Wat wil God in mijn leven? Hoe ontdek ik zijn plan met mij?

Ik denk dat elke christen zich deze vraag wel eens stelt. Dan gaat het over Gods leiding in mijn leven. Kan ik die ontdekken? Hoe weet ik zeker, dat het Gods wil is dat ik een bepaald richting zal inslaan of een bepaalde keuze zal maken?

pijl-rechtsIn het boek De christen als tijdgenoot van John Stott kwam ik een heel goed advies tegen. Hij zegt daar: “In het algemeen gesteld, is het terecht als we zeggen dat Gods wil voor zijn volk te vinden is in het Woord van God.” En even later: “De bijzondere wil van God is echter niet in de Schrift te vinden. De bijbel bevat echter wel uitgangspunten die relevant zijn voor bijzondere vragen. “ (allebei op blz. 126). Vervolgens noemt hij er vijf. Daar heb ik zelf veel aan gehad en dus geef ik ze graag door. Inclusief de bijbeltekst die John Stott aan elke tip verbindt.

Tip 1: Verleen altijd voorrang aan Gods bekende wil

Je eigen wil is vaak het grootste struikelblok voor de ontdekking van Gods wil. Iedereen kent wel het verkeersbord dat aangeeft dat je andere voertuigen voorrang moeten verlenen. Zo moet je ook voorrang verlenen en toegeven aan Gods bedoeling. In de Bijbel kom je veel dingen tegen die de HERE gebiedt of verbiedt. Zo maakt Hij zijn wil bekend aan wie bereid zijn die te volgen. Denk aan Psalm 25 vers 9: Wie nederig zijn leidt Hij in het rechte spoor, Hij leert hun zijn paden te gaan.

Tip 2: Bid tot God als je vragen hebt

God maakt zijn wil alleen maar aan jou bekend als je die werkelijk wilt kennen. Een vage overgave is niet voldoende. Je moet er aanhoudend en vol verwachting om vragen. Want God is je hemelse Vader. Hij verwent zijn kinderen niet, maar wil dat je je wensen in gebed aan Hem kenbaar maakt. Jezus moedigt je in Matteüs 7 vers 7 aan: Vraag en er zal je gegeven worden. Kinderen die niet vragen, worden volgens Jakobus overgeslagen: U krijgt niets, omdat u niet bidt. (hoofdstuk 4 vers 2).

Tip 3: Praat veel met anderen

In het protestantse christendom is ‘het recht op eigen oordeel’ een van haar sterkste punten. Toch moet je je niet inbeelden dat dit betekent dat je al je beslissingen alleen moet nemen. Integendeel, God geeft je familie en vrienden en een christelijke gemeente. Voel je niet te goed om met anderen te praten en hen om advies te vragen.  In Spreuken 13 vers10 staat: Wie goede raad ter harte neemt, is wijs. Dus maak van je beslissingen groepsbeslissingen, die door kring van mensen waarin God je geplaatst heeft, gedragen worden.

Tip 4: Gebruik je verstand

Ook al moet je je overgeven aan wat de Bijbel zegt, God bidden om raad en anderen om advies vragen, uiteindelijk moet je zelf de beslissing nemen. Gods wil niet dat je bent zoals paarden en ezels die geen verstand hebben, maar met bit en toom bedwongen worden (Psalm 32 vers 8+9). Hij wil je niet door dwang of door irrationele voorgevoelens een bepaalde richting in laten slaan, maar heeft je daarvoor vooral het verstand gegeven, waardoor je persoonlijk bij het maken van keuzes de voor- en nadelen kunt afwegen.

 Tip 5: Neem de tijd en wacht rustig af

Mensen maken meer fouten door overhaast een besluit te nemen dan door een beslissing uit te stellen. Neem er de tijd voor om te ontdekken wat Gods plan met jouw leven is, want als je haast hebt of ongeduldig wordt, ben je verkeerd bezig. Het duurde ongeveer tweeduizend jaar voor God zijn belofte aan Abraham, dat Jezus Christus geboren zou worden, vervulde. Het duurde tachtig jaar om Mozes voor te bereiden op zijn levenswerk. Het volwassen worden van de mens duurt ongeveer vijfentwintig jaar. Als je een beslissing moeten nemen binnen een bepaalde tijdsperiode moeten we dat natuurlijk doen. Maar als je niet aan een bepaalde tijd gebonden bent nog steeds geen zekerheid hebt, is het verstandiger om te wachten. Bedenk dan, dat God tegen jou hetzelfde zegt als tegen Jozef en Maria, toen Hij hen met het kind Jezus naar Egypte zond: ‘Blijf daar tot Ik je weer roep.’ (Matteüs 2 vers 13).

Gods wil is zo klaar als een klontje … achteraf bekeken

Ik kwam bij John Stott z’n adviezen terecht bij het maken van een preek over Handelingen 16 – het moment van de oversteek van het Evangelie van Azië naar Europa.

‘Kom over en help ons!’ – deze oproep wordt in christelijke kringen regelmatig gebruikt als er dringend mensen nodig zijn voor de het kerkelijk werk, de evangelisatie, de zending of het christelijk barmhartigheidswerk.

Asia NT‘Kom over en help ons!’ – bij Paulus zijn het geen mensen die een beroep op hem doen, maar is het God Zelf die via een visioen Paulus Europa instuurt. Dat staat in Handelingen 16 vers 9+10. Maar als je de drie verzen ervoor leest, valt het op, dat de Heilige Geest Paulus eerst een aantal keren tegen houdt om een andere weg in te slaan. Eerst verhindert de Geest Paulus om Gods Woord in Asia te verkondigen. Hij mag dus niet linksaf slaan om richting Efeze te gaan. Daarna staat de Geest het hem niet toe om rechtsaf te slaan, richting Bitynië aan de Zwarte Zee. Er staat niet bij, dat Paulus rechtstreekse ingevingen van de Heilige Geest kreeg. Misschien was de weg naar Efeze te onveilig of kreeg Paulus net op het moment dat de karavaan naar Bitynië zou vertrekken buikgriep. Hoe dan ook, Paulus zal een paar keer gedacht hebben: ‘Wat is Gods plan met onze zendingsreis?’ Pas achteraf werd het hem duidelijk.

Soms moet ik van te voren wat meer vertrouwen hebben in de God die mijn leven leidt. Achteraf zie ik vaak beter waar alles toe dient en leidt.

Pinksteren: hoe benader je belangstellende niet-christenen?

Handelingen is het boek van de Heilige Geest. De apostelen trekken de wereld in om in alle steden en dorpen eerst de Joden en dan de Grieken het goede nieuws over Jezus Christus te vertellen. Door de Heilige Geest komen duizenden tot geloof.

Niet-Joodse ‘vereerders van God’Heilige Geest duif

Wat mij opvalt is, dat ze vaak met meest positief ontvangen worden door mensen die regelmatig de joodse synagoge bezoeken, maar zich nog niet tot het jodendom bekeerd hebben. In het boek Handelingen worden ze een paar keer ‘proselieten’ genoemd (Hand. 2:11, 6:5, 13:43 –  in de oude vertalingen stond ‘Jodengenoten’). Letter betekent dat: ‘erbij gekomen zijn’.  Het zijn mensen die op zoek waren naar  de zin van het leven en daarbij het antwoord op hun levensvragen bij het joodse geloof gevonden hebben. Als heidenen hebben ze de God van Abraham, Isaak en Jakob leren kennen. Maar omdat ze geen geboren Joden waren, konden ze alleen maar toetreden tot het Jodendom als ze zich aan heel de Joodse wet en alle voorschriften van de Joodse traditie gingen houden. Daarom bleven de meesten van hen toch maar liever als vaste gast de synagoge bezoeken. Behalve de drie keren dat ze ‘proselieten’ genoemd worden, staat in Handelingen nog vaker dat ze ‘vereerders van God’ zijn (Hand. 10:2+22+35, Hand. 13:16+26+43+50, Hand. 16:14, Hand. 17:4+17, Hand. 18:7). Soms staat er uitdrukkelijk bij, dat het om Griekse mensen gaat. Veel van deze ‘vereerders van God’ kwamen door de evangelieverkondiging van Paulus en de andere apostelen tot geloof in Jezus Christus. Ze werden vaak de meest aktieve leden van de nieuwe christelijke gemeentes, omdat Christus ook voor hen heel de wet vervuld had en omdat Hij in zijn gemeente geen onderscheid tussen Jood en heiden maakt.

Niet-christelijke ‘Godzoekers’

Vandaag beleven wij steeds vaker iets soortgelijks.  Mensen met weinig of geen kerkelijke achtergrond komen met ons in kontakt. Soms als levenspartner van een gemeentelid, soms meegenomen door vrienden, soms omdat ze zelf op zoek zijn gegaan bijvoorbeeld via internet. Ze kennen de negatieve verhalen over de kerk die steeds weer in de media opduiken. Verhalen van vroeger (de kruistochten, die strakke gereformeerden) en verhalen van nu (seksueel misbruik door priesters en voorgangers, homo’s die niet welkom zijn in de kerk). Toch zijn ze in hun zoektocht naar de zin van het leven geïnteresseerd geraakt in het christendom. Meestal doordat ze persoonlijk iemand leerden kennen, die ze als oprecht en belangstellend christen hebben leren kennen. Dat wekte hun interesse.

Toch is er een belangrijk verschil met de vroeg-christelijke kerk. Wie zich in de Grieks-Romeinse tijd tot de God van de Joden bekeerde en zich na Pinksteren bij de christelijke gemeente aansloot, geloofde daarvoor in allerlei andere goden. Vandaag komen mensen vaak tot geloof vanuit een achtergrond waarin geloof en de vraag naar God amper nog een rol speelt. Kort geleden stond in het ND (15 mei) en in het DvhN (18 mei) dat in 2014 nog maar net 50% van de Nederlanders bij een ‘godsdienstige groepering’ hoort. Eind jaren ’90 was dat nog 60%, in 2010 niet meer dan 55% en nu dus nog maar de helft van Nederland. De andere helft is niet-religieus. Bij ons in het Noorden spant Groningen de kroon (34%) en zijn Drenthe en Friesland met 40% en 43% de nummers drie en vier wat betreft minst kerkelijke provincies. En ook al noemt de 50% van de bevolking zichzelf religieus of gelovig noemt,  van alle Nederlanders bezoekt maar iets meer dan 10%  wekelijks de kerk (of de moskee). Gereformeerde christenen die trouw naar de kerk gaan op zondag zijn dus echt een minderheid in Nederland! Meer dan de helft van Nederland is tegenwoordig niet gedoopt en krijgt van huis uit niets meer mee over God, Jezus en de Bijbel.

Zoekers positief benoemen

Nu las ik laatst een interessante vraag: hoe praten wij als kerk en als christenen over mensen die niet gelovig en vaak ook niet gedoopt zijn? Hoe wij over hen spreken verraadt namelijk hoe wij over hen denken. Een niet-christen noemen wij vaak een ongelovig, niet-kerkelijk, ongedoopt of religie-loos. We beschrijven daarmee een gemis. We benadrukken daarmee vooral wat mensen niet zijn. Ze zijn géén christen. Dat is een negatieve kwalificatie.

Waarom zou je het niet omdraaien? Waarom zou je niet het positieve beschrijven bij veel mensen die niet christelijk zijn opgevoed, maar wel op zoek zijn naar een positieve invulling van hun leven? Termen als zoeker of sympathisant of belangstellende of gastvriend klinken veel positiever. Misschien is het een idee om niet-leden die regelmatig in onze kerken komen, zelf te vragen hoe ze hun positie zouden willen noemen. Want de redenen waarom hun wegen zich met die van ons kruisen, zijn zo verschillend!

Dat het aantal niet-christelijke Nederlanders per jaar met bijna 1% toeneemt, is duidelijk. Maar er zijn geen cijfers over het aantal Nederlanders die, zelf niet gelovig opgevoed, op zoek zijn naar de zin van het leven en naar een God die zoveel van mensen houdt dat Hij zijn eigen Zoon naar deze wereld gestuurd heeft.

Hoe benaderen wij  zulke, soms bewuste, vaak onbewuste Godzoekers? Een houding van openheid en een sfeer van vriendelijkheid laat anderen zien: ‘Jij bent welkom bij ons, we zien in jou een geschenk van God, we hebben elkaar veel te bieden.’ Is dat de manier waarop wij andersdenkenden aanspreken? En willen wij ook van hen leren wat hen beweegt in hun zoektocht naar God?

De Heilige Geest zorgt voor een open houding

Toen onze Heer Jezus Christus terug naar de hemel ging, heeft Hij ons als christenen beloofd dat we niet alleen zouden achterblijven. De Heilige Geest zou komen om ons bij te staan. Niet voor niets wordt in de dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren in veel kerken gebeden om de komst van de Heilige Geest. Die kan en wil ons als kerkgemeenschap en ook persoonlijk de kracht geven om in deze tijd van afnemende gelovigheid open te staan en goed te reageren op mensen die zoeken naar de zin van hun leven en die, vaak via wonderlijke wegen, door Jezus onze Heer Zelf op hun zoektocht christenen tegenkomen. Christenen zoals jij en ik.

Zij die het geloof aanvaard hadden, stonden in de gunst bij het hele volk. De Heer breidde hun aantal dagelijks uit met mensen die gered wilden worden. (Handelingen 2 vers 47)

 

KINDERDOOP NORMAAL – UITSTEL SOMS – HERDOOP NOOIT

– over de doop van kinderen  in de eerste driehonderd jaar na Pinksteren –

Er zijn christenen die tegen het dopen van kinderen zijn. Daarom doen ze het op latere leeftijd nog een keer over. Soms heel erg eerlijk (‘de kinderdoop is onbijbels, dus nu laat ik me pas echt dopen’), soms wat omfloerst (‘ik waardeer mijn kinderdoop wel, maar ik laat me nu op geloof dopen’). In beide gevallen wordt vaak gezegd, dat er in het Nieuwe Testament en in de eerste 300 jaar van de christelijke kerk geen kinderen gedoopt werden. De kinderdoop zou pas ingevoerd zijn, toen het christendom tot staatsgodsdienst werd verklaard door keizer Constantijn. Klopt dat? Nee dus.

Het DOPEN van KINDEREN: een PRAKTIJK zonder DOGMA

Strange - kinderen in de vroeg-christelijke kerkIk heb al meer dan 15 jaar een heel mooi boekje in mijn kast staan met als titel ‘Kinderen in de vroeg-christelijke kerk’. Het is geschreven door dr. W.A. Strange en in 1999 verschenen bij Uitgeverij Barnabas.  Ik sla nu even over wat dr. Strange allemaal zegt over  de plek van de kinderen in die tijd. In elk geval wordt duidelijk, dat Jezus de kinderen voor vol aanzag (‘Laat de kinderen bij Me komen, hou ze niet tegen’ – Markus. 10:14). Ook Petrus zegt bij de uitstorting van de Heilige Geest nadrukkelijk, dat Gods belofte van vergeving van zonden en van de Heilige Geest  ook voor de kinderen van de gelovigen geldt (Handelingen 2:39). In de rest van Handelingen kun je lezen, dat  als volwassenen tot geloof komen en toetreden tot de kerk, ze zich laten met heel hun gezin laten dopen. En voor Paulus en Johannes horen de kinderen er helemaal bij in de christelijke gemeente (Efeziërs 6:1-3, Kolossenzen 3:20, 1 Johannes 2:12-14).

Maar betekent dit ook, dat vanaf het eerste begin de kinderen ook gedoopt werden?

Ja, toont dr. Strange overtuigend aan. Kinderen werden in de vroeg-christelijke kerk gewoon op dezelfde manier in de gemeente opgenomen als hun ouders die, zeker in de eerste eeuwen, op volwassen leeftijd tot geloof kwamen en gedoopt werden. “Kinderen waren onlosmakelijk verbonden met het gezin, en daarom was het vanzelfsprekend voor ouders dat bij hun bekering ook de kinderen, samen met hen, de doop zouden ontvangen. De gedachte dat het kind als zelfstandig individu te zijner tijd vrij is zelf te beslissen, is een visie van onze tijd, die echter vreemd is aan de wereld van het Nieuwe Testament. Wij moeten onze opvattingen niet projecteren op het Nieuwe Testament en zijn schrijvers.” (blz. 123/124) Op grond van o.a. Efeziërs en Kolossenzen komt hij tot de conclusie: “Zo  moet een christelijke gemeente van de eerste eeuw er hebben uitgezien. Zij die van buiten kwamen, gingen de gemeente binnen door de poort van de doop. Zij die binnen de gemeenschap geboren werden, gingen binnen door dezelfde poort, want, zegt Efeziërs: ‘er is één Here, één geloof, één doop’.” (Efeziërs 4:5 – blz. 125) Het was dus gebruikelijk in de christelijke kerk van de eerste eeuwen geweest, dat ook de kinderen van de gelovigen gedoopt werden. Het was alleen ‘een praktijk zonder dogma’ en dus kwam er ook kritiek op.

UITSTEL van de DOOP

Toen theologen als Tertullianus en Origines zich later (rond het jaar 200) met de fundering van de doop bezig gingen houden, hadden ze allebei theologisch gezien moeite met de kinderdoop. Beiden vonden, dat je de vergeving van de zonden en het nieuwe leven in geloof zo serieus moest nemen, dat het beter was om als kind van christelijke ouders te wachten met de doop tot je als jongvolwassene steviger in je schoenen stond.  Origines bleef trouw aan de kinderdoop die, schreef hij, ‘een traditie van de kerk’ is. Tertullianus adviseerde ouders om de doop van hun kinderen uit te stellen. Maar, zegt Strange, Tertullianus heeft nergens als argument aangevoerd “dat de kinderdoop iets nieuws was, dat enkele generaties daarvoor in de kerk was ingevoerd.” Voor het afwijzen van de kinderdoop kon Tertullianus “de sterkste troefkaart niet uitspelen: het verwijzen naar het gezag van de apostelen.” (beide citaten op blz. 114) Tertullianus hoorde in 200 na Christus dus tot de vernieuwers in de kerk. En zelfs als vernieuwer wilde Tertullianus de kinderdoop niet afschaffen. “Hij ontkende niet dat jongere en oudere kinderen gedoopt mochten worden. Hij vroeg zich alleen af of het van wijsheid getuigde kinderen bloot te stellen aan het veeleisende leven van gedoopte christenen.” (blz. 117) Omdat Tertullianus een gezaghebbende kerkvader was, heeft zijn standpunt wel wat invloed gehad in de vroeg-christelijke kerk. Het kwam in de 3e en 4e eeuw regelmatig voor dat christenen de doop van hun kinderen uitstelden totdat  die de ‘jaren des onderscheids’ bereikt hadden.  Dat overkwam ook Augustinus, die rond 400 na Christus leefde. Zijn moeder Monica was christen en heeft haar zoon gelovig  opgevoed, maar niet als kind laten dopen. Dat heeft Augustinus altijd betreurd. Hij zegt ergens dat het jammer is dat “zelfs vandaag de dag” christenen hun kinderen niet meteen als baby laten dopen. (blz. 118) De vernieuwers verloren blijkbaar alweer terrein.

Augustinus zelf was de theoloog die de praktijk van ‘één doop tot vergeving van zonden’ theologisch zo heeft uitgelegd, dat voor iedereen duidelijk werd, waarom de christelijke kerk in de eerste eeuwen ook de kinderen van de gelovigen heeft gedoopt.  Dat kon Augustinus doen, zegt Strange, omdat de leer over de kinderdoop “een uitvloeisel was van wat sinds de tijd van het Nieuwe Testament altijd al stilzwijgend is aangenomen.”  (blz. 127) Hoe je het ook wendt of keert, in de vroeg-christelijke kerk was de kinderdoop normaal, kom je ook tendensen tegen om de doop uit te stellen, maar lees je nergens dat wie als kind gedoopt was, nog een keer de doop kon ontvangen.

DOOP in het teken van DISCIPELSCHAP

Dr. Strange trekt in zijn laatste hoofdstuk een aantal lijnen door naar vandaag.

Doop - eerste belofteAllereerst zegt hij, dat volgens hem “de christelijke kerk vanaf  het eerste begin kinderen  gedoopt heeft.” (blz. 140) Maar dat gebeurde nooit uit gewoonte. Dus  mag ook vandaag de dag het dopen van kinderen nooit een geïsoleerd ritueel zijn van ouders die “menen lid te kunnen zijn  van een kerk zonder actief aan het kerkelijk leven deel te nemen.”  Want bij de doop gaat het, bijbels gezien, naast vergeving van zonden ook om het leven in Gods koninkrijk.  “Als de kinderdoop van vandaag een voortzetting wil zijn van de doop in het Nieuwe Testament, dan moet er een nauw verband zijn tussen doop en discipelschap.” (beide citaten op blz. 141)

Verder benadrukt dr. Strange heel sterk, dat de belangrijkste geloofsopvoeding binnen het christelijke gezin plaatsvindt. Want in de Bijbel benadert Jezus de kinderen altijd via de ouders. Dus op dat thema moeten we “blijven hameren (…), namelijk dat ouders ernst moeten maken met hun vitale taak in het voorgaan van hun kinderen in gebed en discipelschap.” (blz. 148)

Toch blijft er ook een belangrijke taak over voor de christelijke gemeente. Daarin heeft Jezus aan kinderen een volwaardige, ja zelfs centrale plaats gegeven. Dus moeten kerken ook vandaag hun best doen met de aanwezigheid van kinderen rekening te houden en aan kinderen een plaats te geven in de diensten.  Dat kan op verschillende manieren, als het maar de bedoeling is om ze niet op een zijspoor te zetten, maar bij de kerkdiensten te betrekken met als motivatie “het brengen van kinderen tot kennis van en liefde voor de Here.”  Zo’n kerk “staat dichter bij de nieuwtestamentische kerk, dan een kerk waarin kinderen niet welkom  zijn, of waar ze geheel  aangewezen zijn op eigen activiteiten.” (beide citaten blz. 140) Want, is de laatste zin van het boek van Strange: “Een kerk die trouw is aan haar Heer, kan die trouw niet beter laten zien dan in haar zorg voor kinderen, die Hij zo intens heeft liefgehad.” (blz. 146)

 

Over de kinderdoop schreef ik nog een paar blogs:
Wanneer laat je je kind dopen?
Sela over de doop
Te vroeg of te laat, maar niet dubbel

Is de dood van Jezus ‘een mooi offer’?

Cruciaal boekIn de kerkelijke pers is wat reuring ontstaan over het boekje Cruciaal. Daarin wordt de betekenis van de kruisiging van Jezus Christus uitgelegd aan de hand van zes bijbelse beelden. Eén daarvan is het beeld van het offer. Hans Burger, universitair docent in Kampen, werkt dat in Cruciaal verder uit. Zowel op verschillende websites van verontruste vrijgemaakten als in het Nederlands Dagblad kreeg hij daar behoorlijk wat kritiek op. Een docent aan de Theologische Universiteit zou moeite hebben met de gereformeerde verzoeningsleer. Nou, als dat zo is, dan zijn we als Gereformeerde Kerken ver van huis.

De kritiek is volgens mij veel te fors aangezet. Ik vind het bewonderenswaardig dat Hans Burger zelf zowel op internet als in het Nederlands Dagblad uitvoerig gereageerd op de ingebrachte bezwaren. Hij verklaart ook nadrukkelijk volledig achter de bijbelse leer te staan, dat Jezus is gestorven voor onze zonden en is opgestaan voor onze rechtvaardiging.

Hoe kan het dan, dat er zo fel en onheus gereageerd wordt op het artikel van Burger over de kruisiging van Jezus als offer? Ik denk dat dat komt, omdat hij een wat andere insteek kiest dan normaal als het om de betekenis van het offer van Jezus gaat. Burger wil in zijn artikel namelijk duidelijk maken, dat het beeld van het offer niet alleen maar iets met ‘straf’ te maken heeft, maar ook en vooral een positieve uitwerking heeft. En dus komt Burger tot de volgende uitspraken:

“In een offer gaat het om liefde, om toewijding aan God, om een leven waar God blij van wordt omdat het ‘een geurige gave’ is (…) Het cultische beeld van het offer benadrukt het positieve van Jezus, die in zijn toewijding onze zonden bedekt en ons verandert in aan God gewijde mensen.” (blz.59)

“In het Nieuwe Testament heeft het spreken over het offer primair positieve connotaties. Een offer is een leven dat God grootmaakt, dat aan God gewijd is, waar God van geniet. Een offer is in de Bijbel dus iets moois. Het drukt overgave en toewijding aan God uit. ” (blz. 60)

En als Burger op een fijnzinnige manier duidelijk maakt, dat ook God de Vader en God de Heilige Geest bij het offer van Jezus’ dood betrokken zijn, schrijft hij in aan het eind van zijn artikel:

“Het trinitarische offer van God is primair een appel op ons hart. (…) Gods offer is ook een gave die ons antwoord mogelijk maakt. (…) Zo is Jezus’ offer het geheim van onze levenswijding.” (blz. 65)

Het zijn dus andere bijbelse accenten dan ‘betaling voor zonde en schuld’ die Burger naar voren haalt als hij het beeld van het offer bespreekt. Daarbij legt hij erg veel nadruk op de volmaakte gehoorzaamheid van Jezus Christus, zoals uit nog een ander citaat blijkt:

“Het cultische beeld van het offer benadrukt het positieve van Jezus, die in zijn toewijding onze zonden onze zonden bedekt en ons verandert in aan God gewijde mensen.” (blz. 59)

kruis rood lintBurger verwijst voor het leggen van deze accenten vooral naar het bijbelboek Hebreeën. Daar heeft hij gelijk in. Neem bijvoorbeeld Hebreeën 9:14. Daar staat: Het bloed van Christus, die dankzij de eeuwige Geest zichzelf heeft kunnen opdragen als offer zonder smet, zal ons geweten reinigen van daden die tot de dood leiden, en het heiligen voor de dienst aan de levende God. Burger benadrukt dus heel sterk de offerbereidheid van Jezus. Om het in Burgers eigen woorden te zeggen: God de Zoon geeft zichzelf als een offer dat onze zonde wegneemt en ons nieuw en heilig maakt. Zo gebruikt God de Vader Jezus’ dood als de oplossing voor onze zonden.

Volgens mij wordt dit accent door Burger zo sterk benadrukt, dat het alle nadruk legt op de motivatie van Jezus. Dan wordt zijn offer inderdaad iets moois. Zo lief had Hij de wereld! Maar wat bij Burger onderbelicht blijft is, dat een offer in de Bijbel niet alleen “iets moois” is, maar ook een noodzakelijk kwaad. Er is iets grondig misgegaan tussen God en mensen. En dat kun je niet wegwuiven met ‘zand erover’. Er moet echt iets goed gemaakt worden. En dat kost je iets. Dat kost God zijn Zoon!

Burger ontkent dat niet. Maar, zegt hij, je bevindt je op het juridische taalveld als je spreekt over Jezus’ dood als betaling en genoegdoening voor onze zonden. Wanneer de Bijbel spreekt over het offer dat Jezus bracht, gaat het over zijn volkomen toewijding, waardoor Hij de volkomen verzoening voor onze zonden tot stand brengt. Dan bevind je je in een cultische taalveld. En daarin heeft het brengen van een offer vooral een positieve betekenis. Het offer van Jezus herstelt het kontakt met God en motiveert ons om te leven voor God.offerlam

Ik vraag mij af of je de term ‘offer’ zo sterk kunt losmaken van juridische termen als ‘genoegdoening’ en ‘betaling’ en of je een term als ‘middel tot verzoening’ vooral moet duiden als cultisch taalgebruik. Volgens mij zijn er in de Bijbel twee soorten offers. Namelijk een zondoffer / schuldoffer én een lofoffer / dankoffer. En maakt de Bijbel onderscheid de offeraar (een persoon) en het offer zelf (dier).

Als het om het offer van Jezus gaat, lijkt het mij vrij duidelijk, dat Hij allebei tegelijk is: offeraar en offerlam. En het lijkt mij ook evident, dat Hij zijn leven gaf als offer voor onze zonden. Dat ontkent Burger ook niet trouwens – ook al wordt hij daar door sommige critici wel van beschuldigd. Jezus’ toewijding vind ik geweldig, maar aan zijn offer aan het kruis is in mijn ogen niets moois te zien. Het is alleen maar heel erg: zo diep zijn wij als mensheid gezonken dat in Gods ogen alleen het offer van zijn eigen Zoon ons redden kan.Volgens mij staat dit offer van onze Heer wel degelijk ook in een juridisch kader. Paulus klemt in Romeinen 3:21-26 de keus van God om Jezus Christus aan te wijzen als ‘middel tot vezoening’ (vs. 25) niet voor niets in in het kader van ‘vrijspraak’ (vs. 21 en vs. 26). Met dit offer is uiteraard “direct de oproep verbonden, om vol bewondering voor God ons leven te leven als dank- en lofoffer voor Hem”, zoals Burger schrijft (blz. 65).

Het zijn deze twee aspecten (Jezus’ zijn toewijding en onze navolging) die Burger in zijn waardering van het beeld van offer vooral benadrukt. Dat doet hij, omdat hij volgens mij bang is dat veel mensen denken dat er in de Bijbel sprake is van een strenge God die bloed wil zien. Terwijl in de Bijbel God zich laat kennen als een God die “wordt gedreven door liefde en trouw aan de mensen. (…) Hij gaat tot het uiterste gaat om het hart van mensen terug te winnen” (blz. 64). Daar heeft Hij alles voor over: zijn eigen geliefde Zoon. Daar heeft Jezus veel voor over: zijn eigen leven. Het is terecht dat Burger daar nadrukkelijk op wijst. Maar door daar alle accent op te leggen als het om de bijbelse betekenis van het offer gaat, raakt de trieste noodzaak van het offer onderbelicht. En dus heeft het verhaal van Hans Burger iets eenzijdigs. Het offer van Jezus is niet mooi. Het offer van Jezus komt voort uit iets moois en leidt tot iets moois.

Herkenning in de hemel – maar hoe?

Het boek “De jongen die in de hemel was” is sinds 2013 een beststeller in Nederland. Ook de film “Heaven is for real”  (in 2014 naar aanleiding van het boek verschenen) is al door duizenden mensen Burpo jongen hemel 2e drukbekeken. Waarom vinden mensen dit boek en deze film zo interessant? Omdat een vierjarig jongetje, Colton Burpo, tijdens een operatie een blik in de hemel heeft mogen werpen. Hij zegt dat hij daar Jezus gezien heeft en ook nog zijn overleden zusje en zijn al veel eerder overleden overgrootvader. Van het boek en de film kun je van alles vinden. Ik schreef op mijn weblog al voordat het boek een rage werd In de hemel is de Heer – en Colton heeft Jezus daar gezien. En wat ik van de film vind in vergelijking met het boek kun je lezen op Heaven is for real – een oppervlakkige film.

Hoe je ook over de ervaringen van de kleine Colton denkt, de twee vragen die veel mensen bezig blijft houden zijn:

  1. Hoe konkreet mogen wij ons een voorstelling van de hemel maken? Herken je daar echt je familie en vrienden weer, als ze tenminste gelovig zijn gestorven? Of kan dat niet, omdat je dan in de hemel ook mensen zou missen?
  2. Hoe betrokken zijn de gestorven gelovigen in de hemel met alles wat er hier op aarde gebeurt? Zien ze ons nog en leven ze intensief met ons mee? Of kan dat niet, omdat er dan ook verdriet in de hemel zou zijn?

Dat zijn vragen waar je lang over na kunt denken en eigenlijk nooit over uitgepraat raakt. Toch kun je er op grond van de Bijbel wel iets over zeggen.

1. De gelovigen in de hemel leven echt!

In de hemel leven de gelovigen echt. Want een mens bestaat uit lichaam en ziel. Als hier op aarde een mens sterft, worden die twee gescheiden. De ziel verlaat het lichaam en keert terug tot God, zegt Prediker. Jezus onze Heer zegt in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus, dat de engelen de zielen van de gestorven gelovigen naar de HERE God en de Heer Jezus toebrengen in de hemel. “En ik, Johannes, zag de zielen van hen die onthoofd waren omdat ze van Jezus hadden getuigd en over God hadden gesproken. Zij waren tot leven gekomen en heersten samen met de Messias duizend jaar lang.” Letterlijk staat er: “Zij leefden” (zo heeft de oude Statenvertaling het ook). Zij leefden namelijk na hun dood gewoon verder. Johannes zegt daarna: “Dit is de eerste opstanding. Gelukkig en heilig zijn zij die deel hebben aan de eerste opstanding. De tweede dood heeft geen macht over hen.” Die eerste opstanding is, om het zo te zeggen, het hemels leven van de gestorven gelovigen. Zij leven verder in de hemel, maar wel op een nieuwe manier. En het is een tijdelijke periode, want de hemel is niet onze eindbestemming. Het is eerder een prachtige wachtkamer. Want Jezus onze Heer neemt al Gods kinderen mee naar de nieuwe aarde als Hij terugkomt op de wolken.

In de hemel zijn de gestorven gelovigen dus zichzelf. Niet ‘gewoon’ zichzelf zoals hier op aarde, want hier op aarde beantwoordde ons leven niet volledig aan Gods doel. Dus is de herkenning in de hemel ook niet ‘gewoon’ een voortzetting van relaties zoals die hier op aarde was. Nee, alles staat dan in het kader van de relatie met onze hemelse Vader en met Jezus onze Heer. Daar gaat het om, en daarom schrijft Paulus ook: Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en is opgestaan, moeten wij ook geloven dat God door Jezus de doden naar zich toe zal leiden, samen met Jezus zelf. (1 Tess. 4:14). Hoe konkreet die herkenning is, daar kun je over twisten. Colton zegt dat hij in de hemel Jezus onze Heer gezien heeft én z’n overgrootvader én z’n overleden zusje. De één zal dit voor waar aannemen, de ander blijft zich afvragen of dat echt zo zal zijn. Ik wil graag doorgegeven wat een bekende stem uit het verleden hierover heeft gezegd. Het is Prof. Dr. H. Bavinck. Die schreef ruim 100 jaar geleden vier kloeke delen ‘Gereformeerde Dogmatiek’. In het laatste deel gaat hij in op dit thema. Op blz. 619 schrijft hij:

De hoop op het weerzien aan de overzijde van het graf is volkomen natuurlijk, echt menselijk en ook in overeenstemming met de Heilige Schrift. Want deze leert eeuwig leven van individuele mensen in dienst van Gods naam. De vreugde van de hemel ligt daarom wel allereerst in de gemeenschap met Christus, maar vervolgens toch ook in de gemeenschap met de zaligen onderling. Het hoogste wat Paulus wenste was, te sterven om bij Christus te zijn. Maar Jezus stelt zelf de vreugde van de hemel voor onder het beeld van een maaltijd, waar allen aanzitten met Abraham, Izak en Jakob. De hoop op het weerzien is daarom op zichzelf niet verkeerd, als zij maar ondergeschikt blijft aan het verlangen naar de gemeenschap van Christus.

2. De gelovigen in de hemel leven mee!

Maar wat doen de zielen van de gelovigen daar in de hemel? Vaak wordt gevraagd of er ook herkenning is en of de gelovigen die al bij de Heer zijn ons vanuit de hemel kunnen zien. Ook hierover kun je niet te veel met zekerheid zeggen, dus ik zou er wat voorzichtig mee zijn. Eén ding is wel zeker: de gestorven gelovigen die in de hemel zijn, leven mee met het wel en wee op de aarde. We hebben een wolk van geloofsgetuigen om ons heen die ons aanmoedigen in de wedstrijd van het geloof (Hebr. 12). In Openbaringen 6 hoort Johannes de zielen onder het altaar roepen: “Hoe lang duurt het nog, Heer Jezus, voor U terugkeert om ons bloed te wreken aan de goddelozen die op de aarde wonen?” De gelovigen in de hemel leven mee met wat er op aarde gebeurt. In het boek over Colton staat (op blz. 121), dat zijn grootmoeder heel blij is wanneer ze hoort dat haar vader, die nooit over z’n geloof praatte, toch in de hemel is. Ze vraagt zich af hoe het kan dat hij zijn achterkleinzoon die meer dan 25 jaar na zijn dood geboren is, in de hemel erkent. Is het een kwestie van meeleven en dus meekijken met wat er op aarde gebeurt? Of is het een aanvoelen van dingen waar wij hier op aarde vanwege de zonde geen antenne voor hebben? Ook hier schrijft Prof. Dr. H. Bavinck over in deel 4 van zijn dogmatiek (nog steeds blz. 619):

Anderzijds is het ook geen ongerijmde gedachte, dat de zaligen in de hemel verlangen naar de gelovigen die op aarde zijn. Al geeft de Schrift ons geen recht te geloven, dat de zaligen in de hemel alles weten wat hier op aarde gebeurt, toch is het waarschijnlijk, dat zij van ons als strijdende kerk hier op aarde minstens evenveel weten als wat wij hier op aarde van hen in de hemel weten. En dat weinige, gevoegd bij de kennis, die zij uit hun eigen herinnering bezitten en die misschien telkens door mededelingen van engelen en pas gestorvenen uitgebreid wordt, is voldoen om hen steeds met belangstelling te laten denken aan deze aarde en aan de machtige worsteling die hier gestreden wordt.

De laatste gedachtes van Bavinck vind ik wel wat speculatief. Volgens mij zegt de Bijbel er niet zoveel over hoe de gestorven gelovigen precies aan hun informatie komen. Eén ding weten ze wel: zij zijn boven binnen, terwijl de geloofsstrijd beneden op aarde verder gaat. Zelf zou ik het willen vergelijken met hoe wij geïnformeerd worden via radio en televisie over het wereldnieuws: we weten lang niet alles, maar genoeg om mee te leven en onder de indruk te raken. Zo mag je zeggen dat de gelovigen in de hemel in grote lijnen zien wat er op aarde gebeurt. Ze volgen als het ware het hemelse journaal van de wereldgeschiedenis. Daarom vragen ze ook aan de Heer Jezus of Hij snel een einde wil maken aan de vervolging van de christenen.

3. De gelovigen in de hemel kijken uit naar de nieuwe aarde!

Veel christenen, en ik ook, zouden graag een blik in de hemel willen werpen. Toch is het belangrijk om voor ogen te houden, dat de hemel niet het mooiste en belangrijkste mag zijn waar je als gelovige naar uitziet of waar je jezelf en anderen mee kan troosten. De hemel is niet onze eindbestemming. De gestorven gelovigen wonen daar na hun sterven maar tijdelijk. Pas ná de jongste dag keert het paradijs op aarde weer terug. Dán krijgen al Gods kinderen ook een nieuw, perfekt en volmaakt lichaam terug. Na de jongste dag breekt de tijd aan, dat de hemel en de aarde weer bij elkaar horen. Dan wordt de aarde weer paradijs, net als in het begin. Dan is het contact en de relatie met God de Vader en met Jezus Christus eindelijk 100%. En komen alle mensen volledig tot hun recht. Ja, iedereen zal daar helemaal tot bloei komen. Ieder zal zijn of haar gaven en talenten volledig benutten. Je zult er volledig jezelf kunnen zijn. Maar juist op de nieuwe aarde betekent ‘jezelf zijn’ ook: ‘er helemaal voor God de Vader en Jezus Christus zijn’. Want Zij staan in alles centraal: “In de stad zal de troon van God en van het Lam staan en zijn dienaren zullen Hem daar vereren.” (Openbaring 22:3) Dáár gaat alles om in de hemel en op de nieuwe aarde. Dat maakt het leven tot een eeuwig feest. Want wat zal het een feest zijn om voor altijd samen met God en Jezus te zijn!

Afgeslacht door ISIS – 21 nieuwe zielen erbij aan de voet van het altaar

“Ik zag aan de voet van het altaar de zielen van al degenen die geslacht waren omdat ze over God hadden gesproken en vanwege hun getuigenis.”  (Openbaring 6 vers 9)ISIS - 21 koptische christenen icoon 2“Opdat wij niet vergeten.” Bij die uitdrukking denken we aan de Tweede Wereldoorlog. De gruweldaden van Nazi-Duitsland, vooral de genocide van zes miljoen Joden en de dood van honderdduizenden andere slachtoffers van dat regime, mogen nooit vergeten worden.

Eind februari – begin maart was de Syrisch-Orthodoxe patriarch Aphrem II in ons land. Hij is het hoofd van ruim 1,5 miljoen christenen die oorspronkelijk uit het Turkije, Syrië en Irak komen. Er wonen 9.000  syrisch-orthodoxe christen in Nederland. Daarom is patriarch Aphrem II bij ons op bezoek. Gisteren was hij in Den Haag in de Tweede Kamer. Dit is wat hij de regering en het parlement voorhield: “De Westerse wereld is de christenen in het Midden-Oosten volledig vergeten.”

Dat maakte indruk op mij. Net als de beide schilderijen die in deze weblog staan. De christenheid in het Midden-Oosten heeft het extreem moeilijk. Waar is de betrokkenheid van de Nederlandse samenleving?  Die is, denk ik, echt ongeïnteresseerd geworden. Dat heeft een reden. Omdat meer dan de helft van onze bevolking in de afgelopen 50 jaren gefrustreerd afstand genomen heeft van het christelijk geloof en ‘de kerk’ met machtsmisbruik en bekrompenheid associeert, hebben de opiniemakers een blinde vlek gekregen voor het lot van vervolgde christenen. En wie daar aandacht voor vraagt, wordt weggezet als aanhangers van het CDA en de ChristenUnie die alleen maar aandacht vragen voor mede-christenen.  Maar als ik naar christelijk Nederland kijk, vraag ik mezelf af: waar is ons gebed? Wat doet het ons, dat onze medechristenen zo gruwelijk worden vervolgd en vermoord? En hoe reageren we daarop?

Een paar dagen na de onthoofding van 21 koptische christenen door ISIS in Libië maakte een Egyptische kunstenaar een schilderij. Het stond op een weblog van een diaken van een koptische kerk in Amerika (zie From Orange Jumpsuits to White Robes).  Zijn vrouw had er een artikel bij geschreven. Ze had de video zelf niet willen zien – en ik ook niet. Maar, schreef ze, mijn man heeft het wel gezien en hoorde de Artwork by: Wael Mories21 mannen als laatste uitroepen: “Ya Rabbi, Yasooah” (Mijn Heer, Jezus) en “Yasooah” (Jezus). Tot in de dood zijn ze Jezus trouw gebleven en Hem gevolgd. Zo brengt Petrus het onder woorden (1 Pe. 2:21-23): Ook Christus heeft geleden, om uwentwil, en u daarmee een voorbeeld gegeven. Treed dus in de voetsporen van Hem die geen enkele zonde beging en over wiens lippen geen leugen kwam. Hij werd gehoond en hoonde zelf niet, Hij leed en dreigde niet, Hij liet het oordeel over aan Hem die rechtvaardig oordeelt. Zo staat het op dit schilderij. Hij ging voorop. In een oranje overall. Tot in de dood. Dat is wat Jezus zijn volgelingen opdraagt én wat Hij zelf voor zijn volgelingen gedaan heeft. En dus, omdat ze Jezus trouw bleven tot in de dood, kregen deze 21 koptische christenen uit Egypte in plaats van een oranje overall een wit gewaad. Zo staat het in Openbaring 6 vers 11a: Ieder van hen kreeg witte kleren. Op aarde hadden zij, symbolisch, hun kleren al gewassen in het bloed van het Lam. Ze zijn trouw gebleven aan hun Heer, zelfs met het mes op de keel. Dus ontvangen ze in de hemel het feestkleed  uit de handen van hun Heer. Maar er staat nog iets. De zielen aan de voet van het altaar aan God vragen: ‘O heilige en betrouwbare Heer, hoe lang duurt het nog, voordat U de mensen die deze gruweldaden begaan hebben, zult straffen?’ En dan krijgen zij het verbijsterende antwoord: ‘Nog even geduld, want het getal van de martelaren is nog niet vol.’ (Openbaring 6 vers 11b)

Hier op aarde denk ik dan al gauw: niet alleen de westerse wereld, maar God Zelf heeft zijn kerk in het Midden-Oosten vergeten! Want waarom grijpt de Heer niet in? Het kost mij moeite om vraag, net als de zielen aan de voet van het altaar, bij God Zelf neerleggen en daar te laten.

Ondertussen lees en hoor ik, hoe de koptische kerk en de koptische christenen aan alle kanten, tot in de interviews van de 21 weduwen toe, een heel ander geluid laten horen dan de moord en dreiging blazende ISIS-strijders die niets anders willen dan dood en verderf zaaien. Net als de vrouw van die koptische christen bij het schilderij, zeggen ze allemaal: hier op aarde moeten wij onze vijanden liefhebben en bidden voor wie ons vervolgen, want alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel, heeft Jezus Zelf gezegd. Ik las op internet de volgende reaktie van een priester van de Koptische kerk richting de moordenaars van ISIS: “Toch houden we van jullie, omdat jullie deel zijn van Gods schepping. We blijven voor jullie bidden. Wat jullie gedaan hebben – daarmee hebben jullie ons geen kwaad aangedaan, maar heb je alleen maar jezelf beschadigd.” En de koptische paus Tawadros II riep binnen een week de 21 koptische gastarbeiders officieel uit tot martelaren van de kerk. Hij deed er diezelfde oproep bij om met liefde te antwoorden op deze gruweldaad. Want als christen weet je toch, dat God eens de ultieme Rechter zal zijn.

Ik weet niet of ik uit mezelf die vergevingsgezindheid zou kunnen opbrengen als mijn geliefden iets heel ergs aangedaan wordt. Volgens mij zijn wij hier in het Westen allemaal mensen met een kort lontje geworden. God is totaal anders. Hij heeft eindeloos geduld. Maar als zijn geduld op is, berg je dan maar. Openbaringen 6 eindigt met de dag dat God en Jezus alles recht zullen zetten. Die dag wordt ‘de grote dag van hun toorn’ genoemd. Je kunt je afvragen, of het wel past God de Vader en bij Jezus onze Heer dat ze in boosheid uitbarsten. Daarover zou ik het volgende willen zeggen. Bedenk deze drie dingen:

1/ Als ik nadenk over Gods toorn, begrijp ik weer des te beter hoe afschuwelijk God de zonde vindt. Er is bij Hem sprake van rechtvaardige boosheid.

2/ Als ik nadenk over Gods toorn, wil ik weer des te meer God zo te dienen, als Hij dat graag wil, met eerbied en ontzag. Er is bij Hem sprake van ontzagwekkende heerlijkheid.

3/ Als ik nadenk over Gods toorn, raak ik weer des te dieper onder de indruk van zijn liefde voor mij. Want om mij van de eeuwige ondergang te redden liet Hij Jezus eerst op aarde komen om aan het kruis te sterven. Zelfs in het eindoordeel wordt Jezus aangeduid als ‘het Lam dat eruit ziet alsof het geslacht was’. Dat is het eerste waar God mee komt. Hij laat Jezus in mijn leven komen om mij het geloof te geven. Er is bij Hem sprake van royale genade!

Als ik dat laatste geloof –royale genade–, hoef ik voor dat eerste niet bang te zijn – rechtvaardige boosheid–, maar durf ik ondanks de serieuze werkelijkheid van zijn toorn, toch volledig op Hem vertrouwen – ontzagwekkende heerlijkheid.  Want wat God in zijn liefde doet, doet Hij graag. En wat Hij in zijn toorn doet, doet Hij met tegenzin. Maarten Luther zei al, dat God zijn rechterhand gebruikt om liefdevol om de mensen heen te slaan en zijn linkerhand om de mensen te straffen, en dat Hij zijn beide handen niet op dezelfde manier gebruikt. Een liefdevolle God die met zijn oordeel komt – het is voor ons moeilijk te kombineren. Maar voor God niet. Gelukkig maar.

Bij het eerste schilderij: Op 21 februari verklaarde de koptisch paus Tawadros II de 21 koptische christenen die door ISIS vermoord zijn, tot martelaars en heiligen. Zij zullen elk jaar op 15 februari herdacht worden. Tony Rezk, een Egyptische kunstenaar die in Virginia – Amerika woont, schilderde op 21 februari deze icoon van de 21 martelaren, waarvan er 20 uit Egypte kwamen en 1 uit Ghana. Naast witte gewaden ontvingen zij uit de hand van de engelen ieder een gouden kroon.
Bij het tweede schilderij: Op 15 februari 2015 liet ISIS een barbaarse video zien van de onthoofding van 21 Egyptische gastarbeiders in Libië aan het strand van de Middellandse Zee. Zij waren allemaal koptische christenen op zoek naar werk. De Egyptische  kunstenaar Wael Mories, zelf een koptisch christen uit Caïro, plaatste op 16 februari een indrukwekkend schilderij  van deze gruwelijke moordpartij op zijn Facebook-pagina. Jezus ging, in oranje overall, voorop zonder een ISIS-strijder achter Hem. Hij nam opnieuw vrijwillig zijn kruis op.
Deze blog is als overdenking uitgesproken tijdens de Middag-Pauze-Dienst op 4 maart 2015 in de Bethelkerk (de voormalige Joodse synagoge) aan de Groningerstraat in Assen.

Op weg naar Pasen het Johannes-evangelie in de Bijbel in Gewone Taal lezen

NBG Bijbel in Gewone Taal“Dominee, hebt u dat leesrooster nog waarin je het hele bijbelboek Johannes tot aan Pasen kunt lezen in de Bijbel in Gewone Taal? U deelde die gistermiddag uit in de kerkdienst waarin we de BGT-bijbelquiz deden. Ik wil die graag gebruiken als ik ’s avonds voor mezelf uit de Bijbel lees.” Dat mailde een jongere me vandaag. Ik antwoordde:  “Jazeker, ik neem er vanavond nog wel wat mee naar catechisatie.” Pasen 2015 leesrooster Johannes BGT - deel 1

Het gaat om het leesrooster dat in de uitgave van het Johannes-evangelie in de Bijbel in Gewone Taal staat. Die is op 12 februari door de EO en het NBG verspreid onder alle abonnees van de EO-Visie. Je kon ook extra exemplaren aanvragen, maar de belangstelling was zo groot, dat men er vóór de middag al helemaal doorheen was. Dus heb ik het leesrooster maar ingescand, gekopieerd en zondagmiddag verspreid. Als je op 19 februari begint, kom je precies op Tweede Paasdag  bij het slot van Johannes uit. Ik zou zeggen: doen! Als je op de volgende link klikt, krijg je het rooster op A4. Uitprinten en lezen maar!

Pasen 2015 leesrooster Johannes-Evangelie BGT in 47 dagen

 

VREEMDELINGENLIEFDE i.p.v. VREEMDELINGENHAAT

Je suis CharlieWat vind jij van al die de buitenlanders in ons land? Zijn al die Turken en Marokkanen in Nederland eng? Denk jij dat ze allemaal crimineel zijn of terrorist? Ben jij ook bang dat er een aanslag in Groningen of Assen komt? Net zoals in Parijs bij Charlie Hebdo? Denk jij ook, dat elke moslim-vrouw met een hoofddoekje een fundamentalist is? Of zou het ook  een barmhartige moslima kunnen zijn? Zouden er over een tijdje ook bij ons net zulke grote demonstraties gehouden worden als in Duitsland tegen de toenemende invloed van moslims in ons land? En vind jij eigenlijk ook, dat Nederland royaal genoeg is met het toelaten van 250 Syrische vluchtelingen per jaar op het totaal van 3,2 miljoen die hun land moesten verlaten? En dat we de andere 9.000 die op eigen houtje asiel aanvroegen in Nederland, eigenlijk maar weer naar Libanon, Turkije of Jordanië moeten terugsturen, omdat ons land al veel te vol met vreemdelingen zit?  Waar komt die angst en onzekerheid vandaan?

In het Oude Testament krijgt één categorie vreemdelingen de meeste aandacht. Namelijk de ‘medelanders’ – de niet-joden die echt binnen de grenzen van Israel wonen. Op dat wonen valt de meeste nadruk. Het gaat om, zeg maar, de bevolkingsgroep die een vaste verblijfsvergunning heeft. Ze hebben bijna dezelfde rechten en plichten als de Israelieten.

En waarom moeten de Israelieten liefdevol met deze medelanders omgaan en hen niet als tweederangs burgers behandelen? Nou, om drie redenen.

1. Vreemdelingen vormen, met de armen, de wezen en de weduwen, het kwetsbaarheidskwartet. Ze zijn de meest kwetsbare groep van de samenleving.

2. De Israelieten moeten zich altijd kunnen inleven in de ‘gemoedsgesteldheid’ van vreemdelingen, want ze zijn zelf ook jarenlang onderdrukt en achtergesteld toen ze in Egypte woonden.

3. En tenslotte: Gods kinderen horen zich altijd te spiegelen aan hun God! En God zegt van Zichzelf, dat Hij de God is die zich om armen, weduwen, wezen en vreemdelingen bekommert.

In Deuteronomium 10 vers 18b en 19 staat het als volgt: De HERE, uw God, neemt vreemdelingen in bescherming en voorziet hen van voedsel en kleding. Ook u moet vreemdelingen met liefde behandelen, want u bent zelf vreemdelingen geweest in Egypte.

De  vraag is dus niet: kennen wij de regels van de Bijbel over hoe je met vreemdelingen omgaat. Na die oproep om vreemdelingen met te behandelen zegt Mozes niet: en hou je daar nu ook aan! De vraag is: kennen wij God als onze Vader? Houden wij echt van Hem en willen we leven zoals Hij het van ons vraagt? Na die oproep om vreemdelingen met liefde te behandelen zegt Mozes: ‘Toon ontzag voor de HERE, uw God, dien Hem en wees Hem toegedaan.’

Wat in Deuteronomium staat, staat ook in de andere boeken van Mozes. Het is een terugkerend refrein, zoals bv. in Leviticus 19: 33+34: Iemand die als vreemdeling in jullie land verblijft, mag je niet onderdrukken. Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten. Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Ik ben de HEER, jullie God.

Behandel de vreemdelingen die in jullie land wonen en een vaste verblijfplaats hebben als geboren Israelieten. Zo scherp ligt dat als het om onze houding tegenover vreemdelingen gaat. Ben je daarin te herkennen als een kind van je Vader in de hemel? En wil je, als je in het Nieuwe Testament over de Heer Jezus leest, in zijn voetsporen gaan? Ook Hij bekommerde zich om mensen in nood, de vreemdelingen niet uitgezonderd. Denk maar aan de Samaritaanse vrouw (Johannes 4:1-42), de Syrische vrouw (Markus 7:24-30), de Romeinse officier (Matteüs 8:5-13) en de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lukas 10:25-37).Kijkbijbel Barhmarige Samaritaan

Weet je, als het om de houding tegenover vreemdelingen gaat, herinnert God de Israelieten er steeds weer aan, dat ze zelf hebben ondervonden hoe ze als vreemdelingen in Egypte onderdrukt zijn. Maar nu zijn ze bevrijd door God en mogen wonen in het beloofde land.

In het Nieuwe Testament laten Jezus en de apostelen zien wat dat betekent voor ons als christenen vandaag. Wie gelooft is zelf ook vreemdelingen geweest. Als mensen zijn wij nakomelingen van Adam. We hebben  met elkaar de ellende van de wereld over ons heen geroepen. Vervreemd van God, vervreemd van elkaar, vervreemd van onszelf. Maar Goddank, Hij heeft ons niet afgeschreven, maar ons weer opgezocht. De Heer Jezus kwam op aarde. Hij gaf zelfs zijn leven om ons te bevrijden bracht ons terug bij God. “Hij maakt ons leven nieuw, ons hart verandert Hij! Jezus is Heer! Alleluia!” En zo krijgen we een nieuw vaderland terug, een plek waar we altijd terecht kunnen en ons veilig mogen voelen. Bij God Zelf!

Maar christenen hebben bij God geen streepje voor boven heidenen. En Nederlanders hebben we geen streepje voor op alle gastarbeiders en asielzoekers. Integendeel: de HERE wil dat alle mensen Hem leren kennen. Zo plaatst Hij ‘medelanders’ op onze weg zodat ze God niet alleen als Allah, maar als hemelse Vader leren kennen, en Jezus boven Mohammed als zijn enige Zoon en onze Redder en Vriend.

Kijk, omdat God zonder onderscheid naar alle mensen toekomt. En omdat Jezus zelfs aan het kruis nog zijn vijanden vergeeft. Daarom vraagt God van jou en mij om te doen wat Hij ook doet: de vreemdelingen die in ons land wonen tegemoet te treden met liefde. Niet met haat, niet met angst, niet met jaloersheid. Dat vraagt best wel een verandering van ons. Van mij wel in elk geval. Een mentaliteitsverandering. Daar hebben we veel van Gods Geest voor nodig. Juist als het pijn doet, wordt het spannend, wanneer je hoort hoe Paulus je oproept: Volg dus het voorbeeld van God, als kinderen die Hij liefheeft, en ga de weg van de liefde, zoals Christus, die ons heeft liefgehad en Zich voor ons gegeven heeft. 

Ik sluit af met een verhaal. Het is geschreven door iemand die een tijdje geleden stage liep in onze kerk. Ik heb het al eerder op mijn weblog geplaatst, dus als je het wilt lezen, klik op De barmhartige moslima.

Deze overdenking heb ik gehouden tijdens een Middag-Pauze-Dienst in de Bethelkerk te Assen en tijdens een Avondsluiting in ‘De Peelerhof’ in Assen-Peelo. Ik heb ‘m ook als preek gehouden (en dus werd ‘ie ruim 2x zo lang) op zondag 1 februari 2015 met als tekst Deuteronomium 10 vers 18b-19. Als preek is hij na te lezen onder ‘Preken OT’ of onder ‘Tot 10 tellen in geloof’ bij ‘Stap 04’.

MET TONGENTAAL KOM JE HEEL DE WERELD OVER

Fish Internal Exile‘Speaking in tongues’ is de titel van een onverstaanbaar, maar toch bijzonder mooi nummer van Fish (voorheen de leadzanger van ‘Marillion’). En als ik in mijn enthousiasme luid en duidelijk Hasjie-barrie-kieba!’ roep, kan niemand mij uitleggen wat dat betekent. Spreek ik dan in tongen? Eén van de drie wondertekenen van het Pinksterfeest is het spreken in ‘vreemde talen’. In het Grieks wordt daarvoor het woord ‘gloossai’ gebruikt. Datzelfde woord wordt ook door Paulus gebruikt in zijn brief aan de christelijke gemeente in Korinte. Daar kwam het spreken in onverstaanbare klanken ook vaak voor. Volgens veel gelovigen is er hier niet sprake van vreemde talen, maar van tongentaal. Want het griekse woord ‘gloossai’ kan zowel ‘talen’ als ‘tongen’ betekenen.

HANDELINGEN

In het boek Handelingen is er drie keer sprake van het spreken in ‘vreemde klanken’. Met Pinksteren (Hand. 2:4+11), in het huis van Cornelius (Hand. 10:46) en bij de leerlingen van Johannes de Doper in Efeze (Hand. 19:6). In al deze drie gevallen gaat het om het spreken in vreemde talen (ook al vertaalt de NBV in Hand. 2 ‘gloossai’ met ‘talen’ en in Hand. 10 en 19 met ‘klanktaal’). Petrus zegt in Hand. 10 maar liefst twee keer, dat de gelovigen in het huis van Cornelius op dezelfde wijze de Heilige Geest hebben ontvangen zoals wij destijds (Hand. 10:47 en 11:15). Het is “hetzelfde geschenk” (“op volkomen gelijke wijze” zegt de bijbelvertaling van 1951) als met Pinksteren. Oftewel: ook Cornelius en de zijnen spraken buitenlandse talen. En als in Efeze de Heilige Geest opnieuw wordt uitgestort, mag je er vanuit gaan, dat ook die leerlingen van Johannes de Doper in andere talen gingen spreken (volgens het principe dat je Schrift met Schrift vergelijkt).

1 KORINTIËRS

Maar hoe zit dat met het woordgebruik van Paulus in de brief aan de Korintiërs? Spraken de gelovigen in Korinte af en toe in vreemde talen? Of raakten ze zo vol van de Heilige Geest dat ze in onverstaanbare, hemelse klanken Gods grote daden bezongen? Een belangrijk uitgangspunt is 1 Kor. 14:21. Daar haalt Paulus de woorden van de HERE God aan uit Jesaja 28:11-12. Daarin wordt geprofeteerd, dat er een tijd zal komen, dat de HERE “tot dit volk zal spreken door mensen die vreemde talen spreken, door de mond van vreemdelingen”, maar het resultaat zal negatief zijn, want “zelfs dan zullen ze niet naar Mij luisteren – zegt de Heer.” (1 Kor. 14:21 = Jes. 28:11+12b). Daarom zegt Paulus er meteen bij, in vers 22: ”Klanktaal (de ‘gloossai’) is dus een teken dat niet bestemd is voor de gelovigen maar voor de ongelovigen.”

IN EEN BUITENLANDSE TAAL

Op grond van het boek Handelingen, waar het altijd over vreemde talen gaat als het woord ‘gloossai’ genoemd wordt én op grond van de verwijzing naar Jesaja én omdat Korinte een internationale havenstad was, waar veel buitenlanders en vijandige joden waren, mag je de konklusie trekken, dat ‘tongentaal’ in heel het N.T. hetzelfde is als het spreken in andere talen. Het is een teken voor de ongelovige joden en heidenen, waardoor de Heilige Geest ze ervan wil overtuigen dat het heil van God in Christus gekomen is voor héél de wereld.

VROEGE KERKGESCHIEDENIS

In de vroege christelijke kerk spreken verschillende kerkvaders over het ‘spreken in tongen’

  • Irenaeus (180 na Christus) schrijft, dat men tot in zijn tijd nog steeds, net als in 1 Kor. 14, “vele broeders in de kerk horen die profetische gaven hebben, door de Geest in allerlei talen spreken, de verborgen dingen van de mensen tot het heil aan het licht brengen en de geheimenissen van God vertellen.” In de bewaard gebleven latijnse vertaling staat ‘per Spiritum universis linguis’. Dat geeft aan dat men bij het griekse woord ‘gloossai’ in die tijd dacht aan buitenlandse talen.
  • Tertullianus (200 na Christus) was een kerkvader die op latere leeftijd zich aangesloten heeft bij de Montanisten, een charismatische sekte in die tijd. Hij schrijft over de geestelijke gaven, dat in Jes. 28:11-12 al voorzegd wordt dat God later “in andere talen en met andere tongen” zal spreken. Hij heeft het ook over de gave van extase en geestvervoering en het uitleggen van talen. Het lijkt erop, dat Tertullianus beide vormen (vreemde taal en tongentaal) uit ervaring kende.
  • Chrysostomos (375 na Christus) vraagt zich af, waarom er in zijn tijd niet meer in vreemde talen of tongen wordt gesproken. Want op de eerste Pinksterdag “uitte de een zich direkt in de taal van de Perzen, de ander in die van de Romeinen, een ander in die van de Indiërs, weer een ander in een andere taal, en dit maakte aan de omstanders duidelijk dat het de Geest is die in elk zich uitte.” Vervolgens zegt Chrysostomos, dat niet alleen de apostelen, maar ook de gelovigen deze gave van de talen ontvangen hebben, want “als iemand gedoopt werd, sprak hij direkt in talen, en niet alleen in talen, maar velen profeteerden ook, en sommigen vertoonden ook vele krachten.” Daarbij verwijst hij naar 1 Kor. 12 en 14. Volgens Chrystostomos gaat het zowel in Handelingen als in 1 Korintiërs over het spreken in bekende, buitenlandse talen.
  • Tenslotte heeft ook Augustinus (425 na Christus) het consequent over ‘de talen van de volken’ als het om deze gave gaat. Hij zegt, dat het spreken in vreemde talen een teken van de Heilige Geest is uit de tijd van Pinksteren. Want toen bestond de kerk nog uit één volk, nl. Israel. Maar met Pinksteren liet de Heilige Geest de gelovigen al in alle talen van de volken spreken om aan te geven, dat de kerk “door te groeien onder de volken, zij in de talen van alle volken spreken zou.” Omdat de kerk in zijn tijd inmiddels het Evangelie van Jezus Christus in alle talen van de volken verkondigt, hoeft dit teken nu niet meer gegeven te worden, aldus Augustinus.

Zowel Chrysostomos als Augustinus reppen met geen enkel woord over het spreken in tongen als extatisch taal. De gave van het spreken in vreemde klanken is in hun tijd al verdwenen en zij vatten die op als het spreken in onbekende, buitenlandse talen.

TONGENTAAL VANDAAG

De ervaring van veel christenen om in tongen te spreken keur ik niet af. Zeker niet als het in het persoonlijke leven gebeurt en niet demonstratief in de samenkomsten vertoond wordt, vaak zonder uitleg erbij. Maar zeg er dan wel eerlijk bij: het hedendaagse ‘spreken in tongen’ is niet hetzelfde als het bijbelse ‘spreken in andere talen’.

Hoe kun je het spreken in tongen dan wel positief benoemen? Collega-predikant dr. E.A. de Boer (aan wie ik ook de verwijzingen naar de oude kerkvaders te danken heb) heeft het mij eens zo duidelijk gemaakt: in het persoonlijk gebed en in de lofprijzing kan soms de ‘emotionaliteit’ de overhand krijgen boven de ‘verbaliteit’. Dan gaat het gecontroleerde bidden met het verstand over in het uiten van onverstaanbare en onvertaalbare klanken. Het is dan niet vreemd dat dit als een gave van de Geest ervaren wordt, omdat het hart van de gelovige ook in zulke situaties openstaat voor God en zich in een vorm van lofprijzing tot de Heer richt.

In die richting kun je ook de gave van het spreken in ‘gloossai’ door Paulus in 1 Korintiërs 14 uitleggen (hoewel ik persoonlijk denk, dat het eerder om spreken in andere, bestaande talen gaat). Hij schrijft namelijk: Wie vreemde klanken uit, richt zich niet tot mensen, maar tot God. Niemand verstaat hem, want door de Geest gedreven spreekt hij onbegrijpelijke taal. (vers 2) En: Wie spreekt in klanken, put er alleen zelf kracht uit. (vers 4) Over dat laatste is Paulus niet negatief. Hij is zelfs blij met die gave. Maar hij gebruikt deze gave liever niet in de samenkomsten van de gemeente. Dan is het belangrijker om kennis door te geven of iets te profeteren of u te onderwijzen (vers 6). Vandaar dat Paulus ook zegt: Ik zou willen dat u allen in klanktaal kon spreken, maar ik wil nog liever dat u profeteert. Iemand die profeteert is nuttiger dan iemand die in klanktaal spreekt, tenzij hij uitlegt wat hij zegt, zodat de gemeente er baat bij heeft. (vers 5) En: Daarom moet iemand die in klanktaal spreekt bidden om de gave die te kunnen uitleggen. (vers 13) Dus trekt Paulus de konklusie: Ik heb, God zij gedankt, meer dan u allemaal de gave om in klanken te spreken. Maar tijdens een bijeenkomst wil ik liever vijf woorden spreken met mijn verstand, om anderen iets te leren, dan duizend woorden in extatische klanken. (vers 18+19)

Als je in je eigen geloofsleven momenten kent, dat je in je dank aan God uitstijgt boven de gewone taal, is dat een waardevolle ervaring. Koester die en wees er blij mee. Het is een geschenk van God aan jou persoonlijk. Eén van de gaven die de Geest uitdeelt. Om het persoonlijk geloof te laten groeien. Terwijl andere gaven meer tot opbouw van de gemeente zijn. Die twee gaan altijd samen: de gemeente is er om het persoonlijk geloof te laten groeien. En als het persoonlijk geloof groeit, wil je je ook des te meer inzetten voor de opbouw van de gemeente.

Heaven is for Real – een oppervlakkige film en een aardig dagboek over Colton Burpo’s bezoek aan de hemel

De jongen die in de hemel was is al meer dan 1½ jaar het best verkochte christelijke boek in Nederland. Het heeft veel tongen losgemaakt. De verhalen van een kleuter van bijna 4 jaar over wBurpo jongen hemel 2e drukat hij in de hemel  heeft gehoord en gezien zijn zo bijzonder. Wat je er ook van vindt, ik geloof dat Jezus onze Heer werkelijk in de hemel is. En het verhaal van Colton onderstreept dat voor mij.  Zo schreef ik erover in juni 2013, toen het boek nog tamelijk onbekend was – zie hier. Nu is ook de film Heaven is for Real uitgekomen. En is er een bijbels dagboek van Todd & Sonja Burpo verschenen met 42 ‘inspirerende overdenkingen’ onder de titel De hemel verandert alles.  De film van ruim 1:30 uur heb ik helemaal bekeken en het dagboek heb ik met interesse doorgebladerd.

De kern van het boek vind je niet terug in de film

Over de film valt veel te zeggen. Het begin is wat langdradig, maar inhoudelijk is het knap gespeeld. Met name door Colton die met zijn grote blauwe ogen zo aller-onschuldigst de dingen die hij in de hemel gezien heeft, aan de orde stelt. Ook ben ik blij dat er nagenoeg geen ervaringen van Colton in de hemel zijn nagespeeld. Daar was ik wel even bang voor. Want dan zou een film mijn beeld van hoe het in de hemel toegaat, gaan bepalen. Nu komt alleen de hand van Jezus in beeld en het moment dat Coltons zusje (sprekend haar moeder) hem omhelst. Voor de rest zitten er wat vrijheden in die niet in het boek staan, zoals het bezoek van vader Todd aan een psycholoog die de bijna-doodervaring van Colton wegverklaart (met een slechte vertaling van de Engelse termen ‘extrasensory knowledge’ en ‘circular’) en een dreigend conflict van Todd met zijn kerkenraad.

Heaven is for real movieMijn grote bezwaar tegen de film is, dat het hart uit het boek weggesneden is. Het boek is weliswaar vooral een succes geworden, denk ik, omdat het over de herkenning gaat van z’n ongeboren zusje en z’n overgrootvader die hij nooit gekend heeft. Maar daaronder zit de laag dat Colton, als hij hoort dat iemand gestorven is, bijna hysterisch vraagt: ‘Heeft die meneer Jezus gekend? Droeg hij Jezus in zijn hart? Dat móet, anders komt hij niet in de hemel. ‘ (blz. 82 en blz. 84 van het boek). In de film kom je passage niet tegen. En ook niet dat Colton zegt dat Jezus hem verteld heeft dat Hij aan het kruis gestorven is zodat wij naar zijn Vader kunnen  (blz. 145 van het boek). En dat Jezus heel veel van kinderen houdt is in de film vervlakt tot dat de hemel voor kinderen een hele mooie plek is. In het boek gaat het ten diepste om Jezus. Wie in Hem gelooft, krijgt een plaats in de hemel. De boodschap van de film is veel oppervlakkiger, namelijk: ‘God is liefde.’ Dat blijkt uit de passage waarin Colton een ernstig ziek meisje moed inspreekt door te zeggen: “Het komt goed. Niemand zal je ooit pijn doen”. In het boek zegt hij tegen een oudere, gelovige man die bijna zou sterven:  “Het komt goed. De eerste die u ziet, dat is Jezus.” (blz. 153 van het boek). Dat het geloof in Jezus vervaagt tot ‘God is liefde’  zie je ook bijna aan het eind van de film als dominee Todd een preek houdt. Daarin zegt hij: “Colton was echt in de hemel. Daar heeft hij Jezus gezien. Maar of Jezus je nu hoop geeft of dat je hem wantrouwt, dat geeft niets. Want God wil niet dat we daar allemaal dezelfde visie op hebben. Hij heeft een ander plan. Hij opent harten voor de liefde. Het enige wat ik hoef te doen en wat die liefde nodig heeft, is mensen te vertellen dat ze niet alleen zijn.”  Zo wekt de film de suggestie, dat iedereen in de hemel komt, omdat God vol liefde is. Dat blijkt o.a. uit de passage over de vrouw van wie de zoon op 19-jarige leeftijd als soldaat is omgekomen. Ze is boos op God en jaloers op Todd omdat die zijn zoon Colton wel terug kreeg. Ze vraagt dan: “Denk je dat mijn zoon in de hemel is?” Dan antwoordt Todd: “Denk je dat God meer van mijn zoon houdt dan van de jouwe?” In het boek staat het heel anders. Daar geeft Todd dit als antwoord geeft aan een moeder die een doodgeboren kindje heeft gehad, en dan niet vanwege Colton, maar vanwege het ongeboren zusje dat Colton in de hemel gezien heeft (blz. 184 van het boek).  Dat lijkt me voor gelovige ouders inderdaad een bijbelse troost (D.L. I 17). Maar in de film is elke oprechte liefde van ouders blijkbaar genoeg om in de hemel te komen. En dus is het een oppervlakkige film vanuit christelijk oogpunt bekeken.  Bijzonder jammer en echt een misser dat Jezus, onze Heer, in de film niet de plek krijgt die Hij in het boek nadrukkelijk wel krijgt.

Het dagboek spreekt meer aan dan de filmBurpo hemel verandert alles

In het dagboek komt Jezus wel nadrukkelijk op de eerste plaats te staan. Hoofdstuk 29 heeft als titel Belangrijk! en gaat over de vraag of je alleen in de hemel kunt komen als je Jezus in je hart hebt. Dat is voor Todd Burpo geen vraag, want Jezus heeft het Zelf  gezegd in Johannes 14 vers 6: Niemand kan bij de Vader komen dan door Mij. Dus zal God zeggen na je sterven: ‘Ken je mijn Zoon, en ben je werkelijk zijn volgeling op aarde? Dan ben je meer dan welkom in mijn huis.’ (blz. 118 van het dagboek). In het dagboek stellen Todd en Sonja op een vlot leesbare manier veel verschillende onderwerpen aan de orde. Elk hoofdstuk begint met een stukje uit het boek ‘De jongen die in de hemel was’. Daarna gaan Todd en Sonja daar wat dieper op in, met verwijzingen naar de Bijbel. Elk hoofdstuk eindigt met een kort ‘nadenkertje’  en een bijbeltekst. Meestal kun je er echt wel wat mee. Soms niet, zoals de opmerking van Todd om fotoboeken van trouwerijen en familiefeestjes als eerste bij een brand mee te nemen, “omdat je op die manier de mensen die je in de hemel opwachten beter zult herkennen.” (blz. 174 van het dagboek).

Als het om echte bijbelstudies over de hemel  gaat, kun je trouwens beter terecht bij Randy Alcorn. Hij is vooral bekend van de boeken  Deadline, Het territorium en Thuiskomst – drie detectiveromans Alcorn hemel boek bijbelstudieswaarin ook beschreven wordt hoe het in de hemel toegaat voor wie als christen gestorven is en in elke boek ook één indringend hoofdstuk voor wie door z’n ongeloof in de hel terecht komt. In het dagboek Hoe zal het in de hemel zijn? staan 50 overdenkingen die een bijbels perspectief op de eeuwigheid geven. Die gaan allemaal meer uit van de Bijbel dan het dagboek van de Burpo’s. Het mooie bij Randy Alcorn vind ik, dat hij nadrukkelijk aangeeft dat niet de hemel, maar het nieuwe Jeruzalem op de nieuwe aarde de plaats van onze bestemming is. Dat element mis ik wel bij het verhaal van Colton, de jongen die in de hemel was.

Kritische vragen mogen terecht gesteld worden

Voor de rest hou ik het hierbij. Er is bijbels-theologisch wel wat kritiek te leveren op het boek, de film en het dagboek van Colton, Todd en Sonja Burpo. Dat heeft bv. Matthijs Haak heel netjes gedaan in zijn oudejaarspreek ‘Heaven is for real’ van 31 december 2014 (na te lezen op zijn weblog http://t.co/WlqNhK79Ki) En ik vraag me af ook af in hoeverre je geloof moet hechten aan het portret van Jezus dat door Akiane Kramarik geschilderd is. Als ze 16 is, geeft ze aan dat haar visie op Jezus de volgende is: een lichtend voorbeeld voor alle mensen, want ieder mens moet op z’n eigen manier de weg naar de waarheid en het licht gaan om zo God te bereiken. Als ze op bijna volwassen leeftijd zo anders over Jezus denkt dan de Bijbel doet, hoe betrouwbaar zijn dan de visioenen die ze als kleuter gehad heeft en waarin ze Jezus heeft gezien? Zie daarvoor bv. zeer kritische reaktie van Marc Verhoeven op http://www.verhoevenmarc.be/PDF/hemelEcht.pdf. Maar zijn artikel heeft hij overgeschreven van Amerikaanse sites die vaak extreem chiliastisch en dus ook erg eenzijdig zijn. Dus blijf ik toch maar bij mijn eerste reaktie op het ervaringsverhaal van Colton Burpo: in het boek (maar helaas niet in de film) wijst hij nadrukkelijk naar de Persoon om wie het in de hemel gaat: Jezus.

 

Heaven is for Real – de film is voor ± € 15,00 overal in Nederland te verkrijgen
Todd & Sonja Burpo, De hemel verandert alles, 2014, Uitgeverij Plateau, Barneveld, € 16,90
Todd Burpo, De jongen die in de hemel was, 2013, Uitgeverij Plateau, Barneveld, € 12,95
Randy Alcorn, Hoe zal het in de hemel zijn?, 2009, Uitgeverij Medema, € 18,95