steeds was zijn antwoord: I’m no runnin’. Niemand kon hem op andere gedachten brengen.

Ik denk dat we daar vandaag, 100 jaar later, als christen nog veel van deze christelijke atleet kunnen leren. Namelijk: Getuig met liefde, maar ook met overtuiging. Eric Liddel combineerde zachtmoedigheid met vastberadenheid. Als je alleen maar zachtmoedig bent, kun je makkelijk compromissen sluiten. Je zwakt je eigen standpunt wat af om het geloof in Jezus aantrekkelijker te maken voor anderen. Als dat je uitgangspunt is wanneer je voor je geloof uitkomt, zul je merken dat er steeds weer een volgende stap van je gevraagd wordt om je principes af te zwakken. Want als je één keer toegeeft, waarom dan ook niet een volgende keer? En uiteindelijk denken anderen: die christenen roepen wel heel hard dat ze principes hebben, maar ze staan eigenlijk nergens voor, want in de praktijk doen ze overal aan mee. Je wordt dan een kleurloze christen. En dat heeft ook gevolgen voor je eigen geloof: van dicht bij God en Jezus glij je langzaam naar beneden tot je misschien net zo’n algemeen geloof hebt als heel veel mensen: ‘Ik geloof wel dat er een God bestaat, maar verder doe ik er niet zoveel mee.’

Eric Liddell hield vast aan zijn geloofsprincipes. Hij wilde rennen als de atleet die maar voor één belangrijk doel gaat: goud winnen op de Olympische Spelen. Maar hij wilde vooral rennen als de christen die maar voor één nog groter doel gaat: het eeuwige leven winnen! En de trainingsadviezen (de Tien Geboden) die Jezus, zijn coach, hem gaf, die waren cruciaal voor hem. Dus hield hij vast aan zijn christelijke principes – ook al kostte hem dat een bijna zekere medaille. Maar – hij deed het in alle vriendelijkheid. Hij legde zijn standpunt niet op aan anderen. Hij zei ook niet: ik doe aan heel die Oympische Spelen niet mee, want er zijn ook wedstrijden op zondag. Hij bleef trainen, hij bleef zijn mede-atleten steunen. Tegelijk was hij wel standvastig in zijn eigen keuzes: als Jezus iets van mij vraagt en dat kost me een gouden medaille of dat levert me bergen van kritiek van andere mensen op – dan kies ik er toch voor om te luisteren en te doen wat de Heer me opgedragen heeft. Want ik leef wel in de wereld – ik trek me er niet uit terug. Toch ben ik niet van de wereld – als ik moet kiezen, kies ik ervoor om God te eren en Jezus een plezier te doen. En dus ging Eric Liddell op die zondag in Parijs naar de Schotse Kerk in plaats van de 100 meter te lopen. En hij zou wel zien wat de andere afstanden zouden brengen.

Met dat vertrouwen op de Heer kwam hij niet bedrogen uit. Een paar dagen later ging hij als een speer door de 200 meter races en won hij de bronzen medaille op die afstand. En weer een paar dagen later kwalificeerde hij zich als laatste atleet voor de finale van de 400 meter. Het was niet zijn favoriete afstand en hij moest starten in de buitenbaan. Maar wat gebeurde er? Eric stormde in dat sterke veld naar de overwinning met een paar meter voorsprong op de nummer twee en vestigde een nieuw wereldrecord in 47,6 (wat vandaag de dag het wereldrecord bij de vrouwen is trouwens). Na afloop werd hem gevraagd: “Hoe verklaar je deze superrace?” Toen zei Eric dit: “Het geheim van mijn succes is, dat ik de eerste 200 meter zo snel liep als ik kan. Daarna bleef ik met Gods hulp nog steeds snel lopen.” En er was nog iets heel opmerkelijks. Voordat Liddell de finale ging lopen, gaf één van zijn masseurs (het moet ook wel een christen geweest zijn) hem namelijk een klein papiertje met daarop een heel kort citaat uit de bijbel: “Ik zal eren wie Mij eren – zegt de HERE”. Is dat toeval? Of mag je zeggen: zijn inspiratie voor deze gouden 400 meter race kreeg hij ook zeker van God? Ik denk het laatste.

Daar zit een tweede les in voor vandaag: God belooft jou te eren als je Hem eert. Het is maar een voorbeeld, deze gebeurtenis op de Olympische Spelen van 1924. En iedereen maakt andere dingen in het leven mee. Toch durf ik wel te zeggen: omdat Eric Liddell niet toegaf aan de druk om op zijn favoriete afstand, de 100 meter, te lopen op zondag, maar God wilde eren en als christen voor zijn geloofsstandpunten bleef staan, eerde God hem door hem onverwacht een veel mooiere overwinning te geven.

Zo’n direkte bemoediging van God is best wel bijzonder. Dat maakt niet iedereen van ons als christen me. Maar je kunt je er wel aan optrekken. Ook vandaag kom je als christen lastige situaties tegen en kom je voor moeilijke beslissingen te staan. En je voelt de druk om compromissen te sluiten, om toe te geven aan de druk van mensen die zeggen: is het echt nodig dat je dit doet of dat laat vanwege je geloof in God? En wie is er doof voor zulke geluiden, voor zulke beïnvloeding? Hoe kun je dan trouw blijven aan de Heer? Nou, geloof in wat God belooft: ‘Ik zal eren wie Mij eren.’ Dat wist Jezus ook, toen Hij eerst bewust vijf stappen terug zette en daarmee diepe ellende over zich heen haalde. Want Hij wist het en vertrouwde erop, dat er daarna weer vier stappen omhoog zouden volgen, vol glorie en eer. In Hebreeën 12 staat: Jezus ‘is voor ons aan het kruis gestorven. Hij vond het niet erg dat hij op die manier vernederd werd. Want hij dacht aan de beloning die hij in de hemel zou krijgen. En nu zit hij naast God, aan de rechterkant van Gods troon.’ Snap je nu, waarom er in Hebreeën bij staat, dat we vastberaden en geconcentreerd de wedstrijd van het geloof moeten lopen? Met al die gelovigen die al in de hemel op de tribune die als één grote wand ons aanmoedigen? Met de oproep erbij om vooral te letten op onze coach, die Zelf ons grootste voorbeeld is? “Laten we daarbij steeds blijven denken aan Jezus. Hij zorgde ervoor dat we gingen geloven, en Hij maakt ons geloof volmaakt” En dat Paulus juist daarom zegt: “Ren als de atleet die wint!” Niet voor gouden medailles op de Spelen, of voor nog meer bonussen of voor een nog grotere populariteit. Nee, zegt Paulus: ‘Doe er alles aan om anderen de spelregels van het geloof uit te leggen, zodat ze ook de wedstrijd van het geloof gaan lopen – en vergeet ook zelf niet om die wedstrijd zo goed mogelijk te lopen, zonder gediskwalificeerd te worden.”

Nog even terug naar Eric Liddell. Hij keerde als een held terug naar Schotland en stopte meteen met topsport. Hij ging afstuderen en deed daarna wat zijn ouders ook gedaan hadden: werken als arts én predikant in China. Op zijn eigen karakteristieke manier: voor een gezonde geest heb je ook een gezond lichaam nodig, dus hij stimuleerde de mensen in zijn omgeving ook om te sporten. ‘Probeer me er maar uit te lopen op de 100 meter.’ Want, zei hij: ‘God heeft mensen ook een lichaam gegeven om Hem mee te eren.’ Over zichzelf zei hij: ‘God heeft me snel gemaakt, en als ik ren, voel ik zijn plezier.’ Juist omdat hij God wilde dienen, bleef hij bij de mensen in China toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak.

Hij stuurde zijn zwangere vrouw en zijn twee kinderen vlak daarvoor naar Canada (daar kwam zijn vrouw vandaan, geloof ik). Zelf bleef hij in China en werd al vrij snel door de Japanners in een kamp opgesloten. Daar leed hij aan chronische vermoeidheid en ondervoeding. Toen hij ook nog een ongeneeslijke, niet te opereren hersentumor kreeg, overleed hij in 1945, nog maar 43 jaar oud. De jongste van zijn drie dochters heeft hij na haar geboorte nooit mogen zien. Zijn laatste woorden waren, volgens de mensen die erbij waren: ‘Volledige overgave’. Je leven overgeven aan God. En jezelf volledig geven in dienst van God.

Dat is het derde wat we uit dit verhaal kunnen leren: Doe God een plezier met alles wat je doet. Ergens, denk ik, is Eric Liddell een ultiem voorbeeld van wat Paulus aan de Korintiërs schrijft. ‘Ik doe alles voor het evangelie om ook zelf aan de beloften ervan deel te krijgen.’ Hij wist heel goed, dat een gouden medaille in Parijs mooi is, maar dat een andere prijs veel belangrijker is, namelijk, zoals het Paulus het al zei: ‘Weet u niet dat van de atleten die in het stadion een wedloop houden er maar één de prijs kan winnen? Atleten doen het voor een vergankelijke erekrans, maar wij doen het om een krans die onverwelkelijk is.’ Dat laatste zie je aan de rest van het leven van Eric Liddell. Hij vond zijn sportprestaties niet het belangrijkste wat hij in zijn leven kon bereiken of bereikt had. Na zijn gouden en bronzen medaille stopte hij met atletiek en ging als zendingsarts naar China om daar mensen te helpen, lichamelijk, incl. sporten, en geestelijk, door ze tot geloof in Jezus te willen brengen.

Natuurlijk heeft sport ook z’n donkere kanten. Zoals alle gaven van God kan ook sport een afgod worden. Als je ziet hoeveel mensen over hebben voor hun favoriete team of sportheld – ze aanbidden die echt. Wijsheid is niet alleen nodig om die grens te bewaken, maar ook bij welke soort supporters je in gezelschap wilt zijn. Of – en dat is de andere kant: je kunt ook je eigen sportprestaties verafgoden en zondig trots te zijn op je eigen prestaties. Of zoveel tijd in de sportschool of op het sportveld doorbrengen, dat er geen tijd voor God, Jezus en de Bijbel en voor vrienden, familie en kerk meer over is. En veel sport schuift ook steeds meer op naar de zondag – zodat het niet meer die ene dag wordt waarop God centraal staat, maar de dag waarop iedereen z’n eigen leuke dingen doet.

En toch: ook van de gewone dingen in het leven mag je genieten. En als jij ervan geniet, doet God dat ook. Tegen de christenen in Korinte zegt Paulus: ‘Verheerlijk God met je lichaam’ (1 Kor. 6:20). En hij haalt sporten als atletiek en boksen en de trainingsuren die je daarin steekt aan als voorbeelden van hoe je ook geloven kunt (1 Kor. 9:24-27). Even verder zegt hij: ‘Dus wat je ook doet, doe het ter ere van God’ (1 Kor. 10:31). Ja, schrijft hij later aan Timoteüs: Alles wat God geschapen heeft is goed. Niets daarvan hoeft verworpen te worden, als het onder dank wordt aangenomen, want het is geheiligd door het woord van God en het gebed (1 Tim. 4:4+5).

Het geloof en vrije tijd zijn geen concurrenten! Als God en Jezus op de eerste plaats staan in je leven, zul je merken dat je echt plezier beleeft aan sport – of muziek – of wat dan ook. Als je Gods koninkrijk op de eerste plaats zet, zul je merken dat sport geen strik of bron van verleiding voor je wordt.

Sterker nog: dan weet je dat geloven ook topsport is. Maar dan geestelijk. Een wedstrijd die je lopen moet. Maar er is wel een verschil. In de sport kan maar één persoon of één team de gouden medaille winnen. In het geloof is dat niet zo. Jij en ik en iedereen – iedereen die weet: aan de finish staat Jezus, en die zal mij een gouden medaille uitreiken als ik juichend over de eindstreep ga – als je dat gelooft, dan blijf je rennen als de atleet die weet dat ‘ie gaat winnen. Want bij Jezus wint iedereen de prijs. De krans van gerechtigheid. De kroon van heerlijkheid.

Eric Liddell genoot van sport – rugby en atletiek. Veel christenen vandaag genieten nog steeds van sport. Niets mis mee. Maak er een mooie sportzomer van. Tegelijk ging Eric Liddell vooral voor God. In alle keuzes die hij maakte, qua sport en qua carrière. En hij won ook nog goud. Voor welke prijs loop jij als christen de race van je leven?

Deze blog is hier iets uitgebreider als preek over 1 Korintiërs 9:24b terug te vinden, incl. kindmoment en liturgie en preekverwerking. Over Eric Liddell en zijn gouden race in 1924 is later de film ‘Chariots of Fire’ gemaakt, die vier Oscars ontving, o.a. voor beste film.

Durf te genieten en weet je gedragen door God

-zomervakantietips van Prediker-

De zomer van 2024 is weer begonnen. Het weer is nog niet altijd wat het zijn moet, maar de scholen zijn of gaan dicht, de bouwvak staat voor de deur en in de kerk nemen we even pauze als het gaat om de meeste door-de-weekse aktiviteiten.

Veel mensen zijn er echt aan toe. We leven in een maatschappij waarin bijna iedereen het druk heeft met van alles en zich druk maakt over van alles. Het is echt moeilijk om je aan die druk te ontworstelen.

Daarom is het goed dat er elke zomer een periode is waarin we tot rust kunnen komen en alle dagelijkse dingen even mogen loslaten. Even afstand nemen van alle drukte. Even bijkomen na een druk seizoen.

Niet voor iedereen

Toch is de vakantieperiode niet voor iedereen een fijne tijd. Soms lukt het niet om los te komen van de situatie waar je in zit. Soms is er geen mogelijkheid om er op uit te gaan. Soms lukt het niet om zelf de knop om te zetten.

Salomo, de waarschijnlijke schrijver van het boek Prediker, benoemt het allebei. Durf te genieten en weet je gedragen, schrijft hij. Want je hebt dagen dat je kunt genieten van de zon. En je hebt dagen waarin alles alleen maar donker is. Salomo zegt erbij: vergeet niet om te genieten mét God. En weet je gedragen dóór God.

Het eerste vergeten we gemakkelijk. Welvaart is een verleidelijke ziekte voor het geloofsleven van veel mensen. Neem jezelf voor en herinner elkaar er aan dat je op vakantie God niet thuis laat (de les van Prediker 11:9).

Het tweede is net zo’n beproeving voor je geloof. Het zuigt alle energie uit je weg en je durft voor de toekomst nergens meer op te hopen. Laat er oprechte aandacht en gebed zijn voor iedereen die te maken heeft met slechte dagen en jaren waarin maar weinig vreugde te vinden is (zoals Prediker 12:1).

Bijbel mee op vakantie

In de zomerperiode krijg je de tijd om te genieten. Dat is een geschenk van onze goede God. Of je nu afdaalt richting de Middellandse Zee om zoveel mogelijk zon-uren te scoren of je stijgt op naar het hoge noorden van Scandinavië waar de zon in de maand juli niet ondergaat: laat je bijbel niet in Nederland achter. God laat Zich nl. op twee manieren kennen. Allereerst zie je in zijn schepping (de natuur, de wetenschap en de techniek) iets van Gods eeuwige kracht en goddelijkheid. Maar door het lezen van de Bijbel worden al die indrukken aangescherpt tot een nog duidelijker beeld van wie God is. Het is de combi van schepping en Bijbel die het geloof in God volkomener maakt en ons doet uitkomen bij Hem als meer dan Schepper, nl. als hemelse Vader, dankzij Jezus Christus, zijn Zoon en onze Verlosser.

Elk jaar bieden kun je kiezen tussen verschillende vakantie-bijbel-boekjes.

*1* Het vakantiebijbelboekje van de GZB heeft als titel ‘Ga! Iedereen is geroepen’. Het bevat 14 bijbelgedeeltes + een korte overdenking met elke keer ook een verhaal over iemand die ergens in de wereld gegaan is als christen. https://www.gzb.nl/toolbox/vakantiebijbelboekje

* 2* Het vakantiedagboek van het Nederlands Bijbelgenootschap heeft als titel ‘Op weg gaan en thuiskomen’. In 21 dagen komen bijbelse figuren aan bod die onderweg zijn met God en Jezus en bij Hen schuilen. https://www.bijbelgenootschap.nl/zomerleesplan-2024/

*3* Het zomergezinsboekje ‘Handig’ is speciaal voor kinderen uitgegeven door de GZB, HGJB en IZB. Informatie vind je op https://www.zomergezinsboekje.nl.

Zo kom je de zomer wel door als christen.

Samenwonende homo’s als ambtsdrager: op z’n minst een slechte timing

De Nederlandse Christelijke Gereformeerde Kerk van Hilversum heeft besloten het ambt van ouderling en diaken ook open te stellen voor homoseksuele broers en zussen met een relatie.

Sommigen noemen het een moedig besluit, dat integer en met pastorale wijsheid genomen is. Anderen vinden het een zorgelijke ontwikkeling die christenen steeds verder laat afdwalen van de Bijbel en het volgen van  Jezus onder druk van de maatschappelijke ontwikkelingen.

Ik ben geneigd de laatsten gelijk te geven. In het boek ‘Tim Keller – zijn geestelijke en intellectuele vorming’ schrijft Collin Hansen, dat Keller zelf ervaren heeft dat hij in 2017 juist op dit punt als voorheen gerespecteerd eigentijds gereformeerd theoloog gecanceld werd,  terwijl een aantal jaren eerder zijn kerk, de Redeemer Presbyterian Church, nog geroemd werd omdat in hun orthodoxe kerk iedereen welkom was en geholpen werd, of je nou man of vrouw, blank of zwart, homo of hetero was. Maar in 2017 werd de prestigieuze Kuyper Prize die al aan Keller was toegekend, na protest weer ingetrokken, omdat “Kellers opvattingen over de vrouw in het ambt en over homoseksualiteit indruisten de heersende normen (…) van de cultuur.” Kellers biograafkwam met een scherpe analyse: “In minder dan tien jaar was de [westerse] cultuur (…) verschoven van tolerantie van homoseksualiteit naar intolerantie van iedereen die homeseksualiteit niet bevestigde.” (beide citaten blz. 237). Volgens Tim Keller zelf ziet het seculiere Westen zichzelf als een tolerant toevluchtsoord tegen het beperkende christelijke verleden, maar gebruikt ze haar macht om precies hetzelfde te doen door bijbelgetrouwe christenen op allerlei terreinen uit te sluiten. Mede daardoor is er sprake van toenemende vijandigheid en polarisatie in de samenleving, zowel cultureel als politiek. (blz. 241).

Wat heeft dit met het besluit van de NCGK Hilversum te maken? Zonder de plaatselijke kerkenraad hiervan te beschuldigen, zie ik het besluit op zich als een te grote knieval richting de seculiere samenleving. Volgens Keller is het geen optie om je gelovig terug te trekken uit de samenleving of om je stevig tegenover de samenleving te profileren of om je open en relevant naar de samenleving op te stellen, maar moet je ‘gelovig present’ willen zijn door je eigen bijbelse uitgangspunten voluit serieus te nemen en je tegelijk met de hedendaagse cultuur te verbinden. Keller verwijst daarbij naar 1 Petrus 2:12.

In mijn optiek betekent dit, dat we de heiligheid van het bijbelse huwelijk tussen man en vrouw hooghouden, terwijl we mild tegemoetkomend zijn tegenover andere relatievormen die zich vanuit de samenleving aan ons opdringen en die dus ook onder christenen steeds meer normaal gevonden worden. Want als het regent in de wereld, druppelt het in de kerk. En elke generatie christenen ademt vooral de lucht in van de eigen cultuur, en dus word je daardoor beïnvloed en ga je daarin mee, of je het wilt of niet. Maar niet tegen elke prijs, want dan wordt de kerk een club van bleke christenen. Anderen zullen dat ‘veelkleurig’ noemen, maar ik denk eerder dat het een onherkenbare potpourri van kleuren wordt – een verwaterd christendom.

Op het punt van homo-relaties betekent dat, dat ik het eens ben met het rapport dat op de huidige synode nog besproken moet worden, dat we homoseksuele broers en lesbische zusters die in een monogame relatie van liefde, trouw en gedeeld geloof leven, voluit accepteren als mede-christen, en dat als het onderdeel ‘geloof’ mist, ze daar op dezelfde wijze over worden aangesproken als elke christen die een relatie met een niet-gelovige aangaat.

Maar het is volgens mij bijbels gezien een brug te ver om te stellen, zoals men in Hilversum doet, dat “het hebben van een homoseksuele relatie geen belemmering vormt voor het vervullen van een ambt” (citaat in RD), omdat er alleen gekeken wordt naar “geschiktheid en gerichtheid op Christus” (citaat in ND). Het bekleden van een ambt vraagt ook een bepaalde levenswijze en voorbeeld in geloof en levenswandel. Paulus somt in 1 Timoteüs 3:1-7 en in Titus 1:5-9 een aantal vereisten op waar ouderlingen aan moeten voldoen. In beide gevallen wordt het hebben van één vrouw als eerste voorwaarde gesteld. In die tijd was zo’n bepaling nodig omdat sommige christen-mannen meerdere vrouwen hadden. Ze waren volwaardig lid van de gemeente, bekleedden verschillende funkties, werden toegelaten tot het avondmaal, maar waren als ambtsdrager niet geschikt, omdat het huwelijk volgens Gods eigen instelling een relatie tussen één man en één vrouw is.

Ook in onze tijd vinden we als gereformeerde kerken nog steeds, dat het huwelijk volgens Gods bedoeling een relatie voor het leven is tussen één man en één vrouw. Het rapport dat nu op de synode dienst, geeft ook nadrukkelijk aan dat het bijbelse huwelijk uniek is en niet één van de vele relatievormen die naast elkaar mogen bestaan, zoals onze seculiere maatschappij doet geloven.

Het onbegrijpelijk van het synoderapport is dan ook, dat ze zonder ook één zin te wijden aan 1 Timoteüs 2 en Titus 1 en zonder er verder ook maar een woord aan te wijden, vindt dat iedere plaatselijke kerk zelf moet afwegen of er plaatselijk genoeg draagvlak is om samenlevende homoseksuele broers en zussen tot ouderling of diaken te benoemen. Als je met de mond belijdt dat het huwelijk volgens Gods bedoeling de unieke, levenslange, exclusieve, alomvattende levenseenheid van één man en één vrouw is, en dat er bijbels gezien dus een onderscheid blijft bestaan tussen het huwelijk en een homo-verbintenis, moet je dat principe als kerk ook hoog houden in de keus van je ambtsdragers, net zoals de christelijke gemeenten in de tijd van Paulus dat ook deden.

Daarom is in mijn ogen het besluit van Hilversum een stap in de verkeerde richting. Het houdt te weinig rekening met de hogere normen en waarden die de Heilige Geest in Gods Woord voorhoudt aan volgelingen van Jezus die geroepen worden om met woord én daad een voorbeeld te zijn voor de gemeente en de wereld.

Het besluit van Hilversum getuigt ook van onwijs ongeduld. Binnen de CGK liggen er duidelijke uitspraken over homo-relaties in het algemeen: daar moet na vele gesprekken tucht op toegepast worden. Die harde lijn deel ik niet, maar met zo’n uitspraak moet je als samenwerkingsgemeente wel rekening houden. Vandaar dat deze zaak nu opnieuw op de landelijke synode van de CGK ligt. Binnen de oude NGK heeft men hier in 2016 een landelijke uitspraak over gedaan, namelijk: homoseksuele relaties in liefde en trouw worden geaccepteerd, maar men kan dan geen ambt bekleden. En binnen de oude GKV is in 2017 het studiedeputaatschap aangesteld dat nu, zeven jaar later, met een eindrapport komt.

Het klopt dus niet wat de huidige synodevoorzitter in het RD zegt, dat er voor de NCGK er geen kerkrechtelijke belemmeringen waren om dit besluit te nemen. Want, zei hij, de oud-NGK-uitspraken van vóór de fusie zijn niet overgenomen en de oude GKV had nog niets uitgesproken. Dat is wat flauw, want ten eerste liggen er wel CGK-uitspraken waaraan Hilversum gebonden is en ten tweede geven zowel de uitspraken van 2016 en het rapport dat nu op de synode ligt aan, dat het om een gevoelig onderwerp gaat, waar je graag samen tot een afgewogen oordeel wilt komen. Dan is het onwijs ongeduld om een half jaar voordat dat oordeel er komt, voor de muziek uit te gaan lopen. Vergelijk het met de vrouw in het ambt binnen de GKV: ook al was een meerderheid al jaren vóór de vrouw in het ambt en stond nergens in de kerkorde of de belijdenis dat het niet mocht, toch hebben nagenoeg alle GKV-kerken gewacht tot in 2017 de landelijke synode groen licht gaf om vrouwen in het ambt te bevestigen. Dat is de koninklijke weg. En die had, m.i. ook Hilversum moeten volgen, in plaats van licht provocerend een eigen koers uit te zetten waarmee men het ene kerkverband tegen de schenen schopt en het andere kerkverband in verlegenheid brengt.

Tenslotte: ik hoop en bid van harte dat dit najaar de landelijk synode ruimte geeft voor homo-relaties in liefde en trouw en tegelijk richting geeft door ook aan te geven waar bijbels gezien de grenzen liggen. Eén daarvan is volgens mij, op grond van Genesis 2 en 1 Timoteüs 2 + Titus 1, dat er geen ruimte is voor samenlevende homo’s om het ambt te bekleden. Daarin zijn zij niet anders dan gemeenteleden na een ongeoorloofde scheiding of gemeenteleden in een relatie met een niet-gelovige of leden (of, om iets anders te noemen: die bewust hun kinderen niet willen laten dopen). Ook die zijn en blijven doorgaans volwaardig lid, vervullen allerlei functies en taken, maar komen uit en in principe niet in aanmerking voor het ambt.

Zie verder voor informatie en beoordeling van het synoderapport: Een zee van ruimte zonder veel richting

Ruimte en richting – vier gespreksvragen bij het NGK-rapport over homoseksualiteit

In de NGK is het rapport ‘Ruimte en richting’ over homosekualiteit in de kerk op dit moment in bespreking. De landelijke synode wil graag input vanuit de plaatselijke kerken en de regio’s, zodat er in het najaar van 2024 breed gedragen besluiten genomen kunnen worden onder de zegen van de HERE.

In deze blog staan vier gespreksvragen die volgens mij de kern van het onderwerp raken. Ik hoop dar regio’s en kerkenraden er hun winst mee kunnen doen.

Een korte samenvatting van het rapport ‘Ruimte en richting’ vind je hier

Mijn kritische evaluatie van het rapport ‘Ruimte en richting’ vind je hier.

Uit dit synoderapport zijn vier gespreksvragen te halen.

Gespreksvraag 1

Het rapport maakt onderscheid tussen * homoseksuele oriëntatie en * gelijkgeslachtelijk seksueel gedrag.

Bij homoseksuele oriëntatie gaat het om de emotionele, romantische en/of seksuele aantrekkingskracht tot personen van hetzelfde geslacht. Deze oriëntatie is geen ziekte of inbeelding (zoals vroeger wel gedacht werd), maar heeft alles te maken met iemands identiteit en wie iemands te diepste is.

Bij gelijkgeslachtelijk seksueel gedrag gaat het om de beleving van de seksualiteit tussen twee mensen van hetzelfde geslacht.

In de Bijbel tref je alleen passages aan die gelijkgeslachtelijke seks afkeuren.

In de Bijbel gaat het nergens over aantrekkingskracht, verliefdheid, intimiteit of zielsverwantschap tussen twee mensen van hetzelfde geslacht.

Vraag 1: Hoe denk jij over dit onderscheid?

Gespreksvraag 2

Volgens het rapport is het gezag van de Bijbel niet in het geding bij dit onderwerp. Maar je kunt wel van mening verschillen over de vraag of de Heilige Geest de bijbelschrijvers boven hun eigen tijd en cultuur uittilde, zodat het verbod op homoseksuele relaties voor alle latere tijden en culturen geldt, of dat de Heilige Geest door de eeuwen heen in nieuwe omstandigheden Gods kinderen ook nieuwe inzichten geeft die in overeenstemming zijn met de grote lijn van de Bijbel. Dan kun je de Bijbel op twee manieren lezen en toepassen:

*1* de concrete teksten in de Bijbel (‘een man zal geen seks hebben met een man en een vrouw zal geen seks hebben met een vrouw’)

*2* de grote lijn van de Bijbel (‘het is niet goed dat de mens alleen blijft’)

Vraag 2: Welke van deze twee lijnen heeft jouw voorkeur?

Gespreksvraag 3

Het rapport maakt duidelijk dat er door christenen verschillend gedacht wordt over het wel of niet aangaan van homoseksuele relaties. Dit wordt duidelijk gemaakt met het beeld van de drie lenzen.

1/ De lens van de scheppingsorde

God schiep de mens mannelijk en vrouwelijk en stelde het huwelijk tussen man en vrouw in. Heel de Bijbel wijst op morele gronden elke vorm van seksuele omgang tussen mensen van hetzelfde geslacht af.  Elke vorm van homoseksueel verkeer is zonde, ook als het plaatsvindt binnen een relatie van liefde en trouw.

2/ De lens van gebrokenheid

Als gevolg van de zondeval is veel van Gods oorspronkelijk bedoeling verstoord geraakt. Ook op het gebied van seksualiteit en relaties. In de Bijbel zie je dat God ook rekening houdt met die gebrokenheid. Daarom is er ruimte voor homorelaties als ‘blijk van milde tegemoetkomendheid’, maar je kunt dit  ‘noodverband’ niet gelijk stellen aan het huwelijk.

3/ De lens van variatie

God heeft in zijn schepping een veelkleurige variatie aangebracht, en dus zijn er naast mensen met een heteroseksuele oriëntatie ook mensen met een homoseksuele  oriëntatie. Deze verrijkende minderheidsvariant is geen verarming of degradatie van Gods goede schepping en ook geen gevolg van de zondeval of een teken van gebrokenheid. Dit vraagt van een kerkelijke gemeente dat zij een ’inclusieve’ gemeenschap is waarin iedereen even welkom is ongeacht zijn seksuele oriëntatie en de aard van zijn levensverbintenis.

Vraag 3: Welke van de drie ‘lenzen’ vind jij het meest overtuigend?

Gespreksvraag 4

Het rapport zegt: de Bijbel kent niet het verschijnsel van een homoseksuele oriëntatie, maar wel het herkenbare en diep-menselijke verlangen naar een partner voor het leven. Omdat HERE een barmhartig God is, legt Hij mensen geen ondraaglijke lasten op. In de gebrokenheid van dit bestaan kunnen homoseksuele relaties in liefde en trouwe geaccepteerd worden. Dat betekent dat iedere homoseksuele christen die zich door God geroepen voelt om ongetrouwd door het leven te gaan, respect en ondersteuning verdient. Het betekent ook dat iedere homoseksuele christen die het voor God kan verantwoorden om in liefde en trouw een relatie aan te gaan met een partner voor het leven, een volwaardige plek in de gemeente Christus mag hebben.

Vraag 4: wat betekent dit volgens jou, als er sprake is van een homo-relatie, voor

  • Het toelaten tot het Avondmaal
  • Het (in)zegenen van die relatie
  • Het toelaten tot het ambt
  • Een eventuele kinderwens

PINKSTEREN – Gods volk wordt uitgebreid!

-Pinksteren is niet de geboorte van de kerk ten koste van Israel of het Joodse volk-

En de Geest doorbreekt de grenzen die door mensen zijn gemaakt. Dat zinnetje uit het gezang ‘Samen in de naam van Jezus’ klopt niet helemaal. Als het Pinksteren wordt, doorbreekt de Heilige Geest ook de grenzen die God Zelf tot die tijd gesteld had. Tot aan Pinksteren was het volk Israel  Gods volk. Wie tot geloof kwam in de God van Abraham, Isaak en Jakob, moest zich aansluiten bij het Joodse volk.

Vanaf Pinksteren keert God dat om: wie als gelovige Jood gelooft dat Jezus de beloofde Messias is, moet er op uit trekken om alle volken tot zijn leerlingen te maken. Zo ontstaat, om het met Paulus te zeggen, ‘het Israel van God’ (Galaten 6:16), want ‘Jood is men niet door uiterlijkheden, en het gaat ook niet om de uiterlijke, lichamelijke besnijdenis; Jood zijn is een iets innerlijks en de besnijdenis is die van het hart. Het is het werk van de Geest’ (Romeinen 2:28+29). Daardoor krijgt het ene volk van God een enorme uitbreiding, want ‘u die destijds niet verbonden was met Christus en uitgesloten was van het burgerschap van Israel en geen deel had aan de verbondssluitingen en de beloften die daarbij hoorden (…) bent nu dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God’ (Efeziërs 2:12+19).

Wat betekent dat in 2024 voor het Joodse volk en voor de staat Israel? Hebben joden die niet in Jezus geloven nog een streepje voor op alle andere bewoners van deze wereld die niet in Jezus geloven? Mag je zeggen: Israel (wat men daar ook precies mee bedoelt) is nog steeds Gods oogappel? En als het gaat om de verhouding tussen ‘kerk’ en ‘Israel’: mag je Pinksteren “de geboorte van de kerk” noemen, of moet je zeggen: vanaf Pinksteren  is ‘de kerk van de volken’ de buitenste kring rond de Messias met nog steeds Israel als ‘Gods volk-in-het-midden’?

Zelf denk ik er als volgt over: Pinksteren is niet de geboorte van de kerk. Want onder ‘kerk’ verstaan we alle samenkomsten van twee of drie of meer mensen die elkaar in de naam van Jezus ontmoeten. Dat gebeurde al in het paradijs, want elke avond praatten Adam en Eva even bij met hun Schepper in de koelte van de avondwind. En even later, in de tijd van Adam’s kleinzoon Enos, ‘begon men de naam van de HERE aan te roepen’ (Genesis 4:26). Terecht zegt de Heidelbergse Catechismus in Zondag 21, dat de kerk de verzameling van mensen is die Jezus ‘van het begin van de wereld tot het einde van de wereld vergadert, beschermt en onderhoudt.’ De catechismus zegt erbij: ‘Hij doet dit door zijn Geest en Woord in eenheid van het ware geloof.’ De uitdrukking ‘het ware geloof’ heeft bij veel mensen een nogal negatieve klank. Maar er wordt mee bedoeld: het gaat in de Bijbel om het geloof in God die belooft dat Hij een Verlosser zal sturen om de mensen weer terug bij Hem te brengen. Wie in het Oude Testament verlangend naar die Messias uitkijkt en wie in het Nieuwe Testament met blijdschap Jezus Christus als die Verlosser erkent, hoort bij Gods volk. Jezus Zelf zei het zo: ‘Ik heb ook nog andere schapen, die niet uit deze schaapskooi komen. Ook die moet Ik hoeden, ook zij zullen naar mijn stem luisteren: dan zal er één kudde zijn, met één herder.’ (Johannes 10:16). Paulus zegt daarover: ‘Het evangelie is Gods reddende kracht voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken (Romeinen 1:16), want Abraham is de vader van ons allen, de vader van hen die besneden zijn én onze vader Abraham volgen in het geloof en van alle onbesnedenen die delen in het geloof van Abraham, zoals hem beloofd was: Zo talrijk zullen je nakomelingen zijn (Romeinen 4:12,16,19)  

Nu krijgen veel bijbelgetrouwe christenen die benadrukken dat Gods ene volk zich na Pinksteren enorm heeft uitgebreid met nieuwe gelovigen uit de heidenvolken, daarmee het Joodse volk marginaliseren. Want, zegt men dan, God Zelf koos het Joodse volk uit als zijn bruid en Hij spreekt daar in de Bijbel  vol liefde over.

Volgens mij klopt dat niet. In het Nieuwe Testament bestaat Gods volk uit Joden en heidenen samen. Die kerk wordt in Openbaring ‘het nieuwe Jeruzalem’ en ‘de bruid, de vrouw van het Lam’ genoemd. Ze bestaat uit gelovigen uit alle landen en volken. Zo gaat vanaf Pinksteren o.a. Psalm 87 in vervulling, waar van allerlei volken gezegd wordt, dat de HERE ze inschrijft als burgers van Sion. De kerk is dus niet in plaats van het Joodse volk gekomen. De kerk is sinds Pinksteren hetzelfde volk van God gebleven, maar nu over heel wereld uitgebreid. Van die multi-etnische gemeenschap zegt Paulus: ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus en als zodanig nakomelingen van Abraham.’ (Galaten 3:28-29)

Ik hoorde eens een bestuurslid van Yachad (de stichting binnen de NGK-kerken die zich actief inzet voor de evangelieverkondiging aan het Joodse volk en de NGK-achterban bewust wil maken hun relatie ten opzicht van het Joodse volk) zeggen, dat het Joodse volk net als Jezus vermoord is en weer is opgestaan, en dat het nu wachten is op Pinksteren. Met dat eerste worden de Holocaust en de stichting van de staat Israel bedoeld, neem ik aan, en met dat laatste dat in de nabije toekomst de Heilige Geest Zich nog een keer royaal zal uitstorten op alle seculiere of ultra-orthodoxe Joden, die dan massaal Jezus als hun Messias zullen erkennen. Dat is een creatieve vondst, maar ook dit klopt volgens mij niet met het Bijbelse verhaal. Het is in Handelingen 2 al Pinksteren geweest voor het Joodse volk. Daarna werd het in Handelingen 8 Pinksteren voor de Samaritanen en in Handelingen 10 Pinksteren voor de Romein Cornelius en daarmee voor alle heidenen. Petrus zegt dan nadrukkelijk: ‘Zij hebben op dezelfde wijze als wij de Heilige Geest ontvangen.’ (Handelingen 10:47 – zie ook 11:15). En even later op het grote Apostelconvent, zegt Petrus het nog een keer: ‘Nee, we geloven dat wij [christenen uit de joden] door de genade van de Heer Jezus gered worden op dezelfde wijze als zij [christenen uit de heidenen]. Dan vult Jakobous, de broer van Jezus, Petrus bij en zegt: inderdaad, ‘Simon Petrus heeft uiteengezet hoe God vanaf het begin het voornemen had om uit alle volken één volk te vormen dat zijn naam vereert’ (Handelingen 15:11+14). Zo zorgt Jezus er Zelf voor dat de kring van wie in Hem geloven steeds maar groter wordt, precies volgens de opdracht die Hij vlak voor zijn terugkeer naar de hemel aan de apostelen gegeven heeft. Hij liet de vraag van de leerlingen of Hij binnen afzienbare tijd het koningschap over Israel zou herstellen, onbeantwoord, maar draaide de rollen om: niet Ik ga het doen voor jullie, maar ‘jullie zullen, wanneer de Heilige Geest over jullie komt, kracht ontvangen om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde’ (Handelingen 1:8).

Pinksteren is dus niet de geboorte van de kerk. Pinksteren is de lang beloofde en lang verwachte uitbreiding van Gods volk. De Geest doorbreekt de grenzen die God Zelf in het Oude Testament gesteld heeft. Jezus zegt bij het eerste avondmaal dat Hij vanaf nu een ‘nieuw verbond’ ingesteld heeft. De schrijver van het bijbelboek Hebreeën benadrukt dat God op het moment dat Hij spreekt over een nieuw verbond, het eerste al als verouderd bestempeld heeft. En wat veroudert en verjaart, is de teloorgang nabij (Hebreeën 8:13).

Helaas zijn er de eeuwen door ook mensen die Jezus als Redder en Heer afwijzen. Zelfs als ze ermee opgegroeid zijn. Dat geldt voor het Joden, moslims en kerkverlaters. Dat zijn, als je het vanuit het perspectief van de misschien wel de bekende gelijkenis van Jezus bekijkt, allemaal verloren zonen en verdwaalde schapen.

Persoonlijk vind ik het dan heel riskant om van één groep afdwalers te zeggen dat ze de eeuwen door net als Jezus Zelf vermoord zijn, maar gelukkig ook weer zijn opgestaan. Mijn grootste bezwaar daartegen is, dat met deze bewering de unieke positie van Jezus Christus in gevaar komt. Dan komt er naast ‘de enige Naam op aarde die de mens redding biedt’ (Handelingen 4:12) nog iets anders waarop ze hun vertrouwen stellen. Dat noemt de Heidelbergse Catechismus in Zondag 35 ‘afgoderij’.

Dat risico lopen we als christenen voortdurend. In onze vrijgemaakt-gereformeerde traditie was dat heel lang de ware kerk. Bij andere christenen zou dat wel eens de ware doop op geloof door onderdompeling kunnen zijn. En nu komt hier opeens de ware Israel-visie om de hoek kijken. Als je die niet deelt, marginaliseer je Gods oogappel en laad je een zware schuld op je.

Dat vind ik een oneerlijk verwijt aan al die christenen die in opdracht van Jezus zonder onderscheid over heel de wereld de blijde boodschap verkondigen. We hoeven in 2024 niet allemaal eerst weer in Jeruzalem en Israel en de Joden te beginnen, want die stad, dat land en dat volk hebben na Pinksteren geen streepje meer voor. Heel de wereld moet het weten dat God niet veranderd is en zijn liefde als een lichtstraal doordringt in de duisternis.  

Ik vraag mij sterk af hoe terecht het is wanneer Yachad in haar overigens bijzonder lezenswaardige visiedocument zegt, dat het Joodse volk vandaag de dag, ruim 1950 jaar na de verwoesting van de tempel in het jaar 70 (met een foutieve interpretatie van de opmerking van de CGK-hoogleraar J. van Genderen in de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek: ‘In het N.T. wordt de heilshistorische voorrangspositie van Israël gehandhaafd’) nog steeds heilshistorisch prioriteit heeft onder de volken. Dat was, zeg ik Van Genderen na, in de tijd dat het Nieuwe Testament geschreven werd zo. Vandaar dat Paulus als heidenapostel altijd eerst naar de joden ging. Maar daarmee wijst hij ons in 2024 geen principiële volgorde meer aan. Want, zegt Van Genderen zeer terecht, ‘de onbetwistbare werkelijkheid, dat zij die in Christus geloven, het volk van God zijn en in de voorrechten delen die de God van het verbond aan zijn volk belooft, [en] kan men dat deel van Israël dat op een joods-orthodoxe of op een andere wijze aan Christus voorbijgaat, niet het volk van God noemen.’

Wij zitten nu al eeuwenlang in de derde cirkel (die van ‘tot aan de einden der aarde’). Dat we daarbij Jeruzalem + Judea (de eerste cirkel: het Joodse volk als onze oudste broer) en Samaria (de tweede cirkel: onze moslim-neven en -nichten) niet moeten vergeten, is voor mij evident. Maar als iemand hart voor al die Joden die hun Messias nog steeds niet erkennen, is dat nu, 2000 jaar later, alleen nog maar gebaseerd op persoonlijk hartzeer, net zoals bij Paulus toen. Een ander heeft hart voor China, een derde voor Oostenrijk, een vierde voor vluchtelingen en asielzoekers, een vijfde voor drugsverslaafden en prostituees en een zesde voor moslims die Jezus nog steeds te laag inschalen als één van de profeten onder Mohammed. Geen volk of bevolkingsgroep heeft meer een streepje voor. Heel de wereld moet het goede nieuws van Jezus Christus horen. En de Geest van Pinksteren maakt van elke christen een getuige op de plek waar Jezus je roept.

De joodse familie Leman uit Balkbrug – weggevoerd om nooit meer terug te komen

In Balkbrug wordt de dodenherdenking op 4 mei altijd bij het monument gehouden waar de namen op staan van de negen mannen die op 6 april 1945, op de dag dat de eerste Canadezen arriveerden, nog door de Duitsers zijn geëxecuteerd (lees hier). Elk jaar er in van te voren ook een herdenkingsdienst gehouden met een korte toespraak van de burgemeester of een wethouder van Hardenberg, een even korte overdenking van één van de predikant en een verhaal uit de oorlog – opdat wij niet vergeten.

Dit jaar werd het ooggetuige-verslag van de joodse familie Leman voorgelezen door Linda Assink en Susan Zeeman. Er woonden drie families Leman in Balkbrug, aan de Meppelerweg 11, 44 en 46. Hier volgt het verhaal van één van hen:

Enkele jaren geleden zijn een aantal struikelstenen gelegd op het trottoir aan de Meppelerweg. Ze geven aan dat daar vóór de Tweede wereldoorlog joden hebben gewoond. Zo woonde en werkte Isaac Leman aan de Meppelerweg 9. Het joodse gezin bestond uit Isaac Leman, zijn vrouw Telka en kinderen.

Isaac Leman was in de zomer van 1931 verloofd met de in Winschoten geboren en woonachtige Telka de Jonge. Het huwelijk werd gesloten op 11 februari 1932 in Winschoten. Volgens de huwelijksakte was Telka naaister van beroep en Isaac manufacturier. Ze runden een manufacturenwinkel. De namen en jaartallen van het joodse gezin staan op de struikelstenen te lezen.

Isaac Leman vertelde over die tijd: ‘Net als alle andere Avereester Joden hebben wij in Balkbrug steeds meer last gekregen van de inperkende maatregelen die na de Duitse inval en machtsovername meer en meer werden ingevoerd. In de zomer van 1941 waren onze kinderen Betje en Leo 8 en 6 jaar oud. Na de zomervakantie werden zij uitgesloten van het reguliere onderwijs. Voor Joodse kinderen verboden, heet dat. Er was nog een Joodse school in Zwolle. Maar dat was wel ver weg. Vanaf 3 mei 1942 moesten wij een Jodenster dragen. Net als alle Joden van 6 jaar en ouder. In datzelfde jaar werd ik met alle Joodse mannen in de regio opgeroepen om ons te melden voor tewerkstelling in de Joodse werkkampen. Zo kwam ik in juli 1942, in het werkkamp Conrad bij Rouveen om te gaan werken aan de aanleg van de Afschuttingsweg en de naastgelegen sloot. Zaterdagmorgen 3 oktober werd het werkkamp alweer ontruimd en de mannen, waaronder ikzelf, werden via het station Meppel naar station Hooghalen gebracht om van daar de laatste kilometers naar kamp Westerbork te voet af te leggen. In het kader van de gezinshereniging werden mijn vrouw en kinderen ook opgehaald uit Balkbrug en overgebracht naar kamp Westerbork. Zo kwamen Telka en onze kinderen Betje en Leo ook in het kamp. In kamp Westerbork kwamen we in een chaotische toestand terecht. In een weekend groeide de kamppopulatie van 2.000 naar ruim 15.000 mensen tegelijkertijd. We moesten in ellenlange rijen staan voor de registratie. Het ging dag en nacht door. De barakken waren overvol. Er waren veel te weinig bedden. Er was te weinig voedsel en mensen moesten die nacht doorbrengen onder de blote hemel. Op de eerste maandag, 5 oktober 1942, vertrok een groot transport en in de weken daarna was er een wekelijks ritme van transporten op maandag en vrijdag.”

Isaac Leman schreef een brief: Waarde Vrienden, nog zitten we in Westerbork en wil ik jullie toch nog een brief schrijven daar ik het nu nog doen kan. We zijn allen goed gezond hopende dat bij u alle hetzelfde is. Ik ben werkzaam gekomen in de keuken waar G. Massier zijn zoon chefkok is en daar ik in de keuken ben kan ik hier hoogst waarschijnlijk blijven. Mijn vrouw en kinderen zitten niet zo vast en als die weggaan, ga ik natuurlijk mee. Maar als het enigszins kan willen we hier natuurlijk graag blijven. Mijn vrouw is hier werkzaam als huishoudster en vliegen de dagen ons voorbij. Zie je nog kans om een klein pakje te stuuren met wat boter, een beetje tabak, een pakje waschpoeder, klein stukje vet en een worst. Als het niet gaat moeten jullie het niet doen. Als je dan hebt en je kunt het wel missen, mag je ook wel een paar boterbonnen zenden. Je moet er jezelf niet in bekorten. Hoe gaat het anders op Nw Leusen. Alles nog bij het oude. Nu echte waarde vrienden de beste wenschen en hartelijke groeten en Gods zegen op al uw wegen. Hoe is het met je waarde moeder? Doe de groeten aan alle bekenden, speciaal aan jullie van Isaac Leman, vrouw en kinder. Het adres is T. Leman, barak 48f, Westerbork, Hooghalen.

Isaac Leman hoopte langer te kunnen blijven in Kamp Westerbork, in ieder geval totdat zijn vrouw en kinderen moesten vertrekken. Dat lukte niet. Vier weken na aankomst moest hij op vrijdag 30 oktober 1942 zonder zijn lieve Telka, Betje en Leo op transport richting Auschwitz. Daar moest hij onder dwang werken. Dit is het laatste wat over Isaac Leman bekend is. Hij is nooit meer terug gekomen.

GODS BLIJVENDE TROUW AAN ISRAËL VOLGENS ROMEINEN 11 : 25 – 26

Hieronder volgt een artikel van de oudtestamenticus dr. Henk de Jong (1932-2023), predikant van de GKV Gees, GKV, later NGK Wageningen, NGK Amsterdam-Centrum en NGK Zeist). Het werd in 2009 in de reader van prof. dr. Jochem Douma en ds. Adrian Verbree opgenomen als voorbereiding op de thema-avond over Israel als onderdeel van de cursus ‘Gaan in het spoor van de Bijbel’.

Hier volgt de uitleg van dr. Henk de Jong:

1. Dat de verharding voor slechts een deel over Israël gekomen is, is tot aan het einde van de tijd een blijvende zaak. Er was in Paulus’ dagen al een rest, ‘een overblijfsel naar de verkiezing der genade’, maar dat was voor de tegenwoordige tijd (11 : 5). Hoe zou dat verder gaan? Was niet te verwachten dat bij de overgang van het heil van Israël naar de volken die Joodse rest langzaam zou weg sterven? Nee, zegt nu het aan Paulus geopenbaarde geheimenis, die rest is blijvend. Steeds zal er een contingent christenen zijn van Joodsen bloede. Eerder in het hoofdstuk was al gezegd dat dit mogelijk was (vs. 23), dan dat dit waarschijnlijk was (vs. 24). Maar er moest een aparte openbaring van een geheimenis aan te pas komen om duidelijk te maken dat het werkelijk zo zou gaan. Mogelijkheid – waarschijnlijkheid – werkelijkheid: een zeer bijzondere genade van God voor het volk dat volhardend nee zei tegen de Verlosser.

2. Het binnengaan van de volheid der heidenen is vanaf Pinksteren een wereldbreed en geschiedenislang gebeuren. Jezus zegt: ‘En dit evangelie van het koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken en dan zal het einde gekomen zijn’ (Matt. 24 : 14). Er is dus geen tijd meer tussen het binnengaan van de volken en het einde, geen periode waarin alsdan geheel Israël nog behouden zou kunnen worden, geen nog nieuwer testament. De bedoeling van de tekst Romeinen 11 : 25 is niet dat er een caesuur in de tijd valt aan te wijzen van eerst dat binnengaan van de volken en vervolgens de beëindiging van de verharding en de bekering van Israël. Ook uit het feit dat eiselthij een aoristus is volgt niet dat er in de geschiedenis een punt aan te wijzen is waarop we het een in het ander zien overgaan. De NBV suggereert dat met de vertaling: ‘Slechts een deel van Israël werd onbuigzaam, en dat alleen tot het moment dat alle heidenen zijn toegetreden’. Beter is de St. Vertaling: ‘De verharding is voor een deel over Israël gekomen totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn’. Het gaat hier over een inclusief ‘totdat’. Je kunt de constructie vergelijken met Ex. 33 : 22: ‘Ik zal je met mijn hand bedekken totdat Ik voorbijgegaan zal zijn’, of Matt. 26 : 36 : ‘…blijf hier zitten totdat Ik heengegaan zijnde aldaar aangebeden zal hebben’ (in beide gevallen worden aoristi gebruikt). Ik omschrijf: ‘Ik zal je met mijn hand bedekken voor zolang als Ik voorbij ga’ en ‘…blijf hier zitten terwijl Ik ondertussen daar ga aanbidden’.  En zo ook: ‘Verharding is voor een deel over Israël gekomen voor heel de tijd dat de volheid der heidenen binnengaat’. In deze zinnen valt het einde van de hoofdzin in tijd samen met het einde van de bijzin. Het gaat om twee gelijktijdigheden. En aangezien wat in de bijzin staat (het binnengaan van de volheid der heidenen) de hele geschiedenis na Pinksteren in beslag neemt, zal ook de gedeeltelijke verharding van Israël de gehele tijd door tot aan de jongste dag duren.

3. En daarom is de vertaling van het kai houtoos als ‘en dan’ onmogelijk. Niet dat dit houtoos deze betekenis nooit kan hebben. Maar er is hier geen plaats voor een ‘en dan’. Vandaar hier de meest voor de hand liggende vertaling: ‘en alzo’. Dit ‘en alzo’ slaat hier terug op wat zoëven gezegd was over het samengaan, de hele geschiedenis door, van Joden en heidenen, van de rest van Israël en de geroepenen uit de volken, in de ene kerk van Jezus Christus. Een aardig gebruik van dit ‘en zo’ vind je op het einde van het schipbreuk-verhaal in Handelingen 27: ‘…en zo geschiedde het dat allen behouden aan land kwamen’. En zo – dat wil zeggen: deels zwemmend deels drijvend op wrakhout. Op gelijke wijze in onze tekst: En zo – dat wil zeggen: in de samengesteldheid van enerzijds de joden die hun verharding opgeven en anderzijds de heidenen die het koninkrijk binnengaan zal geheel Israël behouden worden. Dit is ook de reden dat ik voor geheel Israël een geestelijke in plaats van een letterlijke betekenis overweeg; de letterlijke betekenis is hier on-zinnig. [Voor de geestelijke betekenis van ‘geheel Israël’ zie bijvoorbeeld Jesaja 45 : 20 – 25: de ontkomenen uit Israël + alle einden der aarde = het gehele nakroost van Israël.]

4. Ik kan me voorstellen dat wie het kai houtoos met ‘en dan’ vertaalt de kern van het geheimenis gelegen ziet in de woorden: ‘…en dan zal geheel Israël behouden worden’. Dat is dan immers een synthetisch oordeel dat iets nieuws (en wat voor nieuws!) aan het voorgaande toevoegt. Vertalen we evenwel met ‘en zo’ dan hebben we hier te doen met een analytisch oordeel dat een gevolgtrekking maakt uit het eerder gezegde en daaraan eigenlijk weinig toevoegt. Ik meen daarom dat de hoofdzaak van het geheimenis niet in vers 26 maar in vers 25 staat (al maak ik vs 26 er niet los van). En dat het samengestelde profetencitaat uit Jesaja 59 dan ook met name op die hoofdzaak van het geheimenis betrekking heeft: ‘De Verlosser zal uit Sion komen en de goddeloosheden van Jakob afwentelen. En dit is van mijn kant het verbond voor hen wanneer Ik hun zonden wegneem’. Deze tekst heeft het dan over Gods blijvende trouw aan zijn oude volk, zijn oude liefde. Die trouw bestaat hierin dat de grootste weldaad van het verbond (de vergeving der zonden) naar het Joodse volk blijft uitgaan. En omdat hier aan het eeuwige verbond herinnerd wordt geldt dit voor de duur van heel de geschiedenis.

5. Dat het inderdaad om een blijvend naast elkaar van Joden en niet-Joden gaat blijkt ook nog uit de passage van Romeinen 11 : 30 – 32. Eerst gaat het daarin over een na-elkaar van voorop de Joden en daarna de heidenen, en vervolgens wordt dan die volgorde niet omgekeerd: eerst de heidenen en daarna (nog eens) de Joden, maar verrassenderwijs komt na dat na-elkaar nu een naast-elkaar. Als volgt: ‘Want evenals gij eertijds aan God ongehoorzaam waart, maar nu ontferming hebt gevonden door hun ongehoorzaamheid, zo zijn ook deze (de Joden) nu ongehoorzaam geworden, opdat door de u betoonde ontferming ook zij thans ontferming zouden vinden. Want God heeft hen allebei onder de ongehoorzaamheid besloten om zich over hen allebei te ontfermen’. Cruciaal is in vs. 31 het woordje thans. Het is handschriftelijk omstreden en in de NBV ontbreekt het, maar het heeft toch een sterk tekstkritisch getuigenis. Eerst een na-elkaar en dan een naast-elkaar, eigenlijk net zoals in de kunstspreuk van Paulus: ‘Eerst de Jood en ook de Griek’ (Rom. 1 : 16 en 2 : 8 en 9). Niet ‘eerst en dan’, ook niet ‘niet alleen…maar ook’, maar ‘eerst en ook’ – eerst voorrang en vervolgens gelijktijdigheid. Heel apart!

6. Wat het begrip geheimenis betreft, in Efeziërs 3 heeft Paulus het ook over een geheimenis, namelijk ‘dat de heidenen door het evangelie medeërfgenamen, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus zijn’ (Ef. 3 : 6). Het geheimenis waarover Paulus het hier in Romeinen 11 : 25 heeft zou daar de keerzijde van kunnen zijn. Aldus: volgens Efeze: de heidenen ingelijfd in Israël en volgens Romeinen: Israël opgenomen in de blijvende aandacht van God. Het wondere en bijzondere van Gods blijvende genade voor Israël mag ons daarbij niet ontgaan. Want wat had de Heiland gezegd?  Dat het Koninkrijk van God van de Joden weggenomen zou worden en dat het zou gegeven worden aan een volk dat de vruchten daarvan zou opbrengen (Matt. 21 : 43). En had Paulus zelf zich ook niet uitermate scherp over het Joodse volk uitgelaten? De Joden, zegt hij, ‘die zelfs de Here Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd hebben, die Gode niet behagen en tegen alle mensen ingaan, daar zij ons verhinderen tot de heidenen te spreken tot hun behoud, waardoor zij te allen tijde de maat hunner zonden vol maken. De toorn is over hen gekomen tot het einde’ (1 Tess. 2 : 15 en 16). Ik bedoel te zeggen dat het niet vanzelfsprekend is dat Gods genadevolle aandacht geschiedenis-lang en wereld-wijd naar hen blijft uitgaan. Dat mag best een geheimenis heten. Aan onszelf denkend en aan Paulus’ waarschuwing ‘wees niet hooggevoelende maar vrees’, horen wij het bevend aan…

7. Hoewel het op grond van de onder het vorige punt aangehaalde teksten (Matt. 21 : 43 en 1 Tess. 2 : 15 en 16) voor de hand zou liggen om van een vervangingstheologie te spreken, laat Romeinen 11 zien dat dit toch onjuist gedacht en gesproken is. Het ligt genuanceerder. Het staat vast dat het volk van Israël niet langer het centrum uitmaakt van Gods kerk. Door zijn verhard ongeloof heeft het die plaats verloren. Christus staat nu in het centrum. Maar daarmee is over het Joodse volk toch niet alles gezegd. Het woord ‘vervanging’ zou dat ten onrechte suggereren en is daarom beter te vermijden. ‘Accentverlegging’ is beter. ‘God zal zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig zijn verbond (met Israël) gedenken’, en: ‘De genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk’ (Rom. 11 : 29). En dat komt hierin tot uitdrukking dat de hele geschiedenis door er Joden zullen zijn die de weg naar Jezus Christus zullen vinden. Dat is wat hier van Godswege gegarandeerd wordt. Om recht te doen aan zowel 1 Tessalonicenzen 2 : 16 als aan Romeinen 11 : 25 zou het profetische gebed van Habakuk dienst kunnen doen: ‘Gedenk in de toorn aan ontfermen’. De toorn over het Joodse volk is een realiteit, maar daardoorheen loopt de draad van de goddelijke ontferming. Ziedaar ‘Gods trouw aan Israël, nooit gekrenkt’. 8. Af en toe probeer ik wat ons in een Schriftgedeelte als Romeinen 9 – 11 beschreven staat te veralgemeniseren, in die zin dat ik er een model uit aflees dat zich van tijd tot tijd de hele geschiedenis door in het ene volk van God realiseert. Wissels, accentverleggingen – hoe moet ik het noemen. Reeds in het Oude Testament kom je het tegen dat Efraïm, de leidende stam tot aan het einde van de tijd van de rechters, door zijn hoogmoed uit het centrum van het godsvolk verdwijnt en dat die plaats wordt ingenomen door Juda (Psalm 78 : 65 – 72) . Later, in de nieuwtestamentische tijd, zie je hetzelfde gebeuren tussen het volk Israël en de volken: Israël verdwijnt uit het centrum en het accent komt te liggen op de volken (Matt. 21 : 43). En in onze dagen maken wij het mee dat Europa op fanatieke wijze ontchristelijkt en dat de kerk Afrikaans, Aziatisch en Zuid-Amerikaans wordt. Dat zijn gevoelige verspringingen. Maar steeds zijn die overgangen niet totaal, telkens is er van het oude een rest die in het nieuwe wordt opgenomen, precies als wat Paulus opmerkt over wat in zijn dagen tussen de Joodse gemeente en die uit de heidenen plaats vindt. Sje’aar jasjoev, lees je bij Jesaja, ‘rest keert om’ (Jes. 7 : 3; 10 : 21) – het is een doorgaand gebeuren. Dat geeft aan Romeinen 9 – 11 een reële actualiteit. Laat ik zeggen dat ook ik net als Paulus mijn verwanten naar het vlees heb over wie ik een gedurige smart voel: al die gedoopte Europeanen die behoren tot de kring van het verbond maar die het bloed van dat verbond waardoor zij geheiligd waren onheilig achten en zelfs vertrappen (Hebr. 10 : 29). Het verdriet daarover staat mij nader dan dat over het ongeloof van de Joden uit Paulus’ dagen.

Foto: https://onderwegnaar1kerk.nl

Douma over Openbaring 20, Romeinen 11, het Oude Testament en Israel nu

In 2009 gaven de Kamper hoogleraar ethiek Jochem Douma (1933-2020) en de bijbelleraar en columnist Adrian Verbree, nu predikant van NGK-0523, een aantal lezingen over Bijbelse onderwerpen. Eén avond ging over het onderwerp ‘Hoe staan wij als christenen tegenover Israël?’ Prof. Douma hield twee referaten, over ‘Israel en het duizendjarig rijk’ en over ‘Israel en onze toekomst’. N.a.v. hiervan kwamen er veel vragen binnen die allemaal beantwoord zijn en met de tekst van de lezingen naderhand aan de bezoekers zijn toegestuurd. Hier volgen deze vragen en antwoorden, met medeweten en instemming van ds. Verbree. In de beantwoording verwijst Douma regelmatig naar zijn toen net verschenen boek, waarvan hij zelf een samenvatting geeft: ‘Christenen voor Israël?’.

Vragen i.v.m. Openbaring 20

Men heeft mij gevraagd, zowel tijdens de discussie op de avonden alsook daarna, wat ik nu zelf van Openb. 20 vind. Laat ik beginnen met de opmerking dat ik met alle drie opvattingen over Openb. 20 moeite heb. Niemand kan ons dwingen perse één ervan de kiezen.

Wanneer het amillennialisme (Augustinus e.a.) de duizend jaar opvat als de periode in de kerkgeschiedenis tussen de hemelvaart en Christus’ wederkomst, vraag ik mij af of men dan de totale binding van de satan (Openb. 20,1-3) serieus neemt. Satan wordt in de diepte gegooid en de put boven hem wordt gesloten en verzegeld, opdat de volken niet meer door hem misleid zouden worden. Maar hoe kan de zó weggeborgen satan dan tijdens de kerkgeschiedenis nog als een brullende leeuw (1 Petr. 5,8) rondgaan?!

Het postmillennialisme gelooft in een ‘gouden eeuw’ aan het einde van onze geschiedenis en het kan lijken dat het postmillennialisme die eeuw laat samenvallen met het duizendjarig rijk. Maar dat is vaak onduidelijk bij verdedigers van dit standpunt. Waar vinden we echter in het Nieuwe Testament de aankondiging van een geweldige bekering van heidenen en Joden, die de aarde vol zal maken van de grootheid van de Heer? Waar krijgen we de indruk dat Jezus bij zijn terugkomst ontvangen wordt door een wereld die Hem alle hulde komt brengen, omdat men zich tot Hem bekeerd heeft? Ik krijg uit allerlei teksten juist de indruk dat Jezus juist weinig geloof op aarde zal vinden, dat er veel afval van het geloof zal zijn en dat Hij juist komt om zijn vijanden uit te schakelen (o.a. Luc. 18,8; 1 Tim. 5,3vv; 2 Tess. 2,8vv; 1 Tim.4,1vv). Nergens lees ik dat het met de verkondiging crescendo gaat aan het einde van de tijden.

Het premillennialisme neemt de duizend jaar in Openb. 20 letterlijk en ziet er het vrederijk in zoals het Oude Testament daarover heeft gesproken. Maar ik herhaal wat ik al gezegd en geschreven heb:

a) Het gaat in Openb. 20 over de zielen van hen die gedood zijn en met Christus regeren. We hebben niet te maken met mensen die nog op aarde leven, maar die reeds gestorven waren. Het zijn martelaren van de kerk, over wie reeds eerder in Openb. 2,11; 3,11.21; 6,9 gesproken is.

b) Hier bevinden we ons in de hemel waar de troon van Christus is en waar zij die vanwege hun geloof zijn omgebracht met Christus regeren (vgl. Openb. 20,4v met 3,21). Ik vermeld opnieuw de teksten die duidelijk maken dat tronen in het boek Openbaring in de hemel staan (1,4; 3,21; 4,2vv 5,1vv; 6,16, etc.). De regerende martelaren zijn tegelijk priesters in de tempel, die we in de hemel aantreffen (Openb. 7,15; 11,19; 14,15.17; 15,5vv; 16,17).

c) Het belangrijkste argument dat ik tegen de premillennialistische opvatting heb, is hun tekening van het duizendjarig rijk als een specifiek Joodse aangelegenheid, waarbij Christus als Messias in en vanuit Jeruzalem over de aarde regeert. Deze opvatting waarin Israël en de kerk tot twee aparte grootheden en twee aparte volken worden, verwerp ik met overtuiging. Ik heb er geen moeite mee wanneer men in Openb. 7,4vv de 144.000 uit de stammen van Israël als Joden wil onderscheiden van de onafzienbare menigte uit alle landen en volken etc. Maar nergens blijkt uit het boek Openbaring dat aan het volk van de Joden nog een eigen stuk geschiedenis ten deel zal vallen nadat (volgens het premillennialisme) de kerk uit de wereld is weggenomen. Ik verwijs naar mijn CvI, pag. 108vv.

Nadat ik dit allemaal heb gezegd, komt de andere vraag aan de orde hoe ik dan zelf de passage Openb. 20:1-6 plaats in het geheel van het boek Openbaring. Ik kan hier alleen maar aarzelend spreken. Wat ik weet, durf ik te zeggen; voor wat ik niet (precies) weet, kom ik graag openlijk uit. Dat doet echter niets af aan mijn overtuiging dat van een duizendjarig Joods rijk, met hun Messias als vorst in Jeruzalem, nergens met één woord sprake is. Ook niet in Openb. 20, 9 als daar sprake is van het ‘kamp van de heiligen en van de geliefde stad’. Want dan gaat het  niet meer over het duizendjarig rijk dat immers al voorbij is (Openb. 20,7). De ‘geliefde stad’ is geen zetel van Christus’ heerschappij, maar een beeld van de gemeente van Christus en de heiligen, gesymboliseerd als Jeruzalem, dat te lijden heeft onder de laatste satanische aanval van de volken tegen de gemeente van Christus.

Het feit echter dat de ‘zielen’ in Openb. 20,4 tot leven zijn gekomen, zonder dat de andere doden tot leven kwamen, en ook de opmerking dat dit een ‘eerste opstanding’ wordt genoemd, lijken mij erop te wijzen dat we aan een lichamelijke opstanding moeten denken. Het gaat maar niet zonder meer om martelaren in de hemel als ‘zielen’ (onder het altaar bv.), maar om opgestane ‘zielen’ die met Christus op tronen zitten. Over de algemene opstanding gaat het pas in Openb. 20,11vv.

Iemand is nog geen premillennialist als hij over een duizendjarig rijk spreekt waarin lichamelijk opgestane martelaren het voorrecht hebben met Christus te regeren. Het gaat niet over een apart aards rijk voor de Joden, maar om een hemels rijk waarin Christus met de martelaren van het laatste uur regeert. Ik zeg in CvI (pag. 120) dat martelaren kunnen worden opgewekt en ten hemel varen, zoals Openb. 11, 11v laat zien.

Daarmee staan nog niet alle gelovigen op. Dat komt pas in Openb. 20,7vv. Van de martelaren die opstaan wordt gezegd, dat zij het beest en zijn beeld niet hebben aanbeden (Openb. 20,4). Het is daarom een bepaalde categorie van martelaren uit de allerlaatste fase van de geschiedenis, ook al zouden we er de vertegenwoordigers van de hele kerk in kunnen zien. Ik veronderstel dat de ‘duizend jaren’ een periode zijn die we op de grens van de geschiedenis moeten plaatsen. Zij omvat niet op augustiniaanse wijze de hele kerkgeschiedenis.

N.B. Als ik in CvI, pag. 130 schrijf dat de duizend jaren op de grens van de geschiedenis kunnen vallen ‘en daarom eigenlijk niet meer te plaatsen zijn in de geschiedenis’, bedoel ik niet meer te zeggen dan dat ik het duizendjarig rijk niet à la Augustinus ergens terugvindt in onze kerkgeschiedenis. We zijn aan het einde van die geschiedenis gekomen, waarin de afrekening plaatsvindt (Openb. 19,11vv; 20v7vv) en de martelaren van het laatste uur hun recht (vs. 4) in ontvangst nemen om met Christus in de hemel ‘duizend jaar’ te regeren.

Ik besef dat het moeilijk is van de ‘duizend jaren’ een overtuigende uitleg te geven. Andere uitleggingen zijn mij sympathiek zonder mij te overtuigen Zo vraagt iemand mij:

Vraag: “Kunnen we de 1000 jaar niet opvatten als een samenvattende benaming van alle stukjes rust voor de kerk om haar werk te doen, de windstiltes. De windstoten, de stukjes kerkvervolging kunnen dan de samenvattende naam ‘de grote verdrukking’ krijgen.” De vraagsteller verwijst naar de uitleg van prof. De Vuyst.

Mijn antwoord: Het zou mooi zijn als het zo was. Maar waarom wordt er dan een volgorde in Openb. 19 en 20 aangegeven: eerst uitschakeling van het beest en de valse profeet – daarna binding van de satan – dan een periode van rust (geen verleiding door satan) – daarna weer loslating van de satan die opnieuw de volken probeert te misleiden, uitlopend op zijn definitieve uitschakeling? Zijn de duizend jaren toch niet een afsluiting in plaats van een samenvatting van alle stukjes rust voor de kerk?!

Een soortgelijk antwoord geef ik op een andere vraag: “Wat betekent het feit dat voor God duizend jaren één dag zijn voor de in Openbaring 20 genoemde duizend jaren?”

Ik geloof dat het getal van ‘duizend jaar’ best symbolisch mag worden opgevat als een ‘volmaakte’ afronding van 10x10x10, en daarom niet precies duizend jaren hoeft te duren. Maar wat ik op de vorige vraag geantwoord heb, geldt ook hier. De duizend jaren staan in een contekst van eerst dit, toen dat en daarna weer wat anders. Daarom zullen we toch wel aan een periode en niet aan een flits van één dag moeten denken, hoe waar het ook is dat bij God duizend jaren als een dag zijn.

Vragen i.v.m. Romeinen 11

Vraag: “Is het juist, zo wordt gevraagd om in de edele olijfboom (vs. 17vv) een beeld van Israël te zien? Kunnen we bij de boom ook niet aan Christus denken?”

Mijn antwoord: Ik zou niet weten waarom men tegen de identificatie met ‘Israël’ bezwaar kan hebben. Het gaat toch over de boom waarin Joden thuishoren en heidenen een plaats mogen ontvangen, mits ze goed beseffen dat ze er ‘van nature’ (11,24) niet in thuis horen? Heidenen komen nl. van wilde olijfbomen! Het is erg geforceerd om bij de boom aan Christus te denken. Dan valt moeilijk uit te leggen waarom de Joden daaraan van nature deel hadden en zullen hebben. Deel aan Christus hebben Jood en heiden alleen door in Hem te geloven. Deel uitmaken van een volk dat grote voorrechten ontvangen heeft en dat ‘geliefd’ is omdat God de aartsvaders had uitgekozen (11,28), slaat alleen op de Joden.

Vraag: “Moeten we uit het ‘geheim’ van 11,25 vv concluderen tot een nog te verwachten grote bekering onder de Joden?”

Mijn antwoord: Ik verwijs naar mijn uiteenzetting in CvI (pag. 127-130). Mijn conclusie is dat het aannemen van een grote bekering heel aantrekkelijk is, maar niet waterdicht is. Ik zelf voel me niet overtuigd door de argumenten voor zo’n massale bekering. Tegelijk hoeven de wegen van christenen hier niet uiteen te gaan. Een bekering op grond van Rom. 11 is ook nog wat anders dan uitgaan van de vorming van de staat Israël als een bewijs voor de bewering dat God vanaf 1948 onderweg is naar een grote bekering van zijn volk. In al die discussies is verschil van mening mogelijk. Maar zodra men de bekering van het huidige Israël zo belangrijk niet vindt en er eigenlijk twee heilswegen zijn – een voor ons en een voor Israël – staat het sein voor mij heel duidelijk op rood.

Vraag: Iemand vraagt mij of ik alleen al de verwijzing naar Rom. 9-11 duidelijk vind voor het constateren dat Israël een bijzondere positie inneemt.

Antwoord: ja, als maar bedacht wordt dat deze bijzondere positie nooit een aparte positie is los van de geschiedenis van de kerk. Het heil is verbreed tot allen die Jezus Christus als Heer belijden. Profetieën uit het Oude Testament zijn of worden vervuld binnen de verbrede bedding van het nieuwe verbond.

Vragen i.v.m. oudtestamentische profetieën

Een hele serie vragen zijn mij gesteld naar aanleiding van oudtestamentische profetieën, die niet zouden zijn vervuld en daarom nog op vervulling wachten. De manier waarop de vragenstellers redeneren, is eigenlijk heel eenvoudig. Ik kan dat toelichten aan de hand van één voorbeeld.

Vraag: “Komt er geen vrederijk op aarde?” Het antwoord dat men geeft, lijkt zo klaar als een klontje. Lezen we niet (Jes. 65,10) dat de mensen minstens honderd jaar oud zullen worden; dat er sprake is van vrede tussen mensen en dieren (Jes. 11,6v; 65,25); dat er een nieuwe tempel komt waar nog offers worden gebracht; dat er nog zonde is en God nog in een tempel woont (Zach. 14,17; 6,12vv; 40vv)? Enzovoorts. Dit gaat duidelijk niet over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarin immers de mensen ouder dan honderd jaar worden (eeuwig leven), waar geen zonde en geen tempel meer is, etc. Conclusie: wat in Jesaja en Zacharia staat moet nog vervuld worden!

Mijn antwoord:

a) Op deze manier kan ook ik tientallen bladzijden vullen met teksten die nog niet vervuld zijn. Dat kost niet de minste moeite.

b) Gaan we zo te werk, dan botsen bedrijvers van dit soort Bijbeluitleg herhaalde malen op onoverkomelijke moeiten. Ik geef twee voorbeelden uit Ez. 40vv. Daar wordt over een nieuwe tempel gesproken die volgens de vraagstellers nog steeds gebouwd moet worden. God zal in die tempel, zo lees ik bij hen, langdurig, d.w.z. duizend jaar wonen. Zij menen dus dat het de tempel in het duizendjarig rijk zal zijn. Maar over duizend jaar spreekt de profeet Ezechiël nergens! Wat nog belangrijker is, Ezechiël spreekt ook niet over ‘langdurig’, maar over ‘eeuwig’! De vraagstellers kapittelen mij dat ik aan het woord ‘eeuwig’ vaak te kort doe.  ‘Eeuwig’ is ‘eeuwig’ zeggen zij. Maar als zij dat menen, moeten ze in Ez. 43,7 niet vertalen met ‘langdurig’ (1000 jaar), maar met ‘eeuwig’, omdat er ‘eeuwig’ in die tekst staat. Uiteraard kunnen ze dat niet aanvaarden, want ‘eeuwig’ is alleen immers de nieuwe hemel en de nieuwe aarde en niet het wonen van God in de (volgens hen) nog te bouwen tempel! Zij beweren immers dat het vrederijk vóór het aanbreken van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde moet vallen. Welnu, dan moeten die profetieën eerst nog vervuld worden.

Hoe moeilijk men het zich maakt, merk je ook uit een tweede voorbeeld. Dan gaat het over de vorst in Ez. 45, die offert in de tempel. Die vorst is volgens hen de Messias. Dat ligt in hun redenering voor de hand, want het gaat over het vrederijk (duizendjarig rijk) waarin de Messias vorst is. Maar… van die vorst wordt in Ezechiël gezegd dat hij zondoffers brengt voor zichzelf en voor het volk (Ez. 45,22). Dat kan toch niet van de Messias gezegd worden. En dus maken de vraagstellers ervan, dat de vorst namens zichzelf en namens het volk zorgt voor een stier als zondoffer. Hij stelt alleen maar offergaven beschikbaar en offert niet voor zichzelf! Voor zo’n exegese die met het Hebreeuws niets te maken heeft, zal geen serieuze exegeet zijn hand in het vuur steken. We lezen verder over zoons van deze vorst (Ez. 46,16.18). Maar de Messias heeft geen zoons en daarom moeten we volgens de vraagstellers geloven dat het woord ‘zoons’ hier niet letterlijk te nemen is, maar op mensen wijst met wie de vorst nauw verbonden is. Het zal volgens hen wel op de priesters wijzen. Ik zou mijn vraagstellers willen aanraden toch niet achter dergelijke onzin aan te gaan die ze ergens gelezen moeten hebben. Zij dringen erbij ons op aan alles toch vooral letterlijk te nemen. En intussen is het met de handen te tasten dat ze dit zelf niet doen als hun ideeën over het duizendjarig rijk en over de Messias dat niet toelaten!

c) Wie zo het Oude Testament leest als deze vraagstellers het doen, gaat aan een grondregel voor de goede uitleg van het Oude Testament voorbij. Het Oude Testament moeten we lezen in het licht van het Nieuwe. We kunnen niet doen alsof Christus nog niet gekomen is en alsof wij over allerlei oudtestamentische beloften zonder het door Jezus Christus verrichte werk kunnen nadenken. Dat gebeurt wel in het schema van het premillennialisme. Immers de kerk is daar een intermezzo en na het intermezzo van de kerk rijdt de trein als Joodse trein gewoon verder. En dan krijgen we dus weer te maken met het land Israël, met het aardse Jeruzalem en met een heuse tempel van steen, Het Nieuwe Testament maakt ons echter duidelijk dat, als we Golgota achter ons hebben, er geen te bouwen tempel meer voor ons is. Dat laat de Brief aan de Hebreeën goed zien. De Bijbel lezen en de Messias verwachten zoals de rabbijnen dat doen, is een streep halen door wat Paulus over de Joodse lezing van het Oude Testament in 2 Cor. 3,15: ‘Tot op de dag van vandaag ligt er een sluier over hun hart telkens als de wet van Mozes wordt voorgelezen. Maar telkens als iemand zich tot de Heer (Jezus) wendt, wordt de sluier weggenomen’.

Daarom vind ik het ook misplaatst wanneer vraagstellers opmerken:

Vraag: “Als God moeite doet om Ezechiël acht (!) hoofdstukken te laten schrijven over een tempel en de verdeling van het land, dan kunnen we daar helemaal NIETS mee, als we dat proberen te vergeestelijken, symbolisch uit te leggen of van toepassing proberen te verklaren op de kerk.”

Mijn antwoord: Op die manier kan ik als christen ook niets met alle offerbepalingen uit de Mozaïsche wetten, als ik daarin niet op Christus let en het mij niet lukt door het oudtestamentisch gewaad heen te kijken naar wat Hij tot verzoening van onze zonden heeft gedaan. Ik moet te werk gaan zoals ook de Brief aan de Hebreeën dat over de oudtestamentische eredienst heeft gedaan. De tempel van Ezechiël is voor ons een lesbrief en geen schets om alsnog in Jeruzalem zo’n tempel te bouwen.

Het valt mij trouwens op dat de vraagstellers zich wel erg druk maken over de nieuwe tempel, maar niet over de verdeling van het land Israël, dat volgens de tekening van Ezechiël in repen (van west naar oost) verdeeld moet worden over de twaalf stammen: 7 stammen ten noorden en 5 stammen ten zuiden van het centrale heilige gedeelte voor de stam van Levi, die rond het heiligdom woont. Menen zij nu werkelijk dat het hier over het duizendjarig rijk gaat, onder leiding van de Messias die als ‘koning’ in het boek Ezechiël niet eens in Jeruzalem blijkt te wonen? Ik heb met vreugde over dit Bijbelgedeelte gepreekt, maar zou de preekstoel niet op durven als men mij gebood de dingen hier ‘letterlijk’ te nemen. De les die desondanks én voor het oude Israël én voor het nieuwe Israël uit dit Bijbelgedeelte gepuurd kon (kan) worden is vertroostend en waarschuwend genoeg. Wie wil weten wat ik erover gezegd heb, verwijs ik naar mijn boekje Ezechiël en Daniël (2006).

d) In het verlengde hiervan merk ik het volgende op: Lezen we het Oude Testament alsof de onvervulde beloften zo zullen worden vervuld als daar beschreven staat, dan vergeten we dat we ons blindstaren op een oudtestamentische wereld en op oudtestamentische beelden. We lezen van ballingen die zullen worden teruggebracht uit Assyrië en Egypte, uit Patros, Nubië en Elam, uit Sinear en Hamat (Jes. 11). Volken worden genoemd die er niet meer zijn, of in andere volken zijn opgegaan. De oudtestamentische wereld van de Filistijnen tot de Babyloniërs toe, is verdwenen en zal ook niet terugkeren. Oudtestamentisch wordt uitgebeeld hoe men pas als honderdjarige sterft, nieuwtestamentisch zeggen we vandaag dat in het vrederijk (nieuwe hemel en nieuwe aarde) de dood volledig vernietigd is. In Christus keren alle oudtestamentische beloften rijker terug. Het gaat niet meer over Israël, maar over de wereld. De blik is niet op een aards koninkrijk, maar op het rijk van Jezus Christus in de hemel gericht. Zoek de dingen die boven zijn, zoals de aartsvaders al naar een beter, dat is het hemels, vaderland uitkeken (Hebr. 11,15). De beloften vanaf Abraham zijn gebleven, maar hun vervulling ontvangt in en door Christus een rijker perspectief dan het Oude Testament ons kon laten zien.

e) Met vrijmoedigheid wijs ik opnieuw naar CvI, en nu naar heel hoofdstuk 5, waarin ik over (de vervulling van) oudtestamentische profetieën geschreven heb. Ik dring erop aan de hele Bijbel christelijk te lezen en niet in gezichtsvernauwing te vervallen door te doen alsof we de oudtestamentische profetieën kunnen lezen zonder erop te letten hoe zij in Christus vervuld zijn of nog vervuld zullen worden.

Vragen i.v.m. de politieke consequenties

Hoezeer de politieke visie samenhangt met onze godsdienstige visie, blijkt ook uit  opmerkingen die sommige vraagstellers mij deden toekomen.

Vraag: Ik las bv.: “Is er ook maar één tekst in de Bijbel te vinden die duidelijk maakt, dat Joden en Palestijnen zich dienen te verzoenen? Nee, de Bijbel leert juist het tegendeel!” Voor het bewijs van deze bewering lees ik dan: “De Palestijnen maken duidelijk, dat de strijd tegen Israël een godsdienststrijd is die nooit in een verzoening en vrede met Israël kan uitlopen. Elk bestand is slechts een tijdelijk bestand waarin de Palestijnen zich willen hergroeperen om daarna opnieuw aan te vallen. Dat is in hun godsdienst zo geregeld. Mogen de Joden dan ook volgens hun heilig boek leven? Welk voorbeeld geeft het heilig boek van de Joden? Leert de Bijbel dat de Joden en de Palestijnen in vrede met elkaar moeten leven? Beslist niet. De Bijbel leert, dat God in de eindtijd Filistijnen hard zal treffen – God Zelf zal dit doen door middel van het Joodse volk.”

Mijn antwoord: Ik ben eerlijk gezegd diep verbaasd over het oordeel dat christenen hier durven vellen. Allereerst is het erg goedkoop zomaar een gelijkteken te zetten tussen Filistijnen en Palestijnen. God zal in de eindtijd de goddelozen treffen, maar die vindt men onder alle volken, inclusief in Nederland. Verder is het uit de Bijbel duidelijk dat wij onze naasten – ook onze vijanden – zullen liefhebben als onszelf. Daarom kunnen er volgens Ps. 87 ook Filistijnen, Tyriërs en Moren binnen Jeruzalem worden geboren. Dit betekent o.m. dat wij ook aan Palestijnen het evangelie van Jezus Christus mogen en moeten voorhouden. Het zal ieder die mij beluisterd heeft op de cursusavond wel duidelijk zijn dat niet alleen Palestijnen, maar ook Joden dit evangelie nodig hebben.  De onverzoenlijkheid die ik bij Islamieten merk tegenover het christelijk geloof, merk ik idem dito bij de Joden. Christenen die zich zo inspannen om geld in te zamelen waarmee Joden vanuit de hele wereld naar het land Israël kunnen terugkeren, moeten bedenken dat Messiasbelijdende christenen op grond van de Joodse wet niet welkom zijn. Wie christen is, hoort dus eigenlijk in Israël niet thuis. Dit apartheidsbeleid steun ik niet, omdat ik mijn Heiland niet wil beledigen.

Het is op de cursusavond wel uitgekomen dat ik geen protest laat horen tegen Israël dat zich tegen Hamas-raketten verdedigt. Maar ik protesteer wel als een christelijke partij zich zou laten leiden door wat ik hierboven lees over het afrekenen met de Palestijnen als Filistijnen. En daarom ben ik op mijn hoede als ik in het partijprogram van de ChristenUnie lees dat Jeruzalem de ondeelbare hoofdstad van de staat Israel behoort te zijn. Mijn verbondenheid aan het evangelie belet mij eenvoudig mij aan apartheidsdenken over te geven. 

Vragen speciaal gericht op uitspraken in mijn boek ‘Christenen voor Israël?’

Vraag: Op een mij toegezonden kaartje las ik twee dingen: “1) we hechten meer waarde aan een bijbelse onderbouwing dan aan een theologische; 2) voor ons is eeuwig eeuwig.”

Mijn antwoord: 1) Voor mij is er geen goede theologische onderbouwing zonder de Bijbel te laten spreken. Wel zijn er schijnbaar ‘eenvoudige’ bijbelse onderbouwingen waaruit net zo goed een theologie spreekt als uit mijn theologie die men bestrijdt. Heel mijn boekje wil daarvan getuigenis afleggen. Ik herhaal wat ik gezegd heb en wat uit mijn bestudering van veel vragen die ik kreeg, mij ook dubbel en dwars gebleken is: ook gereformeerde mensen kunnen doen alsof ze mij ‘eenvoudig’ de Schrift voorhouden, maar ze hebben daarbij wel een bepaalde Israël-theologie als bril op. M.i. vaak met heel goede bedoelingen en zonder het zelf door te hebben.

2) Eeuwig is eeuwig, ja zeker. Maar niet elk ‘eeuwig’ (als vertaling van het Hebreeuwse woord ōlām in de Bijbel) duurt even lang. Het verschil ziet natuurlijk iedereen als hij vergelijkt wat onderdanen in de Bijbel hun koning kunnen toewensen (o koning, leef in eeuwigheid) en wat over Gods eeuwigheid gezegd wordt.  Wie het zo eenvoudig wil houden als mijn kaartschrijver, moet dan ook geloven dat de sabbat er eeuwig zal zijn (Ex. 31,17 e.a.p.) en dat wij ten onrecht de zondag als zodanig vieren. De besnijdenis (Gen. 17,13), het bezit van het land Kanaän (Gen. 18,7; Ex. 32,13), het branden van de lamp in de tabernakel (Ex. 27, 21) en andere rituele zaken worden ook ‘eeuwigdurend’ genoemd. En in de tempel van Salomo wil God ook eeuwig wonen (1 Kon. 8,13). Moeder Hanna staat haar zoon Samuël aan de tabernakel af om daar ‘voor eeuwig’ voor het aangezicht des Heren te blijven (1 Sam. 1,22).

Ik kan dus handhaven wat ik CvI, pag. 55v over ‘eeuwig’ geschreven heb. Wel is het zo dat we iets ‘eeuwig’ kunnen noemen ook al ondergaat het aanzienlijke veranderingen. Met name denk ik aan het verbond dat God met Abraham sloot. Dat verbond zal eeuwig duren, maar het kan van een ‘oud’ ook een ‘nieuw’ verbond worden. Besnijdenis als teken is niet eeuwig, maar God bevestigt later met de doop zijn ’eeuwig’ verbond. De tempel is Gods ‘eeuwige’ woning, maar daarom woont Hij nog niet eeuwig in Salomo’s tempel, etc.

Vraag: “Waarom geen opname van de gemeente?” Noach en Lot worden aangehaald in Luc. 17, twee mensen die beiden in veiligheid zijn gebracht. Waarom, zo luidt de vraag, moeten wij als kerk, als gelovigen de ‘grote verdrukking’ nog ondergaan? Waarom moeten wij nog gestraft worden? Het offer van de Here Jezus is toch genoeg? Moeten wij nog gestraft worden voor onze zonden?

Mijn antwoord: Zie CvI (78vv). Wie verdrukkingen ondergaat, wordt daarom nog niet gestraft voor zijn zonden, alsof het offer van Christus niet genoegzaam zou zijn. Maar Job en vele andere gelovigen in het Oude en Nieuwe Testament hebben geleden, beproefd als zij werden in hun vertrouwen op God en hun Heiland. Lees bv. Hebr. 11! God straft elke zoon van wie Hij houdt (Hebr. 12,4). Hoe kan men dan beweren dat gelovigen niet meer verdrukt worden omdat Christus alles voor hen geleden heeft?  Hoe moeten we dan denken over ernstige christenvervolgingen in tweeduizend jaar kerkgeschiedenis? Een dienaar is niet meer dan zijn meester, heeft onze Heiland ons voorgehouden. Wij zullen beproefd worden in ons geloof, al zal die beproeving onze kracht niet te boven gaan en zal de lijdenstijd soms ook verkort moeten worden (Matt. 24,22). Wie Matt. 24,22 combineert met Luc. 17,32 ziet dat er van verkorten van de verdrukking, maar niet van wegnemen uit de verdrukking sprake is.

Overige vragen

Vraag: “Mogen we over het (huidige) Israël niet spreken als over Gods oogappel?”

Antwoord: Wie de Joden ‘geliefden om der vaderen wil’ (NBG) wil noemen, of mensen die God blijft liefhebben omdat Hij de aartsvaders heeft uitgekozen’ (NBV), doet daar m.i. goed aan. Anders wordt het wanneer men elke beperking (‘met het oog op de aartsvaders’ of iets dergelijks) weglaat en het huidige Israël gewoonweg Gods oogappel noemt. Waarbij het vaak lijkt dat wel Israël, maar niet de kerk Gods oogappel is. Het lijkt dan alsof het er weinig toe doet dat de Joden vijandig staan tegenover Jezus Christus en dat iemand als Paulus zich inspande om sommigen van hen te redden. Eens Gods oogappel betekent nog niet altijd Gods oogappel, evenmin als ‘eens zijn volk’ betekent ‘altijd zijn volk’. Zoals Israël ook ‘niet-mijn- volk kon worden, zo kan het ook niet-Gods-oogappel worden. Wie de Joden Gods oogappel noemt en tegelijk zich gedreven voelt de bekering van de Joden een noodzaak te vinden, kan ik volgen als hij/zij de Joden zo kwalificeert. Wie over Gods oogappel spreekt en het tegelijk helemaal niet nodig vindt dat het evangelie onder hen gebracht wordt (‘dat zal God t.z.t. wel doen’), kan ik niet volgen.

Vraag: “Hoe rijmt het dat Jezus’ wederkomst zal zijn als die van een dief in de nacht (Matt. 24,43; 1 Tess. 5,2; 2 Petr. 3,10; Openb. 3,13; 16,5), terwijl u de mogelijkheid openhoudt dat er nog een grote bekering van de Joden zal komen?”

Antwoord: Wanneer een gebeurtenis komt als een dief in de nacht, betekent dat nog niet dat die gebeurtenis volkomen onverwacht moet heten. Jezus zegt juist dat wij daarom op onze hoede moeten zijn. Als wij geweten hadden wanneer de dief zou komen, hadden wij maatregelen genomen. Wij kunnen het onszelf vaak verwijten dat wij niet beter opgelet hebben. De komst van Christus zal volkomen onverwacht zijn voor allen die niet waakzaam zijn. Vergelijk vooral ook 1 Tess. 5,2 en 4. In dat laatste vers wordt duidelijk dat de dag van de Heer ons juist niet zal overvallen als een dief. Wij lopen niet in het duister maar in het licht, zegt Paulus. Voor wie de ‘tekenen van de tijd’ onderscheidt (Matt. 16,3), is de wederkomst van Christus geen donderslag bij heldere hemel.  Het lijkt mij ook legitiem om na te denken over een eventuele nog te verwachten grote bekering van de Joden, zonder dat nadenken af te snijden met een beroep op Christus’ komst als een dief in de nacht.

Vraag: “De verschrikkelijke gebeurtenis van de Holocaust is voor mij een groot mysterie en veel christenen hebben naar aanleiding van de Holocaust hun geloof verloren. De belangrijkste vraag daarbij was en is: Waar was God? Als Israël Gods oogappel is, waar was toen God toen de Joden door de nazi’s werden uitgeroeid? Hoe rijmt men zijn standpunten met dit gebeuren en waar plaatst men dit in de tijdbalk?”

Antwoord: Wij kunnen hier alleen maar met grote behoedzaamheid spreken. Wie zou zeggen dat de Joden de holocaust aan zichzelf te wijten hebben, zoals vroeger heel vaak beweerd werd (‘zijn bloed kome over ons en over onze kinderen’), moet zich dan ook afvragen of de massamoord onder de Armeense christen door de Turken aan die Armeniërs zelf te wijten was. Wij moeten zulke antwoorden beslist niet geven, maar aan God overlaten wie Hij oordeelt, straft en beproeft.

De boom blijft Israël heten en wordt niet omgekapt!

“Op het heil zoals wij het in Jezus Christus ontvangen, staat duidelijk en tot in alle eeuwigheid toe het stempel van Israël.”

In 2009 organiseerden prof. dr. Jochem Douma en predikant-schrijver Adrian Verbree de cursus ‘Gaan in het spoor van de Bijbel’. Eén van de avonden ging over het onderwerp ‘Israël’. Prof. Douma hield twee lezingen, de eerste over de verschillende visies op het duizendjarig rijk en de plaats die Israel / het Joodse volk daarbij innemen. Volgens Douma geeft de Bijbel geen enkele aanleiding om het huidige Israel vandaag ‘Gods volk’ te noemen. Wie Jezus als beloofde of gekomen Redder afwijst, wordt in de Bijbel namelijk ‘Lo-Ammi’ = niet-mijn-volk genoemd. Daarom, zegt Douma in zijn eerste lezing, “blijf ik het volk van God alleen dáár zoeken waar de Christus en zijn Joodse apostelen het ons laten vinden, nl. bij allen die in Jezus Christus  geloven, ongeacht of het Joden, Palestijnen of andere mensen zijn.” Maar, zegt Douma er nadrukkelijk bij: “Wat nu Lo-Ammi is, kan weer Ammi (mijn-volk) worden” om zo te delen in het heil van Jezus Christus. Maar volgens Douma mag daarbij nooit vergeten, dat op dat het heil van Jezus Christus, dat na Pinksteren aan alle volken verkondigd wordt, tot in eeuwigheid het stempel van Israel staat.

Daarover gaat de tweede lezing van Douma, die van hemzelf als titel kreeg: ‘Israël en onze toekomst’.

In mijn eerste bijdrage heb ik mij vooral kritisch uitgelaten over een visie waarin feitelijk een sterk onderscheid gemaakt wordt tussen Jezus Christus voor de christenen en Jezus de Messias voor de Joden. Ik heb benadrukt dat de Messias gekomen is. Het enige verschil tussen Christus en Messias is een kwestie van taal. Zowel ‘Christus’ als ‘Messias’ betekenen ‘gezalfde’, alleen is het eerste woord Grieks en het tweede Hebreeuws. Dat is alles. Maar het is belangrijk om tegenover allen die tegen u zeggen: ‘ja, maar de Joden verwachten toch de Messias en Hij zal  toch straks als hún Messias komen’, te blijven belijden dat vandaag de dag én de Joden én de heidenen voor hun behoud opgeroepen worden te geloven in Jezus Christus die gekomen is. Of u deze boodschap aan het adres van de Joden zending wilt noemen of niet, maakt mij niets uit. Van belang is dat het evangelie ook aan de Joden wordt voorgehouden als de enige weg voor hun behoud, hetzij in persoonlijke, hetzij in nationale zin.

Wij moeten ons voor dit evangelie niet schamen. En dat doen wij wel, als wij ons verschuilen achter bv. het argument dat wij medeschuldig staan aan de holocaust en daardoor niet geschikt zijn om de Joden tot bekering op te roepen. Wij moeten volgelingen van Paulus zijn, die aanvankelijk de christelijke gemeente wilde uitmoorden, maar na zijn bekering tot Jezus Christus blaakte van ijver om, als het hem gegeven mocht worden, ook slechts enigen van zijn volksgenoten, tot bekering te brengen. Ik krijg nu vaak uit pro-Israël publicaties de indruk dat het zo belangrijk niet is om de Joden tot bekering op te roepen. God staat immers altijd als een muur om hen heen, en hun bekering volgt later wel. Als belijder van de Christus verwerp ik zo’n gedachte uit de grond van mijn hart. Ik ben er tevens van overtuigd, dat het er in het Midden-Oosten ook in politiek opzicht heel anders zou uitzien wanneer de Joden wél de Christus der Schriften zouden aanvaarden.

Nadat ik dit gezegd heb, wil ik daar nadrukkelijk het volgende aan toevoegen. Op het heil zoals wij het in Jezus Christus ontvangen, staat duidelijk en tot in alle eeuwigheid toe het stempel van Israël. Het begon met Abraham in wie alle volken gezegend zouden worden. Maar daar zat meteen de volgende toekomst in verscholen, die Paulus aldus formuleert:

Gal. 3,8v Nu heeft de Schrift voorzien dat God ook andere volken door geloof zou aannemen en daarom aan Abraham verkondigd: ‘In jou zullen alle volken gezegend worden.’ En dus wordt iedereen die gelooft samen met Abraham, de gelovige, gezegend.’

Als het over ons geloof gaat, verbinden wij dat aan Abraham. Paulus noemt hem de vader van alle gelovigen, niet alleen van besneden, maar ook van onbesneden gelovigen ( Rom. 4,12). Het uitzicht dat Abraham kreeg, viel niet samen met het beloofde land Kanaän, want

Rom. 4,13 Abraham en zijn nageslacht ontvingen de belofte dat ze de wereld in bezit zouden krijgen.

Wat wij hier zien, moeten we bij alle oudtestamentische profetieën in rekening brengen: Het verbond met Abraham kan in de loop van de geschiedenis van gedaante veranderen, al blijft het ook het verbond met Abraham, zodat wij bij de doop van onze kinderen zijn naam blijven noemen:

Ps. 105,8 Tot in eeuwigheid zal Hij gedenken zijn belofte aan duizend geslachten, het verbond dat Hij sloot met Abraham en voor Isaak bevestigde met een eed.

3. Hoe evident het is dat het stempel van Israël op alle heil blijft staan en wij dit volk nimmer kunnen vergeten, blijkt vooral uit Rom. 9-11, waar de apostel Paulus intens met het heil van zijn volksgenoten bezig is. Terwijl deze man zich siert met het predicaat ‘apostel van de heidenen’ (Rom. 11,13; Gal. 2,8; vgl. Ef. 3,5.8), kan hij onmogelijk zijn eigen volk Israël uit het oog verliezen. Hij zegt dat zelfs heel sterk:

Rom. 11,13 Zeker, ik ben een apostel voor de heidenen, maar ik schat mijn taak juist dáárom zo hoog, omdat ik hoop afgunst bij mijn volksgenoten op te wekken en een deel (NBG: sommigen) van hen te redden.

En waarom wil hij dat? Waarom ziet deze apostelen van de heidenen het als de kroon op zijn werk wanneer hij sommige, of een deel van de Joden zou kunnen redden? Omdat kennelijk de Joden door God niet zijn afgeschreven vanwege hun ongeloof. De kerk is geen intermezzo, zagen we in de eerste lezing, maar Israël is dat nog minder. Het gaat God om heil voor de wereld, zeer zeker, maar de uitverkiezing van het Joodse volk blijft Gods aandacht houden.

Rom. 11,1v Heeft God zijn volk soms verstoten? Beslist niet…God heeft zijn volk dat Hij al van tevoren uitgekozen heeft, niet verstoten.

Graveer die woorden in uw geheugen! Wat God van alle eeuwigheid af besloten heeft, laat Hij niet schieten, ook niet door de ongehoorzaamheid van de massa onder de Joden. Paulus brengt dat in zijn mooie gelijkenis over Israël als een edele olijfboom tot uitdrukking. Van de olijfboom worden takken afgebroken, vanwege het Joodse ongeloof. In plaats daarvan worden er loten van een wilde olijfboom tussen de overgebleven takken geënt. Dat zijn de heidenen die tot geloof gekomen zijn.  Maar deze heidenen moeten goed beseffen dat zij als wilde loten tussen edele takken van de boom Israël geplaatst zijn. De boom blijft Israël heten en wordt niet omgekapt! Wij wonen bij Israël in en niet omgekeerd Israël bij ons. Ik herhaal het: na Pinksteren werd Israël verbreed en niet afgedankt of vervangen, of hoe met dat ook maar wil formuleren. Wij heidenen moeten in alle bescheidenheid bedenken dat ook onze tak weer kan worden weggekapt. En dan nog wat:

Rom. 11,23 Als de Israëlieten niet volharden in hun ongeloof, zullen ook zij worden geënt, want God is bij machte hen opnieuw te enten. Immers, als u die van nature een tak van de wilde olijfboom bent, tegen de natuur in op de edele olijfboom bent geënt, hoeveel eerder zullen zij die er van nature bij horen op die boom worden geënt!

Het is zelfs zo dat er tussen de bekering van de heidenen en die van de Joden een verband bestaat. Paulus onthult aan zijn lezers een geheim:

Rom. 11, 30 Zoals u God eens ongehoorzaam was, maar door hun ongehoorzaamheid (nl. die van de Joden) Gods barmhartigheid hebt ondervonden, zo zijn zij nu ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden  hebt, ook zelf barmhartigheid te ondervinden.

Ik ga nu niet uitvoerig in op de vraag of er straks een grote bekering van Joden zal plaatsvinden. Daarover heb ik in mijn boekje m.i. genoeg gezegd. Het gaat er mij nu om dat wij de Joden nooit en te nimmer kunnen afschrijven, alsof zij niet meer zouden meetellen. Ik hoef niets terug te nemen van wat ik gezegd heb over de ernst van hun ongeloof. Wij moeten hen met het evangelie van de Jood Jezus Christus en van zijn Joodse apostelen aanspreken. Ik heb eens beweerd dat een predikant of zendeling ook bevestigd zou kunnen worden in zijn ambt  met een tekst uit Rom. 11 en dan met deze toepassing: U moet zo preken dat het evangelie inderdaad heidenen en half-heidenen kan bereikten. Maar wat zou het mooi zijn als ook enkele Joden tot jaloersheid gebracht werden, want God verheugt zich over de terugkeer van één Joods schaap. Eén verloren Joods schaap dat dwaalt en niet weet van zijn grote voorrechten als zoon van Abraham, als Israëliet, als iemand die door God bemind wordt om der vaderen wil.

Duidelijk moet het ons allen zijn dat er aan het einde van de geschiedenis geen volheid van de gelovigen uit de heidenen zal zijn zonder de volheid van Israël – al of niet na een grote bekering van Israël. Op alle heil zal tot in eeuwigheid het stempel Israël staan. Jafet woont in Sems tenten. De zielen worden in Abrahams schoot gedragen. Geen heil vloeit de wereld toe, of het komt van Jezus Christus, de Jood uit Nazareth. Niemand komt de eeuwige stad van God binnen dan door poorten die versierd zijn met de namen van de twaalf stammen van Israëls zonen en binnen een stadsmuur met twaalf grondstenen waarop de namen van de twaalf apostelen van het Lam staan. Deze stad heet – hoe kan het ook anders – Jeruzalem (vgl. Openb. 21).