Een zee van ruimte zonder veel richting – over het NGK-rapport ‘Homoseksualiteit in de kerk’

In mijn eerste blog gaf ik een korte samenvatting van het NGK-rapport ‘Homoseksualiteit in de kerk’ (klik hier). Het kreeg van de opstellers de titel ‘Ruimte en richting’ mee. In deze tweede blog wil ik inhoudelijk ingaan op het rapport. Ik doe dat zonder al veel te citeren. Kort gezegd komt mijn reaktie hier op neer: het is een zeer integer rapport met indrukwekkende lifestory’s. Tegelijk vind ik het, zeker nadat ik het nog een paar keer herlezen heb, toch wel een teleurstellend rapport. De opstellers wilden graag zoveel mogelijk ruimte bieden voor de verschillende keuzes die gelovige homo’s en lesbiennes op grond van de Bijbel maken. Tegelijk wilden ze intens zoeken naar richting in de Bijbel en voor Gods aangezicht vanuit een diepe verbondenheid in Christus.

Wat de ruimte betreft: de opstellers hebben de veelheid van opvattingen binnen onze kerken helder en duidelijk beschreven. Maar als het om de adviezen gaat, laten ze het aan de plaatselijke kerken over om uit die veelheid hun eigen keus te maken.

Wat de richting betreft wordt er eigenlijk geen richting gewezen. Er wordt alleen maar een oproep gedaan om elkaar in liefde te verdragen wanneer kerken plaatselijk tot verschillende beleidskeuzes komen. Daarvoor beroept men zich op Romeinen 14 en 15, waarin Paulus aangeeft dat elke christen naar eer en geweten voor Gods aangezicht z’n eigen keus maakt, want Paulus zegt, aldus het rapport “heel beslist: ‘alles wat niet uit geloof voortkomt is zondig’ (14:23). We mogen elkaar als kerken en broers en zussen daarom niet dwingen, zelfs niet verleiden te doen wat ingaat tegen het geweten, wat ingaat tegen de geloofsovertuiging. Een landelijke uitspraak mag dan ook niet dwingend opgelegd worden aaneen lokale kerk wanneer die daarmee een gewetensprobleem heeft.” (blz. 136+137)

Wat zijn dan die landelijke uitspraken die we als Nederlandse Gereformeerde kerken zouden moeten doen? Nou, eigenlijk zijn dat er maar twee.

1/ Heet in alle gemeentes homoseksuele broers en zussen die in een relatie van liefde en trouw samenleven, welkom aan de maaltijd van de Heer.

2/ Laat, als er voldoende draagvlak in de plaatselijke gemeente is, homoseksuele broers en zussen die in een relatie van liefde en trouw samenleven ook toe tot het ambt van ouderling en diaken.

Verder schuift het rapport twee andere onderwerpen door naar een nieuwe landelijke commissie. Die moet zich de komende drie jaar buigen over:

3/ Het al of niet zegenen of bevestigen van een homoverbintenis / homohuwelijk.

4/ Het al of niet toelaten van predikanten die in een homosekuele verbintenis samenleven.

Tenslotte komt (behalve in één van de life-story’s) in het rapport op geen enkele manier een ander belangrijk vraagstuk aan de orde:

5/ Is in het licht van de Bijbel een kinderwens binnen een homoseksuele relatie van liefde en trouw geoorloofd?

Als het erop aan kom laat dit rapport de plaatselijke kerken dus zwemmen in een zee van ruimte zonder duidelijk een richting te wijzen.

Dat komt, denk ik, omdat het rapport niemand in verlegenheid wil brengen. Dat blijkt bijvoorbeeld in de beschrijving van de drie verschillende ‘lenzen’ van waaruit christenen de Bijbel op dit punt benaderen, nl. vanuit 1/ de scheppingsorde, vanuit 2/ de gebrokenheid en vanuit 3/ de variatie. Die drie opvattingen zijn er inderdaad.

Het rapport wijst lens 1/ af, benadruk heel sterk lens 2/ en voelt weinig sympathie voor lens 3/. Het noemt bij de eerste twee lenzen ook orthodoxe theologen uit eigen kring en schaart ten onrechte Ad de Bruijne onder de voorzichtige aanhangers van de derde lens.

Maar als men tot een afweging komt, wil men niemand tekort doen en is elke invulling vanuit de drie lenzen mogelijk, behalve de strikte opvatting dat samenlevende homoseksuele broers en zussen geen belijdenis mogen doen en geen avondmaal mogen vieren.

De opstellers van het rapport willen zowel aan Gods Woord recht doen als aan de inzichten in onze tijd die we als christelijke kerk onder leiding van de Heilige Geest vanuit Bijbels perspektief moeten wegen. Dan kun je, aldus het rapport, tot verschillende konklusies komen als het gaat om de vraag of er in de Bijbel ruimte is voor het aangaan van homoseksuele relaties in liefde en trouw. Want enerzijds tref je in de Bijbel alleen passages aan die gelijkgeslachtelijke seks afkeuren. Anderzijds gaat het in de Bijbel nergens over aantrekkingskracht, verliefdheid, intimiteit of zielsverwantschap tussen twee mensen van hetzelfde geslacht.

Nu laat het rapport dat laatste, hedendaagse inzichten, een belangrijke rol in zijn afweging spelen. Ik ben het daar mee eens. Tegelijk aarzelt het rapport om deze homoseksuele oriëntatie gelijk te stellen aan het door God ingeschapen verlangen van een man naar een vrouw en omgekeerd. Het verlangen is een scheppingsgegeven, aldus het rapport, maar de homoseksuele oriëntatie … niet … eigenlijk niet … “een pijnlijk raadsel” (blz. 57). Het valt mij op hoe aarzelend het rapport hier telkens spreekt.

Hoe kan dat? Want de opstellers van het rapport zijn unaniem van mening dat een homoseksuele relatie in liefde en trouw niet een gelijkwaardige variant op het bijbelse huwelijk tussen man en vrouw is. Ze zeggen namelijk klip en klaar op blz. 104 van hun rapport: “We willen ook aandacht vragen voor de polariteit van ‘mannelijk en vrouwelijk’. (…) Dit scheppingsgegeven willen we hoog blijven houden. De seksuele omgang tussen man en vrouw is vanwege dat wonder van het nieuwe leven meer dan een variant binnen het spectrum van de menselijke seksualiteit.”

Als dit werkelijk hun gemeenschappelijke overtuiging is, zou je op grond daarvan ook een aantal voorstellen mogen verwachten die concreet een richting aanwijst die we in de zee van opvattingen gezamenlijk als Gods kinderen binnen ons kerkverband zouden moeten gaan.

Maar dat doet men niet. En de reden is duidelijk. Meteen op het citaat hierboven volgt namelijk de zin: “Tegelijkertijd erkennen we in de werkelijkheid van mensen om ons heen een breedte van variaties waar we respectvol nabij willen zijn.”

Volgens mij zit hier de bottleneck van het rapport. Uit respect voor de veelheid van meningen wil men geen duidelijke keuzes maken die recht doen aan wat men eigenlijk wel vindt: de relatie tussen man en vrouw die uitmondt in het huwelijk, zoals God dat heeft ingesteld en beschrijft in Genesis 1 en 2, is van een andere orde dan homoseksuele relaties in liefde en trouw. En dus krijgt, met een beroep op Romeinen 14 en 15 (blz. 135+135), elke plaatselijke kerk alle ruimte om zelf uit te zoeken hoe men over homoseksuele relaties denkt en welke consequenties men daar in de praktijk aan verbindt. Alleen de optie ‘afhouding van het avondmaal’ wordt streng afgeraden.

Ik vind dit teleurstellend. Daarmee houdt het rapport toch wel heel erg veel rekening met wat “de dominante visie in onze cultuur” acceptabel vindt, ook al is men voortdurend oprecht en intensief bezig geweest met “de doordenking van God hierin van ons wil” (beide citaten staan op blz. 110). Wolter Rose schrijft in zijn minderheidshoofdstuk dat het rapport weinig oog heeft voor de corrigerende functie van de Bijbel. In het Nederlands Dagblad van 24 feb. 2024 zei Dick Westerkamp iets soortgelijks: als het over homorelaties gaat, krijgt het pastorale spreken van de Bijbel zo veel aandacht, dat het profetisch spreken van de Bijbel ondersneeuwt.

Omdat het rapport in de zee van ruimte geen duidelijke richting wil aanwijzen, zitten er ook een paar merkwaardige inconsequenties in. Ik noem er een paar.

*1* Het huwelijk tussen man en vrouw wordt wel principieel onderscheiden van homoseksuele relaties, maar het rapport stelt niet voor om uit te spreken dat het burgerlijke homohuwelijk niet gelijk staat aan het christelijke huwelijk. Het rapport stelt ook niet voor om uit te spreken dat een homo-relatie daarom niet op dezelfde manier bevestigd kan worden als een christelijk huwelijk.

*2* Als een homoseksuele relatie in liefde en trouw bijbels gezien geen variant is op het huwelijk tussen man en vrouw, zoals het rapport expliciet zegt op blz. 104, hoe kan men dan zonder enige argumentatie voorstellen om uit te spreken “dat plaatselijke gemeenten de mogelijkheid hebben om ook leden die in een homoseksuele verbintenis samenleven tot het ambt te roepen, zo daar binnen de plaatselijke gemeente voldoende draagvlak voor is” (blz. 134)? Er wordt, zelfs niet in een voetnoot, verwezen naar één van de bijbelse criteria voor oudsten, zoals Paulus dat voorschrijft aan Titus: oudsten moeten “onberispelijke mannen [zijn], die maar één vrouw hebben” (Titus 1:6) en aan Timoteüs: “Een opziener moet onberispelijk zijn. Hij kan slechts de man van één vrouw zijn” (1 Tim. 3:2).

*3* Opvallend is ook dat de opstellers van het rapport wel de vragen rond relatievorming en het krijgen van kinderen eventjes aanstippen als belangrijk aandachtspunt, maar dat ze er echt op geen enkele manier op ingaan. Terwijl, als je het over het legitieme verlangen naar een partner dat God in de schepping gelegd heeft, je het toch ook serieus over de even legitieme kinderwens van homoseksuele christenen zou moeten nadenken. Daar hoort ook meteen de vraag bij hoe je moet denken over de doop van kinderen die geboren en/of geadopteerd worden in een vaste homoseksuele relatie.

Terecht kan iemand nu vragen: welke ruimte én richting zouden we als Nederlandse Gereformeerde Kerken dan wel moeten geven en wijzen?

Zelf kom ik vanuit de lens van de gebrokenheid uit bij een mix van ‘milde tegemoetkomendheid’ en ‘royale acceptatie’.

Dat betekent volgens mij dat we als bijbelgetrouwe kerken niet bang moeten zijn om uit te spreken dat het huwelijk door God bedoeld is als de blijvende liefdesrelatie tussen man en vrouw. Andere relaties binnen de christelijke kerk zijn daar geen variatie op. Daarom kunnen we als Nederlandse Gereformeerde Kerken homo-relaties niet op dezelfde manier inzegenen als het huwelijk van een christelijke man en een christelijke vrouw.

Het betekent ook dat we na de zondeval leven allemaal van Gods barmhartigheid leven. Dus is er ruimte voor homo’s en hetero’s aan de maaltijd van de HERE,  of ze nu zonder partner door het leven gaan of in een relatie van liefde en trouw samenleven – tenminste, wanneer ze niet in grove zonden leven. Voor mij is het enkele feit van een vaste relatie van een vrouw met een bewust-niet-gelovige man (of omgekeerd) of een relatie van twee mannen of twee vrouwen met elkaar of een tweede huwelijk na een ongeoorloofde echtscheiding niet te beschouwen als zo’n grove zonde. Maar al deze drie situaties zijn voor mij wel een belangrijker verhindering om iemand toe te laten als ambtsdrager, omdat de Bijbel aan hogere eisen stelt aan deze geestelijke taak.

Als het om een kinderwens gaat, is mijn denklijn als volgt: of het nu om onvruchtbare hetero-stellen of om homo-stellen met een kinderwens gaat of om alleenstaande vrouwen die dolgraag moeder willen worden: je kind is biologisch van een andere persoon dan je partner. Bijbels gezien is er dan sprake van kunstmatig overspel. En als het gaat om een afweging van belangen: het recht van kinderen op twee biologische ouders weegt volgens mij zwaarder dan het verlangen naar een eigen kind terwijl het niet van je partner is.

‘Milde tegemoetkomendheid’ en ‘royale acceptatie’ betekent voor mij dus, dat homoseksuele kerkleden die in een vaste relatie van geloof, liefde en trouw leven, op alle fronten volop meedoet in de gemeente, net als ieder ander kerklid. Maar op het punt van huwelijksbevestiging, ambtsdrager-zijn en kinderwens mogen we volgens mij als kerken uitspreken dat er op grond van Gods Woord zwaarwegende belemmeringen zijn.

Ruimte en richting – het NGK-rapport ‘Homoseksualiteit in de kerk’

Eind 2023 verscheen (met bijgaande foto op de NGK-website) het langverwachte NGK-rapport ‘Homosekualiteit in de kerk’. In deze eerste blog geef ik in eigen woorden een korte samenvatting van de inhoud van het rapport. De opstellers hebben, naast het officiële rapport van 258 bladzijden (klik hier) ook een ‘leeswijzer en samenvatting’ van 38 bladzijden (klik hier) gepubliceerd. Dat is nog behoorlijk uitgebreid, dacht ik. Dus vandaar deze nog beknoptere weergave. Daarin leg ik mijn eigen accenten en is er op één punt een volgens mij noodzakelijke korrektie. In een tweede blog wil ik inhoudelijk ingaan op het rapport.

Opdracht

De (toen nog GKV-)synode van Meppel gaf in 2017 een commissie de opdracht antwoord te geven op de vraag: ‘Wat heeft de gemeente van Christus te bieden aan lesbische zusters en homofiele broeders in haar midden?’

De volgende synode (die van Goes) gaf daarnaast in 2020 de commissie een aantal konkrete vragen mee:

  • geef een Schriftuurlijk onderbouwde visie op de bestaande seksuele diversiteit.
  • geef een Schriftuurlijk onderbouwde waardering van mogelijke seksuele relaties.
  • beschrijf hoe de christelijke gemeente veiligheid kan bieden aan mannen en vrouwen die niet in staat zijn om de weg te volgen die Genesis 2:24 wijst.
  • beschrijf hoe de christelijke gemeente ondersteuning kan bieden aan wie op grond van teksten als Matteüs 19:12 en 1 Korintiërs 7:37 kiezen voor een celibataire levensstijl.
  • beschrijf hoe een kerkenraad kan handelen in het geval gemeenteleden een seksuele relatie aangaan die naar het oordeel van de kerkenraad niet overeenstemt met de Schriftuurlijke norm.

Uitgangspunten

De opstellers hebben steeds een drietal algemene uitgangspunten voor ogen gehouden in het gesprek over LHBTI: het gaat om Christus, het gaat om mensen en het gaat om samen gemeente van Christus zijn.

Hoofdstuk 1 – Het wijdere verband (rapport blz. 30-36, samenvatting blz. 5-6)

Dit hoofdstuk laat zien dat onze westerse samenleving anno 2024 een heel andere tijd is dan die van een paar honderd jaar geleden. De antwoorden van toen zijn daarom niet één op één op vandaag toe te passen. Tegelijk moet het ons voorzichtig maken, want hoe wij in onze cultuur tegen homoseksualiteit aankijken is niet per definitie beter dan in andere tijden en in andere culturen. Als kerk moeten we ons niet laten leiden door de traditie (conservatief) of de huidige stand van zaken in de wetenschap (progressief). Als kerk moeten we telkens zelfstandig, in vertrouwen op Gods Woord en onder voortdurend gebed om wijsheid door Gods Geest, antwoord zoeken op aktuele vragen.

Hoofdstuk 2 – Homoseksualiteit: definitie en terminologie (rapport blz. 53-52, samenvatting blz. 6-8)

Dit hoofdstuk maakt onderscheid tussen * homoseksuele oriëntatie en * gelijkgeslachtelijk seksueel gedrag. Bij homoseksuele oriëntatie gaat het om de emotionele, romantische en/of seksuele aantrekkingskracht tot personen van hetzelfde geslacht. Men beschouwt zichzelf vaak als ‘homo’ of ‘lesbienne’. Vandaag is algemeen aanvaard dat deze oriëntatie geen ziekte of inbeelding is, maar alles te maken heeft met iemands identiteit en met wie hij of zij ten diepste is. Daarvan te onderscheiden is gelijkgeslachtelijk seksueel gedrag: de beleving van de seksualiteit tussen twee mensen van hetzelfde geslacht. Dit werd in het verleden nog wel eens beschouwd als hét criterium m.b.t. homoseksualiteit. Dat is onjuist. Gelijkgeslachtelijk seksueel gedrag is één van de uitingen (en dat nog niet eens altijd) van een homoseksuele oriëntatie.

Hoofdstuk 3 – Bijbel en ‘homoseksualiteit’ (rapport blz. 55-70, samenvatting blz. 9-13)

Dit hoofdstuk zet het onderwerp ‘homoseksualiteit’ in het grotere kader van Gods bedoeling met deze wereld en met zijn kinderen. Genesis 1+2: de unieke, levenslange, exclusieve, alomvattende levenseenheid van één man en één vrouw is een door God ingeschapen verlangen. Genesis 3: Gods goede schepping wordt diepgaand verstoord door de zondeval. Is de homoseksuele oriëntatie daarvan een rechtstreeks gevolg of te omschrijven als ‘pijnlijk raadsel’? Ook bij homo’s en lesbiennes is het door God ingeschapen verlangen naar een maatje voor het leven intact gebleven. Hooglied: binnen de relatie tussen man en vrouw heeft God de seksualiteit gegeven om van te genieten.

Relaties en seksualiteit hebben dus drie doelen: voortplanting, levenseenheid en genieten.

Het O.T. spreekt verschillende keren over ‘gelijkgeslachtelijke seks’ als uitwas (Genesis 19 – Sodom; Rechters 19 – Gibea) of in algemene zin als gruwel in de ogen van de HERE (Leviticus 18:22 en 20:13).

In het N.T. was men binnen het Jodendom unaniem van mening dat gelijkgeslachtelijke seks ‘tegen de natuur’ inging. Opvallend is dat Jezus in Matteüs 19 aangeeft, dat in Gods koninkrijk zoals Hij dat brengt, gelovigen ervoor kunnen kiezen vrijwillig van het huwelijk af te zien om zich volledig in te zetten voor de Heer.

In de rest van het Nieuwe Testament zijn drie plaatsen te vinden waarin gelijkgeslachtelijke seks expliciet genoemd en afgewezen wordt. In 1 Korintiërs 6:9 en in 1 Timoteüs 1:10 gaat het zeer waarschijnlijk om homo-prostitutie.

Paulus schrijft in Romeinen 1:26-27 uitgebreid over gelijkgeslachtelijke seks. Het gaat tegen de door God geschapen orde in. Paulus gebruikt hier dezelfde woorden als in Genesis 1: ‘vrouwelijk’ en ‘mannelijk’. Bij seksueel verkeer tussen mensen van hetzelfde geslacht wordt de door de Schepper gestelde grens overschreden.

Het rapport trekt twee belangrijke conclusies uit dit hoofdstuk:

1/ In de Bijbel tref je alleen teksten aan die gelijkgeslachtelijke seks afkeuren.

2/ Nergens gaat het over aantrekkingskracht, verliefdheid, intimiteit of zielsverwantschap tussen twee mensen van hetzelfde geslacht.

Hoofdstuk 4 – Verschillende visies (rapport blz. 74-98, samenvatting blz. 13-19)

Dit hoofdstuk beschrijft hoe christenen op drie verschillende manieren aankijken tegen de vraag of en hoeveel ruimte er mag zijn voor homoseksuele relaties. Deze drie lenzen leveren vanuit de Bijbel waardevolle inzichten op, zowel ethisch als pastoraal. Elke lens leidt meestal ook tot een andere uitkomst. [Zelf voeg ik nog een vierde lens toe – zie hierna]

1/ De lens van de scheppingsorde

God schiep de mens mannelijk en vrouwelijk en stelde het huwelijk tussen man en vrouw in. Heel de Bijbel wijst op morele gronden elke vorm van seksuele omgang tussen mensen van hetzelfde geslacht af. Twee theologen die deze visie aanhangen zijn Wolter Rose (NGK-gkv) en William Webb (Amerikaans Baptist)

Vanuit dit standpunt is elke vorm van homoseksueel verkeer zonde, ook als het plaatsvindt binnen een relatie van liefde en trouw. Wie zo’n relatie heeft kan niet worden toegelaten tot het doen van openbare geloofsbelijdenis, de heilige doop en de viering van het heilig avondmaal en kan geen kerkelijk ambt vervullen.

2/ De lens van gebrokenheid

Als gevolg van de zondeval is veel van Gods oorspronkelijk bedoeling verstoord geraakt. Ook op het gebied van seksualiteit en relaties. In onze gebroken wereld maakt God Zich bekend en gaat Hij met mensen om. Hij geeft geboden en verboden en houdt ook rekening met de gebrokenheid. Drie theologen die deze visie aanhangen zijn Henk de Jong (NGK-ngk), Bert Loonstra (CGK) en Jan Mudde (NGK-ngk).

Vanuit dit standpunt is er ruimte voor homorelaties als ‘blijk van milde tegemoetkomendheid’, maar dit ‘noodverband’ is niet gelijk te stellen aan het huwelijk.

3/ De lens van variatie

God heeft in zijn schepping een veelkleurige variatie aangebracht, en dus zijn er naast mensen met een heteroseksuele oriëntatie ook mensen met een homoseksueleoriëntatie. Deze verrijkende minderheidsvariant is geen verarming of degradatie van Gods goede schepping en ook geen gevolg van de zondeval of een teken van gebrokenheid. Volgens het rapport is Ad de Bruijne (NGK-gkv) op een zeer genuanceerde wijze aanhanger van deze visie.

Vanuit dit standpunt komt men in het algemeen tot een volledige acceptatie van alle samenlevingsvormen. Het vraagt van een kerkelijke gemeente dat zij een ’inclusieve’ gemeenschap is waarin iedereen even welkom is ongeacht zijn seksuele oriëntatie en de aard van zijn levensverbintenis.

4/ De lens van de herschepping

Het is volgens mij onterecht dat volgens rapport Ad de Bruijne tot een “voorzichtige duiding van homoseksualiteit als variant” komt. Hij heeft wel veel waardering voor de ‘variatie’-lens, maar ziet een homoseksuele oriëntatie ten diepste als iets wat niet in Gods goede schepping voor komt. De relatie man-vrouw blijft hij beschouwen als een bijbels basisgegeven van het menselijk bestaan. Wat De Bruijne echter sterk benadrukt is, dat we seksualiteit niet alleen vanuit de schepping, maar ook vanuit de toekomst van Gods Koninkrijk moeten benaderen. Daarin heeft seksualiteit geen plaats meer. Hij bekijkt homoseksualiteit dus vooral door de vierde lens van de herschepping. In het Nieuwe Testament zie je daar nu al contouren van, bv. in de herwaardering van het ongetrouwd zijn. Op basis daarvan ziet De Bruijne ook ruimte voor homorelaties, al dan niet incl. seksuele gemeenschap.

Het rapport constateert dat bijna iedereen binnen onze kerken erkent dat de Bijbel zelf zonder enige uitzondering gelijkgeslachtelijke seks afwijst. Toch ziet de een wel en de ander geen ruimte voor homoseksuele relaties. Hierbij is het gezag van de Bijbel niet in het geding. Wel verschilt men van meningover de vraag of de Heilige Geest op dit onderwerp de bijbelschrijvers boven hun eigen tijd en cultuur uittilde, zodat het verbod op homoseksuele relaties voor alle latere tijden en culturen geldt, of dat de Heilige Geest door de eeuwen heen in nieuwe omstandigheden Gods kinderen ook nieuwe inzichten geeft die geheel in lijn met de Bijbel liggen. Het rapport roept aan het eind van dit hoofdstuk op om ruimte te geven aan de verschillen.

Hoofdstuk 5 – Het gesprek (rapport blz. 101-118, samenvatting blz. 19-22)

Dit hoofdstuk laat zien dat er tussen de opstellers van het rapport overeenstemming is over het volgende:

  • De Bijbel schrijft uitsluitend in veroordelende zin over gelijkgeslachtelijke seks.
  • Homoseksualiteit is een modern concept dat je als zodanig niet terug kunt vinden in de Bijbel.
  • Basale verlangens naar geborgenheid, een maatje, intimiteit, iemand met wie je een nieuwe levenseenheid zijn door de HERE God Zelf ook in homoseksuele mensen gelegd.
  • De opvatting dat een homoseksuele oriëntatie een directe uiting is van zonde of verkeerde keuzes wordt nadrukkelijk afgewezen.
  • De seksuele omgang tussen man en vrouw is een scheppingsgegeven met het oog op de voortplanting. Het is dus meer dan een variant binnen het spectrum van de menselijke seksualiteit. Dit heeft gevolgen voor hoe je, als het om homoseksualiteit gaat, over relatievorming en kinderwens denkt.
  • De gemeente van Christus moet een veilige plek voor LHBTI’ers zijn.

De opstellers van het rapport verschillen van mening over de vraag of er binnen de gemeente van Christus ruimte mag zijn voor duurzame, uit liefde gegroeide homoseksuele relaties waarbinnen ook de seksuele omgang een plek heeft. Daarom kan één van hen, Wolter Rose, zich niet vinden in de keuzes die in hoofdstuk 6 gemaakt worden. Hij verantwoordt dat in hoofdstuk 7.

Hoofdstuk 6 – Keuzes maken (rapport blz. 121-138, samenvatting blz. 22-34)

Dit hoofdstuk bevat een aantal voorstellen m.b.t avondmaal, ambten en kerkelijke inzegening van homo-relaties. De Bijbel kent het verschijnsel van een homoseksuele oriëntatie niet, maar wel het herkenbare en diep-menselijke verlangen om niet alleen door het leven te gaan, zoals ook homo’s en lesbiennes dat hebben. De HERE is een barmhartig God en legt mensen geen ondraaglijke lasten op. In de gebrokenheid van dit bestaan kunnen homoseksuele relaties in liefde en trouw daarom geaccepteerd worden. Dat betekent dat iedereen die zich door God geroepen voelt om ongetrouwd door het leven te gaan, respect en ondersteuning verdient. Het betekent ook dat iedereen die het voor God kan verantwoorden om in liefde en trouw een relatie aan te gaan met een partner voor het leven, een volwaardige plek in de gemeente Christus mag hebben. Dit leidt tot de volgende adviezen:

6.2 Heilig Avondmaal

  • Laat homoseksuele broers en zussen die leven in een relatie van liefde en trouw toe tot het Avondmaal.

De motivatie hierbij is, dat het samenleven in een homoseksuele verbintenis van liefde en trouw geen grotere zonde is dan zoveel andere vormen van kwaad in onze cultuur en samenleving waaraan we ons allemaal schuldig maken.

6.3 Homoverbintenissen

  • Stel een nieuwe studiecommissie in om de vragen rondom het al of niet zegenen en/of bevestigen van homoverbintenissen en homohuwelijken te beantwoorden.

De motivatie hierbij is, dat men erkent dat er bijbels gezien een onderscheid blijft tussen het huwelijk tussen man en vrouw en het homohuwelijk. Het is-gelijk-teken dat de overheid tussen beide gezet heeft, kan de kerk niet zomaar overnemen. Aan de andere kant mag geen enkele vorm van een totaalrelatie die twee gelovige mensen voor het leven aangaan binnen de gemeente van Christus vrijblijvend van aard zijn.

6.5 Ambten

  • Plaatselijke kerken mogen kerkleden die in een homoseksuele relatie leven toelaten tot de ambten als daar binnen de gemeente voldoende draagvlak voor is.

Sommige opstellers willen hier terughoudend in zijn omdat ze homo’s die bewust ongetrouwd willen blijven niet in gewetensnood willen brengen. Andere opstellers vinden dat als we een duurzame relatie in liefde en trouw accepteren, dat ook geen belemmering voor het ambt mag zijn.

  • Stel een nieuwe studiecommissie in als het gaat om de vraag of we landelijk ook kerkleden die in een homoseksuele relatie leven kunnen toelaten in het ambt van predikant.

De motivatie hiervoor is, dat predikanten in het hele kerkverband mogen preken en de sakramenten bedienen, en er dus ook regionaal en landelijk voldoende draagvlak moet zijn.

Hoofdstuk 6 eindigt met de oproep om elkaar in liefde te verdragen, ook als kerken plaatselijk verschillende afwegingen maken. Paulus geeft immer aan in Romeinen 14 en 15, dat elke christen naar eer en geweten voor Gods aangezicht z’n eigen keus maakt. Dat mag ook elke plaatselijke kerk biddend doen.

Hoofdstuk 7– Een zijspoor, een dwaalspoor (rapport blz. 144-160, samenvatting blz. 34-35)

In dit hoofdstuk geeft Wolter Rose aan waarom hij niet kan instemmen met de inhoud en de adviezen van de overige opstellers in hoofdstuk 6. In zijn optiek is een homoseksuele oriëntatie niet verkeerd of zondig, maar roept Jezus zijn volgelingen dan op om in seksuele onthouding te leven en te kiezen voor het celibaat. Het rapport schuift volgens hem met een beroep op de barmhartigheid van God het duidelijke onderwijs van heel de Bijbel als het om ‘gelijkgeslachtelijke seks’ gaat op een zijspoor. De kern van Rose’s bezwaren zit ‘m vooral hierin: er wordt geen rekening mee gehouden dat Gods woorden in de Bijbel ook bedoeld zijn om onze opvattingen te corrigeren. We moeten het bijbels onderwijs over huwelijk en seksualiteit onvoorwaardelijk accepteren, zonder argumenten van buiten in te voeren om tot andere conclusies te komen. Ook vindt hij het vreemd dat de meerderheid zich op Romeinen 14+15 beroept om elkaar de ruimte te geven, terwijl uit het hele onderwijs van Paulus blijkt, dat keuzes op dit terrein juist niet onder de christelijke vrijheid vallen. Door op dit onderwerp alles in de vrijheid van de plaatselijke kerken te laten, leggen we met mooie woorden ten diepste Gods Woord naast ons neer en wordt de Bijbel een soort ‘wassen neus’, vatbaar voor elke interpretatie.

Het tweede deel van het rapport (blz. 172-230) bevat een verdieping met als onderwerpen: # Homoseksualiteiten van de negentiende tot de eenentwintigste eeuw — een verkenning; # Biologische aspecten van geslacht, gender en seksuele oriëntatie; # Identiteitsontwikkeling en trends; # Persoonlijke reflecties van de opstellers. Het derde deel (blz. 231-246) geeft praktische tips en adviezen voor het gesprek binnen de kerk. In de samenvatting van het rapport wordt dit allemaal kort genoemd (blz. 35-38)

Wil de rechterflank van de CGK nog wel samen verder?

De Christelijke Gereformeerde Kerken verkeren in misschien wel de grootste crisis van hun bestaan. Er wordt zo verschillend gedacht over zaken als ‘vrouw en ambt’ en ‘homoseksualitieit’, maar ook over binding aan de Bijbel, de gereformeerde belijdenissen en de kerkorde,  dat het kerkverband op sommige plekken amper meer functioneert. Daarom houden de Christelijke Gereformeerde Kerken op zaterdag 20 april te Veenendaal een ‘Convent’ over de toekomst van de CGK. Alle plaatselijke kerken mogen twee personen afvaardigen. Op het Convent worden de volgende vier denkrichtingen besproken om uit de impasse te komen (de tekst is overgenomen uit het Nederlands Dagblad):

1. Het kerkverband blijft in de huidige vorm bestaan. Daar is ‘ruimte voor een grote mate van diversiteit’ tussen gemeenten. Maar plaatselijk moeten de kerken zich wel houden aan de besluiten die landelijk genomen worden. 

2. Grotere autonomie voor plaatselijke kerken: ze zijn minder gebonden aan landelijke uitspraken. Hoeveel vrijheid lokale kerken dan hebben, moet nog worden doordacht. 

3. Alle CGK-gemeenten worden zo mogelijk gezamenlijk ondergebracht bij een ander kerkverband. Dit betekent het einde van de Christelijke Gereformeerde Kerken.

4. Alle CGK-gemeenten zoeken aansluiting bij een ander kerkverband naar keuze. Ook in deze variant verdwijnt het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken op den duur. 

Deze denkrichtingen en de manier waarop het gesprek gevoerd zal worden, is alleen bij de CGK-kerkenraden bekend. Maar binnen de CGK heeft halverwege 2022 een groep verontruste predikanten en (oud-)ambtsdragers de Stichting Christelijk Gereformeerd Beraad (CG-Beraad)opgericht. Ze maken zich grote zorgen over de koers die veel CGK-gemeentes varen als het om het toelaten van vrouwelijke ambtsdragers en, in mindere mate, het toelaten van samenwonende homo’s aan het Avondmaal gaat. Ook keuren ze het de handelswijze van een aantal CGK-regio’s (classes) af, omdat die weigeren CGK-kerken waar al wel zusters in het ambt van ouderling en/of diaken zijn bevestigd, te vermanen. Verder geeft men gevraagd en ongevraagd adviezen aan CGK-kerkenraden, belegt voorlichtingsavonden en geeft via de website www.cgberaad.nl commentaar op allerlei kerkelijke ontwikkelingen.

Onlangs stuurde het CG-Beraad aan alle CGK-kerkenraden een ‘Handreiking voorbereiding op het convent’ toe. Daarmee mengde een niet-kerkelijke stichting zich in de interne CGK-discussie en wordt die nu publiek gevoerd.

BUIGEN OF BARSTEN

De oplossingsrichting van het CG-Beraad om uit de crisis te komen is vrij simpel.

Kies samen voor Denkrichting 1. (Kerkstelsel handhaven): “alle gemeenten voegen zich weer van harte naar de Schriftuurlijke lijn van de besluiten” Als plaatselijke kerken toch vasthoudt aan vrouwen in het ambt hebben ze “als zodanig hun positie in het kerkverband onmogelijk gemaakt. Het gevolg zal zijn dat ze hun plaats in het kerkverband verliezen. Gezien de huidige onhoudbare situatie zal deze oplossingsrichting met spoed gewezen en gegaan moeten worden.”

Denkrichting 2. (Kerkstelsel aanpassen) vindt het CG-Beraad principieel niet verantwoord.

Denkrichting 3. (Gezamenlijk aansluiten bij een ander kerkverband) vindt men praktisch niet haalbaar.

Dus blijft als alternatief Denkrichting 4. (Kerkverband ontvlechten) over. Deze optie is volgens het CG-Beraad onontkoombaar zolang men binnen de CGK plaatselijke gemeentes en ook regionale, provinciale of landelijke vergaderingen niet opnieuw “in gezamenlijkheid in het klassiek-gereformeerde spoor kunnen of willen gaan. (…) Zolang het wonder van wederkeer uitblijft, staan de kerken ongewild voor de keuze ‘buigen of barsten’. Dan is deze denkrichting een beschamende verlegenheidsoplossing die verdere verlamming en kwaad voorkomt.”

Het CG-Beraad heeft een voorkeur voor de eerste optie, maar wel met de vermelding “dat dit alleen kan als de kerken als geheel blijven bij de bestaande Schriftuurlijke besluiten en die handhaven voor alle kerken; waarbij er geen ruimte is voor kerken die dat niet doen.” Maar het is ook denkbaar om nu al voor de laatste optie te kiezen, “om zo klassiek christelijk-gereformeerd te blijven, maar dan, als het niet anders kan, buiten het huidige kerkverband.”

In twee noten licht men toe hoe men dit bedoelt: “Gemeenten die besluiten en uitspraken van meerdere vergaderingen naast zich neerleggen (met welke achtergrond en verklaring ook, hoezeer daartoe gedrongen door de situatie waarin zij zich bevinden) en tegelijk stellen dat ze van harte onderdeel willen blijven uitmaken van de CGK spreken iets onmogelijks uit. (…) Toch een eigen koers varen als plaatselijke kerk kan niet anders gezien worden dan als het op­zeggen van het vertrouwen in de wijze waarop we als kerken gezamenlijk de wil van de Heere zoeken. (…) Omdat in het varen van een eigen koers het vertrouwen in het verband van kerken opgezegd wordt, en omdat het strijdig is met de belofte zich te voegen naar besluiten van meer­dere vergaderingen (wat eigen is aan ons kerk-zijn), is het onontkoombaar om te spreken over zonde en de noodzaak van vermaning en bekering. (…) De oplossing ligt voor de hand: alle gemeenten voegen zich (van harte, vanuit onderling vertrouwen en verlangen eenheid gestalte te geven) naar de praktijk zoals de CGK die hebben vastgesteld.”

SCHUIVENDE PANELEN

Ik verbaas mij erover dat het CG-Beraad zich zo scherp uitspreekt. Plaatselijke kerken die anders denken over ‘vrouw en ambt’ zijn niet geloofwaardig christelijk-gereformeerd, hebben het vertrouwen in het kerkverband opgezegd en moeten vermaand worden om zich van hun zondige wegen en inzichten te bekeren. Als dit wonder van wederkeer niet plaats vindt én het grote midden van de CGK besluit toch om elkaar vast te houden, staat de rechterflank van de CGK maar één ding te doen volgens het CG-Beraad: zelf als blok uit de CGK stappen om klassiek christelijk-gereformeerd te blijven. Hoe men dat voor zich ziet, wordt verder niet echt duidelijk gemaakt. Koerst men af op een eigen nieuw klassiek-reformatorisch-christelijk-gereformeerd kerkverband? Of zal men zich bij de HHK aansluiten als meest acceptabel alternatief?

RUIMTE VOOR VERSCHILLEND SCHRIFTVERSTAAN

Zoals gezegd, ik verbaas mij hierover. En wel om drie redenen. Allereerst hebben de Christelijke Gereformeerde Kerken in 1998 en 2001, toen voor het eerst besloten werd om geen zusters toe te laten tot het ambt, de visie van de minderheid niet als onschriftuurlijk afgewezen. Beide visies “hadden dezelfde hermeneutische basis, hetzelfde Schriftverstaan, terwijl daarna een verschillende evaluatie van de Schriftgegevens leidde tot een verschillende uitkomst.” Oftewel: de CGK-synode van 1998 waakte ervoor “om een principiële veroordeling van het standpunt van de minderheid van de studiecommissie uit te spreken.” In de brochure ‘Vrouw en ambt’ die in 2023 door de CGK Taakgroep ‘Samen kerk-zijn’ uitgegeven is, wordt het op blz. 157 als volgt verwoord: “Kerkelijk is er in de CGK altijd ruimte geweest voor iemands persoonlijke overtuiging inzake vrouwelijke ambtsdragers. De indieners van het minderheidsrapport in 1998 zijn niet veroordeeld en hebben volop in het kerkelijk leven gefunctioneerd. Voor verschil in Schriftverstaan is op grond van de vrijheid van exegese alle ruimte.”

Door voortdurend te stellen dat er nu wel sprake is van Schriftkritiek doet men de minderheid van 25 jaar geleden, die nu langzamerhand een meerderheid geworden is, geen recht. Want niet zozeer de kijk op de Bijbel als het gezaghebbende Woord van God is veranderd, als wel de verhouding tussen voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt. Dat is even slikken als je altijd in de meerderheid geweest bent, maar nu ziet dat je links (en niet rechts) wordt ingehaald door kerken die een andere conclusie trekken.

VROUWENKIESRECHT

In de tweede plaats hebben de Christelijke Gereformeerde Kerken 55 jaar geleden eenzelfde principiële diskussie gevoerd over het zogenaamde ‘vrouwenkiesrecht’. De vraag was: mogen alleen belijdende mannelijke leden hun stem uitbrengen bij de verkiezing van ouderlingen en diakenen en bij het beroepen van een predikant, of komt dat recht alle belijdende leden toe? De Generale Synode van Hilversum 1968/1969 was toen van oordeel uit dat “de wijze waarop aan de medewerking van de gemeente bij de verkiezing van ambtsdragers vorm gegeven moet worden, in de Schrift niet nauwkeurig wordt voorgeschreven;  er geen aanwijzingen in de Heilige Schrift zijn die reden geven de zusters der gemeente van het deelnemen aan de verkiezing uit te sluiten; de verkiezing als middel waardoor Christus aan zijn gemeente ambtsdragers geeft de medewerking van de gemeente zoveel mogelijk tot haar recht moet komen; [en] de positie die de vrouw in de Nieuw-Testamentische gemeente van de Here ontving, haar in staat stelt onder leiding van de kerkeraad samen met de man zich (…) ook bij de verkiezing van ambtsdragers uit te spreken.” En dus besloot de synode met zeer ruimte meerderheid (44-8), “dat bij de verkiezing van ambtsdragers door de gemeente ook die wijze van verkiezen kan worden gevolgd waarbij de zusters der gemeente die tot het Heilig Avondmaal zijn toegelaten aan de verkiezing deelnemen.” (Acta, art 220, blz, 92).

Een minderheid was het hier zeer principieel mee oneens en steunde de opvatting die ds. M.C. Tanis in 1968 in een minderheidsrapport verwoordde: “Wanneer nu de Schrift uitdrukkelijk verbiedt, dat de vrouw zal onderwijzen en regeren in de gemeente en wel op grond van de scheppingsorde, hoe zou het dan in overeenstemming met de Schrift geacht kunnen worden, dat de vrouw deelneemt aan de verkiezing der ambtsdragers?” (Acta, bijlage 82, blz. 331).

Precies 20 plaatselijke CGK-kerken tekenden bezwaar aan tegen dit besluit, maar de Generale Synode van Rotterdam 1971/1972 sprak met ruimte meerderheid (33-11) uit, dat “het deelnemen aan de verkiezing geen regeerdaad is” en dat “de genoemde bezwaren niet genoegzaam zijn gefundeerd op Schrift, belijdenis en kerkorde.” Daarmee werd het appel van de 20 bezwaarde kerken afgewezen. Wel kregen deze kerken enige ruimte, want de synode sprak ook uit: “er blijft een zekere vrijheid in de wijze waarop de verkiezing moet plaats vinden.”  (Acta, art. 173, blz. 103).

In het meerderheidsrapport dat zeer uitvoerig inging op de ingebrachte bezwaren werd het aspect van de christelijke vrijheid extra benadrukt. Een aantal kerken had namelijk als argument aangevoerd: het besluit dat in sommige CGK-kerken belijdende zusters  mogen deelnemen aan de verkiezing van ambtsdragers “bezwaart de gewetens van velen in onze kerken, die dit niet voor vast en bondig kunnen houden op grond van de Schrift, belijdenis en K.O.” Het rapport geeft daarop als antwoord: “Er blijft vrijheid ; niemands geweten wordt gebonden; er is steeds in de kerken een gevarieerde wijze van verkiezing geweest.” (Acta, Rapport LXIX, blz. 326)

In 1968 en 1971 werden dus nagenoeg dezelfde principiële bijbelse bezwaren aangedragen tegen het vrouwenkiesrecht. Maar beide synodes spraken nadrukkelijk uit dat het deelnemen aan de verkiezing van ambtsdragers geen regeerdaad is. Tegelijk behielden de kerken op rechterflank van de CGK de mogelijkheid om toch te vinden dat het tegen Gods Woord inging om belijdende zusters mee te laten stemmen bij de verkiezing van ambtsdragers. Dat besluit konden de bezwaarde kerken dragen, omdat de meerderheid (75%) de minderheid niet verplichtte om het vrouwenkiesrecht in te voeren. Er werden geen gewetens gebonden.

EEN GEWETENSKWESTIE

Daarmee kom ik toe aan het derde punt van mijn verbazing. In de huidige discussie hoor ik namelijk regelmatig, dat het toelaten van vrouwen tot het ambt in sommige CGK-kerken betekent, dat die kerken heersen over de gewetens van predikanten, ambtsdragers en leden van alle andere CGK-kerken die menen dat vrouwelijke ambtsdragers op grond van Gods Woord niet toegestaan zijn. Men beroept zich daarvoor op art. 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, waar staat:

“Daarom verwerpen wij alle menselijke bedenksels en alle wetten die men zou willen invoeren om God te dienen en daardoor het geweten te binden en te dwingen, op welke wijze dan ook. Wij aanvaarden dus alleen wat kan dienen om eendracht en eenheid te bevorderen en te bewaren en allen te doen blijven bij de gehoorzaamheid aan God.”

Nu werd dit beroep op art. 32 NGB al in 1968 en 1971 afgewezen. Want het gaat hier niet om hoe andere plaatselijke kerken omgaan met bepaalde kwesties, maar of men zelf verplicht wordt om besluiten uit te voeren die van bovenaf bindend als kerkleer of vanuit de traditie worden opgelegd.

Volgens de CGK-gemeentes die vóór de vrouw in het ambt zijn, heeft het besluit van de Generale Synode van Dordrecht/Nunspeet 2019-2021 “dat er in de Christelijke Gereformeerde Kerken geen plaats is voor een praktijk van vrouwelijke ambtsdragers, zolang de kerken daarvoor gezamenlijk op grond van de Schriften geen ruimte zien” (Acta, art. 266, blz. 435) hen in gewetensnood gebracht.  Of dat terecht is, valt te bezien, want je kunt ook ‘om eendracht en eenheid te bevorderen en te bewaren’ van je eigen standpunt afzien. Maar het gaat wel om de eigen plaatselijke gemeente waar men grote moeite heeft met dit besluit.

Omgekeerd kun je dan niet zeggen, zoals binnen de rechterflank van de CGK gebeurt, dat ook daar mensen en kerkenraden in gewetensnood gebracht worden doordat elders binnen het kerkverband zusters worden toegelaten tot het ambt.  Dat is een weinig overtuigend argument. Men wordt namelijk op geen enkele manier belemmerd om zelf uitvoering te geven aan het besluit om geen vrouwen toe te laten tot de ambten. Dat men principiële moeite heeft met kerken die deze synode-uitspraak naast zich neerleggen, is begrijpelijk. Maar dat is wat anders dan dat daardoor het eigen geweten gebonden en gedwongen wordt.

FEDERATIE

Ooit voerde prof. dr. W. van ’t Spijker een pleidooi voor een federatie van kerkenverbanden. Daar is het nooit van gekomen. In 2022 lanceerde Arjan Witzier, CGK-predikant te Apeldoorn-Centrum iets soortgelijks, maar dan als oplossing om binnen de CGK toch nog de eenheid te bewaren (zie afbeelding hierboven). Ook het CG-Beraad ziet wel wat in deze optie, maar helaas alleen als manier om soepel tot een definitieve boedelscheiding te komen:  “Het vormen van een federatie als tussenstap in het proces van ontvlechting zien we als een raadzame optie om zo de druk van de huidige spanningen tijdelijk weg te nemen.” Daarmee laadt het CG-Beraad een grote verantwoordelijkheid op zich. Het zet niet alleen de eigen kerkelijke eenheid op het spel, maar ook, om maar eens iets te noemen, het voortbestaan van de Theologische Universiteit in Apeldoorn.

Ik hoop en bid dat men binnen de CGK elkaar blijft vasthouden bij Gods Woord en elkaar tegelijk plaatselijk de christelijke ruimte biedt om vanuit een gelovig Schriftverstaan daaraan binnen de kaders van Schrift en belijdenis een eigen invulling te geven.

Gun Hamas -net als Hitler- geen adempauze

De oorlog in Gaza is verschrikkelijk. De internationale druk op Israël is groot om tot een langdurig of permanent staakt-het-vuren over te gaan. Ook Hamas wil graag de wapens vier, vijf maanden neerleggen. Toch is dat een slecht idee. Dictatoriale regimes die op geen enkele manier vrede willen, moet je geen adempauze gunnen. Die moet je, terwijl je blijft praten, net zo lang bevechten tot ze zich onvoorwaardelijk overgeven.

Hamas is namelijk vergelijkbaar met Hitler. Die liet op gruwelijke wijze alle Joden in Duitsland en omringende landen vermoorden. Veel Palestina-sympathisanten vergeten dat Hamas hetzelfde nastreeft in Palestina: de totale vernietiging van de ‘zionistische entiteit’. Wat dat voor Hamas werkelijk inhoudt werd op 7 oktober 2023 duidelijk tijdens die beestachtige pogrom: zonder pardon, planmatig en doelbewust werden vreedzame festivalgangers, bejaarden, vrouwen, kinderen en baby’s in koelen bloede afgeslacht, enkel omdat ze Jood waren. Maar vrijwel meteen begon in vooral linkse kringen het witwassen en wegkijken.

doorvechten

Hamas is vergelijkbaar met Hitler. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vochten de geallieerden aan Amerikaans-Europese en aan Russische zijde net zo lang door tot Nazi-Duitsland zich onvoorwaardelijk overgaf. Dat had Duitsland al in juni 1944 kunnen doen. Maar Hitler ging door tot het bittere eind. Het resultaat was verschrikkelijk: honderdduizenden burgers in Duitsland en de bezette gebieden kwamen in de elf maanden tussen D-day en mei 1945 om door honger en geweld. Was dat de geallieerden aan te rekenen? Nee. Want met een oorlogszuchtige dictator onderhandel je terwijl de strijd doorgaat. Je gun hem geen adempauze.

Hamas is vergelijkbaar met Hitler. Dus kan Israël maar een ding doen, net als indertijd de geallieerden: onderhandelen én doorvechten totdat Hamas zich onvoorwaardelijk overgeeft. Anders krijgt Hamas de gelegenheid zich te hergroeperen, op adem te komen en een volgende ronde aan gruwelijkheden te beginnen. En zullen er nog meer onschuldige Palestijnse burgerslachtoffers vallen. Dat is vooral Hamas aan te rekenen. Dat gebruikt de eigen bevolking bewust als levend schild voor zijn ideologische strijd. Hamas zette z’n masker af op 7 oktober en toont tot op de dag van vandaag z’n ware gezicht: al heeft de Gaza-oorlog al meer dan 20.000 eigen burgers het leven gekost, de prijs om heel Palestina nagenoeg ‘Judenrein’ te maken kan nooit hoog genoeg zijn. 

Hamas is dan ook geen groep vrijheidsstrijders die opkomt voor een eigen Palestijns-Arabische staat naast een Joods-Israëlische staat, zoals volgens internationaal recht al sinds 1948 de bedoeling is. Het is een van de Palestijnse terroristengroeperingen die vanuit intense Jodenhaat zich voortdurend met geweld tegen deze twee-staten-oplossing hebben gekeerd. Iedere kans op vrede werd telkens succesvol opgeblazen.

nieuwe werkelijkheid

Wanneer Israël, net als de geallieerden in 1944, doorvecht tot het Hamas definitief op de knieën heeft gekregen, breekt een nieuw tijdperk aan. Daar kun je sceptisch over zijn als je kijkt naar de plannen van extreem-rechtse, racistische Joodse terror-kolonisten. Die willen alle Palestijnen uit Gaza en de Westbank deporteren en een groot-Israël stichten. Dat sombere toekomstscenario kan inderdaad gebeuren. 

Na de Tweede Wereldoorlog gebeurde iets soortgelijks. Aan de ene kant van het IJzeren Gordijn zuchtte de bevolking van Duitsland, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Tsjechoslowakijke, Hongarije, Roemenië en Bulgarije nog 70 jaren lang onder de dictatuur van het communisme. 

relatieve vrede

Als deze Gaza-oorlog voorbij is, is er volgens mij voldoende democratisch gehalte in Israël om de niet-populaire regering van Netanyahu weg te stemmen. En als de wereldpolitiek het niet laat afweten kan er, onder internationale druk, gewerkt worden aan een nieuwe toekomst waarin Palestijnen en Israëli’s in relatieve vrede met en naast elkaar kunnen leven. Net zoals na 1945 aan de andere kant van het IJzeren Gordijn met de Marshall-hulp van Amerika de wederopbouw van een vrij en democratisch Europa plaatsvond. 

Maar in 1944 was de angst voor de Russen geen reden om Hitler een adempauze te gunnen. Zolang Hamas net zo erg blijft als Hitler, is daar nu, 80 jaar later, ook geen reden voor. Alleen totale overgave bracht toen en kan nu vrede brengen. 

EENZIJDIGE SOLIDARITEIT MET ISRAEL

Israel in het Oude Testament is niet hetzelfde als Israel in het Nieuwe Testament en is niet hetzelfde als Israel vandaag. Wie dat onderscheid niet maakt, loopt het risico om te vervallen in eenzijdige solidariteit met Israel. In die fout verviel volgens mij Chris Stoffer, de partijleider van de SGP. Hij bracht begin januari met een aantal parlementariërs uit andere Europese landen een ‘solidariteitsreis’ aan Israel. Hij deed dit, zei hij, in het Nederlands Dagblad, vanuit een diepe liefde voor Israel. Hij ging met het leger op stap, sprak met een slachtoffer van de barbaarse slachting die Hamas op 7 oktober aanrichtte en met president Herzog over de traumatische gevolgen voor heel de Israelische bevolking.

Nu is er niks mis mee om solidair te zijn met Israel, nadat het op 7 oktober jl. aangevallen is door een terreurorganisatie die, gedreven door intense Jodenhaat, de totale vernietiging van de Joodse entiteit in Palestina nastreeft. Het gevolg van de pogrom van Hamas is ongenadige Jodenwraak, want Israel wil er alles aan doen om de terreur van Hamas te stoppen en de 500 km (dat is van Groningen naar Berlijn !!) aan tunnels te vernietigen, waarvan de in- en uitgangen bewust onder woningen, scholen, ziekenhuizen en moskeeën zijn aangebracht. Ik begrijp heel goed dat voor Israel een staakt-het-vuren voorlopig nog niet aan de orde is. Voor al het leed van de 2 miljoen inwoners van Gaza is Hamas de eerstverantwoordelijke. Dat durven, ondanks de enorme repressie door Hamas, ook steeds meer burgers van Gaza hardop te zeggen. Pas als Hamas de oorlog beëindigd en de gijzelaars vrij laat, is er een kans op vrede (vinden ook deze twee Palestijnen uit Gaza).  

Israel-bezoek Chris Stoffer

Maar je kunt ook op een eenzijdige manier solidair met Israel zijn. Op Twitter merkte ik op, dat het een gemiste kans was dat Stoffer geen Palestijnse christenen had bezocht, omdat die makkelijk te vinden zijn in Israel, waar 20% van de burgers een Arabisch/Palestijnse identiteit heeft. Ook was hij niet op de Westelijke Jordaanoever wezen kijken hoe terror-kolonisten met hun cowboy-gedrag hun kans schoon zien om, gesteund door een wegkijkende overheid, aan ordinair landjepik te doen en de oorspronkelijke Palestijnse bevolking van hun rechtmatige geboortegrond te verdrijven. Dan loop je toch echt wel aan de leiband van de rechtse regering van Netanyahu.

De SGP-leider reageerde op Twitter als door een wesp gestoken. Hij kwam genoeg mensen tegen die de Palestijnse zaak behartigen, zei hij, maar hij was juist “in Israel geweest om SOLIDARITEIT te tonen met Israël.”

Die wat allergische reactie van de SGP-leider (de hoofdletters waren van hem) is volgens mij het gevolg van een diepe liefde voor Israel die uitgaat van de gedachte: Israel OT = Israel NT = Israel nu. Dat lijkt mij een nogal twijfelachtige, onzorgvuldige en, als je consequent doordenkt, niet bijbelse redenering. De kern daarvan bestaat uit de gedachte: ‘Israel’ staat altijd gelijk aan ‘het Joodse volk’. En omdat Israel in het Oude Testament ‘Gods oogappel’ genoemd wordt (Deut. 32:10, Jer. 31:20, Zach. 2:12), blijft dat ook zo in het Nieuwe Testament, ook al hebben ze in meerderheid Jezus verworpen, en is dat vandaag nog steeds zo als het om het land en (80% van het) volk en de staat Israel gaat.

Wat zegt de Bijbel?

Wie de Bijbel leest vanuit Jezus Christus als centrum, weet dat Abraham door de HERE is uitgekozen om via zijn nakomelingen alle volken tot een zegen te zijn (Gen. 12:3). Voortdurend wordt al in het Oude Testament benadrukt, dat niet iedere geboren Israeliet het ook werkelijk is, want het gaat niet om de uiterlijke besnijdenis, zeggen Mozes en Jeremia (Deut. 30:6, Jer. 4:4, 9:25), maar om de besnijdenis van het hart. Na Pinksteren benadrukt Paulus dat ook: Jood is men niet door uiterlijkheden, en het gaat ook niet om de uiterlijke, lichamelijke besnijdenis; Jood zijn is iets innerlijks en de besnijdenis is die van het hart (Rom. 2:29). Voortdurend lees je ook in het Oude Testament, dat het heil van God voor alle volken bestemd is. Vanaf Pinksteren gaat dat in vervulling, bv. Psalm 87.  Dan wordt overduidelijk, dat iedereen welkom is en zich mag aansluiten bij “het Israel van God” (Gal. 6:16b). Want het ware, geestelijke Israel bestaat, net als in het Oude Testament,  uit allen die in het geloofsspoor van Abraham gaan en in Jezus Christus geloven als de door God beloofde en gekomen Messias.

Dat vroeg een omkeer van denken die er bij de apostelen en de eerste christenen maar moeilijk inging. Zij verwachtten binnen afzienbare tijd het herstel van het koningschap in Israel, maar Jezus zei: ‘Wees mijn getuigen tot aan de einden der aarde.’ (Hand. 1:6-8). Petrus wilde er eerst zelf niet aan en moest zich later verdedigen dat hij de Romein Cornelius had bezocht en hem zo maar, alleen op z’n geloof, had toegelaten tot Gods volk op aarde (Hand. 10:1-11:18). Even later kregen Paulus en Barnabas bakken vol kritiek over zich heen omdat de gelovigen uit de heidenen zich niet aan allerlei Joodse wetten hoefden te houden (Hand. 15). Het zat diep ingesleten in het denkpatroon van de eerste christenen: heidengelovigen zijn welkom bij ons, joodse gelovigen, maar dan moeten ze zich wel aan de oude regels houden. Maar na het grote apostelcongres waren Petrus en Jakobus er, onder leiding van de Heilige Geest, wel uit: christenen uit de Joden en christenen uit de heidenen worden op dezelfde manier gered, namelijk door de genade van de Heer Jezus, en zo herstelt de Heer het vervallen huis van David, waartoe nu alle christenen afkomstig uit het Joodse volk en uit de heidenen behoren (Hand. 15:11-18). Ook Paulus sloot zich hierbij aan: sinds Pinksteren maakt God geen enkel onderscheid meer en delen alle christenen in het burgerschap van het ene, geestelijke Israel (Ef. 2:11-22).

Heeft Israel een speciale plek?

Wie vandaag nog een speciale plek voor het land Israel en voor het Joodse volk ziet weggelegd, maakt dezelfde denkfout als de apostelen en een deel van de eerste Joodse christenen uit Handelingen. Het gaat na Pinksteren niet meer om dat ene Joodse volk, waarbij de rest van de wereld zich mag aansluiten. Het gaat om de ene Heer, Jezus Christus, en iedereen wordt opgeroepen zich in geloof bij Hem aan te sluiten, ongeacht nationaliteit, afkomst en geslacht. Dat is sinds Pinksteren Gods volk op aarde, Gods oogappel, de bruid van Christus.

Heeft het Joodse volk en het land Israel dan nog een speciale plek in Gods plan met de wereld? Ik denk van niet. Alle beloften van God waren op Christus gericht en zijn in Christus vervuld. Wat nog uitstaat is voor iedereen bestemd tot aan de uiteinden van de aarde, zoals de Psalmen zingen en Jesaja profeteert.

Is er dan geen verschil? Jawel: Joden die tot geloof in Jezus komen, komen er achter dat Hij de Messias is die in hun eigen Tenach is aangekondigd. Hetzelfde geldt in mindere mate voor moslims die tot geloof komen: zij kenden Jezus in hun Koran eerst alleen maar als de profeet Isa. Dat is een heel andere manier van thuiskomen dan vanuit het heidendom. Maar ik geloof er niets van dat God twee lijntjes heeft lopen om mensen tot Zich te trekken. Of dat Hij twee plannen heeft, eentje met het Joodse volk, waarvan iedereen die naar Israel emigreert meer rechten zou hebben op het beloofde land dan de Palestijnse bewoners van wie de stamboom soms teruggaat tot 400 na Christus. Want de God van Jezus Christus, die via Israel tot de wereld gekomen is, wil de God van alle volken, incl. het joodse volk, zijn. Niet het land Kanaän, maar heel de aarde is voor de zachtmoedigen bestemd, zegt Jezus (Mat. 5:5) en wie Hem volgt door zich aan Gods geboden te houden, zal het niet goed gaan in het beloofde land Kanaän, maar hier op aarde (Ef. 6:3).

De oude Simeon zong het al toen hij het kindje Jezus in de armen nam: “Met mijn eigen ogen heb ik de redding gezien die U bewerkt hebt ten overstaan van alle volken: een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van Israel, uw volk.” (Luk. 2:30-32).

Eerder geplaatst als opinie-artikel onder de titel “Bezoek SGP-leider Stoffer legt eenzijdige solidariteit met Israël bloot” op CVandaag 11 januari 2024

Een Kind verbindt

Een kind stapt de grote-mensen-wereld binnen. Meteen verandert de sfeer. Discussies verstommen en maken plaats voor vertederende blikken en woorden. Een kind verbindt.

In Nederland lijkt de verbinding ver te zoeken. De verkiezingsuitslag laat zien dat ons land tot op het bot verdeeld is. Hoe geloofwaardig zijn de verzoenende woorden van iemand ter rechterzijde die groot geworden is door extreme uitspraken? Hoeveel waarde hechten demonstranten ter linkerzijde aan de demokratie als ze oproepen om massaal te gaan protesteren tegen de uitkomst van eerlijk tot stand gekomen verkiezingen?

Met Kerst vieren we de geboorte van het kind Jezus Christus. Hij zorgt wel voor verbinding. Hij verbindt mensen met elkaar. Hij verbindt mensen met God. Dat doet Hij zonder onderscheid. Hij voelde Zich voor niemand te goed, maar werd één van ons. 

Het Kind van Kerst verbindt. In deze donkere tijd verspreidt Hij het licht van Gods liefde voor mensen. Hij brengt vrede op aarde en vrede in het hart. Wie Hem vindt, doet hetzelfde als de herders en de wijzen. Die knielden in aanbidding voor Hem neer.

Een geloofsgesprek aan de keukentafel (de engel Gabriël op bezoek bij Maria)

De beste gesprekken vinden meestal plaats aan de keukentafel. Zo stel ik me ook het gesprek tussen Gabriël en Maria voor. Bij mij zit het plaatje in het hoofd van Gabriël die plotseling in de deuropening staat en Maria, die net aan haar rondje huis begonnen is, aanspreekt. Niet persé zoals in dit plaatje, maar wel in die trant. Na de begroeting zijn Gabriël en Maria ergens gaan zitten, stel ik me zo voor. Misschien wel aan de keukentafel. Want ja, daar vinden meestal de beste gesprekken plaats.

Nu was dit wel een heel bijzonder gesprek. Maria krijgt van Gabriël te horen dat zij ‘bij God in de gunst staat’ (NBV), genade gevonden heeft bij God’ (HSV), ‘door God is uitgekozen voor iets moois’ (BGT). Want Maria zal de moeder worden van de lang verwachte Verlosser van Israel, de grote Zoon van God , die voor altijd als Koning op de troon van David zal regeren over al Gods kinderen.

MARIA

Drie keer reageert Maria hierop. Drie keer heel gelovig. Eerst denkt ze lang  na over deze mededeling. Dat is gelovige reaktie 1. En als ze het allemaal verwerkt heeft stelt ze maar één vraag. Dat is gelovige reaktie 2. Ze neemt,  lijkt het haast, zonder meer aan dat zij de moeder van de beloofde Messias mag worden. Ze vraagt zich alleen af: ‘Hoe zal ik zwanger worden? Want om een kind te krijgen heb je ook een man nodig en zo ver zijn Jozef en ik nog niet gegaan.’ Ook op die vraag geeft Gabriël een antwoord. En hij geeft er een hint bij:  ‘Wist je dat tante Elisabeth op haar 65e ook nog een kind krijgt?’ Maria begrijpt wat Gabriël daarmee zeggen wil, want ze reist meteen af van Nazareth naar de heuvels van Judea. Want dit nieuws is te groot om met iemand anders over te praten. Ze kan als dochter van 16 toch niet thuiskomen met: ‘Mama! Je zult het niet geloven, maar vanmorgen stond er een engel in de deuropening. Het was Gabriël. En aan de keukentafel hadden we toch een bijzonder gesprek!’ Nee, inderdaad … dat zou Maria’s moeder niet geloven. Laat staan dat ze ’s avonds aan Jozef voorstelt om een wandelingetje te maken en hem dan bij het meer van Galilea vertelt: ‘Zeg Josh,  je zult het wel een apart verhaal vinden, maar binnenkort krijgen we een kindje. Nee, ’t is niet van iemand anders, maar van God. Zullen we er even bij gaan zitten? Dan leg ik het je wel even uit.’ Nou, dat is inderdaad zo apart, Maria weet niet eens hoe ze het geloofwaardig aan Jozef kan vertellen. Dus wijst Gabriël haar op Elisabeth, die geen kinderen kon krijgen, maar nu ook zo wonderlijk, tegen alle verwachting in, al dik zes maanden zwanger is.

Maar eerst zegt Maria nog: ‘De Heer wil ik dienen. Laat er met mij gebeuren wat u gezegd hebt.’ Deze gelovige reaktie 3 is helemaal in lijn met de eerste twee. Ze gelooft wat Gabriël net gezegd heeft: ‘Want niets is voor God onmogelijk.’ Ze zet een stap in het geloof waarvan ze de gevolgen totaal niet kan overzien.

EEN STAP IN GELOOF

Een stap in het geloof zetten. Omdat God het van je vraagt. Wanneer gebeurt dat? Wanneer kun je dat? Als de Heilige Geest over je komt en de kracht van God je overschaduwt. Dat zal bij Maria op een bijzondere manier gebeuren, zegt de engel Gabriël. Zo werd zij de moeder van Jezus, haar Heer.

Maar de Heilige Geest was al op een gewone manier over Maria gekomen. Ze had de kracht van God al in zich. Want ze geloofde. Dat is ook een wonder trouwens, want het geloof ontstaat volgens Jezus op de manier van een geboorte. Je wordt opnieuw geboren als de Heilige Geest in jou het geloof verwekt.

En als dát gebeurt … sta je versteld van wat dat uitwerkt. Bij Maria – 16 jaar oud en bijna zwanger. Bij anderen. Maar ook bij jezelf: ‘Wat U in uw Woord tegen mij zegt, Heer, ik ben bereid om dat te doen.’

Wat wil God vandaag van jou? Stel je die vraag en denk daarbij aan Maria. Die reageerde drie keer vanuit een gelovige houding. Als God iets tegen je zegt – hoe luister je dan? Als God iets van je wil – hoe reageer je dan? Als God iets van je vraagt – wat doe je dan?

Denk bij deze vraag ook aan Jezus onze Heer. Toen God tegen Jezus zei: ‘Leg je glorie af’ – zei Jezus: ‘Ik ben bereid om te gaan, Vader.’  Toen God tegen Jezus zei: ‘Nu wil Ik dat je gaat’– zei Jezus: ‘Hier ben Ik om uw wil te doen.’ Toen God tegen Jezus zei: ‘Drink de beker tot  de laatste druppel leeg’ – zei Jezus: ‘Laat uw plan doorgaan.’

DE HEER IS MET JE

En vergeet tenslotte het meest onbekende zinnetje dat Gabriël tegen Maria sprak niet: ‘Maria, de Heer is met je.’ Dat is God altijd. Maar Hij zegt het nog eens extra duidelijk als er iets bijzonders van je gevraagd wordt. Ja, Jezus heeft het gezegd toen Hij naar de hemel ging. Want Hij wist toen al, dat  gelovigen vandaag zich zo vaak afvragen: ‘Hoe hou ik het vol als christen? Waarom sta ik er voor mijn gevoel zo vaak alleen voor? Ik twijfel zo vaak en m’n geloof wordt zo gemakkelijk onderuit gehaald.’  Herinner je je dan de famous last words van onze Heer: ‘Ik ben bij jullie, van dag tot dag, tot aan de voltooiing van de wereld.’

Je hoeft geen Maria te zijn om daar op te vertrouwen. Vraag de Heilige Geest alleen wel om hetzelfde geloof als Maria. ‘Heer, hier ben ik om uw wil te doen.’ En hoor dan de Heilige Geest fluisteren: ‘Ga maar, want de Heer is met je.’

‘O God, verlos onze Palestijnse medechristenen uit al hun benauwdheden’

Op 13 november schreef ik voor CVandaag het opiniestuk ‘Bijbelse retoriek van sommige pro-Israël christenen is ongepast‘ over christenen die met een beroep op het Oude Testament onvoorwaardelijk de kant van Israel kiezen in het conflict met de Palestijnen. Hieronder volgt de tekst van dat opiniestuk. Maar eerst nog twee vooropmerkingen.

In het Nederlands Dagblad van 27 november stond een interview met Bernard Reitsma die goed onder woorden brengt hoe ongerijmd het is om allerlei profetieën en beloften van God zomaar op het Israel van nu te plakken.

Op 28 november publiceerde CVandaag een interview met Willem Ouweneel, die van mening is dat alleen christenen die wél geloven dat de Bijbelse profetieën over en beloften aan Israel vandaag in vervulling gaan. Volgens hem horen ‘vrijzinnigen’ én ‘aanhangers van de vervangingstheologie’ niet bij de ‘bijbelgetrouwe gelovigen’. Zelf zet hij een is-gelijk-teken tussen Israel toen en Israel nu. “Terwijl het volk Israël in het Oude Testament streed tegen de Amalekieten of de Filistijnen, zo strijdt het volk nu tegen Hamas.” En dus vindt hij het volkomen terecht dat om Psalm 25 vers 22 (O God, verlos Isral uit al zijn benauwdheden) op de politieke situatie van vandaag toe te passen, zoals de organisatie ‘Christenen voor Israël’ meteen na de pogrom van Hamas deed.

Voor mij was het aanhalen van Psalm 25 vers 22 juist de reden om in CVandaag onderstaand opiniestuk te schrijven. Ik had daarbij zelf als kop de titel bedacht: ‘O God, verlos België uit al z’n benauwdheden’ of ‘Als je Bijbel en politiek door elkaar haalt’.

Een aantal jaren geleden bezocht ik met een groep jongeren van 18-20 jaar een gebedsuur tijdens de jaarlijkse Week van Gebed. In drie rondes mochten we in groepjes bidden voor ‘de kerk’, ‘de wereld’ en ‘Israel’. Eén van de jongeren vroeg zich hardop af: “Waarom Israel? Waarom niet België?” Ik heb zijn verbaasde opmerking altijd onthouden. Inderdaad, waarom zou je als christen apart voor het land en de staat en de Joodse burgers van Israel bidden, meer dan voor andere landen en mensen?

Sinds de gruwelijke oorlog in Israel en Gaza die Hamas op 7 oktober jl. ontketend heeft, zijn er veel christenen die Bijbelteksten citeren om hun steun aan Israel te betuigen. De november-editie van Israëlaktueel, het blad van ‘Christenen voor Israël’, plaatste op de voorpagina een grote foto met in vetgedrukte letters: “O God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden.” Psalm 25:22 

Nu sta ik achter Israel als het gaat om z’n bestaansrecht. En ik sta achter Israel als het gaat om het recht zichzelf te verdedigen tegen de intense Jodenhaat van Hamas en anderen die Palestina van de rivier tot de zee ‘Judenfrei’ willen maken.

Ik begrijp ook, dat premier Netanyahu het Oude Testament gebruikt om het bestaan van Israel als vrije natie te legitimeren. Want hij is zelf een Jood. Vanuit zijn perspektief heeft het Joodse volk een historisch, goddelijk recht om het land te bewonen dat God hen beloofd heeft.

Het is opmerkelijk dat Natanyahu al op 22 september 2023 tijdens zijn toespraak bij de Verenigde Naties in New York een bijbelgedeelte aanhaalde. Hij hield de leden van de Algemene Vergadering voor, wat er volgens Deuteronomium 27 en 28 op de bergen Ebal en Gerizim gebeurde, toen Israel het beloofde land binnentrok. “Mozes zei dat het lot van het volk bepaald zou worden door de keuze die zij zouden maakten tussen ‘de zegen en de vloek.’ Diezelfde keuze heeft door de eeuwen heen weergalmd – niet alleen voor het volk van Israël, maar voor de hele mensheid. We staan ​​vandaag voor een dergelijke keuze. Het zal bepalen of we de zegeningen zullen genieten van een historisch stukje grenzeloze welvaart en hoop, of zullen lijden onder de vloek van een gruwelijke oorlog van terrorisme en wanhoop,” aldus Netanyahu. Hij zei dit omdat Israel en Saoedi-Arabië binnenkort een vredesakkoord zouden ondertekenen. Dat “zal werkelijk een nieuw Midden-Oosten creëren.” Maar, waarschuwde hij erbij, “er zit een addertje onder het gras zit. Het radicale, giftige terreurregime in Teheran is vastbesloten dit alles te dwarsbomen en nog meer vernietigingszaden in het Midden-Oosten te zaaien.” (zie bron)

Amper twee weken later bleek hoe giftig die adder was, met alle gevolgen van dien tot de dag van vandaag. Intense Jodenhaat leidt tot onbarmhartige Jodenwraak. Op 25 oktober sprak Netanyahu het Israelische volk toe en verwees daarbij naar een profetie van Jesaja. “Onze oorlog tegen Hamas is een test voor de hele mensheid. Het is een strijd tussen de as Iran-Hezbollah-Hamas van het kwaad en de krachten van vrijheid en vooruitgang. Licht zal duisternis verslaan. Met vereende kracht, met een diep geloof dat we een gerechtvaardigde strijd voeren en dat Israel eeuwig zal bestaan, zullen we de profetie van Jesaja 60:18 realiseren: ‘Van geweld in je land wordt niets meer vernomen, noch van verwoesting en rampspoed binnen uw grenzen. Je zult je muren Redding noemen en je poorten Roem.’ Samen zullen we vechten en samen zullen we overwinnen.” (zie bron)

Netanyahu verwijst naar het Oude Testament omdat hij het ziet als Gods boek voor het Joodse volk. Christenen zien dat anders. Gods boek bestaat uit twee delen en gaat over Gods belofte en de realisatie ervan dat Hij Jezus Christus zal sturen om heel de wereld te bevrijden van zonde en schuld en van de aarde weer een paradijs van vrede en veiligheid te maken. Iedereen die vóór zijn komst Jezus als Messias en Redder verwachtte en tijdens zijn leven op aarde in Hem geloofde en iedereen die daarna vanaf Pinksteren Hem als Messias en Redder erkent, hoort bij dat ene volk van God. Al die mensen, die in Christus een nieuwe schepping zijn, zijn “het Israel van God” en delen in de vrede en barmhartigheid dankzij het kruis van Jezus Christus onze Heer, zoals Paulus in Galaten 6:14-18 zegt. Dat ware Israel bestaat uit alle mensen die wandelen in het voetspoor van het geloof van Abraham (Romeinen 4:12).

In het Oude Testament koos God voor het smalspoor van het Joodse volk. Alleen incidenteel traden er ook gelovigen uit de heidenen toe. Sinds Pinksteren verbreedt God Zelf “het burgerschap van Israel” tot heidenen en Joden die zich verbonden weten met Christus en die dankzij Hem samen door één Geest toegang hebben tot de Vader (Efeziërs 2:11-22). Geen wonder dat Paulus daarom ook de belofte dat God het land Kanaän aan de nakomelingen van Abraham, Isaak en Jakob zal geven, zonder problemen verbreedt tot “een goed en lang leven op aarde” (Efeziërs 6:3).

Het lijkt mij daarom ongepast om Bijbelteksten over Israel uit het Oude Testament toe te passen  op steun aan de staat en de Joodse burgers van Israel vandaag. Dan krijg je van die vreemde toepassingen zoals ‘Christenen voor Israel’ dat je een Psalm over persoonlijke geloofsvervolging uit het jaar 1000 vóór Christus gaat toepassen op de politieke situatie in Israel anno 2023.

Voor je het weet, praat je daarmee ook andere ontwikkelingen goed, zoals het wangedrag van de Joodse kolonisten op de Westelijke Jordaanoever, die als gangsters de lokale Palestijnse bevolking verjagen, omdat heel Judea en Samaria door God aan het Joodse volk beloofd is. En zelfs Gaza zou dan geheel gezuiverd mogen worden van de niet-Joodse bevolking, want er staat immers in Rechters 1:18: “Ook veroverden de Judeeërs het hele gebied van Gaza, het hele gebied van Askelon en het hele gebied van Ekron.”

Van dit soort bijbelse retoriek zouden christenen zich verre moeten houden. Het zou veel mooier zijn als mijn geloofsgenoten van ‘Christenen voor Israël’ het Oude Testament weer via de lens van Messias Jezus (Pasen) en zijn Heilige Geest (Pinksteren) gaan lezen. Dan zeg je in 2023 met Psalm 25 vers 22: ‘O God, verlos de Eritrese en Noord-Koreaanse christenen uit al hun benauwdheden.” Of nog beter, betrek deze Psalm op de Palestijnse christenen, die al eeuwenlang het land bewonen, van wie sommigen een stamboom hebben die teruggaat tot 400 na Christus en van wie de voorouders misschien wel met Pinksteren op het tempelplein stonden en bij de eerste 3000 christenen hoorden die Jezus als Messias erkenden en zich lieten dopen. Vanuit de onopgeefbare en onvoorwaardelijke verbondenheid die christenen wereldwijd met elkaar voelen bid ik als eerste voor hen: “O God, erbarm U over onze Palestijnse broeders en zusters die klem zitten tussen twee onverdraagzame vuren.”

Wat een geluk dat ik in Nederland woon! – Dankdag 2023

Het gaat goed met Nederland! De mannen zijn jong en vol kracht, de vrouwen zijn mooi en sterk. Alle voorraadkasten en bankrekeningen zijn goed gevuld, vol met voedsel, meer dan genoeg saldo. In de weilanden lopen koeien, schapen en geiten, het zijn er ontelbaar veel. Ze produceren een overvloed aan melk, vlees en wol. In Nederland wordt niemand aangevallen en niemand hoeft te vluchten. Niemand huilt, niemand heeft verdriet. Gelukkig zijn mensen die een goed leven hebben. Ja, de mensen in Nederland zijn meer dan gelukkig! (vrij naar Psalm 144:12-15 BGT)

Wat een geluk dat ik in Nederland woon!

  1. Waar de jeugd nog steeds een toekomst heeft

Op de eerste woensdag van november vieren veel christenen dankdag voor gewas en arbeid. Maar als David na een moeilijke periode God gaat danken voor alle zegeningen, begint hij op een bijzondere manier. Onze meest kostbare gewassen en bouwwerken, dat zijn onze kinderen, onze zonen en dochters. Hen zet David voorop. Want jongeren zijn de toe­komst van de kerk en de toekomst van het land. Daarom vraagt David: laat onze zonen gezond en sterk opgroeien. Lichamelijk én in het geloof. Allebei.

Het gaat bij jongens niet alleen om uitgaan en veel verdienen. God vindt het veel belangrijker wáár je opgroeit. Dicht bij water. In de Bijbel is water bijna altijd het beeld van God en Jezus. Zij zijn de bronnen van levend water. En let dan op wat er bij staat: in hun jeugd met ​liefde​ verzorgd. Hoe bijzonder is dat! Dat je als ouders en als volwassenen zo met je jongeren omgaat, dat geen sprake is van scheefgroei, maar van geestelijke groei, qua karakter en qua geloof. Dat maakt van onze jongens krachti­ge, jonge bomen, jong en vol kracht, van wie je later veel vruchten kunt verwachten. Hoe mooi is dat! Hetzelfde geldt voor onze dochters, zegt David. Hij vraagt God, of ze sierlijk mogen zijn. Lichamelijk én in het geloof. Allebei.

Het gaat bij meiden niet alleen om het uiterlijk en om versierd te worden. God vindt het veel belangrijker dat je je als persoon goed ontwikkelt. Als een hoekzuil van een paleis. In de Bijbel is dat vaak het beeld van Gods huis, zijn tempel, de kerk. Dáár wil God jou als meisje, als jonge vrouw, een speciale plek geven. En let dan op wat er bij staat: zo sierlijk gesneden. Hoe bijzonder is dat! Dat je als ouders en als volwassenen zo met je jongeren omgaat, dat ze innerlijk gevormd worden met een eerlijk, gelovig karakter. Dat maakt van onze meiden een lust voor het oog, ook in het oog van God! Dan word je iemand op wie anderen kunnen bouwen. Hoe mooi is dat!

Als de HERE zulke jongeren geeft, is dat iets om voor te danken. Van alle welvaart is dit toch wel het belangrijkste: dat onze kinderen goed terecht komen, op hun eigen plek en werk, met vrienden en misschien man of vrouw. En, nog belangrijker, dat ook zíj in het geloof God als hun Vader zien en in de voetsporen van Jezus willen gaan. Dat is ook een zegen op de arbeid van ouders, nl. Gods zegen op de geloofsopvoeding. Daarvoor mag je op dankdag de HERE ook hartelijk danken

Wat een geluk dat ik in Nederland woon!

  1. Waar de welvaart nog steeds op peil is

Toch blijft David daar niet bij stil staan. Hij zoekt het goede voor zijn volk, en daarom durft hij God ook om een bloeiende handel en een krachtige eko­nomie te vragen. Niemand in het land mag honger leiden of onder de armoedegrens raken. Vandaar de vraag om goed gevulde schuren en een uitgebreide veestapel. Schapen en geiten waren er vooral voor het vlees en de wol en het leer. Ook de runderen worden genoemd. Er staat ‘onze kudden doorvoed’, maar alle andere vertalingen hebben het over ‘runderen’. Je kunt het ook vertalen met: ‘dat onze runderen zwaarbeladen zijn’, zoals de HSV het doet. Daarmee komt ook de transportsector in beeld, in die tijd het vervoer van allerlei produkten naar de markt of naar de molens of naar de leerlooiers of naar de slachterijen. Die leveren weer aan de bakkers, de schoenmakers en de slagers. Zo komt de hele bevolking aan eten en kleding. Met elkaar leveren we met ons werk en met onze inzet een bijdrage aan de welvaart van het land. Ieder op zijn of haar door God gegeven plek. Soms is het elke dag hetzelfde, soms is het heel afwisselend. Het zijn allemaal kleine beekjes, die sámen één grote bron van welvaart vormen. Maar zie je ook die ene andere bron, waar al die beekjes vandaan komen? Zie je die zegen ook? Dat is Gods goedheid, die zich over het hele land verspreidt.

Wat een geluk dat ik in Nederland woon!

  1. Waar we nog steeds in veiligheid leven

Er is nog iets waar David God hartelijk voor bedankt. Er is vrede in heel het land! Je hoeft niet bang te zijn voor een vijandelijke inval. Je hoeft je niet bang te zijn dat je morgen moet vluchten. Hoe anders is dat in andere gebieden waar het oorlog is – in Oekraine, in Israel en de Palestijnse gebieden. Hoe anders is dat in landen waar  natuurrampen plaatsvinden – aardbevingen en overstromingen.

Maar hier in Nederland? Iedereen mag hier in alle vrijheid leven en z’n mening geven. Bijna iedereen gaat er in 2024 op vooruit. Kijk es om je heen in de wereld en besef hoe gezegend we in vergelijking daarmee zijn! Geen enkele reden voor een weeklacht op de pleinen, zoals David het zegt. 

Wat een geluk dat ik in Nederland woon!

  1. Waar we nog steeds in God mogen geloven

Ondertussen wordt er wat afgemopperd in Nederland. Hoe zou dat nu zo komen? Nou, als David zegt: ‘Gelukkig het volk dat zo mag leven’ – met gezonde kinderen, met een hoog welvaartsniveau en in een vrij en veilig land, dat wil iedereen wel!

Maar als David daar dan aan toevoegt: ‘Gelukkig het volk dat de HERE als God heeft’ – die afsluiter is voor veel mensen eerder een afknapper. Nee, laat dat maar zitten. Een fijn en gezond gezin, een mooi huis, zonder zorgen kunnen genieten – dat maakt veel mensen gelukkig. Maar het geloof in God? Geloven is achterhaald. Geloven is regeltjes. Geloven legt alleen maar beperkingen op. En zelfs als er al een God zou zijn, dan bemoeit Hij Zich niet met die tijdelijke dingen. ‘Daar had Jezus geen verstand van’, zei eens een liberale boer, toen iemand tegen hem zei: ‘Zie je de zegen van God ook?’

Die boer is vast niet de enige. Sterker nog … als christen denk je dat ook wel eens, toch? Zo door de week kost het best wel moeite dat verband te blijven zien tussen Gods zegen en ons werk. Maar als je erover nadenkt, dan zie je als christen toch wel dat bijna iedereen iets heeft om voor te danken? Als kind mooi speelgoed en vrienden op school, als jongere een opleiding en je hobby’s, als volwassene je werk en je gezin, als oudere de aanvullende zorg als je nog zelfstandig woont, in het seniorencomplex of in het verzorgingstehuis.

Onze goede God laat Psalm 144 nog steeds, ook in 2023, in vervulling gaan. Wat welvaart betreft komen de meesten van ons niets veel tekort. Die gewone dingen hebben ook met het geloof te maken. God vindt het niet beneden zijn stand om voor al die dagelijkse behoeften te zorgen. Hij regelt de vrucht­baarheid van koeien, schapen en de velden. Hij geeft paarden hun kracht. Hij vergeet zelfs de mussen op het dak niet.

Laten we niet vergeten onze hemelse Vader voor al die gewone zaken te danken. Want, zegt de Heidelbergse Catechismus in Zondag 45, al die goede dingen zijn van God afkom­stig, en onze inspan­ning, ons werk en zelfs alles wat God ons geeft, is op zichzelf zinloos, omdat we er zonder Gods zegen niets aan hebben.

Veel Nederlanders willen vooral geluk. God wil jou en mij meer geven: zijn zegen. Ook in de gewone dingen. Als je in voorspoed leeft, word je pas gelukkig als je God de eer daarvoor geeft. En alleen als je Jezus hebt, ben je pas echt rijk.

12 Onze zonen zijn als jonge planten, in hun jeugd met ​liefde​ verzorgd, onze dochters als de hoekzuilen van een paleis, zo sierlijk gesneden, 13 onze schuren gevuld, van voorraad en voedsel voorzien, onze schapen en ​geiten, met duizenden, met tienduizenden op onze velden, 14 onze kudden doorvoed, geen inval, geen uittocht, geen weeklacht op onze pleinen. 15 Gelukkig het volk dat zo mag leven, gelukkig het volk dat de HEER als God heeft. Psalm 144 : 12 – 15 (NBV21)

Leden die vertrekken – hoe delen we dat in de NGK 2023 mee?

Vroeger, toen we nog ‘Gereformeerde Kerken in Nederland’ heetten met ‘(vrijgemaakt)’, werkten we met attestaties bij overschrijving naar zusterkerken (eerst alleen GKV, later ook CGK en NGK). Als men lid werd van een andere kerk (PKN, baptist, rooms) werd dat afgekondigd als een onttrekking. Als men zich nergens bij aansloot, werd dat een onttrekking genoemd. Beide werden vaak ‘met droefheid’ meegedeeld. Inmiddels zijn horen we per 1 mei 2023 allemaal tot het kerkverband van de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK) en hebben we een nieuwe kerkorde. Daar staat het volgende in als het om leden gaat die verhuizen of die niet langer lid willen zijn van onze gemeente.

C10 verhuizing

C10.1 Gemeenteleden die verhuizen, ontvangen op hun verzoek en na bekendmaking aan de gemeente een schriftelijke aanbeveling voor de kerkenraad van de gemeente waarheen zij vertrekken.

C11 onttrekking

C11.1 Wanneer iemand aangeeft niet langer tot de gemeente te willen behoren, zich zonder kennisgeving bij een andere kerkgemeenschap aansluit of bij verhuizing naar elders geen aanbeveling aanvraagt, en daar ondanks inspanningen van de kerkenraad en de gemeente bij blijft, berust de kerkenraad hierin en maakt hij de beëindiging van het lidmaatschap aan de gemeente bekend.

De nieuwe kerkorde maakt geen onderscheid meer tussen een ‘attestatie’ bij overgang naar een zusterkerk en een overschrijving naar een ander kerkgenootschap. Als men zich wil aansluiten bij een andere gemeente krijgt men, ongeacht het kerkgenootschap, een ‘schriftelijke aanbeveling’ mee en wordt de gemeente hierover geïnformeerd. Als iemand zich nergens bij wil aansluiten, wordt het lidmaatschap beëindigd en wordt de gemeente hierover geïnformeerd. Het woord ‘attestatie’ wordt niet meer gebruikt en het woord ‘onttrekking’ ook niet meer in hoe de kerkenraad de beëindiging van het lidmaatschap aan de gemeente bekend maakt.

Hoe deel je dat nu mee aan de gemeente? Dat gebeurt altijd in een kerkdienst. Als iemand daar echt bezwaar tegen maakt, wordt het alleen vermeld in het kerkblad (net als bij een muziekvereniging op sportclub waar ook nieuwe leden en leden die bedanken vermeld worden).

In NGK ‘De Lichtbron’ te Balkbrug, waar ik predikant ben, hebben we het volgende besloten:

Bij een kerkelijke overgang wordt altijd, ongeacht bij welke kerk men zich aansluit, gesproken van een overschrijving. Wanneer iemand nergens anders lid wil worden, noemen we dat een uitschrijving. Beiden worden door de kerkenraad beoordeeld en op een zondagmorgen aan de gemeente bekendgemaakt. De overschrijvingaan het begin van de dienst, de uitschrijving vlak voor het tweede gebed na de preek.

Bij een overschrijving wordt ook de nieuwe kerk genoemd. Dat kan een NGK of CGK of vGKN zijn als zusterkerk, maar ook wie vertrekken naar een PKN-gemeente of overstappen naar één van de twee nieuw-vrijgemaakte kerkverbanden of zich willen aansluiten bij een baptistenkerk of een Moziekgemeente krijgen zo’n kerkelijke overschrijving mee.

Bij een uitschrijving vermelden we alleen de naam van het gemeentelid. Er wordt niet meer bij gezegd, dat we hier ‘met droefheid’ kennis van nemen, maar wel dat we het jammer vinden dat iemand zich niet aansluit bij een andere gemeente. De gevoelens bij een uitschrijving zullen, net als bij een overschrijving, in het gebed bij de HERE gebracht worden.

Vroeger was het gebruikelijk dat alleen belijdende leden een attestatie ontvingen als ze ergens anders lid werden. Bij doopleden werd het lidmaatschapsbewijs rechtstreeks naar de nieuwe kerk gestuurd. Dat laatste doen we niet meer. Vanwege de steeds strengere privacywetgeving ontvangen ook doopleden zelf de ‘aanbevelingbrief’.

We hebben ook besloten om, net als vroeger, bij een kerkelijke overgang de nieuwe kerk daarvan op de hoogte te stellen door middel van een vooraankondiging. Dat is geen controledwang, maar hoort bij een goede overdracht van de pastorale zorg.

En we geven aan elk kerklid dat zich laat uitschrijven zijn of haar kerkelijke gegevens mee. Dat gebeurt nu af en toe als iemand daar om vraagt. Het is beter om dat standaard  bij elke uitschrijving te doen. Dan is het betreffende gemeentelid er zelf verantwoordelijk voor om die weer in te leveren als hij of zij na verloop van tijd zich toch weer (God zij dank!) bij een gemeente wil aansluiten. Daar hoeft de kerk waar men in het verleden bij hoorde dan niet tot in lengte van jaren zorg voor te dragen.

Ook dit doen we in Balkbrug op basis van de bepalingen in de nieuwe kerkorde:

C9 kerkelijke registratie

C9.1 De kerkenraad draagt zorg voor een goede registratie van wie tot de gemeente behoren.

C9.2 De geregistreerde gegevens worden zorgvuldig beheerd en alleen gebruikt voor kerkelijke doeleinden.
Dat betekent ook, dat er geen blanco attestaties worden afgegeven. Wie zegt: ik ga eerst een tijdlang rondkijken om te zien of ik een fijne gemeente vindt die bij mij past, krijgt van ons het advies om dat in alle rust te doen, maar om daarna aan te geven bij welke kerk men zich wil aansluiten. Als die keus op de lange baan geschoven wordt, constateren we na een half jaar tot een jaar, dat iemand is vertrokken zonder zich te laten overschrijven.

Tenslotte nog een anekdote: een week nadat we dit besluit genomen hadden, vroeg een collega mij: ‘Dus jullie geven altijd een attestatie / aanbevelingsbrief mee, ook als gemeenteleden overstappen naar Mozaiek?’ Ik antwoordde hem: ‘Jazeker! Als het tenminste een plaatselijke Mozaiek-gemeente is, en dan met een berichtje aan Adrian Verbree en A.P. Feijen als het Mozaiek0523 is 😁.’