Eigenlijk had ik deze blog de titel mee willen geven: ‘De Heilige Geest – het ondergeschoven kindje binnen de Drie-Eenheid.’ Maar dat vond ik wat te oneerbiedig gezegd. Toch meen ik het serieus: de Heilige Geest is de ondergewaarde Persoon binnen de Drie-Eenheid. Niet alleen onder gereformeerde christenen, maar ook onder evangelische christenen.
Gereformeerde christenen krijgen nog wel eens het verwijt dat ze te weinig aandacht hebben voor het werk van de Heilige Geest. Wij (want ik hoor bij die groep van gereformeerd christenen) zouden de Heilige Geest teveel opsluiten in de Bijbel, doordat we zeggen: ‘de Geest werkt door het Woord’ en dus het rechtstreeks spreken van de Heilige Geest ontkennen. We zouden ook te weinig oog hebben voor de vruchten van de Geest en veel te weinig ruimte geven aan de gaven van de Geest.
Dat zijn punten waar best meer over te zeggen valt. Maar in deze blog wil ik het over iets anders hebben. Namelijk, dat in evangelische kringen de Persoon van de Heilige Geest te weinig eer krijgt. Hij is volgens de Bijbel degene die mensen tot geloof brengt en het geloof geeft.
In veel boekjes en flyers kom ik steeds tegen, dat je als christen om de Heilige Geest moet vragen, nadat je Jezus als Verlosser hebt aangenomen. De boodschap van de Bijbel wordt dan als volgt weergegeven.
1/ God heeft alles gemaakt. In het begin was zijn schepping perfekt. Adam en Eva leefden in het paradijs in nauwe verbondenheid met God.
2/ Onder invloed van de duivel kozen Adam en Eva tegen God. Daardoor kwam de zonde in de wereld met alle gevolgen van dien. De relatie met God is nu verbroken.
3/ Omdat God zoveel van ons houdt, komt Hij met een reddingsplan. Hij stuurt zijn Zoon Jezus naar deze aarde. Die draagt aan het kruis de straf voor onze zonden. God accepteert zijn offer door Hem te
4/ De relatie tussen God en mij wordt weer hersteld als ik accepteer dat Jezus ook voor mijn zonden gestorven is. Als ik dat geloof, mag ik zeker weten dat ik weer bij God mag horen. Ik mag dan ook vragen of zijn Heilige Geest in mij wil komen wonen om mij te helpen als christen te leven.
Deze ‘bijbelse’ samenvatting kom je echt heel vaak tegen. Maar bij het vierde punt begint het bij mij enorm te kriebelen. Want ik vind dat daar het accent veel te veel op de keus van mensen voor Jezus komt te liggen. De indruk wordt gewekt dat God als Vader en Jezus als Redder een grandioos aanbod doet aan alle mensen, en dat wie daar goed over nadenkt, natuurlijk graag op in gaat. En als iemand dat dan doet, komt de Heilige Geest als derde Persoon van God in je wonen.
In het bekende (en voor het overige erg goede) boekje ‘Wa@rom Jezus?’ van Nicky Gumbel staat een gebed dat je kunt bidden als je een relatie met God wilt hebben. Je moet dan drie dingen tegen Jezus zeggen:
Jezus, (1) ik heb spijt van alle dingen die ik fout gedaan heb in mijn leven. (2) Dank U, dat U voor mij aan het kruis bent gestorven, zodat ik vergeving krijg en vrij word gemaakt. Dank U dat U mij vergeving en het kado van de Heilige Geest aanbiedt. Ik wil dat geschenk graag ontvangen. (3) Alstublieft, kom in mijn leven door uw Heilige Geest en blijf voortaan altijd bij mij. Dank U Jezus. Amen.
Ook hier wordt gezegd dat Jezus mij een fantastisch aanbod doet. Als ik daarop inga, ontvang ik van Hem vergeving van zonden en geeft Hij mij zijn Heilige Geest.
Maar daarmee doe je de Heilige Geest tekort. En geef je jezelf teveel eer. God gaat namelijk over alles. Dus ook over mijn geloof. Als ik tot geloof kom (of ik dat nou van jongs af aan langzaam gegroeid is, zoals Timoteüs het van zijn oma Loïs en zijn moeder Eunike geleerd heeft, of dat ik plotseling het licht gezien heb, zoals Paulus die voor de poorten van Damaskus spontaan van zijn paard viel) is dat ook al het werk van de Heilige Geest in mij. Mijn geloof is uiteraard mijn keus voor God en Jezus. Maar het is vooral de innerlijke werking van de Heilige Geest die mij zo ver brengt dat ik ga geloven in God als mijn Schepper en Vader en in Jezus als mijn Redder en Vriend. Mijn geloofskeus is het werk van de Heilige Geest in mij! Paulus zegt het heel duidelijk in Efeziërs 2 vers 8: Door Gods genade bent U gered, dankzij uw geloof. Maar dat dankt u niet aan uzelf: het is een geschenk van God.
In de populaire samenvatting van de bijbelse boodschap krijgt dat laatste (‘uw geloof is een geschenk van God’) veel te weinig nadruk. Daarmee wordt de Heilige Geest tekort gedaan. Jezus geeft zijn Geest niet pas als follow-up aan christenen wanneer ik eerst zelfstandig heb besloten zijn aanbod van genade aan te nomen. De Heilige Geest is Zelf degene die mij tot het besef brengt dat ik zonder God en Jezus hopeloos verloren ben en ga, die mij op de knieën brengt en die ervoor zorgt dat ik graag Jezus als mijn Redder aanneem.
Dus als de Heilige Geest niet eens genoemd wordt als derde Persoon van de Drie-Eenheid, of pas in je komt wonen als je Hem eerst daarvoor uitnodigt, doe je Hem enorm tekort. De uitdrukking ‘Soli Deo Gloria’ betekent: aan God alleen de eer. Die eer komt ook alleen aan Hem toe als Heilige Geest voor het feit dat ik geloof.
Voor evangelische christenen is er dus werk aan de winkel. Zet de Heilige Geest op de voorgrond als je vrijmoedig vertelt dat jij in jouw leven voor Jezus hebt gekozen. Dank Hem daarvoor.
Voor gereformeerde christenen is er net zoveel werk aan de winkel. Durf er vrijmoedig voor uit te komen dat jouw geloof het werk van de Heilige Geest is. Dank Hem daarvoor.
Als afsluiter twee citaten uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis:
Wij geloven dat de Heilige Geest in ons hart waar geloof ontsteekt, dat Jezus Christus met al zijn verdiensten omhelst, Hem zich toeëigent en niets meer buiten Hem zoekt. (Art. 22)
Wij geloven dat echt geloof in de mens verwekt wordt door het horen van het Woord van God en door de werking van de Heilige Geest. Dit geloof doet hem opnieuw geboren worden, bevrijdt hem uit de slavernij van de zonde, maakt hem tot een nieuw mens en doet hem leven in een nieuw leven. (Art. 24)
Op 11 juni noemde ik op Twitter Rick Warren ‘een bijbelgetrouwe theoloog’. Dit naar aanleiding van zijn ruiterlijk excuus tegenover alle vrouwen die hij jarenlang heeft uitgesloten om als voorganger het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen.
My biggest regret in 53 years of ministry is that I didn’t do my own personal exegesis sooner on the 4 passages used to restrict women. Shame on me. I wasted those 4 yrs of Greek in college & seminary. When I finally did my proper “due diligence”, laying aside 50 years of… pic.twitter.com/yz3HjNUFw6
Daarop vroeg collega Gertjan van Harten (@hardgras) mij: “Wanneer ben je een bijbelgetrouw theoloog en wie beslist dat?”
Ik antwoordde hem: “Het criterium is voor mij: Jezus als Verlosser en niet alleen als Voorbeeld.”
Hij reageerde daar weer op met: “Het gaat mij erom dat het etiket ‘bijbelgetrouw’ fungeert als een keurmerk. Wie mag zo’n keurmerk geven? En wat zijn de criteria (of wat is het criterium) voor dit keurmerk? Niet flauw bedoeld, maar kun je bijbelgetrouw en hermeneutiek los van elkaar zien? Dus bv. bijbelgetrouw zijn en tegelijk slavernij verdedigen?”
Mijn korte reaktie daarop was: “Zolang ons kennen beperkt is, zullen christenen per periode en cultuur bepaalde items verschillend interpreteren. En zullen wie Jezus niet als Verlosser erkennen het op die items soms/vaak beter zien.”
Een dag later, op 12 juni, gaf Willem Ouweneel in het Nederlands Dagblad aan, dat iemand een orthodox christen is wanneer “hij gelooft in de lichamelijke opstanding van Christus. Dat is een simpele toetssteen. Gewoon rechtstreeks: wat de apostelen gepredikt hebben in Handelingen 2 tot 5: Christus is werkelijk opgestaan.” Over andere punten, zoals de plaats van de vrouw of de omgang met homo’s kun je verschillen, vindt Ouweneel, maar ‘de opstanding van Christus ziet hij als breekpunt’, aldus het ND-artikel (dat op papier de kop had: ‘Ouweneel: Bijbel is vaak minder zwart-wit dan wij denken’, maar op internet de wat eenzijdige kop: ‘Willen Ouweneel waarschuwt kerken die duidelijke grenzen stellen’).
Dat leverde het volgende kommentaar op van collega Evert Overeem (@dsDiederik): “Wie heeft Ouweneel als toetser-met-categorische-vragen aangesteld?”
Daar reageerde Gertjan van Harten als volgt op: Dit raakt mijn vraag aan @ds_Ernst. Hij noemde Rick Warren een bijbelgetrouw theoloog. Wanneer ben je bijbelgetrouw? En wie beslist dat?”
Mijn antwoord daarop was: “Ik kan mij wel goed vinden in deze ‘Ouweneel-toetssteen. Wie de lichamelijk opstanding van onze Heer Jezus ontkent, is geen bijbelgetrouw theoloog. En wie dat bepaalt? Ik denk de communis opinio van de gezamenlijke wereldkerk.”
Daarop stelde Gertjan opnieuw zijn prangende vraag: “Je kunt dus iemand die de lichamelijke opstanding van Jezus belijdt, maar tegelijk ook de slavernij verdedigt, bijbelgetrouw noemen? Ik bedoel dit echt niet flauw, maar het woord ‘bijbelgetrouw’ triggert me.”
En, het lijkt op een herhaling van zetten, antwoordde ik hem opnieuw: “Bijbelgetrouw begint met de fysiek opgestane Christus als fundament (1 Kor. 15). Qua ethische standpunten zullen christenen per periode en cultuur bepaalde items verschillend interpreteren. Ook zullen wie Jezus niet als Verlosser erkennen het op dat soort items vaak beter zien.”
Tot zover de diskussie op Twitter. Maar ik wil het graag nog iets uitwerken, want het is een terecht vraag: wanneer mag je iemand een bijbelgetrouw (mijn woorden) orthodox (Ouweneels typering) noemen?
OP WELK FUNDAMENT STA JE?
Ik snap het punt van Gertjan wel: iemand die met de mond belijdt dat Jezus voor onze zonden is gestorven en door God is opgewekt uit de dood, maar er allerlei andere meningen en/of een levensstijl op na houdt die beslist niet christelijk zijn, kun je toch moeilijk een bijbelgetrouw christen noemen?
Toch denk ik, dat je echt een onderscheid moet maken tussen het fundament waarop je staat of zegt te staan als het om je levensovertuiging gaat, en over wat je daarna als consequentie van die overtuiging als standpunten inneemt.
De basale, fundamentele overtuiging van het hele Nieuwe Testament is volgens mij, dat Jezus voor onze zonden is gestorven en na drie dagen weer is opgestaan en zijn Heilige Geest heeft uitgedeeld opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.
Jezus zegt dat Zelf volgens zijn vier biografen. Het is volgens Lukas de terugkerende boodschap van Petrus, Stefanus en Paulus in het boek Handelingen. Het wordt voortdurend onderstreept in de brieven van Paulus, Petrus en Johannes.
Als dan iemand zegt, of het nu subtiel of choquerend is, dat je die opstanding niet al te letterlijk opvatten, want ik geloof niet in ‘een goocheltruuk met beenderen’, is er geen gezamenlijke basis meer waarop we elkaar kunnen aanspreken. Zo iemand is dan voor mij geen ‘bijbelgetrouwe christen’. Want, zegt Paulus, in 1 Korintiërs 3 en 1 Korintiërs 15: het fundament van uw geloof is Jezus Christus die hoogstpersoonlijk voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, en is verschenen aan meer dan 500 broeders en zusters tegelijk, daarna aan alle apostelen en op het laatst ook aan mij. En hij zegt er nadrukkelijk bij: Als Christus niet is opgewekt, is uw geloof nutteloos, bent u nog een gevangene van uw zonden en worden de doden die Christus toebehoren, niet gered. Als wij voor alleen voor dit leven op Christus hopen, zijn wij de beklagenswaardigste mensen die er zijn.
Nu zijn er veel mensen die zich door het voorbeeld van Jezus laten inspireren en zich daarom ook ‘christen’ noemen. En er zijn mensen die alles wat Paulus over Jezus zegt voor waar aannemen, maar er verder niet naar leven. Ook zij noemen zich ‘christen’. Dat maakt het er allemaal natuurlijk niet gemakkelijker op om te bepalen wanneer je iemand een ‘bijbelgetrouwe / orthodoxe christen’ mag noemen.
BIJBELGETROUW: JEZUS ALS VERLOSSER
Zelf vind ik het onderscheid tussen Jezus als Verlosser en Jezus als Voorbeeld een goed criterium.
Met iemand die Jezus alleen maar als Voorbeeld en Inspiratiebron ziet kan ik op allerlei ethische punten net zo goed samenwerken als met iemand die zich door Mohammed, Mahatma Gandhi of Nelson Mandela of Wubbo Ockels laat inspireren. Maar ik voel daarbij geen geloofsverwantschap. Hooguit snap ik hem of haar beter omdat we dezelfde culturele achtergrond delen.
Omgekeerd: als iemand die Jezus voluit als opgestane Heer en Verlosser erkent, maar bv. een totaal andere visie heeft dan ik op bv. slavernij (het voorbeeld van Gertjan vind ik wat gedateerd; vandaag denk ik eerder aan zeer uiteenlopende standpunten over vrouwen, homo’s, migranten, klimaat, evolutie etc.), dan kunnen we vanuit hetzelfde fundament daarover met elkaar stevig doorspreken. Dan kan het zijn dat onze meningen echt zo ver uit elkaar lopen dat ik mij afvraag of die ander misschien alleen maar in naam belijdt dat Jezus zijn of haar Redder is. Maar zolang iemand zich daar op laat aanspreken, zou ik niet snel tegen hem of haar zeggen: ‘jij bent geen bijbelgetrouwe christen.’ Er zijn grenzen. Maar die trek je samen als kerk (zoals bv. in 1936 over de NSB en in 1986 in Zuid-Afrika over de apartheid) en niet door persoonlijk elkaar te cancellen als bijbelgetrouw christen.
Bij de typering ‘bijbelgetrouw christen’ gaat het dus over de vraag: hoe kijk jij tegen Jezus aan? Wie Hem niet als Verlosser ziet, is niet trouw aan de bijbelse boodschap, ook al zijn veel van zijn of haar opvattingen geheel in de stijl van Jezus.
Wie Hem wel als Verlosser ziet, maar dat verder op geen enkele manier laat blijken, heeft een dood geloof volgens Jakobus, de broer van Jezus.
Daartussenin kom je volgelingen van Jezus tegen die Hem echt als Verlosser én Voorbeeld zien. Bijbelgetrouwe christenen dus, die Hem met vallen en opstaan volgen en het dus vaak met elkaar oneens zijn als het om de christelijke leer of de christelijke levensstijl gaat. Maar waar je wel de diepe verbondenheid en verwondering proeft dat Gods liefde en verlangen om mensen te redden zo ver gaat, dat Hij zijn eigen Zoon daarvoor liet sterven én opstaan.
Zondag 11 juni is de bevestigingszondag voor twee nieuwe ouderlingen en twee nieuwe diakenen in onze Gereformeerde Kerk ‘De Lichtbron’ in Balkbrug. Sinds 1 mei maken we deel uit van de Nederlandse Gereformeerde Kerken, het kerkverband waarin binnenverbandse en buitenverbandse vrijgemaakt-gereformeerden zich na de breuk van bijna 60 jaar geleden weer verenigd hebben.
Bij een fusie neem je altijd een aantal dingen van de andere partner over. En soms sluit je compromissen. Als het gaat om de bevestiging van nieuwe ambtsdragers is dat ook het geval. In de oude vrijgemaakte kerk gaven werden predikanten en ouderlingen en diakenen in hun ambt bevestigd en gaven zij hun ja-woord op een aantal vragen. Daarnaast zetten zij hun handtekening onder het ‘bindingsformulier’. Daarmee betuigden zij hun hartelijke instemming met de leer van de Bijbel zoals die in de Drie Formulieren van Eenheid worden beleden en samengevat.
In de kerkorde van de herenigde kerken hoeven ouderlingen en diakenen die handtekening niet meer te zetten. Ze zijn, zo is de redenering, ambtsdragers in hun eigen gemeente en hebben al luid en duidelijk ‘JA’ gezegd op de vraag of zij zich volledig willen houden aan wat de Bijbel ons leer en dat ze alles afwijzen wat daarmee in strijd is. Dat hoeft nu niet meer met een handtekening onder een extra formulier onderstreept te worden.
Voor predikanten blijft het ondertekenen van het bindingsformulier wel verplicht. Want zij hebben een bredere bevoegdheid: ze mogen binnen alle Nederlands Gereformeerde Kerken preken, de sakramenten bedienen, huwelijken inzegenen en ambtsdragers bevestigen. De verantwoordelijkheid is dus groter. Dat geldt voor de predikant zelf en dat geldt voor de kerken. Dus is een bewuste ondertekening van het bindingsformulier een goede zaak.
Een paar jaar geleden gaven een aantal predikanten in OnderWeg hun mening over het bindingsformulier. Dat je met een handtekening je trouw aan de Bijbel en de gereformeerde belijdenisgeschriften betuigt, vond één GKV-dominee overbodig. Hij typeerde het als ‘geformaliseerd wantrouwen’. Een andere GKV-dominee vond dat je met je handtekening vooral liet zien waar je loyaliteit lag: bij kerken die in een lange traditie staan waarbij de Bijbel volledig als Woord van God geaccepteerd wordt. De twee NGK-dominees formuleerden het positiever: ‘Het gaat erom dat we ons van harte willen binden aan het evangelie en Gods Woord. Daarop willen we aanspreekbaar zijn’, zei de een. De ander noemde de ondertekening van de bindingsformulier ‘een betekenisvolle formaliteit, want wat ik verkondig, mag geen ketterij zijn. We kunnen elkaar aanspreken op de ernst die wij maken met Gods Woord. Dat is de geest van de ondertekening.’ ‘ .
In Balkbrug hebben we besloten dat we het óók een goede zaak vinden, dat nieuwe ouderlingen en diakenen het bindingsformulier blijven ondertekenen. Niet uit wantrouwen, omdat ze anders niet bijbelgetrouw en goed gereformeerd zouden zijn. Maar wel omdat het een mooi formulier is en de ondertekening ervan uitstraalt, dat je graag op deze manier in deze kerk binnen dit kerkverband als ambtsdrager namens Jezus, je Heer, je werk wilt gaan doen.
We doen dat na afloop van de kerkdienst waarin de nieuwe ouderlingen en diakenen in hun ambt bevestigd zijn. Heel de gemeente mag het horen en zien. Dat geeft blijdschap en vertrouwen. Jezus, onze Heer, bouwt zijn kerk en als kerk mogen we op Hem bouwen.
En wat onderteken de mannen en vrouwen die tot het ambt geroepen worden dan? Dit:
Wij, ondergetekenden, verklaren van harte in te stemmen met de leer van de Bijbel, zoals die door de Gereformeerde Kerken in Nederland wordt beleden in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels. Wij beloven de gemeente voor te gaan in het spreken en leven vanuit dit ene evangelie. Wij beloven de waarheid van Gods Woord openlijk uit te dragen, en te handhaven tegenover misleidende denkbeelden die binnen de kerk of uit de wereld opkomen. Wanneer wij op een onderdeel van de leer verschil ervaren tussen de leer van de Bijbel en de inhoud van de genoemde belijdenisgeschriften, en onze moeite niet kan worden weggenomen, zullen wij onze bezwaren ter beoordeling voorleggen aan de kerkelijke vergaderingen. Wanneer er vragen rijzen over onze eigen opvattingen of gedragingen, zijn wij eveneens bereid om ons tegenover de kerkelijke vergaderingen te verantwoorden. Wij zullen ons in beide gevallen houden aan de aanwijzingen van de kerkelijke vergaderingen.
Pinksteren is het feest van (de uitstorting van) de Heilige Geest. In de Bijbel heeft de Heilige Geest verschillende namen. Die hebben allemaal een eigen betekenis. Ze geven iets weer van wie Hij is, wat Hij doet en in welke relaties Hij tot anderen staat.
1/ De Geest
Het vaakst, meer dan 120 keer, wordt de Heilige Geest aangeduid als De Geest. Daarmee wordt aangegeven dat Hij zijn aard en wezen tot de onzichtbare werkelijkheid behoort. Je ziet Hem niet, maar ervaart Hem wel. Daarom wordt Hij ook vergeleken met de wind (‘ruach’ in het Hebreeuws) en met de adem (‘pneuma’ in het Grieks).
2/ De Heilige Geest
Ook zo’n 100 keer wordt de Geest met deze naam aangeduid. Daarmee wordt het morele karakter van de Heilige Geest benadrukt. Heiligheid is een van de meest belangrijker eigenschappen van God. Zonde heeft op Hem geen enkele invloed. Bij mensen staan de vruchten van de Geest tegenover de eigen zondige verlangens en begeerten (Galaten 5:17). Je kunt als christen dus niet doen wat je maar wilt, maar moet breken met een heel rijtje slechte gewoontes en eigenschappen, zoals leugens, boosheid, stelen, vuile taal, wrok, drift, geschreeuw, gevloek en allerlei kwaadaardigheid, want daarmee maak je de Heilige Geest van God bedroefd (Efeziërs 4:25-31).
3/ De Geest van God
Regelmatig wordt de Heilige Geest ook ‘de Geest van God’ genoemd. Dat is zelfs de eerste benaming van de Heilige Geest in de Bijbel: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde en de Geest van God zweefde over het water.’ (Genesis 1:2). En bij zijn doop in de Jordaan zag Jezus ‘hoe de Geest van God op Hem neerdaalde.’ (Matteüs 3:16). Met deze naam wordt duidelijk, dat Hij onlosmakelijk met God verbonden is. Hij is Zelf ‘God’, betrokken bij de schepping en bij de verlossing. Hij is almachtig , alwetend en alomtegenwoordig. Hij inspireert mensen en zorgt ervoor dat, dankzij de Here Jezus, God weer je hemelse Vader wordt. Want ‘allen die door de Geest van God geleid worden, zijn kinderen van God.’ (Romeinen 8:14)
4/ De eeuwige Geest
In Hebreeën 9:14 staat dat Christus dankzij de eeuwige Geest zijn verlossingswerk heeft kunnen voltooien. De Heilige Geest is dus, samen met de Vader en de Zoon, echt en eeuwig God, zonder begin en zonder einde, verheven boven alle eeuwen.
5/ De Geest van de Heer / van Jezus / van Christus / van Jezus Christus
Als het om de schepping gaat, is de Heilige Geest ‘de Geest van God’. Als het om het werk van de verlossing gaat, is Hij ‘de Geest van Christus’. De Here Jezus had beloofd Hem te zenden om zijn werk op aarde voort te zetten. Hij overtuigt mensen ervan dat Jezus de Zoon van God is die als Redder gekomen is om ons te bevrijden uit de macht van de zonde. Wie zich door de Geest van Christus laat leiden, hoort werkelijk bij Jezus. Zijn Geest woont dan in je.
6/ De Geest van Hem die Jezus uit de doden heeft opgewekt
Die ‘inwoning’ van de Heilige Geest wordt door Paulus één keer omschreven als ‘de Geest van Hem die Jezus uit de doden heeft opgewekt.’ (Romeinen 8:11) Die woont nu ook in Gods kinderen, zodat je, als je in Jezus Christus gelooft, het eeuwige leven ontvangt, ook al ben je door de zonde sterfelijk.
7/ De Geest die van God komt
Paulus typeert in 1 Korintiërs 2:12 de Heilige Geest als ‘de Geest die van God komt’. Hij is gegeven aan Gods kinderen zodat ze de goedheid van God, aan hen bewezen, erkennen. Dan word je zelf ook een ‘geestelijk mens’, omdat je alle dingen beoordeelt in het licht van God wijsheid.
8/ De Geest van wijsheid en openbaring
In Efeziërs 1:17 heeft Paulus het over ‘de Geest van wijsheid en openbaring’, omdat Hij het hart van de gelovigen zo verlicht, dat ze de overweldigende grote kracht van God en Jezus echt leren kennen, in wat Zij in het verleden voor ons gedaan hebben, in het heden voor en in ons doen, en voor de toekomst aan ons beloofd hebben.
9/ De Geest van de genade
Twee keer wordt de Heilige Geest ‘de Geest van de genade’ genoemd. In het Oude Testament is het Gods genadige inwerking op de Israelieten, dat ze weer terugkeren tot God en berouw hebben over degene die ze doorstoken hebben (Zacharia 12:10). In Hebreeën 10:29 wordt juist dringend gewaarschuwd om het geloof niet op te geven en terug te vallen in zonde. Dan vertrap je Jezus als de Zoon van God, die zijn bloed voor jou heeft laten vloeien om je weer op te nemen in Gods verbond. Dan veracht en beledig je ook de Heilige Geest, die jou liet delen in Gods genade.
10/ De Geest van de waarheid
‘Uw Woord is de waarheid’, zei Jezus in het hogepriesterlijk gebed (Johannes 17:17). En van Zichzelf zei Hij: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven.’ (Johannes 14:6). Het is de Heilige Geest die mensen daarvan overtuigt, en dus noemt Johannes Hem vier keer ‘de Geest van de waarheid’. Dankzij Hem erkennen we dat het waar is wat God in de Bijbel over Zichzelf vertelt, over ons en over Jezus. Hij brengt de volle waarheid aan het licht als het om zonde, gerechtigheid en oordeel gaat.
11/ De Geest van het geloof / De Heilige Geest van de belofte
Het is de Heilige Geest die Gods kinderen overtuigt van de eeuwige toekomst die voor ons ligt. Omdat Hij ons overtuigt dat we eens net als Jezus zal opwekken uit de dood en we zullen delen in de erfenis die Jezus voor ons verworven heeft, wordt Hij ‘de Geest van het geloof’ (2 Korintiërs 4:13) en ‘de Heilige Geest van de belofte’ (Efeziërs 1:13) genoemd, in beide gevallen ‘tot eer van God’.
12/ De Geest die heilig maakt
De Heilige Geest is ook de Motivator die ervoor zorgt dat elke gelovige Jezus wil volgen. Een christelijke levenshouding en levensstijl is zijn werk in ons. Daarom zegt Paulus in 2 Tessalonicenzen 2:13, dat God hen heeft uitgekozen ‘om te worden gered door de Geest die heilig maakt.’ In het Grieks is dit eigenlijk geen naam die aan de Heilige Geest wordt toegekend, want er staat letterlijk: ‘in heiliging door de Geest’. Maar het geeft wel duidelijk aan, dat het God Zelf is, die door zijn Heilige Geest in elke christen bewerkt wat Hij van ons wil: ‘uw heiliging / dat u een heilig leven leidt’ (1 Tessalonicenzen 4:3).
Er heerst veel blijdschap en dankbaarheid over officiële hereniging op 1 mei 2023 van de GKV en de NGK tot één kerkgenootschap. De twee ‘vrijgemaakte’ kerkverbanden die eind jaren ’60 met veel trammelant uit elkaar gegaan zijn, hebben hun ruzie bijgelegd. Er ging meer dan één generatie overheen. De littekens blijven, maar vooral degenen die als kind of jongvolwassene de breuk hebben meegemaakt, zullen met Psalm 133 op hun lippen God danken voor deze gedeeltelijke verhoring van het gebed van onze Heer Jezus Christus om eenheid tussen christenen.
In het Algemeen Dagblad kon je al horen dat er sprake was van een nieuwe mega-kerk en in het voorheen christelijk dagblad Trouw stond een wat zurig en ook onjuist stukje dat de vrijgemaakte kerk nu niet meer bestaat (juist wel, maar nu weer herenigd!).
Wat verdrietiger is, is het feit dat een drietal GKV-kerken (Capelle aan den IJssel-Noord, Vroomshoop en Urk) niet mee willen gaan met de hereniging en zelfs, in samenwerking met een de Kerngroep Bezinning GKV, zoveel mogelijk kerkleden willen mobiliseren om ook te breken met hun broeders en zusters in hun plaatselijke gemeente.
Tegelijk zeggen twee van deze drie kerken (Capelle en Urk – Vroomshoop maakte pas later bekend dat de kerkenraad in meerderheid breekt met het kerkverband), dat men zich wil “inzetten voor een ‘gereformeerde oecumene’ door concreet te zoeken naar mogelijkheden om ons te verenigen met kerken c.q. kerkverbanden die daadwerkelijk vasthouden aan Gods Woord en de belijdenis van de kerk. We willen daarmee gevolg geven aan de opdracht van de Here om de eenheid van de kerk daadwerkelijk te zoeken en te bewaren.” (Verklaring van samenwerking – 19 april 2023)
Dat wil men doen door “in samenwerking met de Kerngroep bezinning GKV, op diverse plekken in het land zogeheten preekplaatsen [te] stichten. Voorlopige opvangplaatsen, die dan onder toezicht van Urk en Capelle zullen staan. En waar behoudende voorgangers en emeriti uit de GKV voor kunnen gaan. De voorbereidingen voor het stichten van zulke plaatsen zijn al in gang.”
Het is de hoop van deze drie kerken, dat hun besluit om zelfstandig verder te gaan, “de katalysator wordt voor een nieuwe lente van een gereformeerde oecumene. Die inhoudt dat we ons uiteindelijk aansluiten bij de CGK. We willen beslist geen nieuw kerkverband.” (artikel RD 22 april 2023)
Het zijn mooie woorden, maar eigenlijk is het te triest voor woorden.
Allereerst trekken deze drie kerken een scheur in hun eigen gemeente. De GKV’s van Capelle-Noord, Vroomshoop en Urk hadden na 1 mei gewoon kunnen blijven wat ze waren: een confessioneel gereformeerde kerk zonder de vrouw in het ambt, zonder kinderen aan het avondmaal, met twee diensten op zondag incl. wekelijkse catechismusprediking, zonder goedkeuring van niet-huwelijkse relaties. Daar zou alle ruimte voor gebleven zijn. Maar blijkbaar wegen de zorgen om de ontwikkelingen in het kerkverband deze kerken zo zwaar, dat men het voor lief neemt dat door te breken met het kerkverband er een scheur in de eigen gemeente ontstaat. Capelle-Noord: ruim 100 van de 260 leden zijn vertrokken, het merendeel naar de zusterkerk van Capelle-Zuid. Vroomshoop: een grote minderheid van de kerkenraad en bijna de helft van de 335 leden heeft aangegeven al dan niet voorlopig wél bij het herenigde kerkverband te willen blijven horen. Urk: al minstens 150 van de ruim 700 gemeenteleden zijn lid geworden van de NGK ter plaatse, die behoudender is dan de GKV en waarmee de GKV plaatselijk de zusterkerkrelatie wil handhaven, terwijl men de landelijke hereniging als onbijbels typeert.
Wat is het streven naar ‘gereformeerde oecumene’ waard als men daardoor een scheuring in de eigen gemeente veroorzaakt?
In de tweede plaats gaan de drie afgescheiden GKV-kerken wel gesprekken voeren met de twee andere nieuw-vrijgemaakte kerkverbanden (de DGK en de GKN), maar men wil zich uiteindelijk voegen bij de Christelijke Gereformeerde Kerken, want, zegt men zelf, “eigenlijk is dat laatste kerkverband onze stip aan de horizon.” (citaat uit het RD-artikel). Ondertussen is een lid van de Kerngroep Bezinning aanwezig als spreker op voorlichtingsavonden voor verontruste GKV-kerkleden “naar aanleiding van het samengaan van de kerkverbanden GKv en NGK in het nieuwe kerkverband de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK) per 1 mei 2023” met als tweede spreker ds. Rob Visser van de GKN (op 12 mei 2023 in Zuidhorn), waarbij dus de insteek van de eerste spreker aansluiting bij de CGK zal zijn, terwijl de tweede spreker daar, lijkt mij duidelijk anders over denkt.
Wat is het streven naar ‘gereformeerde oecumene’ waard als men de DGK en de GKN (die ook, al gaat het wat moeizamer dan bij de GKV en de NGK, in staat van hereniging zijn), passeert ten faveure van de CGK waar dezelfde problematieken spelen die reden zijn om te breken met het eigen kerkverband?
En als derde: op 13 mei organiseert de Kerngroep Bezinning, in nauwe samenwerking met de drie uitgetreden GKV-kerken, te Hoevelaken een besloten vergadering om “met elkaar te spreken over de mogelijkheden die er zijn voor hen die niet mee kunnen gaan in de fusiekerk NGK. We willen daarover concreet met elkaar in gesprek gaan (…) in nauw contact met de 3 GKv-gemeenten die niet met de fusie meegaan (..) om ons samen echt te kunnen concentreren op vervolgstappen”, aldus het persbericht van de Kerngroep. Bijna 79 jaar geleden, op 11 augustus 1944, was er in Den Haag ook een landelijke bijeenkomst. Daar werd de ‘Acte van Vrijmaking of Wederkeer’ gepresenteerd en door velen ondertekend. Maar het was een publieke bijeenkomst, waarbij ook predikanten en kerkleden aanwezig waren die het niet met de Vrijmaking eens waren. Dat kon, ook al stonden kerk en land in brand, in alle openheid. Nu zoekt men de beslotenheid van de gelijkgezinden. Met als overduidelijke bedoeling om voor veel verontruste GKV-ers “in samenwerking met de Kerngroep bezinning GKV, op diverse plekken in het land zogeheten preekplaatsen stichten. Voorlopige opvangplaatsen, die dan onder toezicht van Urk en Capelle zullen staan. En waar behoudende voorgangers en emeriti uit de GKV voor kunnen gaan. De voorbereidingen voor het stichten van zulke plaatsen zijn al in gang.”
Wat is het streven naar ‘gereformeerde oecumene’ waard als men overal in het land kerkleden oproept om te breken met de eigen plaatselijke kerk waar Gods Woord getrouw verkondigd wordt, en preekplaatsen opent waar (als het niet de predikanten van Capelle en Vroomshoop zijn) andere behoudende al dan niet geëmeriteerde GKV-predikanten de eenheid met de eigen kerkelijke gemeente waar ze aan verbonden zijn, opbreken door gemeenteleden bewust op te roepen daaruit weg te blijven?
Tenslotte: drie kleine vrijgemaakte kerken met samen amper 900 leden verklaren publiek “de katalysator voor een nieuwe lente van een gereformeerde oecumene” te willen worden. Daarmee trekken ze een hele grote broek aan. Iets bescheidener had ook wel gekund, hoewel de macht van het getal in geloofszaken nooit de doorslag geeft. Maar het trieste in dit geval is, dat deze grote broek al gescheurd is voordat men die aantrok. Scheuringen in drie plaatselijke gemeentes. Afsplitsingen die dreigen in de rest van het land. Daarvan zei in november 2022 een lid van de Kerngroep Bezinning in het Nederlands Dagblad: “Ja, jammer is dat.” (ND 19-11-2022) Waarop ds. Gert Treurniet reageerde: “In de kerk zit tussen betreuren en breken een harde return (…) Weet je wat in elk geval zonde is? De kerk scheuren. Je broers en zussen, die je van de Heer kreeg, in de steek laten.” (ND 29-11-2022)
Begin maart tijdens mijn ochtendwandeling raakte ik aan de praat met een dorpsgenoot, een jonge vrouw van half de 30. Toen ik vertelde dat ik net in Balkbrug was komen wonen, en ik op haar vraag waar ik woonde had gezegd: naast kerkgebouw ‘De Lichtbron’, zei ze: “O, je woont dus naast de artikel-kerk.” Help, dacht ik, staan we na ruim 75 jaar nog steeds zo bekend hier in het dorp?
Maar vanaf vandaag, 1 mei 2024, gaat die bijnaam niet meer op. Vanaf nu zijn de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de Nederlands Gereformeerde Kerken officieel herenigd tot de Nederlandse Gereformeerde Kerken. De breuk uit de jaren ’60 van de vorige eeuw is geheeld.
Na 1892 – de Vereniging van de Christelijke Gereformeerde Kerken uit de Afscheiding en de Nederduits Gereformeerde Kerken uit de Doleantie; en na 1907 – het ontstaan van de Geformeerde Gemeenten vanuit twee afgescheiden kleinere kerkverbanden; en de samenvoeging in 2004 van de Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken (synodaal) en de Lutherse Kerk tot de Protestantse Kerk Nederland in Nederland is dit de vierde grote hereniging van twee of meer kerkverbanden.
Ik ben erg blij met deze kerkelijke hereniging. Ik ervaar het als een stuk verhoring van het gebed van onze Heer Jezus Christus uit Johannes 17 om eenheid tussen Gods kinderen en zing van harte Psalm 133 op deze dag.
Want wat betekent deze nieuwe kerkformatie voor christenen in Nederland? Dit: er ontstaat een groot eigentijds-gereformeerd kerkgenootschap naast de bevindelijk-gereformeerden + de klassiek-gereformeerden aan de ene kant en de Protestants Kerk aan de andere kant.
Eigentijds-gereformeerd noem ik de nieuwe NGK. Voluit gereformeerd met een open blik naar de samenleving. Niet, zoals sommigen zeggen, een PKN-light. Want de NGK wil niet breder zijn dan de gereformeerde belijdenis en dus geen hotelkerk zijn waar zowel de vrijzinnigheid als de reformatorische flank evenveel recht van bestaan heeft als alles wat daar tussen zit. Tegelijk wil de NGK ook niet de afstand tot de samenleving onnodig groot maken door tradities en gewoontes over hoe men vroeger de bijbel las en hoe men vroeger het christelijke leven vorm gaf, als tweede norm naast de Bijbel te leggen.
Eigenlijk willen we een kerk zijn waar iedereen zich thuis voelt bij Jezus Christus als Redder en Heer. Hij is meer dan ons voorbeeld. Hij is onze Verlosser, die de vergeving van onze zonden verdiend heeft en ons daar door zijn Heilige Geest in doet delen. Een gemeenschap van heiligen die hun vertrouwen op Hem, Jezus onze Heer, stellen en daarom elkaar willen opbouwen in het geloof. Geen vrijblijvendheid – wel veel ruimte voor christelijke vrijheid.
Als we dan toch een nieuwe bijnaam krijgen, mag dat van mij ‘De-Twaalf-Artikelen-Kerk’ zijn. Daarin is namelijk de kern van de Bijbel samengevat. Zo willen we kerk van Christus zijn, hoopvol onderweg in Gods wereld.
Als het een beetje meezit, zingen we twee weken achter elkaar de bekende twee verzen van het Wilhelmus in de kerk. Op 30 april vanwege Koningsdag. En op 7 mei omdat we op 5 mei de bevrijding van Nederland vieren. We laten daarmee zien dat we als christenen blij zijn met onze zelfstandigheid als Nederland, met onze monarchie als staatsvorm en met de herwonnen vrijheid na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog.
In het Nederlands Dagblad wordt de bijna jaarlijkse discussie gevoerd over hoe zinvol de gewoonte is om het Wilhelmus aan het eind van de kerkdienst te laten zingen (als slotzang of meteen na de handdruk – voor sommigen een belangrijk onderscheid, maar voor mij lood om oud ijzer, want het Wilhelmus staat gewoon als Gezang 708 in het Liedboek en mag dus vrijuit in de eredienst gezongen worden).
De argumenten zijn al jaren hetzelfde. De een vindt het taalgebruik echt te ouderwets (‘vrij onverveerd, Hispanje’). De ander vind het een te nationalistisch volkslied dat je niet meer met goed fatsoen kunt zingen nu de Nederlandse kerken zoveel leden die uit andere landen afkomstig zijn kennen. Nummer drie vindt vers 1 teveel op persoonsverheerlijking van de vader des vaderlands gericht, maar zingt vers 6 uit volle borst mee. En soms hoor je ook de opvatting dat je als christen je aardse nationaliteit niet zo moet promoten, omdat we burgers van het hemels koninkrijk zijn.
Al deze argumenten bij elkaar opgeteld laten zien dat een steeds groter deel van de kerkgangers (volgens mij nog lang niet de meerderheid trouwens) moeite met het Wilhelmus. Dus moeten we het als kerk niet meer willen, die verplichte twee coupletten van het Wilhelmus.
Persoonlijk hecht ik veel waarde aan het zingen van het Wilhelmus aan het eind van de kerkdienst. Als je dat 1x (rond 27 april) of 2x (ook nog rond 5 mei) doet, kun je dat onmogelijk een foute vorm van nationalisme noemen. Want waarom zingen we in de kerk het Wilhelmus?
Toen het ND in 2012 dit ook al aan de orde stelde, kwam Johan van Veen op voor het goed recht om dit te doen in zijn blog Tot God wilt u begeven. Hij noemt daarvoor twee redenen die ik volledig deel: “In de eerste plaats is het zingen van het Wilhelmus een uitdrukking van respect voor de overheid en een publieke erkenning van haar gezag. (…) Vervolgens wordt door het zingen van het Wilhelmus ook de verbondenheid van de kerk met de maatschappij tot uitdrukking gebracht.”
Iets minder lang geleden, toen in 2019 de discussie opnieuw losbrak, reageerde oud-ChristenUnie-leider Gert-Jan Segers op Twitter als volgt: “We maken toch niet alleen deel uit van een geloofsgemeenschap, maar ook van een nationale gemeenschap van mensen met wie historie, taal, rechtsstaat en cultuur delen? Wat is er – zolang het geen nationalisme wordt – mis mee om daar dankbaar uiting aan te geven?”
En vorig jaar nog gaf historicus George Harinck in het Nederlands Dagblad aan, waarom je juist wel prima het Wilhelmus in de kerk kunt zingen: “Ons volkslied geeft de juiste verhouding aan: de natie hoog houden, maar bovenal Gods recht betrachten en dus de tirannie in Europa verdrijven. Er is daarom geen betere plek om het Wilhelmus te zingen dan in de kerk.”
Om er nog even wat dieper op in te gaan: of je nu een hartelijk voorstander van de monarchie bent of diep in je hart liever een republiek hebt – uiteindelijk is iedere staatsvorm door mensen bedacht. Wat dat betreft hou ik het persoonlijk liever bij onze mengvorm van monarchie en democratie. Onze staatsvorm kennen we al eeuwenlang en heeft z’n waarde bewezen. Daardoor heerst er in ons land een verbondenheid die je in republieken als Frankrijk en Italië niet ziet. En in ons land heb je geen macho-mannetjes als Trump, Poetin of Erdogan die als premier en president zichzelf koning wanen, waardoor ze de tegenstellingen in het land alleen maar vergroten.
Hoe mensen de inrichting van hun staat ook vorm geven, uiteindelijk is de overheid als instantie door God gegeven. Zo staat het bv. in 1 Petrus 2 vers 13-14: Erken omwille van de Heer het gezag van de bestuurders die door de mensen zijn aangesteld: van de keizer, de hoogste autoriteit, en van de gouverneurs, die hij heeft afgevaardigd om misdadigers te straffen en om te belonen wie het goede doen. En dan zegt Petrus erbij, in vers 16: Leef als vrije mensen, en verschuil u niet achter uw vrijheid om u te misdragen, maar handel als dienaren van God. Dat vind ik een mooie opdracht voor ons als christenen in Nederland. We zijn vrij, in Christus én we leven in een vrij land, onder een democratisch gekozen regering en onder een goed functionerend koningshuis. Die dubbele vrijheid geeft verplichtingen naar alle kanten toe, laat Petrus weten in vers 17: Houd iedereen in ere, heb uw broeders en zusters lief, heb ontzag voor God en eerbiedig de keizer.
Respekt voor de door God gegeven overheid komt ook tot uiting door op de zondag na een publieke nationale feestdag het volkslied te zingen. Wanneer je dat niet wilt omdat we als christenen burgers van een hemels koninkrijk zijn, gaat daar de suggestie van uit dat we ons als christenen moeten losmaken van de aardse werkelijkheid. Vroeger noemde men dat in de milde vorm de twee-rijken-leer van Luther en leidde dat in z’n radicale vorm tot doperse wereldmijding. Terwijl in de Bijbel zowel Jezus onze Heer (Markus 12:17) als Paulus (Romeinen 13:1) als Petrus (zie hierboven) laten weten dat Gods kinderen ook het gezag van de overheid dienen te accepteren en respecteren als een door God gegeven werkelijkheid.
Als christen heb ik dus niet alleen maar Christus als Hoofd in de hemel, want tegelijk plaatst Hij ons met beide benen op de grond van de wereld waarin we leven. Dus is er in mijn ogen niks mis mee om 1x of 2x per jaar ons gebed voor de overheid en onze dank voor de vrijheid waarin we leven, gepaard te laten gaan met het meest christelijke volkslied dat er waarschijnlijk bestaat, zoals zowel uit het bekende vers 6 mag blijken als uit het bijna niet meer gezongen vers 14.
Oorlof, mijn arme schapen, die zijt in grote nood,
uw herder zal niet slapen, al zijt gij nu verstrooid!
Tot God wilt u begeven! Zijn heilzaam woord neemt aan!
Als vrome christen leven, ’t zal hier haast zijn gedaan!
Paul van Vliet is niet meer onder ons. Op 25 april 2023 is hij overleden. Hij was een groot cabaretier en theaterman. Hij verstond zijn tijd en zijn teksten waren soms haast religieus van aard. Tegelijk kon hij af en toe ook ongemeen fel christenen tegen de schenen schoppen.
Eerst over dat laatste. Wij, mijn vrouw en ik, woonden in 1992 net een paar maanden óp Záámslag (wie ‘ín Zaamslág’ zegt, heeft het twee keer fout). We besloten naar de theatershow van Paul van Vliet in Terneuzen te gaan (de tour heette ‘Over Leven’ geloof ik). Prachtig cabaret, over te volle stranden vanwege de vele Duitse toeristen, over tienerdochter Marjóóhóó die altijd maar heen en weer gesleept werd naar allerlei familie en vrienden van de nieuwe partners van haar gescheiden ouders, en haar vader verzuchtte: ‘Laat mij maar lekker bij opa en oma zijn, die wonen tenminste al 50 jaar gewoon op hetzelfde adres.’
Maar halverwege zijn we naar huis gegaan. Waarom? Omdat Paul van Vliet in de laatste sketch voor de pauze een evangelist opvoerde die op een regenachtige dag in het centrum van Leeuwarden, terwijl daar niemand was omdat heel Friesland uitgelopen was naar Tjeukemeer vanwege het skûtsjesilen, op een sinaasappelkistje in de Statenvertaling een flink aantal oordeelsprofetieën uit het Oude Testament uitkraamde. Dat vonden we zo verschrikkelijk, dat we de tweede helft van zijn theatershow niet meer mee konden en wilden maken.
Dat heb ik toen ook aan hem laten weten – per post zoals dat ging in die tijd. De brief ben ik kwijt. Ik weet nog dat ik (enigszins eigenwijs voor iemand van 27 jaar) hem bevraagd heb op zijn afkomst (zijn grootvader Pieter van Vliet zat van 1901 t/m 1918 in de Tweede Kamer voor de gereformeerde ARP).
Ik kreeg daarop, heel netjes, een handgeschreven antwoord terug:
19 mei 1992
Beste Ernst,
Alles wat ik ooit over God, de Bijbel eof Religie schrijf leg ik altijd, vóór ik het op het toneel doe, voor aan twee bevriende dominees. Als zij hun “zegen”geven doe ik het. Ik wil nooit iemand kwetsen en ik vind de taal van de oude profeten nogal “komisch” soms. Dat mag toch wel?
Vriendelijke groet, Paul van Vliet
Maar meer blijvende waarde vind ik één van Paul van Vliets haast religieuze teksten: ‘In de optocht door de tijd’ / ‘Ik ben zo vaak opnieuw begonnen’. In 1997 verwees ik daarna in de preek op Oudejaarsdag n.a.v. Prediker 3. De tekst vind ik, zoveel jaren later, nog steeds heel aansprekend:
Ik ben zo vaak opnieuw begonnen en dan dacht ik, nu ben ik los van toen.Nu heb ik het verleden overwonnen van vandaag af ga ik alles anders doen.Maar in vandaag ligt een deel van het verleden en dat samen neem je weer naar morgen mee.En uit de dingen die we gisteren deden ontstaat uiteindelijk ieder nieuw idee.Het is niet nieuw, het is niet anders of bijzonder en het is in het verleden meer gedaan.Maar voor een kind is het het grootste wereldwonder als het zit en voor de eerste keer gaat staan.
Er loopt een optocht door de tijd van de schepping naar de eeuwigheid.En die optocht komt, en dat is gek steeds weer langs dezelfde plek.En wij lopen mee met het misverstand alleen en soms in groepsverband.Op weg naar het beloofde land in de optocht door de tijd.
Ik ben zo vaak opnieuw begonnen dan dacht ik dat het nooit voorbij zou gaan.Dan dacht ik: nu heb ik gewonnen dit blijft, hier komt geen einde aan.Maar we zullen altijd afscheid moeten nemen want onontkoombaar loopt de wekker af.Je kan niets of niemand voor het leven claimen – afscheid van de wieg tot aan het graf.Maar laten wij het afscheid zo verzachten dat daar ingebouwd zit van ‘tot straks, misschien’.Dat als wij elkaar terugzien wij gaan lachen met die glimlach van: ik ben blij je weer te zien.
Er loopt een optocht door de tijd van de schepping naar de eeuwigheid.En die optocht komt, en dat is gek steeds weer langs dezelfde plek.En wij lopen mee met het misverstand alleen en soms in groepsverband.Op weg naar het beloofde land in de optocht door de tijd.
Een prachtig lied. De schepping, de eeuwigheid, op weg naar het beloofde land, de optocht door de tijd – allemaal bijbels getinte taal. Ook de verwijzingen naar Prediker haal je er zo maar uit. ‘In vandaag ligt een deel van het verleden en dat samen neem je weer naar morgen mee.’ ‘Het is niet nieuw, het is niet anders of bijzonder en het is in het verleden meer gedaan.’ ‘We zullen altijd afscheid moeten nemen, want onontkoombaar loopt de wekker af. Je kan niets of niemand voor het leven claimen, afscheid van de wieg tot aan het graf.’
Paul van Vliet – de Prediker van onze tijd, zou je haast zeggen. Maar toen, in de oudejaarspreek van 1997, toen ik deze hele tekst in de preek citeerde, zei ik er ook bij: “Cabaretiers weten het soms raak te zeggen, die houden de mensen een spiegel voor. Maar bij hem [Paul van Vliet] valt dan wel de leegte op. Hij heeft maar twee antwoorden: kijk eens naar een kind dat voor het eerst gaat staan: ook al is het al miljoenen keren eerder gebeurd, het blijft een wereldwonder. En dat we in dit leven alleen maar afscheid moeten nemen, dat doet pijn, maar laten we samen de pijn proberen te verzachten. Want misschien zullen we elkaar wel ergens terugzien. Een vaag idee van de hemel of zo.” En ik legde de link met de Prediker. Die zegt ook: van het begin tot het einde kan de mens niets ontdekken van de zin van het leven. We hebben het niet in onze eigen macht, dus laten we ons dan maar verheugen en te goed doen in ons leven door te eten en te drinken en plezier te hebben bij al ons werken.
Maar als je de Prediker goed leest, zie je dat hij op een hele speciale manier rekening houdt met God. Namelijk door éérst een tijdlang God doelbewust buiten beschouwing te laten als hij om zich heen kijkt. En wat zie je dan? Dat het leven één bonte afwisseling is. Alles heeft zijn tijd, zegt hij in hoofdstuk 3. En dan krijg je maar liefst 14 tegenstellingen. Er is een tijd van zus, maar er is ook een tijd van zo. 14 keer positief, 14 keer negatief. En dan is het ook nog eens zo, dat wat je op een bepaald moment negatief vindt, op een ander ogenblik ook positief kan zijn. Maar, zegt de Prediker meteen daarna opeens: God heeft alles wat er is de goede plaats in de tijd gegeven, en ook heeft Hij de mens inzicht in de tijd gegeven. Toch kan een mens het werk van God niet van het begin tot het eind doorgronden.
Inderdaad: we zijn op weg naar het beloofde land in de optocht door de tijd. Maar niet alleen samen hand in hand. Nee: hand in hand met Christus. En zo in Gods hand.
In deel 1 van dit drieluik over dit onderwerp schreef ik in de inleiding, hoe jammer het is dat in orthodox-christelijk Nederland de evenwichtige visie van prof. dr. J. Douma niet eens meer genoemd wordt. Zowel de Gereformeerde Bond in 2021 als de Nederlandse Patiënten Vereniging in 2023 wijzen elke vorm van transitie als onbijbels af. Daarmee stellen zij het lichaam van de mens boven de ziel van mens en doen zijn geen recht aan de desastreuze gevolgen van de zondeval.
In 1993 schreef Douma, binnen heel de gereformeerde alom gewaardeerd als zeer bijbelgetrouw ethicus, hier al veel genuanceerder over. Hij had het, zoals iedereen in die tijd, over ‘transseksuelen’, maar introduceerde binnen de gereformeerde wereld toen al de termen ‘genderdysforie’ en ‘genderidentiteit’. In zijn boek ‘Seksualiteit en huwelijk’ (deel 6 in de reeks ‘Ethische Bezinning) schreef hij uitvoeriger over dit onderwerp (blz. 12-19). En in 1997 legde hij in zijn ‘Medische ethiek’ nogmaals zijn op de Bijbel gebaseerde visie over dit onderwerp neer (lees hier)
Wat hieronder volgt is de paragraaf uit ‘Seksualiteit en huwelijk’, inclusief alle noten.
Transseksualiteit
De term transseksualiteit kan de indruk geven, dat er sprake is van een seksueel probleem. Maar het is een identiteitsprobleem. De transseksueel vertegenwoordigt een extreme vorm van wat wij gender-dysforie noemen, d.w.z. hij voelt zich diep ongelukkig omdat hij niet in staat is als lid van het geslacht (‘gender’) te leven waartoe hij biologisch lijkt te behoren. Wat een transseksueel lichamelijk lijkt te zijn, komt niet overeen met hoe hij zich psychisch voelt. Hij heeft een afkeer van het eigen lichaam, met name van zijn geslachtsorganen, die hij niet als z’n eigen organen kan aanvaarden. Een sterk verlangen drijft hem om lichamelijk anders te zijn. Evenals niet-transseksuelen ervaart de transseksueel zijn (psychische) gender-identiteit als iets authentieks, als onvervreemdbaar, iets waaraan niet te tornen valt. Het zou een ontkenning van zichzelf zijn als hij die eigen gender-identiteit opgaf.[2]
Misschien komt nergens duidelijk uit dan in het verschijnsel van de transseksualiteit, hoe een mens verlangt te zijn wie hij (zij) is: man of vrouw. Wat is er met de transseksueel aan de hand? Een transseksueel is iemand die de stellige overtuiging heeft dat hij in een verkeerd lichaam huist. Hij beleeft zichzelf als man of vrouw, maar leeft in een lichaam dat het omgekeerde veronderstelt. Volgens een recente schatting zou transseksualiteit voorkomen bij 1 op de 12.900 mannen en bij 1 op de 20.400 vrouwen.[1]
Er zijn pogingen gedaan transseksualiteit te verklaren. Een nieuwe theorie veronderstelt, dat de differentiatie van man of vrouw in de hersenstructuur anders kan zijn dan de uiterlijke geslachtskenmerken aanwijzen. Deze hersendifferentiatie zou pas afgesloten worden tussen het tweede en vierde levensjaar. Maar evenals voor homoseksualiteit is er (nog) geen overtuigend antwoord gegeven op de vraag naar de oorsprong van transseksualiteit.
Duidelijk is in elk geval dat de moeite buitengewoon groot is.[3] Gelet op wat ik hierboven over het ingrijpende onderscheid tussen man en vrouw reeds gezegd heb, is dat ook heel begrijpelijk, hoe onmogelijk het ons ook kan vallen de nood van een transseksueel na te voelen. Een mens wil zijn wat hij is, man of vrouw. Gender-identiteit is wezenlijk voor ons. En daarom ligt het voor de hand dat de ravage geweldig moet zijn. Sommige mensen hebben de vaste overtuiging dat ze man of vrouw zijn, terwijl ze in een lichaam wonen dat daar niet aan beantwoordt.
In transseksualiteit hebben we met een ander verschijnsel te maken dan homoseksualiteit is. Een homofiel heeft geen afkeer van zijn (haar) eigen lichaam, een transseksueel heeft dat wel. Evenmin is de transseksueel te vergelijken met een travestiet[4], die er behagen in schept zich in de kleren van het andere geslacht te steken. Want ook de travestiet kent niet de haat tegen het eigen lichaam.
Het probleem van de transseksueel reikt kennelijk heel diep. Het verschijnsel is waarschijnlijk van alle tijden[5]. Het is in verschillende culturen aanwezig.[6] Wie de nood van de transseksueel enigermate peilt, voelt aan hoe dwaas het zou zijn wanneer we tegen zo iemand gingen zeggen: “U bent toch mens; is het nu zo belangrijk als mens een uitgesproken man of vrouw te zijn?” Het man- of vrouw-zijn is immers niet van secundaire betekenis. Het ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ moeten we niet als een bijvoeglijk naamwoord opvatten dat gemist kan worden, terwijl dan het zelfstandig naamwoord ‘mens’ z’n zelfstandigheid best kan behouden. Zo’n veronderstelling past misschien in verhalen over androgyne wezens, maar loopt te pletter op de praktijk en zeker op de nood waarin transseksuelen ons laten delen.
Tot voor kort was men van mening dat transseksuelen psychisch zwaar gestoorde mensen waren, voor wie dan ook psychiatrische hulp nodig was. Maar dergelijke behandelingen brengen, naar het lijkt, geen baat. En daarom de vraag: als het gender-gevoel onwrikbaar blijkt, mag er dan nagedacht worden over de vraag of een lichamelijke reparatie – hoe gebrekkig die altijd ook zal zijn[7] – niet aan te bevelen is? Men heeft geprobeerd de psyche bij het lichaam aan te passen, zonder succes. Mag ook het om gekeerde: het lichaam bij de psyche aanpassen?
Veel transseksuelen hebben intussen via plastische chirurgie een geslachtsverandering ondergaan, nadat ze eerst geruime tijd met een hormonale therapie op hun nieuwe situatie zijn voorbereid. De uitwendige geslachtsorganen worden verwijderd, terwijl de lichamelijke kenmerken van het bij de persoon passende geslacht zo goed als dat mogelijk is, worden aangebracht[8].
Uiteraard is dit een diep ingrijpende operatie; zó ingrijpend, dat de vraag terecht gesteld wordt, of we geen legitieme grens gepasseerd zijn.
Duidelijk is dat men niet tot een dergelijke operatie kan over gaan, of het moet vaststaan, dat we te maken hebben met a) een grote nood, b) een psychiatrisch niet te verhelpen stoornis en c) een operatieve geslachtswisseling die baat brengt.
Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, hier met stelligheid te antwoorden. Ik kan alleen zeggen dat de literatuur over het onderwerp mij bevestigd heeft in mijn aanvankelijk reeds ingenomen standpunt[9].
Het lijkt mij evident dat de nood van de transseksueel groot is. De gedachte dat we te maken zouden hebben met een gril van deze tijd, waarin alles moet mogen, vind ik een voorbijgaan aan deze zeer diepe nood[10]. Het is ook niet billijk geslachtsverandering als een symptoom te zien van een maatschappij voor wie gezondheid tot een cultus geworden is[11]. Wat de mogelijkheden van psychiatrische hulp betreft: ik ga af op het oordeel van deskundigen dat psychiatrische behandeling niets oplevert. Tenslotte maak ik uit interviews en enquêtes op, dat veel transseksuelen voor hun operatie dankbaar zijn en niet meer terug zouden willen naar hun oude situatie[12].
Nu kan men tegenwerpen dat God ieder van ons geschapen heeft, en wel zé als we lichamelijk zijn. Deze tegenwerping snijdt echter geen hout. Wie zegt dat God ons zus of zo geschapen heeft en er stilzwijgend mee bedoelt, dat we dan ook zo in de wereld moeten blijven als we erin gekomen zijn, vergeet dat bij veel kinderen na (en tegenwoordig soms al voor) hun geboorte wordt ingegrepen om hun leven mogelijk of dragelijk te maken. Zo’n operatie kan ook met de geslachtsbepaling te maken hebben. In gevallen van hermafroditisme[13] maken we geen bezwaar tegen een corrigerende operatie.
Wij kunnen ingrijpen zonder dat we daarmee ontkennen dat God de mens op een onderscheiden manier als man of vrouw geschapen heeft. Dat is uit Genesis 1,27 helder als glas. God heeft de mens niet transseksueel geschapen, met een lichaam dat haaks staat op de ziel. Maar de mens is wel in zonde gevallen, waardoor een ravage werd veroorzaakt, die zelfs een zó basaal gegeven als de mens als man of vrouw, niet onaangetast heeft gelaten. De vraag is nu, of wij daarop mogen ingrijpen, zoals we ook proberen andere handicaps zoveel mogelijk te repareren.
Wij maken dus onderscheid tussen Gods goede schepping en deze door de zonde verstoorde wereld. Als God zelf ons de middelen aanreikt om ziekte en handicaps weg te nemen, of de moeite ervan te verzachten, mogen wij er gebruik van maken. De vraag blijft dan of dat ook voor transseksualiteit kan gelden.
Ik heb al opgemerkt dat we hier met een grenssituatie te maken hebben. Het is geen kleinigheid met een verzoek om geslachtsverandering in te stemmen. Maar het is evenmin een kleinigheid zo’n verzoek bij voorbaat met een simpel beroep op Genesis 1 af te wijzen. De vrijmoedigheid ontbreekt mij om met de bijbel in de hand transseksuelen en hun helpers te veroordelen, wanneer zij tot geslachtsverandering overgaan.
Dat men moet weten wat men doet, is ook de hulpverleners duidelijk. De voorbereidingstijd van een operatie is lang, om zekerheid te krijgen dat de transseksueel bij z’n voornemen blijft en zich bewust is wat er aan zo’n operatie vastzit. Ook moet hij niet de illusie koesteren dat hij in zijn verdere leven niet meer gehandicapt zou zijn.
Wie de operatieve ingreep principieel niet afwijst, neemt het standpunt in dat het man- of vrouw-zijn niet zonder meer bepaald is door lichamelijke kenmerken: heeft iemand mannelijke geslachtsorganen, dan is hij man; heeft iemand vrouwelijke geslachtsorganen, dan is zij vrouw. In veruit de meeste gevallen is dat zo. Maar er zijn helaas uitzonderingen. De mens is meer dan zijn lichaam en dat meerdere kan ons in deze gestoorde wereld soms zelfs tot de conclusie brengen dat hij een ander is dan zijn (haar) lichaam doet vermoeden. Er is in dat geval sprake van een incongruentie tussen lichaam en ik-besef[14]. De mens heeft een lichaam, maar hij is meer dan zijn lichaam. Zijn ‘ik’ valt er niet mee samen. Psychische verschijnselen moeten evenzeer in rekening gebracht worden als de fysieke om tot een volledig beeld te komen van wie de mens is.
Ook christenen kunnen met transseksualiteit problemen hebben, zelfs zo dat zij het leven nauwelijks meer aan kunnen en met zelfmoordplannen rondlopen. Er is tot nu toe weinig gedaan om hen in hun nood met een verantwoord christelijk advies te helpen. Zo’n advies is niet eenvoudig en waarschijnlijk ook moeilijk eenstemmig te geven[15]. Ook voor mij blijven er vragen, al kan ik operatieve geslachtsverandering op grond van Schriftgegevens niet zonder meer afwijzen. Aangenomen dat ik daarin juist oordeel, dan nog blijven er genoeg ethische moeiten over. Kan iemand die van geslacht veranderd is, ook aan een huwelijksrelatie denken? Wat voor ravage veroorzaakt het niet, wanneer transseksuelen die getrouwd geweest zijn en soms kinderen hebben, na een operatie weer een huwelijk aangaan? Het leed is niet alleen groot bij transseksuelen, maar zeker ook bij hun familieleden.
Het zal al winst zijn wanneer wij in christelijke kring het probleem eerlijk onder ogen zien en nadenken over de hulp die aan transseksuelen geboden kan worden. Zij zouden dan gericht hulp kunnen vragen bij hen van wie zij in hun nood allereerst hulp mogen verwachten: hun eigen broeders en zusters in Christus.
[1] L.G.J. Gooren in Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 1992, no. 39, 1895. Opvallend is dat dezelfde schrijver in Medisch handelen op bestelling, in L.G. Thijs e.a., Veranderende ethiek in de geneeskunden? Voordrachten ter gelegenheid van het afscheid van prof. dr. C. van der Meer, Amsterdam 1987, 14, nog veel lagere getallen noemde: 1:40.000 mannen en 1:100.000 vrouwen.
[3] Een goede indruk van de nood van transseksuelen en van hun familieleden geven R. van Leeuwen, I. Dakman, G. Nijsten in Hij, anders zij. Over transseksualiteit, Rijswijk 1992
[4] Tra(ns)vestitisme is de onweerstaanbare dragen zich geregeld (maar zelden permanent) te kleden en op te maken overeenkomstig de wijze van de andere sekse, aldus G.A. Ladee in Grote Winkler Prins8, dl. 22, Amsterdam 1983, s.v.
[5] In R.B. Evenhuis, Ook dat was Amsterdam II, Amsterdam 1967, 106vv, wordt van een vrouw verteld, dat zij als man dienst genomen had in het leger. Later trad zij zelfs in het huwelijk, maar werd na de huwelijksnacht als vrouw ontmaskerd. In tegenstelling tot wat Evenhuis vermoedt (een geval van homoseksualiteit), denk ik dat hier sprake is geweest van een transseksueel. Gooren wijst op meisje die vroeger als matroos gingen varen, op mannen die in een nonnenklooster trokken, terwijl in medische situaties, of na de dood bij het opbaren, bleek dat betreffende personen biologisch van het andere geslacht waren, a.w., 18.
[6] Gooren schrijft dat in het boeddhistische Birma de transseksueel beschouwd wordt als een bezetene (zonder daardoor een paria te worden). Een vrouwelijke geest heeft bezit genomen van een mannenlichaam, iets waaraan niets te veranderen valt. “Het is niet verkeer en het is niet goed, het is zoals het is”, Medisch handelen op bestelling, 19.
[7] Gooren: “Het is onjuist te stellen dat transseksuelen aldus te genezen zijn. Veeleer dringt zich een parallel op met andere gebieden van geneeskundig handelen waar door de behandeling het basisprobleem niet fundamenteel wordt opgelost, maar wel een meer dragelijke vorm van leven wordt bereikt”, ar. Ned. Tijdschr. Voor Geneeskunde 1992, 1895. Zie ook L.G.J. Gooren (ed.) Transseksualiteit, Alphen a.d. Rijn 1986.
[8] Voor resultaten van de transformatie, zie A.J. Kuiper, Transseksualiteit. Evaluatie van de geslachtsaanpassende behandeling, Utrecht 1991, en J.J. Hage, From Penisplastica Totalis to Reassignment Surgery of the External Genitatlia in Female-to-Male Transsexuels, Amsterdam 1993.
[9] Reeds in mijn artikel Van lichaam veranderen, in Nederlands Dagblad (Variant) van 30 januari 1988. Kritiek daarop leidde ertoe dat ik het artikel terugnam, om mij eerst verder in de materie te verdiepen.
[10] Zie ook M. Valenkamp, De problematiek van transsexualiteit en operatieve veranderingen aan het menselijk lichaam vanuit wijsgerig-antropologisch en ethisch perspectief, in Koers. Bulletin vir christelike wetenskap, Potschefstroom, 56e jg. (1991), 395. Ik kan het niet eens zijn met Oliver O’Donnovan, die in zijn mij veelszins sympathieke boekje Begotten or made?, Oxford 1984, met kritische opmerkingen over het huidige sociale klimaat de nood van transseksuelen relativeert. Gender-dysforie beschouwt hij als “induced primarly by social influences”. Zie a.w., 18vv. Mijn vraag: creëren dergelijk invloeden de transseksuele gevoelens, of versterken ze die alleen maar?
[11] G. Manenschijn in Mijn linkerhand is goed genoeg, Baarn 1993, 28vv. In feite bestrijdt hij zelf reeds deze visie, door geslachtsverandering bij transseksuelen toch niet te veroordelen: “Ik wil aanvaarden dat dit de enige mogelijkheid is om hen een beetje minder ongelukkig te maken.” Als dat zo is, kunnen we deze zaak beter buiten beschouwing laten in een betoog, waarin Maneschijn (terechte) kritiek uitoefent op het moderne spreken over gezondheid in religieuze termen.
[12] Gooren, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 1992, 1895, schat het percentage spijtoptanten op 1,5%.
[13] Onder hemafroditisme verstaat men in de geneeskunde het uitzonderlijk verschijnsel dat menselijke individuen zowel eierstokweefsel als zaadbalweefsel bezitten. Het genetisch geslacht kan mannelijk of vrouwelijk of wellicht mozaïek zijn, Grote Winkler Prins8 dl 11, Amsterdam, s.v.
[14] Zie Valenkamp, a.w., 400v, gebruik makend van christelijk-wijsgerige gedachten van H. Dooyeweerd: de diepere identiteit, welke in de zelf-heid beleefd wordt, is een trans-functionele, het is het zich een-en-dezelfde-weten in en boven alle kosmisch-tijdelijke zinfuncties. Ook een genderdysfore mens bezit dit ‘zich een en dezelfde weten’, ondanks de lichamelijke incongruentie.
[15] Ethici van christelijke huize hebben zich nog weinig over het probleem uitgelaten. J.A. Heyns, Teologiese Etiek II/1, Pretoria 1986, 160v, schrijft er aarzelend over. Eerst schrijft hij dat de geslachtelijke identiteit toch niet door de aanwezigheid van geslachtsorganen bepaald wordt. Enkele regels verder lezen we dat de betrokken arts moet vaststellen welke geslachtseigenschappen dominerend zijn, om desnoods door operatief ingrijpen iemand meer man of meer vrouw te doen zijn.
Professor dr. Jochem Douma was zijn tijd ver vooruit. Als één van de eerste christelijke ethici schreef hij al in 1988 over de problematiek van transgenders, in die tijd nog ‘transseksuelen’ genoemd (lees hieronder). In 1993 schreef hij hier nogmaals over en introduceerde bij veel gereformeerden voor het eerst de termen ‘genderdysforie’ en genderidentiteit (lees hier). Weer vier jaar later, in 1997, schreef Douma uitgebreid over wat hij noemde transseksuele operaties in zijn lijvig boekwerk Medische ethiek. In alle publikaties was hij van mening, dat er bijbels gezien geen principiële bezwaren tegen geslachtsveranderende operaties zijn aan te dragen. Als de gevolgen van de zondeval zo ingrijpend zijn, dat sommige mensen een lichaam hebben dat haaks staat op hun ziel, is het legitiem om het lichaam aan te passen aan de psyche als daarmee een dragelijker vorm van leven wordt bereikt – aldus Douma. Want het lichaam is niet per definitie van hogere orde dan de psyche.
Helaas wijst 35 jaar na Douma’s eerste publikatie hierover een groot deel van orthodox-christelijk Nederland nog steeds geslachtsveranderende operaties af bij transgenders die vanaf hun jongste jeugd lijden aan genderdysforie en daarom na rijp beraad weloverwogen voor transitie kiezen. Zowel de Gereformeerde Bond binnen de PKN in hun brochure ‘Genderdysforie – Een pastorale handreiking voor kerkenraden over de omgang met transgenders’ uit 2021 als de Nederlandse Patiënten Vereniging (ook wel: NPV – Zorg voor het leven) in hun in 2023 verschenen brochure ‘M-V-X-Y – Over geslacht en gender, identiteit en cultuur’ vinden, dat de psyche zich altijd moet aanpassen aan het door God bij de schepping gegeven lichaam. “Het transformeren van een vrouwenlichaam naar een mannenlichaam (of andersom) is niet wat God beoogt met zijn schepping van man en vrouw en is geen begaanbare weg.” (NPV blz. 33). Als kerk is men “geroepen tegenwicht te bieden en het ‘zachte nee’ ter overweging te geven” (GB, blz. 54). Van christenen die persoonlijk te maken hebben met en lijden onder “worden in de problematiek van genderdysforie deugden gevraagd als aanvaarding, vertrouwen (op Gods leiding en nabijheid), volharding, geduld, moed (om de situatie onder ogen te zien), hoop (op Gods genadige nabijheid en zijn heerlijke toekomst, waar geen genderdysforie meer is).” (GB, blz.48). Wat hier gebeurt is een verabsolutering van het door God geschapen lichaam, terwijl de identiteit van de mens als beeld van God toch overduidelijk meer is dan zijn of haar lichaam.
In beide brochures wordt niet eens verwezen naar de visie van Douma, die in jaren ’80 en ’90 toch een van de meest geciteerde en gerespekteerde ethische deskundige was binnen heel de breedte van de gereformeerde gezindte. Daarom leek het mij goed om ze alledrie hier volledig te plaatsen. In 1988 was Douma nog aarzelend – hij trok zijn artikel in. In 1993 liet hij weten dat hij, na zich nog meer in de materie verdiept te hebben, nog steeds achter zijn aanvankelijke standpunt stond. En in 1997 geeft hij, als het ware afsluitend, nogmaals uitvoerig en bijbelse onderbouwd zijn visie op genderdysforie en geslachtsveranderende operaties weer.
Vanaf hier volgt het artikel van prof. dr. J. Douma uit 1988
VAN LICHAAM VERANDEREN
Interseksuelen en transseksuelen
Elke keer als er een kind geboren wordt, moet dat aangegeven worden bij de burgerlijke stand. Bij die aangifte moet ook de ‘kunne’ van het kind opgegeven worden. Is het een jongen of een meisje? In veruit de meeste gevallen geeft dat geen enkel probleem, want de uiterlijke geslachtskenmerken zijn immers duidelijk genoeg.
Maar bij een kleine minderheid van de geborenen is die duidelijkheid er niet Wij hebben dan te maken met kinderen die we interseksueel noemen. Ze bezitten geslachtelijke kenmerken van beide seksen. Het komt daardoor voor dat iemand als meisje of jongen wordt grootgebracht, terwijl het eigenlijk toch van het andere geslacht is. Zo kent bijvoorbeeld de sportgeschiedenis vrouwelijke atleten die in werkelijkheid gefeminiseerde mannen waren.
In het geval van interseksualiteit kan iemand later nog van geslacht veranderen. Artikel 29 van het Burgerlijk Wetboek laat toe dat een ‘misslag’ bij het opgeven van het mannelijk of vrouwelijk geslacht te zijner tijd gecorrigeerd wordt. Dat kon tot voor kort niet voor een andere groep mensen, voor wie ik in dit ‘Moreel Beraad’ aandacht vraag. Het gaat over een groep die we geen interseksuelen, maar transseksuelen noemen.
Probleem en oplossing
Ook de transseksuelen vormen een hele kleine groep. Maar ze zitten met een heel groot probleem. Voor de eigenaardigheid die zich hier voordoet, hebben we pas in de laatste vijftien jaar oog gekregen. Wat is namelijk aan de hand? Een transseksueel is iemand die de stellige overtuiging heeft dat hij in een verkeerd lichaam huist. Is het een man, dan staat hij vreemd tegenover zijn lichaam. Uiterlijk vertoont hij duidelijk de mannelijke kenmerken; maar psychisch voelt hij zich helemaal een vrouw. Of omgekeerd: is het een vrouw, dan staat zij vreemd tegenover haar lichaam, dat duidelijk vrouwelijk is. Ouders van transseksuelen hebben bij de geboorteaangifte dus geen enkele moeite gehad het geslacht van hun kind op te geven. Maar op later leeftijd blijkt dat er iets bijzonders aan de hand is. Lichamelijk lijkt alles gewoon, maar psychisch groeit er een afkeer van eigen lichaam, terwijl er tegelijk een sterk verlangen aan de dag treed om lichamelijk anders te worden Men wil lichamelijk worden wat men psychisch is.
Om misverstand te voorkomen: een transseksueel is geen homofiel. Een homofiel heeft geen afkeer van z’n eigen lichaam, een transseksueel heeft dat wel. Een transseksueel is ook geen travestiet, die er een behagen in schept zich in de kleren van het andere geslacht te steken. Ook de travestiet heeft geen hekel aan eigen lichaam.
Wij hebben in de transseksualiteit met een heel apart verschijnsel te maken. Het woord wekt de indruk alsof het over een bepaald soort seksualiteit gaat. In werkelijkheid hebben we echter niet met een seksueel, maar met een identiteits-probleem te maken. De transseksueel heeft een lichaam dat niet bij hem past. ‘Ik zit in een verkeerd lichaam’, kan hij zeggen.
Valt daar wat aan te toen? Tot voor kort was men van mening dat transseksuelen psychisch zwaar gestoorde mensen waren, die dan ook psychiatrisch behandeld moesten worden. Maar dergelijke behandelingen brachten geen baat. Bovendien rees er steeds grotere twijfel of deze mensen psychisch wel gestoord waren. Zouden ze in plaats van een psychische geen lichamelijke behandeling nodig hebben? Men ging het omgekeerde proberen: pas de psyche niet aan bij het lichaam, maar het lichaam bij de psyche! De psyche is niet te veranderen, het lichaam wel. Probeer met operaties de mannelijke transseksueel zo vrouwelijk mogelijk en de vrouwelijke transseksueel zo mannelijk mogelijk te maken.
Vele honderden transseksuelen in Nederland hebben intussen via plastische chirurgie een geslachtsverandering ondergaan, nadat ze eerst geruime tijd via een hormonale therapie in het andere geslacht geleefd hebben. Daarna worden de uitwendige geslachtsorganen verwijderd, en poogt men met de plastische chirurgie de kenmerken van het andere geslacht, zo goed en zo kwaad als dat kan, aan te brengen.
De wet aangepast
Het was in 1982 dat ik voor het eerst met het probleem te maken kreeg. Het GPV vroeg mij om advies over het wetsontwerp dat toen was ingediend ‘ten behoeve van transseksuelen omtrent het wijzigen van de vermeldingen van de kunne in de akte van geboorte’. Met deze wet wilde de regering voortaan ook voor transseksuelen de mogelijkheid openen om van geslacht te veranderen. Dat kon niet op grond van het bestaande art. 29, omdat immers bij de geboorte terecht het mannelijk of vrouwelijk geslacht was ingevuld op grond van wat toen te constateren viel. Dat moest met een aanvulling op dit artikel, die het mogelijk maakte op grond van de latere psycho-somatische ontwikkeling alsnog een geslachtsverandering in de akte van geboorte aan te brengen.
In die aanvulling staat nu ongeveer het volgende: iedere Nederlander die de overtuiging heeft tot de andere kunne te behoren dan is vermeld in de akte van geboorte, en die lichamelijk aan het verlangde geslacht is aangepast (voor zover dit uit medisch oogpunt mogelijk en verantwoord is), kan de rechtbank verzoeken de vermelding van zijn geslacht in de akte van geboorte te laten wijzigen. Daarbij geldt dat de persoon a) niet gehuwd is en b) dat de mannelijke verzoeker geen kinderen meer kan verwekken en de vrouwelijke verzoeker geen kinderen meer kan baren.
Uit deze laatste bepaling kan men al lezen dat de (nieuwe) wet het huwelijk tussen man en vrouw respecteert. Wie van men vrouw wordt, omdat ‘hij’ feitelijk een ‘zij’ was, kan vervolgens niet meer als gehuwde met een zij samen (blijven) leven. Bovendien is door de geslachtsveranderende operaties uitgesloten dat een man die vrouw geworden is, nog kinderen verwekt, of een vrouw die man geworden is, nog kinderen baart. Zonder lichamelijk transformatie geen geslachtsverandering.
Na bestudering van de stukken heb ik destijds de GPV-fractie geadviseerd niet tegen te stemmen. Herinner ik mij goed, dan heeft het GPV dit ook niet gedaan, in tegenstelling tot de RPF die wel tegenstemde. Ik begrijp de moeite die het GPV, evengoed als de RPF, met deze zaak had. Ik proef die moeite ook uit vragen die mij over deze materie nogal eens gesteld worden.
Schepping en verstoring
Een verpleegkundige wijst op Genesis 1:27, waar staat dat God man en vrouw geschapen heeft. Zij vindt dit een argument tegen geslachtsveranderende operaties. Ik geloof niet dat dit een overtuigend beroep op de Schrift is. Zonder twijfel kunnen we zeggen dat God de mens niet transseksueel geschapen heeft Waren er geen lichamelijke en psychische stoornissen ten gevolge van de zondeval opgetreden, dan hoefden we over ons onderwerp niet te praten. God heeft geen lichaam geschapen dat haaks op de ziel staat (transseksualiteit). Hij heeft een mens ook niet zo geschapen dat het twijfelachtig is of hij tot het ene of het andere geslacht behoort (interseksualiteit). Hij heeft de mens, mannelijk en vrouwelijk, gaaf geschapen.
Maar daarmee is niet gezegd dat de mensen ook vandaag gaaf ter wereld komen. Dat kan van niemand meer gezegd worden; maar het is wel heel duidelijk bij zwaar gehandicapt leven, waarvan niemand zal zeggen: zo heeft God dat met zijn schepping gewild. Was dat wel zo, dan mochten we ook niet proberen allerlei handicaps te verzachten of zelfs weg te nemen. Maar omdat wij onderscheid maken tussen Gods goede schepping en deze door de zonde verstoorde wereld, durven wij middelen te gebruiken die God zelf ons in deze wereld aanreikt om handicaps te bestrijden.
De vraag is nu of wij daarmee zover mogen gaan, dat geslachtsveranderende operaties geoorloofd zijn, in geval iemand psychisch een man of vrouw is, terwijl hij dat lichamelijk niet is. Ik moet op grond van wat ik gelezen en gehoord heb, constateren dat de nood bij deze mensen heel groot is. Ze hebben een afkeer van hun eigen lichaam.
Ik kan dan ook niet bestrijden met een beroep op Paulus’ woord dat niemand z’n eigen vlees haat, maar het juist voedt en koestert (Ef. 5:29). Inderdaad, dat merken we bij onszelf en bij vrijwel alle mensen om ons heen, zodat Paulus er best een algemene regel uit kan destilleren. Maar ook op deze regel zijn in onze verscheurde wereld uitzonderingen. In het programma ‘Rondom Tien’ van Henk Mochel hoorde ik een ‘vrouw’ zeggen (die inmiddels als ‘man’ was ingeschreven) dat ze tijdens een periode van zwangerschap gedacht had: ‘ik ben het niet’. We weten ook dat veel transseksuelen zelfmoord gepleegd hebben, omdat zij de moeiten niet meer aankonden. Anderen daarentegen, die via operaties van geslacht veranderden, hebben dit als een grote bevrijding ervaren. En als men daar niet naar verlangde, zou men de zware prijs van deze operaties vragen, stellig niet betalen. Geslachtsverandering is geen zaak die een specialist op een achternamiddag wel even voor z’n rekening neemt.
Als ik dat nu allemaal weet, op grond van welke bijbelse gegevens kan ik dan een afwijzing van geslachtsveranderende operaties funderen? Als ze er zijn, zal ik het doen; maar ik ken ze niet. Ik weet dat er veel nood is die niet kan worden afgeschud, bijvoorbeeld die van de homofiel die op andere manier geholpen moet worden dan met homoseksuele contacten. Maar moet een transseksueel met zijn moeiten blijven leven, als er verlichting door geslachtsverandering mogelijk is? IK durf dat niet voor mijn rekening te nemen.
Prof. dr. J. Douma – Nederlands Dagblad 30 januari 1988
Naschrift (februari 1988)
Op mijn artikel in Moreel Beraad over transseksualiteit heb ik, behalve twee reacties in deze krant, nog een aantal brieven ontvangen. Daarin trekt men soms conclusies uit mijn standpunt die ik zeker niet voor mijn rekening neem en die naar mijn overtuiging ook niet uit mijn artikel voortvloeien. Toch gaf ik kennelijk voor het trekken van zulke conclusies aanleiding. Bovendien moet ik uit de kritische reacties opmaken, dat het verschijnsel transseksualiteit door mij op té small basis bestudeerd was. Ik heb intussen meer gegevens ontvangen, die ik moet verwerken om tot een juister oordeel over transseksualiteit te komen.
Voor zover bekend ben ik de eerste die over dit onderwerp in onze kring nu iets geschreven heb. Voor een zo complexe zaak als waarmee we hier te maken hebben, is meer overleg met anderen nodig. Ik zou het ook op prijs stellen, wanneer ik contact kon opnemen met mensen onder ons, die met transseksualiteit heel direct te maken hebben.
Om alle misverstanden uit te sluiten, neem ik mijn artikel van 30 januari terug, met dank aan allen die mij met hun artikel of brief tot verdere studie hebben aangezet. Op een enkele, meer persoonlijke brief zal ik nog reageren.