De duivel is overal maar niet alles is occult

‘Sinds mijn dochter charismatisch-evangelisch is geworden, is haar hart vol van Jezus, maar ziet ze ook in elk gebruik en achter elke situatie de duivel en zijn demonen aan het werk. Ze is er angstiger op geworden, ook al getuigt ze steeds, dat Jezus Overwinnaar is.’ Dat vertelde een goede kennis me een keer. Hij was blij met het levende geloof van zijn dochter, maar vond dit er echt wel een negatieve bijwerking van.

Hoe moet je omgaan met de hernieuwde aandacht voor duivelse beïnvloeding en demonische belasting? Is het wel verstandig om daar dieper op in te gaan? En vervolgens overal ‘occulte invloeden’ in te zien? Van het spel Weerwolven tot aan Zwarte Magica, Madam Mikmak en Hortensia Heks in de Donald Duck? Van Boeddha-beeldjes binnenshuis tot tuinkabouters buitenshuis? Van demonische belasting dankzij je overgrootouders tot demonische beïnvloeding bij manisch-depressiviteit en borderline? Van vloekdwang en suïcidale gedachtes als gevolg van ooit één keer glaasje draaien in je puberteit tot het schoonbidden van de slaapkamer van je kind omdat juist in die kamer de voor-vorige bewoner 30 jaar haar wicca-praktijken uitoefende?

Ik heb me wat verdiept in de redeneringen van christenen die zo denken. Volgens mij maken ze mensen zoals de dochter van mijn kennis onnodig bang. Ik noem een paar willekeurige voorbeelden.

OCCULTE BELASTING VANWEGE VORIGE GENERATIES?

Volgens sommige christenen kan er sprake zijn van occulte belasting omdat er in eerdere generaties ouders waren die zich hebben ingelaten met boze geesten en hun praktijken. Als je vader bijvoorbeeld met ‘strijken’ pijn kon wegnemen bij jou als klein kind, moet je er niet raar van staan te kijken dat er zeven demonen in jou huizen die jouw gedachten telkens negatief beïnvloeden. Dan is er namelijk sprake van een generatievloek die gebaseerd is op onbeleden zonden of demonische belasting van voorouders. Alleen middels bevrijdingspastoraat kunnen zulke boze geesten weer worden uitgedreven.

En als het gaat om kerkelijke gemeentes las ik een aantal jaren in een boekje dat je als christen veel aandacht moet besteden aan de reiniging van de leiders, de gebouwen en de gemeenteleden. Dan moet je de HERE met Psalm 139 bidden, of er  een schadelijke weg is bij mij of bij het voorgeslacht? (echt waar, dat voegde de auteur er zo even bij!). Als voorbeeld werd aangehaald, dat ooit een bekende spiritiste een lezing gehouden had in een kerkgebouw. Vanaf dat moment kwamen op het terrein van de kerk occultisten en plaatselijke heksen in lange zwarte gewaden rond middernacht bij elkaar om hun vervloekingen uit te spreken. Toen tientallen jaren later een predikant deze mensen wegjoeg, kregen hij en zijn gezinsleden onmiddellijk last van verschrikkelijke nachtmerries, kwalen en hallucinaties. Dat kwam doordat satan vanwege die lezing van jaren geleden rechtmatig bevoegd was om de gemeenteleden aan te vallen.

Als dit klopt, is het heel merkwaardig dat in de Bijbel onze Heer Jezus Christus talloze demonen heeft uitgedreven, maar dat je Hem nooit ook maar één keer hoort zeggen dat het aan de demonische praktijken van de voorouders ligt dat iemand bezeten is.

Vaak halen christenen die geloven in een ‘generatievloek’ het Tweede Gebod als bewijstekst aan. Daar staat immers, dat de HERE “de ongerechtigheid van de vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten.” (Ex. 20:5b). Dus als je God geen vergeving vraagt voor al die keren dat jij je met occulte praktijke hebt ingelaten, kan de duivel tot in de vierde generatie doorgaan met zijn schadelijke invloed.

Ik vind dit bijzonder onzorgvuldig en schadelijk bijbelmisbruik. In het 1e en 2e gebod van de Tien Geboden gaat het over eigenwillige godsdienst en afgodendienst. Er staat dat God Zélf de konsekwenties ervan tot in het 3e en 4e geslacht zal laten voelen. De duivel en het okkulte worden helemaal niet genoemd. Er staat dat dit geldt ‘voor wie Mij haten’ – dat is een heel sterk werkwoord waarmee mensen worden aangeduid die zich willens en wetens van God afkeren en niets meer van Hem willen weten.

Deze tekst heeft dus helemaal níets met demonische belasting te maken die ook nog overdraagbaar zou zijn van de ene generatie op de andere generatie. Als dat zou kunnen, zou je toch minstens verwachten dat de Here Jezus ook een keer de zonde van de voorouders als reden noemt waarom iemand door boze geesten bezeten is.

Kortom: al die aandacht voor okkulte belasting in het voorgeslacht maakt christenen alleen maar bang. En dus geef je niet God de eer, maar laat je je (vanuit precies de omgekeerde motivatie) juist in met okkultisme. Afblijven, van weg blijven en weer terug naar God alleen – zegt Mozes. Hou je aan de bijbel en niet aan allerlei theorieën over hoe de duivel te werk gaat. Want hoe meer je je bezig houdt met vragen of achter allerlei zaken ook okkulte invloeden en demonische belasting zitten – hoe meer je je er zelf mee in laat. Stop daar maar mee – want je doet het als christen, maar je wordt er alleen maar onzekerder van.

DENKPATROON

Hoe komt het nou, dat sommige christenen achter elke boom een boze geest zien?

Vaak zijn dit de, volgens mij foutieve, denkstappen die iemand maakt om allerlei dingen als occult te benoemen en af te wijzen.

Stap 1: Je hebt bepaalde tradities en gewoonten.

Stap 2: Uit die tradities en gewoonten spreekt een bepaalde geest.

Stap 3: Die geest wordt een echte persoon en dus is er sprake van demonen.

Stap 4: Deze demonen kunnen zich verbinden met voorwerpen en dus is het riskant om bv. boeddhabeeldjes in huis te hebben of een spel als Weerwolven te spelen.

Wat hier gebeurt is het volgende: vanuit een bepaalde redenering maak je van verkeerde gewoontes eerst geestelijke machten en daarna konkrete personen. Daarmee trap je in een gevaarlijke valkuil. Dan denk je namelijk, dat je de duivel en zijn demonische machten in bepaalde gebieden van het leven kunt aanwijzen en benoemen.

Natuurlijk is het waar, dat er een geestelijke strijd gevoerd wordt en dat we als christenen de geesten moeten onderscheiden of zij uit God zijn. Maar dat houdt volgens mij niet in dat ik overal moet nagaan of er ook demonen aan het werk zijn. Dat zou, lijkt mij, te weinig eer zijn voor de duivel. Hij werkt veel geraffineerder. En al die aandacht voor dit onderwerp maakt mensen, ook oprechte christenen, alleen maar bang en angstig. Als een toevallige samenloop van omstandigheden nota bene door christenen in een onbewezen occult verband gebracht wordt, zet je zelf de deur open, waardoor de grote tegenstander binnen kan komen.

Jezus wijst een andere weg: kom gewoon maar bij Mij. Onze hemelse Vader zegt: schuil maar bij Mij. We zouden het met elkaar vooral dáár over moeten hebben, lijkt me, of we dát nog wel doen: van onze grote God en Heiland veel verwachten en volledig op Hem vertrouwen.

EEN EVANGELISCH TEGENGELUID

In het boek ‘De belofte van genezing’ van de Amerikaanse evangelische theoloog Richard Mayhue staat gelukkig een veel genuanceerder en bijbelser opvatting over demonen. Wat hij zegt is het volgende:

“De Brieven van het Nieuwe Testament waarschuwen gelovigen nooit voor de mogelijkheid van inwonende demonen, ook al worden Satan en demonen vrij vaak besproken. Ook instrueren de Brieven van het Nieuwe Testament gelovigen nergens hoe ze demonen bij een gelovige of een ongelovige moeten uitdrijven.
Het is bijbels onvoorstelbaar dat in een ware gelovige demonen zouden kunnen wonen wanneer de Bijbel geen duidelijk historisch voorbeeld geeft en wanneer er geen waarschuwingen of instructies worden gegeven voor een dergelijke serieuze geestelijke ervaring.
Minstens vijf andere bijbelse factoren bevestigen deze conclusie:
(1) De scherpe woorden van 2 Korinthiërs 6:14-18 sluiten uit dat de Heilige Geest en onreine geesten samenwonen in een ware gelovige – zelfs tijdelijk.

(2) Redding, zoals beschreven in Kolossenzen 1:13, spreekt van ware ‘verlossing’ van Satan en overbrenging naar het Koninkrijk van Christus.

(3) De volgende passages vormen, gecombineerd, een krachtige verklaring die demonische inwoning bij christenen uitsluit:

Romeinen 8:37-39 – Meer dan overwinnaars door Christus

1 Korintiërs 15:57 – God geeft ons de overwinning door onze Here Jezus Christus

2 Korintiërs 2:14 – God doet ons te allen tijde in Christus zegevieren.

1 Johannes 2:13,14 – We hebben de boze overwonnen.

1 Johannes 4:4 – Hij, die in ons is, is meerder dan die in de wereld is.

(4) De verzegeling met de Heilige Geest beschermt de christenen tegen invasies van demonen (2 Kor. 1:21,22; Ef. 4:30).

(5) De belofte van 1 Johannes 5:18 maakt de idee van invasies van demonen een onbijbels concept en een onmogelijkheid voor een ware gelovige. Wij weten, dat een ieder, die uit God geboren is, niet zondigt; want Hij, die uit God geboren werd, bewaart hem, en de boze heeft geen vat op hem.

Samenvattend is Mayhue van mening:

“De Bijbel kent zijns gelijke niet als de unieke bron van Goddelijke openbaring om ons te vertellen over de geestelijke wereld van Satan en demonen. Klinische ervaringen en ervaringen van hulpverleners mogen nooit gelijk zijn aan de Schrift en moeten nooit worden gebruikt om conclusies te trekken die niet eerst duidelijk worden geleerd in het Woord van God.
De Bijbel leert overtuigend dat Satan of demonen nooit in ware gelovigen kunnen wonen. Ware gelovigen kunnen echter wel uitwendig worden gekweld of lastiggevallen, zelf in ernstige mate.”

Christenen over vaccineren – drie posities en iemand die van ‘nee’ naar ‘ja’ ging

Een goede kennis vroeg me laatst: “Wanneer je met goede argumenten kunt komen, laat ik me graag door jou overtuigen om mij toch maar te laten vaccineren. Ik kijk uit naar je reactie.” Nu denk ik niet dat ik mensen kan overtuigen om zich te laten vaccineren. Zelf vind ik dat vaccinatie een door God gegeven middel is dat we kunnen gebruiken om te voorkomen dat mensen doodziek worden of zelfs sterven aan een relatief makkelijk te voorkomen virusinfectie. Een andere goede kennis zei een paar week geleden tegen me: “In de 19e eeuw had je de pokken waar duizenden mensen aan stierven, tot half jaren ’50 van de vorige eeuw had je polio waar honderden mensen aan stierven, en in beide periodes had je predikanten die openlijk schreven dat het een geschenk en dus ook een opdracht van God is om je laten vaccineren. Waarom durven christelijke voorgangers dat nu niet openlijk te zeggen?”

Om me wat verder in dit onderwerp te verdiepen las ik opnieuw het uitstekende boekje POLIO – Afwachten of afweren van prof. dr. J. Douma (TU Kampen – GKV) en prof. dr. W.H. Velema (TU Apeldoorn – CGK) uit 1979. Zij schreven dit boekje n.a.v. de polio-uitbraak in 1978 op initiatief van de regering (!). Want die wilde graag het reformatorische volksdeel dat principiële bezwaren had tegen inenting laten voorlichten, niet door niet-christelijke medici en seculiere politici, maar door “twee bij uitstek deskundigen op het gebied van de theologisch-ethische benadering van het vraagstuk van de vaccinatie” (blz. 7, E. Veder-Smit, staatssecretaris Volksgezondheid en Milieuhygiëne).

Drie posities

Douma en Velema laten zien dat er drie standpunten zijn onder christenen als het om vaccinatie gaat (blz. 63-65).

“Er zijn gelovigen die elke vorm van inenting principieel en radicaal afwijzen. Zij willen er niets van weten. Zij menen dat zij in strijd handelen met het gebod van Gods en het geloof in Gods vaderlijke leiding – de voorzienigheid van God – als ze maatregelen nemen vóór de ziekte toegeslagen heeft.

Een tweede groep van christenen acht inenting geboden als plicht van iedere gelovige. (…) Ieder christen moet uit besef van verantwoordelijkheid voor zijn directe omgeving en voor de samenleving in haar geheel zichzelf en zijn kinderen laten inenten.

(…) Tussen beide standpunten bevindt zich een groep die van mening is dat ieder voor zichzelf een beslissing moet nemen. Wie inenting niet met zijn geweten in overeenstemming acht, moet haar nalaten. Wie er wel vrijmoedigheid voor vindt, moet haar toepassen.”

Douma en Velema geven ook aan, dat de principiële voorstanders van inenting “het als een verplichting zien dat iedere gelovige inenting toepast, ook al willen ze een ander er niet toe dwingen dit te doen. (…) Zij zeggen, met alle respect voor het geweten van de ander: De afwijzing van inenting berust op een verkeerd verstaan van de Schriften. Wie Gods gebod goed verstaat, mag zich aan inenting niet onttrekken. Inenting is plicht.”

Vaccinatiedrang en vaccinatiedwang

Tegelijk is het zo dat de voorstanders van inenting en de aanhangers van het middenstandpunt allebei de grens leggen bij het persoonlijke geweten. “Als het geweten neen zegt, mag niemand – zelfs de overheid niet – tot inenten dwingen.”  Het verschil hierbij is dan wel weer, dat overtuigde ja-zeggers het standpunt huldigen: geen staatsdwang, wel staatdrang. Toch waren ook zij in 1872 in meerderheid tegen de verplichte inenting van onderwijzers en leerlingen. Die was in 1872 niet absoluut trouwens: je mocht kiezen voor ander werk of je kind thuishouden. Maar het werd door veel christenen wel als sociale dwang gezien.

Bij de polio-uitbraken in de jaren ’70 van de vorige eeuw vinden Douma en Velema dat er helemaal geen staatsdwang toegepast mag worden, want die hadden zo’n beperkte omvang dat de gezondheid van de maatschappij niet in gevaar kwam.  

Wat mij dan wel triggert is, hoe Douma (die vorig jaar zelf overleden is aan corona) en Velema gedacht zouden hebben over de vaccinatie-drang en misschien binnenkort de sociale vaccinatie-dwang in onze tijd. Ik vermoed dat ze geen moeite zouden hebben met het eerste. En dat ze verplichte vaccinatie resoluut zouden afwijzen, want dan gaat de overheid over de gewetens van mensen heersen. Maar wat zouden ze vinden van sociale vaccinatie-dwang onder bv. IC-verpleegkundigen en zorgmedewerkers in verpleegtehuizen? Ik vermoed dat ze daar geen voorstander van zouden zijn, maar er gezien de ernst van de corona-epidemie wel begrip voor zouden hebben wanneer de overheid dit zou invoeren voor bepaalde beroepssectoren.

Douma en Velema geven ook duidelijk aan waarom het vertrouwen op de zorg van God het gebruik van preventieve middelen tegen ziektes goed kunnen samengaan. Hun uitleg van bijbelgedeeltes als Matteüs 9:12 (‘Wie gezond zijn hebben geen dokter nodig’) en Exodus 15:26 (‘Ik, de HERE, ben uw Heelmeester’) en Spreuken 22:3 (‘De schrandere ziet het onheil en bergt zich, maar de onverstandigen gaan hun gang en moeten boeten’) kan ik alleen maar ter lezing aanbevelen.

Van een principeel ‘nee’ naar een overtuigd ‘ja’

Het valt mij op dat in de eerste helft van de 19e eeuw de bijbelgetrouwe christenen uit de kringen van het Reveil, zoals de christelijke arts Abraham Capadose in 1823, en onder gereformeerden uit de kring van de Afscheiding van 1834, onder wie Hendrik de Cock, in meerderheid principieel tegen vaccinatie tegen de pokken waren, ook al maakte die vooral onder kleine kinderen veel dodelijke slachtoffers. Dat vaccin was in 1796 uitgevonden in Engeland en werd al snel in heel Europa toegediend.  De twee belangrijkste bezwaren waren ook toen al: ‘vooruitlopen op Gods voorzienigheid’  en ‘je laat je injecteren met het merkteken van het Beest. En complottheoriën zie je ook al opdoemen in die tijd, maar ook bv. als het gaat om het ontstaan van aids (bv. door een uit de hand gelopen experiment in een Amerikaans laboratorium – zoals J. Douma in zijn boekje ‘AIDS – meer dan een ziekte’  op blz. 15 schrijft)

In de tweede helft van de 19e eeuw werd er onder bijbelgetrouwe christenen veel positiever over gedacht, o.a. door Abraham Kuyper, de voorman van de tweede groep gereformeerden die in 1886 met de Doleantie meegingen en ook door Helenius de Cock, die leefde van 1824-1894. Ik blogde al eerder over hem – klik hier.  Helenius was de zoon van Hendrik de Cock, de voorman van de Afscheiding van 1834. Die was fel tegen vaccinatie, ook vanwege de rol van de overheid in de tijd van de Afscheiding: Hendrik de Cock werd vervolgd en gevangen gezet. Dat maakte hem, naast principiële bezwaren, ook argwanend tegen alle wetenschappelijke kennis van niet-gelovigen. Helenius was 17 jaar oud toen in 1841 zijn jongste broertje van bijna één jaar aan de pokken stierf. Jaren later, in 1871, schreef hij een brochure waarom hij zijn kinderen wél liet inenten. Hij vertelde, dat de dood van zijn broertje een verpletterende indruk op zijn vader had gemaakt. Ook, omdat de dokter had verklaard dat het kindje zeker was blijven leven als De Cock het wel had laten inenten. Toch, schreef Helenius, bleef mijn vader bij zijn standpunt dat vaccinatie niet geoorloofd was en heeft hij God nooit verwijten gemaakt dat zijn zoontje niet in leven bleef, hoewel hij er de HERE intens om gebeden had. Mede daarom was Helenius ook lange tijd principieel tegen vaccinatie.

Waarom ging hij uiteindelijk toch over van ‘nee’ naar ‘ja’? Om drie redenen, schrijven Douma en Velema (blz. 35-40). Allereerst: Helenius had de woorden van Christus over gezonden die geen geneesheer nodig hadden nooit letterlijk opgevat. Dat woord sprak Jezus namelijk tegen de farizeeën die in de waan leefden dat zij Jezus als geneesheer van hun zonden niet nodig hadden. Verder had Helenius lange tijd op het standpunt gestaan, dat je als christen beter solidair kunt zijn met gelovige gewetensbezwaarden dan met niet-gelovigen die in hun overmoed door vaccinatie de voorzienigheid van God miskennen. Maar toen hij in Schotland en Duitsland gelovigen tegenkwam die vonden dat vaccinatie voor christenen juist roeping en plicht was, besefte hij, dat je als christen het resultaat van de medische wetenschap niet hoeft af te wijzen, ook al blijf je de hoogmoed erachter afwijzen. Tenslotte moest Helenius toegeven, dat de resultaten van de vaccinatie enorm positief waren en dat alle schrikbeelden van mogelijke schadelijke gevolgen niet waren uitgekomen. Als niet-geneeskundige kon hij die feiten niet weerleggen.

Wat mij opvalt in het nieuwe standpunt van Helenius de Cock zijn de volgende dingen. Allereerst: hij gaat niet mee in het eindtijdscenario. Dat vind ik verstandig. Als christenen moeten we niet te snel met het teken van het beest op de proppen komen. Want als je als christen al vindt dat Openbaring 13 op de huidige tijd van toepassing is, moet je vooral de macht en invloed van de technologie en de toepassing ervan door een dictatuur als China benoemen. Dat was er al ver voordat het corona-virus begin 2020 de wereld rondging. Dat is echt een andere diskussie, vind ik, al is corona voor veel mensen wel een eye-opener als het om deze ontwikkelingen gaat. Verder beseft Helenius heel goed dat hij geen arts en dus geen deskundige is als het om het effect en de bijwerkingen van het pokkenvaccin gaat. Oftewel: argwaan levert niets op – een kritische houding wel. Dus geef ik –al sputterend- de overheid het voordeel van de twijfel als het om de coronamaatregelen gaat, want onze regering is niet te vergelijken met de Romeinse overheid aan wie Paulus zich ook onderwierp als die niet in strijd met Gods Woord handelde.  Daarom vind ik ook dat het RIVM meestal keurig en soms wat slordig objectieve gegevens publiceert. Vaak zijn niet de statistieken, maar de interpretatie die men er aan geeft de grootste leugen. En als ik weer een corona-scepticus tegen komt die een ander geluid laat horen dan de overgrote meerderheid van de deskundigen, check ik eerst even de achtergrond van deze kritische persoon. Dat laat meestal duidelijk zien dat bv. Gert Vanden Bossche of Robert Malone meer omstreden zijn dan ze zelf beweren. Als theologisch schoenmaker hou ik mijn liever bij mijn bijbelse leest dan dat ik denk dat ik het van de 17 miljoen virologen in Nederland het beste weet.

Die bijbelse leest leert mij dat je als christen de morele plicht hebt om de middelen die God in zijn voorzienigheid aan ons als mensheid geeft, niet achteloos te laten liggen, maar dankbaar uit zijn hand te aanvaarden.

Wat zegt de Bijbel over mondkapjesplicht en quarantaine?

Wie het boek Moderne wetenschap in de Bijbel van Ben Hobrink gelezen heeft, weet dat God in de Bijbel veel wijze regels aan de mensheid gegeven heeft die in onze tijd door de wetenschap onderstreept worden (waarbij Hobrink soms wel wat al te veel vanuit de Bijbel wil bewijzen trouwens). Dat geldt ook voor het nut van veel coronamaatregelen. Daarover schreef drs. Alie Hoek-van Kooten, arts en medicus, getrouwd met de theoloog dr. Jan Hoek, beiden gereformeerde christenen (Gereformeerde Bond) een interessant artikel. Met haar toestemming mag ik het hier plaatsen. Het verscheen ook op de opiniepagina van het Reformatorisch Dagblad van 15 november jl. Aan het van haar haar artikel ga ik nog in op een paar reakties die daarna in het RD verschenen.

Alie Hoek – van Kooten

Er zijn weer nieuwe maatregelen aangekondigd om besmettingen met het coronavirus tegen te gaan. Veel van deze maatregelen zijn terug te vinden in de Bijbel, inclusief het dragen van een mondkapje.

Mensen met principiële bezwaren tegen vaccineren zijn vaak wel bereid een mondkapje te dragen. Ik heb daarbij wel het gevoel dat dit niet helemaal van harte gaat, maar dat men dit doet omdat het makkelijk ingepast kan worden in het leven van alledag en niet zoiets bijzonders vraagt als een vaccinatie. Goed om te weten dat veel van dergelijke maatregelen terug te vinden zijn in de Bijbel, in de wetten van Leviticus en Deuteronomium.

De bestrijding van de corona-epidemie is gestoeld op twee pijlers. De eerste is de overdracht van de ene mens op de andere indammen door de maatregelen. Je zou kunnen zeggen dat dit een uitwendige bescherming is. De andere pijler is ervoor zorgen dat het virus, wanneer het toch je lichaam is binnengekomen, vervolgens door antistoffen wordt vernietigd. Die antistoffen krijg je door je te laten vaccineren. Dit zou je een inwendige bescherming kunnen noemen. [In een ander artikel noemde Alie Hoek – van Kooten het coronavaccin een dankbaar te aanvaarden geschenk van God, dat alleen maar kan werken dankzij ons prachtige immuunsysteem dat onze Schepper ons heeft gegeven.]

Goed om die eerste pijler eens nader te bekijken vanuit Bijbels perspectief.

Melaatsheid

In Leviticus 13 wordt gesproken over melaatsheid, een besmettelijke ziekte. De Heere spreekt tot Mozes en Aäron en zij moeten de maatregelen ertegen doorgeven aan het volk Israël. De verschijnselen van melaatsheid worden beschreven in Leviticus 13. Als je vreesde melaats te zijn, moest je naar de hogepriester en die keek dan of je de ziekte wel of niet had. Als bleek dat je melaats was, werd je onrein verklaard. Dat hield in dat je niet meer onder de mensen mocht wonen, maar dat buiten het kamp je woongebied was (Lev. 13:46). Dit omdat je dus andere mensen zou kunnen besmetten. Maar er waren nog meer maatregelen nodig. Ook buiten het kamp liepen immers mensen en dus moest je vanuit de verte herkenbaar zijn. Anders zouden mensen te dicht in je buurt kunnen komen en alsnog besmet kunnen raken. In Leviticus 13:45 staat dan ook: „De kleren van de melaatse bij wie de ziekte is vastgesteld, moeten ingescheurd worden, zijn hoofdhaar moet hij los laten hangen, hij moet zijn baard en snor bedekken en hij moet roepen: Onrein, onrein!” In de Statenvertaling staat: „en hij zal de bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij roepen: Onrein, onrein!”

Het bijzondere is dat wij nu weten dat melaatsheid door een bacterie wordt veroorzaakt en dat die met de uitademingslucht naar buiten gaat. Nu moet dus de melaatse eerst iets voor zijn mond houden („de bovenste lip bewimpelen”) en dan pas roepen: „Onrein, onrein!” Een soort van mondkapje dus. En dan te weten dat men in die tijd nog niets wist van ziekteverwekkende bacteriën en virussen, en nog minder hoe die zich dan zouden kunnen verspreiden.

Quarantaine

De symptomen van melaatsheid worden beschreven in Leviticus 13. Als de symptomen nog niet helemaal duidelijk waren, moest de betreffende persoon zeven dagen worden afgezonderd. Daarna keek de priester opnieuw en als het dan nog niet zeker was, moest die persoon opnieuw zeven dagen worden afgezonderd. En dan (na veertien dagen) wordt hij of rein (het was een gewone uitslag, Lev. 13:6) of hij krijgt alsnog de diagnose melaatsheid (Lev. 13:8). De persoon in kwestie is dan dus in totaal veertien dagen in quarantaine geweest. Dus toen kende men al de quarantaine.

Pest

Op de basisschool hebben wij gehoord van de pest, die in de middeleeuwen in Europa huishield. Zo werd Europa van 1348 tot 1351 zwaar getroffen door de pest, ook wel ”zwarte dood” genoemd. Een kwart van de Europese bevolking kwam eraan te overlijden. De pest wordt veroorzaakt door een bacterie die leeft in rattenvlooien, die op hun beurt weer op ratten leven. Als de ratten bij de mensen kwamen, kon zo’n rattenvlo een mens bijten en kreeg deze de bacterie binnen en kreeg hij de pest. Vervolgens kon die bacterie dan ook weer van de ene mens op de andere overspringen via bijvoorbeeld de uitademing. In de Joodse wijk van Straatsburg viel het op dat er veel minder pestslachtoffers waren dan elders in de stad. Dat kwam doordat daar de Joodse arts Balavignus werkte. Hij leefde volgens de wetten van de Tenach, het Oude Testament. Hij gaf in 1348 bevel om de gehele Joodse wijk schoon te maken en al het afval te verbranden. Hij deed alles zoals vermeld in de wetten van Leviticus. Hierdoor verdwenen de ratten en dus ook de rattenvlooien waarin die bacteriën huisden, met als gevolg dat de pest in zijn wijk veel minder voorkwam. In plaats dat de autoriteiten dat goede voorbeeld navolgden, namen ze Balavignus gevangen. Ze gaven hem de schuld van de pest. Want het was toch vreemd dat overal de pest heerste, behalve in zijn wijk! Alle steden werden geïnformeerd dat de Joden de lucht, de waterputten en de bronnen hadden vergiftigd. Dat heeft vervolgens tot hevige Jodenvervolgingen geleid. Had men maar naar Balavignus geluisterd, dan zou de pest in die tijd niet zo’n enorme omvang hebben gehad.

Verband

In Deuteronomium 28:58-62 wordt alles nog eens samengevat. Hier zegt de Heere: „Als u al de woorden van deze wet die in dit boek geschreven zijn, niet nauwlettend houdt, door deze heerlijke en ontzagwekkende Naam, de Heere, uw God te vrezen, (…) dan zal de Heere uw plagen en de plagen van uw nageslacht uitzonderlijk maken; het zullen grote en aanhoudende plagen, en kwaadaardige en aanhoudende ziekten zijn. (…) Ook iedere ziekte en iedere plaag die niet in het boek met deze wet geschreven is, zal de Heere over u laten komen, totdat u weggevaagd wordt. U zult met weinig mensen overblijven, terwijl u zo talrijk was als de sterren aan de hemel, omdat u de stem van de Heere, uw God, niet gehoorzaam geweest bent.” De Heere God legt dus duidelijk een verband tussen het niet nakomen van de maatregelen en het ernstig ziek worden. En als je je wel aan de maatregelen houdt, komt dat je gezondheid ten goede. Ze begrepen toen nog helemaal niet hoe het werkte, maar het werkte wel. Er stond ook een strenge straf op als ze het niet deden.

Aan de Bijbel zijn dus krachtige motieven te ontlenen om je van harte aan de anti-coronamaatregelen te houden. Laten we niet met tegenzin en omdat het nu eenmaal niet anders kan, maar juist uit volle overtuiging 1,5 meter afstand houden, mondkapjes dragen, niet naar ons werk gaan als we klachten hebben, niezen en hoesten in onze elleboog enzovoorts.

Reakties

In het RD reageerden twee theologen op het artikel van Alie Hoek-van Kooten. De een (Dr. D. Baarssen – RD 17-11) vond de vergelijking met melaatsheid te ver doorgevoerd, omdat in de Bijbel nergens staat dat men bij een mogelijke besmetting buiten de maatschappij gesloten werden. Ook staat in de Bijbel nergens dat gezonde mensen hun gezicht moesten bedekken. Alie Hoek – van Kooten reageert daarop (RD 24-11) door te zeggen, dat in Levitikus 13 ook al staat, dat mensen die mogelijk melaats zijn, preventief zeven dagen in afzondering moeten leven. En wat de mondkapjes betreft: natuurlijk is dat niet één op één af te leiden uit de Bijbel, maar corona is een zo besmettelijke ziekte, dat het in onze tijd nodig is om uit voorzorg deze maatregel in te voeren. Want, schrijft ze: De Bijbel is er niet alleen voor ons geestelijk leven, maar ook voor ons leven van elke dag. In deze lijn heeft de overheid de taak ervoor te zorgen dat de gezondheid van de mensen zo goed mogelijk wordt gewaarborgd. En ze vindt het heel bijzonder, dat de basisregels om besmettingen tegen te gaan (buiten het kamp isoleren, baard en snor bedekken) al in het Oude Testament door God gegeven zijn, terwijl terwijl men nog niets van ziekmakende bacteriën en virussen afwist.

Nog een paar dagen later reageerde ds. J.A.J. Pater (RD 29-11). Hij vond de vergelijking met melaatsheid minder juist, omdat melaatsheid in de Bijbel niet in de eerste plaats als een besmettelijke ziekte gezien. maar vooral als cultische onreinheid: je bent niet geschikt om voor God te naderen en dat mag niet op een ander overdragen. In het Nieuwe Testament geneest Jezus daarom zieken, maar reinigt Hij melaatsen. Ook vindt hij dat het bedekken van baard en snor niet bedoeld was om besmettingen te voorkomen, maar een teken van rouw is. Dat laatste klopt wel, maar de kanttekeningen van de Staten-Vertaling geven bij Levitikus 13:45 al aan, dat het mondkapje bij melaatsheid een dubbele funktie heeft: het voorkomen van besmettingsgevaar én als teken van rouw en droefheid. En wat dat eerste betreft: ik geloof dat melaatsheid beide aspekten in zich heeft: een besmettelijke ziekte én in Israel een teken waarmee God duidelijk wil maken dat mensen uit zichzelf onrein en niet in staat zijn om tot Hem te naderen. Het onderscheid tussen lichamelijk genezen en cultisch reinigen lijkt mij niet terecht. Naäman was melaats, maar dat had niets te maken met cultische onreinheid. Hij zocht genezing bij de God van Elisa en kreeg die ook. En Jezus reinigde = genas de 10 melaatsen, maar gaf ze ook de opdracht om bij de priesters in de tempel een cultische genezen-verklaring te halen. Het is beide. Of, zoals Alie Hoek – van Kooten het in haar reaktie op dr. Baarssen zegt: De Bijbel is er niet alleen voor ons geestelijk leven, maar ook voor ons leven van elke dag. In deze lijn heeft de overheid de taak ervoor te zorgen dat de gezondheid van de mensen zo goed mogelijk wordt gewaarborgd.

“Transgenders hebben een conflict tussen hoofd en lichaam” 

Dat zegt Elbert in hoofdstuk 1 van het boekje ‘Genderdysforie’ dat de Gereformeerde Bond heeft uitgegeven. Het is bedoeld als ‘een handreiking aan kerkenraden met het oog op het pastoraat’ staat in de ondertitel.

Toen Elbert nog Elsbeth heette, trouwde zij op haar 22e met Mark, een CGK-dominee. Ze kregen twee kinderen. Op haar 30e liep ze helemaal vast en kwam naar buiten wat ze als kind al wist: “Ik vóelde me een jongetje, wilde een jongetje zijn, maar was het niet.” Ze ging in transitie en vanaf 1 januari 2020 gaat hij als Elbert door het leven. Het conflict tussen hoofd en lichaam moet iedere transgender zelf oplossen. Het is te gemakkelijk om als christen te zeggen: ga in therapie, leer ermee om te gaan. “Die weg heb ik bewandeld, maar het is me niet gelukt. Ik had geen keuze.” Vandaar het advies van Elbert aan het eind van het interview: “Ik hoop dat christenen de weg gaan van het elkaar aanvaarden, ook als de één wel en de ander niet voor transitie kiest. Ga vooral je weg met God. En, waar zou je je meer veilig moeten voelen dan in je eigen gemeente?”

In hoofdstuk 2 kijkt J. Hoek vanuit de Bijbel naar het onderwerp transseksualiteit. Hij laat zien dat God de mens als man en vrouw geschapen heeft, maar dat er na de zondeval een diepe scheur door het het mooie plaatje van Genesis 1 en 2 getrokken wordt. Dat heeft gevolgen voor alle verhoudingen binnen de schepping. “Dat er mannen en vrouwen zijn die diepongelukkig zijn met hun bestaan, omdat ze zich in hun identiteitsbeleving ‘verkeerd verbonden’ voelen, is daarvan een aangrijpend symptoom.” Jezus gaat zonder veroordeling om met geschonden en gebroken levens. Christenen vinden in Hem hun ware identiteit. De zware problematiek van mensen die worstelen met genderdysforie zal er op de nieuwe aarde niet meer zijn. Daar zal niemand zich meer ongelukkig voelen vanwege zijn of of haar sekse, maar zal iedereen met vreugde volledig zichzelf zijn tot God eer.

In hoofdstuk 3 verkent P.J. Verhagen vooral vanuit medisch-psychologisch oogpunt het transgender-vraagstuk. Hij geeft goede informatie over het medisch-biologische traject, benadrukt het belang van goede psychologische en pastorale begeleiding en moet niets hebben van zogenaamde ‘verandertherapieën’, want het baat bijna nooit en schaadt altijd. Verhagen zegt het niet met zoveel woorden, maar het lijkt alsof hij openstaat voor een transitie van man naar vrouw of omgekeerd, want “de transgenderproblematiek is een ernstige vorm van niet overweg kunnen met je lichaam zoals het is.”

Dat geldt niet voor H. Jochemsen, de auteur van hoofdstuk 4, in zijn ethische bezinning over dit onderwerp. Hij vindt het vanuit christelijk standpunt erg problematisch om op basis van de persoonlijke, weliswaar uiterst pijnlijke beleving van een transgender over te gaan tot een operatie zonder medische indicatie. Van christelijke transgenders “worden deugden gevraagd als aanvaarding, vertrouwen (op Gods leiding en nabijheid), volharding, geduld, moed (om de situatie onder ogen te zien), hoop (op Gods genadige nabijheid en Zijn heerlijke toekomst, waar geen genderdysforie meer is).” Toch mag je transgenders in nood niet aan hun lot overlaten, “zeker in de kerk niet”, zegt Jochemsen. Maar hoe ziet hij dat voor zich als hij als de optie “het lichaam aanpassen aan het beleefde geslacht” afwijst en alleen de andere optie “proberen de psyche, de beleving, aan te passen aan het biologische geslacht” als christelijke oplossing erkent?

Het pastorale antwoord daarop in hoofdstuk 5 van M.J. Kater is even eenzijdig als het ethische standunt van Jochemsen. Pastoraat betekent volgens hem, naast luisteren, vooral tegenvragen stellen als iemand overweegt het transitie-traject in te gaan, want “een pastor is ook geroepen tegenwicht te bieden en het ‘zachte nee’ ter overweging te geven als de weg die God van ons kan vragen.” De verbondenheid met Christus bepaalt uiteindelijk onze identiteit als christen. Die prioriteit relativeert het al dan niet verstoorde ‘mannelijk en vrouwelijk’ zijn. En seksuele verlangens krijgen bij christenen “een plek ónder het verlangen dat ons verbindt met God. Dat is geen bagatelliseren van de spanning tussen gender en sekse, maar plaatst het wel in een groter kader dat heilzaam kan werken.”

Een teleurstellend ethisch en pastoraal standpunt

Ik vind de laatste twee hoofdstukken teleurstellend. Beide auteurs vinden uiteindelijk dat iemand die lichamelijk vrouw is, maar zich psychisch helemaal man voelt, op grond van de Bijbel geen geslachtsveranderende operatie mag ondergaan. Dat is geen ‘zacht nee dat van liefde doordrenkt is’, zoals Kater het noemt, maar een behoorlijk hard nee tegen een christelijke transgender die vanuit diepe psychische nood uiteindelijk toch voor de optie kiest om zijn of haar lichaam in overeenstemming te brengen maar hoe zij of hij zich diep van binnen helemaal voelt. Ook gaat Kater er helemaal aan voorbij dat een transgender geen seksueel probleem heeft, maar een identiteitsprobleem, zoals de gereformeerde hoogleraar ethiek J. Douma in 1993 al schreef.

En dat is het tweede wat ik jammer vind: in de hele brochure nergens, zelfs niet in de literatuurlijst, verwezen wordt naar wat Douma in 1988 (Van lichaam veranderen – ND 30.01) en 1993 (Seksualiteit en huwelijk) over transseksualiteit geschreven heeft. Terwijl er nog heel weinig bezinning over dit onderwerp was, kwam Douma tot de conclusie dat een geslachtsveranderende operatie bij een transgender op grond van de Bijbel niet af te wijzen is. “Als God zelf ons de middelen aanreikt om ziekte en handicaps weg te nemen, of de moeite ervan te verzachten, mogen wij er gebruik van maken.” (1993) De stap naar transitie is in veel opzichten zo ingrijpend, dat Douma dat echt als een laatste optie ziet voor mensen met genderdysforie. “Als het gender-gevoel onwrikbaar blijkt en men heeft geprobeerd de psyche bij het lichaam aan te passen, zonder succes. Mag dan ook het omgekeerde: het lichaam bij de psyche aanpassen?” Heel voorzichtig zegt Douma dan ‘ja’. Want “moet een transseskueel met zijn moeiten blijven leven, als er verlichting door geslachtsverandering mogelijk is? Ik durf dat niet voor mijn rekening te nemen.” (1988)

Een gedateerde handreiking

De brochure van Gereformeerde Bond uit 2021 neemt dus een strikt, afwijzend standpunt in als het om transitie gaat. Dat blijkt ook uit de opmerking in de literatuuropgave. Daarin wordt de site genderdysforie genoemd. Deze site, beheerd door ds. Marc ten Brink (GKV ’t Harde) bestaat al sinds 2006 en volgt de lijn van Douma. Volgens de brochure komt deze site “uit op een tamelijk ongeclausuleerd aanvaarden van volledige transitie”, terwijl de auteurs van de brochure “tot een andere ethische afweging komen.”

Al met al vind ik het een tegenvallende brochure. Qua ethische bezinning en pastorale aandacht loopt men, vanaf Douma gerekend, minstens 33 jaar achter. In hun zoektocht zijn christelijke transgenders daar niet echt mee geholpen.

De brochure is via de site van de Gereformeerde Bond te bestellen.

De Tien Geboden kort & krachtig in het Gronings

In het Nederlands is er al een kort maar krachtige versie van de Tien Geboden. Die is van de hand van Kamper hoogleraar Kees de Ruijter. Op initiatief van ds. Pieter Kars van de Kamp is er nu ook een vertaling in het Gronings. Aanleiding was de Groningenzondag op 27 juni 2021, een initiatief van Platform Kerk & Aardbeving. Daar is voor onderstaande versie voor het eerst publiek voorgelezen. De samenvatting van de Tien Geboden komt uit Johannes 15. De vertaling van beiden in het Gronings is een co-productie van Jan de Jong, gerenommeerd Grunneger schriever en mijzelf. Hieronder volgt eerst de versie in het Gronings en daarna in het Nederlands. De opname is hier terug te luisteren.

Grunneger versie

God zegt die, noamens Kristus:

Ik heb die uut hannen van de zunde hoald en die vrijkòcht van duvel.

Ik wil stommegeern dien God wezen.                          

1          Loop nait vot                                                               Ik hol ja zo slim van die

2          Hol van God, nait zo as doe wilst                               Op mien menaaier bist ja vrij

3          Misbruuk Gods noam nait                                          Mien noam redt dien leven

4          Bruuk Gods dag goud                                                  Dat is ja dag van ons soam

5          Wees groots op dien pabbe en moeke                               Zai vertellen die ja van Mie

6          Blief van n aner zien leven òf                                       Ik beschaarm dienent toch ook

7          Bewoar t gehaaim van man en vraauw                         Ik moak heur ain ien Mie

8          Blief van n aner zien boudel òf                                     Ik zörg ja veur die

9          En wast doe zegst, dou t mit rechte rug                       Zo kinst Mie ja ook

10        Wees gain aalbegeer                                                   Ik bin ja t gelok woarstoe noar op zuik bist

Jezus Kristus, ons Heer, het aal dei Tien Geboden soamenvat dou Hai tegen zien leerlingen zee:

”Ik hiel van joe, zo as Hai, de Voader, van Mie hiel. Omaarm mien laifde en hol mien laifde stief vaast. Dou dat deur jou aan mien geboden te hollen, net zo as Ik Mie ook aan geboden van mien Voader holden heb en zien laifde stief omaarm. Dit zeg Ik joe, om joe mien bliedschop te geven, din zel ook joen bliedschop onaindeg groot wezen. Mien gebod is: hol van nkander, zo as Ik van joe holden heb.”

Nederlandse versie

In Christus spreekt God je aan:

Ik ben de Here je God. Ik heb je bevrijd uit de slavernij van de zonde.

Ik heb je vrijgekocht van de duivel. Ik wil jouw God zijn

1          Ga niet naar een ander                                     Ik heb je lief

2          Eer God niet op jouw manier                            Mijn manier geeft vrijheid

3          Misbruik Gods naam niet                                 Mijn naam redt jouw leven

4          Gebruik Gods dag goed                                   Dat is de dag van ons samen

5          Respecteer je vader en moeder                        Door hen leer je Mij kennen

6          Kom niet aan het leven van een ander             Ik bescherm het jouwe toch ook

7          Bewaar het geheim van man en vrouw            Ik maak hen één in Mij

8          Neem niet wat van een ander is                       Ik zorg toch voor je

9          Wees trouw in wat je zegt                                Zo heb je Mij ook leren kennen

10        Wees niet jaloers                                             Ik vervul het verlangen van je hart

Jezus Christus, onze Heer, heeft de Tien Geboden samengevat toen Hij tegen zijn leerlingen zei:

“Ik heb jullie liefgehad, zoals de Vader Mij heeft liefgehad. Blijf in mijn liefde! Je blijft in mijn liefde als je je aan mijn geboden houdt, zoals Ik Me ook aan de geboden van mijn Vader gehouden heb en in zijn liefde blijf. Dit zeg Ik tegen jullie om je mijn vreugde te geven, dan zal je vreugde volkomen zijn. Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben, zoals Ik jullie heb liefgehad.” (Johannes 15:9-12)

De doop met de Heilige Geest in het boek Handelingen

Volgens veel bijbelgetrouwe gelovigen, vooral uit de evangelische en charismatische hoek, ontvang je de Heilige Geest in het hart wanneer je de doop met de Heilige Geest ontvangt. Kenmerkend voor hun leer is de opvatting dat er twee fases zijn in het leven van een christen. Fase 1 is: je bent als christen gedoopt met water. Je hebt de Geest ontvangen, want je bent gered in Christus: in jouw leven is de rechtvaardiging door het geloof merkbaar. Maar daarna hoort fase 2 te komen: je wordt als christen gedoopt met de Heilige Geest. Dan raak je vol van de Geest: in jouw leven is ook duidelijk de heiliging merkbaar. Elke christen moet zich ernaar uitstrekken om ook die tweede fase als second blessing te bereiken.

De Bijbel maakt niet zo’n sterk onderscheid. Je kunt het ‘hebben van de Geest’ niet als een vast gegeven beschouwen, waarover iedere christen kan beschikken. Integendeel: je kunt de Geest bedroeven en uitdoven. Bovendien is er ook na de Pinksterdag telkens weer het wonder van de vervulling met de Heilige Geest. Lees bv. Handelingen 4:31 en de oproep van Paulus aan de gelovigen in Efeziërs 5:18. De Heilige Geest werkt niet zo, dat Hij je in één of meer stappen naar een hoger geloofs-level leidt. De Heilige Geest is een gave van God, die je telkens weer ontvangen mag, net zo goed als God ons telkens weer zijn Tien Geboden geeft. Als het over ‘de doop met de Heilige Geest’  gaat, moeten we vooral goed kijken naar wat Lukas daarover schrijft in het bijbelboek Handelingen. Mag je uit die gegevens afleiden, dat alle gelovigen, net als de eerste disicipelen, ook nog aanvullend met de Heilige Geest gedoopt moeten worden? Is dat, wat God ons in de Bijbel leert?

Als Handelingen 1:4-8 en 2:1-4 nu de enige plaatsen waren geweest, waar we over de doop met de Heilige Geest en de uitstorting van de Heilige Geest hoorden, was het niet zo moeilijk om te zeggen: er treedt een nieuwe periode aan in de geschiedenis van God met de wereld. Het heil -de door God beloofde Messias- komt uit de Joden. Maar nu Jezus alles volbracht heeft, mag heel de wereld er in delen: daarom stuurt de verhoogde Christus zijn Geest. Die zorgt ervoor, dat het Evangelie heel de wereld over gaat. Dat moment wordt gemarkeerd door Pinksteren: Gods Geest gaat wereldwijd aan het werk met kracht. Want voor u, gelovige joden, is de belofte van de Geest van Jezus Christus, en voor uw kinde­ren, maar ook voor alle mensen die nu nog ver weg zijn, maar die God erbij roepen zal. En als je je bekeert en je laat dopen, zúl je vergeving van je zonden ontvangen -het oude eruit- en ook de gave van de Geest -je voelt je herboren-.

Maar wat zie je in vervolgens in Handelingen? Het Pinksterfeest wordt nog minstens drie keer herhaald. De Heilige Geest wordt steeds weer opnieuw uitgestort over groepen mensen. Die ontvangen dan ook de doop met de Heilige Geest en gaan in tongen praten en profeteren. Die drie gedeeltes kun je lezen in

Handelingen 8 : 4 – 7 + 14 – 17                De uitstorting van de Geest over de Samaritanen

Handelingen 10 : 44 – 48 + 11 : 16 – 18   De uitstorting van de Geest over Cornelius en de zijnen

Handelingen 19 : 1 – 7                              De uitstorting van de Geest over de leerlingen van Johannes de Doper in Efeze

De vraag is nu: wat gebeurt hier precies? Petrus zegt zelf, dat Cornelius en de zijnen op precies dezelfde wijze de gave van de Heilige Geest ontvangen hebben. Ze spreken ook in tongen, net als op de 1e Pinksterdag. Dus niet alleen joden, maar ook romeinen zijn gedoopt met de Heilige Geest. Ja, de Heilige Geest is op hen gevallen, toen Petrus over Jezus preekte.

Bij Samaritanen staat het iets anders: zij ontvangen de Heilige Geest door de handoplegging van Petrus en Johannes.

En dat groepje leerlingen van Johannes de Doper laat zich eerst dopen. Daarna legt Paulus hun de handen op en dan komt de Heilige Geest over hen. Gevolg: ook zij gaan in tongen spreken en profeteren.

Betekent dit nu, dat je uit deze bijbelse voorbeelden moet constateren: als je al gelovig bent, of net geworden bent, wil de Here Jezus je ook nog een tweede zegen, een tweede ervaring geven, door zijn Geest helemaal in je uit te storten.

Dat is, wat veel mede-christenen op grond van deze bijbelteksten denken. En God verandert niet. Hij wil datzelfde vandaag nog steeds aan zijn kinderen geven. Daarom moet je je gelovig openstellen voor de doop met de Heilige Geest.

Ik geloof echt dat dit een totaal verkeerde konklusie is die men uit deze bijbelteksten trekt.

In al deze drie gevallen wordt Pinksteren niet herhaald in het leven van de gelovige.

Nee, in al deze drie gevallen wordt Pinksteren uitgebreid tot een nieuwe doelgroep!

Met Pinksteren horen we Petrus al zeggen, dat het goede nieuws van Jezus Christus niet alleen bedoeld is voor de joden. Het Evangelie gaat vanaf nu de hele wereld over. Daar hebben de apostelen en de christelijke kerk en ook wij persoonlijk de Heilige Geest hard voor nodig. Daarom zei Jezus ook: ‘Jullie zullen kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over jullie komt, en jullie zullen mijn getuigen zijn, te Jeruzalem en in heel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde.’ Daar gaat het met Pinksteren over: ‘Maak de kring groter!’

Maar wat zie je? Dat wil er bij die eerste christenen uit het joodse volk nog niet helemaal in. Ze denken nog steeds in oude termen: oké, maar die volken moeten wel bij óns komen! Dus zal Petrus uit zichzelf nooit naar Samaria gaan met Johannes. Die halve heidenen waren nog erger dan de echte: kon Jezus geen vuur uit de hemel over ze uitstorten, vroegen ze eens gevraagd?

Petrus wil eigenlijk ook helemaal niet bij Cormelius binnen stappen. Van die reine en onreine dieren wil hij niet eten, ook al beveelt een stem uit de hemel hem dat drie keer achter elkaar.

En die discipelen van Johannes de Doper dan? Zij zijn achterop geraakt in de verstrooiing. Ook al is het evangelie van Jezus al ruim 20 jaar verder gegaan, ze zijn nog bij het voorbereidend onderwijs van Johannes de Doper blijven steken. Ze hebben er geen idee van, dat de beloofde Messias zijn taak volbracht heeft en zijn Geest heeft uitgestort. Zij hebben nog een hele inhaalslag te maken.

In al die drie de gevallen stuurt de Here Jezus er apostelen op af, om duidelijk te maken: déze groep mensen hoort net zo goed bij Mij als jullie, gelovige christenen uit de joden. Juist omdat de joodse gelovigen nog zo vast zaten aan hun oude, vertrouwde denkbeelden, breekt de Geest door grenzen heen die God eerst Zelf had voorgeschreven, maar die Hij nu zelf met Pinksteren heeft opgeheven.

En tenslotte: het gaat hier in alle drie de gevallen om een groepsgewijze uitstorting van de Heilige Geest. Er komt weer een nieuwe kring bij. Er is weer een nieuwe drempel geslecht.  Maak de kring groter:

  • Jeruzalem en Judea ontvingen de Geest op Pinksteren – Handelingen 2.
  • Daarna volgt Samaria, de halve heidenen – Handelingen 8.
  • Vervolgens de echte heidenen, Cornelius en de zijnen – Handelingen 10.
  • Als laatste worden ook de achterblijvers erbij getrokken – de volgelingen van Johannes de Doper – Handelingen 19

Pinksteren wordt dus niet herhaald in het leven van elke gelovige. Pinksteren breidt zich in een paar etappes uit naar heel de wereld. En om iedereen te overtuigen, wordt bij elke drempel de Heilige Geest opnieuw uitgestort. Daarmee geeft de Here Jezus Zelf aan: zie je wel, ze staan op hetzelfde fundament en ze horen bij dezelfde gemeente, het ene lichaam van Christus.

Zó lees je in Handelingen hoe de Here Jezus Zelf telkens nieuwe wegen opent. Dat is ook de bedoeling van het boek Handelingen, en zo moet je het ook lezen: het laat zien, hoe het evangelie de wereld overgaat. Gods Geest neemt alle hindernissen weg en opent gesloten deuren. Maar als die eenmaal geopend zijn, zíjn ze ook open. Dan hoeft die drempel principieel gezien niet opnieuw genomen te worden. Heilshistorisch is Pinksteren uniek. En daarom onherhaalbaar.

De nieuwtestamenticus prof. dr. L. Floor schrijft in zijn boek De doop met de Heilige Geest over de manier waarop Paulus en Lukas over de doop met de Heilige Geest spreken het volgende:

‘Volgens Paulus ontvangt elke gelovige samen met zijn geloof de doop met de Heilige Geest. Paulus spreekt over het werk van de Heilige Geest nergens als een tweede daad, die na een bepaalde tijd volgt op wedergeboorte en geloof.’ (blz. 114)

‘Lucas heeft met zijn beschrijving van de doop van met de Heilige Geest de aandacht gericht op de wereld. Dan is er vooral door de sterke overeenkomst van de gebeurtenissen, die Lucas ons beschrijft met het Pinkstergebeuren, ook iets onherhaalbaars in deze gebeurtenissen. Zo ze zich toch herha­len, is dit eerder op het zendingsveld te verwachten dan in gevestige kerken. God is zonder enige twijfel machtig om ook vandaag nog op het zendingsveld op dezelfde wijze als in het boek Handelin­gen door Lucas beschreven wordt de doorbraak van het koninkrijk van God in een nieuw gebied te laten plaatsvinden. Maar wij moeten zo’n manifestatie van de Geest niet dwingend in de gevestigde kerken voorschrijven, om de heel eenvoudige reden dat Paulus dit ook niet doet.’(blz. 115)

En in zijn boekje ‘De gaven van de Heilige Geest’ schrijft dezelfde auteur:

‘Wat door velen als een tweede, opvolgende daad van de Heilige Geest in hun leven ervaren wordt en dan een doop met de Heilige Geest genoemd wordt, is zonder de echtheid ervan te betwijfelen, dikwijls in feite bij Gods kinderen een plotseling, op dramatische wijze, dieper besef van Gods liefde, van hernieuwd vertrouwen in Hem, van een stellige verzekering zijn eigendom te zijn. Wanneer we Efeziërs 5:18 naast Kolossenzen 3:16 (de beide teksten lopen parallel) leggen, waar Paulus zegt: ‘Het Woord van Christus wone rijkelijk in u’, dan is het duidelijk dat de vervulling met de Geest betekent: een volledig door het Woord van Christus beheerst zijn.’ (blz. 19)

De vervulling met de Heilige Geest

In het O.T. was de Geest weliswaar duurzaam aanwezig, maar werkte Hij ook bij bijzondere aktiviteiten krachtig op mensen in. Zij werden óf voor een bijzondere dienst geroepen óf intensief en incidenteel door God in dienst genomen (en dan grijpt de Geest zelfs mensen als Bileam en Saul aan).

In het N.T. zie je dat álle christenen steeds weer vervuld worden met de Geest. Daarbij gaat het vooral om twee dingen:

a) Toerusting tot getuigenis: Dat zie je met name in Handelingen. Daar ontvangen de discipelen gezamenlijk én persoonlijk kracht om in benaderde omstandigheden te getuigen van Christus. Dat past ook bij wat Jezus in Johannes 14 + 16 zei: de Geest wil de wereld overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel, en gebruikt daar mensen voor.

b) Christelijke levenswandel: Als christenen hebben we de vervulling met de Geest van Christus nodig om door de kracht van de Geest God te kunnen dienen, tegen de invloed van de zonde te vechten en tot eer van zijn naam te kunnen leven. Als Paulus de Efeziërs oproept om met de Geest vervuld te worden (Ef. 5:18) noemt hij o.a. de volgende aspekten: – nauwgezet leven (5:15); – verstaan wil van God (5:17); – lofprijzing (5:19);  – elkaar onderdanig en gehoorzaam zijn (5:21).

Over de waarde van de vruchten van de Geest en de bijzondere gaven van de Geest heeft de Engelse theoloog prof. dr. J.I. Packer heel puntig het volgende geschreven in zijn boek ‘Wandelen door de Geest’ (blz. 28 en 29):

‘Overal waar in het Nieuwe Testament sprake is van Gods werk in het leven van de mens, wordt de ethiek boven het charismatische gesteld. Het vertonen van het beeld van Christus (niet in gaven, maar in liefde, nederigheid, onderwerping aan de wil van God en het open staan voor andere mensen) wordt beschouwd als datgene waar het op aankomt.’ ‘Iedere opvatting waarbij de gaven van de Geest (de bekwaamheid en de bereidheid om allerlei dingen uit te voeren) als belangrijker worden gezien dan de vrucht van de Geest (in het persoonlijk leven het beeld van Christus vertonen) is geestelijk gezien verkeerd en heeft daarom korrektie nodig.’

Slapen in de kerk – over Heilige Nachten, Eutychus en Calvijn

“Holy moly – je gaat slapen in een kerk!” Met die slogan probeert ‘Heilige Nachten’ mensen te verleiden een overnachting te boeken in een prachtig oud kerkgebouw, zoals in het Friese Oosterwolde, op nog geen 300 meter lopen van onze vrijgemaakte kerk aan de Hooge Esch. In de ene kerk kun je elke zondag om 10 uur naar de kerk. In de andere kerk kun je slapen als toeristische attractie: een creatief idee om een stukje cultureel erfgoed een nieuwe bestemming te geven.

Bekend is het verhaal in Handelingen 20 vers 7 – 12 van de tiener Eutychus die tijdens een lange preek Paulus in de vensterbank zat te luisteren, in slaap viel en door het open raam vanaf de derde verdieping naar beneden viel en daarbij om het leven kwam. Paulus stopte meteen met preken, ging naar beneden, wekte de jongen weer tot leven en ging daarna gewoon verder met zijn preek.

Aan de hand van dit verhaal kun je prachtig tegen slapen in de kerk fulmineren. En met evenveel recht kritiek hebben op te lange preken. Maar Lukas, de schrijver van Handelingen, geeft voor deze twee toepassingen geen aanleiding.

Dat vindt ook Calvijn in zijn bijbelcommentaar op Handelingen. Grappig genoeg kan Calvijn het tegelijkertijd niet laten om toch even fel van leer te trekken tegen het slapen in de kerk. Hier volgt, iets vrijer vertaald dan in de vertaling uit 1900 die in mijn boekenkast staat, Calvijns opmerkingen n.a.v. de tragische val uit het raam van Eutychus.      

Handelingen 20 vers 9

Een jongeman die Eutychus heette, zat in het venster en werd door slaap overmand toen Paulus maar doorging met zijn toespraak. Diep in slaap verzonken viel hij van de derde verdieping naar beneden; toen men hem optilde bleek hij dood te zijn.

Calvijn zegt hierover: “Ik zie geen enkele reden, waarom sommige bijbeluitleggers zo heftig uitvaren tegen de slaperigheid van deze jongen en durven te zeggen dat zijn dood de straf was voor dit onbehoorlijke gedrag. Men moet zich er eerder over verwonderen dat hij zo lang heeft weten te strijden tegen de slaap die zich tijdens de nacht krachtig aan hem opdrong  en waardoor hij uiteindelijk overwonnen werd. Dat de slaap hem zonder dat hij het wilde bekropen en overmand heeft, kan men hier wel uit opmaken, dat hij niet in de vensterbank is gaan zitten om eens lekker uit te rusten. Omdat er zoveel personen in de bovenzaal aanwezig waren, moest Eutychus wel in het venster gaan zitten. Want het zou een schandelijke losbandigheid zijn waarmee iemand het hemelse evangelie veracht, wanneer men in het venster gaat zitten, terwijl er elders in de zaal ruimte was. Het is een teken van luiheid wanneer men een plaats uitzoekt die gelegenheid biedt om te slapen. Maar dat Eutychus door de slaap overmand werd terwijl hij in het venster zat, bewijst niets anders dan dat hij buiten zijn schuld door de zwakheid van zijn natuur bezweken is, evenals wanneer iemand een flauwte krijgt door honger of vermoeid raakt door al te grote inspanning.

Maar terecht valt de slaperigheid te berispen van iedereen die vol aardse zorgen onnadenkend naar de kerk komt of die vol van eten en wijn daardoor slaperig wordt; en die, hoewel ze in andere zaken waakzaam genoeg zijn, toch slaperig naar Gods Woord en de preek luisteren. Van al deze dingen kunnen we Eutychus niet beschuldigen,  want Lukas zegt duidelijk dat hij pas na middernacht door een diepe slaap werd overvallen en drie verdiepingen naar beneden viel.”

Oog voor detail – vrijdag 23 april 2021

Markus 16:15+20

Jezus zei tegen de elf: ‘Trek heel  de wereld rond en verkondig het Evangelie aan alle schepselen.’ En zij gingen op weg om overal het goede nieuws bekend te maken. De Heer hielp hen daarbij en zette hun verkondiging kracht bij met de tekenen die ermee gepaard gingen.

Twee details:

1/ Als iemand jou zou vragen: ‘Wat is het goede nieuws van de Bijbel?’ Welk antwoord zou jij dan geven?

2/Ken jij mensen die er op uit getrokken zijn om in andere landen het Evangelie van Jezus Christus te brengen? Wat vind je daarvan en hoe steun jij hen?

Oog voor detail – dinsdag 20 april 2021

Lukas 24:46-48

Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Er staat geschreven dat de Messias zal lijden en sterven, maar dat Hij op de derde dag zal opstaan uit de dood, en dat in zijn naam alle volken opgeroepen zullen worden om tot inkeer te komen, opdat hun zonden vergeven worden. Jullie zullen hiervan getuigenis afleggen, te beginnen in Jeruzalem.’

Drie details:

1/ Hoe gemakkelijk laat jij je door anderen overtuigen?

2/ ‘Je zonden worden je vergeven’ – wanneer geldt dat voor jou?

3/ Van Jezus getuigen: waar zou jij beginnen?