Waar is de trouwe vriend die de CGK kan helpen?

Euodia en Syntyche, ik dring er bij u op aan eensgezind te zijn in de Heer.  En u, trouwe vriend, vraag ik hen te helpen. Ze hebben samen met mij voor het evangelie gestreden, evenals Clemens en mijn overige medewerkers, van wie de namen in het boek van het leven staan.

Dit zijn woorden van Paulus uit de brief aan de christelijke gemeente in Filippi (Fil. 4:2-3). Twee gelovige zusters leven in onmin met elkaar. Samen komen ze er niet uit. Het dreigt ook de gemeente te verdelen, want als twee mensen ruzie hebben, trekken anderen al heel snel partij. Dus vraagt Paulus aan een wijze broeder om te bemiddelen en te proberen tot een oplossing te komen, waardoor de vrede tussen beide zusters in de Heer weer hersteld wordt. Want, zegt Paulus nadrukkelijk, ondanks het hoog oplopende meningsverschil tussen beiden hebben Euodia en Syntyche zich beiden ingezet voor Jezus Christus en staan ze allebei ook bij God in de hemel opgetekend als zijn kinderen.

Aan dit gedeelte heb ik voortdurend moeten denken sinds er een komplete patstelling ontstaan is op de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken. De meest progressieve afgevaardigden hebben de optie van een duo-kerkverband met A-gemeentes en B-gemeentes afgestemd. In dat voorstel stond namelijk dat de behoudende groep ‘zich in alles wil houden aan Schrift en belijdenis’, terwijl van de vooruitstrevende groep gezegd werd dat die ‘zich willen baseren op Schrift en belijdenis’. Dat vonden 12 van de 52 afgevaardigden onaanvaardbaar, want een twee-onder-een-kapwoning kap met eenzelfde fundament of een huis met een tijdelijke tussenwand is echt wat anders dan dat je al een verschil in het fundament formuleert en daarop verder wilt bouwen, zoals een CGK-predikant het onder woorden bracht. Doordat deze 12 synodeleden tegen het kerkmodel ‘Witzier’ stemden, zoals ik het maar even noem, werd niet voldaan aan de voorwaarde dat minstens 80% van de synodeleden vóór deze oplossing uit de impasse moest stemmen. Uiteindelijk waren slechts 31 van de 52 synodeleden vóór, omdat 9 andere tegenstemmers zich door de synodepreses lieten overhalen om blanco te stemmen (want dan telde hun stem niet mee voor die 80%).

Een dag later kwamen nagenoeg dezelfde 31 synodeleden die vóór het kerkmodel ‘Witzier’ gestemd hadden met een voorstel om de synode definitief te sluiten, omdat het kerkverband niet meer te redden valt.  Maar, werd erbij gezegd, de synode kan nog wel weer bij elkaar komen “wanneer kerken in groten getale aangeven terug te zullen keren binnen de bedding vd genomen synodale besluiten die vast en bondig zijn, wanneer zij eerst daarvan zijn afgeweken.” Oftewel: alle CGK-kerken die nu vrouwen in de ambten bevestigd hebben, moeten nadrukkelijk beloven om dat alsnog terug te draaien.

De patstelling is hiermee kompleet. Het meest progressieve deel van de synode torpedeert het laatste reddingsplan. En de behoudende meerderheid kaatst daarna de bal terug en legt die neer bij de meest progressieve kerken.

De partij van Euodia en de partij van Syntyche kunnen en willen elkaar op geen enkele manier meer bereiken.

Maar op alle synodezittingen zijn alle 52 afgevaardigden toch elke keer met een open Bijbel, gevouwen handen en een loflied op de lippen de vergadering begonnen?

Waar was dan de  trouwe vriend om beide zusters weer bij elkaar te brengen? Het moderamen zag het niet zitten om die rol te spelen en wierp de handdoek in de ring.

Was er dan niemand die zei: beste 12 progressieve broeders die niet op deze voorwaarden het kerkmodel van A-kerken en B-kerken accepteren. Kunnen jullie er echt niet mee leven dat je het gevoel hebt door de behoudende broeders slechts getolereerd te worden in plaats van volwaardig geaccepteerd? Waarom nemen jullie geen voorbeeld aan de Gereformeerde Bond binnen de PKN, die in dezelfde situatie zit, maar er bewust voor kiest om binnen de PKN te blijven? Is het zo moeilijk voor jullie, progressieve broeders, om de minste te zijn en om zo de CGK met haar Theologische Universiteit in Apeldoorn en haar zendingswerk wereldwijd te redden? Jullie strijden toch samen voor het Evangelie? Jezus Christus heeft toch van jullie allemaal met zijn bloed de namen in het levensboek van God geschreven?

Was er dan niemand die zei: beste 31 behoudende broeders die nu aan plaatselijke CGK-kerken een ultimatum stellen. Zijn jullie zo teleurgesteld dat het uiterste bod om samen verder te gaan gesneuveld is, dat jullie de schuld voor de dreigende breuk nu bij die plaatselijke kerken neerleggen? Zijn jullie werkelijk niet bereid om nog één mijl met de 21 progressieve broeders mee te gaan door een allerlaatste oproep te doen om alsnog in te stemmen met het kerkmodel CGK-A / CGK-B? Jullie strijden toch samen voor het Evangelie? Jezus Christus heeft toch van jullie allemaal met zijn bloed de namen in het levensboek van God geschreven?

Ondertussen zien de plaatselijke Christelijke Gereformeerde Kerken het met verbijstering aan en blijven ze in verwarring achter. Op het Convent in 2024, waar 180 van de 181 kerken aanwezig waren, wilde 2/3 niet ontvlechten, maar elkaar vasthouden. Na de synodevergadering in 2025, waar een eerder interim-model sneuvelde, deden in elk geval 90 van de 181 kerken + tientallen ambtsdragers (predikanten, ouderlingen, diakenen, emeriti en professoren) een dringende oproep aan de synode om geen verdere stappen te nemen die zouden leiden tot ontvlechting van het kerkverband, maar om een weg te zoeken om samen verder te gaan.

Samen. Maar samen komen Euodia en Syntyche er op de synode niet uit. Euodia wil eerst volledige erkenning dat haar visie op een aantal zaken legitiem en gelijkwaardig is aan de visie van Syntyche. En Syntyche wil eerst de royale erkenning van Euodia dat ze ongehoorzaam is geweest aan de gemaakte afspraken.

Here Jezus, wilt U als trouwe Helper zorgen voor trouwe vrienden, opdat die twee zusters in de Heer samen één kunnen en willen blijven. Ze staan immers voor hetzelfde Evangelie? Hun namen staan immers in hetzelfde boek?

Als een roze olifant door de NGK-porseleinkast

De Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK) worstelen met hun visie op homoseksuele relaties. Een eerder voorstel op de landelijke synode om geen concrete uitspraken te doen over homoseksuele relaties werd door de opstellers van het studierapport Ruimte en richting als ‘een rode kaart’ ervaren. Daarom besloot de synode dat er een herziene besluittekst moest komen met een betere Bijbelse onderbouwing. Deze voorstellen zijn op 8 maart op de synode besproken. De twee meest omstreden voorstellen (besluit 4 en besluit 5) zijn met een meerderheid van 60% (door resp. 34 en 33 van de 55 afgevaardigden) aangenomen.

Helaas gaat wat nu op tafel ligt veel verder dan het studierapport. Dat bood, naast veel waardevolle informatie, in mijn optiek nog wel enige richting. Maar deze voorstellen bieden een zee aan subjectieve ruimte met een onderbouwing die Bijbels gezien kant noch wal raakt. Daarmee geeft men plaatselijke kerken geen enkele richting, maar laat ze stuurloos ronddobberen. Met daarbij als levensgroot risico dat gereformeerde kerken die wel op Bijbelse gronden bepaalde grenzen stellen in de hoek van homofobe christenen geplaatst worden. Op dezelfde dag dat de NGK-synode deze besluiten nam, verscheen op Twitter een spreuk van de grote anglicaans-gereformeerde theoloog J.C. Ryle. Te toevallig om niet te melden, vind ik.

Angst om kleur te bekennen

Ik vraag me af hoe dat komt. Mijn analyse: we willen als NGK op geen enkele manier in de hoek van homohaters geplaatst worden, dus we bieden ruimte voor elke opvatting die onder christenen voorkomt, zodat de maatschappij om ons heen ons als heel tolerant beschouwt. Dat lijkt me een misvatting, want elke christelijke beperking van de 100 procent individuele keuzevrijheid in onze samenleving wordt meteen als bekrompen conservatief beschouwd.Erger is, dat we als kerken geen kleur durven bekennen als het om belangrijke keuzes gaat. We verwarren christelijke vrijheid die tot fleurige veelkleurigheid leidt met christelijke vrijblijvendheid die tot verwaterde kleurloosheid leidt. En misschien, ik moet het als ras-GKV-er erkennen, zit er ook een stukje onzalig vrijgemaakt DNA in deze voorstellen. De Anglicaanse Kerk worstelt nog met de theologische doordenking van het zegenen van homorelaties en probeert tegelijkertijd de eenheid binnen de kerk te bewaren. In contrast daarmee is het typisch vrijgemaakt om snel een beslissing te nemen, zelfs als dat grote gevolgen heeft. Volgens de huidige synodevoorzitter is het dan ook realistisch dat deze verregaande voorstellen, als ze worden aangenomen, sommigen ertoe zullen bewegen de NGK te verlaten.

Terug naar het commissievoorstel. Wat gaat er hier fout? Als het gaat om de hoofdlijnen weinig. Men sluit aan bij een belangrijkste conclusie van het studierapport dat bij de bijbelschrijvers een diepgewortelde homoseksuele oriëntatie / geaardheid / gerichtheid niet op het netvlies stond en van gelijkgeslachtelijke seks moet worden onderscheiden. Ook sluit men zich terecht aan bij de oproep van het studierapport om twee gelovige broers of zussen die wel een duurzame relatie met elkaar aangaan, niet af te houden van het avondmaal. Maar verder walst de commissie als een roze olifant door de porseleinkast van gevoeligheden binnen de breedte van NGK. Ik zie dat heel duidelijk op vier punten in de onderbouwing van een aantal besluiten.

1. Visie op homoseksualiteit als zodanig

Besluit 2 stelt voor om uit te spreken dat we als kerken niet eenstemmig zijn over de vraag of Gods Woord ruimte biedt voor het aangaan en onderhouden van een homoseksuele relatie. In de onderbouwing wordt verwezen naar de drie ‘lenzen’ die het studierapport noemt: de lens van de scheppingsorde die homoseksualiteit verbiedt; de lens van de gebrokenheid die tot barmhartigheid leidt; en de lens van variatie die homoseksualiteit als een natuurlijke aanvulling en verrijking beschouwd.In het studierapport werden deze drie visies alleen maar genoemd als verschillende duidingen van het bestaan van een homoseksuele gerichtheid. Bij de lens van variatie werden geen gereformeerde theologen aangehaald, op prof. dr. Ad de Bruijne na, die zelf aangegeven heeft dat hij deze visie niet aanhangt, maar homoseksualiteit liever vooral vanuit de herschepping bekijkt.In het besluit dat men nu voorstelt worden deze drie visies geijkt tot gelijkwaardige acceptabele visies binnen de gereformeerde kerken die zich alle drie willen baseren op Gods Woord. Dat is de omgekeerde wereld: een nieuwe visie, die de gevolgen van de zondeval ontkent, zonder enige onderbouwing binnenhalen als passend binnen de bandbreedte van een gereformeerde visie op de Bijbel.

2. Visie op het huwelijk

Besluit 5 stelt voor om materiaal te ontwikkelen dat gebruikt kan worden ‘om kerkelijk aandacht te besteden aan een homoseksuele relatie’. Op zich ben ik daar niet op tegen. Als kerken besteden we ook aandacht aan een gelovig gezien gemengd huwelijk of aan een tweede huwelijk na een ongeoorloofde echtscheiding of aan een huwelijk na jarenlang samenwonen.

Maar wat dit voorstel bedoelt met het wat vage ‘kerkelijk aandacht besteden’ komt in de onderbouwing naar voren: het moet mogelijk zijn om een homohuwelijk op dezelfde manier in te zegenen als het Bijbelse huwelijk tussen man en vrouw, inclusief beloften van liefde en trouw en het ontvangen van Gods zegen op de knielbank. Want men zegt nog wel als eerste: “Het huwelijk als vaste verbinding tussen man en vrouw is vanaf het begin een instelling van God (Genesis 2:18,24).” Maar vervolgens effent men de weg voor de kerkelijke bevestiging van homoseksuele relaties door te zeggen, dat die ook ‘trekken heeft van een huwelijk’. En als we als kerken ‘ruimte bieden voor dergelijke relaties, is het gepast om ook dan christelijke beloften te vragen over liefde en trouw en te bidden om Gods zegen’.Ook hier gaat men veel verder dan het studierapport. Dat sprak namelijk op bladzijde 109 nadrukkelijk uit, als het om de plaats van huwelijk en seksualiteit in de schepping: ‘de seksuele omgang tussen man en vrouw is … meer dan een variant binnen het spectrum van de menselijke seksualiteit. Tegelijkertijd erkennen we in de werkelijkheid van mensen om ons heen een breedte van variaties waar we respectvol nabij willen zijn.’

In het besluit wordt het huwelijk tussen één man en één vrouw als instelling van God en een duurzame homoseksuele relatie als look-a-like huwelijk wél op een lijn met elkaar gesteld. Dat getuigt volgens mij van weinig respect voor Gods Woord en is eerder een knieval voor wat het studierapport (ook op blz. 109) ‘de dominante visie in onze cultuur’ noemt, waarbij ‘iedere seksuele oriëntatie, iedere seksuele- en genderidentiteit van een gelijke orde is en ook helemaal in orde is’. Hoe dan ook haalt de NGK, als dit voorstel wordt aangenomen, de PKN links in, want daar wordt nog wel onderscheid gemaakt tussen de kerkelijke inzegening van het Bijbelse huwelijk tussen man en vrouw en een zegen vragen over homorelaties die in liefde en trouw worden aangegaan.

3. Visie op de ambten

Besluit 4 stelt voor om het aan de kerken over te laten om het ambt van diaken, ouderling of predikant open te stellen voor broers of zussen die in een homoseksuele relatie leven. Met dit voorstel gaat men ‘op onderdelen iets verder’ dan het studierapport, zegt de commissie er eerlijk bij.

Het studierapport gaf alleen aan dat als er plaatselijk genoeg draagvlak voor was, ook leden die in een homoseksuele verbintenis samenleven tot het ambt van ouderling en diaken te roepen. Nu geeft men de volgende onderbouwing: ‘Wanneer er geen reden is om iemand het avondmaal te ontzeggen, staat in beginsel ook de weg naar de ambtsdienst open.’ Dit lijkt mij een totaal misplaatst argument. Deelnemen aan het avondmaal en dienen in het ambt zijn twee verschillende zaken. De Bijbel stelt niet voor niets hogere eisen aan het laatste. Niet alleen, zoals in de onderbouwing terecht gezegd wordt, op moreel gebied, namelijk dat ambtsdragers ‘onberispelijk’ en ‘waardig’ moeten zijn een ‘een goede reputatie’ moeten hebben. Maar ook door heel concreet aan te wijzen wat voor deelname aan het avondmaal géén belemmering is, maar voor het vervullen van het ambt van ouderling en diaken wel een belemmering is, zoals aan de wijn verslaafd, hebzuchtig, geldzuchtig en, in dit verband nogal belangrijk, ‘de man van maar één vrouw’ (1 Tim. 3:2 / Titus 1:6). Onbegrijpelijk dat er geen woord gerept wordt over deze vereiste, die mijns inziens duidelijk verwijst naar de instelling van het huwelijk als een levenslange relatie tussen één man en één vrouw.

4. Ook gelijk maar predikanten die in een homoseksuele relatie leven?

Volgens het commissievoorstel moet ook meteen het ambt van predikant maar opengesteld worden. Want, aldus de gronden, ‘er is geen principieel verschil tussen de ambten’. Er is alleen ‘verschil in taken en bevoegdheden, waardoor de afweging anders kan uitpakken.’ Dat is de hele onderbouwing! Het studierapport vroeg om een vervolgopdracht, want daar zag men nogal wat principiële en kerkrechtelijke problemen opdoemen. ‘Een predikant heeft de bevoegdheid om in alle kerken Gods Woord en de sacramenten te bedienen (…) en wordt beroepbaar gesteld door een regionale vergadering (…). Het openstellen van het ambt van predikant voor wie in een homoseksuele verbintenis veronderstelt dat daarvoor binnen de kerken als geheel en binnen de regio’s voldoende draagvlak bestaat. Is dat er? En, wanneer en op welke gronden wordt dat geacht ‘voldoende’ te zijn?’ (blz. 134). Vragen die mij zeer terecht lijken! Maar het blijft allemaal onbenoemd en wordt dus simpelweg van tafel geveegd met de opmerking: er is geen principieel verschil tussen een ouderling en een dominee.

Vrijblijvendheid troef

De voorstellen die nu op de synodetafel liggen noemen wel wat bijbelteksten, maar blijven steken in algemeenheden zonder op de essentiële bijbelteksten in te gaan. Ook doen ze helemaal niets met één van de belangrijkste opmerkingen uit het studierapport, namelijk dat het Bijbelse huwelijk tussen man en vrouw een unieke instelling van God is en geen variatie op allerlei relatievormen. En dat alles omdat men binnen de kerk niemand met een eigen subjectieve invulling van het christen-zijn voor het hoofd wil stoten in een samenleving die elke grens of beperking op het gebied van de beleving van seksualiteit fundamentalistisch vindt.

Worden we daar als NGK een veelkleurige kerk waarin alle facetten van de Bijbel als een diamant prachtig glanzen? Helaas niet. Want christelijke vrijheid is iets anders dan christelijke vrijblijvendheid. Als de NGK-synode deze verregaande voorstellen overneemt zonder eerst over de impact hiervan na te denken, zet ze de eenheid binnen de NGK kerken ongelooflijk onder druk. Dan is mijn NGK verworden tot een kleurloos kerkverband, waarin Gods oorspronkelijke goede schepping waarin homoseksualiteit niet voorkwam (Genesis 1 en 2) niet meer serieus genomen wordt, waarin het huwelijk tussen man en vrouw zoals God dat bedoeld heeft niet meer in alle omstandigheden in ere gehouden wordt (Hebreeën 13:4) en waarin het ambt, dat aan gemeenteleden hogere eisen stelt dan aan iedere avondmaalsganger, niet meer hoog gehouden wordt (1 Timotheüs 3:1-13 en Titus 1:5-9).

(Hetero)huwelijk en homorelatie

door dr. Erik A. de Boer, emeritus-hoogleraar TUU en emeritus-predikant NGK Devente

Beleidskader voor kerkenraden bij gelijkgeslachtelijke relaties in de gemeente

Handreiking bij de te verwachten kerkelijke uitspraak over homoseksualiteit en relaties op de generale synode van de Nederlandse Gereformeerde Kerken te Deventer.

Binnen de Nederlandse Gereformeerde Kerken heeft de synode van Deventer een rapport over homoseksualiteit in behandeling. Op 8 maart 2025 staat de vervolgzitting gepland en conceptbesluiten van de synodecommissie zijn gepubliceerd,

Mijn bestudering van het deputatenrapport Ruimte en richting, lezing van het boek van dr. A.L.Th. de Bruijne, Verbonden voor het leven, en kennisname van de conceptbesluittekst van de synodecommissie die de zitting van 8 maart 2025 voorbereidt leidde mij tot het overdenken en formuleren van een beleidskader. Dat kan misschien de plaatselijke kerken helpen om met de (te verwachten) besluiten aan de slag te gaan. Ik voelde mij daartoe gedrongen omdat in het rapport en de besluittekst de zeven bijbelse passages waarin gelijkgeslachtelijke seks afgewezen wordt buiten beeld lijken te raken.

In paragraaf 1 formuleer ik zo’n kader in de vorm van stellingen. In paragraaf 2 volgen enkele gedachten bij de bestudering van het deputatenrapport en De Bruijnes boek. Tenslotte geef ik in paragraaf 3 nog enkele exegetische beschouwingen bij de zeven bijbelgedeelten die over gelijkgeslachtelijke seks spreken en typeer deze als grenswoorden.

1. Beleidskader

  1. Huwelijk

1.1 De Schriften laten de samenlevingsvorm die de christelijke kerk het huwelijk noemt, als een eenheid van man(nelijk) en vrouw(elijk) zien. ‘Het huwelijk is geen uitvinding van mensen maar een instelling van God’, zegt het huwelijksformulier (zie Gen. 1:26-27; 5:1-3; Mat. 19:5-6).

1.2 De kerk ziet het huwelijk van een man en een vrouw als de unieke samenlevingsvorm die de Schepper instelde en waarin – als God het geeft – kinderen (zonen en/of dochters) verwekt en verwacht, geboren en opgevoed kunnen worden. Zodat deze kinderen met een vader en moeder, uit wie zij voortkomen, mogen opgroeien (zolang God dat in zijn goedheid geeft dat beiden leven mogen).

1.3 Het christelijk huwelijk tussen een man en een vrouw beeldt iets af van het verbond tussen God en zijn volk en van het geheim van de liefde tussen Christus en zijn gemeente als bruidegom en bruid (Ef. 5).

  • De celibataire Heer
    • Anders dan in Israël verwacht werd bleef de oudste zoon van Maria en Jozef ongetrouwd en riep als rabbi in Israël mannen en vrouwen Hem te volgen. In Hem is zichtbaar wat Paulus noemt: ‘Een ongetrouwd man draagt zorg voor de zaak van de Heer en wil de Heer behagen’. Zo ook vestigt hij de aandacht op ‘een ongetrouwde vrouw en een meisje dat nog niet getrouwd is’ en zegt: zij ‘dragen zorg voor de zaak van de Heer, en wel zo dat ze God met heel hun lichaam en geest zijn toegewijd’ (1 Kor. 7:32-33). Ook nu kunnen mannen en vrouwen zich geroepen weten tot absolute toewijding en celibatair leven. Dit geldt hetero- en homoseksuele christenen. Hun voorbeeld kan anderen inspireren en steunen. Jezus eert het huwelijk als instelling van God (Mat. 19:1-10). Bevraagd op ruimte om te scheiden vraagt Hij aandacht voor de eunuch, de man die geen vervuld huwelijk kan beleven door schade aan zijn geslachtsdelen. Door de eunuch die met zo’n defect geboren is eerst te noemen, eert de Heer hen die in seksueel opzicht een beperking te dragen hebben. Ook heeft Hij oog voor de man die door mensenhand gecastreerd was (19:11-12). Zo vervulde de Mensenzoon de profetie voor de eunuch ‘die keuzes maakt naar mijn wil, die vasthoudt aan mijn verbond’ (Jes. 56:3-5). Wie afzien van een liefdesrelatie ‘omdat zij zichzelf onvruchtbaar gemaakt hebben met het oog op het koninkrijk van de hemel’ doen dat niet primair wegens een lichamelijke of psychologische conditie. Het is een levenswijding waarvan Hij die het zegt stilzwijgend het voorbeeld is (vgl. 2.1).
    • De Heer Jezus legt dit niet als een gebod op, maar daagt ons allen uit: ‘Laat wie bij machte is dit te begrijpen, het begrijpen!’ (vs 12). Dit woord te vatten is een gave (vs. 11).
  • Homoseksualiteit
    • In de Bijbel ontmoeten we geen Israëlieten of christenen die zich als homoseksueel identificeren. Wel ontmoeten we de Mensenzoon die alleen zijn weg gaat te midden van zijn vrienden en vriendinnen. Hij heeft oog voor wie lichamelijk-seksueel niet tot een vervuld huwelijk in staat is of in een beschadigd huwelijk leeft (Mat. 19:10-12). Omdat de Heer ons voorgaat op de weg van het celibaat, zullen we broers en zusters in het bijzonder eren die Hem op die weg willen navolgen. Leerlingen van de Heer die zich homoseksueel noemen en celibatair willen leven verdienen in de gemeente een ereplaats. Zij zouden een bijzondere erkenning en ‘stand’ in de gemeente moeten krijgen, vergelijkbaar met als de ‘ware weduwe’ (“zij die er alleen voorstaat”) in de gemeente van Efeze (1 Tim. 5). De gemeente kan hen roepen om pastoraal anderen te begeleiden die met geslacht of gender worstelen. Mensen die Christus als Heer van hun leven erkennen en zich als homo of lesbienne identificeren kunnen naar een relatie van liefde en trouw verlangen. Wanneer zij zich in alle eerlijkheid niet herkennen in typeringen als die van Romeinen 1:24-27, is het mogelijk dat zij zo’n relatie aangaan en dat de christelijke kerk dit in liefde draagt (Gal. 6:1-5). Vriendschap, liefde en intimiteit zijn zoveel breder dan het seksuele spel dat tot het hoogtepunt leidt. Er is een bandbreedte die verkend kan worden en waarin homoseksuele kerkleden zoeken naar vormen van intimiteit die heilig en veilig zijn.
    • Het seksuele aspect van die relatie laat de kerk voor hun verantwoordelijkheid tegenover de Heer. In de christelijke kerk geldt de intieme aard van het samenleven van twee mensen als behorend tot wat persoonlijk is en wat eventuele zonde betreft als ‘geheim’ (in onderscheid van publieke zonde). In de vertrouwensrelatie van pastoraat kan dat aspect ter sprake gebracht worden.
  • Homohuwelijk
    • Artikel 143 van het Burgerlijk wetboek bepaalt sinds 2003: ‘Een huwelijk kan worden aangegaan door twee personen van verschillend of van hetzelfde geslacht’. De kerk erkent het zgn. homohuwelijk niet als huwelijk in zin van de Bijbel. Dat geldt ook ten opzichte van gemeenteleden die toch zo’n burgerlijk huwelijk, bedoeld als in artikel 143, sluiten. Welke vorm een relatie van a. in de Heer (1 Kor 7:39; 2 Kor 6:14), b. in liefde en c. met een belofte van trouw krijgen kan, kan op dit moment het beste in een samenlevingscontract geregeld worden. De kerk bevestigt een dergelijke vorm van samenleven niet in de zin van Kerkorde NGK art. C46.3 (‘De huwelijksbevestiging vindt plaats in een kerkdienst en behoeft de instemming van de gemeente’).
    • Hoe een dergelijke relatie aan Gods zegen opgedragen kan worden is voorwerp van nadere bezinning.
  • Roeping tot de ambten
    • De Schrift geeft bij de roeping tot het ambt van oudste de bepaling: ‘Hij kan slechts de man van één vrouw zijn’ (1 Tim. 3:2; Tit. 1:6). We vatten dat zo op dat leidinggevende personen hun trouw in het huwelijk laten zien. Het is meer dan aan het begin van de relatie een belofte van liefde en trouw afgelegd te hebben. Immers, het ambt van oudste ging in de vroegchristelijke kerk hand in hand met de leeftijd van wijsheid en levenservaring (zie ook de ‘oudere vrouwen’ in Tit. 2:3). Dat illustreert dezelfde bepaling bij de erkenning van een oudere vrouw als weduwe (in de ware zin van het woord, 1 Tim. 5:9). Het gaat daar om vrouwen ‘boven de zestig jaar die maar één man gehad hebben’. Ook als we nu geen leeftijdscriterium meer aan de ambten stellen, is de stabiliteit van het huwelijk (de relatie) belangrijk. Er ligt een verbinding tussen het criterium ‘man-van-één-vrouw’ en het geheim dat Paulus in Efeziërs 5 aanwijst. De liefde van man en vrouw is een afspiegeling van de liefde van Christus voor zijn gemeente. Daarbij is Hij de bruidegom en zij de bruid. Dat legt ons de vraag voor of dat ook op een gelijkgeslachtelijke relatie mag worden toegepast en of zo’n iemand in zo’n relatie de gemeente in een van de ambten kan representeren.
    • Of een gelovige broeder of zuster die in een gelijkgeslachtelijke relatie tot een van de ambten kan worden geroepen is onderwerp van nadere bezinning en gebed. In de Nederlandse Gereformeerde Kerken kan een gemeente daar niet toe overgaan zonder instemming van het kerkverband.

2. Deputatenrapport en Verbonden voor het leven

Conclusie uit de bestudering van de Bijbel in het derde hoofdstuk van het Deventer rapport is ‘dat de in de Bijbel alleen teksten aantreffen die gelijkgeslachtelijke seks afkeuren’. Daarnaast staat een tweede conclusie: ‘Nergens gaat het over aantrekkingskracht, verliefdheid, intimiteit of zielsverwantschap tussen twee mensen van hetzelfde geslacht’.[1] In de bedoelde teksten krijgen persoonlijke gevoelens of intenties van mensen van hetzelfde geslacht geen stem. In hoofdstuk 6 vinden we de voorstellen die tot besluiten kunnen leiden. De eerste conclusie die we hierboven aanhaalden, horen we niet terug in de voostellen of in stellingen als de volgende: ‘binnen de gemeente van Christus mag er, heeft er ruimte (te) zijn voor homo’s, ook als zij in liefde en trouw samenleven’.[2] Daarom ook: ‘Is iemand vrij in zijn of haar geweten en vindt hij of zij een partner voor het leven? Laat er ook voor deze broeders en zusters een plek zijn in de gemeente en aan de tafel van de Heer’. De intentie van liefde en trouw en het persoonlijk geweten geven de doorslag.

Ik vroeg mij af: is het zinvol nóg eens de Bijbelse passages te bestuderen (waarin gelijkgeslachtelijke seks afgekeurd wordt) of zijn de paden van de exegese platgetreden? Zijn er nieuwe inzichten te verwachten of is alles in de vloed aan literatuur (waarnaar ook in het rapport verwezen wordt) al gezegd? Mijn insteek is anders. Ik ga niet op zoek naar nieuwe inzichten maar herlees de Bijbelse passages – ná lezing van het commissierapport. Met de vraag: komt Gods Woord in deze teksten nog ter sprake en spreken de woorden Gods ons nog aan nadat we ruimte constateerden tussen de teksten van toen en de omstandigheden van nu? Het vervolg van deze notitie gaat ook het gesprek met het boek van dr. A.L.Th. de Bruijne en het rapport Ruimte en richting aan.

Ethicus Ad de Bruijne oppert tijdens zijn uitleg van de Bijbelgedeelten de gedachte ‘dat de Bijbel zich in de genoemde teksten waarschijnlijk helemaal niet uitlaat over het fenomeen waarvoor wij op zoek zijn naar een bijbelse duiding’.[3] Het rapport Richting en ruimte: ‘Er zijn wel teksten in de Bijbel die wij met homoseksualiteit associëren, omdat ze betrekking hebben op seksuele gemeenschap tussen mensen van hetzelfde geslacht. Maar zoals zal blijken, wordt er nergens gesproken over romantische aantrekkingskracht of verliefdheid tussen mensen van hetzelfde geslacht’.[4] Deze stelling leidt tot een positieve visie op een relatie van liefde en trouw waarin homoseksuele kerkleden samenleven.

            Zowel in het doorwrochte boek van de Bruijne als in de empathische studie van NGK- deputaten lijken de specifieke Bijbelgedeelten over ‘seksuele gemeenschap tussen mensen van hetzelfde geslacht’ niet verder ter sprake te komen bij (wat consequent genoemd wordt) ‘een relatie van liefde en trouw’. De Bruijne concludeert: ‘Vanuit de kennis die wij vandaag bezitten, kunnen wij niet anders dan vaststellen dat de reikwijdte van Paulus’ woorden voor het thema homoseksualiteit beperkter is dan vaak gedacht’.

Tijdens het lezen van het genoemde boek en rapport maakte ik kanttekeningen bij de exegetische passages. Vooral bij het rapport had ik soms de indruk dat een minimale uitleg gegeven wordt, terwijl er meer te zeggen is.

Een voorbeeld: de zonde van de mannen in Sodom. Genesis 19 wordt in één zin samengevat, gevolgd door een conclusie uit (elders gedocumenteerde) studie: ‘Latere Joodse geschriften waarin gelijkgeslachtelijk seksueel verkeer ten zeerste wordt afgekeurd, verwijzen daarvoor vaak naar dit Bijbelhoofdstuk.’[5] Deputaten weerleggen dat met de stelling: ‘Steun in het Oude Testament krijgen ze hiervoor niet. Nergens wordt Sodom expliciet in verband gebracht met gelijkgeslachtelijk seksueel verkeer’. Nergens? Bij de verwijzing naar Ezechiël 16 had het Hebreeuws hen op andere gedachten kunnen brengen. Vers 50: de mannen van Sodom en Gomorra ‘verhieven zich boven de anderen, wat ze deden vond Ik gruwelijk’ (NBV21). Het Hebreeuws heeft hier to’ebah, ‘ze deden wat gruwelijk in mijn ogen is’. Dat is het schokkende woord dat de heiligheidswet in Leviticus 18:20 én 20:13 gebruikt: ‘Wie met een man het bed deelt als met een vrouw, begaat een gruweldaad’. De dreiging van de mannen van Sodom aan het adres van de gasten (‘Breng ze naar buiten, we willen ze nemen!’) is homoseksuele groepsverkrachting. Ezechiël 16:50 roept dat in herinnering. Dat is een conclusie die reden geeft te overwegen of de ‘gruwel’ van Leviticus iets van opzettelijke daden met een bepaald doel betreft.

Maar ook al zou er meer te zeggen zijn betreffende de exegese, brengt dat ons als christenen en kerkleden verder? Er is een brede aanvaarding van relaties tussen mensen van het gelijke geslacht gegroeid, ook in de christelijke kerk. Voor mij weegt zwaarder dat genderdysforie en transseksualiteit het beeld van homoseksualiteit nog eens extra complex gemaakt heeft. De verstoring van lichamelijke en psychische ontwikkeling die genderdysforie heet, kan niet buiten beschouwing blijven.

            Mijn voorstel is om conclusies te trekken uit het materiaal dat op tafel ligt. En om daarbij nóg eens de betreffende Bijbelgedeelten te lezen. In de theologie spreken we van de ‘hermeneutische cirkel’. Dat wil zeggen: je leest de Bijbel, denkt daar met de theologie en in de praktijk van het leven over na én gaat met je bevindingen terug naar de Bijbel. Zo leg je dezelfde weg steeds opnieuw af. Zo blijft de Bijbel als heilige Schriften en Woord van God de eerste bron. Zo laten we ook zien dat we de Bijbel ernstig blijven nemen en ons van zijn gezag niet afmaken.

3. Grenswoorden

Het deputatenrapport overweegt dat de homoseksuele identiteit vandaag niet identiek lijkt aan de in de Bijbel afgekeurd praktijken. Daarin zou het kunnen gaan om homoseksuele promiscuïteit of homoseksueel experiment van heteroseksuele mensen. Het lijkt alsof het rapport de betreffende Bijbelgedeelten tussen haakjes zet. Nadat we overwegen of er ruimte kan zijn voor een relatie van homoseksuele geliefden, is het goed de Bijbel nog eens ter sprake te brengen. Blijft er een grens aan de intimiteit van homo’s en lesbiennes? Hebben we oog voor zonde die zij elkaar in de relatie kunnen aandoen?

3.1 Paulus leest Leviticus

In de wetswoorden van Leviticus 18-20 verbiedt de God van Israël allerlei zonden van seksuele aard, zoals zijn volk dat uit Egypte kende en in Kanaän zou aantreffen. In den vreemde en in het beloofde land riep de HEER tot het volgen van de leven-gevende leefregels (18:1-5). Het herhaalde verbod of gelijkgeslachtelijke seks staat in het kader van allerlei grove zonden (Lev. 18:22; 20:23).

  • In Leviticus 18 gaan aan het verbod ‘Je mag niet het bed delen met een man zoals met een vrouw’ direct vooraf gemeenschap bij menstruatie (vs 19), overspel met de vrouw van een ander (vs 20) en offeren van kinderen aan Moloch (vs 21). Erop volgt het verbod op seks met een dier (vs 23).
  • Dat strenge wetswoord komt terug in Leviticus 20:13: ‘Wie met een man het bed deelt (jiskab) als met een vrouw, begaat een gruweldaad. Beiden moeten ter dood gebracht worden en hebben hun dood aan zichzelf te wijten’. Ook hier worden in het directe verband genoemd het verbod op overspel, seks in nabije, incestueuze familierelaties en bestialiteit. De doodstraf duidt op bijzondere ernst.
  • In Lev 20:19 stond al: ‘Heb geen gemeenschap met een vrouw wanneer zij vanwege haar menstruatie onrein is’. Hoewel dit in Lev 15:24 genoemd is als iets dat man en vrouw alleen voor zeven dagen onrein maakt (en niet als zonde benoemd wordt), lijkt het in Lev. 20 om een opzettelijke daad te gaan. Alsof in de aanraking van het bloed van de vrouw bijzondere levenskracht gezocht wordt. Ook in Lev 20:18 volgt: ‘Wanneer iemand het bed met een vrouw die ongesteld is en gemeenschap met haar heeft – wanneer hij dus de bron van haar bloeding ontbloot of zij voor hem de bron van haar bloeding ontbloot – zullen beiden uitgestoten worden’. De ‘bron van haar bloed’ heeft een krachtige betekenis die wij niet meer kennen. Er lijkt een relatie te liggen naar het voorafgaande hoofdstuk, Leviticus 17, waar het ‘gebruik’ van bloed streng verboden wordt. Het lijkt te gaan om opzettelijk gebruik van het bloed als levenskracht (vs. 14). Daarvan is sprake in Afrikaanse landen waar mannen denken van Aids genezen te worden wanneer zij een meisje dat nog maagd is verkrachten.

Het directe verband van a. seks tijdens de menstruatie, b. een buitenechtelijke relatie, c. homoseks en d. bestialiteit lijkt te bestaan in penetratie als bevrediging van lust.

De apostel Paulus gebruikt termen uit deze grensgeboden uit Leviticus (in de Griekse vertaling, zoals die ten tijde van het Nieuwe Testament bekend was). Hij smeedt die tot een woord dat hij in 1 Korinthe 6:9 en 1 Timoteüs 1:10 gebruikt (arseno-koitès: een man die een man ‘beslaapt’). De ‘huiver van Leviticus’ gaat mee in het apostolisch onderwijs.

3.2 Bekering, heiliging, vrijspraak

Paulus laat dit woord arseno-koitès (‘een man die een man beslaapt’) vallen in het kader van een waarschuwing tegen verschillende zonden tegen de Tien geboden, die een mens kunnen typeren (6:9-11).

  • De Schrift waarschuwt tegen het doen van onrecht. ‘Weet u niet dat wie onrecht doet geen deel zal hebben aan het koninkrijk van God?’
  • Vervolgens ‘ontuchtplegers,
  • afgodendienaars,
  • overspelplegers (Grieks: pornoi),
  • mannen die zich laten misbruiken of die andere mannen misbruiken,
  • dieven en geldwolven,
  • dronkaards,
  • lasteraars,
  • uitbuiters.

De vraag is of een mens door een bepaalde zonde beheerst worden, zodat die zonde hem of haar als zondaar typeert. Paulus vervolgens in aanspraak van de gemeente: ‘Sommigen van u zijn dat ooit geweest, maar u bent gereinigd, u bent geheiligd, u bent rechtvaardig verklaard in de naam van de Heer Jezus Christus en door de Geest van onze God’ (1 Kor 6:11). De vraag is dus bij elke specifieke zonde: of er bekering van die levensstijl, heiliging en vrijspraak heeft plaatsgevonden. Innerlijk en in de gemeente.

De homoscene in Nederland is een wereld van promiscuïteit. Wie zich in het nachtleven stort heeft een omkeer naar het licht nodig (Ef 5). Zo moeten we ook in de christelijke kerk rekenen met de seksuele zonden in gelijkgeslachtelijke relaties, zoals we dat ook doen in heteroseksueel verkeer (in en buiten het huwelijk). En Gods Woord laten spreken.

3.3 De apostel van de volken en de Romeinse cultuur

Paulus noemt de (seksuele) omgang van man en vrouw ‘natuurlijk’ en de gekozen (seksuele) omgang van vrouw met vrouw en van man met man ‘tegennatuurlijk’ (Rom 1:26-27). Daarmee is de natuur bedoeld zoals de Schepper die bedacht en vormgegeven heeft. Mannelijk en vrouwelijk passen lichamelijk-geslachtelijk bij elkaar, zodat zij ‘één vlees’ kunnen worden. Alsof zij in de lichamelijke beleving tot één mens versmelten. In die zin is homoseksualiteit ‘tegen de natuur’.

  • Twee mannelijk- of vrouwelijk-identieke geslachtsorganen kunnen niet tot die eenheid komen.
  • Uit de vereniging van twee mensen van hetzelfde geslacht kan geen nieuw leven voortkomen. ‘Verwekken’ of ‘ontvangen’ van kinderen is niet op natuurlijke wijze mogelijk.

Verderop in de brief aan de Romeinen gebruikt Paulus het contrast ‘natuurlijk’ (kata phusin) en ‘tegen de natuur’ (para phusis) nog een keer. Daar maakt hij onderscheidt tussen duidt in de plantkundige classificatie aan van de soorten olijfboom (edel of wild) en de takken (11:21). Zwaarder is de term ‘tegennatuurlijk’ niet: zoals het biologisch in de schepping en verzorging van Gods wereld is.

             In Romeinen 1 contrasteert Paulus dus ‘de natuurlijke omgang’ (tèn phusikèn chrèsin) van man en vrouw (tweemaal) met ‘die tegen de natuur’ (tèn para phusin, 1:26-27), zoals wanneer ‘vrouwen de natuurlijke omgang (met een man) hebben verruild voor de tegennatuurlijke’ en ‘ook mannen de natuurlijke omgang met vrouwen hebben losgelaten’. De Bruijne legt dit uit als de door deze mensen in de eerste eeuw zelf zo ervaren handelwijze. ‘Deze mensen geven wat zij zelf als “natuurlijk” ervaren, tegen beter weten in prijs voor homoseksueel verkeer’ (263).[6]

Van Loon stelt terecht dat Paulus hier aan het scheppingsverhaal herinnert door de bijvoeglijke naamwoorden arsèn en thèlus, zoals hij die in de Septuagint aantrof, te gebruiken (gesubstantiveerd).[7] ‘De vrouwen hebben de natuurlijke omgang verruild voor de tegennatuurlijke, en ook de mannen de natuurlijke [omgang] “met het vrouwelijke” (tès thèleias) losgelaten en zijn in hartstocht voor elkaar ontbrand’.

Het zijn niet alleen de mensen die de seksuele switch maken die dat typeren als overgang van het ‘natuurlijke’ naar het ‘tegennatuurlijke’, maar het is eerst Paulus die dat zo typeert. Is dat misschien extra reden om de achtergrond van Leviticus ook in Paulus’ gebruik van phusis in Romeinen 1 te beluisteren? Ik herinner eraan dat het door Paulus gevormde woord arsenokoitai in 1 Korinte 6:9 en 1 Timoteüs 1:10 de inhoud van de Levitische verboden in de nieuwtestamentische ethiek opneemt. Wat is het verband tussen die twee typeringen en Romeinen 1:24-27? Paulus zegt in Romeinen 1 breder welke seksuele praktijk hij met het zelfstandig naamwoorden in de lijsten van 1 Korinthe en 1 Timoteüs op het oog heeft.

Concreet: wat geven de betreffende Bijbelgedeelten aan homoseksuele geliefden te overdenken wanneer zij een relatie aangaan en die voor Gods aangezicht willen vormgeven?

‘Natuurlijk’ is volgens de onderscheidenlijk geschapen lichaamsbouw en ‘tegennatuurlijk’ is tegen de evidente, c.q. biologische natuur en structuur van het mannelijk en vrouwelijk lichaam in de vereniging van die lichamen.

  • De geslachtsdaad van anale penetratie bij mannen heet dan ‘tegen de natuur’.
  • Bij vrouwen ligt het anders, omdat de genitale vereniging van de lichamen daar altijd uitwendig blijft. De onmogelijkheid (of ongewenstheid) van vaginale penetratie kan in alle nuchterheid ook ‘tegen de natuur’ genoemd worden.
  • Bij mannen en vrouwen van hetzelfde geslacht is er geen mogelijkheid tot natuurlijke bevruchting en het verwekken van kinderen. Het is alleen buiten de natuurlijke weg om mogelijk kinderen door middel van een draagmoeder of met donorzaad te verwekken.

Bij deze herlezing van de Bijbelgedeelten vroeg ik me steeds af: is het passend en nodig om zo concreet over penetratie (of het ontbreken ervan) te spreken? Spreken we dan niet weer óver homo’s in plaats van hen veiligheid in de gemeente te bieden? Het is vanwege de ernst en samenhang waarin deze grensgeboden in der Bijbel ter sprake komen dat ik meen dat we die niet ongelezen kunnen laten. Ook homoseksuele broers en zusters die voor een relatie gekozen hebben zullen die woorden in de Bijbel steeds weer tegenkomen. Laten we hen en onszelf helpen door te vragen wat de Geest ons ermee in de gemeente zeggen wil.


[1] De aanhaling zijn uit de bij het rapport gevoegde leeswijzer, onder 3.4 (Ruimte-en-richting-Leeswijzer-en-samenvatting.pdf).

[2] Ruimte en richting, 134. Alleen de woorden die Paulus gebruikt voor ‘de mannen die een passieve en actieve rol vervulden in de gelijkgeslachtelijke seks’ worden genoemd (135), voorzien van de stelling dat er geen isgelijk-teken kan worden gezet tussen de malakoi en de arsenokoitai en onze homoseksuele broers en zusters’.

[3] Ad de Bruijne, Verbonden voor het leven. Een theologisch-ethisch voorstel rond homoseksualiteit en seksuele diversiteit (Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2022), 268.

[4] Ruimte en richting. Rapport van het Studiedeputaatschap ‘Homoseksualiteit in de kerk’. Voor de synode van Deventer 2023 (https://ngk.nl/nieuws/ruimte-en-richting-rapport-studiedeputaatschap-homoseksualiteit-in-de-kerk/), 58.

[5] Ruimte en richting, 62.

[6] J. van Bruggen: ‘Voor de apostel is de perversie van de seksualiteit wanneer een mens haar of zijn eigen aard (die wel degelijk gericht was op het ándere geslacht) op enig moment inruilt voor homoseksuele en lesbische praktijken’ (Romeinen. Christenen tussen stad en synagoge [CNT3] (Kampen: J.H. Kok, 2006),43).

[7] Maarten van Loon, In liefde en trouw of tegennatuurlijk?, in: Ad de Bruijne (red.), Open en kwetsbaar. Christelijk debat over homoseksualiteit [TU Bezinningsreeks 11] (Barneveld: de Vuurbaak, 2012), 33 (31-43).

Henk Helmantel steekt zijn geloof in God niet onder stoelen of banken

Vandaag, 22 februari 2025, wordt Henk Helmantel 80 jaar. De Groninger kunstschilder van kerkinterieurs en stillevens werd de avond ervoor geïnterviewd door RTVNoord (zie foto en artikel). In prachtig gesproken Gronings, want dat is de taal van Helmantels hart.

Naast echte Grunneger is Henk Helmantel overtuigd christen. Hij steekt zijn geloof in God en Jezus niet onder stoelen of banken. Dat heb ik zelf uit zijn mond gehoord op zaterdag 24 november 2018 in Dordrecht.

Samen met mijn collega Bert Altena organiseerden wij vanuit Assen een excursie naar Dordrecht in het kader van het 400 jubileum van de Dordtse Leerregels. Onder de slogan ‘Ode aan de Synode’ werden daar dat jaar tal van aktiviteiten georganiseerd. Dus bezochten we met zo’n 40 belangstellenden in het Dordts Museum de tentoonstelling ‘Werk, Bid en Bewonder’, die haar bezoekers een ‘nieuwe kijk op kunst en calvinisme’ wilde geven.

Daarna bezochten we de Grote Kerk van Dordrecht. Daar werden 400 jaar geleden alle vergaderingen van de ‘Synode van Dordt’ gehouden. Het was er echt stervenskoud, want de buiten lag de temperatuur rond het vriespunt. Onder leiding van een deskundige gids kregen we alle ins en outs te horen over de rijke geschiedenis van deze kerk. Ons was ook verteld, dat we in de kerk een ‘compacte Helmantel-tentoonstelling’ konden bezichtigen.

Wat we niet wisten was, dat die tentoonstelling op die 24e november door Henk Helmantel zelf geopend zou worden. We vielen dus met onze neus in de boter. En hoe! Ik weet niet meer precies hoe hij het zei, maar in een kort (voor een Groninger tamelijk lang) openingswoord zei hij ongeveer het volgende:

Geachte dames en heren, het is een enorm voorrecht om in deze kerk te mogen exposeren. En ik waardeer het dat u hier bij de opening aanwezig bent. Maar ik wil u dit zeggen: veel mensen komen in de kerk vanwege de architectuur of de kunst die er te bekijken is. Maar het bewonderen van kunst en cultuur heeft maar weinig waarde als je het vergelijkt met het geloof in de levende God die onze Schepper is, en in Jezus Christus, die onze Verlosser is. Persoonlijk heb ik veel liever dat u daarvoor naar de kerk gaat dan dat u mijn schilderijen komt bewonderen. Maar dat laatste vind ik uiteraard ook heel fijn. En hierbij verklaar ik de tentoonstelling voor geopend.

In alle bescheidenheid, niet met een geheven vingertje vanuit je eigen motivatie aangeven waarom je in God en Jezus gelooft en dat iedereen gunt. Geweldig!

Daarna gebeurde er nog iets. Henk Helmantel liep gewoon wat tussen de mensen door na de opening. Dus maakte ik van de gelegenheid gebruik en zei tegen hem: ‘Meneer Helmantel, mag ik joe wat vroagen?’ Dat mocht. Dus vroeg ik hem of ik een foto van dat prachtige nieuwe schilderij over het Avondmaal mocht nemen en dat mocht gebruiken bv. tijdens kerkdiensten op de beamer of voor een artikel zoals dit. Dat vond hij helemaal prima. ‘Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend’ – om het maar even in een oudere bijbelvertaling te zeggen.

Een tijdje later belde ik naar Westeremden om Henk Helmantel te vragen als spreker op één van de Thema-avonden Noorderlicht. Ik vroeg hem: ‘Zollen joe nait n moal noar Assen kommen willen om wat te zeggen over hou joe joen geleuf als kristen ien t schildern tot uutdrukken brengen?’ Maar Henk was daar op een Gronings-direkte manier erg duidelijk over: ‘Ik ben nait zo’n proater, loat mie moar schildern.’

Dat feestje ging dus niet door. Maar vandaag is het wel feest: onze goede God gaf aan Henk Helmantel 80 jaren in goede gezondheid. Dat er onder zijn zegen bij leven en welzijn nog vele goede jaren en mooie schilderijen mogen volgen!

Vrijblijvendheid troef als het om homo-relaties in de NGK gaat?

De Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK) worstelen met hun visie op homoseksuele relaties. Onlangs kwam een commissie met konkrete voorstellen die op 8 maart a.s. op de landelijke synode besproken zullen worden. De voorstellen gaan veel verder dan het studierapport ‘Ruimte en richting’ en ook dan eerdere voorstellen die op de synode lagen. Voor CVandaag schreef ik hierover een opinie-artikel met als titel Synodecommissie walst als een roze olifant door de NGK-porseleinkast.

Een korte samenvatting hiervan geef ik hier:

  • De voorstellen laten zien dat we als NGK in deze kwestie geen kleur durven bekennen.
  • De voorstellen geven allerlei meningen over homoseksualiteit ten onrechte een legitieme plaats binnen het gereformeerd belijden.
  • De voorstellen stellen feitelijk homo-relaties in liefde en trouw gelijk aan het bijbelse huwelijk tussen man en vrouw.
  • De voorstellen laten belangrijke bijbelse gegevens buiten beschouwing als het om toelating tot de ambten gaat.
  • De voorstellen gaan volledig voorbij aan kerkrechtelijke vragen bij de openstelling van het ambt van predikant voor broers en zussen die in een homoseksuele relatie leven.

Mijn slotconclusie in het opiniestuk op CVandaag is:

Als de NGK-synode deze verregaande voorstellen overneemt zonder eerst over de impact hiervan na te denken, zet ze de eenheid binnen de NGK kerken ongelooflijk onder druk. Dan is mijn NGK verworden tot een kleurloos kerkverband, waarin Gods oorspronkelijke goede schepping waarin homoseksualiteit niet voorkwam (Genesis 1 en 2) niet meer serieus genomen wordt,  waarin het huwelijk tussen man en vrouw zoals God dat bedoeld heeft niet meer in alle omstandigheden in ere gehouden wordt (Hebreeën 13:4) en waarin het ambt, dat aan gemeenteleden hogere eisen stelt dan aan iedere avondmaalsganger, niet meer hoog gehouden wordt (1 Timotëus 3:1-13) en Titus 1:5-9).

“Het is heel, heel erg” – de CGK dreigt van bovenaf te scheuren

Eens trok er een scheur van bovenaf waardoor mensen in hun geweten vrij gezet werden voor God door het bloed van het Lam.

Nu dreigt er van bovenaf een scheur door de Christelijke Gereformeerde Kerken getrokken te worden omdat een minderheid binnen de CGK de gewetens van alle plaatselijke kerken wil binden aan hun eigen visie op wat wel of niet bijbelgetrouw gereformeerd is. Men is zelfs bereid om daar de eenheid van het kerkverband en het voortbestaan van het prachtige zendingswerk en de Theologische Universiteit te Apeldoorn voor in de waagschaal te stellen.

Het zou van moed getuigen wanneer deze minderheid met een zuiver geweten vrijwillig het CGK-kerkverband verlaat en zelfstandig verder gaat of zich aansluit bij de Hersteld Hervormde Kerk.

Dat de CGK in een diepe crisis verkeerd is al jaren duidelijk. De kwestie van vrouwen in de ambten is daarbij het springende punt. De vorige synode bevestigde in 2022 met 2/3 meerderheid het synodebesluit van 1998 dat op basis van de Bijbel het ambt van predikant, ouderling en diaken voor vrouwen niet openstaat. Maar in tegenstelling tot de synode van 1998 voegde ze daar de oproep aan toe om als kerkverband “vermaan (vanwege zonde tegen ten diepste de liefde) toe te passen als kerken op het gebied van ‘vrouw en ambt’ eigen wegen gaan.”

Met name deze laatste uitspraak zorgde ervoor dat 46 van de 181 CGK-kerken (en 3 CGK-gemeenteleden) een revisieverzoek indiende bij de huidige synode. Die wees op 29 januari 2025 met 31 tegen 18 stemmen alle revisieverzoeken over ‘vrouw en ambt’ af.

Ik denk dat de synode kerkrechtelijk een beslissing nam die je deels kunt verdedigen. Eén van de twee voorwaarden om een synodebesluit te herzien is namelijk: er moeten nieuwe argumenten aangedragen worden. En die waren er niet. Alle voors en tegens zijn in 2022 al gewogen. Een andere weging van de argumenten op een volgende synode is geen  reden om tot een ander besluit te komen. Want dan zou de willekeurige samenstelling van een volgende synode bepalen of besluiten gehandhaafd of veranderd worden. Dat is kerkelijke jojo-beleid en geen geestelijk leidinggeven. Een andere vraag die terecht gesteld wordt is, dat die 50 revisieverzoeken wél behandeld hadden moeten worden omdat er inhoudelijke bezwaren ingebracht zijn tegen de synode-uitspraak. Dat is volgens de CGK-kerkorde een tweede voorwaarde om een revisieverzoek te mogen indienen. Dat aspekt is, als ik CGK-er J.R. Bügel, jurist en advocaat, geloven mag (klik hier), ten onrechte door de synode helemaal niet meegewogen in het afwijzen van de revisieverzoeken.

Maar … en dat is wat een diep bedroefde collega uit het midden van de CGK mij mailde: deze redenering over revisieverzoeken zal wellicht formeel kloppen. Maar formalisme is het laatste dat nu nodig is. Als meer dan een kwart van de kerken (46 van de 181) een revisieverzoek indient en zich dus kennelijk niet gehoord acht in het genomen besluit ben je onverstandig als je dat gesprek blokkeert met een beroep op de regeltjes van het kerkrecht.

Ik snap dat. Zeker als je weet dat in 2024 maar liefst 179 van de 181 CGK-kerken bij elkaar kwamen en ongeveer 120 “CGK-kerkenraden elkaar meer ruimte wil geven, desnoods ook om vrouwen in het ambt van diaken of ouderling te hebben” en er dus “minstens twee keer zo veel kerkenraden voor meer vrijheid in het kerkverband zijn dan dat daar kerkenraden tegen zijn.” (RD 24-04-2024).

Toch snap ik wel dat de revisieverzoeken zijn afgewezen. Maar dan moet je als synode jezelf wel de volgende vraag stellen: hoe bewaren we de eenheid als we weten dat 2/3 van de kerken elkaar wil vasthouden, terwijl wij als synode met 2/3 uitspreken dat plaatselijke kerken die vrouwen in het ambt bevestigen vermaand moeten worden vanwege hun zondige besluiten?

Daarom was voor velen het volgende agendapunt op de synode nog spannender: is een synode die dit uitspreekt bereid om 2/3 van de plaatselijke kerken die er anders over denkt, te verdragen of is men bereid om van bovenaf een scheur te trekken waar slechts 1/3 van de plaatselijke kerken toe oproept?

De kritiek van vele synodeleden op het voorstel om tot twee soorten classes te komen en de eis die het synode-bestuur vooraf stelde dat er een draagvlak van 80% moest zijn voor dit voorstel doen het laatste vermoeden. Geen wonder dat de commissie die met deze mogelijke oplossing om een kerkscheuring te voorkomen dit voorstel introk. Niemand die weet hoe het nu verder moet.

“Het is heel, heel erg. De Here moet zich over ons ontfermen en ons bekeren van onze dwaasheid.” Dat was het gevoelen van mijn CGK-collega.

Hoe kon het zover komen? Al veel langer leeft binnen de CGK-kring het gevoelen “dat de afgevaardigden naar de synode ‘rechtser’ zijn dan de Christelijke Gereformeerde Kerken als geheel” (ND 24-04-2024), of, zoals het RD van 24-04-2024 dat n.a.v. het CGK-convent onder woorden bracht: “Zie je wel, die generale synodes van ons geven geen representatief beeld van hoe er in de breedte van onze kerken over gevoelige thema’s gedacht wordt.”

Ik denk dat deze constatering klopt. En wat, helaas, steeds duidelijker wordt: de rechterflank van de CGK ligt op ramkoers en is bereid om de eenheid van de CGK op te offeren voor de eigen overtuiging die ze aan alle plaatselijke kerken wil opleggen. Ik was er vorig jaar al bang voor – zie mijn blog.

Daarmee brengt dit smaldeel niet alleen de kerken die vóór de vrouw in het ambt zijn in gewetensnood (ongeveer 1/3 van de CGK), maar ook de zogenaamde ‘middenkerken’ die zelf geen vrouwen in het ambt kennen, maar elkaar als kerken wel willen vasthouden (ook ongeveer 1/3 van de CGK). De rechterflank spreekt vooral over eigen gewetensnood vanwege aantasting van het Schriftgezag binnen het kerkverband door andere voorgangers en kerken. Men doet dat met een onterecht en door eerdere CGK-synodes afgewezen beroep op art. 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Merkwaardig is daarbij trouwens, dat binnen diezelfde rechterflank men wel kanselruil toestaat met predikanten uit de Gereformeerde Bond en dus zelf voorgaat in de Protestantse Kerk – een kerkverband waar zelfs de meest vrijzinnige opvattingen over het lijden en sterven van onze Heer en Heiland verkondigd mogen worden. Een merkwaardige inconsequentie.

Hoe moet het nu verder binnen de CGK als de rechterflank bewust op het ravijn afkoerst? Het synodebestuur komt over een paar maanden met een plan om een ongecontroleerd uiteenvallen te voorkomen. Ik hoop dat het in de lijn ligt van het voorstel van ds. Arjan Witzier in 2022 lanceerde en dat veel lijkt op het federatieve kerkmodel dat wijlen prof. W. van ’t Spijker ooit lanceerde: twee deelsynodes ‘licht’ en ‘zwaar’ die samen regelmatig op een landelijke synode besluiten nemen over de gezamenlijke verantwoordelijkheden zoals het zendingswerk, de Theologische Universiteit, de emeritkas, de kerkelijke rechtspraak en het gereformeerde karakter van de kerken. Ook binnen de huidige CGK-synode kwamen ds. W.E. Klaver, oud. J. Mauritz en ds. G.J. Post met een vergelijkbaar voorstel. Ik ben alleen zo bang, dat daar in de rechterflank geen draagvlak meer voor is.

Het zou van moed getuigen wanneer de rechterflank met een zuiver geweten vrijwillig het CGK-kerkverband verlaat en zelfstandig verder gaat of zich aansluit bij de Hersteld Hervormde Kerk.

De 2/3 meerderheid van CGK-kerken die de eenheid wil bewaren kan dan samen verder. Het alternatief is een rampzalige kerkscheuring waarbij niet alleen kerken, maar ook complete classes en misschien wel een particuliere synode uit het kerkverband gezet worden. Dat gebeurde in de jaren ’60 in onze eigen NGK-kerken. Gevolg: 25% van het kerkvolk en 40% van de predikanten raakte ‘buitenverband’, maar slechts een klein deel van hen stapte over naar de toen steeds vrijzinnig wordende synodaal-gereformeerde kerken. Want, zoals meestal, liep de breuklijn niet langs de principiële lijn, maar langs de lijn van de tolerantie. Het duurde 56 jaar voordat in 2023 de breuk van 1967 hersteld werd.

De schade binnen de CGK bij een harde scheuring zal, vrees ik, nog groter zijn wanneer op een volgende synode de rechterflank weer oververtegenwoordigd is én op ramkoers blijft liggen. Dan wordt met meerderheid van stemmen 2/3 van de Christelijke Gereformeerde Kerken uit het kerkverband gezet.

Een scheur van bovenaf. Quis non fleret – wie zou dan niet wenen?

Terwijl die andere scheur van bovenaf Gods kinderen in hun geweten vrij zet door het bloed van het Lam.

Laat er, binnen en buiten de Christelijke Gereformeerde Kerken, veel gebeden worden om wijsheid van Boven.

Jezus veegt de tempel schoon. En komt er ooit nog een derde tempel?

Ik preekte over de tempelreiniging in Johannes 2 (zie onder preken NT). Hoe vaak heeft Jezus dat gedaan? En als Hij het over de afbraak en de herbouw van de tempel heeft, komt er dan ooit nog een derde tempel in Jeruzalem te staan?

Eerst over het eerste: heeft Jezus één keer of twee keer het tempelplein schoongeveegd? In Matte­üs, Markus en Lukas vindt de tempelreiniging plaats in de lijdensweek aan het eind van Jezus’ leven op aarde. Daarbij roept Jezus uit: ‘Staat er niet geschreven: “Mijn huis moet voor alle volken een huis van gebed zijn”? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’ (Markus 11:15-18). Johannes plaatst het meteen aan het begin van Jezus’ optreden als Gods Messias. Jezus verantwoordt Zich voor deze aktie door te zeggen: ‘Breek deze tempel maar af, en Ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.’  (Joh. 2:13-22).

Veel bijbeluitleggers zijn van mening dat er maar één tempelreiniging geweest is, nl. in de week vóór Jezus’ dood. Dat verhaal zou Johannes vanwege de thematische opzet van zijn boek naar voren hebben gehaald. Het is nl. karakteristiek voor heel Jezus’ optreden dat schijnvroomheid door Hem wreed verstoord wordt en dat dat irritatie opwekt.

Ik sluit mij aan bij de bijbeluitleggers die de tempelreiniging van Johannes serieus nemen en vinden dat er twee geweest zijn. Het belangrijkste argument daarvoor is het tempelwoord van Jezus over de afbraak en de opbouw van de tempel bij Johannes. Die woorden worden in de nacht voor Jezus’ dood tijdens het verhoor door de Joodse Raad aangehaald door twee getuigen die met een valse verklaring Jezus proberen te beschuldigen van Godslastering. Ze citeren Jezus niet alleen  verkeerd: ‘We hebben Hem horen zeggen: “Ik zal die door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen die niet door mensenhanden gemaakt is.”’ Maar ze krijgen hun getuigenverklaring niet rond:  het is te lang geleden om zich precies te herinneren wat Jezus toen precies gezegd heeft over het afbreken en weer opbouwen van de tempel.

Dat is een sterk bewijs dat Jezus twee keer het tempelplein schoongeveegd heeft: één keer vlak voor zijn gevangenneming en kruisdood, en één keer helemaal aan het begin van zijn optreden op aarde, minstens drie jaar eerder. Toen al liet Jezus zien, dat Hij de echte tempel van God is: door Hem wordt de ontmoeting met de HERE weer mogelijk, ten koste van afbraak en nieuwbouw, nl. door zijn dood en opstanding.

Daarom is het ook niet nodig om als christenen te verwachten dat er ooit nog een derde tempel zal komen in Jeruzalem. Veel orthodoxe Joden geloven daar wel in. De voorbereiding daarvoor zijn in volle gang. Maar als in Jeruzalem de Al-Aqsa-moskee ooit vervangen zal worden door een nieuwe tempel, zal dat, net als in de tijd van Jezus, weer een symbool worden van nationale Joodse trots, net zoals de Al Aqsa-moskee dat nu voor de moslims is. Maar in beide gevallen is het een plaats waar religieuze mensen op hun eigen manier Allah of Jahweh te vereren.  Maar God Zelf zullen ze daar niet vinden. Want Jezus is de vervulling van Gods tempel. Wie Hem niet erkent, maar hoopt op een nieuwe tempel, maakt daar een afgod van. Als christen kun je dat streven niet steunen. Je kunt alleen maar bidden of moslims en joden Jezus alsnog zullen erkennen als hun Verlosser. Wanneer dat gebeurt, hoeft er geen nieuwe tempel meer te komen.  Want de hele tempeldienst, al die offers, zijn vervuld in het ene offer van de Zoon van God, staat er in Hebreeën. En Jezus zegt zelf in Johannes 4 tegen de samaritaanse vrouw: ‘Er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, Hem aanbidt vervuld van Geest en waarheid. De Vader zoekt mensen die Hem zo aanbidden, want God is Geest, dus wie Hem aanbidt, moet dat doen vervuld van Geest en waarheid.’ Als je gelooft in Jezus, de Messias die gekomen is, dan is Hij voor alle christenen de nieuwe tempel, die Hij Zelf heeft opgericht: elke christelijke gemeente en ieder gelovig hart.

Over hoe onbijbels het is om als christen een derde tempel te verwachten nog de mening van twee auteurs.

Allereerst van theoloog J.D. King: ‘Waarom er geen derde tempel in Jezuzalem komt’ (via ‘Jezus en Israel’ 12 okt. 2024)

Sommige christenen geloven dat er een derde tempel zal worden gebouwd in de stad Jeruzalem, en dat de oude priesterorde, met de Levitische offers, zal worden hersteld. Degenen die deze opvatting aanhangen, zien niet-Joodse christenen vaak als Gods hemelse volk en de Joden als zijn aardse familie – nog steeds levend onder het oude verbond.

Veel “futuristen” stellen zich inderdaad een terugkeer van een oude priesterorde in de oude stad voor. De “Nieuwe Jeruzalem” die in Openbaring wordt beschreven, komt echter niet overeen met deze visie. Net als de schrijver van de Hebreeënbrief ziet de apostel Johannes de oude orde verdwijnen. Hij verklaart: “Ik zag geen tempel in de stad, want de Heer God Almachtig en het Lam zijn haar tempel” (Openbaring 21:22).

Ik ken meerdere oprechte christenen die uitzien naar de wederopbouw van de tempel en het herstel van dieroffers. Zij geloven dat dit oude profetieën vervult en het volk Israël eert. Inderdaad, de afstammelingen van Abraham verdienen respect (Romeinen 9:5; 11:28), maar God beweegt zich niet achteruit in zijn plannen. Toen Jezus zei: “Het is volbracht” (Johannes 19:30), had Hij de taak al volbracht. Hoewel Israëls rol in de heilsgeschiedenis van groot belang is, wordt de uiteindelijke vervulling van de profetieën gevonden in Christus. Niets en niemand anders overtreft Hem.

Bedenk dat de grootste manier om Israël te eren is door Joden en niet-Joden samen te brengen in één familie onder de Messias. We volgen het hart van Mozes en de profeten wanneer beide bevolkingsgroepen samen worden ingeënt en zij aan zij groeien, gevoed door de wortel van Christus. Het verbeelden van twee volledig gescheiden families met verschillende reddingsplannen staat haaks op Gods eeuwige doeleinden.

De levensvatbaarheid van een herstelde tempel en Levitische orde is in wezen geen onderwerp van discussie. Jezus’ offer aan het kruis was definitief, en er zal geen terugkeer zijn naar dieroffers. Het bloed van Christus werd eens en voor altijd vergoten (Hebreeën 10:10), waardoor verdere offers overbodig zijn.

Ik durf te zeggen dat het Nieuwe Testament geen belofte biedt van een derde tempel. Jezus verwees naar dit nieuwe tijdperk toen hij verklaarde: “Breek deze tempel af en in drie dagen zal ik hem weer oprichten.” Hoewel dat destijds verkeerd werd begrepen, sprak hij over zijn eigen lichaam als de nieuwe tempel (Johannes 2:19–21). De boodschap is duidelijk: de tempel van stenen en vergankelijke materialen is niet langer relevant. Jezus zelf is nu de plaats waar hemel en aarde elkaar ontmoeten. Niets door mensenhanden gebouwd zal Hem ooit overtreffen.

Door het hele Nieuwe Testament heen zien we verdere aanwijzingen dat de tempel overbodig is. Zo gebruikt Petrus tempelbeeltenis om de identiteit van christenen te beschrijven: “Jullie zijn levende stenen, waarmee God zijn geestelijke tempel bouwt. Wat meer is, jullie zijn Zijn heilige priesters. Door de bemiddeling van Jezus Christus brengen jullie geestelijke offers die God welgevallig zijn” (1 Petrus 2:5 NLV). Dit is niet alleen symbolisch; gelovigen, verenigd met Christus, worden de nieuwe tempel. Andere passages bevestigen deze waarheid (1 Kor. 3:16; 2 Kor. 6:16; Ef. 2:21; Openb. 21:22).

Het verlangen om Israël te eren is begrijpelijk. De Joodse bijdragen aan de Schrift en de heilsgeschiedenis zijn essentieel. Begrijp echter dat niemand de familie van Jakob vervangt; in plaats daarvan worden Joden en niet-Joden één. We zijn allemaal, zoals Paulus zegt, een “nieuwe mensheid” (Efeziërs 2:15–16).

We moeten Israël respecteren. Dit betekent echter niet dat we terugkeren naar oude systemen en orden. Als je naar Genesis kijkt, zie je dat Gods plan altijd voor de gehele mensheid was – niet slechts voor één natie. Zijn werk begon met Adam, die de hele mensheid vertegenwoordigde (dit zit zelfs in zijn naam). Het doel van de Heer was (en is) om alle naties te zegenen – niet alleen degenen die nauw verwant zijn aan Abraham door bloed. De Heer keert niet terug naar het offersysteem dat uitsluitend bedoeld was voor de zonen en dochters van Jakob.

Bovendien vereist de uiteindelijke vervulling van Gods belofte aan Abraham – om alle naties te zegenen (Genesis 22:18) – geen herbouwde tempel. In plaats daarvan is het een realiteit die de mensheid vooruitbrengt naar een tijd waarin alle stammen en talen verenigd zullen zijn in Christus. Het is een tijdperk dat verder gaat dan de rituelen van het verleden.

Laat me je verzekeren dat er geen derde tempel door God zal worden ingesteld (Let wel, ik zeg niet dat welwillende christenen en Joden het niet zullen proberen – vanuit eigen kracht). Jezus Christus en zijn lichaam, bestaande uit Joden en niet-Joden, is waar de glorie woont. Het kostbare bloed van de Messias is meer dan voldoende om de zonden van de mensheid te verzoenen en ons allen vrij te maken.

Als tweede een deel uit het artikel ‘De blinde vlek van dr. W. Ouweneel c.s.’ van bijbelonderzoeker Piet Guijt

4.4. Tempel

WO meent dat er in Jeruzalem een nieuwe tempel moet komen, want anders is Israël niet compleet wat zijn herstel betreft. De vraag is wat hij dan doet met het gegeven dat de ware tempel, namelijk Jezus Christus die sprak over de tempel van Zijn lichaam (Joh. 2:21), al is gekomen? Jezus bouwt Zijn gemeente (“Zo zegt de HERE der heerscharen: zie, een man, wiens naam is Spruit. Deze zal uit zijn plaats uitspruiten en hij zal de tempel des HEREN bouwen” – Zach. 6:12) die een tempel, een woonstede is van de Heilige Geest (1 Kor. 3:16; 2 Kor. 6:16; Ef. 2:22). En wel met mensen “als levende stenen voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus” (1 Petr. 2:5). Of in een ander beeld: overwinnaars als zuilen “in de tempel van Mijn God” (Openb.3:12). Daarom moest de oude aardse tempel definitief verdwijnen. De tempel ten tijde van het Oude Verbond was namelijk een voorafschaduwing van de toekomstige en zelfs eeuwige woonplaats van God in mensen.

Een fysieke tempel in het aardse Jeruzalem is beslist niet meer nodig. Het mist elke geestelijke relevantie, want het grote offer voor de zonde, Jezus Christus, is immers voor eens en altijd gebracht (Hebr. 7:27; Hebr. 9:12; Hebr. 10:10; Rom. 6:10). In het licht van het Nieuwe Verbond en met name de Hebreeënbrief is het ondenkbaar dat deze zaken binnen een nieuwe, zichtbare, fysieke tempel weer terug zullen komen. Het nieuwe verbond kent geen zichtbare, aardse, stenen tempels. De Allerhoogste woont niet in tempels met handen gemaakt (Hand. 7:48-49; Hand. 17:24).

Zoals eerder gezegd, God wil wonen in mensen. Toen Jezus stierf, scheurde het voorhangsel (dat het Heilige der Heiligen voor iedereen behalve de hogepriester aan het oog onttrok) van boven naar beneden doormidden, aldus in het openbaar een einde makend aan de oudtestamentische priester- en offerdienst. Een fysieke tempel heeft dus geen enkel nut meer, en zou een slag in het gezicht van de Here Jezus zijn omdat het Zijn offer zou miskennen. Stephen Sizer spreekt in zijn artikel ‘De Joodse tempel: Verleden, heden en toekomst’ zelfs over ketterij. En zei Jezus niet dat we “noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zullen aanbidden maar de Vader zullen aanbidden in geest en in waarheid want de Vader zoekt zulke aanbidders”? (Joh. 4:23). Dus hoezo een fysieke tempel in Jeruzalem?

Overigens kan men nog de (irrelevante) vraag stellen of het de tempel van Salomo zou moeten zijn (Jezus zou nooit de Hogepriester in die tempel mogen zijn, want Hij is uit de stam Juda en niet uit de stam Levi [Hebr. 7:13,14]) of de tempel volgens Ezech. 40-48 die in diverse opzichten geheel anders is dan de tempel van Salomo. Tegen de gedachte van een tempel geldt ook dat Jezus Hogepriester is van heel andere orde, namelijk die van Melchizedek. Jezus is de Hogepriester van de gemeente, de geestelijke tempel.

En als men kijkt naar Ez. 47: 1 en 2 betreffende het water dat onder de drempel van het huis uitstroomt en uit een zijkant opborrelt, gaat het eerder om een metafoor van een geestelijke werkelijkheid. Zoals hiervoor werd genoemd, vormen de gemeenteleden de tempel. “Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien” (Joh. 7:38) en waar de Heilige Geest de ruimte krijgt, zal er herstel, gezondheid en leven zijn.

4.5. Tempeldienst

De veronderstelling van een toekomstige tempel is m.i. dus niet te verdedigen. Maar des te vreemder (om niet te zeggen: absurder) is WO ‘s opvatting dat er in die tempel weer dierenoffers gebracht zullen worden, en nu niet als heen-wijzing naar Christus maar als terug-wijzing. WO noemt ter verdediging dat de Thora nog steeds gelijk gebleven is. Dat geldt uiteraard wel voor de eeuwige morele wetten van God, maar niet voor de oudtestamentische dierenoffers. Die zijn zelfs niet eens meer nodig omdat het Ware offerlam, Christus, is geslacht. En wij mogen nu leven onder de wet van Christus (1 Cor. 9:21; Gal. 6:2) en de volmaakte wet der vrijheid (Jak. 1:25, 2:12). Alles is nieuw geworden dankzij Jezus Christus onze Heer, en we hoeven nooit meer terug naar het oude verbondssysteem met haar offerdiensten et cetera.

Dat er een hemelse tempel is, wil volgens WO niet zeggen dat de aardse tempel dan niet meer nodig is want het zijn spiegelbeelden naast elkaar, zegt hij. Dat is m.i. een misvatting, want de oudtestamentische tempel was geen spiegelbeeld maar een schaduwbeeld van de hemelse tempel. Dat schaduwbeeld is niet meer nodig als de werkelijkheid in Christus is gekomen.

Mag een kerk zonder navraag grote giften aannemen?

Geld is een middel om te voorzien in ons onderhoud. Dat gold voor de tijd waarin Jezus leefde en voor de tijd waarin wij leven. Met geloof alleen koop en betaal je geen brood in de supermarkt.

Ook een kerk heeft geld en goederen nodig om alle taken te kunnen uitvoeren. In het Oude Testament brachten de gelovigen 10% van hun geld of van hun goederen naar de tempel in Jeruzalem en in elk derde jaar naar de oudsten in de stad (Deuteronomium 14:22-29).

Maar mag een kerk geld aannemen waarbij er vragen zijn over achtergrond van de gever of de gift? Of, meer in het algemeen gesteld, moet de kerk bij elke grote schenking onderzoek doen naar de herkomst van dat geldbedrag? Te denken valt aan erfenissen die na overlijden worden ontvangen, legaten die bij het leven worden gegeven, grote eenmalige bedragen uit bedrijfswinsten of een royale gift na het onverwacht winnen van veel prijzengeld (de lezer snapt de aanleiding voor dit artikel 😊).

Ik denk dat een kerk hier erg voorzichtig in moet zijn. In de Bijbel kom ik één duidelijke waarschuwing tegen om als kerk ‘verboden geld’ aan te nemen, namelijk in Deuteronomium 23 vers 19: U mag in het heiligdom van de HERE, uw God, geen hoerenloon of schandegeld gebruiken voor het inlossen van een gelofte, want de HERE, uw God, heeft van beide een afschuw. Het gaat hier om geld dat een vrouw als hoer of een man als schandknaap door prostitutie verdiend heeft.

Als je dat breder trekt, zou je vandaag kunnen zeggen: alle vormen van crimineel geld, of het nu om drugsgeld of witwasgeld gaat of met crypto-speculatie verdiend is, moet je als kerk niet willen aannemen. Maar moet je bij alle andere grote giften ook altijd checken waarom men opeens dit royale bedrag aan de kerk schenkt? Ik denk van niet.

Ik kwam in een oud boek (H. Bouwman, Gereformeerd Kerkrecht – deel 1, 1934 / ongewijzigde herdruk 1985) een verwijzing tegen naar de nog oudere gereformeerd theoloog Voetius (rond 1650). Bouwman stelt op blz. 584de vraag “of de diakonie wel geld mag aannemen dat verdiend is met onrechtmatige daden?” Hij haalt dan Voetius aan. Die zegt, dat je verschil moet maken tussen de gever en de kerk die het geld ontvangt. Wat op onrechtmatige wijze verkregen is, moet iemand teruggeven en niet weggeven aan een ander. “Maar weet de diakonie er niets van, dan behoeft zij niet een onderzoek in te stellen naar de wijze, waarop de schenker het geld verkregen heeft.” Verder geeft Bouwman aan, dat ‘onrechtmatig verkregen geld’ iets anders is dan ‘bedenkingen over de herkomst’. Want het komt ‘veelvuldig’ voor dat iemand volgens de regels van de overheid op wettige manier zijn geld verdiend heeft, terwijl je vanuit christelijk standpunt bekeken best vragen kunt stellen over de welke manier waarop men dat bedrag bij elkaar vergaard heeft. Maar zonder konkrete aanleiding hoef je daar als kerk niet naar te vragen, aldus Bouwman. Een tekst als Deuteronomium 23 over ‘hoerenloon en schandegeld’  is geen oproep tot fact-checking door de ontvanger, maar een waarschuwing aan degene die op een zondige manier z’n geld verdiend heeft: dat kun je niet afkopen door het aan de kerk te geven.

Een ander voorbeeld dat nog wel eens wordt aangehaald om bij grote giften naar de herkomst te vragen is het verhaal van Ananias en Saffira in Handelingen 5. Zij verkochten een stuk land en brachten de hele opbrengst ervan naar de apostelen – maar niet heus. Ze hielden een deel voor zichzelf, maar wilden graag binnen de christelijke gemeente graag mooie sier maken door de indruk te wekken dat ze het hele bedrag van de verkoop aan de kerk schonken. Petrus deed daar navraag naar en ze bleven bij hun leugen. Met als gevolg dat ze allebei dood neervielen voor de voeten van de apostelen.

Maar is dit een reden om navraag te doen bij iedereen die de kerk een grote gift wil geven? Ik denk van niet. Hier is niet het geldbedrag de oorzaak van de navraag door Petrus, maar de oneerlijkheid. Zelfs de motivatie waarom Ananias en Saffira maar de helft als gift aan de kerk gaven wordt niet in twijfel getrokken. Als ze er maar eerlijk over geweest waren. Ze hebben gezondigd tegen Gods bepaling bij het brengen van de tienden, zoals dat in Deuteronomium 26:12-13 staat: 12 Als u in het derde jaar, het jaar van de tienden, het tiende deel van de opbrengst hebt afgestaan aan de Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen, zodat zij bij u in de stad voldoende te eten hebben, 13 dan moet u tegenover de HEER, uw God, verklaren: ‘Ik heb niets van de gaven die de HEER toekomen achtergehouden. Ik heb alles aan de Levieten, vreemdelingen, weduwen en wezen gegeven, geheel overeenkomstig de geboden die U mij hebt opgelegd.’

In de kerk vragen we in de regel niet naar de herkomst van giften. We spreken elkaar er wel op aan dat God ons oproept om ons vertrouwen niet te stellen op zoiets onzekers als rijkdom, maar om vrijgevig te zijn, rijk in goede daden, en onze rijkdom bij Jezus te zoeken, om het met de woorden van Paulus uit zijn eerste brief aan Timoteüs te zeggen (1 Tim. 6:17-19). Dan is de vraag niet: waar komt die grote schenking aan de kerk of de diakonie vandaan? De motivatie daarvoor ligt bij de gever en God ziet het hart aan. De vraag is veel meer: waar gaat het mis met een kerkelijke gemeente als geheel, als men jaar op jaar moeite heeft om de begroting rond te krijgen en af en toe een legaat nodig heeft om niet in de rode cijfers te belanden? Zijn we dan niet samen te veel in de greep van ‘dat ellendige geld’, zoals de Bijbel in Gewone Taal het woord ‘Mammon’ zo passend vertaalt? En zouden we elkaar dan niet vooral daar op moeten blijven aanspreken?

Ook christelijk Balkbrug blij met de Postcodeloterij?

Op 1 januari stond in Balkbrug plotseling de grote truck van de Postcodeloterij geparkeerd voor de pas geopende kringloopwinkel. Die was net stroopwafels aan het bakken en draaiden onverwacht een super omzet. De truck kwam aangereden omdat de PostcodeKanjer 2025 van 59,7 miljoen Euro op postcode 7707 was gevallen. Laat dat nou net heel ons dorp + omgeving zijn! Bijna 30 miljoen viel op de even nummers van één straat. De andere 30 miljoen mogen de overige gelukkigen met een winnend lot verdelen.

Verschillende mensen vroegen mij: ‘Zijn jullie nu ook miljonair?’ En: ‘Mag je als christen meedoen aan zoiets als de Postcodeloterij?’

Op die eerste vraag geef ik steevast als antwoord: ‘Nee, wij hebben nog nooit meegedaan. Maar dat geeft niet. Andermans voordeel is niet ons nadeel. We gunnen de mensen in onze straat het mooie bedrag dat ze binnenkort ontvangen.’

De tweede vraag vind ik lastiger te beantwoorden. Vanouds wordt in protestants-gereformeerde kring een loterij beschouwd als gokken. Het past niet bij een christelijke levensstijl om daaraan mee te doen. Het bevordert de hebzucht. Dat is volgens de Bijbel de wortel van alle kwaad. Jezus zei een: “Je kunt niet én God én de geldgod Mammon tegelijk dienen.”

Maar er zijn wel wat nuanceringen aan te brengen als het om zoiets als de Postcodeloterij gaat. Allereerst is het een goede-doelen-loterij. Minstens 40% van de inleg wordt uitgekeerd aan organisaties als Artsen zonder Grenzen, Natuurmonumenten, Vluchtelingenwerk Nederland en het Wereld Natuur Fonds. Veel mensen vinden dat een sympathieke gedachte en spelen daarom mee, want de kans om de PostcodeKanjer is minimaal. Verder is de Postcodeloterij een soort nationale bingo geworden. Er doen 3,5 miljoen Nederlanders aan mee. Bijna niemand rekent erop om ooit de hoofdprijs te winnen.

Nu zijn er altijd christenen geweest die om principiële redenen zelfs niet meedoen met de bingo op de camping of van de senioren, die nooit lootjes kopen als kinderen voor hun sport- of muziekvereniging aan de deur komen en die ook de decemberactie van de middenstand aan zich voorbij laten gaan. Toen ooit in een behoorlijk gereformeerd dorp op 31 december de vrouw van de vrijgemaakte dominee het winnende lot met als hoofdprijs een Fiat Panda bleek te hebben, vonden sommigen dat ze die prijs niet moest komen afhalen. Maar doorgaans zien veel christenen zulke kleinere kansspelen niet als bezwaarlijk.

Maar is zoiets groots als de Postcodeloterij wel te vergelijken met die gezellige bingo van de buurtvereniging? Ik twijfel. Er zijn 14 trekkingen per jaar en daarvoor moet je iedere keer een lot van € 15,50 kopen. Dat is € 217 per jaar. Doordat wij al ruim 34 jaar niet meespelen, hebben we als inwoner van Balkbrug toch het mooie bedrag van € 7.400 ‘gewonnen’.

Je kunt ook terecht de vraag stellen of men echt vanwege al die goede doelen aan de Postcodeloterij meedoen. Zit er bij de meeste deelnemers misschien toch niet een kiemetje van hebzucht achter, zo van: je weet maar nooit? Een aantal jaren geleden claimde een vrouw bij de rechter dat ze ‘psychische schade’ had opgelopen doordat de straatprijs op haar postcode was gevallen terwijl zij niet meespeelde. Doordat die grote truck ongevraagd haar straat binnenreed,  was ze tegen haar wil bij deze happening betrokken, vond ze. De rechter ging daar niet in mee, maar gaf toe dat hierdoor wel een tegenstelling gecreëerd kan worden binnen kleine gemeenschappen. De hebzucht zit namelijk ook bij de ‘verliezers’ die het maar slecht kunnen hebben dat zij een enorm geldbedrag zijn misgelopen.

‘Mag je als christen meedoen aan zoiets als de Postcodeloterij?’ was dus de vraag die ik in de eerste twee dagen van 2025 het meest te horen kreeg. Als kerkleden uit mijn gemeente me dat vragen, keer ik het om en vraag hun: ‘Doe je mee aan de Postcodeloterij? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?’

Zelf doe ik niet mee, want volgens mij wijzen Jezus en Paulus mij op iets anders. Jezus zei ooit: “Geven maakt gelukkiger dan ontvangen.” En Paulus schreef in één van zijn brieven: “Stel je hoop niet op zoiets onzekers als rijkdom, maar op God, die ons rijkelijk van alles voorziet om ervan te genieten. En draag hen op om goed te doen, rijk te zijn aan goede daden, vrijgevig, en bereid om te delen.”  

Als ik die woorden op me laat inwerken, denk ik maar zo: als iemand in Balkbrug meedeed aan de Postcodeloterij om daarmee al die goede doelen te steunen, heeft hij nu de kans om dat echt heel royaal te doen!

Ook verschenen als opiniebijdrage in het Nederlands Dagblad en in De Stentor

ADVENT – van wie ben jij er eentje?

Eén van mijn leraren van de middelbare school had een achternaam die niet zo heel veel voorkwam. Hij hield zich ook bezig met genealogie. Zonder de digitale mogelijkheden van vandaag had hij zijn stamboom al tot ongeveer het jaar 900 na Christus weten terug te herleiden. Op een dag kwam hij iemand tegen met dezelfde achternaam. Hij vroeg: “Uit welke familie kom jij? Wie waren je grootvader en overgrootvader?” Zijn naamgenoot antwoordde hem: “Mijn grootvader is in een kindertehuis opgevoed omdat mijn overgrootvader als bankovervaller jaren in de gevangenis gezeten heeft.” Waarop mijn leraar antwoordde: “Dan zijn wij geen familie, want in onze stamboom komen geen bankovervallers voor.”

Van wie is Jezus er eentje?

Op weg naar Kerst denken christenen tijdens de vier Adventsweken aan de komst van Jezus Christus (en ook aan zijn terugkomst, maar dat terzijde). Naar zijn geboorte, ruim 2000 jaar geleden, werd door veel mensen uitgekeken. Zijn komst was ook al lang van te voren aangekondigd. Hij is de beloofde Immanuel, Zoon van de Allerhoogste, die God als reddende kracht zal geven om tot in eeuwigheid op de troon van zijn vader David te zitten en koning te zijn over het volk van Jakob. Dat klinkt goed! Met Jezus Zelf is niets mis.

Maar als je vervolgens zijn stamboom eens wat beter bekijkt, denk je al snel: je moet er maar eentje willen zijn van zo’n familie! De eerste biografie van Jezus Christus, het Evangelie van Matteüs, begint met een ‘Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham’ (Mat. 1:1). In die stamboom worden vijf vrouwen genoemd, Tamar, Rachab, Ruth, Batseba en Maria. Vaak worden die vijf vrouwen met ere genoemd. En terecht. Ze worden in de Bijbel geprezen om hun geloof. Ze komen op voor hun recht. Ze doen een beroep op Gods beloften. Ze laten zich inschakelen in Gods plan.

Iedereen rotzooit maar wat aan

Er zit ook een andere kant aan de vermelding van deze vijf vrouwen. Namelijk: zou jij er eentje van zo’n familie willen zijn? Bij minstens twee van hen ontkom je niet aan de gedachte: wat maken Gods kinderen er toch altijd weer een puinhoop van. Ze rotzooien maar wat aan. 

Tamar die met haar schoonvader Juda het bed in duikt omdat die haar geen recht doet (Gen. 38). Batseba, die in de stamboom van Jezus half-anoniem ‘de vrouw van Uria’ genoemd wordt, omdat David de verleiding niet kon weerstaan om haar eerst zwanger te maken en daarna zijn buurman liet vermoorden om de sporen van overspel uit te wissen (2 Sam. 11). En als derde is daar ook nog Maria, van onbesproken gedrag, maar wel zwanger ‘door de Heilige Geest’ (Mat. 1:18+20, Luk. 35). Dat gelooft niemand als je er niet van overtuigd bent dat God wonderen kan doen. Ook Jozef komt er niet achter of ze in de drie maanden dat ze bij haar oom en tante in Judea was, vreemdgegaan of door iemand verkracht is. En de andere twee namen, die van Rachab en Ruth, zijn vanwege hun afkomst ook nogal omstreden. Rachab was een hoer uit Jericho die twee Israëlitische spionnen onderdak bood en zo haar eigen leven redde (Joz. 2:1). Ruth was een gelukzoekster uit het gehate Moab, het volk dat uit een incestrelatie ontstaan was (de dochters van Lot gingen allebei met hun vader naar bed, Gen. 19:30-38) en waarvan God gezegd had: ‘Ammonieten en Moabieten zullen nooit ofte nimmer tot de dienst van de HEER worden toegelaten’ (Deut. 23:3).

It’s all about people

Goeiedag hé, denk ik dan, je moet er maar eentje willen zijn van zo’n familie! Precies! Dat is wat Jezus wil! Iemand van hetzelfde soort als jij en ik. Wij rommelen allemaal maar wat aan in het leven en maken er regelmatig een puinhoop van. En toch gebruikt God dat allemaal om stug door te werken aan zijn eigen plan om via Jezus Christus iedereen die in Hem gelooft, niet verloren te laten gaan, maar te redden en uitzicht te geven op een eeuwig leven in vrede met God en met elkaar. Dat is Gods grote verlangen. Zoals Bill Hybels een keer zei: It’s all about people!Het gaat God om ons! Jezus voelt zich niet te goed om Zelf mens te worden. En het is Hem ook niet te min om een stamboom te hebben waar ieder ander zich voor zou schamen. Hij poetst niets van al die onvolkomenheden weg. Integendeel, je zou haast kunnen zeggen: Jezus is er trots op dat al zijn voorouders van die paupers waren. Daarvoor wilde Hij komen en is Hij gekomen met Kerst. Ja, daarom moest en zou Hij Jezus heten, om zijn volk te bevrijden van hun zonden (Mat. 1:21). Daarvoor gaf Hij zijn leven en liet Hij zijn bloed vloeien op Goede Vrijdag. Daarom is Hij opgestaan met Pasen en laat Hij vanaf Pinksteren zijn Geest royaal over heel de wereld uitwaaieren. Dankzij Hem weet ik mij weer kind van God (Rom. 8:16). En weet ik dat Jezus mijn grote Broer is (Rom. 8:29). Dus hoef ik niet langer naar mezelf te kijken en vol schaamte en schuld te denken: ‘Ben ik er zo eentje?’ Ik mag juist dankbaar omhoog kijken en blij zeggen: ‘U bent me er eentje, Heer Jezus! En ik ben er eentje van U!’

Ds. Ernst Leeftink

(Voor wie het interessant vindt: op www.cbgfamilienamen.nl kun je vinden hoe vaak jouw en in welke regio jouw familienaam in 1947 en in 2007 voorkwam).